Nadere regelgeving:
- Besluit ex artikel 6 Noodwet Geneeskundigen
- Besluit gelijkstelling studenten medische opleidingen aan
geneeskundigen
WET van 23 april 1971, houdende regeling met betrekking tot de
geneeskundige, tandheelkundige, verloskundige en farmaceutische
voorziening ten behoeve van de bevolking voor het geval van oorlog,
oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende
buitengewone omstandigheden
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor het
geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband
houdende buitengewone omstandigheden nieuwe regelen te stellen met
betrekking tot de geneeskundige, tandheelkundige, verloskundige en
farmaceutische voorziening ten behoeve van de bevolking;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
1.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. bevoegd gezag: de Directeur-Generaal van de Volksgezondheid,
of, voor zover krachtens artikel 5, eerste lid, een andere
autoriteit is aangewezen, deze autoriteit;
c. geneeskundige: degene, ten aanzien van wie geen grond tot
weigering van inschrijving in het desbetreffende overeenkomstig
artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg (Stb. 1993, 655) ingestelde register als
onderscheidenlijk arts, tandarts, apotheker of verloskundige van
toepassing is;
d. inwoner van Nederland: degene, die als ingezetene in een
basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven of behoort te
zijn ingeschreven.
2.Voor de toepassing van het eerste lid, onder c, blijft het
bepaalde in artikel 8, vijfde lid, van de Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg buiten toepassing.
Artikel 2
1.Bij ministeriële regeling kan ten aanzien van personen, die geen
geneeskundige zijn doch de opleiding daartoe gedeeltelijk hebben
gevolgd, worden bepaald, dat zij, voor zover zij behoren tot in de
regeling aangewezen categorieën, voor de toepassing van het bij of
krachtens deze wet bepaalde met geneeskundigen gelijkstaan.
2.De personen, die krachtens toepassing van het eerste lid met
geneeskundigen gelijkstaan, zijn verplicht geheimhouding in acht te
nemen ten opzichte van al datgene, wat hun bij de nakoming van de in
dat lid bedoelde verplichtingen als geheim is toevertrouwd, of wat
daarbij als geheim te hunner kennis is gekomen of waarvan zij het
vertrouwelijk karakter moesten begrijpen.
Artikel 2a
De geneeskundigen die niet ingeschreven staan in het desbetreffende
overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg ingestelde register, worden voor de
toepassing van in andere wetten opgenomen bepalingen, betrekking
hebbende op degenen die in dat register ingeschreven staan,
gelijkgesteld met degenen die in dat register ingeschreven staan voor
zover zulks noodzakelijk is ter nakoming van de hun krachtens deze wet
opgelegde verplichtingen.
Artikel 3
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, één of meer van de
paragrafen van hoofdstuk II van deze wet in werking worden gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent
het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde paragrafen.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de paragrafen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
worden de paragrafen die ingevolge het eerste lid in werking zijn
gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons
oordeel toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op
de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 4 [Vervallen per 01-05-1997]
Artikel 5
1.Onze Minister kan autoriteiten aanwijzen, die, elk voor zover
zulks in zijn besluit is bepaald, in de plaats van de Directeur-
Generaal van de Volksgezondheid optreden als bevoegd gezag.
2.De Directeur-Generaal en elk der krachtens het eerste lid
aangewezen autoriteiten worden in hun hoedanigheid van bevoegd gezag
bijgestaan door een commissie van advies, waarvan de voorzitter, de
overige leden en de secretaris door Onze Minister worden benoemd,
geschorst en ontslagen. In de commissie van advies hebben in ieder
geval zitting een of meer leden, te benoemen op aanbeveling van de
door Ons aangewezen organisaties van geneeskundigen.
3.Van een krachtens het eerste lid vastgesteld besluit wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 6
Het bevoegd gezag oefent de aan dit gezag bij of krachtens deze wet
toegekende bevoegdheden uit met inachtneming van de door Onze Minister
in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers gestelde
regelen en van de door Onze Minister gegeven instructies.
Artikel 7
Bij algemene maatregel van bestuur worden de autoriteiten aangewezen,
die, zolang de verbinding tussen Onze Minister en enig gebied verbroken
is, in dat gebied met inachtneming van de bij de maatregel gestelde
regelen de bij de artikelen 8 en 9 aan Onze Minister toegekende
bevoegdheden uitoefenen.
