| |
|
|
|
|
vorige
ONTGRONDINGENWET
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit ontgrondingen in rijkswateren
- Regeling ontgrondingen in rijkswateren
WET van 27 oktober 1965, houdende regelen
omtrent de ontgrondingen
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is
wettelijke regelen te stellen teneinde een doelmatige afweging van de
verschillende bij ontgrondingen betrokken belangen te verzekeren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. planologisch medewerking verlenen: het nemen van een of meer
besluiten krachtens de Wet ruimtelijke ordening door de raad
onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van een
gemeente of het bestuur van een provincie waarin die gemeente is
gelegen, waardoor een ontgronding kan plaatsvinden zonder strijd met
het bepaalde bij of krachtens die wet;
c. zomerbed:
1°. oppervlakte tussen de denkbeeldige lijnen ter
weerszijden van de stroomgeul bij gewoon hoog zomerwater of
gewone vloed, die de as van de rivier volgen en de worteleinden
van de kribben in de rivier met elkaar verbinden;
2°. voor zover geen kribben in de rivier aanwezig zijn: de
oppervlakte tussen de oeverlijnen van de stroomgeul bij gewoon
hoog zomerwater of gewone vloed, waarbij de oeverlijnen in een
denkbeeldige lijn worden doorgetrokken op plaatsen waar water in
de uiterwaard in open verbinding staat met de stroomgeul;
3°. nevengeulen in beheer bij het Rijk;
4°. bij het Rijk in beheer zijnde havens die in open
verbinding staan met de stroomgeul.
Artikel 2
Een ontgronding wordt geacht in de zee plaats te hebben, indien zij
plaats heeft daar, waar de bodem bij gewone vloed of gewoon zomerpeil
door het water van de zee wordt bedekt.
Artikel 3
1.Het is verboden, behoudens het bepaalde in de artikelen 12 en 31,
zonder vergunning te ontgronden dan wel als eigenaar, erfpachter,
vruchtgebruiker, opstalhouder, beklemde meier of gebruiker van enige
onroerende zaak toe te laten, dat aldaar zonder vergunning ontgronding
plaats heeft.
2.Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter
bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de ontgronding,
de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing
van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken.
3.De in het tweede lid bedoelde voorschriften kunnen in ieder geval
inhouden:
a. dat een werkplan wordt overgelegd, volgens hetwelk de
ontgronding zal geschieden, en dat het toestemming behoeft van een
bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan;
b. dat de onroerende zaken waarvoor een vergunning tot
ontgronding wordt verleend, geheel of bij gedeelten in een bij het
voorschrift omschreven toestand dienen te worden gebracht;
c. dat in plaats van de onder b bedoelde verplichting een
bepaald bedrag ineens of bij gedeelten moet worden betaald;
d. dat de kosten van het beheer van de onroerende zaken die
zijn ontgrond geheel of gedeeltelijk moeten worden betaald;
e. dat de kosten in verband met de aanpassingsinrichting van de
omgeving van de ontgronde onroerende zaken, alsmede van het beheer
van de aangepaste omgeving, voor zover zij het gevolg zijn van de
ontgronding, geheel of gedeeltelijk moeten worden betaald;
f. dat financiële zekerheid moet worden gesteld voor het
nakomen van krachtens de vergunning geldende verplichtingen;
g. dat moet worden voldaan aan door een bij het voorschrift
aangewezen bestuursorgaan gestelde nadere eisen;
h. dat de vergunninghouder verplicht is technische maatregelen
te treffen waardoor monumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel
b, van de Monumentenwet 1988 in de bodem kunnen worden behouden;
i. dat de vergunninghouder verplicht is opgravingen te doen als
bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Monumentenwet 1988;
j. dat de vergunninghouder verplicht is de ontgronding te laten
begeleiden door een deskundige op het terrein van de
archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het
vergunningverlenende bestuursorgaan te stellen kwalificaties.
4.Een financiële zekerheid als bedoeld in het derde lid, onder f,
kan niet worden gevorderd van publiekrechtelijke lichamen. Op de
toestemming, bedoeld in het derde lid, onder a, zijn de artikelen
10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing.
5.Aan de vergunning kunnen ook voorschriften worden verbonden,
inhoudende dat op een daarbij omschreven wijze moet worden aangegeven
of aan andere vergunningvoorschriften wordt voldaan en dat de daarbij
verkregen gegevens ter beschikking moeten worden gesteld van het
bevoegd gezag.
