Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 28 augustus 1851, regelende de
onteigening ten algemeenen nutte
WIJ WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van
Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten;
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, de
onteigening ten algemeenen nutte, in overeenstemming met art. 147 der
Grondwet, bij de wet te regelen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Algemeene bepalingen
Artikel 1
1.Onteigening ten algemeenen nutte kan in het publiek belang van
den Staat, van eene of meer provinciën, van eene of meer gemeenten,
en van een of meer waterschappen plaats hebben.
2.In dat publiek belang kan ook ten name van natuurlijke personen
of privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid,
aan wie de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, is
toegestaan, worden onteigend.
Artikel 2
De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering zijn op
het geding tot onteigening toepasselijk, voor zooveel daarvan bij deze
wet niet is afgeweken.
Artikel 3
1.Als eigenaar van een onroerende zaak, en als rechthebbende op een
recht als in artikel 4, eerste lid, omschreven, worden zij beschouwd,
die als zodanig in de basisregistratie kadaster staan vermeld.
2.Desniettemin kan een ieder die beweert eigenaar te zijn, of
rechthebbende op een recht als in artikel 4, eerste lid, omschreven,
en niet is gedagvaard, aan de rechter verzoeken in het geding van
onteigening te mogen tussenkomen, zolang de eindconclusies door
partijen niet genomen zijn. Hetzelfde recht hebben derde
belanghebbenden, waaronder zijn te verstaan beperkt gerechtigden,
huurders, onderhuurders, pachters, onderpachters, bezitters, eigenaren
in geval van mandeligheid volgens artikel 60, tweede lid, van Boek 5
van het Burgerlijk Wetboek, schuldeisers als bedoeld in artikel 252
van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, en zij die op het te onteigenen
goed of op een recht waaraan dat is onderworpen, beslag hebben gelegd.
Deze laatsten kunnen in hun verzoek alleen worden ontvangen, indien
zij daarbij een notaris of deurwaarder aanwijzen aan wie kan worden
betaald.
3.Bij tegenspraak der hoedanigheid van eigenaar, rechthebbende of
derde belanghebbende, wordt de onteigening met de overigen voortgezet,
en zal hij, die beweert gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de
schadevergoeding kunnen uitoefenen, die in dat geval wordt
geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de consignatie van gelden.
Artikel 4
1.Wanneer op een onroerende zaak, die toebehoort aan de
onteigenende partij, een recht van opstal, erfpacht, vruchtgebruik,
gebruik, bewoning of beklemming rust, kan dat recht afzonderlijk
worden onteigend.
2.Overigens kan door toepassing van deze wet een zaak slechts
worden bevrijd van de met betrekking tot de zaak bestaande lasten en
rechten door onteigening van die zaak.
3.Een aandeel in een zaak of een recht kan niet afzonderlijk worden
onteigend.
Titel I. Over onteigening in gewone gevallen
Hoofdstuk I [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 5 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 6 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 7 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 8 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 9 [Vervallen per 01-07-2005]
Hoofdstuk II [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 10 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 11 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 12 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 13 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 14 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 15 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 16 [Vervallen per 15-08-1920]
Hoofdstuk III. Van het geding tot onteigening
Artikel 17
De onteigenende partij tracht hetgeen onteigend moet worden bij
minnelijke overeenkomst te verkrijgen.
Artikel 18
1. Is hetgeen onteigend moet worden niet bij minnelijke
overeenkomst verkregen, dan dagvaardt de onteigenende partij de bij
koninklijk besluit aangewezen eigenaar voor de rechtbank in welker
rechtsgebied de te onteigenen onroerende zaak is gelegen, teneinde de
onteigening te horen uitspreken en het bedrag der schadeloosstelling
te horen bepalen. Betreft de onteigening een recht, dan wordt zij
ingesteld tegen de bij koninklijk besluit aangewezen rechthebbende;
van deze vordering wordt kennisgenomen door de rechtbank binnen welker
rechtsgebied de onroerende zaak is gelegen waarop het recht rust.
2. Wanneer de rechtbank op grond van het voorgaande bevoegd is van
een deel van de vordering kennis te nemen, is zij bevoegd van de
geheele vordering kennis te nemen.
3. Bij onteigening van een onroerende zaak waarop blijkens de
openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van
het Burgerlijk Wetboek, een eeuwigdurende erfpacht of een beklemrecht
rust, worden ook de erfpachter of de beklemde meier gedagvaard.
4. De dagvaarding wordt betekend aan degenen die als houder van op
het te onteigenen goed rustende hypotheken in de openbare registers
bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek zijn ingeschreven en aan de in die registers ingeschreven
beslagleggers op het te onteigenen goed.
5. Aan de derde belanghebbenden, als bedoeld in artikel 3, tweede
lid, voor zover deze aan de onteigenende partij bekend zijn of behoren
te zijn, wordt de dagvaarding betekend dan wel wordt een afschrift van
de dagvaarding gezonden bij aangetekende brief, waarvoor een bericht
van ontvangst wordt verlangd. Ten aanzien van een huurder van
woonruimte, als bedoeld in artikel 233 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek, kan in de aangetekende brief worden volstaan met de
mededeling van de uitgebrachte dagvaarding en van het daarin vervatte
aanbod, voor zover dit op hem betrekking heeft. Voorts wordt
mededeling gedaan van voorzieningen die de onteigenende partij
voornemens is jegens hem te treffen.
6. De betekening of de verzending van de aangetekende brief
geschiedt binnen een week na het uitbrengen van de dagvaarding.
7. Betekening of toezending bij aangetekende brief vindt niet
plaats aan degenen die op grond van het derde lid van dit artikel zijn
gedagvaard.
8. In het exploit van betekening van de dagvaarding aan de derde
belanghebbende of in de aangetekende brief wordt vermeld op welke
wijze zij, desgewenst, in het geding van onteigening kunnen
tussenkomen.
Artikel 19 [Vervallen per 01-02-1973]
Artikel 20
1.Wanneer de verweerder buiten het Koningrijk woont, of zijne
woonplaats onbekend is, wordt het geding gevoerd tegen den
gevolmagtigde of bewindvoerder, indien een zoodanige binnen het
Koningrijk bekend is, en, zoo ook deze onbekend is, tegen een derde,
binnen het ressort der regtbank wonende, en door deze op verzoek en
ten koste der onteigenende partij, te dien einde te benoemen. De alzoo
benoemde kan, bij het ophouden zijner betrekking, het loon van den
bewindvoerder eens afwezige, en daarenboven de gemaakte onkosten in
rekening brengen.
2.Desniettemin is de verweerder geregtigd ten dage, in art. 23
genoemd, op de dagvaarding, aan den gevolmagtigde, bewindvoerder of
door den regter benoemde gedaan, te verschijnen, in welk geval de
dagvaarding als aan hem geschied wordt beschouwd en het geding tegen
hem wordt gevoerd.
3.Is de verweerder overleden, dan vinden de bepalingen van dit
artikel overeenkomstige toepassing.
Artikel 21 [Vervallen per 15-08-1920]
Artikel 22
1. De dagvaarding moet, op straffe van nietigheid, de som, welke
als schadeloosstelling aangeboden wordt, vermelden.
2. Indien er derde belanghebbenden zijn, moet uit het in de
dagvaarding te vermelden aanbod blijken, welk aandeel daarvan voor de
verweerder onderscheidenlijk ieder der derde belanghebbenden, voor
zover dezen aan de onteigenende partij bekend zijn of behoren te zijn,
als schadeloosstelling is bestemd, op straffe van veroordeling in de
kosten overeenkomstig artikel 50, tweede lid.
Artikel 23
Ten minste drie dagen vóór de verschijning legt de onteigenende
partij, tot staving van haren eisch, ter griffie van de regtbank over:
1°. een exemplaar van de Staatscourant, waarin is openbaar
gemaakt Ons besluit, waarbij de te onteigenen onroerende zaken en
rechten worden aangewezen;
2°. en door de burgemeester van de gemeente, waar de betrokken
onroerende zaken zijn gelegen, afgegeven bewijs dat de uitgewerkte
plannen met de daarbij behorende kaarten en grondtekeningen binnen
de betrokken gemeente ter inzage gelegen hebben.
Artikel 24
De rechtbank behandelt zaken aangaande onteigening ten algemenen
nutte, vóór elke andere.
Op de eerste roldatum, of uiterlijk twee weken daarna concluderen de
verweerders voor antwoord. Indien de verweerders alsdan niet voor
antwoord concluderen, worden zij geacht het aanbod te hebben verworpen.
Het laatste is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van derde
belanghebbenden aan wie bij dagvaarding of aangetekende brief een aanbod
is gedaan.
Oproeping tot vrijwaring wordt niet toegelaten.
Indien van twee of meer gedaagden de een verschijnt, de ander niet,
wordt met de verschijnende onmiddellijk voortgeprocedeerd. De uitspraak
geschiedt tussen al de partijen bij een en hetzelfde vonnis, dat als een
vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd, en waartegen geen verzet
is toegelaten.
Uiterlijk een maand na de eerste roldatum doet de rechtbank
uitspraak.
Het voorschrift vervat in het vorige lid geldt niet, indien de
eigenaar de vordering als bedoeld in artikel 38 doet of indien een der
partijen pleidooi vraagt; alsdan verwijst de enkelvoudige kamer op ter
zitting gedaan verzoek de zaak naar de meervoudige kamer der rechtbank.
Artikel 25
De rechtbank wijst aan de onteigenende partij haar eis niet toe
indien:
a. het in artikel 23, onder 1°, bedoelde exemplaar van de
Staatscourant niet is overgelegd;
b. de inartikel 23, onder 2°, bedoelde terinzagelegging niet
heeft plaatsgevonden.
Artikel 26
Tegen de uitspraak des regters, houdende nietigverklaring van de
dagvaarding of ontzegging van den eisch om eenige andere reden, wordt
hooger beroep toegelaten.
Artikel 27
1.Behoudens ingeval van nietigverklaring van de dagvaarding of
niet-ontvankelijkheidverklaring dan wel ontzegging van de eis, benoemt
de rechtbank een of meer deskundigen in oneven getale. Zij geeft aan
hen opdracht om de schadeloosstellingen te begroten van de verweerder
en derde belanghebbenden, doch slechts voor zover zij het aan hen ten
processe gedane aanbod niet hebben aanvaard.
2.Zij benoemt voorts een harer leden, om vergezeld van de griffier,
als commissaris bij de opneming door deskundigen van de ligging en
gesteldheid der onroerende zaken waarop de onteigening betrekking
heeft, tegenwoordig te zijn en wijst een of meer nieuws- of
advertentiebladen aan, waarin de aankondiging door de griffier, in het
volgende artikel vermeld, moet geschieden.
3.Deze benoeming en aanwijzing vinden ook plaats, indien er verstek
mocht zijn verleend of indien de gedaagde het voor hem bestemde
gedeelte van het aanbod heeft aanvaard en niet blijkt, dat de derde
belanghebbenden het voor hen bestemde gedeelte van het aanbod
genoegzaam achten. Tegen de verlening van verstek wordt geen verzet
toegelaten.
4.Ingeval de verweerder of een derde belanghebbende het aan hem ten
processe gedane aanbod heeft aanvaard, bepaalt de rechtbank in haar
vonnis de schadeloosstelling voor de betrokkene op de som van dat
aanvaarde aanbod.
Artikel 28
1.De tijd en plaats van de opneming door deskundigen van de ligging
en gesteldheid der onroerende zaken waarop de onteigening betrekking
heeft, worden door de rechtercommissaris met inachtneming van de meest
mogelijke spoed bepaald en medegedeeld aan de griffier. Zij worden
door de griffier bekend gemaakt door een aankondiging in een of meer
daartoe in het vonnis aangewezen nieuws- of advertentiebladen.
2.De griffier geeft binnen acht dagen, nadat het vonnis is gewezen,
aan de deskundigen kennis van hunne benoeming. Ten minste acht dagen
voor den dag, waarop de opneming zal plaats hebben, zendt hij aan
ieder der deskundigen een afschrift van het vonnis en roept hij
partijen en deskundigen op om bij de opneming tegenwoordig te zijn.
3.Bij afwezigheid van de wederpartij gaat de opneming door.
4.Derde belanghebbenden kunnen bij de opneming tegenwoordig zijn om
ook hunne schade te doen begrooten.
Artikel 29
1.In de plaats der deskundigen, die niet opgekomen zijn of weigeren
aan hun verplichtingen te voldoen, benoemt de rechter-commissaris
anderen. Indien ten gevolge hiervan de opneming moet worden
uitgesteld, bepaalt de rechtercommissaris daarvoor een nadere tijd
waarvan de griffier mededeling doet aan partijen, derde
belanghebbenden en deskundigen.
2.De rechtercommissaris brengt de bepalingen dezer wet omtrent de
begroting der schadeloosstelling, voor zoveel ter zake vereist wordt,
onder de aandacht der deskundigen.
3.De deskundigen nemen bij de opneming de toestand van de
onroerende zaak waarop de onteigening betrekking heeft, op door foto's
en tekeningen en andere daartoe geschikte middelen.
Artikel 30
Partijen en derde belanghebbenden delen aan de rechtercommissaris
alle feiten en omstandigheden mede, die van belang zijn voor een juiste
begroting van de schade en leggen daartoe de nodige stukken over.
Artikel 31
1.Ook ambtshalve kan de regtercommissaris ten allen tijde die
personen voor zich en voor de deskundigen doen verschijnen, wier
inlichtingen hij tot betere beoordeeling der zaak nuttig mogt achten.
2.Indien deze personen schadeloosstelling vorderen, wordt die door
den regtercommissaris begroot en daarvan melding gemaakt in het
procesverbaal.
Artikel 32
De formaliteiten, bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering
voorgeschreven omtrent het getuigenverhoor en het berigt van
deskundigen, zijn ten deze niet toepasselijk.
