WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in
verband met de verlaging van het uitkeringspercentage in de Ziektewet en
de invoering van premieheffing over ziekengeld en loonbetaling tijdens
ziekte een overgangsmaatregel te treffen met betrekking tot loonbetaling
tijdens ziekte en aanvulling op de wettelijke ziekengelduitkering;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. werknemer, werkgever: de werknemer en werkgever in de zin
van de Ziektewet (Stb. 1967, 473);
b. collectieve voorziening: een vóór 1 november 1984 tot
stand gekomen collectieve arbeidsovereenkomst, een vóór die datum
tot stand gekomen verordening krachtens artikel 16, derde lid, 86,
derde lid, of 93 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb.
1950, K 22), een regeling krachtens artikel 5 of 6 van de Wet op de
loonvorming (Stb. 1970, 69) terzake waarvan het verzoek tot
vaststelling vóór 1 november 1984 is gedaan, alsmede een besluit tot
algemeen verbindendverklaring van vóór 1 november 1984 tot stand
gekomen bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst.
2. Deze wet is niet van toepassing op de arbeidsverhouding:
a. ten aanzien waarvan de Tijdelijke Wet Arbeidsvoorwaarden
collectieve sector (Stb. 1982, 453) van toepassing is;
b. van personen in burgerlijke overheidsdienst voor wie de
vaststelling van de arbeidsvoorwaarden geschiedt bij wet of koninklijk
besluit, dan wel onder Onze goedkeuring, en overige personen in
burgerlijke overheidsdienst;
c. van personen in dienst van een onderwijsinstelling als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, c, d of e,
van de Wet privatisering ABP.
Artikel 2
1. Indien een werknemer uit een vóór 1 november 1984 geldend
gebruik dan wel een vóór die datum tot stand gekomen beding, dan wel
uit een collectieve voorziening jegens zijn werkgever aanspraak heeft
op betaling van loon, daaronder begrepen een aanvulling op de
uitkering krachtens de Ziektewet, over het eerste jaar waarin hij
wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn arbeid te verrichten:
a. wordt die aanspraak beperkt met 2,5% van het loon waarop de
werknemer aanspraak zou hebben kunnen maken indien de verhindering
niet zou hebben bestaan, waarbij echter het bedrag waarmede dat loon
het bedrag, genoemd in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (Stb. 1953, 577), overschrijdt buiten
beschouwing blijft;
b. vervalt die aanspraak voorzover daaruit voortvloeit dat de door
de werknemer op grond van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale
verzekeringen verschuldigde premies geheel of gedeeltelijk voor
rekening van de werkgever komen.
2. Het eerste lid geldt zo nodig in afwijking van artikel 629,
eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
3. De uit het eerste lid voortvloeiende beperking van aanspraken
vindt gedurende de eerste zes weken waarin de in dat lid bedoelde
verhindering bestaat geen toepassing voor zover deze beperking ertoe zou
leiden dat de som van de uitkering krachtens de Ziektewet en het loon
minder bedraagt dan het bedrag waarop de werknemer op grond van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) aanspraak
zou hebben, indien die verhindering niet zou hebben bestaan.
Artikel 3
Indien de aanspraken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voortvloeien
uit een collectieve voorziening, geldt dat lid ten aanzien van die
aanspraken, alsmede ten aanzien van de aanspraken van de andere
werknemers in dienst van de werkgever die tot toepassing van de
collectieve voorziening gehouden is, eerst met ingang van de dag na
afloop van die voorziening, doch, indien het betreft aanspraken op grond
van een voor onbepaalde tijd krachtens de Wet op de Bedrijfsorganisatie
vastgestelde verordening, uiterlijk met ingang van 1 juni 1985.
Artikel 4
Artikel 2, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van aanspraken jegens een bedrijfsvereniging, uit hoofde van een
vóór 1 november 1984 vastgesteld besluit krachtens artikel 29, derde
lid, of artikel 57 van de Ziektewet. Ten aanzien van werknemers wier
aanspraken op grond van artikel 3 eerst na de datum van inwerkingtreding
van deze wet worden beperkt, blijven de besluiten evenwel onverminderd
van kracht tot de uit artikel 3 voortvloeiende datum.
Artikel 5
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste kalendermaand na
de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 3 april 1985
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. de Koning
Uitgegeven de vijfentwintigste april 1985
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes