WIJ WILLEM, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van
Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Allen den genen, die deze zullen zien, of hooren lezen, salut! doen
te weten:
Alzoo Wij hebben in overweging genomen, dat, ten einde verkeerde
uitleggingen en twistgedingen te voorkomen, welke door den overgang der
vroegere tot de nieuwe wetgeving zouden kunnen geboren worden, het
doelmatig is, om, bij eene transitoire wet, verordeningen vasttestellen,
geschikt om den twijfel te doen ophouden, welke ten aanzien van deze en
gene punten van wetgeving zoude kunnen ontstaan;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal;
Hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan te
bepalen, hetgeen volgt:
De veranderingen, welke ten gevolge der nieuwe wetboeken in de
burgerlijke wetgeving zijn te weeg gebragt, hebben geen invloed op de
regten, welke onder vroegere wetgevingen waren verkregen.
Artikel 2
De geldigheid der handelingen, wat haren vorm betreft, wordt
beoordeeld naar de wetten welke van kracht waren op het tijdstip waarop
die handelingen hebben plaats gehad.
Artikel 3
De regten uit overeenkomsten voortvloeijende, worden geregeld door de
wetten welke in werking waren toen die overeenkomsten zijn gesloten.
Artikel 4
De regten uit uiterste wilsbeschikkingen voortvloeijende, welke
vóór de invoering van het nieuwe burgerlijk wetboek zijn gemaakt,
worden naar dat wetboek geregeld, indien na deszelfs in werking brenging
de erflater is overleden.
Tweede hoofdstuk. Van meerderjarigheid, emancipatie en geregtelijke
adsistentie vóór de invoering van het nieuwe wetboek verkregen
Artikel 5
Alle personen, die vóór den dag der invoering van het nieuwe
burgerlijk wetboek hunne meerderjarigheid hebben verkregen, blijven
meerderjarig, en zullen tot alle handelingen hoegenaamd, dezelfde
bekwaamheid hebben, als of zij den vollen ouderdom van 23 jaren hadden
bereikt.
Artikel 6
Jonge dochters welke bij de invoering der Nederlandsche wetgeving den
ouderdom van vijftien jaren hebben bereikt blijven ook na die invoering
de bevoegdheid behouden om een huwelijk aan te gaan.
Artikel 7
Minderjarigen, die vóór den dag der invoering van het nieuwe
burgerlijk wetboek den ouderdom van 16 jaren hebben bereikt, blijven de
bevoegdheid behouden hun bij artikel 904 van het Wetboek Napoleon
gegeven.
Artikel 8
Minderjarigen voor de invoering van het nieuwe burgerlijk wetboek
gehuwd, worden op den dag van die invoering meerderjarig.
Artikel 9
De regten van minderjarigen die ingevolge de bepalingen van artikel
477 en volgende van het Wetboek Napoleon geëmancipeerd zijn, worden
geregeld naar dat wetboek.
Artikel 10
[1.] Meerderjarigen aan welke, ingevolge de bepalingen van den
elfde titel van het eerste boek van het Wetboek Napoleon een
geregtelijke raadsman is toegevoegd, blijven ook na de invoering der
nieuwe wetgeving dien raadsman op denzelfde voet behouden.
[2.] Het wordt echter aan den regter overgelaten om daartoe
gronden vindende op daartoe gedane vordering, de geregtelijke
adsistentie door het stellen onder curatele te vervangen. De vordering
daartoe moet gedaan worden met in achtneming der voorschriften daartoe
bij het nieuwe wetboek gegeven.
Artikel 11
Ten aanzien van personen, uit kracht van het besluit van den 12.
Februarij 1815 (Staatsblad no. 25), geconfineerd, doch welke niet
onder voogdij zijn gesteld of aan welke geen geregtelijke raadsman is
toegevoegd, zal na de invoering der Nederlandsche wetgeving nog
éénmaal prolongatie van confinement mogen verleend worden, indien
daartoe gronden zijn, zonder dat er vooraf in hunne curatele zal
behoeven te worden voorzien, mits de vordering daartoe gedaan worde,
binnen zes maanden na die invoering.
