Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 3 april 1969, houdende vervanging
van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek door Boek 1 van het
nieuwe Burgerlijk Wetboek en, in verband daarmede, wijziging van dit
boek en de overige boeken van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van
Strafvordering en andere wetten, alsmede van overgangsbepalingen (Invoeringswet Boek 1 nieuw
BW)
WIJ JULIANA, Bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het
eerste boek van het Burgerlijk Wetboek te vervangen door Boek 1 van het
nieuwe Burgerlijk Wetboek en, in verband daarmede, dit boek alsmede het
tweede, derde en vierde boek en de slotbepaling van het Burgerlijk
Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van
Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten te wijzigen,
en overgangsbepalingen vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Inleidende bepaling
De in deze wet zonder nadere aanduiding aangehaalde bepalingen zijn
bepalingen van de nieuwe boeken van het Burgerlijk Wetboek.
Titel 1. Overgangsbepalingen in verband met Boek 1
Artikel 1
1.Artikel 4 lid 4 van Boek 1 is ook van toepassing op aanhangige of
nog in te dienen verzoeken tot wijziging van voornamen, verkregen
vóór het tijdstip van in werking treden van Boek 1, met dien
verstande dat de bevoegdheid van de rechter wordt beoordeeld naar de
wet, geldende op het tijdstip van indiening van het verzoek.
2.Artikel 4 lid 2 van Boek 1 is ook van toepassing, indien
wijziging wordt verzocht van voornamen, verkregen vóór het tijdstip
van in werking treden van Boek 1.
Artikel 2
Artikel 6 van Boek 1 is ook van toepassing op akten van geboorte die
vóór het tijdstip van in werking treden van Boek 1 zijn opgemaakt.
Artikel 3
1.Artikel 7 leden 1-4 van Boek 1 is ook van toepassing op
aanhangige of nog in te dienen verzoeken tot wijziging of vaststelling
van namen van personen, geboren vóór het tijdstip van in werking
treden van Boek 1.
2.Artikel 7 leden 3 en 4 van Boek 1 is bovendien van toepassing
ingeval de wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam heeft
plaatsgevonden vóór het tijdstip van in werking treden van Boek 1.
3.Artikel 7 lid 5 van Boek 1 en de daarin bedoelde algemene
maatregel van bestuur zijn niet van toepassing op verzoeken, ingediend
vóór het tijdstip van in werking treden van Boek 1.
Artikel 4
Artikel 9 van Boek 1 is ook van toepassing, indien het huwelijk is
ontbonden vóór het tijdstip van in werking treden van Boek 1.
Artikel 5
1.De artikelen 10-12 en 14 van Boek 1 zijn van het tijdstip van in
werking treden van Boek 1 af ook van toepassing, indien de feiten die
volgens deze regelen de verkrijging of het verlies van een woonplaats
bepalen, zijn voorgevallen vóór dat tijdstip.
2.Op een vóór dat tijdstip gekozen woonplaats blijft het tot dat
tijdstip geldende artikel 81 van het Burgerlijk Wetboek van
toepassing.
Artikel 6
1.De artikelen 16-20 en 22-25 van Boek 1 zijn uitsluitend van
toepassing op akten van de burgerlijke stand, op te maken na het
tijdstip van in werking treden van Boek 1.
2.Artikel 21 van Boek 1 is uitsluitend van toepassing op brieven
van wettiging, besluiten houdende wijziging of vaststelling van namen,
buiten de burgerlijke stand opgemaakte authentieke akten van erkenning
van een onwettig kind en rechterlijke uitspraken, die gedagtekend zijn
na het tijdstip van in werking treden van Boek 1.
3.Artikel 23 van Boek 1 is echter mede van toepassing op het
opmaken van kantmeldingen, te plaatsen op akten van de burgerlijke
stand die vóór het tijdstip van in werking treden van Boek 1 zijn
opgemaakt.
4.Kantmeldingen ter zake van akten, opgemaakt vóór het tijdstip
van in werking treden van Boek 1, die vóór dat tijdstip
voorgeschreven of gebruikelijk waren, zullen op akten van de
burgerlijke stand worden geplaatst, ongeacht of deze laatste voor of
na dat tijdstip zijn opgemaakt.
5.De artikelen 26-28 van Boek 1 zijn ook van toepassing op akten
van de burgerlijke stand die vóór het tijdstip van in werking treden
van Boek 1 zijn opgemaakt.
6.Artikel 29 van Boek 1 is niet van toepassing op verzoeken en
vorderingen, ingediend of gedaan vóór het tijdstip van in werking
treden van Boek 1.
Artikel 7
De artikelen 50-57 van Boek 1 zijn ook van toepassing op voorgenomen
huwelijken, waarvan de afkondiging is geschied vóór het tijdstip van
in werking treden van Boek 1.
Artikel 8
1.Na het tijdstip van in werking treden van Boek 1 kan de
nietigverklaring van een vóór dat tijdstip aangegaan huwelijk niet
langer worden gevorderd op een grond die de wet niet meer kent, of
door personen die de wet tot het instellen van zulk een vordering niet
langer bevoegd acht.
2.De nietigverklaring van een vóór het tijdstip van in werking
treden van Boek 1 aangegaan huwelijk kan wegens het niet bereikt
hebben van de vereiste ouderdom slechts worden gevorderd door de
echtgenoot die de vereiste leeftijd miste, en door het openbaar
ministerie.
3.Het in de vorige leden bepaalde is ook van toepassing, indien de
rechtsvordering is ingesteld vóór het in het eerste lid genoemde
tijdstip en de nietigverklaring niet vóór dat tijdstip is
uitgesproken.
4.Indien het vonnis waarbij een huwelijk wordt nietig verklaard, na
het in het eerste lid genoemde tijdstip in kracht van gewijsde gaat,
is artikel 77 van Boek 1 van toepassing, ook al was de rechtsvordering
ingesteld vóór dat tijdstip.
Artikel 9
De artikelen 84, 86, 88, 89 en 90 van Boek 1 zijn alleen van
toepassing op feiten, voorgevallen na het tijdstip van in werking treden
van Boek 1.
Artikel 10
1.Ten aanzien van een gemeenschap van goederen, ontstaan vóór het
tijdstip van in werking treden van Boek 1, zijn de artikelen 94-98,
100, 102 lid 2, 103 leden 4-6, 104, 106, 108, 109 en 112 van Boek 1
alleen van toepassing op feiten, voorgevallen na dat tijdstip.
2.Het tot het tijdstip van in werking treden van Boek 1 geldende
artikel 179, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek blijft van
toepassing ten aanzien van goederen die vóór dat tijdstip zijn
verkregen.
Artikel 11
1.Met betrekking tot inschrijvingen in het
huwelijksgoederenregister, vóór het tijdstip van in werking treden
van Boek 1 gedaan, als bedoeld in de tot dat tijdstip geldende
artikelen 163, 165, 180, 185, 186, 300 en 304 van het Burgerlijk
Wetboek, blijven die artikelen van toepassing.
2.Met betrekking tot inschrijvingen in het
huwelijksgoederenregister als bedoeld in de artikelen 86, 90, 104,
105, 110, 112, 189 en 196 van Boek 1, die pas na het tijdstip van in
werking treden van Boek 1 geschieden, zijn die artikelen van
toepassing, ook wanneer de rechterlijke uitspraak vóór dat tijdstip
is gedaan, de akte van afstand een vóór dat tijdstip ontbonden
gemeenschap van goederen betreft, de eis tot opheffing van de
gemeenschap van goederen vóór dat tijdstip is ingesteld, of de
verzoening vóór dat tijdstip heeft plaatsgehad.
3.Ingeval een vóór het tijdstip van in werking treden van Boek 1
aangevangen wettelijke termijn voor de inschrijving van een akte van
afstand van een gemeenschap van goederen op dat tijdstip nog lopende
is, is artikel 106 van Boek 1 mede van toepassing.
Artikel 12
1.Met betrekking tot inschrijvingen in het
huwelijksgoederenregister, vóór het tijdstip van in werking treden
van Boek 1 gedaan, van bepalingen in huwelijkse voorwaarden blijft het
tot dat tijdstip geldende artikel 207 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek
van toepassing. Wordt evenwel na dat tijdstip een wijziging van die
bepalingen ingeschreven, dan is na deze inschrijving artikel 116 van
Boek 1 op alle bepalingen in de huwelijkse voorwaarden van de
betrokken echtgenoten van toepassing.
2.Artikel 116 van Boek 1 is van toepassing op vóór het tijdstip
van in werking treden van Boek 1 gemaakte bepalingen in huwelijkse
voorwaarden, die niet vóór dat tijdstip overeenkomstig het tot dat
tijdstip geldende artikel 207 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek in het
huwelijksgoederenregister zijn ingeschreven.
3.Artikel 120 lid 2 van Boek 1 is ook van toepassing op bepalingen
in vóór het tijdstip van in werking treden van Boek 1 tijdens het
huwelijk gemaakte of gewijzigde huwelijkse voorwaarden, die niet
vóór dat tijdstip overeenkomstig het tot dat tijdstip geldende
artikel 207 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek in het
huwelijksgoederenregister zijn ingeschreven.
4.De artikelen 118 en 120 lid 1 van Boek 1 zijn van toepassing op
het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden, plaatsvindend na het
tijdstip van in werking treden van Boek 1, ook indien het huwelijk
vóór dat tijdstip was voltrokken.
Artikel 13
1.Artikel 130 van Boek 1 is ook van toepassing ten aanzien van
huwelijkse voorwaarden die vóór het tijdstip van in werking treden
van Boek 1 zijn tot stand gekomen.
2.Op gemeenschappen van winst en verlies en van vruchten en
inkomsten, overeengekomen vóór het tijdstip van in werking treden
van Boek 1, blijven ook na dat tijdstip de tevoren geldende artikelen
210-222 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, voor zover van die
voorschriften niet bij huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk of door de
aard der bedingen is afgeweken.
3.Op deelgenootschappen, bestaande op het tijdstip van in werking
treden van Boek 1, zijn van dat tijdstip af de voorschriften van
afdeling 2 van titel 8 van Boek 1 van toepassing, voor zover niet bij
huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk of door de aard der bedingen een
van die voorschriften afwijkende regeling is getroffen, met dien
verstande dat het bewijs van de in artikel 143 onder a van Boek 1
bedoelde waarde van een bij het aangaan van een deelgenootschap
aanwezig goed dat in de akte van huwelijkse voorwaarden of een daaraan
vastgehechte staat was vermeld zonder opgave van de waarde, door alle
middelen rechtens kan worden geleverd.
Artikel 14
Na het tijdstip van in werking treden van Boek 1 zijn de tevoren
geldende artikelen 236-240a, 899a en 949-949b van het Burgerlijk Wetboek
slechts van toepassing, indien hetzij de hertrouwde echtgenoot, hetzij
de nieuwe echtgenoot vóór dat tijdstip is overleden.
Artikel 15
1.Artikel 197 van Boek 1 is alleen van toepassing ten aanzien van
kinderen die zijn geboren na het tijdstip van in werking treden van
Boek 1.
2.Artikel 198 van Boek 1 is ook van toepassing ten aanzien van
kinderen die zijn geboren vóór het tijdstip van in werking treden
van Boek 1.
3.De artikelen 199-204 van Boek 1 zijn alleen van toepassing ten
aanzien van kinderen die zijn geboren na het tijdstip van in werking
treden van Boek 1.
Artikel 16
Een natuurlijk kind dat vóór het tijdstip van in werking treden van
Boek 1 door de echtgenoot van de moeder is erkend, hetzij staande het
huwelijk met de moeder hetzij na ontbinding van het huwelijk door de
dood van de moeder, wordt van rechtswege gewettigd; de wettiging werkt
van het tijdstip van in werking treden van Boek 1 af.
Artikel 17
1.Artikel 224 van Boek 1 is niet van toepassing op erkenningen,
vóór het tijdstip van in werking treden van Boek 1 gedaan.
2.De artikelen 225 en 226 van Boek 1 zijn mede van toepassing op
erkenningen, vóór het in het eerste lid genoemde tijdstip gedaan.
Artikel 18
1.Een kind dat, naar de vóór het tijdstip van in werking treden
van Boek 1 geldende voorschriften, met zijn moeder niet in burgerlijke
betrekkingen stond, staat van dat tijdstip af van rechtswege onder
voogdij van de moeder, mits deze daartoe op dat tijdstip bevoegd is en
tenzij voordien een ander tot voogd benoemd was.
2.De moeder van een kind, als in het eerste lid bedoeld, die op het
aldaar genoemde tijdstip onbevoegd was tot de voogdij over het kind,
verkrijgt deze voogdij van rechtswege, indien deze openstaat op het
tijdstip, waarop zij daartoe bevoegd wordt.
3.Indien op het in het eerste lid genoemde tijdstip de voogdij niet
openstaat, kan de tot de voogdij bevoegde moeder de kantonrechter
verzoeken haar tot voogdes te benoemen; op een zodanig verzoek is
artikel 287 leden 4 en 5 van Boek 1 van toepassing.
Artikel 19
Het in de artikelen 307 lid 1, 319, 322 lid 3, 324 lid 1, 327 lid 1
onder b aan het slot, 336 lid 3 van Boek 1 bepaalde is van het tijdstip
van in werking treden van Boek 1 af mede van toepassing op voogdijen of
toeziende voogdijen die vóór dat tijdstip zijn aangevangen.
Artikel 20
1.De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek omtrent de
handelingsonbekwaamheid van onder curatele gestelden, zoals deze
bepalingen op het tijdstip van in werking treden van Boek 1 komen te
luiden, zijn op de rechtshandelingen die onder curatele gestelden na
dat tijdstip verrichten van toepassing, ook al is hun curatelestelling
uitgesproken met toepassing van het vóór dat tijdstip geldende
recht.
2.Op rechtshandelingen, verricht vóór het in het vorige lid
genoemde tijdstip, is ook na dat tijdstip van toepassing het bepaalde
in de voordien geldende artikelen 501 en 502 van het Burgerlijk
Wetboek.
Artikel 21
1.Na het tijdstip van in werking treden van Boek 1 kan onder
curatelestelling slechts worden uitgesproken op grond van een der in
artikel 378 van Boek 1 genoemde omstandigheden, ook al is het verzoek
of de vordering vóór dat tijdstip gedaan.
2.Artikel 390 van Boek 1 is van toepassing wanneer de uitspraak na
het tijdstip van in werking treden van Boek 1 is gedaan, ook al was
zij reeds vóór dat tijdstip verzocht of gevorderd.
3.Ingeval vóór het tijdstip van in werking treden van Boek 1
krachtens het toen geldende artikel 495 van het Burgerlijk Wetboek een
provisionele bewindvoerder is benoemd, is het in artikel 380 leden 2
en 3 van Boek 1 bepaalde slechts van toepassing na wijziging van deze
uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 380 lid 4 van
Boek 1.
Artikel 22
1.Titel 17 van Boek 1 is, voor zover bij de wet niet anders is
bepaald, van het tijdstip van het in werking treden van Boek 1 af mede
van toepassing op verplichtingen tot en rechten op levensonderhoud,
die vóór dat tijdstip bij overeenkomst waren geregeld of waren
vastgesteld door een uitspraak van de rechter, die hetzij vóór dat
tijdstip, hetzij, bij gebreke van verzet, hoger beroep of beroep in
cassatie, na dat tijdstip in kracht van gewijsde is gegaan.
2.Op vorderingen tot het verstrekken van levensonderhoud, ten
aanzien waarvan op het tijdstip van in werking treden van Boek 1 nog
niet is beslist bij een uitspraak van de rechter, die in kracht van
gewijsde is gegaan, is titel 17 van Boek 1 van dat tijdstip af van
toepassing, met dien verstande dat over een tijdvak, gelegen vóór
het tijdstip, niet een hoger bedrag kan worden toegewezen dan naar het
gedurende dat tijdvak geldende recht geoorloofd was.
Artikel 23
1.Indien verplichtingen tot en rechten op levensonderhoud van
grootouders jegens kleinkinderen of van kleinkinderen jegens
grootouders vóór het tijdstip van in werking treden van Boek 1 bij
overeenkomst waren geregeld of door een uitspraak van de rechter, die
in kracht van gewijsde is gegaan, waren vastgesteld, blijven zij ook
na dat tijdstip in stand, met dien verstande dat op verzoeken tot
wijziging van deze rechten en verplichtingen van toepassing blijft het
recht, geldende ten tijde van hun regeling of vaststelling.
2.Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op
verplichtingen tot en rechten op levensonderhoud van schoonouders
jegens behuwdkinderen of van behuwdkinderen jegens schoonouders, die
niet in overeenstemming zijn met het in artikel 396 van Boek 1
bepaalde.
3.Uitspraken van de rechter, gedaan vóór het tijdstip van in
werking treden van Boek 1, die, bij gebreke van hoger beroep of beroep
in cassatie, na dat tijdstip in kracht van gewijsde gaan, blijven in
stand.
4.Onverminderd het in artikel 401 van Boek 1 bepaalde, kunnen de
tot levensonderhoud verplichten, in de vorige leden bedoeld, de
rechter verzoeken de verplichting tot het verstrekken van
levensonderhoud op te heffen met ingang van een door de rechter te
bepalen tijdstip. Dit tijdstip kan niet vroeger worden gesteld dan zes
maanden na dat van in werking treden van Boek 1.
Artikel 24
Het tevoren geldende artikel 344c van het Burgerlijk Wetboek en de
desbetreffende tevoren geldende bepalingen der artikelen 344d-344f en
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn ook na het tijdstip
van in werking treden van Boek 1 van toepassing, indien de bevalling
vóór dat tijdstip heeft plaatsgevonden.
Artikel 25
Ingeval vóór het tijdstip van in werking treden van Boek 1 een
bewindvoerder over de goederen van een afwezige is benoemd, blijft ook
na dat tijdstip op de rechtsgevolgen daarvan het ten tijde van de
benoeming geldende recht van toepassing.
Artikel 26
1.Ingeval vóór het tijdstip van in werking treden van Boek 1 een
verklaring van vermoedelijk overlijden is uitgesproken, blijft ook na
dat tijdstip op de rechtsgevolgen daarvan het voordien geldende recht
van toepassing.
2.Indien in een geding tot het verkrijgen van een verklaring van
vermoedelijk overlijden het inleidende verzoekschrift is ingediend
doch nog geen einduitspraak is gedaan vóór het tijdstip van in
werking treden van Boek 1, zijn de artikelen 413-425 van Boek 1,
alsmede de desbetreffende bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van toepassing, te beginnen met de eerste na dat
tijdstip volgende uitspraak.
Artikel 27
1.Gedingen, waarin de inleidende dagvaarding is betekend dan wel
het inleidende verzoekschrift of het eerste, door de president van de
rechtbank te behandelen, verzoekschrift is ingediend vóór het
tijdstip van in werking treden van Boek 1, worden geheel afgedaan met
toepassing van de voorschriften van procesrechtelijke aard, die vóór
dat tijdstip golden, zulks behoudens het in het vorige artikel
bepaalde.
2.Het in het vorige lid bepaalde geldt ook voor de afdoening van
een eis of verzoek, in het geding bij wege van reconventie gedaan.
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2002]
Titel 2. Overgangsbepalingen in verband met Boek 2
Artikel 29
1.Ten aanzien van rechtspersonen die op het tijdstip van in werking
treden van Boek 2 (Rechtspersonen) van het Burgerlijk Wetboek bestaan,
zijn, voor zover niet anders is bepaald, dit boek en de bij de
hoofdstukken 2-4 van de Invoeringswet Boek 2 nieuw B.W. vastgestelde
bepalingen van toepassing op feiten die na dat tijdstip voorvallen.
2.Onder bestaande rechtspersonen zijn lichamen die door het in
werking treden van Boek 2 rechtspersoonlijkheid verkrijgen, begrepen.
Artikel 30
Vanaf het tijdstip van in werking treden van Boek 2 zijn de
bepalingen van dit boek die de gevolgen regelen van gebreken in de
oprichtingshandeling van een rechtspersoon, mede van toepassing op een
lichaam dat ten tijde van het in werking treden van Boek 2 als
rechtspersoon optreedt.
Artikel 31
Artikel 5 leden 2 en 4 van Boek 2 is gedurende drie jaren na het
tijdstip van in werking treden van Boek 2 niet van toepassing ten
aanzien van een niet overeenkomstig de bepalingen van Boek 2
ingeschreven:
a. vereniging die op dat tijdstip bestaat en niet een
coöperatieve vereniging of onderlinge waarborgmaatschappij is;
b. rechtspersoon die vanaf dat tijdstip ingevolge artikel 48 of
49 een onderlinge waarborgmaatschappij is;
c. stichting die op dat tijdstip bestaat en is ingeschreven in
het openbaar centraal register bedoeld in artikel 7 lid 1 van de Wet
op stichtingen;
d. rechtspersoon die vanaf dat tijdstip ingevolge de artikelen
53-56 of 58 een stichting is.
Artikel 32
1.Ontbinding van een op het tijdstip van in werking treden van Boek
2 bestaande rechtspersoon op grond van artikel 19 van Boek 2 kan niet
worden gevorderd voordat drie jaren na dat tijdstip zijn verstreken.
2.Het vorige lid geldt niet voor stichtingen waarop de Wet op
stichtingen van toepassing was.
Artikel 33
Artikel 21 van Boek 2 is mede van toepassing indien de ontbinding van
de rechtspersoon is verzocht of gevorderd voor het tijdstip van in
werking treden van Boek 2.
Artikel 34
Het verzoek, bedoeld in artikel 22 van Boek 2, kan ook worden gedaan
indien de rechtspersoon is ontbonden vóór het tijdstip van in werking
treden van Boek 2.
Artikel 35
1.Artikel 23 lid 3 van Boek 2 is mede van toepassing, indien de
vereffening van een voor het tijdstip van in werking treden van Boek 2
ontbonden rechtspersoon geschiedt door niet bij een rechterlijke
uitspraak benoemde vereffenaars.
2.Artikel 23 laatste lid, van Boek 2 is mede van toepassing indien
de vereffening voor het tijdstip van in werking treden van Boek 2 is
voltooid.
Artikel 36
Artikel 25 van Boek 2 is mede van toepassing indien de duur is
verstreken voor het tijdstip van in werking treden van Boek 2.
Artikel 37
1.Een op het tijdstip van in werking treden van Boek 2 bestaande
vereniging die geen rechtspersoon was, bezit van dat tijdstip af
rechtspersoonlijkheid.
2.Goederen die op dat tijdstip aan de vereniging zouden toebehoren,
indien zij, toen het goed te haren behoeve werd verkregen, reeds
rechtspersoon was geweest, gaan bij het in werking treden van Boek 2
van rechtswege op haar over.
3.Rechtshandelingen die voor het tijdstip van in werking treden van
Boek 2 door of jegens de bestuurders van de vereniging in hun
hoedanigheid binnen de grenzen van hun bevoegdheid jegens,
onderscheidenlijk door derden zijn verricht, worden vanaf dat tijdstip
aangemerkt als rechtshandelingen van, onderscheidenlijk jegens de
vereniging, onverminderd de aansprakelijkheid voor de uit die
rechtshandelingen voortspruitende verbintenissen van hen die daarvoor
reeds aansprakelijk waren.
Artikel 38
Vanaf het tijdstip van in werking treden van Boek 2 staat een
vereniging die krachtens de wet van 22 april 1855, Stb. 32, tot regeling
en beperking der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering
is erkend of waarvan de statuten voor dat tijdstip zijn opgenomen in een
of meer notariële akten, gelijk met een vereniging die is opgericht bij
een notariële akte.
Artikel 39
1.Op een ten tijde van het in werking treden van Boek 2 reeds
rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging waarvoor het vorige
artikel niet geldt, is artikel 30 van Boek 2 eerst van toepassing
nadat drie jaren sedert het tijdstip van in werking treden van Boek 2
zijn verstreken.
2.Ook is gedurende die tijd artikel 43 lid 5 van Boek 2 op een
zodanige vereniging niet van toepassing, zolang de vereniging haar
statuten niet overeenkomstig artikel 28 van Boek 2 heeft doen opnemen
in een notariële akte.
Artikel 40
1.Voor een vereniging die is erkend krachtens de Wet van 22 april
1855, Stb. 32, tot regeling en beperking der uitoefening van het regt
van vereeniging en vergadering en die geen coöperatieve vereniging of
onderlinge waarborgmaatschappij is, gelden de volgende bepalingen.
2.Artikel 29 lid 4 van Boek 2 vindt geen toepassing ten aanzien van
rechtshandelingen, verricht voordat drie jaren sedert het in werking
treden van Boek 2 zijn verstreken.
3.Artikel 27 lid 6 van Boek 2 is op de vereniging van toepassing
nadat de statuten der vereniging na het tijdstip van in werking treden
van Boek 2 zijn gewijzigd, doch niet eerder dan drie jaren na dat
tijdstip.
Artikel 41
1.Voor een vereniging waarvan de statuten voor het tijdstip van in
werking treden van Boek 2 zijn opgenomen in een of meer notariële
akten en die volgens artikel 53 van Boek 2 geen coöperatieve
vereniging of onderlinge waarborgmaatschappij is en ook niet is erkend
krachtens de Wet van 22 april 1855, Stb. 32, tot regeling en beperking
der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering gelden de
volgende bepalingen.
2.Artikel 29 lid 4 van Boek 2 vindt geen toepassing ten aanzien van
rechtshandelingen, verricht voordat drie jaren sedert het in werking
treden van Boek 2 zijn verstreken.
3.Artikel 27 lid 6 van Boek 2 is eerst van toepassing nadat drie
jaren sedert het in werking treden van Boek 2 zijn verstreken.
Artikel 42
1.Ontbreekt een notariële akte van oprichting van een op het
tijdstip van in werking treden van Boek 2 bestaande vereniging die op
grond van artikel 53 van Boek 2 een coöperatieve vereniging of
onderlinge waarborgmaatschappij is, of voldoet die akte niet aan de
vereisten van artikel 27 lid 2, eerste zin, en de leden 3 en 4, en van
artikel 54 lid 2 van Boek 2, dan is de vereniging verplicht alsnog een
notariële akte te doen verlijden die aan deze vereisten voldoet.
2.Deze notariële akte moet worden bekendgemaakt op de wijze, door
titel 2 van Boek 2 voorgeschreven voor een akte van oprichting.
3.Iedere bestuurder is voor een rechtshandeling, waardoor hij een
in het eerste lid bedoelde vereniging verbindt, naast de vereniging
hoofdelijk aansprakelijk, indien de rechtshandeling wordt verricht
nadat drie jaren sedert het tijdstip van in werking treden van Boek 2
zijn verstreken en voordat aan het eerste en tweede lid is voldaan.
4.Indien aan het eerste lid niet is voldaan en drie jaren na het
tijdstip van in werking treden van Boek 2 zijn verstreken, kan de
vereniging op verzoek van het openbaar ministerie door een beschikking
van de rechtbank worden ontbonden.
Artikel 43
Op de coöperatieve vereniging die op het tijdstip van in werking
treden van Boek 2 de letters W.A. in haar naam voert is het voor dat
tijdstip geldende recht betreffende de aansprakelijkheid van de leden
voor het tekort van de vereniging van toepassing indien zij voor dat
tijdstip is ontbonden, of, indien zij wordt ontbonden door haar
insolventie ingevolge een voor dat tijdstip uitgesproken faillissement.
Artikel 44
1.Op de coöperatieve vereniging of onderlinge waarborgmaatschappij
die op het tijdstip van in werking treden van Boek 2 niet de letters
W.A. of U.A. in haar naam voert blijft, totdat zij haar naam
overeenkomstig artikel 42 lid 1 heeft gewijzigd, het voor dat tijdstip
geldende recht betreffende de aansprakelijkheid van de leden en de
oud-leden van toepassing.
2.Wordt de vereniging ontbonden of failliet verklaard nadat drie
jaren sedert het in werking treden van deze wet zijn verlopen en
voordat zij haar naam overeenkomstig artikel 42 lid 1 heeft gewijzigd,
dan is artikel 55 van Boek 2 van toepassing op de aansprakelijkheid
van de leden en de oud-leden tegenover de vereffenaars.
Artikel 45
Ten aanzien van op het tijdstip van in werking treden van Boek 2
bestaande verenigingen zijn, tenzij de statuten anders bepalen, de
artikelen 33, 34, 35, 36 lid 1, eerste zin en lid 3, 37, 38, 39, 43 lid
1, 44, 45 leden 1-3, 46, 47 leden 1, 2 en 5, 49 en 62 onder b van Boek 2
niet van toepassing op feiten die zijn voorgevallen voordat drie jaren
na dat tijdstip zijn verstreken.
Artikel 46
De artikelen 48 en 58 van Boek 2 zijn niet van toepassing op het
jaarverslag en de rekening en verantwoording over een boekjaar dat voor
het tijdstip van in werking treden van Boek 2 is verstreken.
Artikel 47
1.Artikel 59 lid 1 van Boek 2 is niet van toepassing op
overeenkomsten die zijn gesloten voor het tijdstip van in werking
treden van Boek 2.
2.Artikel 62 onder a van Boek 2 is niet van toepassing op
overeenkomsten van verzekering die zijn gesloten voor het tijdstip van
in werking treden van Boek 2.
Artikel 48 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 50
Zolang de statutaire naam van een naamloze vennootschap, opgericht
voor het in werking treden van de Wet van 2 juli 1928 (Stb. 216), niet
in overeenstemming is met artikel 66 lid 2 van Boek 2 worden de letters
N.V. aan de naam toegevoegd.
Artikel 51
De artikelen 85, 86 lid 5, 88, 89, 183 lid 3, 194, 196 lid 2, 197 en
198 van Boek 2 zijn vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van Boek 2
mede van toepassing op een vruchtgebruik van en een pandrecht op
aandelen, gevestigd voor dat tijdstip.
Artikel 52
1.Ten aanzien van een op het tijdstip van in werking treden van
Boek 2 bestaande naamloze vennootschap of besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid zijn, tenzij de statuten anders bepalen, de
artikelen 105 lid 4, 119, 120 leden 1 en 3, 216 lid 4, 229 en 230
leden 1 en 3 van Boek 2 niet van toepassing op feiten die zijn
voorgevallen voordat hetzij drie jaren na dat tijdstip zijn verstreken
hetzij de statuten zijn gewijzigd in verband met een omzetting als
bedoeld in de artikelen 72 of 180 van Boek 2.
2.Een opgaaf, voor het tijdstip van inwerkingtreding der wet gedaan
ter nakoming van artikel 52c, eerste lid, van het Wetboek van
Koophandel, geldt voor de toepassing van artikelen 154 en 264 van Boek
2 als een opgaaf gedaan krachtens artikel 153, lid 1,
onderscheidenlijk artikel 263, lid 1 van Boek 2.