Artikel 33
1.Wanneer de deskundigen of de personen, wier verschijning de
regtercommissaris gelast heeft, op den bepaalden tijd, schoon
behoorlijk geroepen, niet opkomen, of, zonder wettige redenen,
weigeren de van hen gevraagde inlichtingen te geven, worden zij door
den regtercommissaris veroordeeld tot vergoeding der te vergeefs
gedane onkosten; alles onverminderd hunne gehoudenheid jegens de
partijen tot schadevergoeding.
2.Hij kan hen echter op hun verzet bij verzoekschrift, om billijke
redenen, van de tegen hen uitgesprokene veroordeeling vrijstellen.
Artikel 34
1.De griffier maakt van de opneming een door de rechtercommissaris
en hem te ondertekenen proces-verbaal op.
2.Hij neemt daarin de verklaringen van de bij de opneming gehoorde
personen op, nadat deze verklaringen hun zijn voorgelezen en door hen
zijn ondertekend.
3.Voorts neemt hij daarin op de punten, waarover partijen of derde
belanghebbenden hebben toegezegd nadere inlichtingen te zullen geven
of waaromtrent hun door de rechtercommissaris is opgedragen nadere
inlichtingen te verschaffen. De rechtercommissaris bepaalt de termijn,
waarbinnen die inlichtingen moeten zijn verstrekt.
4.De rechtercommissaris stelt tevens na overleg met de deskundigen
de dag vast, waarop de nederlegging ter griffie van het
deskundigenrapport zal plaats vinden, met dien verstande, dat die dag
niet later wordt bepaald dan uiterlijk zes maanden na de dag van de
opneming. Ingeval de rechtercommissaris een termijn heeft bepaald als
bedoeld in het vorige lid, wordt die dag niet later bepaald dan
uiterlijk zes maanden na afloop van die termijn. In het proces-verbaal
wordt de dag van de nederlegging vermeld.
5.De griffier zendt een afschrift van het proces-verbaal van de
opneming aan partijen, in het proces-verbaal vermelde derde
belanghebbenden en deskundigen.
6.De rechtercommissaris kan één maal op met redenen omkleed
verzoek van de deskundigen uitstel van de nederlegging toestaan. Hij
stelt alsdan een nieuwe dag daarvoor vast, waarvan de griffier bericht
zendt aan partijen, derde belanghebbenden en deskundigen.
Artikel 35
1.De deskundigen begroten de schadeloosstellingen overeenkomstig de
hun krachtens artikel 27, eerste lid, verstrekte opdracht. Zij
verklaren daarbij de gronden waarop hun begroting rust.
2.Het rapport van de deskundigen wordt tot aan de in artikel 37,
eerste lid, bedoelde terechtzitting ter inzage van partijen en van
derde belanghebbenden ter griffie nedergelegd. Van de nederlegging
doet de griffier mededeling aan partijen en derde belanghebbenden. Hij
geeft daarvan tevens kennis in een of meer door de rechtercommissaris
aan te wijzen nieuws- of advertentiebladen.
Artikel 36
1.Gedurende vier weken na de dag van de nederlegging, bedoeld in
artikel 35, tweede lid, kunnen partijen en derde belanghebbenden een
bezwaarschrift bij de rechtercommissaris indienen.
2.De griffier zendt onverwijld een afschrift van de
bezwaarschriften aan de wederpartij, derde belanghebbenden en de
deskundigen, die gedurende vier weken na de dag van de toezending een
verweerschrift bij de rechtercommissaris kunnen indienen.
3.Indien de rechtercommissaris, na overleg met de deskundigen,
zulks in het belang van een goede behandeling van de zaak gewenst
acht, vindt zo spoedig mogelijk na het verstrijken van de in het
voorgaande lid bedoelde termijn de behandeling van de ingediende
bezwaarschriften en verweerschriften te zijnen overstaan plaats. De
griffier roept partijen, derde belanghebbenden en de deskundigen op.
4.De griffier maakt van de behandeling van de bezwaarschriften en
de verweerschriften een door de rechtercommissaris en hem te
ondertekenen proces-verbaal op. De griffier zendt onverwijld een
afschrift van het proces-verbaal aan partijen, derde belanghebbenden
en deskundigen.
Artikel 36a
Indien geen bezwaarschrift is ingediend of indien later blijkt van
feitelijke bezwaren, die in het ingediende bezwaarschrift niet waren
vermeld, dan kan de rechtbank aan later opgekomen bezwaren de betekenis
hechten, die zij geraden zal achten. Indien haar blijkt dat deze
bezwaren berusten op feiten of omstandigheden, die ten tijde van de in
artikel 36, eerste lid, bedoelde termijn niet bekend waren of
redelijkerwijs bekend konden zijn, neemt zij deze in ieder geval in
aanmerking.
Artikel 37
1.In de eerste voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde
terechtzitting, welke plaats heeft na verloop van vier weken na de dag
van de in artikel 36 bedoelde zitting, kunnen derde belanghebbenden
een conclusie nemen en, zowel als partijen, bezwaarschriften,
verweerschriften en conclusies nader bij pleidooi ontwikkelen. Ingeval
geen bezwaarschriften zijn ingediend, zullen de pleidooien plaats
vinden uiterlijk zes weken na de dag van de nederlegging van het
rapport van deskundigen. De griffier roept partijen, derde
belanghebbenden zomede de deskundigen op om ter terechtzitting
aanwezig te zijn, opdat dezen desgevraagd mondelinge toelichting op
het uitgebrachte advies verstrekken.
2.Uiterlijk binnen vier weken na de in dit artikel bedoelde
terechtzitting doet de rechtbank, indien zij geen gebruik heeft
gemaakt van de haar in artikel 194, vijfde lid van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering toegekende bevoegdheid, uitspraak over de
onteigening, stelt zij in haar vonnis de schadeloosstellingen vast
voor de verweerder en de derde belanghebbenden en vermeldt zij tevens
de schadeloosstellingen die reeds zijn bepaald ingevolge artikel 27,
laatste lid.
Artikel 38
1.Gebouwen, van welke een gedeelte onteigend wordt, moeten, op de
vordering des eigenaars bij zijne conclusie, in art. 24 genoemd, door
de onteigenende partij geheel worden overgenomen.
2.Ditzelfde zal met erven moeten geschieden, wanneer deze door de
onteigening tot een vierde hunner uitgestrektheid verminderen of
kleiner dan tien aren worden.
3.Deze overneming kan echter niet gevorderd worden, wanneer het
overgebleven stuk gronds onmiddellijk aan een ander erf van denzelfden
eigenaar grenst.
Artikel 39
Bij de berekening der schadevergoeding wordt niet gelet op
veranderingen, welke kennelijk zijn tot stand gebracht om de
schadevergoeding te verhogen; evenmin wordt gelet op veranderingen, tot
stand gebracht na terinzagelegging als bedoeld in artikel 3:11 van de
Algemene wet bestuursrecht, tenzij het normale of noodzakelijke
veranderingen betreft die aansluiten bij de aard en de wijze van gebruik
van de onroerende zaak ten tijde van die nederlegging.
Artikel 40
De schadeloosstelling vormt een volledige vergoeding voor alle
schade, die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies
van zijn zaak lijdt.
Artikel 40a
Bij het bepalen van de schadeloosstelling wordt uitgegaan van de dag,
waarop het vonnis van onteigening, bedoeld in artikel 37, tweede lid, of
artikel 54t, tweede lid, wordt uitgesproken, met dien verstande, dat
ingeval het vonnis, bedoeld in artikel 54i, eerste lid, binnen de in
artikel 54m bedoelde termijn wordt ingeschreven in de openbare
registers, wordt uitgegaan van de dag, waarop dit vonnis wordt
ingeschreven.
Artikel 40b
1.De werkelijke waarde van de onteigende zaak, niet de
denkbeeldige, die de zaak uitsluitend voor de persoon van de
rechthebbende heeft, wordt vergoed.
2.Bij het bepalen van de werkelijke waarde wordt uitgegaan van de
prijs, tot stand gekomen bij een onderstelde koop in het vrije
commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende
verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper.
3.In bijzondere gevallen wordt de werkelijke waarde naar andere
maatstaf bepaald.
Artikel 40c
Bij het bepalen van de schadeloosstelling wegens verlies van een
onroerende zaak wordt geen rekening gehouden met voordelen of nadelen,
teweeggebracht door
1°. het werk waarvoor onteigend wordt;
2°. overheidswerken die in verband staan met het werk waarvoor
onteigend wordt;
3°. de plannen voor de werken onder 1° en 2° bedoeld.
Artikel 40d
1.Bij het bepalen van de prijs van een onroerende zaak wordt
rekening gehouden:
a. met ter plaatse geldende voorschriften en gebruiken
betreffende lasten en baten, welke uit de exploitatie van de zaak
of van een complex, waarvan zij deel uitmaakt, naar verwachting
zullen voortvloeien en betreffende de omslag daarvan, voor zover
een redelijk handelend verkoper en koper hiermee rekening plegen
te houden;
b. met alle bestemmingen die gelden voor zaken, die deel
uitmaken van het complex, in dier voege dat elke bestemming van
een zaak de waardering van alle zaken binnen het complex
beïnvloedt.
2.Onder een complex wordt verstaan de als één geheel in
exploitatie gebrachte of te brengen zaken.
Artikel 40e
Bij het bepalen van de werkelijke waarde van een zaak wordt de prijs
verminderd of vermeerderd met voordelen of nadelen tengevolge van
1°. bestemmingen die door het werk waarvoor onteigend wordt, tot
uitvoering komen;
2°. bestemmingen, voor de feitelijke handhaving waarvan
onteigend wordt,
voor zover deze voordelen of nadelen ook na toepassing van artikel
40d redelijkerwijze niet of niet geheel ten bate of ten laste van de
onteigende behoren te blijven.
Artikel 40f
Op de prijsvermeerdering bedoeld in artikel 40e komt in mindering de
vergoeding welke te dier zake op grond van artikel 6.1 van de Wet
ruimtelijke ordening is toegekend.
Artikel 41
Bij het bepalen van de schadeloosstelling wordt rekening gehouden met
de mindere waarde, welke voor niet onteigende goederen van de onteigende
het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van het verlies van zijn goed
is.
Artikel 41a
Voor zover de volgende artikelen niet anders meebrengen, zijn de
artikelen 40-41 van overeenkomstige toepassing op rechten die door de
onteigening geheel of gedeeltelijk vervallen.
Artikel 42
1.Bij de onteigening van verhuurde bedrijfsruimte, als omschreven
in artikel 309 lid 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wordt door
de onteigenende partij aan de huurder en de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd schadeloosstelling betaald. Bij de
bepaling van de schadeloosstelling wordt rekening gehouden met de kans
dat de huurverhouding bij het verstrijken van de geldigheidsduur der
overeenkomst zou hebben voortgeduurd.
2.Bij de onteigening van een anderszins verhuurde onroerende zaak
wordt door de onteigenende partij aan den huurder, wiens huurtijd nog
één of meer jaren moet duren, tot schadeloosstelling eene som
betaald, gelijkstaande aan den huurprijs van twee jaren.
3.Indien nogtans de te velde staande vruchten, of de onkosten welke
de huurder aantoont gedurende de laatste twee jaren aan de onroerende
zaak te hebben besteed, meer beloopen dan de in het vorige lid
bedoelde tweejarige huurprijs, wordt de waarde dier vruchten of het
bedrag dier onkosten als schadeloosstelling betaald. Indien de huurder
minder dan een jaar huur had, wordt hem de huurprijs van een vol jaar,
of de waarde der te velde staande vruchten, zoo die meer beloopt,
vergoed.
4.Indien de verhuring na terinzagelegging als bedoeld in artikel
3:11 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft plaats gehad, wordt door
de onteigenende partij aan den huurder geene schadeloosstelling
betaald, maar heeft deze eene vordering tot schadevergoeding tegen den
verhuurder, ten ware anders mogt zijn overeengekomen.
Artikel 42a
1. Bij de onteigening van een verpachte onroerende zaak wordt door
de onteigenende partij aan de pachter schadeloosstelling betaald.
2. Indien de pachtovereenkomst voor de in artikel 325, eerste of
tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde duur is
aangegaan of geldt, dan wel voor een kortere duur is aangegaan en
nadien met zes jaren is verlengd, wordt bij de bepaling van de
schadeloosstelling rekening gehouden met de mogelijkheid, dat de
pachtovereenkomst ingevolge de artikelen 325, vijfde lid, en 367 tot
en met 374 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zou zijn verlengd.
3. Het bepaalde in het tweede lid vindt geen toepassing, indien de
pachtverhouding is aangevangen, nadat aan het verpachte bij een
goedgekeurd bestemmingsplan een niet tot de landbouw betrekkelijke
bestemming is gegeven. In dat geval wordt de pachtovereenkomst met
betrekking tot een hoeve of los land, welke is aangegaan voor langer
dan twaalf, onderscheidenlijk zes jaren, voor de bepaling van de
schadeloosstelling geacht te zijn aangegaan voor twaalf,
onderscheidenlijk zes jaren, met dien verstande, dat, indien de
onteigening plaats vindt na die termijn, de overeenkomst geacht wordt
telkens voor zes jaren te zijn verlengd.
4. Indien evenwel het verpachte sinds een tijdstip, liggend voor de
goedkeuring bedoeld in het vorige lid, achtereenvolgens bij personen
die ten tijde van de opvolging in het gebruik tot de voorgaande
gebruiker in enige in artikel 363, eerste lid, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek genoemde betrekking stonden persoonlijk in gebruik
is geweest voor een tot de landbouw betrekkelijk doel, blijft het
bepaalde in het tweede lid van toepassing.
5. Indien op het tijdstip van terinzagelegging als bedoeld in
artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht de pachtovereenkomst
ingevolge artikel 322 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek voor
onbepaalde tijd geldt, wordt voor de berekening van de
schadeloosstelling uitgegaan van de overeengekomen duur, doch ingeval
de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, nimmer van een
langere dan de in artikel 325, tweede lid, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek bedoelde duur. Voor de berekening van de
schadeloosstelling wordt op gelijke wijze als ten aanzien van
pachtovereenkomsten, waarop artikel 9 van de Pachtwet niet van
toepassing is, aangenomen, dat de pachtovereenkomst zou kunnen worden
verlengd; het derde en vierde lid vinden overeenkomstige toepassing.
6. Indien de verpachting na terinzagelegging als bedoeld in artikel
3:11 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft plaats gehad, wordt door
de onteigenende partij aan de pachter geen schadeloosstelling betaald,
maar heeft deze een vordering tot schadevergoeding tegen de
verpachter, ten ware anders mocht zijn overeengekomen.
Artikel 43
1.De hypotheekhouder en de ingeschreven beslaglegger hebben geen
recht op afzonderlijke schadevergoeding. Slechts indien zij zijn
tussengekomen, kunnen zij zich jegens de onteigenaar beroepen op hun
rechten uit artikel 229 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en
artikel 507a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zij
oefenen die rechten uit op het bedrag van de werkelijke waarde en de
waardevermindering van het overblijvende, zoals dat bedrag toekomt aan
de hypotheekgever, de beslagene en de beperkt gerechtigde, wiens recht
niet tegen hen kan worden ingeroepen.
2.Indien alle in het vorige lid vermelde belanghebbenden tot
overeenstemming omtrent de verdeling zijn gekomen, bepaalt de rechter
wat aan ieder van hen moet worden betaald. Is geen overeenstemming
bereikt, dan worden de bedragen in hun geheel toegewezen aan de
tussengekomen hypotheekhouder, hoogste in rang, dan wel, zo geen
hypotheekhouder is tussengekomen, aan de daartoe door de eerst
ingeschreven beslaglegger aangewezen notaris of deurwaarder, en vindt
verdeling plaats met toepassing van de regels betreffende de verdeling
van een zodanige opbrengst in het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering.
3.Een beslaglegger behoeft voor de toepassing van het vorige lid
niet tussen te komen, indien hij aan de onteigenaar bij exploit
meedeelt zijn rechten uit artikel 507a van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering te bepalen tot het deel van de in het eerste lid
bedoelde bedragen, dat voor de beslagene bestemd is.
4.Ten aanzien van het voorschot op de schadeloosstelling en de
verhogingen daarvan zijn de vorige leden van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat bij de verdeling tussen de
belanghebbenden onderling de hypotheekhouder en beslagleggers hun
recht op deze bedragen uitoefenen voor zover zij kunnen worden
beschouwd als een voorschot op het in het eerste lid, derde zin,
bedoelde bedrag. Op verlangen van elk der partijen kan de
rechtercommissaris in een rangregeling bepalen dat deze niet zal
worden gesloten, voordat het vonnis waarbij de schadeloosstelling is
vastgesteld in kracht van gewijsde is gegaan. In het geval van artikel
54t, derde lid, kan binnen een jaar nadat het vonnis bedoeld in
artikel 54t, tweede lid, kracht van gewijsde heeft verkregen, door elk
van de belanghebbenden heropening van een gesloten rangregeling worden
gevraagd en kan de rechtercommissaris hen die teveel hebben ontvangen
bij bevelschrift gelasten dit terug te betalen.
Artikel 44
Bij de bepaling van de schadeloosstelling wegens het vervallen van
een erfdienstbaarheid of een recht als bedoeld in artikel 252 van Boek 6
van het Burgerlijk Wetboek wordt rekening gehouden met hetgeen te
verwachten is omtrent de wijziging of de opheffing krachtens de
artikelen 78 en 79 van Boek 5, dan wel de artikelen 258 en 259 van Boek
6 van dat wetboek en de daaraan te verbinden voorwaarden. Artikel 40c
mist in zoverre toepassing. Overigens wordt rekening gehouden met de
mogelijkheid de erfdienstbaarheid of het recht als bedoeld in artikel
252 van Boek 6 van dat wetboek door een andere erfdienstbaarheid of een
ander recht te vervangen.
Artikel 45
1.De vruchtgebruiker kan zich jegens de onteigenaar slechts op
verkrijging van een vruchtgebruik op de vordering tot
schadeloosstelling voor de hoofdgerechtigde krachtens artikel 213 van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek beroepen, indien hij is
tussengekomen.
2.Bij onteigening van goederen die zijn vermaakt onder een
ontbindende voorwaarde en een daarbij aansluitende opschortende
voorwaarde doet de bezwaarde erfgenaam de schadeloosstelling in een
der schuldregisters voor geldleningen ten laste van het Rijk
inschrijven.
Artikel 46 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 48 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 50
1.De kosten van het proces komen ten laste van de onteigenende
partij, met dien verstande echter dat ingeval aan de verweerder
onderscheidenlijk een derde belanghebbende, die het aan hem ten
processe gedane aanbod niet heeft aanvaard, niet meer wordt toegewezen
dan hem werd aangeboden, de rechtbank de betrokkene kan veroordelen
tot betaling van de kosten van het geding of van een door haar naar
billijkheid te bepalen gedeelte van die kosten.
2.In afwijking van het bepaalde in het vorige lid komen de kosten
van het proces steeds ten laste van de onteigenende partij, indien in
de dagvaarding niet is vermeld welke som aan de verweerder
onderscheidenlijk aan ieder der belanghebbenden, die aan de
onteigenende partij bekend konden zijn, als schadeloosstelling wordt
aangeboden.
3.Indien de rechtbank evenwel van oordeel is, dat de onteigenende
partij tengevolge van gebrek aan medewerking aan de zijde van de
verweerder of een derde belanghebbende voor de aanvang van het geding
tot onteigening, onvoldoende gegevens ter beschikking heeft gehad tot
het doen van een redelijk aanbod bij dagvaarding of aangetekende
brief, of wanneer zij daartoe aanleiding vindt in de omstandigheden
van het geding, kan zij de verweerder veroordelen in de kosten van het
proces of, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, de
betrokkene veroordelen tot betaling van een gedeelte van die kosten.
Ingeval de som der kosten waarin een verweerder of derde
belanghebbende is veroordeeld, hoger is dan die van de aan hem
toegekende schadeloosstelling, kan de rechtbank de betrokkene
veroordelen tot betaling van het verschil dier sommen.
4.Onder de kosten van het geding zijn mede begrepen kosten van
rechtsbijstand of andere deskundige bijstand, die naar het oordeel van
de rechtbank redelijkerwijs door verweerders of derde belanghebbenden
zijn gemaakt.
5.De kosten van de bekendmakingen, bedoeld in de artikelen 28, 35,
54 en 54d, komen steeds voor rekening van de onteigenende partij.
Artikel 51
Wanneer het vonnis bij verstek is gewezen, kan men daartegen binnen
acht dagen na de beteekening, op de wijze, in het Wetboek van
Burgerlijke Regtsvordering voorgeschreven, in verzet komen.
Artikel 52
1.Tegen het vonnis wordt geen hooger beroep toegelaten.
2.De voorziening in cassatie moet binnen twee weken na de uitspraak
plaats hebben.
3.Zij geschiedt door eene verklaring ter griffie der regtbank, die
het vonnis heeft gewezen.
Artikel 53
1.Deze verklaring wordt binnen zes weken na afloop van de in het
vorige artikel genoemde termijn van twee weken met een ontwikkeling
van de gronden der cassatie aan de tegenpartij betekend en gaat
vergezeld van een dagvaarding tegen de eerste terechtzitting, welke na
verloop van twee weken na de betekening plaats vindt.
2.De conclusie van de eiser, bedoeld in artikel 412, eerste lid,
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wordt genomen ten
pleitdage.
Artikel 54
1.Binnen acht dagen nadat het in artikel 37 bedoelde vonnis gezag
van gewijsde heeft verkregen, doet de griffier het bij uittreksel in
een of meer bij vonnis aangewezen nieuws- of advertentiebladen
plaatsen.
2.Hetzelfde heeft, met inachtneming van denzelfden termijn, op last
van de griffier bij den Hoogen Raad plaats, wanneer de voorziening in
cassatie tegen het vonnis, waarbij de onteigening werd uitgesproken,
verworpen is, of wanneer de Hooge Raad, het vonnis des eersten regters
vernietigende, de onteigening uitspreekt, in welk geval zijn arrest
het nieuws- of advertentieblad aanwijst.
Hoofdstuk IIIa
Afdeling 1. Van de opneming door de deskundigen voor de aanvang van
het geding
Artikel 54a
1. De onteigenende partij, die voornemens is de procedure van
Afdeling 2 van dit Hoofdstuk te volgen, kan zodra de ingevolge artikel
63, eerste lid, dan wel artikel 78, tweede lid, vereiste
terinzagelegging, heeft plaats gevonden, aan de rechtbank voor wie de
onteigening zal moeten worden gevorderd, verzoeken om de benoeming van
een rechtercommissaris en van een of meer deskundigen in oneven
getale, alsmede tot bepaling van de dag, waarop de opneming door de
deskundigen van de ligging en gesteldheid der onroerende zaken, waarop
de onteigening betrekking heeft, zal plaatsvinden.
2. Bij het verzoekschrift moeten worden overgelegd:
a. een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten van het werk en
met grondtekeningen, waarop de te onteigenen onroerende zaken en
de onroerende zaken waarop te onteigenen rechten rusten, met
vermelding van hun kadastrale aanduiding zijn aangewezen;
b. een lijst van de te onteigenen onroerende zaken aangeduid
met hun kadastrale aanduiding met vermelding van:
1°. de grootte volgens de basisregistratie kadaster van
elk der desbetreffende percelen en, indien een te onteigenen
onroerende zaak een gedeelte van een perceel uitmaakt,
bovendien de grootte van dat gedeelte;
2°. de namen van de eigenaars van elk dier zaken, volgens
de basisregistratie kadaster;
c. bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, een lijst van de te onteigenen rechten met vermelding
van de kadastrale aanduiding van de zaken waarop zij rusten, en de
namen van de rechthebbenden op die rechten volgens de
basisregistratie kadaster;
d. het bewijs, bedoeld in artikel 23, onder 2°;
e. een opgave van de hypotheekhouders of van hen, die beslag
hebben gelegd met betrekking tot hetgeen onteigend moet worden,
voor zover zij zijn vermeld in de openbare registers.
3. Het verzoekschrift bevat een opgave van de kadastrale aanduiding
alsmede een omschrijving van de aard van hetgeen onteigend moet
worden, benevens een opsomming van de namen en adressen van degenen
die volgens de basisregistratie kadaster daarop enig recht hebben,
alsmede van ieder, die aan de onteigenende partij op het tijdstip van
de indiening van het verzoekschrift als derde belanghebbende, als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, bekend is, onder vermelding van de
bedragen, welke de onteigenende partij aan ieder van hen voornemens is
bij dagvaarding aan te bieden.
4. Het verzoekschrift bevat tevens indien daartoe termen zijn een
verzoek tot benoeming van een derde, bedoeld in artikel 20. Tevens kan
de onteigenende partij in het verzoekschrift een voorkeur uitspreken
met betrekking tot het tijdvak, waarin de hiervoor bedoelde opneming
zal plaatsvinden.
Artikel 54b
1.De onteigenende partij doet binnen een week een afschrift van het
verzoekschrift betekenen of zendt een afschrift van het verzoekschrift
bij aangetekende brief, waarvoor een bericht van ontvangst wordt
verlangd, aan degenen die in het verzoekschrift zijn vermeld. Ingeval
van betekening wordt een gewaarmerkt afschrift van het exploit van
betekening aan de griffier gezonden. In geval van een aangetekende
brief bevestigt de onteigenende partij aan de griffier dat de
aangetekende brief is verzonden en daarvoor een bericht van ontvangst
is verkregen.
2.Ten aanzien van een huurder van woonruimte, als bedoeld in
artikel 233 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, kan in de
aangetekende brief worden volstaan met de mededeling van het
ingediende verzoekschrift en van het daarin vermelde, voor zover dit
op hem betrekking heeft.
Artikel 54c
1.De rechtbank beschikt binnen een maand op het verzoek. Indien de
in artikel 54a en 54b vereiste stukken niet volledig zijn overgelegd
of niet ingezonden, stelt de rechtbank een termijn van ten hoogste
twee weken vast, waarbinnen de onteigenende partij alsnog tot
aanvulling van die stukken kan overgaan, bij gebreke waarvan afwijzend
op het verzoek wordt beschikt.
2.Bij toewijzing van het verzoek benoemt de rechtbank een harer
leden tot rechtercommissaris alsmede een of meer deskundigen in oneven
getale. Zonodig benoemt zij tevens een derde, bedoeld in artikel 20.
De rechtercommissaris bepaalt met de meest mogelijke spoed de tijd en
de plaats waarop de opneming door deskundigen zal plaats vinden.
3.Tegen de beschikking staan alleen aan de verzoeker de
rechtsmiddelen van hoger beroep en beroep in cassatie open.
Artikel 54d
De griffier zendt aan degenen, die in het verzoekschrift zijn vermeld
en tevens aan de deskundigen onverwijld een afschrift toe van de in het
vorige artikel bedoelde beschikking; voorts deelt hij hun de tijd en de
plaats van de opneming door deskundigen mede. Ook draagt hij zorg, dat
de tijd en de plaats van de opneming door deskundigen worden
aangekondigd in een of meer nieuws- of advertentiebladen.
Artikel 54e
1.De artikelen 28, derde lid, tot en met 34, derde lid, alsmede
artikel 34, vijfde lid, zijn op de opneming door deskundigen van
overeenkomstige toepassing.
2.Op verzoek van de meest gerede partij, geven de deskundigen zo
mogelijk hun voorlopig oordeel over de schadeloosstelling.
Afdeling 2. Van de vervroegde uitspraak over de onteigening
Artikel 54f
De onteigenende partij kan, overeenkomstig de bepalingen van deze
Afdeling, in de dagvaarding tot onteigening een vervroegde uitspraak
over de onteigening vorderen. Ingeval de opneming door de deskundigen
heeft plaats gehad overeenkomstig Afdeling 1 van dit Hoofdstuk, is de
onteigenende partij op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden tot
het doen van die vordering. Zodra het vonnis van onteigening kracht van
gewijsde heeft verkregen, kan het in de openbare registers worden
ingeschreven, voordat over de schadeloosstelling uitspraak is gedaan.
Artikel 54g
Onverminderd deartikelen 64a, vierde lid, 78, achtste lid, en79, moet
de dagvaarding waarbij de vervroegde uitspraak tot onteigening wordt
gevorderd, indien de opneming door de deskundigen overeenkomstig
Afdeling 1 van dit Hoofdstuk heeft plaats gevonden, worden uitgebracht
binnen twee maanden na de opneming ter plaatse door de deskundigen.
Indien de plaatsing in de Staatscourant, bedoeld in artikel 64a, derde
lid, dan wel 78, zevende lid, nog niet is geschied op de dag van de
opneming, vangt de termijn van twee maanden aan op de tweede dag na de
datum van dagtekening van de Staatscourant waarin die plaatsing
geschiedt.
Artikel 54h
De artikelen 17, 18, 20, 22-26 zijn van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande, dat, wanneer een vervroegde opneming door
deskundigen overeenkomstig de bepalingen van Afdeling 1 van dit
Hoofdstuk heeft plaats gehad, de in artikel 23 voorgeschreven
terinzagelegging alleen zal betreffen het onder 1° van dat artikel
bedoelde exemplaar van de Staatscourant.
Artikel 54i
1.Behoudens ingeval van nietigverklaring van de dagvaarding of
niet-ontvankelijkheidverklaring dan wel ontzegging van de eis, spreekt
de rechtbank de onteigening uit met bepaling van een voorschot op de
schadeloosstelling voor de verweerders en bekende, niet betwiste derde
belanghebbenden en van de door de onteigenende partij te treffen
bijkomende voorzieningen, indien deze in het aanbod zijn opgenomen.
Het voorschot wordt bepaald op het bedrag, waarover terzake tussen hen
en de onteigenende partij overeenstemming bestaat blijkens gewisselde
conclusies of door de verweerders of derde belanghebbenden
ondertekende bewijsstukken.
2.Indien niet blijkt, dat overeenstemming is bereikt, bepaalt de
rechtbank voor ieder het bedrag van het voorschot op 90 ten honderd
van de aan ieder aangeboden schadeloosstelling, tenzij zij, na
desgewenst de deskundigen mondeling gehoord te hebben, aanleiding
vindt het voorschot op een ander bedrag vast te stellen. Indien de
rechtbank daartoe termen aanwezig acht, kan zij de uitspraak omtrent
het voorschot ten hoogste veertien dagen aanhouden. Ingeval een
verweerder of derde belanghebbende het aan hem ten processe gerichte
aanbod heeft aanvaard, bepaalt de rechtbank voor de betrokkene geen
voorschot en bepaalt zij in haar vonnis de schadeloosstelling voor de
betrokkene op de som van dat aanvaarde aanbod.
3.Ingeval alle betrokkenen het aan hen ten processe gerichte aanbod
hebben aanvaard, geldt het vonnis als een vonnis bedoeld in artikel
37.
4.De rechtbank bepaalt voor de onteigende partij en bekende derde
belanghebbenden een som als zekerheid voor de voldoening van de aan
ieder van hen verschuldigde schadeloosstelling. Deze som wordt bepaald
op het bedrag, waarover overeenstemming is bereikt. Blijkt niet, dat
overeenstemming is bereikt, dan wordt die som bepaald tenminste op het
bedrag dat ieder is aangeboden, verminderd met het voorschot.
5.Indien blijkens het proces-verbaal van de opneming door de
deskundigen, die plaats heeft gevonden volgens Afdeling 1 van dit
Hoofdstuk, de betrokkene afstand heeft gedaan van het recht op
zekerheidstelling stelt de rechtbank voor hem de som als hier bedoeld
niet vast. Evenmin doet zij zulks ingeval haar uit gewisselde
conclusies of door de verweerders of derde belanghebbenden
ondertekende bewijsstukken blijkt, dat afstand van het recht op
zekerheidstelling is gedaan. De rechtbank bepaalt tevens op welke
wijze de zekerheidstelling zal plaats vinden.
Artikel 54j
1.Bij het vonnis, waarbij overeenkomstig artikel 54i de onteigening
is uitgesproken, benoemt de rechtbank een of meer deskundigen in
oneven getale. Zij geeft aan hen opdracht om de schadeloosstellingen
te begroten voor de verweerders en de derde belanghebbenden, doch
slechts voor zover zij het aan hen ten processe gedane aanbod niet
hebben aanvaard. Zij benoemt voorts een harer leden, om vergezeld van
de griffier, als commissaris bij de opneming door de deskundigen
tegenwoordig te zijn en wijst een of meer nieuws- of advertentiebladen
aan, een en ander overeenkomstig artikel 27, tweede en derde lid.
Artikel 28 is van overeenkomstige toepassing. Op de opneming door de
deskundigen zijn de artikelen 29-34 van overeenkomstige toepassing.
2.Ingeval de opneming door de deskundigen reeds heeft plaats gehad
overeenkomstig Afdeling 1 van dit Hoofdstuk, stelt de rechtbank een
datum vast waarop de nederlegging van het deskundigenrapport zal
moeten plaats vinden. De griffier draagt zorg, dat partijen, de in het
proces-verbaal vermelde derde belanghebbenden en de deskundigen een
afschrift van dit vonnis ontvangen. De rechtercommissaris en de
deskundigen, aangewezen krachtens artikel 54c, treden in het geding
als zodanig op, tenzij de rechtbank anderen in hun plaats aanwijst.
3.Tevens onderzoekt de rechtbank in het in het vorige lid bedoelde
geval ambtshalve, of het in de dagvaarding aangeduide ter onteigening
aangewezen goed hetzelfde is als dat, waarop de opneming door de
deskundigen betrekking heeft gehad. Indien blijkt, dat zulks niet het
geval is, beveelt de rechtbank een nieuwe opneming door de
deskundigen. Alsdan zijn de artikelen 27-34 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 54k
1.Indien bij de opneming door de deskundigen, die plaats vindt
volgens artikel 54j, eerste of derde lid, blijkt van het bestaan van
derde belanghebbenden, die niet in de dagvaarding waren vermeld,
draagt de rechtercommissaris op hun verzoek aan de onteigenende partij
op om binnen een maand, op een door de rechtercommissaris aan te
wijzen terechtzitting, alsnog een aanbod terzake van de
schadeloosstelling aan die derde belanghebbenden te doen, mits hun
hoedanigheid niet wordt betwist.
2.Dit aanbod geschiedt bij akte ter rolle. De rechtbank doet bij
vonnis uitspraak over het toe te kennen voorschot, in elk geval binnen
een maand na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 54m. Het bedrag
van het voorschot wordt bepaald op het bedrag, waarover
overeenstemming blijkt te bestaan blijkens door de betrokkenen
ondertekende bewijsstukken. Indien niet blijkt van deze
overeenstemming bepaalt de rechtbank het voorschot op 90 ten honderd
van het bij akte gedane aanbod. Zonodig stelt de rechtbank een nieuwe
datum vast, waarop de nederlegging van het deskundigenrapport zal
moeten plaatsvinden. De griffier draagt zorg, dat deze nieuwe datum
ter kennis wordt gebracht van partijen, derde belanghebbenden en
deskundigen.
3.Ingeval de derde belanghebbende, in het geding tussengekomen, een
akte heeft genomen, houdende aanvaarding van het aanbod, bepaalt de
rechtbank geen voorschot en stelt zij de schadeloosstelling voor de
betrokkene vast op de som van dat aanvaarde aanbod.
4.De rechtbank kent slechts een voorschot, als bedoeld in het
tweede lid, toe, indien de betrokken belanghebbende heeft aangetoond,
dat het vonnis, waarbij overeenkomstig artikel 54i de onteigening is
uitgesproken, in de openbare registers is ingeschreven. Is dit vonnis
niet binnen de in artikel 54m bedoelde termijn ingeschreven, dan wijst
de rechtbank het verzoek af. Tenzij blijkt uit het proces-verbaal van
de opneming door de deskundigen, dat de betrokkene afstand heeft
gedaan van het recht op zekerheidstelling, bepaalt de rechtbank
overeenkomstig artikel 54i de som als zekerheid voor de voldoening der
schadeloosstelling. Tevens stelt zij de wijze vast waarop de
zekerheidstelling zal plaats vinden.
5.Ingeval echter de rechtercommissaris de zaak daarvoor vatbaar
acht en de onteigenende partij of derde belanghebbende daartegen geen
bezwaar heeft, bepaalt de rechtercommissaris zelf het bedrag van het
voorschot tijdens de opneming door de deskundigen, na dezen mondeling
te hebben gehoord. Eveneens stelt hij in dat geval na de deskundigen
mondeling te hebben gehoord voor de betrokkene de som vast als
zekerheid voor de voldoening der schadeloosstelling, tenzij de
betrokkene afstand van het recht op zekerheidstelling doet. Indien
geen afstand van het recht op zekerheidstelling is gedaan, bepaalt hij
tevens de wijze waarop de zekerheidstelling zal plaatsvinden. De
onteigenende partij is slechts gehouden tot betaling van het ingevolge
dit lid toegekende voorschot, nadat het vonnis, bedoeld in artikel
54i, binnen de in artikel 54m, eerste lid, bedoelde termijn is
ingeschreven in de openbare registers. Het proces-verbaal van de
opneming levert een voor tenuitvoerlegging vatbare titel op; tot
tenuitvoerlegging kan slechts gedurende een tijdvak van een maand na
afloop van de in artikel 54m, eerste lid, genoemde termijn worden
overgegaan.
Artikel 54l
1.Tegen het vonnis, waarbij overeenkomstig artikel 54i de
onteigening is uitgesproken of waarbij nadien een voorschot is
vastgesteld, staat het rechtsmiddel open van beroep in cassatie. De
artikelen 52 en 53 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande, dat de in artikel 53, eerste lid, genoemde termijn slechts
twee weken bedraagt.
2.Tegen het vonnis, of de beschikking, bedoeld in artikel 54k,
staat geen andere voorziening open dan beroep in cassatie in het
belang der wet.
Artikel 54m
1.Ingeval de opneming door de deskundigen volgens artikel 54j,
eerste of derde lid, plaats vindt, kan het vonnis, waarbij
overeenkomstig artikel 54 i de onteigening is uitgesproken, slechts
worden ingeschreven in de openbare registers binnen een tijdvak van
twee maanden na de opneming door de deskundigen.
2.Ingeval de opneming door de deskundigen reeds heeft plaats
gevonden overeenkomstig Afdeling 1 van dit Hoofdstuk, vangt de termijn
van twee maanden aan op de dag, dat het vonnis, bedoeld in artikel
54i, gezag van gewijsde heeft verkregen.
3.Wanneer na het vonnis van onteigening een voorschot krachtens
artikel 54i is bepaald, vangt de termijn aan op het tijdstip waarop
dat latere vonnis gezag van gewijsde heeft verkregen.
4.Vindt geen inschrijving plaats binnen de termijn, bedoeld in de
vorige leden, dan geldt het bepaalde in de artikelen 55, tweede lid,
of 59.
Artikel 54n
1.Ter inschrijving van het vonnis waarbij de onteigening
overeenkomstig artikel 54i is uitgesproken, wordt overgelegd:
1. indien bij een later vonnis krachtens artikel 54i een
voorschot is bepaald, dat vonnis vergezeld van een verklaring van
de griffier houdende dat het in kracht van gewijsde is gegaan;
2. een afschrift van het proces-verbaal van de opneming door de
deskundigen, tenzij Afdeling 1 van dit Hoofdstuk toepassing heeft
gevonden;
3. bewijzen van betaling van de bij vonnis, bedoeld in artikel
54i aan de in de dagvaarding genoemde rechthebbenden, of indien
overeenkomstig artikel 20 een derde is benoemd, aan die derde,
toegekende voorschotten en tevens, indien geen afstand van het
recht op zekerheidstelling is gedaan, de akten, strekkende tot
bewijs dat de zekerheidstelling heeft plaats gehad, of de bewijzen
van betaling der schadeloosstellingen, bepaald ingevolge artikel
54i, tweede lid, laatste zin.
2.Ten aanzien van de gevolgen van de in het vorige artikel bedoelde
inschrijving gelden de artikelen 59, derde lid, en 60.
Artikel 54o
1.Een partij of derde belanghebbende, aan wie door de rechtbank een
voorschot is toegekend, kan verhoging verzoeken van het bedrag van het
voorschot of van de zekerheid of van beide. De griffier zendt bericht
van het verzoek aan de deskundigen.
2.Het verzoek kan slechts eenmaal worden gedaan tot uiterlijk een
maand voor de dag waarop de nederlegging ter griffie van het
deskundigenrapport zal plaatsvinden.
3.Omtrent de verhoging van het voorschot doet de rechtbank bij
vonnis uitspraak, mits de betrokken belanghebbende doet blijken, dat
het vonnis, waarbij overeenkomstig artikel 54i de onteigening is
uitgesproken, in de openbare registers is ingeschreven. Ingeval deze
inschrijving niet heeft plaats gevonden binnen de in artikel 54m
bedoelde termijn, wijst de rechtbank het verzoek af.