Hoofdstuk II. Bepalingen voor buitengewone omstandigheden [Treedt in
werking op een nader te bepalen tijdstip]
§ 1. Uitoefening van de praktijk [Treedt in werking op een nader te
bepalen tijdstip]
Artikel 8 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald, dat het
geneeskundigen in het algemeen, dan wel dat het geneeskundigen,
behorende tot bij de regeling aangewezen categorieën, verboden is
zonder vergunning van het bevoegd gezag:
a. de uitoefening van de praktijk geheel of voor een deel te
staken;
b. zich ter uitoefening van de praktijk te vestigen;
c. bij ontstentenis of afwezigheid van een geneeskundige diens
praktijk langer dan een week waar te nemen.
2.Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
§ 2. Beperking van het beëindigen en aangaan van rechtsbetrekkingen
[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 9 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald, dat het
geneeskundigen in het algemeen, dan wel dat het geneeskundigen,
behorende tot bij de regeling aangewezen categorieën, verboden is
zonder vergunning van het bevoegd gezag een rechtsbetrekking,
strekkende tot de uitoefening van hun beroepswerkzaamheden in dienst
van of voor een ander:
a. te beëindigen;
b. aan te gaan.
2.Een krachtens het eerste lid, onder a, gesteld verbod geldt mede
voor de wederpartij.
3.Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 10 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Indien een rechtsbetrekking door één der partijen is beëindigd in
strijd met een krachtens artikel 9, eerste lid, onder a , gesteld verbod
of met een voorschrift, verbonden aan een krachtens dat lid verleende
vergunning, kan de wederpartij gedurende zes maanden de nietigheid der
beëindiging inroepen.
Artikel 11 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Het is zowel de geneeskundige als de wederpartij verboden een
rechtsbetrekking, aangegaan in strijd met een krachtens artikel 9,
eerste lid, onder b , gesteld verbod of met een voorschrift, verbonden
aan een krachtens dat lid verleende vergunning, te laten voortduren.
2.Ten aanzien van het beëindigen van zodanige rechtsbetrekking
geldt een krachtens artikel 9, eerste lid, onder a , gesteld verbod
niet.
3.De persoon, die zodanige rechtsbetrekking met de geneeskundige
heeft aangegaan, is verplicht van de beëindiging van de
rechtsbetrekking onverwijld aan het bevoegd gezag schriftelijk
mededeling te doen.
Artikel 12 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.De artikelen 9, 10 en 11 gelden niet ten aanzien van
dienstbetrekkingen van geneeskundigen, die in dienst zijn van een
lichaam als bedoeld in één der artikelen B 1, B 2, B 3 en U 2 van de
Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1966, 6).
2.Ten aanzien van zodanige dienstbetrekkingen kunnen regelen van
overeenkomstige strekking worden gesteld bij algemene maatregel van
bestuur.
3.Bij een algemene maatregel van bestuur als in het tweede lid
bedoeld kunnen omtrent het vragen van voorziening tegen beschikkingen,
krachtens die maatregelen genomen, en de rechtsgang ter zake, regelen
worden gesteld in afwijking van hoofdstuk IV.
4.De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als in het
tweede lid bedoeld wordt Ons gedaan door Onze Minister, te zamen met
Onze Ministers, wie het mede aangaat.
§ 3. Opleggen van verplichtingen [Treedt in werking op een nader te
bepalen tijdstip]
Artikel 13 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Het bevoegd gezag kan aan geneeskundigen, die Nederlander dan wel
inwoner van Nederland zijn, met uitzondering van de Nederlanders,
woonachtig in de Nederlandse Antillen of Aruba, de verplichting
opleggen:
a. in een daartoe aangewezen gebied, al dan niet van een
bepaalde plaats uit, de praktijk uit te oefenen;
b. bij ontstentenis of afwezigheid van een geneeskundige diens
praktijk, geheel of voor een deel en al dan niet van een bepaalde
plaats uit, waar te nemen;
c. anderszins alle of een deel van zijn beroepswerkzaamheden,
al dan niet van een bepaalde plaats uit en al dan niet in dienst
van of voor een ander, te verrichten;
d. daartoe aangewezen werkzaamheden, welke niet behoren tot de
beroepswerkzaamheden van een geneeskundige, in het belang van de
geneeskundige, tandheelkundige, verloskundige of farmaceutische
voorziening, al dan niet in dienst van of voor een ander, te
verrichten;
e. daartoe aangewezen werkzaamheden, bestaande in het volgen
van een opleiding op geneeskundig, tandheelkundig, verloskundig of
farmaceutisch gebied, bij een ander te verrichten.
