WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
overgangsregeling vast te stellen met betrekking tot de bevoegdheid der
notarissen, in verband met de overgang van de gemeente Urk naar het
arrondissement Zwolle bij de Wet van 29 Maart 1950 (Staatsblad
N°. K 113);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
De notarissen in het arrondissement Alkmaar, aangesteld vóór 1
April 1950, zijn bevoegd hun ambtsbediening uit te oefenen binnen de
gemeente Urk.
Artikel 2
Voor het verlijden van akten van boedelscheiding en de daarmede
samenhangende akten, waarbij de tegenwoordigheid en goedkeuring van de
kantonrechter wordt vereist, is een notaris, als bedoeld in artikel 1,
mede bevoegd zijn ambtsbediening uit te oefenen in de gemeente Zwolle,
indien de erfenis in de gemeente Urk is opengevallen.
Artikel 3
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na die van haar
plaatsing in het Staatsblad.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 16 Juni 1950
JULIANA
De Minister van Justitie a.i.,
J.H. van Maarseveen
Uitgegeven de drie en twintigste Juni 1950
De Minister van Justitie a.i.,
J.H. van Maarseveen