Nadere regelgeving:
- Besluit ex artikel 27 Overgangswet ruimtelijke ordening en
volkshuisvesting (vervallen)
WET van 1 augustus 1964, houdende vaststelling van overgangsregelen
met het oog op de inwerkingtreding van de nieuwe voorschriften nopens de
ruimtelijke ordening en de volkshuisvesting
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het met het oog op de
inwerkingtreding van de nieuwe voorschriften nopens de ruimtelijke
ordening en de volkshuisvesting wenselijk is om regelen te stellen
omtrent de overgang van de oude op de nieuwe wetgeving alsmede om
wijziging te brengen in enkele bestaande wetten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepaling
Artikel 1
Bepalingen in provinciale en gemeentelijke verordeningen betreffende
onderwerpen, waarvoor bij de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de
Woningwet voorschriften zijn gegeven, blijven van kracht, voor zover zij
niet met die voorschriften in strijd zijn.
Hoofdstuk II. Overgangsbepalingen Woningwet
Artikel 2
De Woningwet (wet van 22 juni 1901, Stb. 158) voortaan aan te
halen als Woningwet 1901 wordt, behoudens het bepaalde in de volgende
artikelen, ingetrokken.
Artikel 3
1. Voorschriften, als bedoeld in artikel 1 of artikel 2, eerste
lid, der Woningwet 1901, alsmede overeenkomstig het bepaalde in
artikel 149 van de Gemeentewet (Stb. 1992, 96) vastgestelde
voorschriften, welke voorzien in onderwerpen, als omschreven in
hoofdstuk II der Woningwet, worden geacht voorschriften te zijn als
bedoeld in afdeling 1 van genoemd hoofdstuk der Woningwet.
2. Op voorschriften, als in de aanhef van het eerste lid bedoeld,
welke bij de inwerkingtreding van deze wet zijn vastgesteld, doch nog
niet zijn goedgekeurd of ten aanzien waarvan bij die inwerkingtreding de
beslissing omtrent goedkeuring nog niet in beroep onaantastbaar is,
blijft artikel 11 van de Woningwet 1901 van toepassing.
3. De gemeenteraden brengen de in het eerste lid bedoelde
voorschriften met de Woningwet in overeenstemming. Indien de raad
hieraan binnen drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet niet heeft
voldaan passen Gedeputeerde Staten artikel 21 der Woningwet toe.
Artikel 4
Voorschriften, gegeven ter uitvoering van artikel 1bis van de
Woningwet 1901, blijven van kracht en worden geacht ter uitvoering van
artikel 3, vijfde lid, van de Woningwet te zijn gegeven.
Artikel 5
1. Op verzoeken om een vergunning, als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, der Woningwet 1901, ingekomen vóór de inwerkingtreding
van deze wet, beslissen burgemeester en wethouders volgens het ten
tijde van de indiening van het verzoek geldende recht. Op deze
beslissing blijft artikel 7 der Woningwet 1901 van toepassing.
2. Vergunningen, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a,
van de Woningwet 1901 worden geacht vergunningen, als bedoeld in artikel
47 van de Woningwet te zijn.
3. Vergunningen, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b,
van de Woningwet 1901 worden geacht vergunningen, als bedoeld in artikel
55 van de Woningwet te zijn.
4. Op een besluit, als bedoeld in artikel 6, zesde lid, der
Woningwet 1901, ten aanzien waarvan bij de inwerkingtreding van deze wet
de beroepstermijn nog niet is verstreken, blijft artikel 7 der Woningwet
1901 van toepassing.
Artikel 6
In de gevallen, dat vergunning is verleend ingevolge artikel 8 van de
Woningwet 1901 is artikel 49, zevende lid, van de Woningwet van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
Door Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 13, tweede lid, der
Woningwet 1901 vastgestelde regelingen worden geacht krachtens artikel
87, vierde lid, der Woningwet te zijn vastgesteld.
Artikel 8
1. Aanschrijvingen, als bedoeld in paragraaf 3 der Woningwet
1901, alsmede daartoe strekkende adviezen van de inspecteur worden
geacht onderscheidenlijk krachtens artikel 25 en artikel 29 der
Woningwet te zijn uitgebracht.
2. Ten aanzien van adviezen en aanschrijvingen, als in het eerste
lid bedoeld, blijven artikel 20 en, voor zover de termijn om voorziening
te vragen bij de inwerkingtreding van deze wet nog niet is verstreken,
artikel 24 van de Woningwet 1901 van toepassing.
Artikel 9
1. Besluiten tot onbewoonbaarverklaring genomen ingevolge
paragraaf 4 der Woningwet 1901, alsmede daartoe strekkende adviezen
van de inspecteur worden geacht onderscheidenlijk krachtens artikel 33
en artikel 34 der Woningwet te zijn genomen of uitgebracht.
2. Ten aanzien van onbewoonbaarverklaringen en adviezen, als in
het eerste lid bedoeld, blijft voor zover de termijn om voorziening te
vragen bij de inwerkingtreding van deze wet nog niet is verstreken,
artikel 26 der Woningwet 1901 van toepassing.
Artikel 10
1. Bijzondere voorschriften ter bepaling van voor- of
achtergevelrooilijnen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
bouwverboden, als bedoeld in artikel 35, plannen van uitbreiding, als
bedoeld in paragraaf 7, met daarbij behorende bebouwingsvoorschriften
en voorschriften, als bedoeld in artikel 43 der Woningwet 1901, worden
geacht bestemmingsplannen in de zin van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening te zijn. Zij behouden het rechtsgevolg, dat zij bij de
inwerkingtreding van deze wet hadden.
2. Op de in het vorige lid aangegeven, ingevolge de Woningwet
1901 tot stand gekomen, planologische maatregelen is artikel 49 van de
Wet op de Ruimtelijke Ordening gedurende 5 jaren na het in werking
treden van deze wet niet van toepassing. Gemeentelijke
schadevergoedingsverordeningen, van toepassing op in dit lid bedoelde
planologische maatregelen, blijven ten hoogste tot dit tijdstip van
kracht.
3. De gemeenteraden brengen de in het eerste lid bedoelde
maatregelen binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet met de
Wet op de Ruimtelijke Ordening in overeenstemming.
Artikel 11
1. Indien vóór de inwerkingtreding van deze wet volgens de
voorschriften van de Woningwet 1901 een ontwerp voor een maatregel,
als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet ter inzage is
gelegd, kan die maatregel ook na die inwerkingtreding nog volgens de
voorschriften van de Woningwet 1901 worden vastgesteld.
2. Op maatregelen, vastgesteld ingevolge het eerste lid, en op
maatregelen, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet, welke
bij de inwerkingtreding van deze wet zijn vastgesteld, doch nog niet
zijn goedgekeurd, of ten aanzien waarvan bij die inwerkingtreding de
beslissing omtrent goedkeuring nog niet in beroep onaantastbaar is,
blijven de artikelen 11, onderscheidenlijk 35 en 37, 38, 40 en 43a
der Woningwet 1901 van toepassing.
Artikel 12
Een verplichting ingevolge de artikelen 36, vijfde lid, en 44, eerste
lid, artikel 38, tweede lid of de artikelen 40 en 44, vierde lid, van de
Woningwet 1901 wordt geacht een verplichting ingevolge artikel 37,
tweede lid, onderscheidenlijk artikel 30, onderscheidenlijk artikel 40
van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te zijn.
Artikel 13
Een besluit, genomen ingevolge artikel 36, vierde lid, van de
Woningwet 1901 wordt geacht ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening genomen te zijn.
Artikel 14
1. De voorwaarde van terugbetaling, genoemd in de artikelen 52
en 57 van de Woningwet 1901 en verbonden aan op grond van de artikelen
52 en 56, derde lid, van die wet verleende bijdragen, vervalt.
2. Voorschriften, gegeven ter uitvoering van de paragrafen 8 en 9
van de Woningwet 1901 - voorzover zij niet krachtens artikel 52, derde
lid, van die wet zijn uitgevaardigd - alsmede de op die voorschriften
berustende uitvoeringsbepalingen blijven van kracht en worden geacht ter
uitvoering van de Woningwet te zijn gegeven.
3. [Wijzigt de wet van 14 juni 1934, Stb. 316.]
4. De verplichting tot terugbetaling, verbonden aan bij of
krachtens besluit van de gemeenteraad op andere wijze dan door middel
van bijdragen, als bedoeld in het eerste lid, verleende geldelijke steun
ter tegemoetkoming in ongedekte jaarlijkse tekorten, die voortspruiten
uit de exploitatie van - vóór 1 januari 1946 tot stand gekomen -
woningen door ingevolge artikel 78 van de Onteigeningswet toegelaten
verenigingen, vennootschappen en stichtingen, vervalt.
Artikel 15
1. Op verzoeken om een vergunning, als bedoeld in artikel 73
der Woningwet 1901, ingekomen vóór de inwerkingtreding van deze wet,
beslissen burgemeester en wethouders volgens het ten tijde van de
indiening van het verzoek geldende recht. Op deze beslissing blijft
artikel 73, vierde lid, der Woningwet 1901 van toepassing.
2. Vergunningen, als bedoeld in artikel 73 der Woningwet 1901
worden geacht vergunningen, als bedoeld in artikel 47 der Woningwet te
zijn. In deze vergunningen wordt voor de toepassing van artikel 49 der
Woningwet geacht een termijn van vijf jaren te zijn gesteld.
3. Met betrekking tot beslissingen omtrent vergunning, ten
aanzien waarvan bij de inwerkingtreding van deze wet de termijn om
voorziening te vragen nog niet is verstreken, blijft artikel 73, vierde
lid, der Woningwet 1901 van toepassing.
Artikel 16
1. Onze Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid kan
toestaan, dat woningen, waarvan de bewoning ingevolge artikel 2 van de
Woningnoodwet 1918 (Stb. 379, vervallen 6 maanden na de
inwerkingtreding van het Koninklijk besluit van 12 september 1931, Stb.
396) na een bepaalde termijn moest ophouden, langer worden bewoond. De
toestemming wordt telkens voor een bepaalde termijn verleend, die voor
verlenging vatbaar is. Na de dag, waarop de bewoning ingevolge de
beschikking van voornoemde Minister moet ophouden, moet het
gemeentebestuur de woning onverwijld doen ontruimen en afbreken,
tenzij voor zoveel het afbreken betreft, met goedkeuring van die
Minister aan de woning een andere bestemming wordt gegeven.
2. De bepalingen, die ingevolge de Woningnoodwet 1918 (Stb.
379) golden ten aanzien van woningen als bedoeld in het eerste lid,
blijven van kracht, behoudens wijziging, aanvulling of intrekking door
Ons.
Hoofdstuk III. Voorschriften met betrekking tot de Wederopbouwwet
Artikel 17 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 18 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 19 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 20 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 21 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 22 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 23 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 24 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 25 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 26 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 27 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 28 [Vervallen per 01-10-1992]
Hoofdstuk IV. Overgangs- en Wijzigingsbepalingen ten aanzien van de
voorlopige regeling inzake het Nationale Plan en de streekplannen
Artikel 29
De wet van 28 september 1950, Stb. K 415, houdende voorlopige
regeling inzake het Nationale Plan en de streekplannen, hierna
aangehaald als: voorlopige wet, wordt, behoudens hetgeen bij artikel 32
wordt bepaald, ingetrokken.
Artikel 30
1. Streekplannen, als bedoeld in de voorlopige wet, voor zover
zij bij de inwerkingtreding van deze wet zijn goedgekeurd en die,
omtrent welker goedkeuring bij die inwerkingtreding nog niet is
beslist, worden geacht streekplannen, als bedoeld in hoofdstuk III van
de Wet op de Ruimtelijke Ordening te zijn.
2. Indien vóór de inwerkingtreding van deze wet volgens de
voorschriften van de voorlopige wet een ontwerp voor een streekplan ter
inzage is gelegd, kan dat plan ook na die inwerkingtreding nog volgens
de voorschriften van de voorlopige wet worden vastgesteld.
3. Op streekplannen, die ingevolge het tweede lid zijn
vastgesteld, is het eerste lid van toepassing.
Artikel 31
Besluiten, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, der voorlopige wet,
blijven nog 5 jaren na de inwerkingtreding van deze wet van kracht.
Artikel 32
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk V. Wijziging Onteigeningswet
Artikel 33
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 34
Op ingevolge de Woningwet 1901 tot stand gekomen bouwverboden en
bijzondere voorschriften ter bepaling van een voorgevelrooilijn blijft
artikel 40b der Onteigeningswet van toepassing.
Artikel 35
Op onteigeningen, ten aanzien waarvan de ter inzage legging, als
bedoeld in artikel 80 van de Onteigeningswet, heeft plaats gehad vóór
de inwerkingtreding van deze wet, blijven de bepalingen van Titel IV van
de Onteigeningswet, zoals die vóór evenbedoeld tijdstip golden, van
kracht.
Artikel 36
Verenigingen, vennootschappen en stichtingen, toegelaten ingevolge
artikel 78 van de Onteigeningswet, worden geacht toegelaten te zijn
ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Woningwet.
Hoofdstuk VI. Wijziging van enige andere wetten
Artikel 37
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 38
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 39
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 40
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 41
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 42
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 43
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 44
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 45
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 46
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 47
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk VII. Slotbepaling
Artikel 48
1. Deze wet kan worden aangehaald als Overgangswet ruimtelijke
ordening en volkshuisvesting.
2. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. Wij
kunnen een ander tijdstip vaststellen, waarop het eerste en het derde en
vierde lid van artikel 14, alsmede de uitzondering, gemaakt op het
tweede lid van dat artikel, in werking treden.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Porto Ercole, 1 augustus 1964
JULIANA
De Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid,
P. Bogaers
De Minister van Justitie a.i.,
V.G.M. Marijnen
De Minister van Binnenlandse Zaken a.i.,
V.G.M. Marijnen
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
A. Bartels
Uitgegeven de derde september 1964
De Minister van Justitie,
Y. Scholten
|