In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Dienst: de Dienst voor het kadaster en de openbare registers,
bedoeld in artikel 2;
b. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
c. bestuur: het bestuur, bedoeld in artikel 3;
d. raad van toezicht: de raad van toezicht, bedoeld in artikel 3.
Artikel 2
1. Er is een Dienst voor het kadaster en de openbare registers.
Hij bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Apeldoorn.
2. De Dienst is belast met de hem bij of krachtens de Kadasterwet
of andere wetten opgedragen taken.
3. De Dienst kan andere werkzaamheden verrichten dan die,
voortvloeiend uit de in het tweede lid bedoelde taken, indien die
werkzaamheden bijdragen aan de doelmatigheid van de uitoefening van de
in het tweede lid bedoelde taken of een betere benutting van de ten
behoeve van die uitoefening bij de Dienst aanwezige bedrijfsmiddelen.
4. Het bestuur kan in het kader van internationale samenwerking
of op verzoek van een of meer van Onze ministers of een ander
bestuursorgaan de bij de Dienst in het kader van de uitoefening van zijn
taken als bedoeld in het tweede lid aanwezige specifieke deskundigheid
in beperkte mate en voor een beperkte tijdsduur ter beschikking stellen
aan een internationale organisatie of instelling, een regering of
instelling van een andere staat of aan een bestuursorgaan. Het bestuur
kan aan die terbeschikkingstelling voorwaarden verbinden.
Hoofdstuk 2. Het bestuur en het toezicht op het bestuur
§ 1. Algemeen
Artikel 3
De Dienst heeft een bestuur en een raad van toezicht.
§ 2. Het bestuur
Artikel 4
1. Onze Minister benoemt de leden van het bestuur.
2. De raad van toezicht doet Onze Minister voor iedere te
vervullen plaats in het bestuur een voordracht van ten minste twee
personen. Onze Minister wijkt niet van de voordracht af dan na overleg
met de raad van toezicht.
3. In geval van ontstentenis of belet van een lid van het
bestuur, kan de raad van toezicht voorzien in de waarneming van diens
functie.
Artikel 5
De bezoldiging van de leden van het bestuur wordt vastgesteld door de
raad van toezicht en behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 6
1. Iedere bestuurder kan te allen tijde worden geschorst door
de raad van toezicht of door Onze Minister. Een schorsing door de raad
van toezicht kan te allen tijde door Onze Minister worden opgeheven.
2. Iedere bestuurder kan te allen tijde worden ontslagen door
Onze Minister, de raad van toezicht gehoord.
Artikel 7
1. Behoudens beperkingen, voortvloeiend uit het bij of
krachtens deze wet bepaalde, is het bestuur belast met het besturen
van de Dienst.
2. Het bestuur is voorts belast met het vaststellen van de regels
en het nemen van de beslissingen waartoe het krachtens de Kadasterwet of
enige andere wet verplicht of bevoegd is.
Artikel 8
1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid, vertegenwoordigt
het bestuur de Dienst in en buiten rechte. De bevoegdheid tot
vertegenwoordiging komt mede toe aan ieder der bestuurders.
2. In alle gevallen waarin de Dienst een tegenstrijdig belang
heeft met een of meer bestuurders, wordt de Dienst vertegenwoordigd door
de raad van toezicht of door een door die raad daartoe aangewezen lid
van die raad.
Artikel 9
Elke bestuurder is tegenover de Dienst gehouden tot een behoorlijke
vervulling van de hem opgedragen taak. Indien het een aangelegenheid
betreft die tot de werkkring van twee of meer bestuurders behoort, is
ieder van hen voor het geheel aansprakelijk ter zake van een
tekortkoming, tenzij deze niet aan hem is te wijten en hij niet nalatig
is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te
wenden.
§ 3. De raad van toezicht
Artikel 10
1. De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten
hoogste vijf leden.
2. Een persoon, in dienst van de Dienst, kan niet tevens lid zijn
van de raad van toezicht.
Artikel 11
1. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en
de overige leden van de raad van toezicht.
2. De raad van toezicht doet Onze Minister voor iedere te
vervullen plaats in de raad een voordracht van één persoon. De
voordracht is met redenen omkleed. Onze Minister wijkt niet van de
voordracht af, dan na overleg met de raad.
3. Het medezeggenschapsorgaan, bedoeld in artikel 18, derde lid,
en het bestuur kunnen aan de raad van toezicht personen voor plaatsing
op de voordracht aanbevelen. De raad van toezicht deelt hun daartoe
tijdig mee wanneer en ten gevolge waarvan in zijn midden een plaats moet
worden vervuld.
4. De raad van toezicht geeft aan het medezeggenschapsorgaan
kennis van een voorgenomen voordracht. Binnen acht weken na verzending
van deze kennisgeving kan het medezeggenschapsorgaan bedenkingen uiten
tegen benoeming van de voor te dragen persoon op grond van de
verwachting dat die persoon ongeschikt zal zijn voor de vervulling van
de taak van lid van de raad van toezicht, of dat de raad bij benoeming
van die persoon niet naar behoren zal zijn samengesteld.
5. Indien het medezeggenschapsorgaan binnen de in het vierde lid
genoemde termijn geen bedenkingen uit, draagt de raad van toezicht de
betrokken persoon voor. De raad draagt een persoon, tegen de benoeming
waarvan het medezeggenschapsorgaan bedenkingen heeft geuit, niet voor
dan nadat hij daarover overleg heeft gevoerd met het
medezeggenschapsorgaan. Bij een zodanige voordracht stelt de raad Onze
Minister op de hoogte van de bedenkingen en doet hij Onze Minister
verslag van het overleg met het medezeggenschapsorgaan.
6. De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een
periode van ten hoogste vier jaar. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd.
7. Zolang niet is voorzien in een vacature in de raad van
toezicht, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht. Indien
alle leden ontbreken, benoemt Onze Minister onverwijld een of meer
personen die tijdelijk de taken van de raad van toezicht vervullen.
Artikel 12
1. De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van het
bestuur en op de algemene gang van zaken in de organisatie van de
Dienst. Hij staat het bestuur met raad ter zijde.
2. Bij de vervulling van zijn taak richt de raad zich naar het
belang van de Dienst, daaronder begrepen het belang van de behoorlijke
vervulling van de bij of krachtens de wet aan de Dienst opgedragen
taken.
3. Ten aanzien van de taakvervulling door de raad van toezicht is
artikel 9 van overeenkomstige toepassing.
4. Het bestuur verstrekt de raad van toezicht tijdig de voor de
uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens. Het ziet erop toe dat
aan de leden van de raad desgevraagd toegang wordt verleend tot de
lokaliteiten van de Dienst en inzage wordt verleend van boeken en
bescheiden van de Dienst.
Artikel 13
1. Aan goedkeuring dan wel instemming van de raad van toezicht
zijn onderworpen beslissingen van het bestuur met betrekking tot:
a. de reglementen, bedoeld in de artikelen 16, 17, 18, tweede lid,
en 20, tweede lid;
b. de begroting, bedoeld in artikel 21;
c. investeringen die een door de raad van toezicht vast te stellen
bedrag te boven gaan;
d. het aangaan of garanderen van geldleningen die een door de raad
van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan;
e. het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, derde
lid;
f. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een
andere rechtspersoon, indien deze samenwerking of verbreking van
ingrijpende betekenis is voor de Dienst;
g. het oprichten of mede-oprichten van een privaatrechtelijke
rechtspersoon of het deelnemen in een vennootschap;
h. belangrijke reorganisaties;
i. periodieke rapportages aan Onze Minister, als bedoeld in artikel
31, tweede lid.
2. De raad van toezicht verleent geen goedkeuring aan
beslissingen als bedoeld in het eerste lid, onder e en g,
dan nadat Onze Minister heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te
hebben.
3. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
instemming van de raad van toezicht.
Artikel 14
1. De raad van toezicht kan geen beslissingen nemen indien niet
ten minste de helft van het aantal leden ter vergadering aanwezig is.
2. De raad van toezicht regelt bij reglement zijn werkwijze,
waaronder in ieder geval de openbaarheid van zijn vergaderingen.
Artikel 15
1. Onze Minister kan aan de leden van de raad van toezicht een
bezoldiging toekennen ten laste van de Dienst.
2. De leden van de raad hebben aanspraak op vergoeding door de
Dienst van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis-
en verblijfkosten.
3. De raad van toezicht heeft een eigen secretariaat.
Hoofdstuk 3. Overleg met gebruikers
Artikel 16
1. Er is een gebruikersraad.
2. De gebruikersraad bestaat uit een kamer voor de diensten die
verband houden met in elk geval de taken, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, onderdelen a, b, d, e, i, j, k en l, van de Kadasterwet, en een
kamer voor de diensten die verband houden met in elk geval de taken,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen c, f, h, j, k en l, van de
Kadasterwet.
3. Bij het reglement, bedoeld in het zesde lid, kan het bestuur
de werkzaamheden van een kamer uitbreiden tot diensten die verband
houden met een taak die aan de Dienst is opgedragen krachtens artikel 3,
tweede lid, van de Kadasterwet of bij of krachtens een andere wet.
4. Tot de personen die zitting hebben in de gebruikersraad
behoren in elk geval een vertegenwoordiger van:
a. notarissen;
b. tussenpersonen in onroerende zaken;
c. iedere minister die gebruik maakt van geografische gegevens;
d. provincies;
e. gemeenten;
f. waterschappen;
g. grondroerders als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Wet
informatie-uitwisseling ondergrondse netten en
h. beheerders als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet
informatie-uitwisseling ondergrondse netten.
5. De gebruikersraad heeft een secretariaat.
6. Het bestuur regelt nader bij reglement:
a. de samenstelling van de gebruikersraad;
b. de wijze waarop de organisaties van gebruikers van door de
Dienst geleverde diensten gerechtigd zijn een vertegenwoordiger en een
plaatsvervangend vertegenwoordiger in een of beide kamers van de
gebruikersraad aan te wijzen en
c. de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder een kamer van de
gebruikersraad voor een of meer taken een commissie kan instellen.
Artikel 16a
1. Het bestuur voert overleg met elke kamer van de
gebruikersraad over de kwaliteit en de doelmatigheid van de
dienstverlening door de Dienst, over de tarieven die daarvoor in
rekening worden gebracht, over het meerjarenbeleidsplan en over andere
zaken van gemeenschappelijk belang.
2. Het bestuur kan in afwijking van het eerste lid met beide
kamers van de gebruikersraad gezamenlijk overleg voeren over de
onderwerpen, bedoeld in het eerste lid.
3. De kamers van de gebruikersraad kunnen het bestuur op diens
verzoek of uit eigen beweging in kennis stellen van de binnen de
betrokken kamer levende standpunten over de onderwerpen, bedoeld in het
eerste lid.
4. Indien een kamer van de gebruikersraad voor een of meer taken
een commissie heeft ingesteld, kan die commissie overeenkomstig het
derde lid het bestuur in kennis stellen van de binnen die commissie
levende standpunten over die taak of taken.
Hoofdstuk 4. Organisatie en personeel
§ 1. De organisatie
Artikel 17
Het bestuur stelt bij reglement de hoofdlijnen vast van de inrichting
van de organisatie van de Dienst, met inachtneming van het bepaalde
krachtens artikel 4 van de Kadasterwet.
§ 2. Het personeel
Artikel 18
1. Het personeel van de Dienst, de leden van het bestuur
daaronder begrepen, is ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet,
behoudens degenen met wie een arbeidsovereenkomst is gesloten naar
burgerlijk recht.
2. Voor zover deze onderwerpen niet reeds bij of krachtens de wet
zijn geregeld, stelt het bestuur voor de ambtenaren, door of vanwege de
Dienst aangesteld, bij reglement voorschriften vast betreffende:
a. aanstelling, schorsing en ontslag;
b. het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;
c. bezoldiging en wachtgeld;
d. diensttijden;
e. verlof en vakantie;
f. voorzieningen in verband met ziekte;
g. bescherming bij de arbeid;
h. woon- verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;
i. medezeggenschap;
j. overige rechten en verplichtingen;
k. disciplinaire straffen;
l. de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende
vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gevoerd over
aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het
personeel;
m. de behandeling van geschillen inzake de onderwerpen, genoemd in
de onderdelen i en l.
3. De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, onder i,
voorzien in elk geval in de instelling van een medezeggenschapsorgaan
dat de bevoegdheden uitoefent, daaraan in artikel 11 toegekend.
4. Artikel 126, eerste tot en met derde lid, van de Ambtenarenwet
is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat voor
Gedeputeerde Staten wordt gelezen: de raad van toezicht.
Hoofdstuk 5. Financieel beheer en verslaglegging
§ 1. Financieel beheer
Artikel 19
De baten van de Dienst bestaan uit:
a. de opbrengsten uit het kadastraal recht, bedoeld in artikel
108 van de Kadasterwet;
b. de opbrengsten uit vergoedingen voor andere bij of krachtens
de wet aan de Dienst opgedragen taken;
c. de opbrengsten uit andere werkzaamheden, uit deelnemingen en
uit samenwerkingen met derden;
d. andere baten, hoe ook genoemd.