Derde hoofdstuk. Van de adoptie en officieuse voogdij
Artikel 12
Allen, die op den dag der invoering van het nieuw burgerlijk wetboek
en naar aanleiding van art. 353 van het wetboek Napoléon, ten overstaan
van den vrederegter eene akte van adoptie hebben verleden, kunnen,
gedurende den tijd van een jaar na die invoering voortgaan met de akten,
volgens het wetboek Napoléon, tot de adoptie vereischt; en zal alzoo,
indien daartoe termen zijn, de adoptie plaats hebben.
Artikel 13
Indien vóór de invoering van het nieuw burgerlijk wetboek, en naar
aanleiding van art. 361 en 363 van het wetboek Napoléon, iemand op eene
wettige wijze officieuse voogd is geworden, zullen al de bepalingen,
vervat bij het tweede hoofdstuk van den 8sten titel van hetzelve wetboek
toepasselijk zijn, zoo wel op den pupil als op den officieusen voogd.
Vierde hoofdstuk. Van de hypotheken en derzelver zuivering, en van de
privilegien
Artikel 14
De wettelijke hypotheken ten behoeve van getrouwde vrouwen,
minderjarige, en andere onder voogdij gestelde personen, onafhankelijk
van alle inschrijving onder de Fransche wetgeving ontstaan, het zij
dezelve op de oude registers zijn ingeschreven of niet, zullen binnen
twee jaren na de invoering der Nederlandsche wetgeving op de nieuwe
registers worden ingeschreven.
Artikel 15
[1.] Deze inschrijving zal niet mogen zijn algemeen op de
goederen binnen den kring van het kantoor van den hypotheek-bewaarder
gelegen, maar zij zal de bijzondere aanduiding moeten bevatten van den
aard en van de ligging der goederen, waarop de hypotheek is gevestigd.
[2.] Geene andere goederen dan die, welke bij de inschrijving
bepaaldelijk zijn aangewezen, zullen door de hypotheek worden getroffen.
Artikel 16
De borderellen zullen zijn ingerigt overeenkomstig het bepaalde bij
artikel 2153 van het Wetboek Napoleon, doch met inachtneming tevens van
de voorschriften van artikel 1231, no. 4, van het Burgerlijk Wetboek
[lees: nieuw Burgerlijk Wetboek]; zij houden tevens in: de naam, de
voornaam, en de qualiteit van den persoon, door wien de inschrijving
wordt gevraagd.
Artikel 17
Het bepaalde bij artikel 1232 van het nieuw Burgerlijk Wetboek is op
de inschrijving dezer hypotheken van toepassing.
Artikel 18
[1.] Zij wordt genomen door de mans of door de voogden, wier
goederen met deze hypotheken zijn bezwaard.
[2.] De toeziende voogden zullen zorgen dat dezelve plaats hebbe,
of des noods, zelve inschrijving nemen, op straffe van vergoeding van
kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.
Artikel 19
Zij kan insgelijks worden genomen door de bloedverwanten van de vrouw
of van de minderjarigen of andere onder voogdij gestelden en door de
vrouw zelve, ook zonder dat deze daartoe door haren man is gemagtigd en
ook door den minderjarigen zelf.
Artikel 20
Indien binnen den tijd, bij artikel 14 bepaald, geene inschrijving
ten behoeve der minderjarigen of onder voogdij gestelden is genomen, zal
zulks alsnog, met inachtneming der bepalingen van artikel 15, 16 en 17
gedurende zes maanden van ambtswege kunnen geschieden door den officier
bij de arrondissements-regtbank of door den kanton-regter zoo van de
woonplaats van den voogd, als van de ligging der goederen.
Artikel 21
Ten gevolge der inschrijving op de bovengemelde wijze gedaan binnen
den termijn bij artikel 14 en 20 bepaald, blijft op de goederen, waarop
dezelve is genomen, het regt van wettelijke hypotheken benevens de rang
bij de Fransche Wetgeving toegekend, verzekerd.
Artikel 22
De hierboven vermelde wettelijke hypotheken, welke niet binnen dien
bepaalden tijd zijn ingeschreven, zullen van geene kracht zijn, dan te
rekenen van den dag waarop die inschrijving later zal hebben plaats
gehad.