4.Zij wijst het verzoek tot verhoging slechts toe, wanneer de reeds
vastgestelde som kennelijk onvoldoende is, na desgewenst de
deskundigen mondeling te hebben gehoord, met dien verstande, dat het
verzoek kan worden afgewezen, indien de rechtbank blijkt, dat de
nederlegging van het rapport van deskundigen binnen korte tijd zal
plaats vinden. Zij wijst het verzoek af, indien haar blijkt, dat de
nederlegging van het rapport van deskundigen reeds heeft
plaatsgevonden. Zonodig stelt de rechtbank bij toewijzing van het
verhogingsverzoek een nieuwe datum vast, waarop de nederlegging van
het deskundigenrapport zal moeten plaats vinden. De griffier draagt
zorg, dat deze nieuwe datum ter kennis wordt gebracht van partijen,
derde belanghebbenden en deskundigen.
5.Tegen het vonnis in dit artikel bedoeld staat geen andere
voorziening open dan beroep in cassatie in het belang der wet.
6.De onteigenende partij geeft van de betaling van het bedrag van
een krachtens dit artikel vastgestelde verhoging kennis aan de
deskundigen.
Artikel 54p
1.Het voorschot op de schadeloosstelling of verhogingen daarvan
worden geconsigneerd in alle gevallen, waarin volgens deze wet de
schadeloosstelling zelf wordt geconsigneerd.
2.Treedt iemand wiens tussenkomst in het geding is toegelaten in de
plaats van degeen, aan wie reeds een voorschot op de
schadeloosstelling was betaald, dan is deze laatste gehouden het
bedrag van dit voorschot aan de onteigenende partij terug te betalen.
Artikel 54q
1.Indien de onteigenende partij het vonnis, bedoeld in artikel 54i,
niet heeft doen inschrijven in de openbare registers binnen de in
artikel 54m genoemde termijn, is de onteigenende partij schadeplichtig
en hebben de wederpartij en de derde belanghebbenden de keuze een
vaste schadeloosstelling of volledige schadevergoeding te vorderen.
2.De vaste schadeloosstelling, bedoeld in het voorgaande lid, is
gelijk aan tien ten honderd van het voorschot, bedoeld in artikel 54i
of van de schadeloosstelling bedoeld in artikel 54i, tweede lid,
tweede zin.
3.Wordt volledige schadevergoeding gevorderd, dan worden onder de
schade mede begrepen de redelijkerwijs gemaakte kosten van
rechtsbijstand en andere deskundige bijstand, alsmede de wettelijke
rente van het bedrag der schadevergoeding, te rekenen van de dag, na
afloop van de termijn, bedoeld in artikel 54m.
4.Deze vordering kan slechts worden ingesteld binnen zes maanden na
afloop van de termijn bedoeld in artikel 54m.
5.Tot kennisneming der vordering is de rechtbank bevoegd, bij welke
het geding van onteigening aanhangig is gemaakt.
Artikel 54r
1.De gestelde zekerheid vervalt, wanneer de in artikel 54m bedoelde
termijn is verstreken, zonder dat de onteigenende partij van de haar
toekomende bevoegdheid tot inschrijving gebruik heeft gemaakt.
2.Zij vervalt voorts, wanneer de bij onherroepelijk vonnis
vastgestelde som der schadeloosstelling is betaald of aangeboden en
geconsigneerd.
Artikel 54s
1.Ingeval een voorschot of een som als zekerheid is vastgesteld
overeenkomstig artikel 54k of een verhoging daarvan is vastgesteld
overeenkomstig artikel 54o, kan het vonnis waarbij zulks is geschied,
slechts ten uitvoer worden gelegd binnen een tijdvak van twee maanden,
te rekenen van de dag, waarop het vonnis kracht van gewijsde heeft
verkregen.
2.Ingeval een schadeloosstelling is bepaald overeenkomstig artikel
54k kan het vonnis, waarbij zulks is geschied, ten uitvoer worden
gelegd, doch niet eerder dan nadat de inschrijving, bedoeld in artikel
54m, heeft plaats gevonden.
Artikel 54t
1.Op de procesgang, bedoeld in deze Afdeling, zijn, nadat het
rapport van deskundigen ter inzage is nedergelegd, de artikelen 35,
36, 36a, 37, eerste lid, 38-54 van overeenkomstige toepassing.
2.Artikel 37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande, dat de rechtbank haar uitspraak beperkt tot de aan de
verweerders en derde belanghebbenden uit te keren
schadeloosstellingen, met dien verstande, dat zij tevens in haar
vonnis de schadeloosstellingen vermeldt, die reeds zijn bepaald
ingevolge de artikelen 54i, tweede lid, laatste zin, en 54k, derde
lid.
3.Voor zover de rechtbank bij het vonnis, bedoeld in het vorige
lid, van oordeel mocht zijn, dat iemand ten gevolge van de betaling
van voorschotten, meer heeft ontvangen dan hem als schadeloosstelling
toekomt, zal zij de betrokkene veroordelen tot terugbetaling van het
te veel ontvangen bedrag aan de onteigenende partij.
Hoofdstuk IV. Over de betaling van de schadeloosstelling
Artikel 55
1.Een vonnis van onteigening, bedoeld in artikel 37, vervalt,
wanneer niet binnen drie maanden, nadat het kracht van gewijsde heeft
verkregen, de schadeloosstellingen zijn betaald, of, in de gevallen
waarin dit volgens deze wet kan geschieden, zijn geconsigneerd.
2.Een vonnis van onteigening, bedoeld in artikel 54i, dat niet is
ingeschreven binnen de in artikel 54m genoemde termijn, vervalt,
wanneer niet binnen drie maanden, nadat het vonnis, als bedoeld in
artikel 54t, tweede lid, houdende uitspraak over de
schadeloosstellingen kracht van gewijsde heeft verkregen, die
schadeloosstellingen zijn betaald, of, in de gevallen waarin dit
volgens deze wet kan geschieden, zijn geconsigneerd. Bij verval van
dit vonnis van onteigening vervalt tevens het vonnis waarbij
overeenkomstig artikel 54i uitsluitend voorschotten zijn bepaald.
3.Onder een schadeloosstelling is de wettelijke rente daarvan
begrepen. De wettelijke rente loopt te rekenen van de dag van het
vonnis van onteigening, bedoeld in artikel 37 of van de dag van het
vonnis, bedoeld in artikel 54t.
4.Indien het vonnis van onteigening niet wordt ingeschreven in de
openbare registers, is de onteigenende partij schadeplichtig en hebben
de wederpartij en de derde belanghebbenden de keuze een vaste
schadeloosstelling of volledige schadevergoeding te vorderen.
5.De vaste schadeloosstelling, bedoeld in het voorgaande lid, is
gelijk aan tien ten honderd van de voor ieder door de rechtbank bij
het vonnis van onteigening overeenkomstig artikel 37 of artikel 54t
vastgestelde of vermelde schadeloosstellingen.
6.Wordt volledige schadevergoeding gevorderd, dan worden onder de
schade mede begrepen de redelijkerwijs gemaakte kosten van
rechtsbijstand en andere deskundige bijstand, alsmede de wettelijke
rente van het bedrag der schadevergoeding van de dag, waarop het
vonnis van onteigening is gewezen.
7.Tot kennisneming der vordering is de rechtbank bevoegd, bij welke
het geding van onteigening aanhangig is gemaakt.
Artikel 56
Wanneer hij aan wie de schadeloosstelling is toegewezen, weigert haar
te ontvangen, en bij deurwaardersexploit deswege in gebreke is gesteld,
kan de onteigenaar zodra tien dagen zijn verstreken overgaan tot
consignatie overeenkomstig de Wet op de consignatie van gelden.
Artikel 57
1.Wanneer de schadeloosstelling of het voorschot, bedoeld in
artikel 54i, is betaald dan wel consignatie overeenkomstig de Tweede
Afdeling van de Vierde Titel van het Vierde Boek van het Burgerlijk
Wetboek daarvan heeft plaats gevonden, wordt de onteigenende partij,
op bevelschrift van de voorzitter van de rechtbank, desnoods door
middel van de sterke arm, in het bezit van het onteigende gesteld.
2.Bij haar verzoekschrift moet de onteigenende partij aan die
voorzitter overleggen een afschrift van het vonnis tot onteigening,
een verklaring van de griffier, dat het vonnis gezag van gewijsde
heeft verkregen, alsmede een afschrift van het proces-verbaal van de
opneming door de deskundigen, indien deze opneming heeft plaats
gevonden overeenkomstig artikel 54j, eerste of derde lid.
3.Ook het bewijs, dat de schadeloosstelling of het voorschot,
bedoeld in artikel 54i, is betaald dan wel het bewijs van consignatie
in de gevallen van de artikelen 3, 58 en 59, moet worden overgelegd.
Artikel 58
Wanneer onder de onteigenende partij beslag op de schadeloosstelling
of het voorschot is gelegd, doet zij het bedrag dat zij zonder het
beslag aan de beslagene had moeten uitbetalen consigneren overeenkomstig
de Wet op de consignatie van gelden.
Artikel 59
1.Het vonnis van onteigening, bedoeld in artikel 37, kan slechts
worden ingeschreven nadat het in kracht van gewijsde is gegaan. Ter
inschrijving van het in de vorige zin bedoelde vonnis worden de
bewijzen van betaling van de schadeloosstelling overgelegd. Ter
inschrijving van het vonnis, bedoeld in artikel 54i, dat niet is
ingeschreven binnen de in artikel 54m bedoelde termijn, worden
overgelegd het vonnis bedoeld in artikel 54t, tweede lid, een
verklaring van de griffier houdende dat laatstgenoemd vonnis in kracht
van gewijsde is gegaan en de bewijzen van betaling der
schadeloosstelling.
2.Voor de toepassing van deze wet wordt met een bewijs van betaling
gelijkgesteld een bewijs, dat de som der schadeloosstelling – of
ingevalAfdeling 2 van Hoofdstuk IIIa toepassing heeft gevonden, de som
van het voorschot – ten laste van de onteigenende partij is
overgeschreven op een rekening van de tot ontvangst gerechtigde bij
een financiële onderneming die in Nederland het bedrijf van bank mag
uitoefenen ingevolge de Wet op het financieel toezicht. Tevens geldt
als bewijs van betaling - indien niet genoegzaam bekend is aan wie
moet worden betaald, of consignatie heeft plaatsgevonden ten gevolge
van de artikelen 3, 56 of 58 - een bewijs van consignatie als bedoeld
in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de consignatie van gelden.
3.In geval van onteigening van een onroerende zaak gaat door
inschrijving van het vonnis de eigendom op de onteigenaar over, vrij
van alle met betrekking tot de zaak bestaande lasten en rechten. In
geval van onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, vervallen
door de inschrijving de lasten en rechten welke bestaan met betrekking
tot de zaak, waarop het onteigende recht rust. Aldus waardeloos
geworden inschrijvingen van hypotheken en beslagen worden ambtshalve
doorgehaald. Alleen erfdienstbaarheden kunnen op de zaak gevestigd
blijven. Zij dienen daartoe in het vonnis te worden opgenomen; indien
zij niet door vestiging zijn ontstaan, worden de kadastrale aanduiding
van het heersende erf en een omschrijving van de inhoud van de
erfdienstbaarheid opgenomen.
Artikel 60
Waterschaps- en soortgelijke lasten en alle belastingen, hoe ook
genaamd, waarmede het onteigende goed is bezwaard of die daarvan worden
betaald, gaan van de dag, waarop de in artikel 59 bedoelde inschrijving
heeft plaats gehad, op de onteigenende partij over.
Artikel 61
1. Indien tengevolge van oorzaken die de onteigenende partij in
staat was uit de weg te ruimen, met het werk waartoe werd onteigend
niet binnen drie jaar nadat het vonnis van onteigening kracht van
gewijsde heeft gekregen, een aanvang is gemaakt, of de arbeid meer dan
drie jaren mocht zijn gestaakt, of indien uit andere omstandigheden is
aan te tonen dat het werk blijkbaar niet tot stand zal worden
gebracht, biedt de onteigenende partij aan de onteigende partij de
mogelijkheid om het onteigende teruggeleverd te krijgen in de toestand
waarin het zich alsdan bevindt, onder gehoudenheid om in evenredigheid
tot de terugontvangen waarde de schadeloosstelling terug te geven.
2. Indien de onteigende te kennen geeft geen gebruik te maken van
de ingevolge het eerste lid aangeboden mogelijkheid, kan hij een
vordering indienen tot uitkering van een door de rechter naar
billijkheid te bepalen schadeloosstelling boven de reeds ontvangen
schadeloosstelling.
3. Indien de onteigenende partij niet binnen drie maanden na
verloop van de in het eerste lid bedoelde termijn een aanbod tot
teruglevering heeft gedaan, kan de onteigende partij, naar haar keuze,
hetzij bij de rechter het afgestane terugvorderen in de toestand
waarin het zich alsdan bevindt, onder gehoudenheid om in evenredigheid
tot de terugontvangen waarde de schadeloosstelling terug te geven,
hetzij een vordering indienen tot uitkering van een door de rechter
naar billijkheid te bepalen schadeloosstelling boven de reeds
ontvangen schadeloosstelling.
4. Onder werk waartoe werd onteigend als bedoeld in het eerste lid
worden mede verstaan: niet ingrijpende aanpassingen of aanpassingen
van geringe omvang van het werk ten behoeve waarvan onteigend wordt
dan wel aanpassingen van het werk die passen binnen het kader ter
uitvoering waarvan tot onteigening wordt overgegaan.
Titel II. Over de onteigening voor aanleg, herstel, versterking of
onderhoud van waterkeringen en bouw van militaire verdedigingswerken
Artikel 62
1. Onteigening van onroerende zaken of rechten ten behoeve van
aanleg, het herstel, versterking of onderhoud van waterkeringen of
bouw van militaire verdedigingswerken, heeft plaats uit kracht van een
koninklijk besluit, de Raad van State gehoord.
2. Onder de onteigening van onroerende zaken of rechten ten behoeve
van waterkeringen, bedoeld in het eerste lid, wordt mede begrepen de
onteigening voor de aanleg en verbetering van de in dat lid bedoelde
werken en rechtstreeks daaruit voortvloeiende bijkomende voorzieningen
ter uitvoering van:
a. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid,
van de Wet ruimtelijke ordening;
b. een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel
2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de
beheersverordening is afgeweken;
c. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van
de Wet ruimtelijke ordening.