Artikel 20
1. Het bestuur houdt zodanige aantekeningen omtrent de
vermogenstoestand van de Dienst, dat daaruit te allen tijde zijn
rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.
2. Het bestuur stelt bij reglement de werkwijze vast voor het
financiële beheer en de administratieve organisatie van de Dienst.
3. Het boekjaar van de Dienst is het kalenderjaar.
Artikel 21
Het bestuur stelt tijdig voor afloop van een boekjaar een financiële
begroting vast voor het volgende boekjaar. De begroting is in
overeenstemming met het meerjarenbeleidsplan, bedoeld in artikel 22.
Artikel 22
1. Tegelijk met de opstelling van de begroting stelt het
bestuur een meerjarenbeleidsplan op. Het meerjarenbeleidsplan wordt
vastgesteld door de raad van toezicht.
2. Het meerjarenbeleidsplan geeft voor de eerstvolgende vijf
boekjaren in elk geval:
a. een overzicht van de door de Dienst te verrichten werkzaamheden
ter uitvoering van de aan de Dienst bij of krachtens de wet opgedragen
taken en een raming van de daarmee gemoeide kosten en opbrengsten;
b. een overzicht van de voorgenomen andere werkzaamheden van de
Dienst, als bedoeld in artikel 2, derde lid, en een raming van de
daarmee gemoeide kosten en opbrengsten.
Artikel 23
1. De raad van toezicht zendt de begroting waarmee hij heeft
ingestemd en het door hem vastgestelde meerjarenbeleidsplan voor 1
oktober van het daaraan voorafgaande boekjaar toe aan Onze Minister.
2. Bij de toezending van de in het eerste lid genoemde stukken
kan de raad van toezicht aan Onze Minister een beredeneerd voorstel doen
tot wijziging van het kadastraal recht, bedoeld in artikel 108 van de
Kadasterwet. Daarbij voegt de raad een verslag van het overleg dat ter
zake is gevoerd met de gebruikersraad, bedoeld in artikel 16.
Artikel 24
1. Het meerjarenbeleidsplan behoeft de instemming van Onze
Minister. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat Onze Minister aan de instemming voorwaarden kan verbinden.
2. Indien Onze Minister het voornemen heeft aan het
meerjarenbeleidsplan geheel of gedeeltelijk instemming te onthouden, dan
wel voorwaarden aan de instemming te verbinden, wordt de raad van
toezicht daarvan in kennis gesteld en gedurende ten hoogste vier weken
in de gelegenheid gesteld wijzigingen in het meerjarenbeleidsplan aan te
brengen.
§ 2. De jaarrekening en het jaarverslag
Artikel 25
1. Jaarlijks stelt het bestuur een jaarrekening op. De
jaarrekening omvat een balans en een winst- en verliesrekening met een
toelichting. De artikelen 362 tot en met 390 en 405 tot en met 414 van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing,
met uitzondering van de daarin opgenomen bepalingen die betrekking
hebben op het in aandelen verdeeld zijn van het kapitaal van een
vennootschap.
2. Jaarlijks stelt het bestuur een jaarverslag vast. Het
jaarverslag wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel
391 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het bestuur van de Dienst
doet in het jaarverslag in beknopte vorm mededeling van de opzet en de
uitkomsten van de controle van de toereikendheid van de genomen en ten
uitvoer gelegde beveiligingsmaatregelen, bedoeld in artikel 3d, vierde
lid, van de Kadasterwet.
Artikel 26
1. Onze Minister verleent opdracht tot onderzoek van de
jaarrekening aan een openbaar accountant, die hetzij
registeraccountant is, hetzij Accountant-Administratieconsulent ten
aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste lid,
van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde
register een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, derde
lid, van die wet. De opdracht kan worden verleend aan een organisatie
waarin accountants die mogen worden aangewezen, samenwerken. De
opdracht kan te allen tijde worden ingetrokken.
2. Artikel 393, derde tot en met zevende lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek zijn op het in te stellen onderzoek van
overeenkomstige toepassing.
3. De kosten van het onderzoek komen ten laste van de Dienst.
Artikel 27
Het bestuur legt de jaarrekening en het jaarverslag over aan de raad
van toezicht, vergezeld van:
a. de verklaring van de accountant omtrent de getrouwheid van de
jaarrekening;
b. een opgave van de gebeurtenissen na de balansdatum met
belangrijke financiële gevolgen voor de Dienst, onder mededeling
van de omvang van die gevolgen.