Artikel 23
De bepalingen van artikel 391 en 397 van het nieuwe burgerlijk
wetboek zijn op de hierboven vermelde hypotheken ten behoeven van
minderjarigen en andere onder voogdij gestelde personen van toepassing.
Artikel 24
Zoolang de inschrijving der hypotheken niet is geschied, is de voogd
insgelijks bevoegd om overeenkomstig de voorschriften van artikel 390
van het nieuw burgerlijk wetboek zekerheid te stellen voor zijn beheer.
Indien de voogd van die bevoegdheid gebruik maakt, zullen de artikelen
393, 394 en 395 van het nieuw burgerlijk wetboek van toepassing zijn.
Artikel 25
[1.] Het regt van wettelijk hypotheek der getrouwde vrouwen en
der minderjarigen of andere onder voogdij gestelde personen blijft
onafhankelijk van inschrijving, overeenkomstig de fransche wetgeving,
stand houden, en wel dat der getrouwde vrouwen tot na den afloop van
den termijn bij artikel 14, en dat der minderjarige of andere onder
voogdij gestelde personen tot na den afloop van dien bij art. 20
voorgeschreven.
[2.] Deze bepaling is ook van toepassing op de goederen, die na
de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek doch vóór den afloop
der hiervoren bepaalde termijnen zijn verkregen.
Artikel 26
De bepalingen van artikel 2193, 2194 en 2195 van het Wetboek
Napoleon, waarbij de wijze van zuivering dezer hypotheken is geregeld,
blijven toepasselijk op de vervreemdingen welke, van de zijde der mans
of voogden tot dien tijd toe zullen hebben plaats gehad.
Artikel 27
De voor de invoering der Nederlandsche wetgeving op de thans
bestaande registers gedane inschrijvingen der wettelijke hypotheken aan
den staat, de gemeenten en openbare stichtingen toegekend, mitsgaders
die der geregtelijke hypotheken zullen ten gevolge dier inschrijving op
de bestaande registers van kracht blijven, gedurende twee jaren, te
rekenen van den dag dier invoering.
Artikel 28
Iedere belanghebbende zal binnen voorgeschreven termijn, de
inschrijving op de nieuwe registers kunnen vorderen, van de in het
vorige artikel vermelde hypotheken, welke voor de invoering der
Nederlandsche wetgeving op de bestaande registers zullen zijn
ingeschreven.
Artikel 29
[1.] De bepalingen van artikel 15 zijn toepasselijk op de
inschrijving der hypotheken in artikel 27 vermeld.
[2.] De borderellen voor de inschrijving der wettelijke
hypotheken in artikel 27 bedoeld, moeten zijn ingerigt overeenkomstig de
bepalingen van artikel 16.
[3.] Die voor de inschrijving der geregtelijke hypotheken, moeten
zijn ingerigt overeenkomstig de voorschriften van art. 1231 van het
nieuwe Burgerlijk Wetboek.
Artikel 30
Ten gevolge der inschrijving op de bovengemelde wijze binnen den
termijn bij artikel 27 vermeld, gedaan, blijft op de goederen waarop
dezelve is genomen het regt van wettelijke of geregtelijke hypotheek
benevens de rang bij de Fransche wetgeving toegekend, verzekerd.
Artikel 31
Wanneer de nieuwe inschrijving eerst na den termijn in art. 27
vermeld, gedaan wordt, heeft de hypotheek slechts kracht en rang van den
dag waarop die nieuwe inschrijving zal zijn geschied.
Artikel 32
Het bepaalde bij art. 1232 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek is op de
nieuwe inschrijving van toepassing.
Artikel 33
De wettelijke hypotheken in artikel 27 vermeld, waarvan het regt
reeds vroeger was geboren, doch welke voor de invoering der
Nederlandsche wetgeving nog niet zijn ingeschreven, zullen op de nieuwe
registers, doch na [lees: naar] de voorschriften van het Wetboek
Napoleon worden ingeschreven, met inachtneming echter van het
vastgestelde bij artikel 15 en 16.