Artikel 63
1. Op de voorbereiding van de beslissing tot onteigening is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2. Terinzagelegging geschiedt tevens binnen de gemeente waar de
betrokken onroerende zaken zijn gelegen. In ieder geval worden ter
inzage gelegd:
1°. een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten en met
grondtekeningen waarop de te onteigenen onroerende zaken, en bij
afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, de
onroerende zaken waarop de te onteigenen rechten rusten, met
vermelding van hun kadastrale aanduiding zijn aangewezen;
2°. een lijst van te onteigenen onroerende zaken aangeduid met
hun kadastrale aanduiding met vermelding van:
a. de grootte volgens de basisregistratie kadaster van elk
der desbetreffende percelen en, indien een te onteigenen
onroerende zaak een gedeelte van een perceel uitmaakt,
bovendien de grootte van dat gedeelte;
b. de namen van de eigenaars van elk dier zaken, volgens de
basisregistratie kadaster;
3°. bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, een lijst van de te onteigenen rechten met vermelding
van de kadastrale aanduiding van de zaken waarop zij rusten, en de
namen van de rechthebbenden op die rechten volgens de
basisregistratie kadaster.
3. Mondelinge zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht bij
Onze Minister wie het aangaat.
4. Alvorens omtrent het verzoek tot onteigening wordt beslist,
worden degenen, die tijdig ingevolge artikel 3:15, eerste of tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht een zienswijze naar voren
hebben gebracht, door Onze Minister in de gelegenheid gesteld zich te
doen horen. Zo nodig kan Onze Minister ook andere belanghebbenden in
de gelegenheid stellen zich te doen horen.
Artikel 64
Bij het koninklijk besluit worden de te onteigenen onroerende zaken
en rechten aangewezen door aanhaling van de in artikel 63, tweede lid,
onder 1° bedoelde grondtekeningen en vermelding van:
1°. de kadastrale aanduiding van de onroerende zaken met
vermelding van de grootte volgens de basisregistratie kadaster van
elk der desbetreffende percelen en, indien een te onteigenen
onroerende zaak een gedeelte van een perceel uitmaakt, bovendien de
grootte van dat gedeelte;
2°. bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, de kadastrale aanduiding van de onroerende zaken waarop
de te onteigenen rechten rusten;
3°. de namen volgens de basisregistratie kadaster van de
eigenaars van de te onteigenen onroerende zaken en, bij
afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van
de rechthebbenden op de te onteigenen rechten.
Artikel 64a
1. Het koninklijk besluit wordt genomen binnen zes maanden na
afloop van de termijn gedurende welke de stukken ingevolge artikel
3:11, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage hebben
gelegen.
2. Het besluit wordt in ieder geval bekendgemaakt aan de
onteigenende partij en, zo mogelijk, aan de in artikel 64 bedoelde
eigenaren en andere rechthebbenden.
3. Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant. Terinzagelegging ingevolge artikel 3:44, eerste lid,
onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht vindt tevens plaats
binnen de betrokken gemeente. De kennisgeving van het besluit vindt
tevens plaats in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen die
in de gemeente verspreid worden, onder vermelding van datum en nummer
van het koninklijk besluit en van de Staatscourant waarin het besluit
is geplaatst. Een en ander geschiedt op kosten van hen, te wier name
het werk wordt uitgevoerd.
4. Het koninklijk besluit tot onteigening vervalt, indien de
onteigenende partij niet binnen twee jaar na dagtekening van het
koninklijk besluit de eigendom bij minnelijke overeenkomst heeft
verkregen overeenkomstig artikel 17, of de eigenaren, in het
onteigeningsbesluit aangewezen, voor de rechtbank, in welker
rechtsgebied de onroerende zaken waarop de onteigening betrekking
heeft zijn gelegen, heeft doen dagvaarden overeenkomstig artikel 18.
Artikel 64b
1. Deartikelen 2, 3, 4, 17 tot en met 20, en 22 tot en met 61 zijn
van toepassing.
2. Wanneer gravingen, opmetingen of het stellen van tekeningen op
iemands grond nodig geacht worden, moeten de gebruikers van de grond
dit gedogen, mits hun dit tweemaal vierentwintig uren te voren door
het gemeentebestuur schriftelijk is aangezegd.
3. De schade, daardoor veroorzaakt, wordt door de kantonrechter
begroot, en door de Staat vergoed. Deze verhaalt die kosten op hen, te
wier name het werk wordt uitgevoerd.
Artikel 65
1.Wanneer niet de grond zelf onteigend wordt, maar slechts tot het
verrichten van in deze titel vermelde werken zekere bodemmaterialen
nodig geacht worden, mag dit ook geschieden op grond van een besluit
van gedeputeerde staten of van het dagelijks bestuur van het
waterschap, dat tot onteigening overgaat.
2.Het besluit, door Ons of door de zooeven genoemde collegien of
besturen genomen, wijst zoo nauwkeurig mogelijk de oppervlakte aan,
waarover en de diepte, tot welke de uitgraving zal plaats hebben. Het
bepaalt tevens den termijn, waarbinnen het verzoekschrift, bedoeld in
artikel 66, moet zijn ingediend.
3.Het besluit, bedoeld in het vorige lid, wordt in de Staatscourant
en in een in de streek verspreid wordend nieuws- of advertentieblad
openbaar gemaakt.
4.De schadeloosstelling bepaalt zich in dat geval tot de waarde der
weggenomen speciën en de schade, door die wegneming aan den grond
toegebragt, met inachtneming der bepaling van art. 41.
Artikel 66
1. Bij gebreke van minnelijke schikking benoemt de rechtbank, in
het geval van het voorgaande artikel, op het verzoekschrift hetzij van
hem, die onteigent, of van den eigenaar van den grond, een of meer
deskundigen, in oneffen getale, om een berigt over de
schadeloosstelling te geven.
2. Het verzoekschrift moet, op straffe van verval, worden ingediend
binnen den termijn, bepaald bij het in artikel 65 bedoelde besluit.
Bij het verzoekschrift moet worden overgelegd een exemplaar van de
Staatscourant en van het nieuws- of advertentieblad, waarin Ons
besluit, dan wel dat van Gedeputeerde Staten of van een der andere
collegien of besturen is openbaar gemaakt.
3. De regtbank benoemt één harer leden, om als commissaris,
vergezeld van den griffier, bij de opneming door de deskundigen
tegenwoordig te zijn.
4. Zij bepaalt tevens den dag en de plaats, waar en wanneer die
opneming zal geschieden. Ten minste twee maal vier en twintig uren te
voren wordt dit aan de wederpartij beteekend en afschrift van het
exploit ter griffie van de regtbank nedergelegd. Bij gebreke dier
beteekening vervalt het vonnis.
5. Het vonnis wordt aan het gebouw der regtbank aangeplakt, en de
griffier roept de deskundigen op.
6. Derde belanghebbenden kunnen bij die opneming tegenwoordig zijn,
ten einde ook hunne schade te doen begrooten.
7. De regtercommissaris bepaalt bij de opneming door de
deskundigen, den dag, waarop hij zijn rapport aan de regtbank zal
uitbrengen. Deze dag wordt aan de wederpartij beteekend, zoo zij niet
is verschenen bij de opneming door de deskundigen en afschrift van het
exploit ter griffie nedergelegd. Inmiddels liggen het procesverbaal
van den regtercommissaris en het advies der deskundigen op de griffie
ter lezing.
8. Op den bepaalden dag nemen, na het rapport van den
regtercommissaris, partijen en derde belanghebbenden hunne conclusien,
welke zij, mits op dezelfde teregtzitting, bij pleidooi breeder kunnen
ontwikkelen.
9. De regtbank beslist terstond of op de eerstvolgende
teregtzitting.
10. Geenerlei andere formaliteiten behoeven hier in acht te worden
genomen.
11. Tegen het vonnis, waarbij de onteigening is uitgesproken, wordt
noch verzet, noch hooger beroep, noch beroep in cassatie toegelaten.
12. De artikelen 20, 24, laatste lid, 29, 33, 34, eerste en tweede
lid, en 35, eerste lid, vinden op de rechtsvordering, in dit artikel
omschreven, overeenkomstige toepassing.
Artikel 67
1.De wegneming der speciën heeft niet plaats dan nadat de
onteigenende partij de schadeloosstelling heeft betaald of
geconsigneerd.
2.De artt. 55 tot 58 zijn ook hier van toepassing.
Artikel 68 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 69 [Vervallen per 01-02-1973]
Artikel 70 [Vervallen per 01-02-1973]
Artikel 71 [Vervallen per 01-02-1973]
Artikel 72 [Vervallen per 01-02-1973]
Titel IIa. Over onteigening van wegen, bruggen, bermen, bermslooten
en kanalen en onteigening voor aanleg en verbetering van wegen, bruggen,
spoorwegwerken, kanalen, havenwerken, werken ten behoeve van de
bestrijding van verontreiniging van oppervlaktewateren en terreinen en
werken ten behoeve van verbetering of verruiming van rivieren
Artikel 72a
1. Onteigening van wegen, bruggen, bermen, bermslooten en kanalen,
alsmede daarop rustende zakelijke rechten als in artikel 4 bedoeld, en
onteigening voor aanleg en verbetering van wegen, bruggen,
spoorwegwerken, kanalen, – waaronder begrepen onteigening voor
aanleg en verbetering van werken ter uitvoering van een tracébesluit
als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Tracéwet –
havenwerken, werken ten behoeve van de bestrijding van de
verontreiniging van oppervlaktewateren en terreinen en werken ten
behoeve van verbetering of verruiming van rivieren kan geschieden uit
kracht van een door Ons, den Raad van State gehoord, genomen besluit.
2. Onder de onteigening, bedoeld in het eerste lid, wordt mede
begrepen de onteigening voor de aanleg en verbetering van de in dat
lid bedoelde werken en rechtstreeks daaruit voortvloeiende bijkomende
voorzieningen ter uitvoering van:
a. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid,
van de Wet ruimtelijke ordening;
b. een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel
2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de
beheersverordening is afgeweken;
c. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van
de Wet ruimtelijke ordening.
3. De bepalingen van de artikelen 63 tot en met 64b zijn van
toepassing.
Titel IIb. Over onteigening ten behoeve van de openbare
drinkwatervoorziening en van de verwijdering van afvalstoffen
Artikel 72b
1. Onteigening van gronden en van zakelijke rechten, als bedoeld in
artikel 4, waarvan de verkrijging is vereist ten behoeve van een
drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
Drinkwaterwet of van een inrichting waarin afvalstoffen die van buiten
de inrichting afkomstig zijn, worden verwijderd, kan geschieden uit
kracht van een door Ons, de Raad van State gehoord, genomen besluit.
2. De bepalingen van de artikelen 63 tot en met 64b zijn van
toepassing.
Titel IIc. Over onteigening in het belang van de winning van
oppervlaktedelfstoffen
Artikel 72c
1.Onteigening van zaken en rechten als bedoeld in artikel 4 kan in
het belang van de winning van oppervlaktedelfstoffen plaatshebben ten
name van het Rijk of van de provincie:
a. overeenkomstig een onherroepelijk geworden besluit tot
vaststelling van een winplaats in een streekplan;
b. indien ter zake een vergunning tot ontgronding krachtens de
Ontgrondingenwet is verleend en onherroepelijk is geworden.
2.De onteigening heeft plaats uit kracht van een door Ons, de Raad
van State gehoord, genomen besluit.
3.De bepalingen van de artikelen 63 tot en met 64b zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 72d
1.Het Rijk of de provincie of degene, die van het Rijk of van de
provincie ten behoeve van een ontgronding de eigendom heeft verkregen,
mag deze binnen zes jaren na beëindiging van de ontgronding, of -
indien met betrekking tot de staat, waarin de zaak na ontgronding moet
worden gebracht, voorwaarden aan de vergunning tot het ontgronden zijn
verbonden - na oplevering in de staat als bij die vergunning
voorgeschreven, niet vervreemden, alvorens de onroerende zaken aan
degene, die deze als gevolg van de toepassing van deze Titel heeft
verloren, te koop te hebben aangeboden tegen een prijs te bepalen in
onderling overleg, dan wel bij gebreke van overeenstemming door de
rechtbank van het arrondissement, bedoeld in artikel 18.
2.Het niet in acht nemen van het in het eerste lid bepaalde heeft
geen gevolg ten aanzien van de geldigheid van de vervreemding.
Titel III. Over onteigening in geval van buitengewone omstandigheden
Artikel 73
1.Wanneer in geval van brand of watersnood, ogenblikkelijke
inbezitneming volstrekt noodzakelijk geacht wordt, kan deze op last
van de hoogste burgerlijke overheid, ter plaatse aanwezig, geschieden.
2.Ingeval van watersnood kan ook het dagelijks bestuur van het
waterschap, dat met de zorg voor de waterkering is belast, de
voorzitter van dat waterschap en ieder daartoe door dat dagelijks
bestuur van het waterschap aangewezen lid van dat bestuur, ter
vervulling van die taak die last geven.
3.Door watersnood wordt niet enkel het geval verstaan dat dijken
zijn doorgebroken of overstroomingen hebben plaats gehad, maar ook dat
van dringend of dreigend gevaar voor doorbraak of overstrooming.
4.De eigendom gaat onmiddellijk op dengene over, in wiens naam de
inbezitneming is geschied, vrij van alle met betrekking tot de zaak
bestaande lasten en rechten. Alle in art. 60 genoemde lasten of
belastingen, waarmede het onteigende is bezwaard, gaan van den dag der
inbezitneming op hem over.
5.Het besluit tot inbezitneming wordt zo spoedig mogelijk in de
openbare registers ingeschreven. Door het besluit waardeloos geworden
inschrijvingen van hypotheken en beslagen worden ambtshalve
doorgehaald. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek is niet van toepassing.
