Onverminderd de
artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit
noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de artikelen 2 tot en met 14 in werking worden
gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen,
wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden
omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepalingen.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen,
dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden
dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 2
Krachtens de artikelen 3, 4, 13 en 14 kunnen slechts voorzieningen
worden getroffen, indien zij noodzakelijk zijn om ontwrichting van de
rechtspleging tegen te gaan, dan wel onmiddellijk dreigende ontwrichting
van de rechtspleging te voorkomen. De krachtens deze artikelen getroffen
voorzieningen worden ingetrokken, zodra de omstandigheden dit toelaten.
Artikel 3
1. Onze Minister van Justitie kan het rechtsgebied van een
gerechtshof, of rechtbank tijdelijk wijzigen.
2. Het besluit tot die wijziging of de intrekking daarvan vindt
geen toepassing ten aanzien van een reeds aanhangige zaak, tenzij het
gerecht, waarbij de zaak aanhangig is, anders beslist.
3. [Vervallen.]
4. Een notaris mag zijn ambtsbediening mede uitoefenen in het
arrondissement, waartoe zijn standplaats komt te behoren.
5. Een deurwaarder wordt geacht mede te zijn aangesteld bij het
gerecht tot welker rechtsgebied zijn standplaats komt te behoren en dat
van gelijke rang is als dat waarbij hij is aangesteld.
6. De wijziging van het rechtsgebied van een gerecht is niet van
invloed op bij en krachtens de Politiewet vastgestelde territoriale
indelingen.
Artikel 4
Onze Minister van Justitie kan bepalen, dat :
a. de bij een rechtbank werkzame rechterlijke ambtenaren met
rechtspraak belast tijdelijk kunnen optreden als
raadsheer-plaatsvervanger in één of meer door Onze Minister
aangewezen gerechtshoven.
b. de bij een gerechtshof werkzame rechterlijke ambtenaren met
rechtspraak belast tijdelijk kunnen optreden als
rechter-plaatsvervanger of kantonrechter-plaatsvervanger bij één
of meer door Onze Minister aangewezen rechtbanken.
Artikel 5
1. Ieder die voor het leven is benoemd in een gerecht, genoemd
in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie, alsmede iedere
kantonrechter-plaatsvervanger, die voldoet aan de vereisten voor
benoeming tot kantonrechter, kan, voorzover niet reeds krachtens het
vorige artikel daartoe bevoegd, tijdelijk optreden als
raadsheer-plaatsvervanger, rechter-plaatsvervanger en
kantonrechter-plaatsvervanger bij onderscheidenlijk een gerechtshof,
of rechtbank, waarvoor de in artikel 4 omschreven voorziening is
getroffen.
2. De personen, in het vorige lid bedoeld, die tijdelijk
verblijven in het rechtsgebied van een gerecht, waarvoor de in artikel 4
omschreven voorziening is getroffen, stellen zich, voorzover dit
verenigbaar is met andere hun bij of krachtens de wet opgelegde
plichten, terstond nadat die voorziening is getroffen of hun verblijf
sedertdien aanvangt, voor de duur van hun verblijf ter beschikking van
de president van het betrokken gerechtshof of de betrokken rechtbank.
Deze verplichting geldt niet voor raadsheren-plaatsvervangers,
rechters-plaatsvervangers en kantonrechters-plaatsvervangers; zij doen,
tenzij zij wegens hun bij of krachtens de wet opgelegde plichten niet
voor rechtspraak beschikbaar zijn, mededeling van hun verblijf aan
bedoelde president.
Artikel 6
1. Bij een gerecht, waarvoor een in artikel 4 omschreven
voorziening is getroffen, kunnen andere ambtenaren en waarnemende
ambtenaren van het openbaar ministerie dan die daarmede reeds zijn
belast, tijdelijk de dienst van het openbaar ministerie waarnemen.
2. De president van een gerechtshof, waarvoor de in artikel 4,
onder a, omschreven voorziening is getroffen, kan raadsheren en
raadsheren-plaatsvervangers bij het hof aanwijzen voor de tijdelijke
waarneming van de dienst van het openbaar ministerie bij dat hof.
3. De president van een rechtbank waarvoor de in artikel 4, onder
b, omschreven voorziening is getroffen, kan rechterlijke ambtenaren met
rechtspraak belast bij die rechtbank aanwijzen voor de tijdelijke
waarneming van de dienst van het openbaar ministerie bij die rechtbank.
Artikel 7
1. De president van een gerechtshof, waarvoor de in artikel 4
omschreven voorziening is getroffen, kan in afwijking van de
aanwijzing als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet op de
rechterlijke organisatie gerechtsambtenaren werkzaamheden van de
griffier opdragen.
2. De president van een rechtbank, waarvoor de in artikel 4
omschreven voorziening is getroffen, kan in afwijking van de aanwijzing
als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet op de rechterlijke
organisatie gerechtsambtenaren werkzaamheden van de griffier opdragen.
Artikel 8
1. [Vervallen.]
2. Iedere notaris, die elders zijn ambtsbediening uitoefent, mag
deze mede uitoefenen in het gebied van een gerecht, waarvoor een
voorziening, als omschreven in artikel 4, is getroffen.
3. Iedere elders aangestelde deurwaarder wordt geacht mede te
zijn aangesteld bij een gerecht, waarvoor een voorziening, als
omschreven in artikel 4, is getroffen.
Artikel 9
1. De president van een gerechtshof, waarvoor de voorziening,
omschreven in artikel 4, onder a, is getroffen, kan voor de
werkzaamheden van dat hof de tijdelijke voorzieningen treffen, die hij
in het belang van een goede rechtspleging noodzakelijk acht. Hij kan
daarbij afwijken van het bij of krachtens de wet voor die
werkzaamheden bepaalde. In het bijzonder kan hij, indien dit met het
oog op het aantal voor rechtspraak beschikbaren onvermijdelijk is,
bepalen, dat de zaken van alle of bepaalde meervoudige kamers worden
waargenomen door enkelvoudige kamers en kan hij voorts bepalen, dat
zittingen uitsluitend of mede worden gehouden op andere plaatsen dan
die, waar zich de zetel van het hof bevindt, mits gelegen binnen het
rechtsgebied van het hof.
2. Gelijke bevoegdheid als in het vorige lid omschreven, berust
bij de president van een rechtbank, waarvoor de voorziening, omschreven
in artikel 4, onder b, is getroffen, ten aanzien van die rechtbank, met
dien verstande dat zittingen van de rechtbank alleen kunnen worden
gehouden binnen het rechtsgebied van de rechtbank.
Artikel 10
1. De president van een gerechtshof, waarvoor de voorziening,
omschreven in artikel 4, onder a, is getroffen, wordt bij belet of
ontstentenis van degenen, die hem vervangen ingevolge artikel 9 van de
Wet op de rechterlijke organisatie, vervangen door de overige
raadsheren, raadsheren-plaatsvervangers, tevens rechter,
raadsheren-plaatsvervangers, tevens kantonrechter, of de overige
raadsheren-plaatsvervangers in deze volgorde. Binnen de genoemde
groepen gaat de oudst benoemde voor; daarbij wordt de voorziening
krachtens artikel 4, onder a, als een benoeming aangemerkt. Bij
gelijktijdige benoeming gaat de oudste in leeftijd voor.
2. De president van een rechtbank, waarvoor de voorziening,
omschreven in artikel 4, onder b, is getroffen, wordt bij belet of
ontstentenis van degenen, die hem vervangen ingevolge artikel 9 van de
Wet op de rechterlijke organisatie, vervangen door de overige rechters,
de rechters-plaatsvervangers, tevens kantonrechters, of de overige
rechters-plaatsvervangers in deze volgorde. De tweede en derde volzin
van het vorige lid zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Voor de vervanging van de president van een gerechtshof of een
rechtbank, bedoeld in dit artikel, komen degenen, die krachtens artikel
5 tijdelijk kunnen optreden, niet in aanmerking.
Artikel 11
In het rechtsgebied van een gerecht, waarvoor een in artikel 4
omschreven voorziening is getroffen:
a. zijn de termijnen, genoemd in de artikelen 58 en 64 van het
Wetboek van Strafvordering, tijdelijk verdubbeld;
b. kan tijdelijk bij dagvaarding betreffende een strafbaar feit
worden volstaan met een korte aanduiding van het feit, dat te laste
wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter
plaatse het begaan zou zijn, en kunnen tijdelijk de termijnen,
genoemd in de artikelen 265, 398, onder 1°, en 413 van het Wetboek
van Strafvordering, ook zonder toestemming van de verdachte worden
verkort, een en ander voorzover de verdachte daardoor naar het
oordeel van de rechter niet in zijn verdediging wordt geschaad;
c. is tijdelijk bij door de rechter te verrichten
buitengerechtelijke handelingen in burgerlijke zaken
procureurstelling niet vereist.
Artikel 12
Indien Onze Minister van Justitie een krachtens artikel 4 getroffen
voorziening intrekt, vervallen de ten aanzien van het betrokken gerecht
of de betrokken gerechten bij en krachtens de artikelen 5-11 getroffen
voorzieningen behoudens voor aanhangige zaken. Bij een enkelvoudige
kamer aanhangige zaken, die bij een meervoudige kamer behoren, worden
echter door deze laatste overgenomen.
Artikel 13
Onze Minister van Justitie kan bepalen, dat de rechter in burgerlijke
en strafzaken wettelijke voorschriften betreffende termijnen en vormen,
indien deze ten gevolge van de buitengewone omstandigheden in
redelijkheid niet konden of kunnen worden in acht genomen, buiten
beschouwing kan laten.
Artikel 14
Onze Minister van Justitie kan bepalen, dat de beslissingen in
strafzaken van bepaalde gerechtshoven, of rechtbanken, niettegenstaande
artikelen 557-560 van het Wetboek van Strafvordering, ten uitvoer kunnen
worden gelegd. Zodra de uitvoering van een beslissing een aanvang heeft
genomen, vervallen de gewone rechtsmiddelen.
Artikel 15
Krachtens deze wet door Onze Minister van Justitie te nemen besluiten
treden, tenzij daarbij anders is bepaald, in werking met ingang van de
dag na die van hun bekendmaking. Zij kunnen bepalen, dat zij
onmiddellijk na hun bekendmaking in werking treden.
Artikel 16
1. Krachtens deze wet door Onze Minister van Justitie te nemen
besluiten worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant.
2. Indien het landsbelang dit naar zijn oordeel noodzakelijk
maakt, kan Onze Minister van Justitie een besluit, als bedoeld in het
vorige lid, op andere wijze bekendmaken.
Artikel 17
1. In geval op grond van artikel 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden, bepalingen uit de Oorlogswet
voor Nederland in werking zijn gesteld, kan Onze Minister van Justitie
verklaren dat in door hem aan te wijzen gedeelten van Nederland de
burgerlijke rechter geacht wordt niet in staat te zijn van strafbare
feiten kennis te nemen.
2. Onze Minister van Justitie kan de in het eerste lid bedoelde
verklaring te allen tijde intrekken.
3. Op de in het eerste lid bedoelde verklaring en de in het
tweede lid bedoelde intrekking zijn de artikelen 15 en 16 van
overeenkomstige toepassing.
4. Gedurende de tijd dat de in het eerste lid bedoelde verklaring
van kracht is, nemen mobiele rechtbanken ingesteld krachtens de Wet
militaire strafrechtspraak, onverminderd hun rechtsmacht op grond van
die wet, kennis van de strafbare feiten door wie ook begaan in het
gebied waarop de in het eerste lid bedoelde verklaring betrekking heeft.
Artikel 18
Bij algemene maatregel van bestuur worden de autoriteiten aangewezen,
die onder daarbij te stellen regelen in enig gebied de bevoegdheden,
welke bij deze wet aan Onze Minister van Justitie worden toegekend,
uitoefenen voor zolang de verbinding tussen dat gebied en Onze Minister
is verbroken. Ons besluit wordt mede bekendgemaakt in de Nederlandse
Staatscourant.
Artikel 19
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 20
Deze wet kan worden aangehaald als: Noodwet rechtspleging.
Artikel 21
1. Met uitzondering van de artikelen 2-14 treedt deze wet in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij is geplaatst.
2. Artikel 14 wordt niet door Ons in werking gesteld, zolang de
Oorlogswet voor Nederland niet in werking is getreden. In afwijking van
het vorige lid treedt artikel 19 eerst in werking op het tijdstip,
waarop de Oorlogswet voor Nederland in werking treedt, indien dit een
later tijdstip is dan de dag na de datum van afkondiging van de Noodwet
rechtspleging.