Artikel 34
De privilegien en geregtelijke hypotheken, waarvan het regt reeds
vroeger was geboren, doch die voor de invoering der Nederlandsche
wetgeving nog niet waren ingeschreven, mitsgaders de conventionele
hypotheken reeds vroeger verleend, doch waarvan de inschrijving voor die
invoering nog niet was gedaan, zullen op de nieuwe registers, naar de
voorschriften dier wetgeving moeten worden ingeschreven.
Artikel 35
De inschrijvingen der hypotheken, welke volgens de Fransche wet voor
inkorting vatbaar waren, kunnen, zoo daartoe gronden zijn, worden
ingekort overeenkomstig de bepalingen van artikel 2161 en volgende van
het Wetboek Napoleon.
Artikel 36
[1.] De inschrijvingen der hypotheken, bij de tegenwoordige wet
bedoeld, met uitzondering van die, in artikel 33 en 34 vermeld, zullen
geschieden zonder betaling van andere regten dan het loon van den
hypotheek-bewaarder.
[2.] De borderellen kunnen geschreven worden op ongezegeld
papier.
Artikel 37
De bewaarders van het kadaster zijn verpligt om de voor de
belanghebbenden, tot de uitvoering dezer wet, noodige inzage hunner
registers en andere stukken, aan hen kosteloos te verleenen, en hun
tevens die inlichtingen te geven, welke zij zullen behoeven.
Vijfde hoofdstuk. Van de regten der echtelieden, vóór de invoering
van het nieuwe wetboek getrouwd
Artikel 38
De regten van echtelieden, vóór de invoering van het nieuw
burgerlijk wetboek getrouwd, worden ten opzigten van hunne goederen
geregeld volgens de wetten, welke op het oogenblik van het huwelijk in
werking waren, of volgens hunne niet bij die wetten verboden
huwelijksche voorwaarden, om het even op welk tijdstip het huwelijk is
ontbonden.
Zesde hoofdstuk. Van echtscheiding, scheiding van tafel en bed en
ontbinding des huwelijks
Artikel 39
[1.] Echtgenooten voor de invoering van het nieuwe Burgerlijk
Wetboek gehuwd, kunnen na die invoering niet meer bij onderlinge
toestemming hun huwelijk doen ontbinden.
[2.] Indien niettemin de echtgenooten uit krachte van het
vastgestelde bij artikel 281 van het Wetboek Napoleon, reeds voor den
regter mogten zijn verschenen, kan die echtscheiding worden vervolgd, en
uitgesproken, overeenkomstig de voorschriften van dat Wetboek en met
dezelfde gevolgen.
Artikel 40
Daden, welke volgens het Wetboek Napoleon eene bepaalde oorzaak tot
echtscheiding, of tot scheiding van tafel en bed opleveren, doch bij het
nieuwe burgerlijk wetboek niet als zoodanig zijn aangemerkt zullen
ofschoon zij vóór de invoering der Nederlandsche wetgeving mogten zijn
gepleegd echter na dat tijdstip geenen grond tot echtscheiding of tot
scheiding van tafel en bed kunnen opleveren, ten ware te dier zake reeds
onder de Fransche Wetgeving of zes maanden na de invoering der
Nederlandsche, een regtsgeding ware aangevangen, of zelfs nog maar een
verzoekschrift te dien einde aan den president der regtbank van eersten
aanleg ware ingediend.
Artikel 41
Daden, welke bij het nieuwe burgerlijk wetboek eene bepaalde oorzaak
tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed opleveren, doch als
zoodanig, in de Fransche Wetgeving onbekend waren, zullen geene
echtscheiding of scheiding van tafel en bed ten gevolge kunnen hebben,
indien zij vóór de invoering der Nederlandsche wetgeving hebben plaats
gehad.
Artikel 42
Niettemin kan de echtscheiding wegens kwaadwillige verlating welke
onder de Fransche Wetgeving is aangevangen door de verlatene echtgenoot
worden gevorderd na verloop van vijf jaren, na de invoering der
Nederlandsche wetgeving.
Artikel 43
Indien onder de werking van het Wetboek Napoleon of ook onder die van
de Nederlandsche wetgeving, doch ten gevolge van een reeds voor hare
invoering aangevangen rechtsgeding eene scheiding van tafel en bed is
uitgesproken, zal aan den verweerder ook onder de Nederlandsche
wetgeving de bevoegdheid blijven toekomen in artikel 310 van het Wetboek
Napoleon gegeven.