3.Ten aanzien van een naamloze vennootschap of besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarop ingevolge artikel
XVIII van de Wet van 2 juli 1928 (Stb. 216) of artikel VI van de Wet
van 3 mei 1971 ( Stb. 286) voor het tijdstip van in werking treden van
Boek 2 artikel 48a, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel niet
van toepassing of van overeenkomstige toepassing was, is na dat
tijdstip artikel 133, lid 2, onderscheidenlijk 243 lid 2 van Boek 2
niet van toepassing noch van overeenkomstige toepassing.
Artikel 53
1.Een pensioen- of spaarfonds waarop de Pensioen- en
spaarfondsenwet van toepassing is en dat op het tijdstip van in
werking treden van Boek 2 reeds rechtspersoon was en niet een
vereniging, een onderlinge waarborgmaatschappij, een naamloze
vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid is, is van dat tijdstip af een stichting.
2.Indien de statuten en reglementen van een pensioen- en spaarfonds
op een daartoe aan Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
voor het tijdstip van in werking treden van Boek 2 gedaan verzoek na
dat tijdstip worden goedgekeurd, wordt het fonds, indien het ten tijde
van de goedkeuring niet reeds rechtspersoon was, daardoor een
stichting.
Artikel 54 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 55
1.Een instelling, waarvan het vermogen bestaat uit goederen, als
bedoeld zijn in artikel 1 van de Wet van 29 oktober 1892 (Stb. 240),
is vanaf het tijdstip van in werking treden van Boek 2 een stichting.
2.De rechtbank kan in afwijking van artikel 294, lid 2, van Boek 2
ook wijziging brengen in het doel of de doelomschrijving van een in
het vorige lid genoemde stichting, indien de statuten die wijziging
hebben uitgesloten.
Artikel 56
Het fonds waarop van toepassing is de Wet tot invoering van een
leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel
pensioenfonds (Wet van 16 september 1954, Stb. 407), is vanaf het
tijdstip van in werking treden van Boek 2 een stichting.
Artikel 57
1.Ontbreekt een notariële akte van oprichting van een in de
artikelen 53-56 genoemde stichting, dan wel van een kerkelijke
stichting of voldoet die akte niet aan de vereisten van artikel 286
lid 2, eerste en derde zin, en de leden 3 en 4 van Boek 2, dan is het
bestuur verplicht alsnog een notariële akte te doen verlijden die aan
deze vereisten voldoet. Een authentiek afschrift van deze akte moet
door het bestuur worden neergelegd ten kantore van het register
bedoeld in artikel 289 lid 1 van Boek 2.
2.Iedere bestuurder is voor een rechtshandeling, waardoor hij een
zodanige stichting verbindt, naast de stichting hoofdelijk
aansprakelijk, indien de rechtshandeling wordt verricht nadat drie
jaren sedert het tijdstip van in werking treden van Boek 2 zijn
verstreken en voordat aan het eerste lid is voldaan.
3.Indien aan de eerste zin van het eerste lid niet is voldaan en
drie jaren na het tijdstip van in werking treden van Boek 2 zijn
verstreken, kan de stichting op verzoek van het openbaar ministerie
door een beschikking van de rechtbank worden ontbonden.
Artikel 58
1.De instellingen bedoeld in de Koninklijke besluiten van 26
december 1818, Stb. 48, 2 december 1823, Stb. 49, en 12 februari 1829,
Stb. 3, zijn stichtingen vanaf het tijdstip van in werking treden van
Boek 2.
2.Het bestuur van een in het eerste lid genoemde stichting is
verplicht een notariële akte te laten verlijden waarin de statuten
zijn opgenomen.
3.De notaris verlijdt deze akte niet voordat Onze Minister van
Onderwijs en Wetenschappen heeft verklaard geen bezwaar te hebben
tegen de in de akte op te nemen statuten.
4.De akte moet voldoen aan de vereisten van artikel 286, lid 2,
eerste en derde zin, en de leden 3 en 4 van Boek 2. De tweede zin van
artikel 57, lid 1, en de leden 2 en 3 van dat artikel zijn van
overeenkomstige toepassing.
5.Totdat aan de verplichting van het tweede lid is voldaan blijven
op de stichting van toepassing de in het eerste lid genoemde
Koninklijke besluiten, met uitzondering, voor zover op bestuurders
betrekking hebbend, van artikel 1, tweede zin, artikel 15, tweede lid,
en artikel 26 van het Koninklijk besluit van 2 december 1823.
Artikel 59
Bij de inschrijving in het register bedoeld in artikel 289 lid 1 van
Boek 2 van een op het tijdstip van in werking treden van Boek 2
bestaande stichting die is ingeschreven in het openbaar centraal
register bedoeld in artikel 7 lid 1 van de Wet op stichtingen, leggen de
bestuurders een authentiek afschrift van de akte van oprichting dan wel
een gewaarmerkt exemplaar van de statuten ten kantore van het register
neer.
Artikel 60
Artikel 289 lid 4 van Boek 2 vindt op de bestuurders van een
stichting, als bedoeld in artikel 57, 58 of 59 geen toepassing ten
aanzien van rechtshandelingen, verricht voordat drie jaren sedert het in
werking treden van Boek 2 zijn verstreken.
Artikel 61
Op een stichting ten aanzien waarvan artikel 25 van de Wet op
stichtingen van toepassing was doch niet is nageleefd, is artikel 57 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat de hoofdelijke
aansprakelijkheid als bedoeld in het tweede lid ook bestaat voor
rechtshandelingen, verricht binnen drie jaren na het tijdstip van in
werking treden van Boek 2, en dat de ontbinding als bedoeld in het derde
lid ook binnen die termijn kan worden gevorderd.
Artikel 62
Een op het tijdstip van in werking treden van Boek 2 als
rechtspersoon optredend lichaam dat na 1 januari 1957 is opgericht en
waarop de Wet op stichtingen van toepassing was, doch waarvan de akte
van oprichting niet voldoet aan de vereisten van artikel 3 leden 2 en 3
van die wet, is vanaf dat tijdstip een stichting.
Artikel 63
Ten aanzien van op het tijdstip van in werking treden van Boek 2
bestaande stichtingen zijn, tenzij de statuten anders bepalen, de
artikelen 291 lid 2 en 292 leden 1-3 van Boek 2 niet van toepassing op
feiten die zijn voorgevallen voordat drie jaren na dat tijdstip zijn
verstreken.
Artikel 64
Ten aanzien van een coöperatieve vereniging en een onderlinge
waarborgmaatschappij, waarop de Wet op de jaarrekening van ondernemingen
niet van toepassing was, is titel 6 van Boek 2 niet van toepassing op de
jaarrekening die betrekking heeft op een boekjaar dat voor het tijdstip
van in werking treden van Boek 2 is verstreken.
Artikel 65
1.Ten aanzien van een op het tijdstip van in werking treden van
Boek 2 bestaande naamloze vennootschap, besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid, coöperatieve vereniging of onderlinge
waarborgmaatschappij, waarvan geen onderneming in het Handelsregister
is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel in welker rechtsgebied de
statutaire zetel gevestigd is, blijft gedurende drie jaren na dat
tijdstip de omstandigheid dat de rechtspersoon niet is ingeschreven,
buiten beschouwing bij de toepassing van artikel 5 leden 2 en 4 van
Boek 2 en de artikelen 31 en 34 van de Handelsregisterwet.
2.Wegens het ontbreken van de in artikel 57 van Boek 2 in verband
met artikel 29 lid 4 van Boek 2 of de in artikel 69 lid 2 of artikel
180 lid 2 van Boek 2 bedoelde inschrijving in het Handelsregister van
een in het eerste lid bedoelde rechtspersoon ontstaat geen
aansprakelijkheid van een bestuurder als in die bepalingen bedoeld,
indien de onderneming van die rechtspersoon op het tijdstip van in
werking treden van Boek 2 in het Handelsregister was ingeschreven.
3.Ten aanzien van een in het eerste lid bedoelde naamloze
vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
wordt in afwijking van de artikelen 77 en 188 van Boek 2 in de titels
3 en 4 van dat boek onder het kantoor van het Handelsregister verstaan
het kantoor waar de onderneming van de vennootschap volgens het
Handelsregister gevestigd is totdat hetzij de inschrijving van de
rechtspersoon is geschied hetzij drie jaren na het in werking treden
van Boek 2 zijn verstreken.
Artikel 66
1.Gedingen, waarin de inleidende dagvaarding is betekend dan wel
het inleidende verzoekschrift is ingediend voor het tijdstip van in
werking treden van Boek 2, worden geheel afgedaan met toepassing van
de voorschriften van procesrechtelijke aard, die voor dat tijdstip
golden.
2.Het in het vorige lid bepaalde geldt ook voor de afdoening van
een eis of verzoek, in het geding bij wege van reconventie gedaan.
Artikel 67 [Vervallen per 01-01-2002]
Titel 3. Algemene overgangsbepalingen in verband met de Boeken 3-10
Artikel 68
In de volgende artikelen worden onder "de wet" verstaan de
in werking getreden bepalingen van de Boeken 3-10.
Artikel 68a
1.Van het tijdstip van haar in werking treden af is de wet van
toepassing, indien op dat tijdstip is voldaan aan de door de wet voor
het intreden van een rechtsgevolg gestelde vereisten, tenzij uit de
volgende artikelen iets anders voortvloeit.
2.Voor zover en zolang op grond van de volgende artikelen de wet
niet van toepassing is, blijft het vóór haar in werking treden
geldende recht van toepassing.
Artikel 69
Wanneer de wet van toepassing wordt, heeft dat niet tot gevolg dat
alsdan:
a. iemand het vermogensrecht verliest dat hij onder het tevoren
geldende recht had verkregen;
b. een schuld op een ander overgaat;
c. het bedrag van een vordering wordt gewijzigd;
d. een vorderingsrecht ontstaat, indien alle feiten die de wet
daarvoor vereist, reeds voordien waren voltooid;
e. een goed met een beperkt recht wordt belast.
Artikel 71
Een beding dat naar een vóór het in werking treden van de wet
geldend wetsartikel verwijst of de zakelijke inhoud van zo’n artikel
weergeeft, wordt geacht een verwijzing naar of een weergave van de wet
in te houden, tenzij zulks niet in overeenstemming zou zijn met de
strekking van het beding.
Artikel 72
1.Indien de wet een verjarings- of vervaltermijn op korter dan een
jaar stelt, en die termijn overeenkomstig het in de wet bepaalde
vóór het tijdstip van haar in werking treden zou aanvangen, dan
wordt deze aanvang verschoven naar het tijdstip van het in werking
treden van de wet.
2.Strekt de termijn tot vervanging van een termijn die door het
tevoren geldende recht werd gesteld, dan eindigt de nieuwe termijn
uiterlijk op het tijdstip waarop de vervangen termijn zou zijn
voltooid.
Artikel 73
1.Indien de wet een verjarings- of vervaltermijn op een jaar of
langer stelt, en die termijn overeenkomstig het in de wet bepaalde
vóór het tijdstip van haar in werking treden aanvangt, dan is het in
de wet bepaalde omtrent aanvang, duur en aard van die termijn tot een
jaar na dat tijdstip niet van toepassing.
2.De nieuwe termijn wordt geacht niet vóór afloop van dat jaar te
zijn voltooid.
Artikel 73a
1.In afwijking van de artikelen 72 en 73 kan een bevoegdheid die de
wet toekent, niet meer worden uitgeoefend, indien de daarvoor bij de
wet gestelde termijn reeds op het tijdstip van haar in werking treden
is verstreken en een bevoegdheid van gelijke aard onder het tevoren
geldende recht niet bestond.
2.Was de termijn waarbinnen volgens het tevoren geldende recht een
recht of bevoegdheid moest zijn uitgeoefend, reeds verstreken op het
in lid 1 bedoelde tijdstip, dan brengt de wet die een recht of
bevoegdheid van gelijke aard toekent, in het rechtsgevolg van de
verjaring of het verval geen verandering.
Artikel 74
1.Het van toepassing worden van de wet heeft geen gevolg voor de
bevoegdheid van de rechter voor wie voordien een geding is
aangevangen, noch voor de aard van dat geding en voor de
rechtsmiddelen tegen de uitspraak.
2.In gedingen als bedoeld in lid 1 bepaalt de rechter op verzoek
van een der partijen of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de
gelegenheid wordt geboden hun stellingen en conclusies voor zover
nodig aan te passen aan de wet of aan deze of een der volgende titels.
Stelt de rechter partijen tot een zodanige aanpassing in de
gelegenheid, dan staat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open;
wijst de rechter een daartoe strekkend verzoek af, dan staat een
rechtsmiddel daartegen slechts gelijktijdig met de einduitspraak open.
3.Het tevoren geldende recht blijft van toepassing, indien een
geding als bedoeld in lid 1, in hoogste feitelijke instantie in staat
van wijzen verkeert op het tijdstip waarop de wet van toepassing
wordt, tenzij de rechter tot voortzetting van het geding beslist.
4.In een geding ter zake van een cassatieberoep tegen een, vóór
het van toepassing worden van de wet tot stand gekomen, uitspraak
blijft het voordien geldende recht van toepasing. Dit geldt mede voor
de verdere behandeling van de zaak door het recht waarnaar na cassatie
is verwezen, tenzij de zaak als gevolg van de cassatie door dat
gerecht in haar geheel opnieuw moet worden behandeld.
Artikel 75
1.De wet blijft, ook buiten de in deze en de volgende titels
geregelde gevallen, buiten toepassing in zaken van overgangsrecht,
indien de gelijkenis met zulke gevallen daartoe noopt of indien de
toepassing onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
2.Van de artikelen 69-73a wordt, behalve in de volgende titels,
afgeweken op dezelfde gronden als in het vorige lid aangegeven.
Titel 4. Overgangsbepalingen in verband met Boek 3
Artikel 76
Zaken die tot aan het tijdstip van het in werking treden van de wet
onroerend door bestemming waren en als zodanig waren begrepen in een
beslag of executie, blijven, indien de wet hen als roerend aanmerkt, ook
nadien daaronder begrepen en gelden als onroerend zolang het beslag of
de executie duurt, doch slechts tot aan de levering aan de koper.
Artikel 77
Op roerende zaken die tot aan het tijdstip van het in werking treden
van de wet onroerend door bestemming waren en als zodanig aan hypotheek
waren onderworpen, rust van dat tijdstip af een pandrecht. Het pandrecht
komt na dat tijdstip mede te rusten op roerende zaken die als onroerend
door bestemming onder het tevoren geldende recht aan die hypotheek
zouden zijn onderworpen. Met betrekking tot de zaken, in de eerste en
tweede zin genoemd, wordt geacht het in artikel 254 lid 1 van Boek 3
bedoelde beding te zijn gemaakt. Het pandrecht op de in de eerste zin
bedoelde zaken werkt tegen de, vóór het in werking treden van de wet
ontstane, rechten en vorderingen, waartegen de hypotheek kon worden
ingeroepen; met betrekking tot de rangorde geldt het als gevestigd op
het tijdstip waarop de zaak met hypotheek werd belast.
Artikel 78
1. Feiten die op het tijdstip van het in werking treden van de wet
kenbaar zijn uit de openbare registers voor registergoederen uit een
in- of overschrijving voordien of uit een voordien door de bewaarder
geplaatste aantekening, gelden voor de toepassing van de wet als
feiten die overeenkomstig afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 zijn
ingeschreven, tenzij die feiten nadien niet meer hadden kunnen worden
ingeschreven.