Artikel 74
1.Zoodra mogelijk na de onteigening, moet degene, die haar bevolen
heeft, aan de onteigenden geregtelijk eene schadevergoeding doen
aanbieden, of in de gevallen, in art. 58, eerste lid, genoemd,
consigneren.
2.Indien dit aanbod of die consignatie niet binnen drie maanden is
geschied, alsmede wanneer met het aangebodene of geconsigneerde geen
genoegen wordt genomen, kan de schadevergoeding in regten door de
onteigenden worden gevorderd.
3.In het eerste geval kan de Staat, de provincie, de gemeenten of
het waterschap de bedoelde schadeloosstelling van hen, die de
onteigening gelast hebben, persoonlijk terugvorderen, ten ware het
verzuim buiten hunne schuld mogt hebben plaats gehad.
Artikel 75
De wettelijke interessen der verschuldigde schadevergoeding moeten
van den dag der inbezitneming aan de onteigenden worden betaald.
Artikel 76
Wanneer hij, in wiens naam de onteigening gelast is, den eigendom van
de zaak niet langer voor het beoogde doel noodig acht, en er nog geene
drie jaren sedert de onteigening verloopen zijn, is de onteigende bij
voorkeur boven alle anderen tegen betaling van den prijs, door
deskundigen te begrooten, tot de verkrijging daarvan geregtigd.
Artikel 76a
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 76a bis tot en
met 76f bis in werking worden gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent
het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepalingen.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden
dit naar Ons oordeel toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op
de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 76a bis [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in
werking treden.]
1. Wanneer ogenblikkelijke inbezitneming volstrekt noodzakelijk
geacht wordt, kan deze op last van de hoogste militaire autoriteit,
ter plaatse aanwezig, geschieden onder zo spoedig mogelijke afgifte
van een schriftelijk bewijsstuk van de inbezitneming.
2. Op de in het eerste lid bedoelde inbezitneming is het bepaalde
in artikel 73, ten aanzien van de eigendomsovergang en de
overschrijving in de openbare registers, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 76a ter [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in
werking treden.]
1. Door of op last van de burgemeesters kunnen, na bijzondere of
algemene machtiging van Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit onderscheidenlijk Onze Minister van Economische
Zaken, levensmiddelen, grondstoffen van levensmiddelen
onderscheidenlijk huishoudelijke artikelen en brandstoffen
onmiddellijk in bezit worden genomen onder zo spoedig mogelijke
afgifte van een schriftelijk bewijsstuk van de inbezitneming.
2. De op grond van het eerste lid in bezit genomen waren worden
onverwijld, op door de burgemeester te bepalen wijze, ter
beschikking gesteld ten behoeve van de bevolking van de gemeente of
van aldaar bestaande bedrijven, tegen prijzen, die niet te boven
gaan de daarvoor door Onze voornoemde Minister bepaalde bedragen.
3. De schadeloosstelling, voor de in bezit genomen waren door de
gemeente te bepalen, wordt door twee schatters, elk afzonderlijk,
geschat, en een bon voor het gemiddelde van die twee schattingen
wordt aan de vroegere houder van de waren gegeven.
4. Het bedrag van deze bonnen wordt als verplichte uitgave van de
gemeente aangemerkt en zo spoedig mogelijk uitbetaald.
5. De schatters worden door Onze voornoemde Minister of,
ingevolge diens bijzondere of algemene machtiging, door de
burgemeester benoemd.
6. Artikel 75 is van toepassing.
Artikel 76b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in
werking treden.]
Indien degene, onder wien de burgemeester in het vorig artikel
genoemde waren in bezit wil nemen, onmiddellijk ten genoegen van den
burgemeester aanbiedt zelf op door dezen goedgekeurde wijze die waren
ter beschikking te stellen tegen prijzen, die niet te boven gaan de
daarvoor door Onzen voornoemden Minister bepaalde bedragen, kan de
burgemeester de inbezitneming opschorten.
Artikel 76c [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in
werking treden.]
1. Onze voornoemde Minister kan bepalen, dat de burgemeester
bepaalde soorten of hoeveelheden van genoemde waren in bezit zal
nemen, alsmede dat van in bezit genomen waren gedeelten ter
beschikking worden gesteld van den burgemeester eener andere
gemeente tegen den prijs en op de wijze, door dien Minister te
bepalen.
2. Voldoet de burgemeester niet onmiddellijk hieraan, dan
geschiedt de inbezitneming en de terbeschikkingstelling van
burgemeesters van andere gemeenten door dien Minister.
3. Alsdan wordt de schadeloosstelling bepaald op de wijze, bij
artikel 76a ter geregeld, met dien verstande, dat de benoeming der
schatters dan steeds geschiedt door dien Minister.
4. Het vierde en het laatste lid van artikel 76a ter zijn ook in
dit geval van toepassing, met dien verstande, dat de uitgave komt
ten laste van de gemeente, te welker behoeve de waren zijn
beschikbaar gesteld.
Artikel 76e [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in
werking treden.]
1. De burgemeester zoomede de door hem aan te wijzen ambtenaren
zijn te allen tijde bevoegd de uitlevering te vorderen van de in
bezit te nemen waren. Zij, alsmede de hen op hun last vergezellende
personen hebben te allen tijde vrijen toegang tot alle plaatsen,
waar redelijkerwijs vermoed kan worden, dat zich de waren bevinden.
Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien
desnoods met inroeping van den sterken arm.
2. Is de plaats tevens eene woning of alleen door eene woning
toegankelijk, dan treden zij deze tegen den wil des bewoners niet
binnen dan op bijzonderen of algemeenen schriftelijken last van den
burgemeester.
3. Van dit binnentreden wordt door hen procesverbaal opgemaakt.
Artikel 76f [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in
werking treden.]
In geval, op grond van artikel 7, eerste lid, of 8, eerste lid, van
de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden, bepalingen uit de Oorlogswet
voor Nederland in werking zijn gesteld, geschieden de machtigingen,
bedoeld in artikel 76a ter, eerste lid, niet dan na overleg met het
militair gezag.
Artikel 76fbis [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in
werking treden.]
1. Door of op last van de burgemeesters kunnen, na algemene of
bijzondere machtiging van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, in
de gemeente aanwezige verbruiksartikelen, bestemd voor bescherming
en ontsmetting in het belang van de bestrijding van rampen en zware
ongevallen, van de beperking van de onmiddellijke gevolgen daarvan
alsmede van de voorbereiding op deze bestrijding en beperking,
onmiddellijk in bezit worden genomen onder zo spoedig mogelijke
afgifte van een schriftelijk bewijsstuk van de inbezitneming.
2. De artikelen 76a ter, derde lid tot en met zesde lid, 76b,
76c, 76e en 76f vinden overeenkomstige toepassing.
Titel IV. Onteigening in het belang van de ruimtelijke ontwikkeling,
van de Volkshuisvesting, van de openbare orde en van de handhaving van
de Opiumwet
Artikel 77
1. Onteigening, bedoeld in deze titel kan plaatsvinden:
1°. ten behoeve van de uitvoering van of ter handhaving van de
feitelijke toestand overeenkomstig een bestemmingsplan of een
inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet
ruimtelijke ordening;
2°. ten behoeve van de uitvoering van een bouwplan, dan wel
een plan van werken, geen bouwwerken zijnde, of een plan van
werkzaamheden voor het opheffen van ernstig achterstallig
onderhoud in het belang van de volkshuisvesting, mits een hierop
betrekking hebbend besluit op grond van artikel 13 van de
Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
oplegging van een last onder dwangsom wegens overtreding van het
bepaalde bij of krachtens artikel 1a, 1b, 7b of 13 van de
Woningwet onherroepelijk is geworden;
3°. ten behoeve van de uitvoering van een omgevingsvergunning
waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a,
onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het
geldende bestemmingsplan is afgeweken;
4°. ten behoeve van de ontruiming van oppervlakten in het
belang van de volkshuisvesting;
5°. ten behoeve van de verwijdering van een of meer ontruimde,
onbewoonbaar verklaarde woningen of van een of meer niet meer in
gebruik zijnde andere gebouwen, indien deze woningen of gebouwen
dermate in verval zijn geraakt of verminkt, dat zij de omgeving in
ernstige mate ontsieren;
6°. ten behoeve van de uitvoering van een besluit als bedoeld
in artikel 3.30, 3.33 of 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening,
alsmede met voorzieningen die met de uitvoering van zodanig
besluit rechtstreeks verband houden;
7°. van een gebouw als bedoeld in artikel 14 van de Woningwet
ten behoeve van de handhaving van de openbare orde rond dat gebouw
of van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet in zodanig gebouw,
indien de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, van de Woningwet, geen uitzicht heeft geboden op een
duurzaam herstel van de openbare orde rond dat gebouw welke is
verstoord door gedragingen in het gebouw, onderscheidenlijk het
duurzaam achterwege blijven van een overtreding van artikel 2 of 3
van de Opiumwet in dat gebouw;
8°. van een gebouw, een open erf of een terrein als bedoeld in
artikel 17 van de Woningwet ten behoeve van het opheffen van een
overtreding als bedoeld in dat artikel, indien de toepassing van
de bevoegdheden, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Woningwet, geen uitzicht heeft geboden op het duurzaam achterwege
blijven van een zodanige overtreding.
2. In dit artikel wordt verstaan onder:
1°. bouwplan: een project tot het plaatsen, het geheel of
gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen alsmede het
vergroten van een of meer bouwwerken;
2°. plan van werken, geen bouwwerken zijnde: een project tot
het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen
alsmede het vergroten van een of meer werken, geen bouwwerken
zijnde;
3°. plan van werkzaamheden: een project tot het verrichten van
een of meer werkzaamheden.
3. Een bouwplan kan mede een plan van werken, geen bouwwerken
zijnde, of een plan van werkzaamheden omvatten. Een plan van werken,
geen bouwwerken zijnde, kan mede een plan van werkzaamheden omvatten.
4. In de in het eerste lid genoemde gevallen geschiedt de
onteigening overeenkomstig de volgende artikelen.
Artikel 78
1. Onteigening ten name van een publiekrechtelijk lichaam of van
een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, toegelaten
ingevolge artikel 70 of 70j van de Woningwet, heeft op verzoek van het
algemeen bestuur van dat lichaam, Onze Minister wie het aangaat of die
rechtspersoon, plaats uit kracht van een koninklijk besluit. Alvorens
omtrent het verzoek tot onteigening wordt beslist, wordt de Raad van
State gehoord. Bij de indiening van het verzoek legt de verzoeker de
stukken en gegevens, bedoeld in artikel 79, over aan Onze Minister wie
het aangaat.
2. Op de voorbereiding van het besluit tot onteigening is afdeling
3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De in artikel
3:12 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde kennisgeving wordt
gedaan door de burgemeester van de gemeente waar de betrokken
onroerende zaken zijn gelegen. Terinzagelegging geschiedt tevens
binnen de gemeente waar de betrokken onroerende zaken zijn gelegen. In
ieder geval worden ter inzage gelegd de in artikel 79 bedoelde stukken
en gegevens.
3. Mondelinge zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht bij
Onze Minister wie het aangaat.
4. Alvorens op het verzoek tot onteigening wordt beslist, stelt
Onze Minister wie het aangaat degenen die tijdig ingevolge artikel
3:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht een
zienswijze naar voren hebben gebracht, in de gelegenheid gehoord te
worden. Zo nodig kan Onze Minister ook andere belanghebbenden daartoe
in de gelegenheid stellen.
5. Bij een koninklijk besluit tot onteigening worden de te
onteigenen onroerende zaken en rechten aangewezen door aanhaling van
de in artikel 79 bedoelde grondtekeningen en vermelding van:
1°. de kadastrale aanduiding van de onroerende zaken met
vermelding van de grootte volgens de basisregistratie kadaster van
elk van de desbetreffende percelen en, indien een te onteigenen
onroerende zaak een gedeelte van een perceel uitmaakt, bovendien
de grootte van dat gedeelte;
2°. bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, de kadastrale aanduiding van de onroerende zaken
waarop de te onteigenen rechten rusten;
3°. de namen volgens de basisregistratie kadaster van de
eigenaren van de te onteigenen onroerende zaken en, bij
afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
van de rechthebbenden op de te onteigenen rechten.
6. Het koninklijk besluit wordt genomen binnen zes maanden na
afloop van de termijn gedurende welke het ontwerpbesluit met de
bijbehorende stukken ingevolge artikel 3:11, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht ter inzage heeft gelegen. Het besluit wordt
bekend gemaakt aan de verzoeker en aan de in het vijfde lid, onder
3°, bedoelde eigenaren en andere rechthebbenden.
7. Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant. Terinzagelegging ingevolge artikel 3:44, eerste lid,
onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht vindt tevens plaats
binnen de gemeente, bedoeld in het tweede lid. De burgemeester geeft
tevens kennis van de zakelijke inhoud van het besluit in een of meer
dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen die in de gemeente verspreid
worden, onder vermelding van datum en nummer van het koninklijk
besluit en van de Staatscourant waarin het besluit is geplaatst. Een
en ander geschiedt op kosten van hen ten name van wie het werk wordt
uitgevoerd.
8. Het koninklijk besluit tot onteigening vervalt, indien de
onteigenende partij niet binnen twee jaar na dagtekening van het
koninklijk besluit de eigendom bij minnelijke overeenkomst heeft
verkregen overeenkomstigartikel 17, of de in het onteigeningsbesluit
aangewezen eigenaren voor de rechtbank in het arrondissement waar de
betrokken onroerende zaken zijn gelegen, heeft doen dagvaarden
overeenkomstig artikel 18.
Artikel 79
Het besluit tot indiening van een verzoek tot onteigening vervalt
indien het niet uiterlijk drie maanden na het nemen van dat besluit aan
Ons is voorgedragen, vergezeld van:
1°. een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten en met
grondtekeningen waarop de te onteigenen onroerende zaken, en bij
afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, de
onroerende zaken waarop de te onteigenen rechten rusten, met
vermelding van hun kadastrale aanduiding zijn aangewezen;
2°. een lijst van de te onteigenen onroerende zaken aangeduid
met hun kadastrale aanduiding met vermelding van:
a. de grootte volgens de basisregistratie kadaster van elk
van de desbetreffende percelen en, indien een te onteigenen
onroerende zaak een gedeelte van een perceel uitmaakt, bovendien
de grootte van dat gedeelte;
b. de namen van de eigenaren van deze zaken, volgens de
basisregistratie kadaster;
c. de kadastrale uittreksels ten tijde van het verzoek;
3°. bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, een lijst van de te onteigenen rechten met vermelding
van de kadastrale aanduiding van de zaken waarop zij rusten, en de
namen van de rechthebbenden op die rechten volgens de
basisregistratie kadaster;
4°. een zakelijke beschrijving ter onderbouwing van het verzoek;
5°. een overzicht van het gevoerde minnelijk overleg met
bewijsstukken;
6°. een lijst van de belanghebbenden;
7°. de kaart of de kaarten behorend bij het bestemmingsplan, het
inpassingsplan, of de wijziging of uitwerking daarvan, dan wel van
de omgevingsvergunning ter uitvoering waarvan onteigend wordt, met
daarop geprojecteerd de grondplantekening;
8°. andere documenten waaruit kan blijken welke wijze van
uitvoering de verzoeker voor ogen staat.
Artikel 80
De artikelen 2, 3, 4, 17 tot en met 20, 22 tot en met 61, en 64b,
tweede en derde lid, zijn op onteigeningen als bedoeld in deze titel van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. wanneer de onteigening geschiedt ten name van een
publiekrechtelijk lichaam of een rechtspersoon als bedoeld in
artikel 78, eerste lid, dat lichaam of die rechtspersoon als eisende
partij optreedt;
b. het verzoek, bedoeld in artikel 54a, kan worden gedaan, zodra
de terinzagelegging overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid,
onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht heeft plaats gehad en
bij het verzoekschrift, in plaats van de in artikel 54a, tweede lid,
onder a tot en met d, genoemde stukken en gegevens een afschrift van
het koninklijk besluit moet worden overgelegd.
Artikel 81
1. Indien het te onteigenen gebouw onbewoonbaar is verklaard, wordt
de waarde vergoed van de grond en van de bouwmaterialen, ingeval het
gebouw voor geen enkel doeleinde kan worden gebruikt. Indien het
gebouw voor een ander doeleinde dan bewoning kan worden gebruikt,
wordt de waarde vergoed van de grond en van de bouwmaterialen,
vermeerderd met zodanig bedrag als billijk kan worden geacht in
verband met het voordeel dat de eigenaar uit dat andere gebruik zou
kunnen trekken.
2. Indien slechts een gedeelte van het te onteigenen gebouw
onbewoonbaar is verklaard, wordt daarmee rekening gehouden bij de
bepaling van de waarde van het geheel. Daarbij wordt gelet op de
geschiktheid of ongeschiktheid van het onbewoonbaar verklaarde deel
voor andere doeleinden dan bewoning.
Artikel 82
1. Indien aan een besluit als bedoeld in artikel 13 van de
Woningwet, strekkende tot het treffen van bepaalde voorzieningen aan
een gebouw of een daartoe strekkend besluit tot toepassing van
bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom wegens
niet-naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 1a, 1b, 7b of
13 van de Woningwet geen gevolg wordt gegeven, wordt vergoed de waarde
die het gebouw zou hebben in het geval zodanige voorzieningen waren
getroffen, met aftrek van de kosten van het treffen van die
voorzieningen.
2. Indien het gebouw door een groter aantal personen wordt bewoond
dan volgens plaatselijke verordening geoorloofd is, wordt bij het
bepalen van de werkelijke waarde geen rekening gehouden met de
vermeerdering van huurprijs die uit die overschrijding voortvloeit.
Artikel 83 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 84 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 85 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 86 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 87 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 88 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 89 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 90 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 91 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 92 [Vervallen per 15-08-1956]
Artikel 93 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 94 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 95 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 95a [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 96 [Vervallen per 31-03-2010]
Titel V. Over onteigening van octrooien van uitvinding
Artikel 97
Onteigening van octrooien kan ten name van den Staat plaats vinden:
1°. wanneer het belang van leger of vloot vordert, dat de Staat
een uitsluitend recht op eene uitvinding verkrijge;
2°. wanneer het algemeen nut vordert, dat iedereen in de
gelegenheid worde gesteld de uitvinding toe te passen.
Artikel 98
1.De onteigening heeft plaats krachtens eene wet, waarin het te
onteigenen octrooi wordt aangeduid onder vermelding of het geval van
het vorige artikel sub 1°., dan wel het geval sub 2°. aanwezig is.
2.Zodra het voorstel van wet is ingediend, wordt het aan het Bureau
voor de industriële eigendom, bedoeld in artikel 4 van de wet van 25
april 1963 (Stb. 221), toegezonden. Het bureau maakt in het
eerstvolgende nummer van het blad, bedoeld in artikel 20, eerste lid,
van de Rijksoctrooiwet 1995, die indiening bekend met beknopte
aanduiding van het te onteigenen octrooi en met vermelding van het
nummer waaronder de desbetreffende Kamerstukken zijn verschenen.
Artikel 99
Onverwijld roept het in artikel 98, tweede lid, bedoelde bureau
allen, die volgens zijne registers belang bij het octrooi hebben, op, om
binnen een bekwamen termijn mondeling of schriftelijk, opgave te doen
van de schade, welke zij van de onteigening verwachten, en hij brengt
Ons van de opgaven van belanghebbenden, verslag uit.
Artikel 100
De artikelen 2, 3, 17-20, 22, 24, 26-37, 43, 45 en 50-54 zijn ten
deze toepasselijk, behoudens:
a. dat de poging om den eigendom van het octrooi in der minne,
vrij van alle lasten en regten, te verkrijgen, eerst geschiedt nadat
het in het vorige artikel gemelde verslag is ingekomen;
b. dat het geding in eersten aanleg gevoerd wordt voor de
rechtbank Den Haag;
c. dat het octrooi de plaats inneemt van de te onteigenen
onroerende zaak; de registers van het inartikel 98, tweede lid,
bedoelde bureau, die van de basisregistratie kadaster; de
licentiehouders, die van de huurders; de pandcrediteuren, die van de
hypotheekhouders.
Artikel 101
Ten minste drie dagen vóór de verschijning, wordt door den Staat
aan de regtbank het verslag, bedoeld bij art. 99 overgelegd.
Artikel 102
1.Bij de berekening der schadevergoeding wordt niet gelet op
licenties, verkregen nadat het wetsvoorstel tot onteigening is
ingediend.
2.Het deel der schadevergoeding, dat den licentiehouders toegewezen
is, wordt door den Staat te hunner beschikking gehouden.
Artikel 103
1.Het vonnis van onteigening vervalt indien niet, binnen zes
maanden nadat het in kracht van gewijsde is gegaan, de
schadeloosstelling is betaald of geconsigneerd.
2.Op vertoon van duplicaten der quitantiën of der bewijzen van
consignatie, tijdig opgemaakt, wordt het vonnis ingeschreven in de
openbare registers van het inartikel 98, tweede lid, bedoelde bureau
en vermeld in het in art. 98 bedoelde blad.
3.Door de inschrijving gaat het octrooi over op den Staat, vrij van
alle met betrekking tot het octrooi bestaande lasten en rechten. Voor
zoover het octrooi niet ten dienste van vloot of leger is onteigend om
eigendom van den Staat te worden, vervalt het.
Artikel 104 [Vervallen per 15-02-1963]
Titel Va. Over de onteigening van de rechten, voortvloeiende uit eene
aanvrage om octrooi
Artikel 104A
1.Door Ons kan de wenschelijkheid van onteigening worden
uitgesproken van de rechten, uit eene octrooi-aanvrage voortvloeiende.
Afschrift van Ons desbetreffend besluit wordt aan het inartikel 98,
tweede lid, bedoelde bureau toegezonden.
2.Het in artikel 98, tweede lid, bedoelde bureau wijst onverwijld
na ontvangst van het afschrift, in het 1ste lid bedoeld, drie
deskundigen aan die, bij gemotiveerd rapport, zoo spoedig mogelijk het
bedrag der schadeloosstelling zullen vaststellen, dat den aanvrager
bij onteigening zal worden uitgekeerd. Alvorens hun onderzoek aan te
vangen leggen de deskundigen bij het inartikel 98, tweede lid,
bedoelde bureau eene belofte tot volledige geheimhouding af. Het
rapport wordt bij het inartikel 98, tweede lid, bedoelde bureau
ingediend en door dezen onverwijld aan Ons aangeboden.
3.Binnen één maand na ontvangst van het rapport, in het
voorgaande lid bedoeld, zal door Ons, òf de onteigening ten behoeve
van den Staat worden uitgesproken, nadat de aldus vastgestelde
schadeloosstelling aan den aanvrager zal zijn betaald of
geconsigneerd, òf worden besloten, dat er, gelet op het in het 2de
lid bedoelde rapport, tot onteigening geen aanleiding bestaat; van het
besluit zal het inartikel 98, tweede lid, bedoelde bureau ten
spoedigste afschrift worden gezonden.
Artikel 104B
Bijaldien door Ons wordt besloten, dat er geen aanleiding bestaat tot
onteigening der rechten, uit de octrooi-aanvrage voortvloeiende, zal de
Staat den aanvrager, op zijn verzoek, de schade vergoeden, welke hij
daardoor mocht hebben geleden; het bedrag van het te dezer zake
verschuldigde wordt, tenzij dit bij minnelijke schikking kan worden
bepaald, vastgesteld door de commissie van deskundigen, bedoeld in
artikel 104A, 2de lid.
Artikel 104C [Vervallen per 15-02-1963]
Titel VI. Over onteigening in het belang der verkrijging door
landarbeiders van land met woning in eigendom of van los land in pacht
Artikel 105 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 106 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 107 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 108 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 109 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 110 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 111 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 112 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 113 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 114 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 115 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 116 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 117 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 118 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 119 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 120 [Vervallen per 28-07-1965]
Artikel 121 [Vervallen per 28-07-1965]
Titel VII. Over onteigening in het belang van de landinrichting
Artikel 122
1.Onteigening kan ten name van de Staat plaatsvinden van onroerende
zaken en rechten, waarover de beschikking moet worden verkregen ter
verwezenlijking van een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 17,
eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied of ter
verwezenlijking van een reconstructieplan als bedoeld in hoofdstuk 2
van de Reconstructiewet concentratiegebieden.
2.De onteigening heeft plaats uit kracht van een door Ons, de Raad
van State gehoord, genomen besluit.
Artikel 123
Deartikelen 63, eerste, tweede en vierde lid, 64, 64a en 64b zijn van
toepassing, met dien verstande dat gedeputeerde staten van de provincie
die het inrichtingsplan hebben vastgesteld, toepassing geven aan
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, en dat in artikel 63,
vierde lid, telkens in plaats van «Onze Minister» wordt gelezen
«gedeputeerde staten», terwijl in de slotzin vanartikel 63, vierde
lid, in plaats van «kan» wordt gelezen«kunnen».
Artikel 124
Gedeputeerde staten zenden het verslag bedoeld in artikel 3:17, van
de Algemene wet bestuursrecht, de schriftelijk naar voren gebrachte
zienswijzen als bedoeld in artikel 63, vierde lid, alsmede hun mening
daaromtrent aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Titel VIIa. Evaluatie
Artikel 125
1. Onze Ministers van Justitie, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat zenden binnen
drie jaar na de inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten in de
praktijk van de artikelen 3.9, 3.10, onderdeel D, 3.12, onderdeel C,
3.13, 3.14, 3.23 en 3.24, onderdeel D, van die wet.
2. Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Crisis- en
herstelwet wordt een voorstel van wet tot regeling van de in het
eerste lid bedoelde onderwerpen ingediend bij de Staten-Generaal.
Artikel 126 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 127 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 128 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 129 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 130 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 131 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 132 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 133 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 134 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 135 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 136 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 137 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 138 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 139 [Vervallen per 15-10-1985]
Artikel 140 [Vervallen per 15-10-1985]
Titel VIII [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 141 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 142 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 143 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 144 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 145 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 146 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 147 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 148 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 149 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 150 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 151 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 152 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 153 [Vervallen per 06-07-1981]
Artikel 154 [Vervallen per 01-07-2005]
Slotbepalingen
Artikel 155
Op de gevallen, waarin volgens art. 186 der Grondwet moet worden
voorzien, is deze wet niet toepasselijk.
Artikel 156
1. De wet van 29 Mei 1841 (Staatsblad nr. 19) is
ingetrokken.
2. Zij blijft intusschen toepasselijk op regtsvorderingen tot
onteigening vóór de afkondiging dezer wet aangevangen.
3. Het zal desniettemin aan de onteigenende partij vrijstaan, van
hare volgens de vorige wet aangevangen regtsvordering, zoolang nog
geen vonnis in de zaak is gewezen, afstand te doen en eene nieuwe
volgens deze wet in te stellen. In dat geval moet zij alle kosten,
door de wederpartij tot op het doen van dien afstand gemaakt, betalen.
4. Zij kan tot die betaling genoodzaakt worden op het enkel
bevelschrift van den voorzitter der rechtbank, gesteld aan den voet
van den door de wederpartij opgemaakten staat van kosten.
5. Dit bevelschrift is uitvoerbaar bij voorraad.
Artikel 157
Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van
"onteigeningswet".
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's Gravenhage, den 28sten Augustus 1851
WILLEM
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
Thorbecke
Uitgegeven den zesden September 1851
De Staatsraad, Directeur van het Kabinet des Konings,
A.G.A. van Rappard
|