Artikel 44
De bepalingen der artikelen 549, 550 en 551 van het nieuw burgerlijk
wetboek, betreffende de ontbinding des huwelijks ten gevolge van
afwezigheid, zijn toepasselijk ook op het geval dat de aldaar bedoelde
afwezigheid reeds geheel of ten deele onder de werking van vroegere
wetgevingen mogt hebben plaats gehad.
Zevende hoofdstuk. Van den lijfsdwang
Artikel 45
In al de gevallen, waarin de lijfsdwang bij de nieuwe wetgeving niet
is bijgehouden, zal dezelve, na de invoering van het nieuwe wetboek van
burgerlijke regtspleging niet kunnen worden ten uitvoer gelegd, dan
alleen, wanneer de lijfsdwang vóór die invoering door den regter
uitgesproken of wettelijk door partijen bedongen mogt zijn.
Artikel 46
Ten aanzien van het ontslag uit de gijzeling zijn van toepassing de
wetten, welke van kracht waren, op het tijdstip, waarop de lijfsdwang is
uitgesproken.
Achtste hoofdstuk. Van het bewijs
Artikel 47
De bewijsmiddelen zullen worden aangenomen of niet toegelaten, naar
mate der bepalingen, welke van kracht waren op het tijdstip dat de
regten en verpligtingen zouden zijn ontstaan.
Negende hoofdstuk. Van mutuële en olographische testamenten en van
erfstellingen over de hand
Artikel 48
Testamenten eene vaste dagteekening hebbende en door twee of meerdere
personen in dezelfde akte, wettiglijk gemaakt vóór de invoering der
wetten, waarbij die vorm van uiterste wilsbeschikkingen is verboden, en
onder de Nederlandsche wetgeving met den dood bekrachtigd blijven, ten
aanzien van dien vorm, van kracht.
Artikel 49
[1.] Allen, die overeenkomstig de voorschriften van het wetboek
Napoléon, olographische testamenten hebben gemaakt vóór de
invoering van het burgerlijk wetboek, en verlangen mogten, dat dezelve
van kracht blijven, zullen verpligt zijn dezelve, met uitzondering van
die, vermeld bij artikel 982 van het Burgerlijk Wetboek, binnen het
jaar na die invoering, naar aanleiding van de bepalingen van het
nieuwe Burgerlijk Wetboek, aan een notaris in bewaring te geven;
zullende bij gebreke van dien, zoodanige testamenten alleen van kracht
zijn, indien de erflater overleden is binnen het jaar na die
invoering.
[2.] Olographische testamenten, welke onder het Wetboek Napoleon
gemaakt, doch niet op de voorschreven wijze onder bewaring gesteld zijn,
zullen nogthans daardoor niet krachteloos worden, wanneer de personen,
door welke die testamenten zijn gemaakt, bij de invoering der nieuwe
wetgeving, of binnen het jaar na die invoering, door krankzinnigheid of
andere overmagt, tot de vereischte bewaargeving buiten staat geraakt
zijn.
[3.] Van deze bepalingen zijn uitgezonderd de beschikkingen
vermeld bij artikel 982 van het nieuwe burgerlijk wetboek.
Artikel 50
De bepaling van art. 1 van het decreet van den 24sten Januari 1812,
betrekkelijk de erfstellingen over de hand, zal van kracht blijven in
dat gedeelte van het Koningrijk waar hetzelve is executoir verklaard.
Tiende hoofdstuk. Van de tenietdoening ter zake van benadeeling
Artikel 51
De regtsvordering tot tenietdoening, ter zake eener benadeeling in
een verkoop, welke vóór de invoering van de Nederlandsche wetgeving
mogt hebben plaats gehad, zal worden beoordeeld overeenkomstig de
wetsbepalingen, welke van kracht waren op het tijdstip waarop de koop
gesloten is.
Elfde hoofdstuk. Van de toepassing der straffen
Gegeven te Brussel, den 16den Mei des jaars 1829, en van Onze
regering het zestiende.