6.Weigering, intrekking of wijziging van een vergunning kan
geschieden op grond van strijd met de in het tweede lid bedoelde
belangen.
Artikel 3a
Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een
vergunning als bedoeld in artikel 3.
Artikel 4
Deze wet is niet van toepassing op:
a. het – in geval van watersnood of dringend of dreigend gevaar
voor doorbraak van dijken of voor overstroming – nemen van specie
van gronden, welke ogenblikkelijk in bezit zijn genomen;
b. de uitvoering van een inrichtingsplan als bedoeld in artikel
17, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied, met
uitzondering van de ontgrondingen, welke geschieden ter verkrijging
van het voor de werken nodige bodemmateriaal;
c. de uitvoering van een provinciaal milieuprogramma, voor zover
dit bevat een aanwijzing van gevallen waarin de bodem is of dreigt
te worden verontreinigd, als bedoeld in artikel 4.14, eerste en
tweede lid, onder a, 1°, van de Wet milieubeheer dan wel de
toepassing van artikel 30 of 31 van de Wet bodembescherming, met
uitzondering van de ontgrondingen, welke geschieden ter verkrijging
van het voor de werken nodige bodemmateriaal;
d. de uitvoering van een beheerplan als bedoeld in artikel 4.6
van de Waterwet, voor zover daarin maatregelen of voorzieningen zijn
opgenomen in verband met een verontreiniging of aantasting van de
bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam die een belemmering
vormt voor het bereiken van de gewenste gebiedskwaliteit, met
uitzondering van ontgrondingen, welke geschieden ter verkrijging van
het voor die maatregelen of voorzieningen nodige bodemmateriaal;
e. de uitvoering van maatregelen als bedoeld in artikel 5.15,
eerste lid, van de Waterwet, met uitzondering van ontgrondingen,
welke geschieden ter verkrijging van het voor die maatregelen nodige
bodemmateriaal.
Artikel 4a
Deze wet is mede van toepassing op ontgrondingen op het continentaal
plat, bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet.
Artikel 4b
De Staat is eigenaar van de op of onmiddellijk onder de oppervlakte
van het continentaal plat aanwezige vaste stoffen, met inbegrip van de
delfstoffen, bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet, voorzover die
delfstoffen op een diepte van minder dan 100 meter beneden de
oppervlakte van het continentaal plat aanwezig zijn.
Artikel 5
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden omtrent ontgrondingen
als bedoeld in artikel 8, eerste lid, regels gesteld met betrekking
tot de wijze waarop de aanvraag om een vergunning als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, moet geschieden en de gegevens en bescheiden
die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de
beslissing op de aanvraag.
2.Bij provinciale verordening worden omtrent ontgrondingen als
bedoeld in artikel 8, tweede lid, regels gesteld met betrekking tot de
wijze waarop de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, moet geschieden en de gegevens en bescheiden die door de
aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beslissing op de
aanvraag.
Artikel 6
Bij de maatregel, bedoeld in artikel 5, eerste lid, kan worden
bepaald dat overeenkomstig bij de maatregel te stellen regels een recht
wordt geheven ter zake van de behandeling van de aanvraag om een
vergunning of wijziging van een vergunning. Het tarief wordt zodanig
vastgesteld dat de geraamde opbrengst van het recht de geraamde uitgaven
niet te boven gaat.
Artikel 7
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat het verbod van artikel 3, eerste lid, niet geldt voor
daarbij aan te duiden categorieën van ontgrondingen van beperkte
betekenis voor de fysieke omgeving. Voor die categorieën kunnen bij
of krachtens die maatregel regels worden gesteld.
2.Bij provinciale verordening kan voor daarbij aan te duiden
categorieën van ontgrondingen, wegens haar bijzondere aard of met het
oog op bijzondere gewestelijke omstandigheden, worden bepaald dat het
verbod van artikel 3, eerste lid, niet geldt. Voor die categorieën
kunnen bij die verordening regels worden gesteld.
3.Een regeling als bedoeld in het eerste of tweede lid kan voorts
inhouden dat met betrekking tot ontgrondingen ten aanzien waarvan met
toepassing van het eerste of tweede lid is bepaald dat het
vergunningvereiste niet geldt, de verplichting geldt tot het melden
van het voornemen te ontgronden aan een daarbij aangewezen
bestuursorgaan. Bij toepassing van de eerste volzin worden voorts
aangegeven het tijdstip, voorafgaand aan het ontgronden, waarop de
melding uiterlijk moet zijn gedaan, alsmede de gegevens die bij de
melding moeten worden verstrekt.
Artikel 7a [Vervallen per 01-02-2008]
Artikel 7b [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 7c [Vervallen per 01-02-2008]
Artikel 7d [Vervallen per 01-02-2008]
Artikel 7e [Vervallen per 01-02-2008]
Artikel 7f [Vervallen per 01-02-2008]
Artikel 7g [Vervallen per 01-02-2008]
Hoofdstuk II. Vergunningen
Artikel 8
1. Onze Minister is bevoegd een vergunning als bedoeld in artikel 3
te verlenen, te wijzigen of in te trekken, indien zij een ontgronding
betreft in bij ministeriële regeling aan te wijzen rijkswateren.
2. Ten aanzien van andere dan de in het eerste lid bedoelde
ontgrondingen berust de bevoegdheid tot verlening, wijziging of
intrekking van een vergunning bij gedeputeerde staten van de provincie
waarin de betrokken onroerende zaak is gelegen.
3. Ten aanzien van ontgrondingen in een tot de rijkswateren
behorende rivier heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid
betrekking op het zomerbed van de rivier. Voor het niet tot het
zomerbed behorende gedeelte van de rivier tot aan de begrenzing van de
rivier ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Waterwet oefenen
gedeputeerde staten hun in het tweede lid bedoelde bevoegdheid uit in
overeenstemming met Onze Minister.
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 10
1.Op de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in artikel 8
zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2
van de Wet milieubeheer van toepassing.
2.Het college van burgemeester en wethouders van ieder van de
gemeenten op het gebied waarvan de aanvrage om vergunning betrekking
heeft, deelt aan het ingevolge artikel 8 bevoegde gezag binnen acht
weken nadat het verzoek daartoe is ingekomen, mee of de beoogde
ontgronding in overeenstemming is met het bestemmingsplan, een ter
inzage gelegd ontwerp hiervoor, een voorbereidingsbesluit ter zake of
een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet
ruimtelijke ordening, en deelt, zo zulks niet het geval is, mee of de
raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders
bereid is aan de ontgronding planologische medewerking te verlenen.
3.Indien Onze Minister het ingevolge artikel 8 bevoegde gezag is,
delen gedeputeerde staten van de provincie op het gebied waarvan de
aanvrage om vergunning betrekking heeft, binnen zes weken nadat het
verzoek daartoe is ingekomen, mee of de beoogde ontgronding in
overeenstemming is met een inpassingsplan, als bedoeld in artikel 3.26
van de Wet ruimtelijke ordening, een ter inzage gelegd ontwerp
hiervoor of de regels, gesteld bij of krachtens een verordening als
bedoeld in artikel 4.1 van die wet, alsmede, zo zulks niet het geval
is, of provinciale staten of gedeputeerde staten bereid zijn aan de
ontgronding planologische medewerking te verlenen.
4.Met betrekking tot ontgrondingen van eenvoudige aard, waarbij
andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken, kan bij de
regelingen, bedoeld in artikel 5, voor daarbij aan te wijzen gevallen
worden afgeweken van het bepaalde bij de voorgaande leden.
5.Beschikkingen als bedoeld in het eerste lid worden genomen na
afweging van de in artikel 3, tweede lid, bedoelde belangen.
6.Een vergunning wordt niet verleend of gewijzigd indien de beoogde
ontgronding in strijd is met een ruimtelijk besluit, tenzij die strijd
naar verwachting zal worden opgeheven.
Artikel 10a
1.Het ingevolge artikel 8 bevoegde bestuursorgaan bevordert een
gecoördineerde voorbereiding van de voor de ontgronding benodigde
besluiten wanneer de aanvrager daarom verzoekt.
2.Indien een plaats die is bestemd voor de winning van vaste
stoffen door middel van ontgronding is vastgesteld in een inpassings-
of bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.1 van de Wet
ruimtelijke ordening of in een beheersverordening als bedoeld in
artikel 3.38 van die wet, heeft de coördinatie betrekking op alle
verder voor de ontgronding benodigde besluiten. In de andere gevallen
heeft de coördinatie geen betrekking op de in artikel 3 bedoelde
vergunning, tenzij de aanvrager daarom verzoekt.
Artikel 10b
1.Het ingevolge artikel 8 bevoegde bestuursorgaan kan van de andere
betrokken bestuursorganen de medewerking vorderen, die voor het
welslagen van de coördinatie nodig is.
2.De in het eerste lid bedoelde bestuursorganen verlenen de van hen
gevorderde medewerking.
Artikel 10c
Op de voorbereiding van de in artikel 10a, eerste lid, bedoelde
besluiten is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing, met dien verstande dat:
a. de ontwerpen van de besluiten binnen een door het ingevolge
artikel 8 bevoegde bestuursorgaan te bepalen termijn worden
toegezonden aan het bestuursorgaan, dat zorg draagt voor de in
artikel 3:13, eerste lid, van die wet bedoelde toezending;
b. het ingevolge artikel 8 bevoegde bestuursorgaan ten aanzien
van de ontwerpen van de besluiten gezamenlijk toepassing kan geven
aan de artikelen 3:11, eerste lid, en 3:12 van die wet;
c. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder;
d. in afwijking van artikel 3:18, eerste lid, van die wet de
besluiten worden genomen binnen een door het ingevolge artikel 8
bevoegde bestuursorgaan te bepalen termijn;
e. de besluiten onverwijld worden gezonden aan het ingevolge
artikel 8 bevoegde bestuursorgaan.
Artikel 10d
1.Indien het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te
beslissen op een aanvraag om een besluit als bedoeld in artikel 10a,
eerste lid, niet of niet tijdig op de aanvraag beslist, kan het
ingevolge artikel 8 bevoegde bestuursorgaan een beslissing op de
aanvraag nemen. In dat laatste geval treedt zijn besluit in de plaats
van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan.
Indien het ingevolge artikel 8 bevoegde bestuursorgaan voornemens is
zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, pleegt het overleg met
het bestuursorgaan, dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te
beslissen.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op ambtshalve te
nemen besluiten.
3.Indien ingevolge het eerste of tweede lid de beslissing op een
aanvraag of het ambtshalve te nemen besluit wordt genomen door het
ingevolge artikel 8 bevoegde bestuursorgaan, stort het bestuursorgaan
dat in eerste aanleg bevoegd was, de ter zake ontvangen leges in de
kas van dat bestuursorgaan.
Artikel 10e
De in artikel 10a, eerste lid, bedoelde besluiten worden, voor zover
ten aanzien daarvan artikel 10c is toegepast, gelijktijdig door het
ingevolge artikel 8 bevoegde bestuursorgaan bekendgemaakt.
Artikel 11
1.De raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en
wethouders verleent uiterlijk binnen een jaar na het onherroepelijk
worden van de beschikking van Onze Minister of van gedeputeerde staten
op de aanvrage om een vergunning ter zake van de in die beschikking
bedoelde ontgronding planologische medewerking, voor zover het
overeenkomstig artikel 10, tweede lid, ten aanzien van die ontgronding
de bereidheid tot het verlenen van zodanige medewerking heeft
aangegeven.
2.Provinciale staten of gedeputeerde staten verlenen uiterlijk
binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de beschikking van
Onze Minister op de aanvrage om een vergunning ter zake van de in die
beschikking bedoelde ontgronding planologische medewerking, voor zover
gedeputeerde staten overeenkomstig artikel 10, derde lid, ten aanzien
van die ontgronding de bereidheid tot het verlenen van zodanige
medewerking hebben aangegeven.
Artikel 12
1.Indien naar het oordeel van het ingevolge artikel 8, bevoegde
gezag met de uitvoering van een ontgronding niet kan worden gewacht,
kan dat gezag machtiging verlenen om, zolang op de aanvrage niet
onherroepelijk is beslist, de uitvoering aan te vangen. Deze
machtiging wordt niet verleend, zolang de in artikel 3:16, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn niet is verstreken.
2.Deze machtiging wordt verleend onder de voorwaarde, dat zekerheid
wordt gesteld voor de betaling van de kosten om de betrokken
onroerende zaak in een zodanige toestand te brengen als bij deze
machtiging wordt bepaald, indien de vergunning wordt geweigerd of van
een verleende vergunning geen gebruik wordt gemaakt.
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 16
Een beschikking op grond van Hoofdstuk II van deze wet tot verlening,
wijziging of intrekking van een vergunning treedt in werking met ingang
van de dag na de dag waarop de termijn afloopt voor het indienen van een
bezwaarschrift dan wel, indien ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onder
d, van de Algemene wet bestuursrecht geen bezwaar kan worden gemaakt,
van een beroepschrift. Indien gedurende de termijn bij de voorzitter van
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om
voorlopige voorziening is gedaan, treedt de beschikking niet in werking
voordat op dat verzoek is beslist.
Hoofdstuk III. Beroep
Artikel 17
Tegen een beschikking op grond van Hoofdstuk II van deze wet of een
ander in artikel 10a, eerste lid, bedoeld besluit kan een belanghebbende
beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State.
Artikel 18 [Vervallen per 01-02-2008]
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 20
Indien het beroep is ingesteld door een ander dan de aanvrager of
houder van de vergunning, wordt aan deze door de secretaris van de Raad
van State terstond schriftelijk medegedeeld, dat het beroep is
ingesteld.
Artikel 21 [Vervallen per 01-02-2008]
Artikel 21a [Vervallen per 01-02-2008]
Artikel 21b [Vervallen per 01-02-2008]
Artikel 21c [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 21d
Niet vatbaar voor afzonderlijk beroep is een mededeling inzake het
verlenen van planologische medewerking als bedoeld in artikel 10, tweede
en derde lid.
Artikel 21e [Vervallen per 01-01-2009]
Hoofdstuk IIIA. Heffing
Artikel 21f
1.Provinciale staten zijn bevoegd bij wijze van provinciale
belasting een heffing in te stellen ter bestrijding van:
a. kosten met betrekking tot schadevergoedingen ingevolge
artikel 26;
b. kosten met betrekking tot het onderzoek naar het verband
tussen een ontgronding en schade aan onroerende zaken en de
bepaling van de omvang van de schade.
2.De heffing is verschuldigd ter zake van het verlenen van een
vergunning of machtiging als bedoeld in de artikelen 3 en 12.
3.Aan de heffing worden onderworpen de houders van vergunningen en
machtigingen als bedoeld in de artikelen 3 en 12.
4.Als grondslag voor de heffing geldt de ingevolge de vergunning of
machtiging te winnen hoeveelheid vaste stoffen, gemeten in profiel van
ontgraving.
5.Vrijgesteld van de heffing zijn:
a. hoeveelheden van minder dan 10 000 kubieke meter ingevolge
de vergunning of machtiging te winnen vaste stoffen, gemeten in
profiel van ontgraving;
b. hoeveelheden ten aanzien waarvan de heffing eerder is
geheven.
6.Het vijfde lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing voor
zover is geheven ten behoeve van een in het eerste lid bedoelde
bestemming en nadien wordt geheven voor een andere in dat lid bedoelde
bestemming.
7.Ten behoeve van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde
bestemmingen worden afzonderlijke tarieven vastgesteld.
8.Indien een vergunning of machtiging wordt vernietigd of
ingetrokken dan wel wordt gewijzigd in die zin dat de toegestane te
winnen hoeveelheid vaste stoffen wordt verminderd, vindt op verzoek
van de heffingplichtige teruggaaf van de heffing plaats voor zover de
vergunning of machtiging is vernietigd of ingetrokken dan wel de
hoeveelheid vaste stoffen voor de winning waarvan vergunning of
machtiging is verleend, is verminderd.
9.Teruggaaf blijft achterwege indien het bedrag dat moet worden
teruggegeven minder bedraagt dan € 250.
10.De heffing wordt geheven bij wege van aanslag.
11.Indien het eerste lid, onder b, wordt toegepast, worden bij
provinciale verordening regels gesteld omtrent de procedure met
betrekking tot de behandeling van de aanvraag om vergoeding van kosten
als bedoeld in het eerste lid, onder b, en de advisering omtrent de
aanvraag.
Hoofdstuk IV. Gedoogplichten en handhaving
Artikel 21g
1.Indien Onze Minister in verband met de toepassing van deze wet
onderzoek ter plaatse nodig oordeelt, is hij bevoegd de rechthebbenden
ten aanzien van gronden of wateren waar dat onderzoek wordt ingesteld
de verplichting op te leggen het verrichten van dat onderzoek, alsmede
het aanbrengen, het aanwezig zijn, het onderhoud, het gebruik en het
verwijderen van de voor dat onderzoek nodige middelen te gedogen,
onverminderd het recht van deze rechthebbenden op schadevergoeding.
Gelijke bevoegdheid als bedoeld in de vorige volzin komt toe aan
gedeputeerde staten.
2.Een beschikking tot oplegging van een gedoogplicht wordt
tenminste twee weken voor de aanvang van het onderzoek bekendgemaakt
aan de rechthebbenden.
Artikel 21h
1.Indien de aanvrager of de houder van een vergunning of degene die
voornemens is een aanvrage in te dienen ter verkrijging van de
gegevens die ingevolge het bepaalde krachtens artikel 5, eerste
onderscheidenlijk tweede lid, moeten worden verschaft in een aanvrage
om een vergunning of wijziging van een vergunning, onderzoek moet
verrichten in gronden of wateren ten aanzien waarvan hij niet de
rechthebbende is, kan hij Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde
staten verzoeken daartoe een gedoogplicht overeenkomstig artikel 21g
op te leggen.
2.Hij legt hiertoe over een opgave van de ligging van de gronden of
wateren, van de namen en woonplaatsen van de rechthebbenden daarvan,
alsmede van de aard der onderzoekingen.
3.Bij de beschikking tot het opleggen van de gedoogplicht worden
zodanige voorschriften gesteld jegens degene op wiens verzoek de
gedoogplicht wordt opgelegd, dat de vergoeding van schade aan de
rechthebbende op voldoende wijze is verzekerd.
Artikel 22
Met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens deze wet
bepaalde zijn de artikelen 5.10, 5.13 tot en met 5.16 en 5.18 tot en met
5.25 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.
Artikel 23 [Vervallen per 01-04-1994]
Artikel 24 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk V. Schadevergoeding
Artikel 26
1.Voorzover blijkt dat de aanvrager, de houder van de vergunning of
degene die overeenkomstig afdeling 3.4 of afdeling 4.1.2 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze naar voren heeft gebracht,
ten gevolge van een beschikking ter zake van een ontgronding als
bedoeld in artikel 8 schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze
niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de
vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, wordt
hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, en wel
door Onze Minister ten laste van ’s Rijks kas, indien het betreft
een ontgronding als bedoeld in artikel 8, eerste lid, en door
gedeputeerde staten ten laste van de provinciale kas, indien het
betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, tweede lid.
2.De vergoeding kan worden toegekend, hetzij bij de beschikking
inzake de vergunning, hetzij bij afzonderlijke beschikking.
Artikel 27
Indien door Onze Minister of door gedeputeerde staten ten behoeve van
belangen, behartigd of mede behartigd door andere openbare lichamen dan
het Rijk onderscheidenlijk de provincie, een beschikking wordt gegeven
naar aanleiding waarvan een vergoeding wordt toegekend als bedoeld in
artikel 26, kan bij die beschikking aan die andere lichamen, hun bestuur
gehoord, worden opgelegd de kosten, die het gevolg zijn van het
behartigen van die belangen, geheel of gedeeltelijk te vergoeden.
Artikel 28
Indien bij een beschikking als bedoeld in artikel 8 geen vergoeding
is toegekend, kan zij worden aangevraagd.
Artikel 29
Tegen een door Onze Minister of gedeputeerde staten gegeven
beschikking op grond van artikel 26, eerste lid, dan wel artikel 27,
alsmede tegen een beschikking van gedeputeerde staten op grond van het
eerste lid kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 29a
1.De artikelen 26 tot en met 29 zijn van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van schade die een rechthebbende als bedoeld in artikel
21g lijdt of zal lijden tengevolge van het opleggen van een
gedoogplicht als bedoeld in dat artikel in andere gevallen dan bedoeld
in het tweede lid.
2.De schade tengevolge van het in artikel 21h bedoelde onderzoek
wordt vergoed door degene op wiens verzoek de gedoogplicht is
opgelegd.
Hoofdstuk VI [Vervallen per 01-02-2008]
Artikel 30 [Vervallen per 01-02-2008]
Artikel 31 [Vervallen per 01-02-2008]
Artikel 31a [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 31b [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 31c [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 32 [Vervallen per 01-02-2008]
Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Artikel 33
De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft
ten aanzien van het onderwerp, waarin deze wet voorziet, gehandhaafd,
voor zover die verordeningen niet met deze wet in strijd zijn.
Artikel 34
1. Deze wet laat de bevoegdheden tot het vaststellen van wettelijke
regelingen in het belang van de waterkering, ook voorzover daarbij het
ontgronden wordt verboden of beperkt, onverlet.
2. Bestaande bepalingen van deze strekking blijven van kracht.
Artikel 35
Deze wet kan worden aangehaald als: Ontgrondingenwet.
Artikel 36
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 27 oktober 1965
JULIANA
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.G. Suurhoff
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
P. Bogaers
De Minister van Economische Zaken,
J.M. den Uyl
De Minister van Landbouw en Visserij,
B.W. Biesheuvel
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
De Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,
M. Vrolijk
Uitgegeven de negende december 1965
De Minister van Justitie,
Samkalden
|
|
|