2. Artikel 21 van Boek 3 heeft geen invloed op de rangorde van
rechten die reeds vóór het in werking treden der wet bestonden.
3. De artikelen 24 lid 1, 25 en 26 van Boek 3 worden eerst drie
jaren na het tijdstip van het in werking treden van de wet van
toepassing met betrekking tot een voor inschrijving vatbaar feit dat
vóór dat tijdstip is geschied.
4. Op het ontbreken van de inschrijving van de vóór 1 januari
1950 plaatsgevonden hebbende aanleg van een net als bedoeld in artikel
20 lid 2 van Boek 5 dat op het tijdstip van het in werking treden van
die bepaling nog niet is verwijderd en op inschrijfbare feiten die
vóór het in werking treden van die bepaling zijn voorgevallen, en
die betreffen netten waarvan de aanleg niet uit de openbare registers
kenbaar is, is artikel 24 lid 1 van Boek 3 niet van toepassing.
5. Met betrekking tot een net als bedoeld in artikel 20 lid 2 van
Boek 5, dat vóór 1 februari 2007 is aangelegd, begint de in het
derde lid bedoelde termijn van drie jaren te lopen vanaf het tijdstip
waarop artikel 155a in werking is getreden.
Artikel 79
Tenzij anders is bepaald, wordt een rechtshandeling die is verricht
voordat de wet daarop van toepassing wordt, niet nietig of vernietigbaar
ten gevolge van een omstandigheid die de wet, in tegenstelling tot het
tevoren geldende recht, aanmerkt als een grond van nietigheid of
vernietigbaarheid.
Artikel 80
1.Een rechtshandeling die vernietigbaar was tot aan het tijdstip
waarop de wet op haar van toepassing wordt, kan van dat tijdstip af
niet langer worden vernietigd op grond van het gebrek dat haar tevoren
aankleefde, indien de wet een zodanig gebrek niet aanmerkt als een
grond van vernietigbaarheid.
2.Een rechtshandeling als bedoeld in lid 1, wordt op het daar
genoemde tijdstip met terugwerkende kracht nietig, indien de wet een
rechtshandeling met hetzelfde gebrek als nietig aanmerkt.
Artikel 81
1.Een nietige rechtshandeling wordt op het tijdstip waarop de wet
op haar van toepassing wordt, met terugwerkende kracht tot een
onaantastbare bekrachtigd, indien zij heeft voldaan aan de vereisten
die de wet voor een zodanige rechtshandeling stelt.
2.Een tevoren nietige rechtshandeling geldt van dat tijdstip af als
vernietigbaar, indien de wet het gebrek dat haar aankleeft, als grond
van vernietigbaarheid aanmerkt. Artikel 73a lid 1 is alsdan niet van
toepassing indien het tevoren geldende recht een beroep op de
nietigheid niet aan een bepaalde termijn bond.
3.De vorige leden gelden slechts, indien alle onmiddellijk
belanghebbenden die zich op de nietigheid hadden kunnen beroepen, de
handeling voordien als geldig hebben aangemerkt. Inmiddels verkregen
rechten van derden behoeven aan bekrachtiging niet in de weg te staan,
mits zij worden geëerbiedigd.
Artikel 82
Voor de toepassing van artikel 52 lid 1 onder d van Boek 3 wordt
onder een bevoegdheid tot inroeping van een vernietigingsgrond begrepen
de bevoegdheid tot het inroepen van een soortgelijke vernietigingsgrond,
welke iemand reeds toekwam volgens het recht dat vóór het toepasselijk
worden der wet gold.
Artikel 83
Artikel 62 lid 2 van Boek 3 wordt één jaar na het tijdstip van het
in werking treden van de wet van toepassing op een volmacht die op dat
tijdstip bestaat.
Artikel 85
Artikel 81 lid 3 van Boek 3 geldt mede ten aanzien van beperkte
rechten die vóór het in werking treden van de wet reeds door afstand
en vermenging waren tenietgegaan.
Artikel 86
1.Op het tijdstip van het in werking treden van de wet gaat een
goed dat voor verpanding vatbaar is en aan een ander tot zekerheid is
overgedragen, over op degene te wiens laste de zekerheid is gesteld,
en wordt het belast met pandrecht ten behoeve van de voormalige
eigenaar tot zekerheid.
2.Van het in lid 1 genoemde tijdstip af heeft het pandrecht de
gevolgen van een pandrecht dat naar zijn strekking overeenkomt met de
eigendom tot zekerheid zoals die totdien bestond.
3.Het pandrecht werkt tegen de, vóór het in werking treden van de
wet ontstane, rechten op het goed en vorderingen, waartegen de
eigendom tot zekerheid kon worden ingeroepen. Het geldt met betrekking
tot de rangorde als gevestigd op het tijdstip waarop het goed in
eigendom tot zekerheid is overgegaan.
4.De schuldeiser aan wie de rechten uit een levensverzekering met
afkoopwaarde tot zekerheid waren overgedragen, kan van het tijdstip
van het in werking treden van de wet af als pandhouder die verzekering
belenen ter hoogte van zijn opeisbare vordering tot aan die waarde op
de bij de verzekeraar gebruikelijke voorwaarden.
5.De leden 1-4 zijn niet van toepassing, indien aan de schuldenaar
de uitwinning van het tot zekerheid overgedragen goed was aangezegd.
Is de schuldeiser zes maanden na dat tijdstip nog niet tot de
uitwinning overgegaan, dan worden die leden alsdan van toepassing.
Verkeert de schuldenaar op het genoemde tijdstip in staat van
faillissement, dan worden die leden eerst na afloop daarvan
toepasselijk, indien de eigendom tot zekerheid is blijven bestaan.
6.Overeengekomen bedingen worden op het pandrecht van
overeenkomstige toepassing, ongeacht of zij aan een na het in werking
treden van de wet gevestigd pandrecht kunnen worden verbonden, met
uitzondering van bedingen die worden uitgesloten door de artikelen
249-253 van Boek 3.
7.Van het in werking treden van de wet af wordt een alsdan
bestaande verbintenis strekkende tot overdracht van een voor
verpanding vatbaar goed tot zekerheid, aangemerkt als een verbintenis
tot vestiging van een pandrecht. Levering bij voorbaat tot de
overdracht van een zodanig goed tot zekerheid, die vóór dat tijdstip
is geschied, geldt nadien als levering bij voorbaat tot vestiging van
pandrecht daarop.
8.De partijen bij een overeenkomst die tot overdracht van goederen
tot zekerheid verplicht, zijn desverlangd jegens elkaar gehouden tot
medewerking aan aanpassing van die overeenkomst aan de bepalingen van
titel 3.9 van Boek 3.
Artikel 86a
Is vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet een goed
ter uitvoering van een voorwaardelijke verbintenis geleverd, dan geldt
het als onder dezelfde voorwaarde verkregen.
Artikel 87
Op de rechtsverhouding tussen degene die op het tijdstip van het in
werking treden van de wet nog voor een bepaalde tijd rechthebbende op
een goed is, en hem die na hem verkrijgt, zijn de bepalingen omtrent
verbintenissen en bevoegdheden welke uit vruchtgebruik voortvloeien, van
overeenkomstige toepassing, voor zover de aard of inhoud van die
rechtsverhouding zich daartegen niet verzet.
Artikel 88
1.Artikel 86 van Boek 3 geldt gedurende een jaar na het tijdstip
van het in werking treden van de wet niet voor zaken als bedoeld in
het tevoren geldende artikel 2014 eerste lid van het Burgerlijk
Wetboek welke vóór dat tijdstip waren ontvreemd. Na afloop van dat
jaar wordt artikel 86 lid 3 van Boek 3 op die zaken van toepassing;
alsdan vervalt de in artikel 2014 tweede lid bedoelde bevoegdheid tot
terugvordering van de zaken, genoemd onder a en b van die bepaling.
Vóór de ontvreemding op een zaak gevestigde beperkte rechten
vervallen door haar overgang op de verkrijger.
2.Artikel 637 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat tot aan het
tijdstip van het in werking treden der wet gold, blijft van toepassing
met betrekking tot een ontvreemde of verloren zaak die vóór dat
tijdstip door een koper te goeder trouw op een jaar- of een andere
markt of op een openbare veiling is verkregen.
Artikel 89
1.Indien vóór het in werking treden van de wet een
eigendomsvoorbehoud is bedongen met betrekking tot een zaak die voor
verpanding vatbaar is, wordt de eigendom omgezet in een pandrecht
overeenkomstig artikel 237 van Boek 3, voor zover het
eigendomsvoorbehoud strekt tot zekerheid van voldoening van andere
vorderingen dan die genoemd in artikel 92 lid 2, eerste zin, van dat
boek.
2.Van het in werking treden van de wet af geldt een alsdan
bestaande verbintenis tot levering betreffende goederen onder
eigendomsvoorbehoud als een zodanige verbintenis onder voorbehoud van
een pandrecht overeenkomstig artikel 237 van Boek 3, voor zover het
eigendomsvoorbehoud strekt tot zekerheid van voldoening van andere
vorderingen dan die genoemd in artikel 92 lid 2, eerste zin, van dat
boek.
3.De leden 2, 3, 5, 6 en 8 van artikel 86 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 90
Levering van een recht als bedoeld in artikel 668 eerste lid van het
Burgerlijk Wetboek zoals dit vóór het tijdstip van het in werking
treden van de wet gold, en voltooid vóór dat tijdstip, werkt jegens
een persoon tegen wie het moet worden uitgeoefend en ten aanzien van wie
vóór dit tijdstip volgens artikel 668 tweede lid de overdracht nog
geen gevolg had, slechts nadat zij hem overeenkomstig artikel 94 van
Boek 3 is medegedeeld.
Artikel 91
1.Voor de levering van een registergoed kan in plaats van een
notariële akte een onderhandse akte worden gebezigd, indien die akte
is opgesteld en mede-ondertekend door een persoon, bedoeld in lid 4,
en deze persoon dit in het slot der akte heeft verklaard of dit in een
door hem ondertekende verklaring aan de voet van de akte heeft
bevestigd.
2.Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op de akten, bedoeld in
de artikelen 195 lid 1 van Boek 3, 31 lid 1 en 93 lid 2 van Boek 5,
250 en 252 lid 2 van Boek 6 en 800 van Boek 8.
3.Een persoon als bedoeld in lid 4 kan de bevoegdheden uitoefenen
en de verplichtingen vervullen die bij de titels 1 en 12 van Boek 7
aan de notaris zijn toegekend of opgedragen.
4.Als een persoon, bedoeld in de leden 1 en 3, geldt degene op wie
artikel II van de Wet van 28 juni 1956, Stb. 376, tot aan het in
werking treden van de wet van toepassing was.
5.Onze Minister van Justitie kan uit hoofde van het belang van het
rechtsverkeer de bevoegdheid van zulk een persoon schorsen en
intrekken; schorsing en intrekking worden in de Nederlandse
Staatscourant bekendgemaakt.
6.De voorwaarden en beperkingen, krachtens artikel II tweede lid
van de Wet van 28 juni 1956, Stb. 376, destijds bij de ministeriële
aanwijzing van een persoon gesteld, blijven van kracht.
Artikel 92
De termijnen genoemd in artikel 99 van Boek 3, lopen bij het
toepasselijk worden van dat artikel op goederen die tevoren krachtens
artikel 2000 van het Burgerlijk Wetboek niet door verjaring konden
worden verkregen, vanaf de stuiting van de verjaring van een
rechtsvordering tot beëindiging van het bezit, indien zulk een stuiting
voordien had plaats gevonden.
Artikel 93
Artikel 105 van Boek 3 wordt één jaar na het tijdstip van het in
werking treden van de wet van toepassing met betrekking tot degene die
alsdan een goed bezit, indien de verjaring van de rechtsvordering tot
beëindiging van dat bezit is voltooid; hij wordt geacht dat goed niet
vóórdien te hebben verkregen.
Artikel 94
Indien een rechthebbende op het tijdstip van het in werking treden
van de wet van zijn beperkte recht geen gebruik maakte en de termijn na
afloop waarvan het dientengevolge geheel of ten dele teniet kon gaan,
nog liep, wordt artikel 106 van Boek 3 een jaar na dat tijdstip van
toepassing.
Artikel 95
Bezit en houderschap worden verkregen en verloren op het tijdstip van
het in werking treden van de wet, indien de vereisten die de bepalingen
van titel 5 van Boek 3 daarvoor stellen, reeds vóór dat tijdstip waren
vervuld, doch het toen geldende recht aan de vervulling niet die
gevolgen verbond. Op de verplichtingen die uit bezit en houderschap
voortvloeien, is van dat tijdstip af, doch alleen voor het vervolg, de
wet van toepassing.
Artikel 96
Artikel 122 van Boek 3 vindt mede toepassing met betrekking tot het
bezit en het houderschap in het tijdvak dat aan het in werking treden
van de wet is voorafgegaan.
Artikel 100
Artikel 177 lid 3 geldt niet voor een recht van pand of hypotheek dat
vóór het in werking treden van de wet is gevestigd.
Artikel 101
Van het tijdstip van haar in werking treden af is de wet van
toepassing op de handelingen met betrekking tot verdeling van een
gemeenschap, voor zover die nog niet is voltooid en uitsluitend voor het
vervolg, behalve indien dit zou nopen tot het ongedaan maken van alsdan
reeds in overeenstemming met het voordien geldend recht getroffen
maatregelen. De wet wordt niet van toepassing ten aanzien van de
onderwerpen waaromtrent vóór het in werking treden van de wet een
rechterlijke uitspraak is gevraagd.
Artikel 102
Van het tijdstip van het in werking treden der wet af is artikel 181
van Boek 3 van toepassing op een onzijdig persoon die is benoemd
krachtens artikel 1117 van het Burgerlijk Wetboek zoals dat voordien
gold, evenwel met handhaving van de voor hem geldende beloning.
Artikel 103
Artikel 194 lid 2 van Boek 3 is niet van toepassing op een in artikel
189 lid 2 van Boek 3 bedoelde gemeenschap die op het tijdstip van het in
werking treden van de wet reeds bestaat.
Artikel 104
Artikel 804 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat tot aan het in
werking treden van de wet gold, blijft van toepassing met betrekking tot
de verbruikbare zaken, die waren begrepen onder een voordien aangevangen
vruchtgebruik.
Artikel 105
Artikel 204 lid 2 van Boek 3 is van toepassing op een bewind dat ten
tijde van het in werking treden van de wet bestaat.
Artikel 106
Artikel 221 van Boek 3 is van toepassing op een vruchtgebruik dat op
het tijdstip van het in werking treden van de wet bestaat, ook indien op
dat tijdstip de vruchtgebruiker reeds in ernstige mate in de nakoming
van zijn verplichtingen is tekortgeschoten.
Artikel 108
Artikel 244 van Boek 3 geldt voor een pandrecht dat vóór het
tijdstip van het in werking treden der wet is gevestigd zonder beperking
tot de daar vermelde termijn van drie jaren. De vorige zin is mede van
toepassing op een pandrecht dat overeenkomstig artikel 86 of artikel 89
door omzetting van eigendom is ontstaan.
Artikel 109
Artikel 248 leden 1 en 3 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing
op verzuim van een pandgever die niet tevens de schuldenaar is, in de
nakoming van de verplichtingen die hij vóór het in werking treden van
de wet op zich heeft genomen, voor zover niet artikel 233 van Boek 3 van
toepassing is.
Artikel 110
De artikelen 249-252 van boek 3 zijn niet van toepassing op de
uitwinning van een pand, indien vóór het tijdstip van het in werking
treden van de wet aan de pandgever de uitwinning van het pand reeds was
aangezegd. Artikel 253 van Boek 3 is van toepassing, indien eerst na dit
tijdstip het pand wordt verkocht of aan de pandhouder verblijft.
Artikel 111
Artikel 1205, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat tot
aan het tijdstip van het in werking treden van de wet gold, blijft van
toepassing ten aanzien van schulden die op dat tijdstip bestaan.
Artikel 112
De houders van certificaten als bedoeld in artikel 259 van Boek 3,
welke op het tijdstip van het in werking treden van de wet reeds
bestaan, verkrijgen op dat tijdstip een pandrecht overeenkomstig de
leden 2 en 3 van dat artikel.
Artikel 113
Indien op het tijdstip van het in werking treden van de wet sinds de
overschrijving in de openbare registers van een leveringsakte wegens
koop of een akte van scheiding nog geen acht vrije dagen zijn
verstreken, blijven de artikelen 1227 en 1228 van het Burgerlijk
Wetboek, zoals die voordien golden, van toepassing.
Artikel 114
Artikel 1229 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat vóór het
tijdstip van het in werking treden van de wet gold, blijft van
toepassing op bedongen rente over een vordering tot zekerheid waarvan
vóór dat tijdstip hypotheek was gevestigd.
Artikel 115
1.Op een beding als bedoeld in het tevoren geldende artikel 1230
van het Burgerlijk Wetboek dat vóór het tijdstip van het in werking
treden van de wet is gemaakt, zijn de leden 4-8 van artikel 264 van
Boek 3 gedurende een termijn van drie jaren niet van toepassing.
2.Artikel 266 van Boek 3 is gedurende een termijn van drie jaren
van het tijdstip van het in werking treden van de wet af niet van
toepassing op een hypotheek die vóór dat tijdstip is gevestigd.
Artikel 116
Indien een hypotheekhouder vóór het tijdstip van het in werking
treden van de wet aan een notaris opdracht heeft gegeven tot de
voorbereiding van een openbare verkoop overeenkomstig artikel 1223
tweede lid van het Burgerlijk Wetboek zoals dat voordien luidde, blijft
het toen geldende recht op die verkoop van toepassing; zo alsdan de
toewijzing ingevolge verkoop na dit tijdstip geschiedt, zijn de
artikelen 270-273 van Boek 3 echter wel van toepassing.
Artikel 117
1.De bepalingen van de wet omtrent de rangorde waarin vorderingen
uit de opbrengst van een goed moeten worden voldaan, gelden, behoudens
het elders bepaalde, mede met betrekking tot vorderingen die op het
tijdstip van het in werking treden van de wet bestaan.
2.De wet is niet van toepassing op de rangorde bij de verdeling van
de opbrengst van een goed dat op het tijdstip van haar in werking
treden reeds ten behoeve van het verhaal is verkocht, noch op die bij
de verdeling van hetgeen op een vordering op dat tijdstip reeds is
geïnd.
3.Het in werking treden van de wet heeft voor de dan bestaande
vorderingen geen gevolg ten aanzien van de werking van een surséance
van betaling, die voordien aan de schuldenaar voorlopig is verleend.
4.De wet is niet van toepassing op de rang van vorderingen op een
in staat van faillissement verklaarde schuldenaar, indien zij in
werking treedt nadat de rechter-commissaris overeenkomstig artikel 108
der Faillissementswet de dag heeft bepaald waarop die vorderingen
uiterlijk ter verificatie moeten zijn ingediend.
Artikel 118
Artikel 283 van Boek 3 is niet van toepassing met betrekking tot een
vordering tot vergoeding die op het tijdstip van het in werking treden
van de wet bestaat.
Artikel 119
Afschaffing van voorrechten op bepaalde goederen door het in werking
treden van de wet heeft geen gevolg voor een voorrecht dat voordien
reeds krachtens artikel 1185 onder 3° van het Burgerlijk Wetboek, zoals
dat tevoren gold, aan een vordering was verbonden. De voordien geldende
artikelen 1190 en 1192a van het Burgerlijk Wetboek blijven van
toepassing. Het voorrecht heeft voorrang boven een pandrecht dat is
gevestigd overeenkomstig artikel 237 van Boek 3, of dat, ingevolge
artikel 86 lid 2 of 89 lid 1, de gevolgen van een zodanig pandrecht
heeft.
Artikel 119a
1.Ter zake van de rechtsvordering tot vergoeding van schade die een
gevolg is van verontreiniging van lucht, water of bodem, eindigt de
termijn van vijf jaren bedoeld in artikel 310 lid 1 van Boek 3 niet
vóór 1 januari 1997.
2.In afwijking van artikel 73 is artikel 310 lid 2 van Boek 3 van
toepassing vanaf het tijdstip waarop het in werking treedt.
3.Wat voor de gebeurtenissen bedoeld in artikel 310 lid 3 van Boek
3 is bepaald, geldt ook indien de gebeurtenis is aangevangen of
voorgevallen vóór het tijdstip waarop dat lid in werking treedt.
Artikel 119b
Artikel 310 lid 5 van Boek 3 is van toepassing op schadeveroorzakende
gebeurtenissen die vanaf 1 februari 2004 hebben plaatsgevonden.
Artikel 120
Over het tijdvak vóór het in werking treden van de wet wordt een
verjaring waarop de wet van toepassing is, geacht te zijn gestuit door
een oorzaak die volgens het tevoren geldende recht stuiting tot gevolg
had.
Artikel 121
1.In afwijking van artikel 73 worden aanvang en duur van een
verjaringstermijn door de wet bepaald in de gevallen waarin de
verjaring overeenkomstig artikel 320 van Boek 3 bij of binnen een jaar
na het in werking treden van de wet wordt verlengd.
2.De artikelen 2023-2029 van het Burgerlijk Wetboek, zoals die tot
aan het in werking treden van de wet golden, blijven gedurende een
jaar nadien van toepassing op de gevallen waarin zij totdien
toepasselijk waren, tenzij er een grond tot verlenging der verjaring
overeenkomstig artikel 321 van Boek 3 bestaat. Na afloop van dat jaar
wordt de verjaring geacht nimmer geschorst te zijn geweest.
Artikel 122
Van het tijdstip van het in werking treden der wet af geldt artikel
323 leden 1 en 2 van Boek 3, voor zover een pand- of hypotheekrecht niet
reeds eerder teniet was gegaan.
Artikel 123
Vanaf een jaar na het verstrijken van het tijdstip van het in werking
treden der wet gelden de artikelen 324 en 325 van Boek 3 mede, indien de
in artikel 324 bedoelde rechterlijke of arbitrale uitspraak vóór dat
tijdstip is gevallen.
Artikel 124
Artikel 2010 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat tevoren gold,
blijft van toepassing indien na het in werking treden van de wet een
beroep wordt gedaan op verjaring ingevolge een van de tevoren geldende
artikelen 2005 tot en met 2008 van het Burgerlijk Wetboek.
Titel 5. Overgangsbepalingen in verband met Boek 4
Artikel 125
Artikel 5 van Boek 4 is van overeenkomstige toepassing op schulden
die terzake van een nalatenschap onder het tevoren geldende recht zijn
ontstaan.
Artikel 126
1.Afdeling 2 van titel 3 van Boek 4 is uitsluitend van toepassing
indien de erflater na het in werking treden van de wet is overleden.
2.Artikel 899b van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat tot
aan het tijdstip van het in werking treden van de wet gold, blijft
nadien van toepassing met betrekking tot nalatenschappen die vóór
dat tijdstip zijn opengevallen.
Artikel 127
De bepalingen omtrent nietigheid en vernietigbaarheid van het tevoren
geldende recht zijn, onverminderd het in artikel 79 bepaalde, niet van
toepassing op een uiterste wilsbeschikking die vóór het tijdstip van
het inwerking treden van de wet is gemaakt door iemand die na dat
tijdstip overlijdt.
Artikel 128
1.Is de nalatenschap voor het in werking treden van de wet
opengevallen, dan kan een legitimaris zijn bevoegdheden uitsluitend
overeenkomstig het tevoren geldende recht uitoefenen.
2.Degene die tot aan het tijdstip van het in werking treden van de
wet volgens het tevoren geldende recht zijn bevoegdheden als
legitimaris kon uitoefenen, behoudt die bevoegdheden gedurende een
jaar nadien, indien de erflater ten minste vier jaren vóór dat
tijdstip is overleden. Is de nalatenschap later, doch vóór het in
werking treden van de wet opengevallen, dan behoudt de legitimaris
zijn bevoegdheden totdat sedert het overlijden van de erflater vijf
jaren zijn verstreken.
Artikel 129
1.Indien een erflater voor het in werking treden van de wet ten
behoeve van zijn niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of zijn
geregistreerde partner een uiterste wilsbeschikking heeft gemaakt en
de nalatenschap nadien is opengevallen, is de vordering van een
legitimaris, voor zover deze ten laste zou komen van de echtgenoot of
geregistreerde partner, eerst opeisbaar na diens overlijden. Hetzelfde
geldt in het geval van een uiterste wilsbeschikking ten behoeve van
een andere levensgezel, indien deze met de erflater een
gemeenschappelijke huishouding voerde.
2.Het eerste lid is niet van toepassing voor zover uit de uiterste
wilsbeschikking anders valt af te leiden.
De artikelen 87 leden 5 en 6 en 88 van Boek 4 zijn mede van
toepassing.
3.Op een verdeling gemaakt met toepassing van artikel 1167 van Boek
4 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat gold tot aan het tijdstip van
het in werking treden van de wet, is na dat tijdstip artikel 186 lid 1
van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
Artikel 130
1.De artikelen 119 tot en met 123, 125 en 130 lid 3 van Boek 4 zijn
mede van toepassing op een nalatenschap die vóór het tijdstip van
het in werking treden van de wet is opengevallen, indien op dat
tijdstip nog schulden der nalatenschap, anders dan tot periodieke
betalingen, onvoldaan zijn.
2.Artikel 124 van Boek 4 is mede van toepassing op een nalatenschap
die vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet is
opengevallen, voor zover het de vruchten betreft die na dat tijdstip
zijn geïnd.
Artikel 131
Ingeval voor het tijdstip van het in werking treden van de wet een
beding is gemaakt dat een goed van een niet van tafel en bed gescheiden
echtgenoot of van een geregistreerde partner onder opschortende
voorwaarde of onder opschortende tijdsbepaling zonder redelijke
tegenprestatie op de andere echtgenoot of geregistreerde partner
overgaat of kan overgaan, en dit beding na bedoeld tijdstip wordt
toegepast in geval van overlijden van degene aan wie het goed
toebehoort, is de vordering van een legitimaris, voor zover deze ten
laste zou komen van de verkrijgende echtgenoot of geregistreerde
partner, eerst opeisbaar na diens overlijden. Hetzelfde geldt in geval
van zodanig beding ten behoeve van een andere levensgezel, mits deze met
degene aan wie het goed toebehoort een gemeenschappelijke huishouding
voerde en het beding bij notarieel verleden samenlevingsovereenkomst of
andere notariële akte was gemaakt.
Artikel 132
De artikelen 137 tot en met 139 van Boek 4 zijn mede van toepassing
op een making over de hand, die is vervat in een vóór het in werking
treden van de wet gemaakte uiterste wil. Op een making als bedoeld in
artikel 928 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat voor het
tijdstip van het in werking treden van de wet gold, blijft artikel 1036
van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat voor het tijdstip van
het in werking treden van de wet gold, evenwel van toepassing.
Artikel 133
Op de benoeming van een uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen,
gedaan voor het tijdstip van het in werking treden van de wet, is vanaf
dat tijdstip of, indien de executele nadien aanvangt, vanaf dit latere
tijdstip, afdeling 6 van titel 5 van Boek 4 van toepassing, tenzij aan
de uitvoerder van de uiterste wilsbeschikkingen het recht van
inbezitneming der nalatenschapsgoederen niet is toegekend, en behoudens
voor zover bij de benoeming regelingen zijn getroffen die van afdeling 6
van titel 5 van Boek 4 afwijken.
Artikel 134
Op een testamentair bewind, ingesteld bij een uiterste wil die is
opgemaakt voor het tijdstip van het in werking treden van de wet, is
vanaf dat tijdstip of, indien het bewind nadien van kracht wordt, vanaf
dit latere tijdstip afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van toepassing,
behoudens voor zover bepalingen in de uiterste wil daarvan afwijken.
Artikel 135
Bij het in werking treden van de wet volgen de erfgenamen van
rechtswege een voordien overleden erflater op in zijn voor overgang
vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap, en worden zij van
rechtswege schuldenaar van zijn schulden die niet met zijn dood zijn
tenietgegaan, een en ander voor zover dat rechtsgevolg niet reeds eerder
was ingetreden.
Artikel 136
Degene die tot aan het tijdstip van het in werking treden van de wet
ingevolge artikel 1070 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek zoals dat
voordien gold, een recht van beraad heeft, behoudt dit totdat de
daarvoor gestelde termijn is verstreken. Voor verlenging van de termijn
is artikel 185 lid 3 van Boek 4 van toepassing.
Artikel 137
1.Op de vereffening van een nalatenschap die vóór het tijdstip
van het in werking treden van de wet is aangevangen, zijn de
bepalingen van afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 nadien zoveel
mogelijk van toepassing.
2.Afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 is van dat tijdstip af eveneens
zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op een voordien
aangevangen afwikkeling van een nalatenschap:
a. nadat de erfgenamen overeenkomstig het tevoren geldende
artikel 1078, onder 1 slot, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek
de daartoe behorende goederen aan de beschikking der schuldeisers
en legatarissen hebben overgelaten;
b. na aanvaarding door schuldeisers van de erfgenamen volgens
het tevoren geldende artikel 1107 van Boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek;
c. na boedelafscheiding volgens het tevoren geldende artikel
1153 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;
d. die onbeheerd was, overeenkomstig de regels van de tevoren
geldende artikelen 1172 tot en met 1176 van Boek 4 van het
Burgerlijk Wetboek;
e. waarop het tevoren geldende artikel 1081, tweede lid, van
Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek toepassing heeft gevonden.
Artikel 138
Heeft een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam, of een door
de rechter benoemde vereffenaar van een nalatenschap dan wel een ander
die in de gevallen, bedoeld in artikel 137 lid 2, met de afwikkeling
daarvan belast was, aan de schuldeisers van de nalatenschap schade
toegebracht doordat hij vóór het tijdstip van het in werking treden
van de wet opzettelijk daartoe behorende goederen aan het verhaal van de
schuldeisers heeft onttrokken, dan is artikel 212 van Boek 4 van
toepassing of overeenkomstige toepassing, indien de vereffening of
afwikkeling van die nalatenschap op dat tijdstip nog niet is voltooid.
Artikel 139
In geval voor het in werking treden van de wet een door de wet
geroepen erfgenaam in de nederdalende lijn bij een gift of in een
uiterste wil niet is ontheven van zijn verplichting tot inbreng van de
gedane gift, blijft deze, behoudens indien de erflater nadien anders
mocht hebben beslist, ook na dat tijdstip daartoe verplicht.
Titel 6. Overgangsbepalingen in verband met Boek 5
Artikel 150
1.Op het tijdstip van het in werking treden van de wet nog
bestaande zakelijke rechten, die niet waren geregeld in het Burgerlijk
Wetboek zoals dat voordien gold en die krachtens artikel 1 van de Wet
van 16 mei 1829, Stb. 29, zijn gehandhaafd, worden registergoederen.
2.Het bestaan van een recht als bedoeld in lid 1 kan worden
ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel
1 van Boek 3. Op het ontbreken van de inschrijving en op inschrijfbare
feiten die vóór het in werking treden van de wet zijn voorgevallen,
en die betreffen rechten die niet uit de openbare registers kenbaar
zijn, is artikel 24 lid 1 van Boek 3 niet van toepassing.
3.Op deze rechten, alsmede op grondrenten en rechten van beklemming
en van altijddurende beklemming blijven de regels van toepassing die
voor hen golden vóór het in werking treden van de wet, voor zover
uit de bepalingen omtrent registergoederen niet anders voortvloeit.
4.Een recht van aanwas geldt als eigendom van de bodem waarop het
rust; degene die tot aan het in werking treden van de wet eigenaar van
de stroom boven die bodem was, verkrijgt een beperkt recht op de
bodem, dat de hem voordien toekomende bevoegdheden met betrekking tot
de stroom inhoudt.
5.De overige in dit artikel bedoelde rechten gelden met
inachtneming van hun bijzondere aard als beperkte rechten op de zaak
waarop zij rusten.
6.De rechter kan op vordering van de eigenaar van de zaak waarop in
dit artikel bedoeld beperkt recht rust, de inhoud van dat recht
wijzigen, indien het ongewijzigd voortbestaan in strijd is met het
algemeen belang, alsook op grond van omstandigheden welke van dien
aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
ongewijzigde instandhouding niet van de eigenaar kan worden gevergd.
De rechter kan de vordering toewijzen onder door hem te stellen
voorwaarden; hij houdt geen rekening met omstandigheden die zich
vóór het in werking treden van de wet hebben voorgedaan.
7.De leden 1-5 gelden niet voor grafrechten, zoals geregeld in de
Wet op de lijkbezorging.
Artikel 151
1.De artikelen 5-12 van Boek 5 gelden van het tijdstip van het in
werking treden der wet af met betrekking tot roerende zaken die iemand
vóór dat tijdstip als onbeheerd heeft gevonden en tot zich genomen.
2.De verplichtingen van de vinder bedoeld in artikel 5 lid 1 van
Boek 5 gelden evenwel niet met betrekking tot niet kostbare zaken die
de vinder langer dan een jaar vóór dat tijdstip heeft gevonden en
tot zich genomen.
3.Een jaar na het tijdstip van het in werking treden van de wet
verkrijgt de vinder die de zaak alsdan in zijn macht heeft, de
eigendom daarvan, indien hij vóór het genoemde tijdstip de in
artikel 5 lid 1 van Boek 3 omschreven aangifte of mededeling heeft
gedaan of deze ingevolge het vorige lid achterwege mocht laten; ten
aanzien van de vinder geldt hetzelfde, indien een gemeente de zaak in
haar macht heeft.
4.Artikel 86 van Boek 3 geldt gedurende een jaar na het in werking
treden van de wet niet voor zaken als bedoeld in het tevoren geldende
artikel 2014 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek welke vóór dat
tijdstip waren verloren, behalve indien zij tijdens dat jaar
overeenkomstig titel 2 van Boek 5 door de burgemeester van een
gemeente zijn verkocht of aan een derde zijn overgedragen. Na afloop
van dat jaar vervalt de in artikel 2014 tweede lid bedoelde
bevoegdheid tot terugvordering van verloren zaken. Vóór het verlies
op een zaak gevestigde beperkte rechten vervallen door haar overgang
op de verkrijger.
5.De rechtspositie van de vinder die vóór het tijdstip van het in
werking treden van de wet overeenkomstig artikel 7 van Boek 5 heeft
gehandeld, gaat op dat tijdstip met de daaraan verbonden
verplichtingen over op degene aan wie hij de zaak heeft afgegeven; een
recht op beloning ontstaat niet.
6.De leden 1-5 zijn niet van toepassing op gevonden voorwerpen
waarmee reeds vóór het in werking treden van de wet is gehandeld
overeenkomstig de Wet op de strandvonderij, het Algemeen Reglement
voor het vervoer op de spoorwegen of het Postbesluit.
Artikel 152
De verplichting genoemd in artikel 13 van Boek 5 geldt niet, indien
de schat langer dan een jaar vóór het in werking treden van de wet is
ontdekt.
Artikel 153
Op het tijdstip van het in werking treden van de wet verliest degene
die totdien eigenaar van een zaak was, de eigendom daarvan, indien de in
artikel 19 van Boek 5 genoemde feiten op dat tijdstip waren voltooid.
Artikel 154
Van het tijdstip van het in werking treden van de wet af is degene
die totdien eigenaar van een water was, eigenaar van de bodem onder dat
water. Een beperkt recht op zulk een water komt alsdan op die bodem te
rusten.
Artikel 155
1.Artikel 20, lid 2, van Boek 5 is, te rekenen vanaf het tijdstip
van het in werking treden van dit lid, mede van toepassing op een net
dat voordien is aangelegd dan wel op dat tijdstip wordt aangelegd.
2.Indien een partij op wiens kosten een net in zijn grond is
aangelegd en ten behoeve van wie dit net wordt gebruikt binnen twee
jaren na het tijdstip van het in werking treden van de wet houdende
wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met een herziening van
het nationale beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste
van openbare elektronische communicatienetwerken (Stb. 2007, 16), een
eis heeft ingeleid ter vaststelling van de eigendom van dat net en die
partij dit feit heeft doen inschrijven in de openbare registers als
bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, is
artikel 20, lid 2, van Boek 5 niet van toepassing, totdat op deze eis
onherroepelijk is beslist of deze eis is ingetrokken.
Artikel 155a
1. Degene die zich op 1 februari 2007 als eigenaar gedroeg, is
bevoegd de aanleg van een net als bedoeld in artikel 17 lid 1 onder k
van Boek 3 te doen inschrijven in de openbare registers en dat net als
eigenaar over te dragen en te bezwaren.
2. Indien de inschrijving in de openbare registers in de
Nederlandse Staatscourant en in een landelijk dagblad is gepubliceerd,
vervalt de bevoegdheid van derden om het net of een recht daarop op te
eisen na één jaar te rekenen vanaf de aanvang van de dag volgend op
de dag van de laatste van deze publicaties tenzij de derde binnen deze
termijn een dagvaarding betreffende een door hem ingestelde vordering
als bedoeld in artikel 27 van Boek 3 heeft doen inschrijven in de
openbare registers. Een recht van derden op schadevergoeding, indien
daarvoor grond is, blijft in stand.
3. Gedurende drie maanden te rekenen vanaf de aanvang van de dag
volgend op de dag van de laatste van de in het tweede lid bedoelde
publicaties is het net niet vatbaar voor overdracht en bezwaring. Wel
kunnen derden gedurende deze termijn een dagvaarding als bedoeld in
het tweede lid of een exploot als bedoeld in het vijfde lid in de
openbare registers doen inschrijven.
4. Aan degene die na het verstrijken van de in het derde lid
bedoelde termijn door overdracht of bezwaring een zakelijk recht op
het net verkrijgt, kunnen geen rechten van derden worden
tegengeworpen, tenzij de derde vóór de overdracht of bezwaring een
dagvaarding als bedoeld in het tweede lid of een exploot als bedoeld
in het vijfde lid heeft doen inschrijven of de verkrijger het recht
van de derde kende.
5. Een exploot als bedoeld in het derde en vierde lid wordt gedaan
aan degene die de in het eerste lid bedoelde inschrijving verkreeg en
houdt in dat de derde zich het recht voorbehoudt om binnen de in het
tweede lid bedoelde termijn van een jaar een dagvaarding als in dat
lid bedoeld in de openbare registers te doen inschrijven.
6. De publicaties bedoeld in lid 2 kunnen worden ingeschreven in de
openbare registers.
Artikel 156
Uitbreiding van de territoriale zee na het in werking treden van de
wet zal niet tot gevolg hebben dat de eigendom van haar bodem de alsdan
daarmede duurzaam verenigde gebouwen en werken zal gaan omvatten.
Artikel 157
Van drie jaren na het tijdstip van het in werking treden van de wet
af bepalen de artikelen 29 en 34 van Boek 5 wie alsdan eigenaar is van
de stroken grond langs de oeverlijn van een water, tenzij vóór dat
tijdstip de grens bij delimitatieovereenkomst is vastgelegd of nadien
artikel 31 van Boek 5 toepassing heeft gevonden, dan wel een vordering
tot vastlegging als bedoeld in artikel 32 van dat Boek is ingesteld.
Artikel 30 van Boek 5 is van overeenkomstige toepassing op de
vastlegging van een grens door een delimitatieovereenkomst die vóór
het in werking treden van de wet is gesloten.
Artikel 158
Artikel 35 van Boek 5 is niet van toepassing op uitbreiding van een
duin ten gevolge van overstuiving door de wind vóór het in werking
treden van de wet.
Artikel 159
Van haar in werking treden af, doch alleen voor het vervolg, gelden
de bepalingen der wet voor de verplichtingen uit het burenrecht.
Artikel 160
Het in werking treden van de wet brengt geen wijziging in de rechten,
bevoegdheden en verplichtingen met betrekking tot een buurweg welke
voordien is ontstaan; artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet van toepassing
op de bestemming tot zulk een buurweg.
Artikel 161
De eigenaar van een erf is, tenzij een beperkt recht iets anders
meebrengt, verplicht op vordering van een nabuur de ten tijde van het in
werking treden van de wet bestaande toestand in overeenstemming te
brengen met hetgeen waarop die nabuur nadien op grond van titel 4 van
Boek 5 aanspraak kan maken. Is die toestand echter in overeenstemming
met het voordien geldende recht, dan kan de eigenaar van het erf
verlangen dat de wijziging niet wordt aangebracht dan op kosten van de
nabuur en tegen vooraf door deze te betalen of te verzekeren
schadevergoeding.
Artikel 162
Bij het in werking treden van de wet bestaat mandeligheid, indien
alsdan reeds is voldaan aan de vereisten die artikel 60 van Boek 5 aan
het ontstaan daarvan stelt. Op dat tijdstip is een scheidsmuur, een hek
of een heg gemeenschappelijk eigendom en mandelig, indien alsdan aan de
vereisten daarvoor volgens artikel 62 van Boek 5 is voldaan.
Artikel 163
Indien vóór het in werking treden van de wet een erfdienstbaarheid
door bestemming of herleving is ontstaan, kan dit ontstaan worden
ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1
van Boek 3. Op het ontbreken van de inschrijving en op inschrijfbare
feiten die vóór het in werking treden van de wet zijn voorgevallen, en
die betreffen rechten die niet uit de openbare registers kenbaar zijn,
is artikel 24 lid 1 van Boek 3 niet van toepassing.
Artikel 164
Indien een erf vóór het in werking treden van de wet aan twee of
meer personen, hetzij als deelgenoten, hetzij als eigenaars van
verschillende gedeelten daarvan, toebehoort, wordt artikel 77 lid 1 van
Boek 5 op hen van toepassing met betrekking tot geldelijke
verplichtingen die na het in werking treden van de wet ontstaan.
Artikel 165
Een erfdienstbaarheid die op het tijdstip van het in werking treden
van de wet reeds bestond, kan niet uit hoofde van artikel 78 van Boek 5
worden opgeheven. In geval van een vordering tot wijziging houdt de
rechter geen rekening met omstandigheden die zich vóór dat tijdstip
hebben voorgedaan.
Artikel 166
Op een erfpacht, aangevangen vóór het tijdstip van het in werking
treden van de wet, blijft artikel 766 van het vóór dat tijdstip
geldende Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing; de opzegging
moet echter bij exploit geschieden.
Artikel 167
Een erfpachter kan een erfpacht die op het tijdstip van het in
werking treden van de wet bestaat, slechts opzeggen voor zover hij naar
het voordien geldende recht tot opzegging of eenzijdige afstand zou zijn
bevoegd geweest. Artikel 88 van Boek 5 is van toepassing, behalve voor
zover een andere termijn voor de opzegging of afstand was bedongen.
Artikel 168
Indien een erfpacht vóór het in werking treden van de wet aan twee
of meer personen, hetzij als deelgenoten, hetzij als eigenaars van
verschillende gedeelten van de zaak, toebehoort, wordt artikel 92 lid 1
van Boek 5 voor het eerst van toepassing met betrekking tot de eerste
canon die na het in werking treden van de wet wordt verschuldigd.
Artikel 169
Een erfpacht die op het tijdstip van het in werking treden van de wet
reeds bestond, kan niet uit hoofde van artikel 97 lid 1 van Boek 5
worden opgeheven. In geval van een vordering tot wijziging houdt de
rechter geen rekening met omstandigheden die zich vóór dit tijdstip
hebben voorgedaan.
Artikel 170
Artikel 99 van Boek 5 is niet van toepassing op een erfpacht die ten
tijde van het in werking treden van de wet bestaat.
Artikel 171
De artikelen 166-169 zijn van overeenkomstige toepassing op een recht
van opstal in dezelfde gevallen waarin die artikelen op een recht van
erfpacht van toepassing zijn en voor zover het opstalrecht aan de daar
bedoelde regels voor erfpacht is onderworpen.
Artikel 172
1.Artikel 110 van Boek 5 is, te rekenen vanaf het in werking treden
van de wet, mede van toepassing op een splitsing die voordien heeft
plaatsgevonden.
2.Voor zover de bepalingen van de akte van splitsing in
appartementsrechten, het reglement bedoeld in artikel 111 onder d van
Boek 5 daaronder begrepen, van een vereniging van eigenaars op het
tijdstip van in werking treden van de wet afwijken van het bepaalde in
afdeling 2 van titel 9 van dat boek, is dat laatste gedurende drie
jaren na dat tijdstip niet van toepassing op die vereniging van
eigenaars.
3.Op de vereffening van het vermogen van een vereniging van
eigenaars, die nog niet is voltooid op het tijdstip van het in werking
treden van de wet, zijn de artikelen 23-24 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek met inachtneming van artikel 147 leden 2-4 van Boek
5 van toepassing, behalve voor zover dat zou nopen tot het ongedaan
maken van alsdan reeds in overeenstemming met het voordien geldend
recht getroffen maatregelen. De wet wordt niet van toepassing ten
aanzien van onderwerpen waaromtrent vóór haar in werking treden een
rechterlijke uitspraak is gevraagd.
4.Op een splitsing die heeft plaatsgevonden voor het tijdstip
waarop de wet in werking treedt, is artikel 113 lid 1, tweede zin, van
Boek 5 niet van toepassing.
5.Op een splitsing die heeft plaatsgevonden voor het tijdstip
waarop de wet in werking treedt, is artikel 118a van Boek 5 gedurende
drie jaren na dat tijdstip niet van toepassing.
6.Op verenigingen van eigenaars die op het tijdstip van het in
werking treden van de wet niet het in artikel 126 lid 1, tweede
volzin, van Boek 5, bedoelde reservefonds in stand houden, is die
bepaling gedurende drie jaren na dat tijdstip niet van toepassing.
7.Op een splitsing die heeft plaatsgevonden voor het tijdstip van
het in werking treden van de leden 1–3 van artikel 139 van Boek 5,
zoals deze leden zijn gewijzigd bij de Wet van 19 februari 2005,
houdende wijziging van titel 5.9 (Appartementsrechten (Stb. 89), is
het in die leden bepaalde gedurende drie jaren na dat tijdstip niet
van toepassing.
Titel 7. Overgangsbepalingen in verband met Boek 6
Artikel 173
1.Is voor de al dan niet toepasselijkheid van de bepalingen der wet
omtrent aansprakelijkheid en schadevergoeding beslissend, of een
schade vóór of na het in werking treden van de wet is ontstaan, en
blijkt dit niet, dan is beslissend, of de schade voor of na het in
werking treden van de wet is bekend geworden.
2.De aansprakelijkheid voor schade die is ontstaan of bekend
geworden na het in werking treden van de wet, wordt, ook met
betrekking tot haar omvang, naar het tevoren geldende recht
beoordeeld, indien die schade voortspruit uit dezelfde gebeurtenis als
een eerdere door de benadeelde geleden schade waarop dat recht van
toepassing was. Hetzelfde geldt voor de aansprakelijkheid wegens
iemands overlijden na het tijdstip van het in werking treden van de
wet als gevolg van letsel vóór dat tijdstip is ontstaan.
Artikel 174
De omzetting van een natuurlijke verbintenis in een rechtens
afdwingbare bij een uiterste wilsbeschikking is niet aan de vereisten
van artikel 5 van Boek 6 onderworpen, indien deze beschikking vóór het
in werking treden van de wet is gemaakt, doch nadien tot uitvoering
komt.
Artikel 175
1.De artikelen 10-13 van Boek 6 blijven buiten toepassing, indien
vóór het in werking treden van de wet een schuld, al dan niet met de
kosten, ten laste van een hoofdelijke schuldenaar of een derde geheel
of ten dele is gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat.
2.De artikelen 6-9 en 14 van Boek 6 zijn niet van toepassing op een
vóór het in werking treden van de wet tot stand gekomen borgtocht of
bedongen gebondenheid als hoofdelijk medeschuldenaar wie de schuld in
zijn verhouding tot de hoofdschuldenaar niet aangaat.
3.Degene die door het tevoren geldende recht naast een ander
aansprakelijk werd gesteld en aan wie deswege op die ander een
verhaalsrecht toekwam, kan dat verhaalsrecht ook uitoefenen, indien
zijn schuld pas na het in werking treden van de wet te zijnen laste
wordt voldaan en de wet hem geen verhaalsrecht toekent.
Artikel 176
Is een prestatie die aan twee of meer schuldeisers is verschuldigd,
vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet nog niet geheel
of ten dele betaald, dan is afdeling 3 van titel 1 van Boek 6 daarop van
toepassing, tenzij vóór dat tijdstip betaling is gevorderd.
Artikel 177
Het in werking treden van de wet doet de vorderingen bedoeld in de
artikelen 33, 36 en 42 van Boek 6 ontstaan, indien alsdan aan de in die
artikelen gestelde vereisten is voldaan en het tevoren geldende recht
niet een zodanige vordering toekende. De termijn van verjaring van die
vorderingen wordt gerekend te zijn begonnen op het tijdstip waarop de in
die artikelen bedoelde vereisten waren vervuld, doch hij wordt niet
voltooid voordat een jaar na het in werking treden is verstreken.
Artikel 178
Artikel 41, aanhef en onderdeel b, van Boek 6 geldt niet voor
verbintenissen tot aflevering van een naar de soort bepaalde zaak, die
voortvloeien uit een rechtsbetrekking welke vóór het in werking treden
van de wet is ontstaan.
Artikel 179
Artikel 50 lid 1 van Boek 6 geldt niet, indien vóór het in werking
treden van de wet niet meer dan twee achtereenvolgende kwitanties zijn
afgegeven.
Artikel 180
De wet bepaalt van haar in werking treden af of een bevoegdheid tot
opschorting van de nakoming van een verbintenis, een retentierecht
daaronder begrepen, bestaat.
Artikel 181
Op een aanbod van gerede betaling of een bewaargeving, verricht
vóór het in werking treden van de wet en met inachtneming van de toen
geldende artikelen 1440-1448 van het Burgerlijk Wetboek, zijn de
artikelen 66-71 van Boek 6 niet van toepassing.
Artikel 182
Indien een schuldenaar vóór het in werking treden van de wet in de
nakoming van zijn verbintenis is tekortgeschoten, is op de gevolgen van
de tekortkoming de wet niet van toepassing, ook niet indien de
tekortkoming nadien wordt voortgezet.
Artikel 183
Artikel 83 van Boek 6 is niet van toepassing op het verstrijken van
een termijn als bedoeld onder a van dat artikel, die voortvloeit uit een
rechtsverhouding welke vóór het tijdstip van het in werking treden van
de wet is ontstaan, noch op het niet nakomen van een op dat tijdstip
bestaande verbintenis als bedoeld in onderdeel b van dat artikel.
Artikel 184
Artikel 130 van Boek 6 geldt niet met betrekking tot een vordering
die vóór het tijdstip van in werking treden van de wet op een ander
was overgegaan, of waarop vóór dat tijdstip beslag was gelegd dan wel
een beperkt recht gevestigd.
Artikel 185
Tenzij uit de tussen partijen bestaande rechtsverhouding anders
voortvloeit, worden de geldvorderingen en geldschulden die vóór het
tijdstip van het in werking treden van de wet zijn opgenomen in een
rekening als bedoeld in artikel 140 van Boek 6, aangemerkt als op dat
tijdstip verrekend voor zover dat nog niet eerder was geschied, in de
volgorde waarin zij voor schuldvergelijking krachtens het voordien
geldende recht waren vatbaar geworden; van dat tijdstip af is alleen het
saldo verschuldigd.
Artikel 186
De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel
terzake van een vordering en haar nevenrechten komt van het tijdstip van
het in werking treden van de wet toe aan degene op wie de vordering
vóór dat tijdstip is overgegaan, tenzij de vorige rechthebbende reeds
maatregelen tot uitoefening van zijn bevoegdheid heeft genomen.
Artikel 187
Het tevoren geldende artikel 1438, aanhef en onder 2°, van het
Burgerlijk Wetboek is ook na het in werking treden van de wet van
toepassing, indien de koop voordien is gesloten. De hypotheken van
schuldeisers in wier rechten de koper is gesubrogeerd, blijven in stand,
voor zover dit voor de uitoefening van die rechten door de koper nodig
is.
Artikel 188
De artikelen 151 en 152 van Boek 6 zijn niet van toepassing op een
subrogatie na het in werking treden van de wet, indien tevoren eveneens
reeds subrogatie terzake van dezelfde vordering heeft plaatsgevonden.
Artikel 189
Indien vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet een
rechtshandeling onder ontbindende voorwaarde is verricht, die naar het
toen geldende recht het tenietgaan van een verbintenis door vermenging
tot gevolg heeft gehad, doet de vervulling van de voorwaarde na dat
tijdstip de verbintenis herleven.
Artikel 189a
1.Artikel 174, derde lid, van Boek 6, zoals dat is komen te luiden
na de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet, is niet van toepassing
indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt voor de
inwerkingtreding van de Mijnbouwwet heeft plaatsgevonden.
2.Artikel 177, vierde lid, van Boek 6, zoals dat is komen te luiden
na de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet, is niet van toepassing
indien de schade bekend is geworden voor de inwerkingtreding van de
Mijnbouwwet.
Artikel 190
Wordt bij het ontstaan van een vordering uit onverschuldigde betaling
of ongerechtvaardigde verrijking de rechtsverhouding tussen partijen
beheerst door het recht dat vóór het in werking treden van de wet
gold, dan worden de afdelingen 2 en 3 van titel 4 van Boek 6 daarop niet
van toepassing.
Artikel 191
1.Afdeling 3 van titel 5 van Boek 6 is op algemene voorwaarden die
op het tijdstip van het in werking treden van de wet reeds door een
partij in haar overeenkomsten worden gebruikt, van toepassing nadat
een jaar na dit tijdstip is verstreken. Gedurende die termijn is de
wet evenmin van toepassing op wijzigingen in die voorwaarden na het in
werking treden van de wet.
2.In afwijking van artikel 79 kan een beding in algemene
voorwaarden deel uitmaken van een overeenkomst, na het verstrijken van
het in lid 1 bedoelde tijdvak overeenkomstig afdeling 3 van titel 5
van Boek 6 worden vernietigd; deze vernietiging heeft evenwel geen
werking over het tijdvak voordat die afdeling van toepassing is
geworden, tenzij het beding toen reeds vernietigbaar of nietig was.
Artikel 192
Artikel 78 geldt niet voor een beding als bedoeld in artikel 252 van
Boek 6 dat op het tijdstip van het in werking treden van de wet uit de
openbare registers kenbaar is; de rechtsgevolgen die artikel 252 van
Boek 6 en afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 aan inschrijving in de
openbare registers verbinden, komen slechts toe aan inschrijving na dit
tijdstip.
Artikel 193
De artikelen 253 lid 2 en 254-256 van Boek 6 gelden niet voor een
beding ten behoeve van een derde, dat op het tijdstip van het in werking
treden van de wet reeds bestaat.
Artikel 194
Van het tijdstip van het in werking treden van de wet af is artikel
257 van toepassing op een ondergeschikte wiens gedraging vóór dat
tijdstip tot aansprakelijkheid heeft geleid.
Artikel 195
In geval van een vordering tot wijziging of ontbinding van een
overeenkomst als bedoeld in de artikelen 258 en 259 van Boek 6 houdt de
rechter bij de toepassing van die artikelen geen rekening met een
wijziging in de omstandigheden die zich vóór het in werking treden van
de wet heeft voorgedaan.
Titel 8. Overgangsbepalingen in verband met Boek 7
Artikel 196
1.Op overeenkomsten van koop en ruil die vóór het tijdstip van
het in werking treden van de wet zijn gesloten, wordt titel 1 van Boek
7 een jaar na dat tijdstip van toepassing.
2.In afwijking van lid 1 worden de bepalingen van titel 1 van Boek
7 omtrent consumentenkoop niet van toepassing op een consumentenkoop
die vóór dat tijdstip is gesloten.
3.In afwijking van de leden 1 en 2 is titel 1 van Boek 7 van
toepassing op de gevolgen van niet nakoming in het geval dat een der
partijen na het in werking treden van de wet in de nakoming van een
van haar verbintenissen tekortschiet, tenzij dat tekortschieten een
voortzetting van een eerdere tekortkoming is. Afdeling 8 van titel 1
van Boek 7 is van toepassing op het recht van reclame dat na het in
werking treden van de wet wordt uitgeoefend; is het voordien
uitgeoefend, dan blijft het tevoren geldende recht daarop van
toepassing.
4.Artikel 7 is slechts van toepassing op de gevolgen van toezending
van een zaak of verrichting van een dienst die na het in werking
treden van de wet geschiedt.
5.Artikel 6a van Boek 7 is niet van toepassing in geval van een
consumentenkoop die vóór het in werking treden van de wet is
gesloten.
6.In afwijking van artikel 79 kan een beding op grond van strijd
met artikel 25 lid 2 van Boek 7 worden vernietigd nadat een jaar na
het tijdstip van het in werking treden van de wet is verstreken; deze
vernietiging heeft evenwel geen werking ten aanzien van zaken die
vóór het verstrijken van deze termijn aan de verkoper zijn geleverd.
Artikel 197
De artikelen 2, 3, 8 en 26 leden 3-5 van Boek 7 zijn niet van
toepassing op koopovereenkomsten die vóór het tijdstip van het in
werking treden van deze bepalingen zijn gesloten.
Artikel 198
1.De artikelen 48a–48e en 48g van Boek 7 zijn niet van toepassing
op overeenkomsten die vóór het tijdstip van het in werking treden
van deze bepalingen zijn gesloten.
2.Artikel 48f van Boek 7 is van toepassing vanaf het tijdstip
waarop het in werking treedt.
Artikel 198a
Titel 1A van Boek 7 is niet van toepassing op overeenkomsten die
vóór het inwerkingtreden van deze titel zijn gesloten.
Artikel 199
1.De bepalingen van afdeling 9A van titel 1 van Boek 7 zijn niet
van toepassing op overeenkomsten die vóór het tijdstip van het in
werking treden van die bepalingen zijn gesloten.
2.In afwijking van lid 1 zijn de artikelen 46c lid 1, 46g en 46h
van Boek 7 van toepassing vanaf het tijdstip waarop zij in werking
treden.
Artikel 201
Op een bewind ingesteld in verband met de elfde titel van Boek 7A van
het Burgerlijk Wetboek, zoals deze tot aan het tijdstip van het in
werking treden van de wet gold, is vanaf het tijdstip van het in werking
treden van de wet afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van overeenkomstige
toepassing, behoudens voor zover daarvan bij het bewind afwijkende
regelingen zijn getroffen.
Artikel 205
Procedures inzake overeenkomsten van huur en verhuur, waarin de
inleidende dagvaarding is betekend dan wel het inleidende verzoekschrift
is ingediend voor het tijdstip van in werking treden van titel 4 van
Boek 7, worden, met inbegrip van een eis die in het geding bij wijze van
reconventie is of wordt gedaan, beheerst door het recht dat voor dat
tijdstip gold.
Artikel 206
Bepalingen die tot nietigheid of vernietigbaarheid van een beding in
een huurovereenkomst leiden, zijn met ingang van het tijdstip van in
werking treden van titel 4 van Boek 7 van toepassing op de op dat
tijdstip bestaande huurovereenkomsten.
Artikel 206a
Artikel 215 van Boek 7 is, voor zover het veranderingen en
toevoegingen aan de buitenzijde van gehuurde woonruimte betreft, niet
van toepassing op huurovereenkomsten die voor het tijdstip van het in
werking treden van titel 4 van Boek 7 zijn gesloten.
Artikel 207
Voorzover het veranderingen van de inrichting of de gedaante van het
gehuurde betreft, waartoe de huurder slechts met toestemming van de
verhuurder bevoegd is, is artikel 215 van Boek 7 van toepassing, indien
de verhuurder op het tijdstip van het in werking treden van titel 4 van
Boek 7 een verzoek van de huurder om die toestemming te geven nog niet
heeft beantwoord, mits dit verzoek niet langer dan drie maanden voor dat
tijdstip is gedaan. In dat geval begint de in artikel 215 lid 2 bedoelde
termijn pas op het tijdstip van die inwerkingtreding te lopen.
Artikel 208
Artikel 220 lid 2 van Boek 7 is niet van toepassing, indien het door
dit lid vereiste redelijke voorstel onder het voorafgaande recht is
gedaan.
Artikel 208a
Artikel 221 van Boek 7 is niet van toepassing op huurovereenkomsten
die voor het tijdstip van het in werking treden van titel 4 van Boek 7
zijn gesloten.
Artikel 208b
Artikel 224 lid 2, tweede volzin, van Boek 7 is niet van toepassing
op huurovereenkomsten die voor het in werking treden van titel 4 van
Boek 7 zijn gesloten.
Artikel 208c
Indien de huurder voor het in werking treden van titel 4 van Boek 7
is overleden, maar op het tijdstip van die inwerkingtreding nog geen zes
maanden na dit overlijden waren verstreken en de termijn van zes
maanden, bedoeld in artikel 229 lid 2 van Boek 7, binnen drie maanden na
het tijdstip van die inwerkingtreding zou aflopen, wordt die termijn
verlengd tot drie maanden na dit tijdstip.
Artikel 208d
Voor de termijn van twee maanden, bedoeld in artikel 230a lid 1 van
Boek 7, wordt de tijd meegeteld die na het tijdstip waartegen
schriftelijk ontruiming is aangezegd, maar voor het tijdstip van het in
werking treden van titel 4 van Boek 7 is verstreken.
Artikel 208e [Vervallen per 01-08-2003]
Artikel 208f
De artikelen 250 tot en met 254 van Boek 7 zijn niet van toepassing
op voor het tijdstip van inwerkingtreding gedane voorstellen tot
huurprijswijziging, indien de voorgestelde datum van ingang voor dat
tijdstip ligt, noch op de daarop betrekking hebbende verzoeken aan de
huurcommissie als bedoeld in de artikelen 253 en 254 van Boek 7, indien
deze zijn ingediend op of na het hiervoor bedoelde tijdstip.
Artikel 208g
De artikelen 259 en 260 van Boek 7 gelden vanaf het tijdstip dat
sedert het tijdstip van het in werking treden van titel 4 van Boek 7
één geheel kalenderjaar is verstreken.
Artikel 208h
Artikel 270a van Boek 7 geldt niet, indien de voortzetting van de
huur voor het in werking treden van titel 4 van Boek 7 is begonnen.
Artikel 208i
De verplichting tot vergoeding van de schade van de onderhuurder,
bedoeld in artikel 278 lid 2 van Boek 7, kan niet geheel of ten dele
worden gegrond op gedragingen van de hoofdhuurder die voor het in
werking treden van dat artikel hebben plaatsgevonden.
Artikel 208j
De verplichting tot vergoeding van schade van de onderhuurder,
bedoeld in artikel 306 lid 2 van Boek 7, kan niet geheel of ten dele
worden gegrond op gedragingen van de hoofdhuurder die voor het in
werking treden van dat artikel hebben plaatsgevonden.
Artikel 210
Artikel 407 van Boek 7 is niet van toepassing op een overeenkomst van
lastgeving die vóór 1 januari 1992 is gesloten.
Artikel 211
1.Op agentuurovereenkomsten die zijn tot stand gekomen vóór 1
november 1989, blijft het totdien geldende recht tot 1 januari 1994
van toepassing.
2.Bij de bepaling van de vergoeding bedoeld in artikel 442 van Boek
7 wordt de hogere waarde die de handelsagent aan de principaal heeft
verschaft in de periode vóór 1 januari 1971, buiten beschouwing
gelaten, indien de agentuurovereenkomst vóór 1 januari 1994 eindigt.
3.[Wijzigt de Wet van 23 maart 1977, Stb. 153, en de wet van 5 juli
1989, Stb. 312.] .
Artikel 211a
1. Titel 2A is niet van toepassing op kredietovereenkomsten die
vóór het inwerkingtreden van deze titel zijn gesloten.
2. Op kredietovereenkomsten met onbepaalde looptijd die op het
tijdstip van het inwerkingtreden van titel 2A reeds liepen, zijn vanaf
dat tijdstip de artikelen 62, 63, 65, 69 en 70 lid 2 van toepassing.
Artikel 212
Artikel 665a van Boek 7 is niet van toepassing indien het besluit tot
overgang wordt genomen of voorgenomen vóór het tijdstip waarop deze
bepaling in werking treedt en de overgang op of na bedoeld tijdstip
plaatsvindt.
Artikel 214
1.Ten aanzien van de persoon wiens eerste dag van ongeschiktheid
tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor 1
januari 2004 blijven de artikelen 629, leden 1 tot en met 9 en lid 11,
629a en 670, met uitzondering van lid 1, van Boek 7 van toepassing,
zoals deze luidden op 31 december 2003, en blijft artikel 658b van
Boek 7 buiten toepassing.
2.Voor de bepaling van de eerste dag van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, bedoeld in het eerste lid,
worden perioden van ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet
onderbroken periode van ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar
met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij
direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig
artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
Artikel 217
1.Op overeenkomsten van aanneming van werk die vóór het tijdstip
van het in werking treden van titel 12 van Boek 7 zijn gesloten, wordt
deze titel drie jaren na dat tijdstip van toepassing.
2.In afwijking van lid 1 worden de bepalingen van afdeling 2 van
titel 12 van Boek 7 niet van toepassing op een overeenkomst van
aanneming van werk die vóór dat tijdstip is gesloten.
3.In afwijking van de leden 1 en 2 is titel 12 van Boek 7 van
toepassing op de gevolgen van niet nakoming in het geval dat een der
partijen na het in werking treden van deze titel in de nakoming van
een van haar verbintenissen tekortschiet, tenzij dat tekortschieten
een voortzetting van een eerdere tekortkoming is.
Artikel 220
1.De afdelingen 1 en 2 van titel 14 van Boek 7 zijn niet van
toepassing op een borgtocht die ten tijde van het in werking treden
van de wet reeds bestaat.
2.Afdeling 3 van titel 14 van Boek 7 blijft buiten toepassing op de
gevolgen van de borgtocht tussen de hoofdschuldenaar en de borg en
tussen borgen en voor de verbintenis aansprakelijke niet-schuldenaren
onderling, indien vóór het in werking treden van de wet aan de
schuldeiser is betaald.
Artikel 221
1. De artikelen 928, 931, 950, 952, 963 leden 5 en 6 en 966 lid 4
van Boek 7 zijn niet van toepassing op overeenkomsten van verzekering
die vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet zijn
gesloten. Indien de voorwaarden van de overeenkomst door de
verzekeraar met het oog op het in werking treden van de wet dan wel op
of na het tijdstip van het in werking treden van de wet zijn
gewijzigd, is het in de eerste zin bepaalde voor de leden 5 en 6 van
artikel 963 van Boek 7 niet van toepassing op nadien genomen
maatregelen als bedoeld in artikel 957 van Boek 7.
2. De artikelen 929 en 930 van Boek 7 zijn niet van toepassing op
overeenkomsten van verzekering die vóór het tijdstip van het in
werking treden van de wet zijn gesloten, indien de verzekeraar zich
tegenover de verzekerde binnen een jaar nadat dit tijdstip is
verstreken erop beroept dat aan de mededelingsplicht van artikel 251
van het Wetboek van Koophandel niet is voldaan.
3. De artikelen 935, 936 leden 2 tot en met 6 en 937 van Boek 7
zijn niet van toepassing met betrekking tot een uitkering die vóór
het tijdstip van het in werking treden van de wet verschuldigd is
geworden.
4. Artikel 940 lid 1 onderscheidenlijk lid 2 van Boek 7 is van
toepassing indien een periode als in die leden bedoeld eindigt na het
tijdstip van het in werking treden van de wet.
5. Artikel 948 van Boek 7 is niet van toepassing indien een
overgang van het risico vóór het tijdstip van het in werking treden
van de wet heeft plaatsgevonden.
6. Artikel 954 van Boek 7 is niet van toepassing voorzover een
uitkering vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet is
voldaan.
7. Ter zake van schade die door meer dan een verzekering wordt
gedekt kan de verzekeraar wiens verzekering vóór het tijdstip van
het in werking treden van de wet is gesloten niet op de voet van
artikel 961 lid 1, eerste zin, van Boek 7 worden aangesproken dan
voorzover zulks ook op grond van het tevoren geldende recht mogelijk
was geweest. De eerste zin lijdt uitzondering indien de voorwaarden
van de overeenkomst door de verzekeraar met het oog op het in werking
treden van de wet dan wel op of na het tijdstip van het in werking
treden van de wet zijn gewijzigd, doch slechts voorzover het risico
zich nadien heeft verwezenlijkt.
8. Artikel 962 lid 3 van Boek 7 is niet van toepassing indien het
risico zich vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet
heeft verwezenlijkt.
9. Op verzekeringen tegen gevaren van brand die vóór het tijdstip
van het in werking treden van de wet zijn gesloten, blijft het tevoren
geldende artikel 293 van het Wetboek van Koophandel ook na dit
tijdstip van toepassing.
10. Indien vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet
tegen een verzekeraar een rechtsvordering tot het doen van een
uitkering is ontstaan, is artikel 942 lid 3 van Boek 7 slechts van
toepassing indien na dat tijdstip een daad van onderhandeling
plaatsvindt.
Artikel 222
Artikel 991 lid 1 van Boek 7 is niet van toepassing indien een
uitkering vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet
opeisbaar is geworden.
Artikel 223
Artikel 629, lid 2, van Boek 7, zoals dat luidde op de dag voor
inwerkingtreding van artikel XIX van het Belastingplan 2007 blijft van
toepassing met betrekking tot een recht op doorbetaling van het loon als
bedoeld in lid 1 of 2 van artikel 629 van Boek 7, indien dat recht is
ontstaan op of voor die dag.
Artikel 225
Artikel 640a van Boek 7 is uitsluitend van toepassing op aanspraken
op het minimum, bedoeld in artikel 634 van Boek 7, die zijn ontstaan na
het tijdstip van inwerkintreding van de wet van 26 mei 2011 inzake het
afschaffen van de beperkte opbouw van minimum vakantierechten tijdens
ziekte, de invoering van een vervaltermijn voor de minimum vakantiedagen
en de aanpassing van enige andere artikelen in de regeling voor vakantie
en verlof in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 318).
Titel 9. Overgangsbepalingen in verband met Boek 8
Artikel 251
De overeenkomsten van vervoer en die tot het doen vervoeren van
goederen, alsmede andere overeenkomsten tot het ter beschikking stellen
van een schip worden beheerst door het vroegere recht, indien zij zijn
gesloten vóór het tijdstip van het in werking treden van Boek 8.
Hetzelfde geldt voor de wettelijke rechten en bevoegdheden die een derde
aan een vervoerdocument kan ontlenen en de wettelijke verplichtingen die
met betrekking daartoe op hem rusten, indien dat document vóór dat
tijdstip is uitgegeven.
Artikel 251a
De overeenkomsten van vervoer van goederen uitsluitend over
spoorwegen worden beheerst door het vroegere recht, indien zij zijn
gesloten vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet tot
vaststelling en invoering van titel 8.18 (overeenkomst van
goederenvervoer over spoorwegen) van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 252
1.De bepalingen van Boek 8 omtrent de rangorde waarin vorderingen
uit de opbrengst van een goed moeten worden voldaan, gelden mede met
betrekking tot vorderingen die bestaan op het tijdstip waarop dat Boek
in werking treedt.
2.Het vroegere recht is echter van toepassing op de rangorde bij de
verdeling van een goed dat op het tijdstip van in werking treden van
Boek 8 reeds ten behoeve van het verhaal is verkocht, en op de
verdeling van hetgeen op een vordering op dat tijdstip reeds is
geïnd.
3.Het vroegere recht is eveneens van toepassing op de rang van
vorderingen op een in staat van faillissement verklaarde schuldenaar,
indien Boek 8 in werking treedt nadat de rechter-commissaris
overeenkomstig artikel 108 der Faillissementswet de dag heeft bepaald
waarop die vorderingen uiterlijk ter verificatie moeten zijn
ingediend.
4.Het in werking treden van Boek 8 heeft voor de dan bestaande
vorderingen geen gevolg ten aanzien van de werking van een surséance
van betaling, die voordien aan de schuldenaar voorlopig is verleend.
Artikel 253
1.Op voortbewegingswerktuigen en andere machinerieën die tot aan
het tijdstip van het in werking treden van Boek 8 nog geen bestanddeel
van een schip waren en aan een ander dan de eigenaar van het schip
toebehoorden, wordt artikel 1 lid 3 van Boek 8 niet van toepassing.
2.Zaken die tot aan het in werking treden van Boek 8 als
scheepstoebehoren met hypotheek waren bezwaard, blijven nadien
daarmede belast, indien zij geen scheepstoebehoren in de zin van
artikel 1 lid 4 van Boek 8 worden, zolang zij voldoen aan de
omschrijving van het tevoren geldende artikel 309 derde lid van het
Wetboek van Koophandel.
3.Zaken die tot aan het tijdstip van het in werking treden van Boek
8 scheepstoebehoren waren en als zodanig waren begrepen in een beslag
of executie, blijven, ook nadat zij zelfstandig zijn geworden,
daaronder begrepen en gelden, zolang beslag en executie duren, tot aan
de levering aan de koper als scheepstoebehoren.
4.Het bepaalde in artikel 1 lid 5 van Boek 8 wordt drie maanden na
het in werking treden van Boek 8 van toepassing op bedingen die
voordien reeds tussen partijen bestonden, alsook ten aanzien van zaken
die door het in werking treden van Boek 8 scheepstoebehoren worden.
Artikel 254
1.Voor de levering van een in het register teboekstaand binnenschip
of een beperkt recht daarop kan in de plaats van een notariële akte
een onderhandse akte worden gebezigd, indien die akte is opgesteld en
mede-ondertekend door een door Onze Minister van Justitie aangewezen
persoon als bedoeld in lid 3 en deze persoon dit in het slot der akte
heeft verklaard of dit in een door hem ondertekende verklaring aan de
voet van de akte heeft bevestigd.
2.Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op akten bedoeld in
artikel 800 van Boek 8.
3.Personen die voor 1 april 1991 door de arrondissementsrechtbank
beëdigd zijn als makelaar in binnenschepen, worden op hun daartoe
binnen een jaar na inwerkingtreding van deze wet gedaan verzoek
aangewezen.
Artikel 255
Artikel 160 lid 1 van Boek 8 wordt drie maanden na het tijdstip van
het in werking treden van dat Boek van toepassing op een, op dat
tijdstip bestaande, rederij als omschreven in het tevoren geldende
artikel 323 van het Wetboek van Koophandel.
Artikel 256
De aanvaring welke heeft plaats gehad vóór het in werking treden
van Boek 8 wordt beheerst door het vroegere recht. Hetzelfde geldt voor
schade die door een schip is veroorzaakt, indien het ongeval vóór het
in werking treden van Boek 8 heeft plaatsgevonden.
Artikel 257
Op een hulpverlening die vóór het in werking treden van Boek 8 is
aangevangen, is het vroegere recht van toepassing.
Artikel 258
1.De verjaring en het verval van een rechtsvordering waarvan de
termijn werd bepaald door het Wetboek van Koophandel, de Wet
Overeenkomst Wegvervoer of de Wet Overeenkomst Binnenlands Openbaar
personenvervoer, blijft door het vroegere recht beheerst, indien de
termijn vóór het in werking treden van Boek 8 is aangevangen.
2.De artikelen 201 en 791 van Boek 8, zoals deze artikelen zijn
gewijzigd bij de Aanpassingswet Boek 8, worden, indien de daar
genoemde termijnen vóór 1 januari 1992 zijn aangevangen, met ingang
van 1 april 1992 van toepassing op de termijnen van verjaring van de
eigendom van in de openbare registers teboekstaande zee- en
binnenschepen, alsmede op die van verjaring der in die artikelen
genoemde beperkte rechten daarop. Deze termijnen worden geacht niet
vóór 1 april 1992 te zijn voltooid.
3.De verkrijging van een teboekstaand luchtvaartuig door verjaring,
waarvan de termijn werd bepaald door de Wet teboekgestelde
Luchtvaartuigen, blijft door die wet beheerst, indien de termijn
vóór het in werking treden van titel 15 van Boek 8 is aangevangen.
Titel 10. Overgangsbepaling in verband met Boek 10
Artikel 270
Artikel 56 van Boek 10 is slechts van toepassing op ontbinding van
het huwelijk of scheiding van tafel en bed die is verzocht na het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Slotartikel
Deze wet kan worden aangehaald als: Overgangswet nieuw Burgerlijk
Wetboek.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 3 april 1969
JULIANA
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
Uitgegeven de achtentwintigste april 1969
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
|