2.Het in het eerste lid, onder d en e, bepaalde geldt niet ten
aanzien van verloskundigen.
3.Een beschikking krachtens het eerste lid bevat een zo nauwkeurig
mogelijke omschrijving van de opgelegde verplichting, alsmede van de
plaats en tijd van aanvang en, indien mogelijk, van de waarschijnlijke
duur van de werkzaamheden, welke uit de opgelegde verplichting
voortvloeien. In voorkomend geval wijst zij voorts de natuurlijke of
rechtspersoon aan, in wiens dienst dan wel voor of bij wie de
werkzaamheden moeten worden verricht, en geeft zij daarbij aan in
welke verhouding de geneeskundige tot die persoon zal staan.
4.De verplichtingen, die krachtens het eerste lid worden opgelegd,
kunnen niet strekken tot het verrichten van werkzaamheden op plaatsen
buiten Nederland.
5.De geneeskundige, die ten tijde van de oplegging der verplichting
een rechtsbetrekking heeft, strekkende tot de uitoefening van zijn
beroepswerkzaamheden in dienst van of voor een ander of tot het
verrichten van andere werkzaamheden dan de beroepswerkzaamheden van
een geneeskundige in dienst van een ander, is verplicht binnen
driemaal vierentwintig uur aan zijn wederpartij mededeling te doen van
de hem opgelegde verplichting.
Artikel 14 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De verplichtingen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, kunnen niet
worden opgelegd aan geneeskundigen, die:
a. ingevolge een overeenkomst met een andere mogendheid of met
een volkenrechtelijke organisatie van oplegging van zodanige
verplichtingen uitgesloten zijn, of
b. behoren tot bij algemene maatregel van bestuur daartoe
aangewezen categorieën of krachtens zodanige maatregel daartoe zijn
aangewezen.
Artikel 15 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De overeenkomstig artikel 13, derde lid, aangewezen persoon is
verplicht de geneeskundige de werkzaamheden, welke uit de opgelegde
verplichting voortvloeien, te laten verrichten.
Artikel 16 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Te rekenen van de dag, waarop een geneeskundige, aan wie
krachtens artikel 13, eerste lid, de verplichting is opgelegd
werkzaamheden als bedoeld in dat lid te verrichten in dienst van dan
wel voor of bij een ander, deze werkzaamheden verricht, bestaat tussen
die geneeskundige en degene, in wiens dienst dan wel voor of bij wie
de werkzaamheden moeten worden verricht een rechtsbetrekking, die voor
de toepassing van wettelijke voorschriften geacht wordt een
rechtsbetrekking te zijn uit een ter zake van een verhouding als
aangegeven krachtens artikel 13, derde lid, aangegane overeenkomst.
2.De inhoud van de rechtsbetrekking is zoveel mogelijk gelijk aan
de wettelijk geoorloofde inhoud van rechtsbetrekkingen uit ter zake
gebruikelijke overeenkomsten. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen daaromtrent nadere regelen worden gesteld. Partijen bij
de rechtsbetrekking zijn bevoegd gezamenlijk haar inhoud nader vast te
stellen. Op verzoek van de meest gerede partij geschiedt de nadere
vaststelling door het bevoegd gezag.
3.De rechtsbetrekking kan door partijen niet worden bëeindigd. Zij
neemt van rechtswege een einde, zodra de geneeskundige van de
opgelegde verplichting is ontslagen, of gaat behoren tot een der in
artikel 14 bedoelde categorieën.
Artikel 17 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Zolang een geneeskundige door het voldoen aan een hem krachtens
artikel 13, eerste lid, opgelegde verplichting verhinderd is te
voldoen aan de verplichtingen, welke op hem krachtens een bestaande
rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 13, vijfde lid, rusten, is
deze rechtsbetrekking geschorst, doch kan zij door partijen niet
worden beëindigd zonder vergunning van het bevoegd gezag.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
omtrent de gevolgen van de schorsing voor de rechten en verplichtingen
uit zodanige rechtsbetrekking.
3.Een vergunning als in het eerste lid bedoeld kan onder
beperkingen worden verleend. Aan zodanige vergunning kunnen
voorschriften worden verbonden.
4.Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Aan een geneeskundige, als bedoeld in artikel 12, eerste lid,
wordt voor de tijd, gedurende welke hij door het voldoen aan een hem
krachtens artikel 13, eerste lid, opgelegde verplichting verhinderd is
zijn bestaande dienstbetrekking te vervullen, in die dienstbetrekking
verlof verleend. Bij algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent
nadere regelen gesteld.
2.De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als in het
eerste lid bedoeld wordt Ons gedaan door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken, tezamen met Onze Minister en met Onze Ministers,
wie het mede aangaat.
Artikel 19 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Het bevoegd gezag kan een geneeskundige van een hem krachtens
artikel 13, eerste lid, opgelegde verplichting te allen tijde, hetzij
ambtshalve, hetzij op verzoek van de geneeskundige of van de
overeenkomstig het derde lid van dat artikel aangewezen persoon,
ontslaan.
2.Artikel 13, vijfde lid, is met betrekking tot het ontslag van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald, dat het
geneeskundigen, aan wie ingevolge artikel 13, eerste lid, een
verplichting kan worden opgelegd, verboden is het land te verlaten
zonder door hem verleende vergunning.
2.Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
§ 4. Opheffing van wettelijke belemmeringen [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 21 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Onze Minister kan bij regeling onderscheidenlijk bij beschikking,
ten aanzien van ondernemingen die werkzaam zijn op het gebied van de
geneeskundige of farmaceutische voorziening en die hetzij behoren tot
bij de regeling aangewezen categorieën, hetzij bij de beschikking
afzonderlijk zijn aangewezen, vrijstelling, onderscheidenlijk
ontheffing verlenen van verplichtingen en verboden, gesteld bij of
krachtens wettelijke voorschriften ter zake van het tegengaan van
gevaar, schade en hinder, teweeggebracht door inrichtingen.
2.Onze Minister kan bij regeling onderscheidenlijk bij beschikking,
ten aanzien van ondernemingen die werkzaam zijn op het gebied van de
geneeskundige of farmaceutische voorziening en die hetzij behoren tot
bij de regeling aangewezen categorieën, hetzij bij de beschikking
afzonderlijk zijn aangewezen, vrijstelling, onderscheidenlijk
ontheffing verlenen van verplichtingen en verboden, gesteld bij of
krachtens wettelijke voorschriften ter zake van de beperking van de
arbeidsduur en van de veiligheid en de hygiëne bij de arbeid.
3.Een vrijstelling of ontheffing kan onder beperkingen, alsmede
voorwaardelijk worden verleend; zij kan te allen tijde worden
ingetrokken. Indien een vrijstelling of ontheffing voorwaardelijk is
verleend, geldt zij slechts voor zover de gestelde voorwaarden worden
nageleefd.
Hoofdstuk III. Vergoedingen en sociale voorzieningen
Artikel 22
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen
gesteld omtrent het ten laste van de staat:
a. toekennen, voor zover nodig, van een vergoeding aan een
geneeskundige in verband met een hem krachtens artikel 13, eerste
lid, opgelegde verplichting;
b. treffen, voor zover nodig, van voorzieningen bij ziekte,
ongeval, invaliditeit en overlijden, verband houdende met het
nakomen van een krachtens artikel 13, eerste lid, aan een
geneeskundige opgelegde verplichting.
Hoofdstuk IV. Voorziening tegen beschikkingen
Artikel 23
In afwijking van artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, wordt een bezwaarschrift tegen een besluit van Onze
Minister of Onze Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid ingediend
bij het bevoegd gezag.
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 25
1.Op een ingekomen bezwaarschrift, gericht tegen een beschikking
van het bevoegd gezag, neemt dit, zo het terstond de aangevoerde
bezwaren gegrond acht, zo spoedig mogelijk een beslissing.
2.Indien het bevoegd gezag niet terstond de aangevoerde bezwaren
gegrond acht, brengt dit het bezwaarschrift onverwijld ter kennis van
de in artikel 5, tweede lid, bedoelde commissie. Deze brengt zo
spoedig mogelijk advies uit.
3.Indien het bevoegd gezag zich met het door de commissie
uitgebrachte advies kan verenigen, neemt het zo spoedig mogelijk
dienovereenkomstig een beslissing.
4.Indien het bevoegd gezag zich met het door de commissie
uitgebrachte advies niet kan verenigen, doet dit het bezwaarschrift,
tezamen met dat advies en zijn oordeel ter zake, onverwijld aan Onze
Minister toekomen. Onze Minister neemt zo spoedig mogelijk een
beslissing.
Artikel 26
Een bezwaarschrift, gericht tegen een beschikking van Onze Minister
of van Onze Minister van Sociale Zaken, wordt onverwijld ter kennis van
de in artikel 5, tweede lid, bedoelde commissie gebracht. Deze brengt zo
spoedig mogelijk advies uit.
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 28
1.Een door Onze Minister of Onze Minister van Sociale Zaken genomen
beslissing wordt aan het bevoegd gezag medegedeeld.
2.Voordat een advies als bedoeld in artikel 25, tweede lid, of
artikel 26, wordt uitgebracht, hoort de in artikel 5, tweede lid,
bedoelde commissie zo mogelijk de belanghebbende.
Hoofdstuk V. Registratie
Artikel 29 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 29a [Vervallen per 01-09-2001]
Hoofdstuk VI. Ambtelijke bevoegdheden
Artikel 30
Het bevoegd gezag kan personen oproepen om voor hem of voor door hem
daarbij aangewezen ambtenaren te verschijnen:
a. tot het geven van inlichtingen, die naar zijn redelijk oordeel
in het belang van de uitvoering van deze wet nodig zijn;
b. tot het overleggen van bescheiden, waarvan raadpleging naar
zijn redelijk oordeel in het belang van de uitvoering van deze wet
nodig is;
c. tot het ondergaan van een onderzoek naar hun geschiktheid voor
het verrichten van werkzaamheden ingevolge hoofdstuk II, paragraaf
3.
Artikel 31
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren.
2.De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met
medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden
zonder toestemming van de bewoner.
3.De in het eerste lid bedoelde ambtenaren beschikken niet over de
bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet
bestuursrecht.
4.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 31a
1.Onze Minister wijst ambtenaren aan die belast zijn met het
inwinnen van gegevens in het belang van de uitvoering van deze wet.
2.De artikelen 5:15 tot en met 5:17 en 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
in het eerste lid bedoelde ambtenaren.
3.De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met
medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden
zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 32
1. Ieder die krachtens artikel 30 is opgeroepen, is verplicht ter
plaatse en ten tijde, bij de oproeping aangewezen, te verschijnen en
desverlangd de in dat artikel, onder a tot en met c, bedoelde
medewerking te verlenen. De verstrekking van de in dat artikel
bedoelde inlichtingen dient volledig en naar waarheid te geschieden.
2. Het bevoegd gezag is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de in het eerste lid gestelde
verplichtingen.
3. Artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is
van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VII. Verdere bepalingen
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 34
Indien naar het oordeel van het betrokken bevoegd gezag de geboden
spoed of buitengewone omstandigheden zulks vereisen, kan de bekendmaking
van besluiten geschieden op een andere wijze dan op grond van de
artikelen 3:41 en 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht is vereist.
Deze bekendmaking wordt vervolgens zo spoedig mogelijk schriftelijk
bevestigd.
Artikel 35
1.Indien door een besluit als bedoeld in artikel 3, derde en vierde
lid, van deze wet dan wel bij een besluit als bedoeld in de artikelen
7, tweede lid, en 8, tweede lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden, de werking van een of meer der paragrafen 1
tot en met 3 van hoofdstuk II wordt beëindigd, kan bij dat besluit
worden bepaald, dat met betrekking tot geneeskundigen en
rechtsbetrekkingen, de krachtens die paragrafen genomen maatregelen en
het bij en krachtens die paragrafen bepaalde gedurende een bij dat
besluit vast te stellen tijd van toepassing blijven.
2.Indien door een besluit als bedoeld in artikel 3, derde en vierde
lid, van deze wet dan wel bij een besluit als bedoeld in de artikelen
7, tweede lid, en 8, tweede lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden, de werking van paragraaf 4 van hoofdstuk II
wordt beëindigd, kan bij dat besluit met betrekking tot, op grond van
die paragraaf verleende, van kracht zijnde vrijstellingen en
ontheffingen worden bepaald, dat deze te hunnen aanzien gedurende een
bij dat besluit vast te stellen tijd van toepassing blijven.
Artikel 36
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij
algemene maatregel van bestuur.
Artikel 37
1.Het bij of krachtens artikel 8, eerste lid, 9, eerste lid, en 13,
eerste lid, bepaalde is niet van toepassing ten aanzien van:
a. de leden van de Hoge Colleges van Staat, Onze Ministers, de
Staatssecretarissen en de leden van de rechterlijke macht met
rechtspraak belast;
b. de leden van provinciale staten en van gemeenteraden;
c. degenen, die in werkelijke militaire dienst zijn of in
militaire dienst opgeroepen zijn;
d. bekleders van een geestelijk ambt of diegenen die een
opleiding tot een zodanig ambt volgen;
e. degenen, die bij algemene maatregel van bestuur daartoe
aangewezen openbare ambten bekleden.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen
gesteld ter nadere bepaling van de in het eerste lid, onder d,
bedoelde categorie van personen.
Artikel 38
1.Zolang één of meer paragrafen van hoofdstuk II in werking zijn,
worden geneeskundigen zo mogelijk niet dan na overleg met het bevoegd
gezag, op grond van het bij of krachtens een andere wet bepaalde
verplicht tot het verrichten van werkzaamheden in het belang van de
militaire of civiele verdediging.
2.Geneeskundigen, die verplicht zijn zodanige werkzaamheden te
verrichten, zijn, zolang deze verplichting duurt, van een
verplichting, welke hun krachtens artikel 13, eerste lid, is opgelegd,
ontheven.
3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet bij een oproeping in
militaire dienst.
Hoofdstuk VIII. Bepalingen van strafrechtelijke aard
Artikel 39
Overtreding van het bij artikel 11, derde lid, 13, vijfde lid,19,
tweede lid, 29, derde lid, 29a, eerste en tweede lid, artikel 31a,
tweede lid, voor zover het betreft artikel 5:20, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht of artikel 32, eerste lid, bepaalde, alsmede
overtreding van het krachtens artikel 36 bepaalde, voor zover zij
daarbij is aangeduid als strafbaar feit, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 40
Overtreding van het bij of krachtens artikel 8, eerste of tweede lid,
9, eerste, tweede of derde lid, 11, eerste lid, 13, eerste lid, 15, of
20, eerste of tweede lid, bepaalde, alsmede overtreding van het
krachtens artikel 12, tweede lid, bepaalde, voor zover zij daarbij is
aangeduid als strafbaar feit, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 41
Opzettelijke overtreding van het krachtens artikel 13, eerste lid, of
20, eerste of tweede lid, bepaalde wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste één jaar of geldboete van de derde categorie.
Artikel 42
Met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar of geldboete van de
derde categorie wordt gestraft hij die, nadat hem krachtens artikel 13,
eerste lid, een verplichting is opgelegd:
a. opzettelijk of ondanks waarschuwing roekeloos zich zelf,
anderen of de eigendom van degene, in dienst van wie dan wel voor
wie of bij wie hij ter vervulling van de hem opgelegde verplichting
werkzaamheden moet verrichten, aan ernstig gevaar blootstelt, dan
wel
b. opzettelijk en grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke
voor hem uit de hem opgelegde verplichting voortvloeien.
Artikel 43
1.De feiten, strafbaar gesteld bij de artikelen 39 en 40, zijn
overtredingen.
2.De feiten, strafbaar gesteld bij de artikelen 41 en 42, zijn
misdrijven.
Artikel 44
De voorgaande strafbepalingen zijn mede van toepassing op de
Nederlander of de inwoner van Nederland, die een strafbaar feit begaat
buiten Nederland.
Artikel 45 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 46
1.Met het opsporen van de feiten, bij deze wet strafbaar gesteld,
zijn behalve de ambtenaren, aangewezen bij artikel 141 van het Wetboek
van Strafvordering, belast de krachtens artikel 31 aangewezen
ambtenaren, voor zover zij door Onze Minister van Justitie daartoe
zijn aangewezen.
2.Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld feit
hebben de in het eerste lid bedoelde ambtenaren toegang tot elke
plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
nodig is.
Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Artikel 47
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 48
De Wet genees- en tandheelkundige voorziening burgerbevolking (Stb.
1939, 802) wordt ingetrokken.
Artikel 49
Deze wet kan worden aangehaald als: Noodwet Geneeskundigen.
Artikel 50
Deze wet treedt, met uitzondering van hoofdstuk II, in werking met
ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 23 april 1971
JULIANA
Minister van Algemene Zaken, De Minister-President,
De Jong
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R.J.H. Kruisinga
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
Uitgegeven de vierentwintigste juni 1971
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
|