Artikel 28
1. De jaarrekening wordt vastgesteld door de raad van toezicht.
Artikel 25, eerste lid, tweede en derde volzin, is van toepassing.
2. De jaarrekening behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
3. De raad van toezicht zendt de jaarrekening en het jaarverslag
binnen vier maanden na afloop van het boekjaar toe aan Onze Minister,
vergezeld van de verklaring van de accountant en van de opgave, bedoeld
in artikel 27, onderdeel b .
4. De jaarrekening is ondertekend door de leden van het bestuur
en door de leden van de raad van toezicht. Indien van een of meer van
deze leden de ondertekening ontbreekt, wordt daarvan onder opgave van
reden melding gemaakt aan Onze Minister.
5. Onze Minister kan de termijn, genoemd in het derde lid, in
bijzondere omstandigheden verlengen, doch ten hoogste met zes maanden.
Artikel 29
1. Binnen acht dagen nadat de raad van toezicht in kennis is
gesteld van de goedkeuring van de jaarrekening maakt het bestuur de
jaarrekening, het jaarverslag en de stukken, bedoeld in artikel 27,
openbaar. De openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging van de
genoemde stukken ten kantore van het bestuur. Van de terinzagelegging
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
2. Het bestuur ziet erop toe dat aan een ieder die daarom
verzoekt, inzage wordt verleend in de in het eerste lid genoemde
stukken, en een volledig of gedeeltelijk afschrift daarvan wordt
verstrekt tegen ten hoogste de kostprijs van het maken van een zodanig
afschrift.
Artikel 30
1. Indien door de jaarrekening, door tussentijdse cijfers die
de Dienst bekend heeft gemaakt of door het jaarverslag een misleidende
voorstelling wordt gegeven van de toestand van de Dienst, zijn de
bestuurders tegenover derden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade,
door dezen dientengevolge geleden. De bestuurder die bewijst dat dit
aan hem niet te wijten is, is niet aansprakelijk.
2. Indien door de jaarrekening een misleidende voorstelling wordt
gegeven van de toestand van de Dienst, zijn de leden van de raad van
toezicht naast de bestuurders tegenover derden hoofdelijk aansprakelijk
voor de schade, door dezen dientengevolge geleden. Het lid dat bewijst
dat zulks niet aan een tekortkoming zijnerzijds in het toezicht is te
wijten, is niet aansprakelijk.
Hoofdstuk 6. Inlichtingen, onderzoek en sturing
Artikel 31
1. Het bestuur en de raad van toezicht verstrekken Onze
Minister desgevraagd alle gegevens waarover hij naar zijn oordeel moet
beschikken met het oog op de uitoefening van zijn bevoegdheden
krachtens deze wet of krachtens andere wetten, voor zover bij of
krachtens die andere wetten taken zijn opgedragen aan de Dienst. Van
door het bestuur aan Onze Minister verstrekte gegevens wordt door het
bestuur mededeling gedaan aan de raad van toezicht.
2. Onze Minister kan bepalen dat het bestuur daarbij aangegeven
gegevens als bedoeld in het eerste lid, aan hem verstrekt in de vorm van
een periodieke rapportage.
3. Onze Minister kan de accountant, bedoeld in artikel 26, eerste
lid, opdracht verlenen daarbij aangegeven gegevens als bedoeld in het
eerste lid, te onderzoeken. De kosten van het onderzoek komen ten laste
van de Dienst. Het bestuur ziet erop toe dat aan de accountant de naar
diens oordeel voor het onderzoek nodige toegang tot de lokaliteiten van
de Dienst en inzage van boeken en bescheiden van de Dienst wordt
verleend.
Artikel 31a
1. Indien naar het oordeel van Onze Minister de Dienst een of
meer van zijn taken ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de
noodzakelijke voorzieningen treffen.
2. De in het eerste lid bedoelde voorzieningen worden,
spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de
Dienst in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te
stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.
3. Onze Minister stelt de beide Kamers der Staten-Generaal
onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in
het eerste lid.
Hoofdstuk 7. Evaluatie
Artikel 32
Onze Minister zendt telkens na vijf jaar aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren
van de Dienst.
Hoofdstuk 8. Wijziging van de Kadasterwet en van de Invoeringswet
Kadasterwet
Artikel 33
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 34
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk 9. Wijziging van andere wetten
Artikel 35
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 36
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 37
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 38
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 39
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 40
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 41
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 42
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 43
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 44
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 45
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 46
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 47
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 48
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 49
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen