| |
|
|
|
|
vorige
OVERLEVERINGSWET
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 29 april 2004 tot implementatie
van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het
Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de
lidstaten van de Europese Unie (Overleveringswet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de implementatie van het
kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees
aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten
van de Europese Unie van 13 juni 2002 (2002/584/JBZ), gepubliceerd
in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 190 van
18 juli 2002, noodzaakt tot het stellen van nieuwe regels voor de
overlevering van personen tussen lidstaten van de Europese Unie en
daarmee verbandhoudende andere vormen van rechtshulp;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. overlevering: de terbeschikkingstelling van een persoon door
de justitiële autoriteiten van de ene lidstaat aan de justitiële
autoriteiten van een andere lidstaat van de Europese Unie ten
behoeve van hetzij een in die andere lidstaat tegen hem gericht
strafrechtelijk onderzoek, hetzij de tenuitvoerlegging van een hem
opgelegde vrijheidsbenemende straf of maatregel;
b. Europees aanhoudingsbevel: de schriftelijk vastgelegde
beslissing van een justitiële autoriteit van een lidstaat van de
Europese Unie strekkende tot de aanhouding en de overlevering van
een persoon door de justitiële autoriteit van een andere lidstaat;
c. vrijheidsstraffen: door de rechter op te leggen straffen met
een vrijheidsbenemend karakter alsmede de door deze naast of in
plaats van een straf op te leggen maatregelen strekkende tot
vrijheidsbeneming;
d. opgeëiste persoon: de persoon op wie een Europees
aanhoudingsbevel een signalering in het Schengen-informatiesysteem
of via Interpol strekkende tot aanhouding en overlevering betrekking
heeft;
e. officier van justitie: voor zover aldus vermeld, elke officier
van justitie, en overigens de officier van justitie bij het
arrondissementsparket te Amsterdam;
f. rechter-commissaris: de rechter-commissaris, belast met de
behandeling van strafzaken, in de rechtbank te Amsterdam;
g. rechtbank: de rechtbank te Amsterdam;
h. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
i. uitvaardigende justitiële autoriteit: de justitiële
autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie, krachtens het
nationale recht bevoegd tot het afgeven van een Europees
aanhoudingsbevel;
j. uitvaardigende lidstaat: de lidstaat van de Europese Unie waar
de uitvaardigende justitiële autoriteit werkzaam is;
k. uitvoerende justitiële autoriteit: de justitiële autoriteit
van een lidstaat van de Europese Unie, krachtens het nationale recht
bevoegd tot het nemen van de beslissing tot overlevering op basis
van een Europees aanhoudingsbevel;
l. uitvoerende lidstaat: de lidstaat van de Europese Unie waar de
uitvoerende justitiële autoriteit werkzaam is;
m. Uitvoeringsovereenkomst van Schengen: de Overeenkomst ter
uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux
Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek
op 14 juni 1985 gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke
afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen,
Schengen, 19 juni 1990 (Trb. 1985, 101);
n. EU-rechtshulpovereenkomst 2000: de Overeenkomst, door de Raad
vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de
Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, Brussel, 29 mei 2000 (Trb.
2000, 96).
Afdeling 2. Europees aanhoudingsbevel
Artikel 2
1.Een Europees aanhoudingsbevel kan slechts worden afgegeven wegens
feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn
gesteld en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste
twaalf maanden is gesteld of indien een straf of maatregel is
opgelegd, wanneer deze een duur heeft van ten minste vier maanden.
2.Een Europees aanhoudingsbevel wordt volgens het in bijlage 2 bij
deze wet opgenomen model opgemaakt en dient in elk geval de volgende
gegevens te bevatten:
a. de identiteit en de nationaliteit van de gezochte persoon;
b. de naam, het adres, het telefoon- en het faxnummer en het
elektronische postadres van de uitvaardigende justitiële
autoriteit;
c. de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis,
een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare
gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat;
d. de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare
feit, in het bijzonder rekening houdend met artikel 7, eerste lid,
onderdeel a, onder 1°;
e. een beschrijving van de omstandigheden waaronder het
strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het
tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte
persoon bij het strafbare feit;
f. de opgelegde straf of maatregel, indien een onherroepelijk
vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het
betrokken feit geldende strafbedreiging;
g. indien mogelijk, andere gevolgen van het strafbaar feit.
3.Het Europees aanhoudingsbevel dient te zijn vertaald in de
officiële taal of in een van de officiële talen van de uitvoerende
lidstaat, dan wel in de taal die deze lidstaat in een bij het
secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie neergelegde
verklaring heeft aangegeven.
Artikel 3
1.Het Europees aanhoudingsbevel kan, indien de verblijfplaats van
de opgeëiste persoon bekend is, door de uitvaardigende justitiële
autoriteit rechtstreeks worden toegezonden aan de uitvoerende
justitiële autoriteit in de lidstaat van verblijf.
2.Rechtstreekse toezending als bedoeld in het eerste lid is niet
toegestaan in die gevallen dat een lidstaat voor de toezending of de
ontvangst van Europese aanhoudingsbevelen een centrale autoriteit
heeft aangewezen.
3.De toezending kan plaatsvinden per gewone post, telefax of, mits
de mogelijkheid bestaat om de echtheid van de herkomst vast te
stellen, per elektronische post.
Artikel 4
1.De uitvaardigende justitiële autoriteit kan besluiten de
opgeëiste persoon te doen signaleren in het
Schengen-informatiesysteem, overeenkomstig artikel 95 van de
Uitvoeringsovereenkomst van Schengen.
2.Met het oog op de opsporing en aanhouding in een lidstaat van de
Europese Unie die geen toegang heeft tot het Schengen-informatie
systeem kan de uitvaardigende justitiële autoriteit eveneens
besluiten de opgeëiste persoon te signaleren via Interpol.
3.Een signalering, bedoeld in het eerste en tweede lid, dient
onmiddellijk nadat de opgeëiste persoon is aangetroffen, te worden
gevolgd door toezending van het Europees aanhoudingsbevel aan de in
artikel 3 bedoelde autoriteit.
4.Een signalering, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de
toepassing van deze wet gelijkgesteld met een Europees
aanhoudingsbevel, mits daarin alle gegevens, bedoeld in artikel 2,
tweede lid, zijn opgenomen.
Hoofdstuk II. Overlevering door Nederland
Afdeling 1. Voorwaarden voor overlevering
Artikel 5
Overlevering geschiedt uitsluitend aan uitvaardigende justitiële
autoriteiten van andere lidstaten van de Europese Unie en met
inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 6
1.Overlevering van een Nederlander kan worden toegestaan voor zover
deze is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk
onderzoek en naar het oordeel van de uitvoerende justitiële
autoriteit is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor
de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat
tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze
straf in Nederland zal mogen ondergaan.
2.Overlevering van een Nederlander wordt niet toegestaan indien
deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij
onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.
3.Bij een weigering van de overlevering uitsluitend op grond van
het bepaalde in het tweede lid stelt de officier van justitie de
uitvaardigende justitiële autoriteit in kennis van de bereidheid om
de tenuitvoerlegging van het vonnis over te nemen, overeenkomstig de
procedure voorzien in artikel 11 van het op 21 maart 1983 te
Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de overbrenging van
gevonniste personen (Trb. 1983, 74), of op basis van een ander
toepasselijk verdrag.
4.De officier van justitie stelt Onze Minister onverwijld in kennis
van elke overlevering onder garantie van teruglevering als bedoeld in
het eerste lid en elke weigering tot overlevering onder de
bereidverklaring om de tenuitvoerlegging van het buitenlandse vonnis
over te nemen, bedoeld in het derde lid.
5.Het eerste tot en met het vierde lid is eveneens van toepassing
op een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd,
voor zover hij in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten welke
aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen en voor zover
ten aanzien van hem de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van
verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering
opgelegde straf of maatregel.
Artikel 7
1.Overlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:
a. een door autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat
ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat
de opgeëiste persoon zich naar het oordeel van de uitvaardigende
justitiële autoriteit schuldig heeft gemaakt aan:
1º. een naar het recht van de uitvaardigende lidstaat
benoemd strafbaar feit dat tevens op de in bijlage 1 bij deze
wet behorende lijst staat vermeld, waarop naar het recht van
de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum
van ten minste drie jaren is gesteld; of
2º. een ander feit dat zowel naar het recht van de
uitvaardigende lidstaat als naar dat van Nederland strafbaar
is en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste
twaalf maanden is gesteld;
b. de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier
maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het
grondgebied van de uitvaardigende lidstaat te ondergaan wegens een
feit als onder 1° of 2° bedoeld.
2.De in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, bedoelde lijst kan,
wanneer de Raad van de Europese Unie besluit tot uitbreiding of
wijziging van de daarop vermelde strafbare feiten, bij algemene
maatregel van bestuur worden herzien. De voordracht voor deze algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat
het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
3.Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 2°,
wordt onder een naar Nederlands recht strafbaar feit mede verstaan een
feit waardoor inbreuk is gemaakt op de rechtsorde van de verzoekende
staat, terwijl krachtens de Nederlandse wet eenzelfde inbreuk op de
Nederlandse rechtsorde strafbaar is.
4.Artikel 51a van de Uitleveringswet is van overeenkomstige
toepassing op overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie.
Artikel 8
Met vrijheidsstraffen van langere duur dan twaalf maanden worden voor
de toepassing van deze wet gelijkgesteld: levenslange vrijheidsstraffen
en vrijheidsstraffen van onbepaalde duur.
Artikel 9
1. Overlevering van de opgeëiste persoon wordt niet toegestaan
voor een feit ter zake waarvan:
a. tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is;
b. hij in Nederland is vervolgd maar hernieuwde vervolging is
uitgesloten op grond van artikel 255, eerste of tweede lid, of
artikel 255a, eerste of tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering, dan wel in Nederland het recht tot strafvordering
is vervallen omdat hij aan voorwaarden heeft voldaan die door de
officier van justitie voor aanvang van de terechtzitting ter
voorkoming van de strafvervolging zijn gesteld;
c. hij naar het recht van een andere lidstaat niet meer kan
worden vervolgd, ten gevolge van een in die lidstaat ter zake van
hetzelfde feit genomen onherroepelijke beslissing;
d. hij bij gewijsde van de Nederlandse rechter is vrijgesproken
of ontslagen van rechtsvervolging, dan wel te zijnen aanzien een
overeenkomstige onherroepelijke beslissing door een rechter van
een andere lidstaat van de Europese Unie of van een derde land is
genomen;
e. hij bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld, in gevallen
waarin:
1º. de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan;
2º. de opgelegde straf of maatregel niet meer voor
tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging vatbaar is;
3º. de veroordeling een schuldigverklaring zonder
oplegging van straf of maatregel inhoudt;
4º. de opgelegde straf of maatregel in Nederland wordt
ondergaan;
f. naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend,
maar wegens verjaring geen vervolging, of, zo de overlevering is
gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een straf of
maatregel, geen bestraffing meer kan plaatshebben.
2. Onderdeel a van het eerste lid lijdt uitzondering in gevallen
waarin Onze Minister na advies van het openbaar ministerie en
voorafgaand aan de beslissing tot overlevering opdracht heeft gegeven
de vervolging te staken.
3. Onderdeel b van het eerste lid lijdt uitzondering in gevallen
waarin de vervolging in Nederland is gestaakt, hetzij omdat de
Nederlandse strafwet op grond van een van de artikelen 2 tot en met 8
van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing bleek te zijn,
hetzij omdat aan berechting in het buitenland de voorkeur werd
gegeven.
Artikel 10
Overlevering wordt niet toegestaan indien de opgeëiste persoon ten
tijde van het begaan van het strafbare feit de leeftijd van twaalf jaren
nog niet heeft bereikt.
Artikel 11
Overlevering wordt niet toegestaan in gevallen, waarin naar het
oordeel van de rechtbank een op feiten en omstandigheden gebaseerd
gegrond vermoeden bestaat, dat inwilliging van het verzoek zou leiden
tot flagrante schending van de fundamentele rechten van de betrokken
persoon, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te
Rome tot stand gekomen Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden.
Artikel 12
Overlevering wordt niet toegestaan indien het Europees
aanhoudingsbevel strekt tot tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de
verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter
terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, tenzij in het Europees
aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig de
procedurevoorschriften van uitvaardigende lidstaat:
a. de verdachte tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op
de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter
terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid of anderszins
daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de
plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op
ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de
voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een
vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting
verschijnt; of
b. de verdachte op de hoogte was van de behandeling ter
terechtzitting en een door hem gekozen of een hem van overheidswege
toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren en
dat die advocaat ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd;
of
c. de verdachte nadat het vonnis aan hem was betekend en hij
uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een
verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het
recht heeft aanwezig te zijn en tijdens welke de zaak opnieuw ten
gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten,
die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis:
1°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij het vonnis
niet betwist; of
2°. niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger
beroep heeft aangetekend; of
d. het vonnis niet in persoon aan de verdachte is betekend, maar:
1°. hem na zijn overlevering onverwijld in persoon zal
worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd
over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger
beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de
zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal
wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het
oorspronkelijke vonnis en
2°. hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij
verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het
desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Artikel 12a
1. In de gevallen als bedoeld in artikel 12, onderdeel d, kan de
persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en
die nog niet officieel van de tegen hem ingestelde strafprocedure in
kennis is gesteld, hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van de
officier van justitie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om
een afschrift van het vonnis dat ten grondslag ligt aan het Europees
aanhoudingsbevel, verzoeken.
2. Nadat de officier van justitie een afschrift van het vonnis van
de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft ontvangen, verstrekt
hij dit onverwijld aan de persoon tegen wie het Europees
aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.
3. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid en het tijdstip van
verstrekking van het afschrift van het vonnis kan geen afbreuk doen
aan de behandeling van het Europees aanhoudingsbevel binnen de in
artikel 22gestelde termijnen.
Artikel 13
1.Overlevering wordt niet toegestaan indien het Europees
aanhoudingsbevel betrekking heeft op een strafbaar feit dat:
a. geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands
grondgebied of buiten Nederland aan boord van een Nederlands
vaartuig of luchtvaartuig te zijn gepleegd; of
b. buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat is
gepleegd, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen
worden ingesteld indien het feit buiten Nederland zou zijn
gepleegd.
2.Op vordering van de officier van justitie wordt afgezien van een
weigering van de overlevering uitsluitend krachtens het eerste lid,
onder a of b, tenzij naar het oordeel van de rechtbank de officier van
justitie niet in redelijkheid tot zijn vordering heeft kunnen komen.
Artikel 14
1.Overlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding,
dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd, gestraft of op
enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van
feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en
waarvoor hij niet is overgeleverd, tenzij:
a. de opgeëiste persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid
had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling
het grondgebied van de lidstaat waaraan hij is overgeleverd, heeft
verlaten of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar
is teruggekeerd;
b. de feiten niet zijn bedreigd met een vrijheidsstraf;
c. de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van enige
maatregel die de vrijheid beperkt;
d. het gaat om de tenuitvoerlegging van een andere dan een
vrijheidsstraf, met inbegrip van een vervangende straf waaronder
vervangende hechtenis;
e. de opgeëiste persoon na zijn overlevering uitdrukkelijk met
een vervolging heeft ingestemd; of
f. daartoe voorafgaand toestemming aan de officier van justitie
wordt gevraagd en deze is verkregen.
2.Overlevering wordt voorts niet toegestaan dan onder het algemene
beding, dat de opgeëiste persoon niet ter beschikking zal worden
gesteld van de autoriteiten van een andere lidstaat van de Europese
Unie, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn
overlevering zijn begaan, tenzij:
a. de opgeëiste persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid
had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling
het grondgebied van de lidstaat waaraan hij is overgeleverd, heeft
verlaten of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar
is teruggekeerd;
b. de opgeëiste persoon na zijn overlevering daarmee
uitdrukkelijk heeft ingestemd; of
c. daartoe voorafgaand toestemming wordt gevraagd aan de
officier van justitie en deze is verkregen.
3.De officier van justitie geeft op verzoek van de uitvaardigende
justitiële autoriteit en op basis van het overgelegde Europees
aanhoudingsbevel met bijbehorende vertaling de in het eerste lid,
onder f, of het tweede lid, onder c, bedoelde toestemming ten aanzien
van feiten waarvoor krachtens deze wet overlevering had kunnen worden
toegestaan. De beslissing op een verzoek wordt in elk geval binnen
dertig dagen na de ontvangst ervan genomen.
4.Overlevering wordt voorts niet toegestaan dan onder het algemene
beding, dat de opgeëiste persoon niet ter beschikking zal worden
gesteld van de autoriteiten van een derde staat, ter zake van feiten
die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan, tenzij
daartoe voorafgaand toestemming wordt verzocht aan Onze Minister en
deze is verkregen.
Afdeling 2. Procedure voor overlevering
§ A. Voorlopige aanhouding
Artikel 15
Op basis van een signalering als bedoeld in artikel 4, eerste en
tweede lid, kan de voorlopige aanhouding worden bevolen van een zich in
Nederland bevindende opgeëiste persoon.
Artikel 16
Een vreemdeling die op grond van artikel 54, vierde lid, van het
Wetboek van Strafvordering is aangehouden, kan op bevel van de officier
of hulpofficier van justitie in het arrondissement waar hij werd
aangehouden worden opgehouden, indien gegronde redenen bestaan voor de
verwachting dat te zijnen aanzien onverwijld een signalering als bedoeld
in artikel 4, eerste en tweede lid, zal worden gedaan dan wel een
Europees aanhoudingsbevel zal worden ontvangen. Artikel 61, eerste en
derde lid, van dat wetboek is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17
1.Elke officier van justitie of hulpofficier van justitie is
bevoegd de voorlopige aanhouding van een opgeëiste persoon
overeenkomstig artikel 15 te bevelen.
2.Kan het optreden van de officier van justitie of de hulpofficier,
bedoeld in het eerste lid, niet worden afgewacht, dan is elke
opsporingsambtenaar bevoegd de opgeëiste persoon aan te houden onder
de verplichting zorg te dragen dat hij zo spoedig mogelijk wordt
voorgeleid voor de officier van justitie of de hulpofficier van
justitie.
3.Na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, kan elke officier van
justitie of hulpofficier bevelen dat hij gedurende drie dagen, te
rekenen vanaf het tijdstip van de voorlopige aanhouding, in
verzekering gesteld zal blijven. De termijn van inverzekeringstelling
kan door de officier van justitie bij het arrondissementsparket te
Amsterdam éénmaal met drie dagen worden verlengd.
4.Indien de opgeëiste persoon buiten het arrondissement Amsterdam
is aangehouden en in verzekering is gesteld, wordt hij binnen de
termijnen van het derde lid overgedragen aan de officier van justitie
bij het arrondissementsparket te Amsterdam.
5.Het vierde lid kan buiten toepassing blijven indien de opgeëiste
persoon tegenover de officier van justitie in het arrondissement waar
hij is aangehouden heeft verklaard, in te stemmen met zijn
onmiddellijke overlevering, de officier van justitie bij het
arrondissementsparket te Amsterdam heeft beslist dat de opgeëiste
persoon ter beschikking zal worden gesteld van de uitvaardigende
justitiële autoriteit en de feitelijke overlevering kan plaatsvinden
binnen de termijnen van het derde lid.
6.De opgeëiste persoon kan te allen tijde door de officier van
justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam in vrijheid worden
gesteld.
Artikel 18
1.De rechter-commissaris kan, op vordering van de officier van
justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam, de bewaring van
de opgeëiste persoon bevelen.
2.Alvorens een bevel ingevolge het eerste lid te geven, hoort de
rechter-commissaris zo mogelijk de opgeëiste persoon.
Artikel 19
Een opgeëiste persoon wiens bewaring overeenkomstig artikel 18 is
bevolen, wordt – behoudens de mogelijkheid van verdere
vrijheidsbeneming uit anderen hoofde – in vrijheid gesteld:
a. zodra zulks door de rechtbank, de rechter-commissaris of de
officier van justitie, ambtshalve of op verzoek van de opgeëiste
persoon of diens raadsman, wordt gelast;
b. zodra de bewaring twintig dagen heeft geduurd en het Europees
aanhoudingsbevel nog niet is ontvangen.
§ B. Aanhouding
Artikel 20
1. Een Europees aanhoudingsbevel wordt, zo het niet aan de officier
van justitie is toegezonden, onverwijld aan hem doorgezonden.
2. Een Europees aanhoudingsbevel kan slechts in behandeling worden
genomen, indien het voldoet aan de vereisten omschreven in artikel 2.
3. Indien een Europees aanhoudingsbevel naar het oordeel van de
officier van justitie niet voldoet aan de eisen omschreven in artikel
2 biedt hij de uitvaardigende justitiële autoriteit de gelegenheid
tot completering of verbetering.
4. Indien naar het oordeel van de officier van justitie naast het
Europees aanhoudingsbevel aanvullende gegevens noodzakelijk zijn, met
name in verband met de artikelen 7 tot en met 9 en 11 tot en met 13,
stelt hij de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid
tot completering of verbetering, rekening houdend met de in artikel 22
genoemde termijnen.
Artikel 21
1.De opgeëiste persoon kan op basis van een Europees
aanhoudingsbevel dat voldoet aan de vereisten omschreven in artikel 2,
zonder verdere formaliteiten worden aangehouden.
2.Het eerste lid blijft buiten toepassing zolang de opgeëiste
persoon in Nederland immuniteit geniet van strafvervolging en van de
tenuitvoerlegging van straffen. De uitvaardigende justitiële
autoriteit wordt over het bestaan en de aard van de immuniteit
onverwijld in kennis gesteld, met het verzoek om bericht zodra de
immuniteit is opgeheven.
3.Indien de opgeëiste persoon reeds overeenkomstig artikel 17
voorlopig werd aangehouden, wordt de voorlopige aanhouding omgezet in
een aanhouding als bedoeld in het eerste lid, te rekenen vanaf de dag
dat het aanhoudingsbevel door de officier van justitie overeenkomstig
artikel 20, tweede lid, in behandeling is genomen. De opgeëiste
persoon wordt van die omzetting in kennis gesteld, onder vermelding
dat de aanhouding voortduurt tot het tijdstip waarop de rechtbank over
zijn gevangenhouding beslist.
4.De opgeëiste persoon die overeenkomstig het eerste lid werd
aangehouden, wordt binnen vierentwintig uren na zijn aanhouding geleid
voor de officier van justitie, of bij diens afwezigheid, voor de
hulpofficier van justitie in het arrondissement waar hij werd
aangehouden.
5.De officier van justitie of hulpofficier van justitie, als
bedoeld in het vierde lid, kan bevelen dat de opgeëiste persoon
gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding,
in verzekering gesteld zal blijven.
6.Indien de opgeëiste persoon buiten het arrondissement Amsterdam
is aangehouden en in verzekering is gesteld, wordt hij binnen de
termijn van inverzekeringstelling overgedragen aan de officier van
justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam.
7.Het zesde lid kan buiten toepassing blijven indien de opgeëiste
persoon tegenover de officier van justitie in het arrondissement waar
hij is aangehouden heeft verklaard, in te stemmen met zijn
onmiddellijke overlevering, de officier van justitie bij het
arrondissementsparket te Amsterdam heeft beslist dat de opgeëiste
persoon ter beschikking zal worden gesteld van de uitvaardigende
justitiële autoriteit en de feitelijke overlevering binnen de termijn
van de inverzekeringstelling kan plaatsvinden.
8.Na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, kan de officier van
justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam bevelen dat deze
in verzekering gesteld zal blijven tot het tijdstip waarop de
rechtbank over zijn gevangenhouding beslist.
9.Het bevel tot inverzekeringstelling kan te allen tijde zowel door
de rechtbank te Amsterdam als door de officier van justitie te
Amsterdam, ambtshalve of op verzoek van de opgeëiste persoon of diens
raadsman, worden opgeheven.
§ C. Beslissing over de overlevering
Artikel 22
1.De uitspraak, houdende de beslissing over de overlevering dient
door de rechtbank te worden gedaan uiterlijk zestig dagen na de
aanhouding van de opgeëiste persoon, bedoeld in artikel 21.
2.Indien de overlevering mede afhankelijk is van de instemming van
de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat of van een derde staat,
begint de in het eerste lid genoemde termijn te lopen vanaf de dag dat
de vereiste instemming is ontvangen.
3.In uitzonderlijke gevallen en onder opgave van redenen aan de
uitvaardigende justitiële autoriteit kan de rechtbank de termijn van
zestig dagen met maximaal dertig dagen verlengen.
4.Indien de rechtbank binnen de in het derde lid bedoelde termijn,
nog geen uitspraak heeft gedaan kan de rechtbank de termijn opnieuw
verlengen voor onbepaalde tijd, onder gelijktijdige schorsing, onder
het stellen van voorwaarden, van de vrijheidsbeneming van de
opgeëiste persoon en inkennisstelling van de uitvaardigende
justitiële autoriteit.
Artikel 23
1.Indien de officier van justitie reeds aanstonds van oordeel is
dat de overlevering niet kan worden toegestaan op grond van het
voorliggende Europees aanhoudingsbevel, stelt hij de uitvaardigende
justitiële autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis.
2.In alle andere gevallen vordert hij uiterlijk op de derde dag na
de ontvangst van het Europees aanhoudingsbevel schriftelijk, dat de
rechtbank het aanhoudingsbevel in behandeling zal nemen. Hij legt
daartoe het Europees aanhoudingsbevel met bijbehorende vertaling en,
in voorkomend geval, van de uitvaardigende justitiële autoriteit
ontvangen aanvullende informatie aan de rechtbank over.
3.Een afschrift van de krachtens het tweede lid vereiste vordering,
met als bijlage een kopie van het Europees aanhoudingsbevel, de
bijbehorende vertaling en, in voorkomend geval, de aanvullende
informatie wordt aan de opgeëiste persoon betekend. De eerste volzin
geldt eveneens in het geval dat de officier van justitie naar
aanleiding van een naderhand ontvangen ander Europees aanhoudingsbevel
zijn vordering heeft aangevuld of gewijzigd. Van de ontvangst van
aanvullende stukken, die in het dossier worden gevoegd, wordt de
opgeëiste persoon mededeling gedaan.
4.Het derde lid is van overeenkomstige toepassing indien de
officier naar aanleiding van een naderhand ontvangen
uitleveringsverzoek zijn vordering heeft aangevuld of gewijzigd.
5.Indien tegen de opgeëiste persoon in Nederland een
strafvervolging gaande is voor het feit dat aan het Europees
aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, zendt de officier van justitie
eveneens een afschrift van zijn vordering ter kennisneming aan de
officier van justitie die met de vervolging is belast, met het verzoek
hem onverwijld te informeren of de vervolging kan worden gestaakt.
6.Indien tegen de opgeëiste persoon in Nederland een
strafvervolging gaande is voor een ander feit dan aan het Europees
aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, zendt de officier van justitie
eveneens een afschrift van zijn vordering ter kennisneming aan de
officier van justitie die met de vervolging is belast, met het verzoek
hem onverwijld te informeren over de stand van zaken met betrekking
tot die vervolging.
Artikel 24
1. Dadelijk na de ontvangst van de in artikel 23, tweede lid,
bedoelde vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank, rekening
houdend met de termijnen, genoemd in artikel 22, het tijdstip waarop
de opgeëiste persoon door de rechtbank zal worden gehoord. Hij kan
daarbij diens medebrenging bevelen.
2. De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van
justitie en aan de opgeëiste persoon mededeling van het voor het
verhoor bepaalde tijdstip. Die mededeling – alsmede, zo een bevel
tot medebrenging is gegeven, een afschrift van dat bevel – wordt aan
de opgeëiste persoon betekend.
3. Indien niet blijkt dat de opgeëiste persoon reeds een raadsman
heeft, geeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor
rechtsbijstand last tot toevoeging van een raadsman.
Artikel 25
1.Het verhoor van de opgeëiste persoon geschiedt in het openbaar,
tenzij deze een behandeling van de zaak met gesloten deuren verlangt
of de rechtbank om gewichtige, in het proces-verbaal der zitting te
vermelden redenen sluiting der deuren beveelt.
2.Het verhoor heeft plaats in tegenwoordigheid van de officier van
justitie.
3.Bij zijn verhoor kan de opgeëiste persoon zich door zijn
raadsman doen bijstaan.
4.Is de opgeëiste persoon niet verschenen en acht de rechtbank
zijn aanwezigheid bij het verhoor wenselijk, dan gelast de rechtbank,
rekening houdend met de termijnen genoemd in artikel 22, tegen een
door haar te bepalen tijdstip diens dagvaarding, zo nodig onder
bijvoeging van een bevel tot medebrenging.
Artikel 26
1. De rechtbank onderzoekt de identiteit van de opgeëiste persoon
op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van
het Wetboek van Strafvordering, alsmede de ontvankelijkheid van het
Europees aanhoudingsbevel en de mogelijkheid van overlevering. De
rechtbank is tevens bevoegd de identiteit van de opgeëiste persoon
vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, van
dat wetboek, indien over zijn identiteit twijfel bestaat. Artikel 29a,
tweede lid, van dat wetboek is van overeenkomstige toepassing.
2. De officier van justitie geeft ter zitting van de rechtbank zijn
opvatting over de verzochte overlevering en legt een schriftelijke
samenvatting, waarin, in voorkomend geval, de beslissing tot staking
van de vervolging is vermeld, aan de rechtbank over. De opgeëiste
persoon en diens raadsman worden eveneens in de gelegenheid gesteld
tot het maken van ter zake dienende opmerkingen omtrent het Europees
aanhoudingsbevel en de in verband daarmede te nemen beslissingen.
3. In geval van samenloop van Europese aanhoudingsbevelen vermeldt
de officier van justitie eveneens aan welk van de Europese
aanhoudingsbevelen – voor zover de overlevering op basis daarvan kan
worden toegestaan – voorrang zal worden gegeven, daarbij rekening
houdend met het belang van een goede rechtsbedeling en voorts in het
bijzonder met:
a. de meerdere of mindere ernst van de verschillende feiten
waarvoor de overlevering is gevraagd;
b. de plaats of plaatsen waar de feiten zijn begaan;
c. de data van de onderscheiden Europese aanhoudingsbevelen;
d. het doel van de overlevering;
e. de mate waarin de nationaliteit van de opgeëiste persoon
een belemmering zal vormen voor verderlevering;
f. de mogelijkheid dat de opgeëiste persoon, nadat hij naar
het grondgebied van een van de betrokken lidstaten is verwijderd,
vervolgens door de justitiële autoriteiten van die lidstaat ter
beschikking wordt gesteld van de uitvaardigende justitiële
autoriteit van een andere lidstaat.
4. Beweert de opgeëiste persoon niet schuldig te zijn aan de
feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, dan dient hij dat
tijdens het verhoor aan te tonen en onderzoekt de rechtbank die
bewering.
5. Indien de rechtbank zulks met het oog op het door haar krachtens
het eerste lid in te stellen onderzoek noodzakelijk acht, gelast zij,
rekening houdend met de termijnen, genoemd in artikel 22, – zo nodig
onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging – tegen een door
haar te bepalen tijdstip de dagvaarding of schriftelijke oproeping van
getuigen of deskundigen.
Artikel 27
1.Op vordering van de officier van justitie kan de rechtbank ter
zitting de gevangenneming van de opgeëiste persoon bevelen.
2.Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten, beslist de
rechtbank ambtshalve, met inachtneming van het bepaalde in artikel 22,
omtrent de gevangenhouding van de opgeëiste persoon, zo deze in
bewaring of in verzekering is gesteld.
Artikel 28
1.Uiterlijk veertien dagen na de sluiting van het onderzoek ter
zitting doet de rechtbank uitspraak over de overlevering. De uitspraak
wordt met redenen omkleed.
2.Bevindt de rechtbank, hetzij dat het Europees aanhoudingsbevel
niet voldoet aan de vereisten van artikel 2, hetzij dat de
overlevering niet kan worden toegestaan, hetzij dat ten aanzien van de
opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld
aan de feiten waarvoor zijn overlevering is gevraagd, dan weigert zij
bij haar uitspraak de overlevering.
3.In andere dan de in het tweede lid voorziene gevallen staat de
rechtbank bij haar uitspraak overlevering toe, tenzij zij van oordeel
is dat met toepassing van het bepaalde in artikel 13 de overlevering
dient te worden geweigerd.
4.Indien uitvaardigende justitiële autoriteiten van twee of meer
lidstaten de overlevering van dezelfde persoon hebben gevraagd,
bevestigt de rechtbank het oordeel van de officier van justitie aan
welk van de Europese aanhoudingsbevelen – voor zover de overlevering
op basis daarvan kan worden toegestaan – voorrang dient te worden
gegeven, tenzij naar het oordeel van de rechtbank de officier van
justitie met inachtneming van de daarvoor gestelde criteria niet in
redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.
5.In een uitspraak als bedoeld in dit artikel worden de
toepasselijke wetsbepalingen, alsmede – in voorkomend geval – het
feit of de feiten waarvoor de overlevering wordt toegestaan en de
letterlijke tekst van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit
afgegeven garanties, bedoeld in artikel 6, eerste lid, en in artikel
12 vermeld.
6.Wordt de overlevering toegestaan niettegenstaande een bewering
van de persoon overeenkomstig artikel 26, vierde lid, dan vermeldt de
uitspraak hetgeen de rechtbank te dien aanzien heeft bevonden.
Artikel 29
1.De uitspraak van de rechtbank is dadelijk uitvoerbaar, tenzij er
ten aanzien van de opgeëiste persoon een concurrerend
uitleveringsverzoek of overleveringsverzoek van het Internationaal
Strafhof of van een ander internationaal tribunaal is ontvangen, dat
in behandeling is genomen.
2.Tegen de uitspraak van de rechtbank staat geen rechtsmiddel open,
anders dan beroep in cassatie in het belang der wet, bedoeld in
artikel 456 van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 30
1.De artikelen 37 tot en met 39, 45 tot en met 49, 50, eerste lid,
260, eerste lid, 268, 269, vijfde lid, 271, 272, 273, derde lid, 274
tot en met 277, 279, 281, 286, 288, vierde lid, 289, eerste en derde
lid, 290 tot en met 301, 318 tot en met 322, 324 tot en met 327, 328
tot en met 331, 345, eerste lid, 346, 357, 362, 363 en 365 van het
Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
2.De in het eerste lid genoemde artikelen vinden geen toepassing
voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet
of slechts ten dele blijkt.
Artikel 31
1.De uitspraak van de rechtbank wordt aan de opgeëiste persoon die
bij de voorlezing daarvan niet tegenwoordig is geweest, betekend.
Daarbij wordt hem meegedeeld dat hij tegen de uitspraak geen
rechtsmiddel kan instellen.
2.Indien ten aanzien van de opgeëiste persoon een concurrerend
uitleveringsverzoek of overleveringsverzoek van het Internationaal
Strafhof of een ander internationaal tribunaal in behandeling is
genomen, wordt de opgeëiste persoon eveneens meegedeeld dat Onze
Minister, met inachtneming van artikel 35 van de Uitleveringswet
respectievelijk artikel 31 van de Uitvoeringswet Internationaal
Strafhof of andere toepasselijke wetgeving, zal beslissen of aan de
uitspraak van de rechtbank gevolg wordt gegeven, dan wel of betrokkene
wordt uitgeleverd respectievelijk wordt overgeleverd aan het
Internationaal Strafhof of aan een ander internationaal tribunaal.
3.De griffier van de rechtbank zendt uiterlijk drie dagen na de
uitspraak het Europees aanhoudingsbevel met de daarbij behorende
stukken terug aan de officier van justitie.
4.In de gevallen bedoeld in het tweede lid zendt de griffier van de
rechtbank tevens een afschrift van het Europees aanhoudingsbevel met
de daarbij behorende stukken aan Onze Minister.
Artikel 32
De officier van justitie brengt de uitspraak van de rechtbank
onverwijld ter kennis van de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Indien de overlevering is toegestaan, vermeldt hij hetzij de termijn
waarbinnen de overlevering dient plaats te vinden, hetzij het bestaan
van een concurrerend uitleveringsverzoek of een overleveringsverzoek van
het Internationaal Strafhof of een ander internationaal tribunaal.
§ D. Voortgezette vrijheidsbeneming en feitelijke overlevering
Artikel 33
Een krachtens artikel 27 bevolen vrijheidsbeneming wordt –
behoudens de mogelijkheid van verdere vrijheidsbeneming uit anderen
hoofde – beëindigd zodra:
a. zulks door de rechtbank of door de officier van justitie,
ambtshalve of op verzoek van de opgeëiste persoon of diens
raadsman, wordt gelast;
b. zij sedert de dag van de uitspraak tien dagen heeft geduurd,
tenzij de rechtbank, op vordering van de officier van justitie, de
vrijheidsbeneming inmiddels heeft verlengd.
Artikel 34
1.Verlenging van de vrijheidsbeneming als bedoeld in artikel 33,
onderdeel b, kan voor ten hoogste tien dagen geschieden.
2.In afwijking van het eerste lid kan de vrijheidsbeneming telkens
worden verlengd met ten hoogste dertig dagen indien:
a. ook de uitlevering is gevraagd of de overlevering door het
Internationaal Strafhof of een ander internationaal tribunaal, en
Onze Minister nog niet op die verzoeken heeft beslist;
b. de overlevering wel is toegestaan, maar de feitelijke
overlevering niet binnen de gestelde termijn heeft kunnen
plaatshebben.
3.De opgeëiste persoon wordt in de gelegenheid gesteld op de
vordering tot verlenging te worden gehoord.
Artikel 35
1.Zo spoedig mogelijk na de uitspraak waarbij de overlevering
geheel of gedeeltelijk is toegestaan, maar niet later dan tien dagen
na de datum van deze uitspraak, wordt de opgeëiste persoon feitelijk
overgeleverd. De officier van justitie bepaalt, na overleg met de
uitvaardigende justitiële autoriteit, de tijd en plaats.
2.Indien door bijzondere omstandigheden de feitelijke overlevering
niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn kan plaatsvinden,
wordt in onderling overleg een nieuwe datum bepaald. De feitelijke
overlevering vindt alsdan uiterlijk tien dagen na de vastgestelde
datum plaats.
3.Feitelijke overlevering kan bij wijze van uitzondering achterwege
blijven zolang er ernstige humanitaire redenen bestaan die aan de
feitelijke overlevering in de weg staan, in het bijzonder zolang het
gelet op de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon niet
verantwoord is om te reizen. De uitvaardigende justitiële autoriteit
wordt onverwijld hiervan in kennis gesteld. De officier van justitie
bepaalt, na overleg met de uitvaardigende justitiële autoriteit, de
tijd en plaats waarop de feitelijke overlevering alsnog kan
plaatsvinden. De feitelijke overlevering vindt alsdan uiterlijk tien
dagen na de vastgestelde datum plaats.
4.De vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon wordt beëindigd
na het verstrijken van de in het eerste tot en met derde lid genoemde
termijnen.
Artikel 36
1.De beslissing omtrent de tijd en de plaats van de feitelijke
overlevering wordt aangehouden, indien en zolang tegen de opgeëiste
persoon een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is, of een
door een Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel
of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar is.
2.In gevallen als voorzien in het eerste lid kan Onze Minister, na
advies van het openbaar ministerie, bepalen dat en onder welke
voorwaarden de opgeëiste persoon ten behoeve van diens berechting
reeds aanstonds voorlopig ter beschikking van de uitvaardigende
justitiële autoriteit kan worden gesteld.
3.In geval van toepassing van het tweede lid bericht de officier
van justitie dat de opgeëiste persoon voorlopig ter beschikking zal
worden gesteld van de uitvaardigende justitiële autoriteit, met wie
hij ook de daaraan verbonden voorwaarden schriftelijk overeenkomt.
4.Ondergaat de opgeëiste persoon, te wiens aanzien het derde lid
wordt toegepast, een vrijheidsstraf, dan komt de tijd gedurende welke
hij in het buitenland ter beschikking van de uitvaardigende
justitiële autoriteit is, in mindering op zijn straftijd.
Artikel 37
1.Indien zulks voor de toepassing van artikel 35, eerste of tweede
lid, noodzakelijk is, wordt de opgeëiste persoon op bevel van de
officier van justitie aangehouden voor ten hoogste drie dagen. Indien
de feitelijke overlevering niet binnen de termijn van drie dagen heeft
kunnen plaatsvinden, kan het bevel tot aanhouding door de officier van
justitie eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden verlengd.
2.Na verlenging van de in het eerste lid bedoelde termijn door de
officier van justitie, kan deze uitsluitend op vordering van de
officier van justitie door de rechtbank voor ten hoogste tien dagen
worden verlengd.
3.Een verlenging als bedoeld in het tweede lid kan alleen
geschieden wanneer de feitelijke overlevering door bijzondere
omstandigheden niet binnen de termijn van zes dagen, ingevolge het
eerste lid, heeft kunnen plaatshebben.
Artikel 38
Bij de feitelijke overlevering deelt de officier van justitie aan de
uitvaardigende justitiële autoriteit of, in voorkomend geval, aan de
bevoegde centrale autoriteit de duur van de vrijheidsbeneming van de
opgeëiste persoon met het oog op zijn overlevering, mee.
§ E. Verkorte procedure
Artikel 39
1. De opgeëiste persoon die overeenkomstigartikel 4, eerste of
tweede lid, is gesignaleerd ter fine van aanhouding met het oog op
zijn overlevering of ten aanzien van wie een Europees aanhoudingsbevel
is ontvangen, kan, uiterlijk op de dag voorafgaande aan die welke
overeenkomstig artikel 24 is bepaald voor zijn verhoor door de
rechtbank, verklaren dat hij instemt met zijn onmiddellijke
overlevering.
2. Een verklaring overeenkomstig het eerste lid kan op het moment
van inverzekeringstelling worden afgelegd voor elke officier van
justitie. Nadien kan de verklaring uitsluitend worden afgelegd ten
overstaan van de officier van justitie bij het arrondissementsparket
te Amsterdam of de rechter-commissaris. De afgelegde verklaring kan
niet worden herroepen.
3. De officier van justitie, bedoeld in het tweede lid, tweede
volzin, of de rechter-commissaris is bevoegd de identiteit van de
opgeëiste persoon vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel
27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering. Artikel 29a, tweede lid, van dat wetboek is van
overeenkomstige toepassing.
4. De opgeëiste persoon kan zich bij het afleggen van de
verklaring doen bijstaan door een raadsman. Hierop wordt, zo hij
zonder raadsman verschijnt, zijn aandacht gevestigd door de
justitiële autoriteit, bevoegd tot het in ontvangst nemen van de
verklaring.
5. Voordat hij de verklaring aflegt, wordt de opgeëiste persoon op
de mogelijke gevolgen daarvan, in het bijzonder het bepaalde in
artikel 43, derde lid, gewezen. Van de verklaring wordt proces-verbaal
opgemaakt.
6. De rechter-commissaris ten overstaan van wie de verklaring is
afgelegd, zendt het proces-verbaal daarvan onverwijld aan de officier
van justitie.
Artikel 40
1.Uiterlijk tien dagen nadat een verklaring overeenkomstig artikel
39 is afgelegd, beslist de officier van justitie of de opgeëiste
persoon ter beschikking zal worden gesteld van de uitvaardigende
justitiële autoriteit van wie de signalering als bedoeld inartikel 4,
eerste en tweede lid, of het Europees aanhoudingsbevel is uitgegaan.
2.Het eerste lid blijft buiten toepassing:
a. indien voor het feit of de feiten, in verband waarmede de
signalering is gedaan of het Europees aanhoudingsbevel is
afgegeven, ingevolge een der artikelen 6, tweede lid, en 9 tot en
met 11 geen overlevering kan worden toegestaan;
b. indien blijkt dat tegen de opgeëiste persoon in Nederland
een strafrechtelijke vervolging gaande is of dat tegen hem door
een Nederlandse rechter een nog geheel of ten dele voor
tenuitvoerlegging vatbaar strafvonnis is gewezen.
3.Van elke beslissing, genomen krachtens het eerste lid van dit
artikel, geeft de officier van justitie onverwijld kennis aan de
uitvaardigende justitiële autoriteit.
Artikel 41
1.Indien de officier van justitie overeenkomstig artikel 40 heeft
beslist dat de opgeëiste persoon ter beschikking zal worden gesteld
van de uitvaardigende justitiële autoriteit van de andere lidstaat,
blijft artikel 23, tweede lid, buiten toepassing.
2.Is de in artikel 23, tweede lid, bedoelde vordering reeds bij de
rechtbank ingediend, dan wordt deze onverwijld ingetrokken. De
griffier van de rechtbank stelt alsdan het Europees aanhoudingsbevel,
met de daarbij behorende stukken, weer in handen van de officier van
justitie.
3.Van het intrekken van de vordering geeft de officier van justitie
kennis aan de opgeëiste persoon.
Artikel 42
1.Na de dag waarop hij de in artikel 39 bedoelde verklaring heeft
afgelegd, kan de opgeëiste persoon nog slechts gedurende ten hoogste
twintig dagen in bewaring of in verzekering gesteld blijven.
2.Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien de officier van
justitie heeft beslist dat aan de verklaring geen gevolg zal worden
gegeven en het Europees aanhoudingsbevel, overeenkomstig artikel 23,
tweede lid, aan de rechtbank is overgelegd.
3.De in het eerste lid van dit artikel gestelde termijn kan, op
vordering van de officier van justitie, door de rechtbank telkens met
ten hoogste dertig dagen worden verlengd uitsluitend wanneer de
feitelijke overlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de
termijn van twintig dagen, bedoeld in het eerste lid, heeft kunnen
plaatsvinden.
Artikel 43
1.In geval van toepassing van artikel 40, eerste lid, bepaalt de
officier van justitie, na overleg met de bevoegde buitenlandse
autoriteiten, onverwijld de tijd en de plaats waarop de feitelijke
overlevering zal geschieden.
2.De officier van justitie kan, zo nodig, met het oog op de
feitelijke overlevering krachtens deze paragraaf, de aanhouding van de
opgeëiste persoon bevelen voor ten hoogste drie dagen. Indien de
feitelijke overlevering niet binnen de termijn van drie dagen heeft
kunnen plaatsvinden, kan het bevel tot aanhouding door de officier van
justitie eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden verlengd. Artikel
37, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.In geval van overlevering krachtens deze paragraaf is artikel 14
niet van toepassing.
Hoofdstuk III. Overlevering aan Nederland
Artikel 44
Elke officier van justitie in Nederland kan fungeren als
uitvaardigende justitiële autoriteit.
Artikel 45
1. Bij of in een Europees aanhoudingsbevel dient door de
uitvaardigende officier van justitie te worden verklaard:
a. indien de opgeëiste persoon een onderdaan is van de
uitvoerende lidstaat, dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor
de overlevering kan worden toegestaan in Nederland tot een
onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf
in de uitvoerende lidstaat zal mogen ondergaan;
b. indien het strafbare feit dat aan het Europees
aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, is bedreigd met een
levenslange vrijheidsstraf dat, in voorkomend geval, naar
Nederlands recht de mogelijkheid bestaat van de toepassing van
gratie op de opgelegde straf of maatregel.
2. Aan een verklaring, bedoeld in het eerste lid, is iedere persoon
of instantie die in Nederland is belast met een publieke taak,
gebonden.
Artikel 45a
1. Indien het Europees aanhoudingsbevel strekt tot
tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon
is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis
heeft geleid, verklaart de uitvaardigende officier van justitie in het
Europees aanhoudingsbevel dat:
a. de verdachte tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij
op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling
ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid of anderszins
daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de
plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op
ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de
voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een
vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting
verschijnt; of
b. de verdachte op de hoogte was van de behandeling ter
terechtzitting en een door hem gekozen of een hem van
overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn
verdediging te voeren en dat die advocaat ter terechtzitting zijn
verdediging heeft gevoerd; of
c. de verdachte nadat het vonnis aan hem was betekend en hij
uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een
verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het
recht heeft aanwezig te zijn en tijdens welke de zaak opnieuw ten
gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten,
die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis
uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij het vonnis niet
betwist of niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger
beroep heeft aangetekend; of
d. het vonnis niet in persoon aan de verdachte is betekend,
maar:
1°. hem na zijn overlevering onverwijld in persoon zal
worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd
over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in
hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn,
waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw
bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot
herziening van het oorspronkelijke vonnis en
2°. hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij
verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in
het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
2. Aan een verklaring als bedoeld in onderdeel d van het eerste
lid, is iedere persoon of instantie die in Nederland is belast met een
publieke taak, gebonden.
Artikel 45b
In de gevallen als bedoeld in artikel 45a, eerste lid, onderdeel d,
verstrekt de uitvaardigende officier van justitie op verzoek van de
persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en die
nog niet officieel van de tegen hem ingestelde strafprocedure in kennis
is gesteld, onverwijld en door tussenkomst van de uitvoerende
justitiële autoriteit, een afschrift van het vonnis, dat ten grondslag
ligt aan het Europees aanhoudingsbevel. Artikel 408, tweede lid, van het
Wetboek van Strafvordering is in dit geval niet van toepassing.
Artikel 46
1.De uitvaardigende officier van justitie is bevoegd rechtstreeks
contact te onderhouden met de uitvoerende justitiële autoriteit.
2.Een signalering als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid,
draagt de uitvaardigende officier van justitie op aan de dienst
internationale netwerken, Sirene Nederland van het Korps landelijke
politiediensten, onder overlegging van een gewaarmerkt afschrift van
het door hem afgegeven Europees aanhoudingsbevel.
Artikel 47
De uitvaardigende officier van justitie is met het oog op de
behandeling en uitvoering van het door hem afgegeven Europees
aanhoudingsbevel bevoegd de uitvoerende justitiële autoriteit op
verzoek of eigener beweging aanvullende informatie te verstrekken en, in
voorkomend geval, schriftelijk de voorwaarden overeen te komen in het
geval de opgeëiste persoon voorlopig ter beschikking wordt gesteld.
Artikel 48
De voorwaarden die door de buitenlandse uitvoerende justitiële
autoriteit in overeenstemming met het op 13 juni 2002 door de Raad
vastgestelde kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en
de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie
(PbEG L 190) worden gesteld bij de overlevering van de opgeëiste
persoon aan Nederland, zijn verbindend voor iedere persoon of instantie
die in Nederland is belast met een publieke taak.
Hoofdstuk IV. Andere vormen van rechtshulp
Afdeling 1. Op verzoek van het buitenland
Artikel 49
1.Voorwerpen, aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon,
kunnen op verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit in
beslag worden genomen. De inbeslagneming kan door elke officier of
hulpofficier van justitie worden gelast.
2.Indien de inbeslagneming niet in het arrondissement Amsterdam
heeft plaatsgevonden, wordt de officier van justitie bij het
arrondissementsparket te Amsterdam daarvan in kennis gesteld en worden
voorwerpen bij de overdracht van de opgeëiste persoon of, indien dat
onmogelijk is, zo spoedig mogelijk daarna aan hem overgedragen.
3.Bij de in artikel 23, tweede lid, bedoelde vordering legt de
officier van justitie een lijst van de in beslag genomen voorwerpen
aan de rechtbank over.
Artikel 50
1.De rechtbank beslist bij haar uitspraak over de overlevering
tevens over de afgifte dan wel de teruggave van de in beslag genomen
voorwerpen en vermeldt dit in haar uitspraak. Afgifte van die
voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan alleen
worden bevolen in het geval van inwilliging van het verzoek tot
overlevering.
2.Met het oog op de mogelijke rechten van derden kan de rechtbank
ten aanzien van bepaalde voorwerpen beslissen, dat afgifte slechts mag
geschieden onder het beding, dat die voorwerpen onmiddellijk zullen
worden teruggezonden nadat daarvan het voor de strafvordering nodige
gebruik zal zijn gemaakt.
3.In geval van overlevering overeenkomstig § E van afdeling 2 van
hoofdstuk II, beslist de officier van justitie over de afgifte dan wel
de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen. Hij houdt daarbij,
overeenkomstig het tweede lid, rekening met de mogelijke rechten van
derden.
4.Voorwerpen ten aanzien waarvan de rechtbank de overdracht heeft
toegestaan, worden ook overgedragen indien de opgeëiste persoon
wegens overlijden of ontsnapping niet feitelijk kan worden
overgeleverd.
Artikel 51
1.Vreemdelingen die, ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek
of de tenuitvoerlegging van een strafvonnis, door de uitvoerende
justitiële autoriteit van een lidstaat feitelijk worden overgeleverd
aan de uitvaardigende justitiële autoriteit van een andere lidstaat
of door een derde staat aan een andere lidstaat worden uitgeleverd,
kunnen met toestemming van de officier van justitie over Nederlands
grondgebied worden vervoerd.
2.Toestemming voor vervoer over land wordt gegeven door de officier
van justitie mits de volgende gegevens zijn ontvangen:
a. de identiteit en de nationaliteit van de persoon tegen wie
het Europees aanhoudingsbevel is afgegeven of ten aanzien van wie
een uitleveringsverzoek is gedaan;
b. het bestaan van een Europees aanhoudingsbevel of van een
uitleveringsverzoek aan een derde staat;
c. de aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit;
d. een beschrijving van de omstandigheden waaronder het
strafbare feit is begaan, met inbegrip van tijd en plaats.
3.De in het tweede lid bedoelde toestemming wordt niet gegeven in
gevallen, waarin de door te voeren persoon staat gesignaleerd ter fine
van overlevering aan een andere lidstaat dan die van bestemming, aan
het Internationaal Strafhof of aan een ander internationaal tribunaal
of ter fine van uitlevering aan een derde staat.
4.De doorvoer van Nederlanders kan slechts worden toegestaan voor
zover hun overlevering krachtens deze wet mogelijk is en onder
dezelfde waarborgen.
5.De toestemming van de officier van justitie is niet vereist voor
vervoer door de lucht waarbij geen landing op Nederlands gebied wordt
gemaakt.
6.In geval van een niet voorziene landing op Nederlands grondgebied
kan de vreemdeling, op verzoek van de hem begeleidende buitenlandse
ambtenaren, voorlopig worden aangehouden krachtens een bevel van de
officier of hulpofficier van justitie. Artikel 17 is van
overeenkomstige toepassing.
7.Het vervoer van de voorlopig aangehouden vreemdeling kan worden
voortgezet, zodra de officier van justitie de in het tweede lid
bedoelde informatie heeft ontvangen en daartoe toestemming verleent.
Is de toestemming na afloop van de termijn van inverzekeringstelling
nog niet verleend of binnen die termijn geweigerd, dan wordt de
vreemdeling terstond in vrijheid gesteld, behoudens de mogelijkheid
van verdere vrijheidsbeneming uit anderen hoofde.
Artikel 52
1.Bij vervoer te land, overeenkomstig artikel 51, wordt de bewaking
van de vreemdeling opgedragen aan Nederlandse ambtenaren.
2.Indien het ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet
mogelijk is het vervoer door Nederland zonder onderbreking voort te
zetten, kan de vreemdeling, in afwachting van een passende gelegenheid
tot vertrek naar elders, zo nodig worden opgenomen in een huis van
bewaring, zulks op vertoon van een stuk waaruit de door de officier
van justitie verleende toestemming tot het vervoer blijkt.
3.De kosten verbonden aan het vervoer en de detentie worden in
rekening gebracht bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Artikel 53
1.Aan een verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit om
een opgeëiste persoon die op basis van een door hem afgegeven
Europees aanhoudingsbevel is aangehouden voorafgaand aan diens
overlevering te horen, geeft de officier van justitie zo veel mogelijk
gevolg.
2.Op het verhoor zijn de artikelen 552n en 552o van het Wetboek van
Strafvordering en artikel 4, eerste tot en met derde lid, van de
EU-rechtshulpovereenkomst 2000 van toepassing.
Artikel 54
1.De officier van justitie kan op verzoek van de uitvaardigende
justitiële autoriteit toestaan dat een opgeëiste persoon die op
basis van een Europees aanhoudingsbevel is aangehouden, voorafgaand
aan de beslissing over de overlevering, tijdelijk ter beschikking
wordt gesteld van de uitvaardigende justitiële autoriteit voor het
afleggen van een verklaring.
2.De instemming van de opgeëiste persoon is daartoe vereist.
3.De officier van justitie staat de tijdelijke
terbeschikkingstelling niet toe, indien de opgeëiste persoon daardoor
niet aanwezig zou kunnen zijn op het door de rechtbank, overeenkomstig
artikel 24, eerste lid, bepaalde tijdstip waarop de opgeëiste persoon
zal worden gehoord.
4.De officier van justitie bepaalt daartoe in overleg met de
uitvaardigende justitiële autoriteit de duur van de
terbeschikkingstelling en de voorwaarden waaronder de
terbeschikkingstelling plaatsvindt.
Afdeling 2. Op verzoek van Nederland
Artikel 55
Elke officier van justitie kan de uitvoerende justitiële autoriteit
verzoeken voorwerpen, aangetroffen in het bezit van degene wiens
overlevering hij op basis van een signalering als bedoeld in artikel 4,
eerste en tweede lid of van een Europees aanhoudingsbevel heeft
gevraagd, in beslag te nemen en aan hem over te dragen.
Artikel 56
1.De officier van justitie die een Europees aanhoudingsbevel heeft
uitgevaardigd of een Europees aanhoudingsbevel of uitleveringsverzoek
in behandeling heeft genomen, zendt een verzoek om doorvoer van een
opgeëiste persoon aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de
Europese Unie over wiens grondgebied betrokkene moet worden vervoerd.
2.Een verzoek om doorvoer dient de volgende gegevens te bevatten:
a. de identiteit en de nationaliteit van de persoon tegen wie
het Europees aanhoudingsbevel is afgegeven of ten aanzien van wie
een uitleveringsverzoek is gedaan;
b. het bestaan van een Europees aanhoudingsbevel of van een
uitleveringsverzoek aan een derde staat;
c. de aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit;
d. een beschrijving van de omstandigheden waaronder het
strafbare feit is begaan, met inbegrip van tijd en plaats.
3.Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat over wiens
grondgebied de doorvoer plaatsvindt, worden de kosten van de doorvoer
door de officier van justitie vergoed.
Artikel 57
De officier van justitie kan de uitvoerende justitiële autoriteit
verzoeken om de persoon die op basis van een door hem afgegeven Europees
aanhoudingsbevel is aangehouden, voorafgaand aan de beslissing over
diens overlevering:
a. te horen in zijn aanwezigheid dan wel in de aanwezigheid van
een door hem aangewezen vertegenwoordiger;
b. tijdelijk over te brengen naar Nederland.
Artikel 58
1.In de gevallen bedoeld in artikel 57, onder b, bepaalt de
officier van justitie die het Europees aanhoudingsbevel heeft
uitgevaardigd in overleg met de uitvoerende justitiële autoriteit de
duur van de terbeschikkingstelling en de voorwaarden waaronder de
terbeschikkingstelling plaatsvindt.
2.Gedurende zijn verblijf hier te lande wordt de tijdelijk ter
beschikking gestelde persoon op bevel van de officier van justitie in
verzekering gesteld. De artikelen 61 en 64, eerste lid, zijn, voor
zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk V. Slotbepalingen
Artikel 59
Krachtens deze wet gegeven bevelen tot inverzekeringstelling of
bewaring, dan wel tot verlenging van een termijn van vrijheidsbeneming,
worden gedagtekend en ondertekend. De grond voor uitvaardiging wordt in
het bevel vermeld. Aan degene op wie het bevel betrekking heeft, wordt
onverwijld een afschrift daarvan uitgereikt.
Artikel 60
1.De bevelen tot vrijheidsbeneming, gegeven krachtens deze wet,
zijn dadelijk uitvoerbaar.
2.Bevoegd tot het ten uitvoer leggen van Europese
aanhoudingsbevelen, Nederlandse bevelen tot aanhouding, voorlopige
aanhouding of gevangenneming zijn de in artikel 141 van het Wetboek
van Strafvordering bedoelde ambtenaren.
3.Op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, de in
het eerste lid bedoelde bevelen tot vrijheidsbeneming en de last
daartoe zijn de artikelen 564 tot en met 568 van het Wetboek van
Strafvordering van toepassing.
Artikel 61
Personen die krachtens deze wet in verzekering of in bewaring zijn
gesteld, of wier gevangenneming of gevangenhouding is bevolen, worden
behandeld als verdachten die krachtens het Wetboek van Strafvordering
aan een overeenkomstige maatregel zijn onderworpen.
Artikel 62
1. Het bij en krachtens artikel 40 van het Wetboek van
Strafvordering bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van een krachtens deze wet in verzekering gestelde opgeëiste persoon.
2. Indien een persoon overeenkomstig deze wet zijn vrijheid wordt
ontnomen – anders dan uit kracht van een Europees aanhoudingsbevel
of een Nederlands bevel tot aanhouding of voorlopige aanhouding, dan
wel tot inverzekeringstelling of tot verlenging van de termijn daarvan
– geeft de voorzitter van de rechtbank in het arrondissement waarin
hij zich bevindt een last tot toevoeging aan het bestuur van de raad
voor rechtsbijstand. De officier van justitie geeft de voorzitter
onverwijld schriftelijk kennis, dat toevoeging moet plaatshebben.
Artikel 63
Op de bevelen tot bewaring en gevangenhouding, krachtens deze wet
gegeven, is artikel 66a van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 64
1.In gevallen waarin krachtens deze wet een beslissing omtrent de
vrijheidsbeneming kan of moet worden genomen, kan worden bevolen dat
die vrijheidsbeneming voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst tot
het moment van de uitspraak van de rechtbank waarbij de overlevering
wordt toegestaan. De te stellen voorwaarden mogen alleen strekken ter
voorkoming van vlucht.
2.Op bevelen krachtens het eerste lid gegeven door de rechtbank,
dan wel door de rechter-commissaris, zijn de artikelen 80, met
uitzondering van het tweede lid, en 81 tot en met 88 van het Wetboek
van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
Artikel 65
Op bevelen tot beëindiging van vrijheidsbeneming, krachtens deze wet
gegeven, en op de tenuitvoerlegging van zodanige bevelen zijn de
artikelen 73, 79, 569 en 570 van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 66
De termijnen, genoemd in de artikelen 19, onder b, 22, en 37, eerste
en tweede lid, lopen niet gedurende de tijd dat de betrokkene zich aan
de verdere tenuitvoerlegging van de in die artikelen bedoelde bevelen
heeft onttrokken.
Artikel 66a
Waar in deze wet de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen van
personen, is artikel 131a van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 67
1.In gevallen waarin de overlevering is geweigerd, kan de
rechtbank, op verzoek van de opgeëiste persoon, hem een vergoeding
ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden
ten gevolge van vrijheidsbeneming, bevolen krachtens deze wet. Onder
schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De
artikelen 89, derde, vierde en zesde lid, en 90, 91 en 93 van het
Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
2.In gevallen als bedoeld in het eerste lid vinden de artikelen 591
en 591a van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstige toepassing
op vergoeding van kosten en schaden voor de opgeëiste persoon of
diens erfgenamen. In de plaats van het in die artikelen bedoelde
gerecht treedt de rechtbank.
Artikel 68
Op betekeningen, kennisgevingen en oproepingen, gedaan krachtens deze
wet, zijn de artikelen 585 tot en met 590 van het Wetboek van
Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
Artikel 69
De bepalingen van deze wet zijn niet van toepassing op:
a. overlevering van gedeserteerde schepelingen aan autoriteiten
van de staat waartoe zij behoren;
b. overlevering van leden van een vreemde krijgsmacht en van
personen die met hen zijn gelijkgesteld, aan de bevoegde militaire
autoriteiten, voor zover die overlevering geschiedt krachtens een
overeenkomst met een of meer staten waarmee Nederland
bondgenootschappelijke betrekkingen onderhoudt.
Artikel 70
De officier van justitie draagt zorg voor een halfjaarlijkse
rapportage aan Onze Minister over:
a. het aantal Europese aanhoudingsbevelen dat is ontvangen en in
behandeling is genomen;
b. het aantal malen dat de verkorte procedure is toegepast;
c. het aantal malen dat verhoor door de rechtbank heeft
plaatsgevonden;
d. het aantal malen dat de rechtbank de overlevering heeft
toegestaan en geweigerd;
e. de gemiddelde duur van de procedures, bedoeld onder b en c.
Artikel 71
[Wijzigt de Uitleveringswet]
Artikel 72
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht]
Artikel 73
Onze Minister zendt binnen drie jaren na inwerkingtreding van deze
wet aan de Staten-Generaal een verslag over de toepassing van deze wet
op de overlevering door Nederland, in het bijzonder over de effecten van
de behandeling van overleveringsverzoeken in één instantie.
Artikel 74
1. Deze wet treedt in de relatie met de lidstaten van de Europese
Unie in de plaats van de Uitleveringswet, met uitzondering van de
artikelen 50a en 51 van die wet, en van de in de relatie tussen
Nederland en de lidstaten van de Europese Unie geldende verdragen
inzake de uitlevering, te weten:
a. het op 13 december 1957 te Parijs tot stand gekomen Europees
Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9), het op 15 oktober
1975 te Straatsburg tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij dit
Verdrag (Trb. 1979, 119), het op 17 maart 1978 te Straatsburg tot
stand gekomen Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag (Trb.
1979, 120) en, voor zover het op uitlevering betrekking heeft, het
op 27 januari 1977 te Straatsburg tot stand gekomen Europees
Verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb. 1985, 66);
b. de op 30 augustus 1979 te Wittem tot stand gekomen
Overeenkomst tussen het koninkrijk der Nederlanden en de
Bondsrepubliek Duitsland betreffende de aanvulling en het
vergemakkelijken van de toepassing van het Europees Verdrag
betreffende de uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 1979, nr.
142);
c. afdeling I en voor zover van toepassing afdeling III van het
op 27 juni 1962 te Brussel tot stand gekomen Verdrag aangaande de
uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk
België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der
Nederlanden, zoals gewijzigd bij het op 11 mei 1974 te Brussel tot
stand gekomen protocol (Trb. 1962, 97, en 1974, 11);
d. hoofdstuk III, afdeling 4, van de Uitvoeringsovereenkomst
van Schengen;
e. de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese
Gemeenschappen betreffende de vereenvoudiging en de modernisering
van de wijze van toezending van uitleveringsverzoeken van 26 mei
1989 (Trb. 1990, 97);
f. de op 10 maart 1995 te Brussel tot stand gekomen
Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag
betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot
uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie (Trb. 1995,
10);
g. de op 27 september 1996 te Dublin tot stand gekomen
Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag
betreffende de Europese Unie betreffende uitlevering tussen de
lidstaten van de Europese Unie (Trb. 1996, 304).
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing in relatie tot een
andere lidstaat van de Europese Unie voorzover en voorzolang die
lidstaat niet de maatregelen heeft getroffen die noodzakelijk zijn om
aan het op 13 juni 2003 te Brussel totstandgekomen kaderbesluit van de
Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van
overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (PbEG L 190) te
voldoen.
3. Voor zover de Raad van de Europese Unie een besluit neemt dat
afwijkt van het eerste of tweede lid, kan daaraan bij algemene
maatregel van bestuur uitvoering worden gegeven.
4. De Uitleveringswet blijft van toepassing op de behandeling van
een verzoek tot uitlevering en op de in verband daarmede te nemen
beslissingen, in gevallen waarin de stukken betreffende dat verzoek
vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet zijn
ontvangen door Onze Minister.
5. Een opgeëiste persoon die op het tijdstip van het in werking
treden van deze wet is gedetineerd ingevolge een bevel gegeven
krachtens artikel 14, 13a of 15 van de Uitleveringswet, wordt, zo het
Europees aanhoudingsbevel nog niet is ontvangen, beschouwd en
behandeld als een persoon die krachtens artikel 16, 17 of 18 van deze
wet in bewaring wordt gehouden of in verzekering is gesteld.
Artikel 75
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2004. Indien het
Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31
december 2003, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 76
Deze wet wordt aangehaald als: Overleveringswet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
's-Gravenhage, 29 april 2004
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de elfde mei 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage 1 bij de Overleveringswet
Lijst van strafbare feiten als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de
Overleveringswet
1. deelneming aan een criminele organisatie;
2. terrorisme;
3. mensenhandel;
4. seksuele uitbuiting van kinderen en
kinderpornografie;
5. illegale handel in verdovende middelen en
psychotrope stoffen;
6. illegale handel in wapens, munitie en
explosieven;
7. corruptie;
8. fraude, met inbegrip van fraude waardoor de
financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals
bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming
van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;
9. witwassen van opbrengsten van misdrijven;
10. vervalsing met inbegrip van namaak van de
euro;
11. informaticacriminaliteit;
12. milieumisdrijven, met inbegrip van de
illegale handel in bedreigde diersoorten en bedreigde planten- en
boomsoorten;
13. hulp bij illegale binnenkomst en illegaal
verblijf;
14. moord en doodslag, zware mishandeling;
15. illegale handel in menselijke organen en
weefsels;
16. ontvoering, wederrechtelijke
vrijheidsberoving en gijzeling;
17. racisme en vreemdelingenhaat;
18. georganiseerde of gewapende diefstal;
19. illegale handel in cultuurgoederen,
waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen;
20. oplichting;
21. racketeering en afpersing;
22. namaak van producten en productpiraterij;
23. vervalsing van administratieve documenten
en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen;
24. illegale handel in hormonale stoffen en
andere groeibevorderaars;
25. illegale handel in nucleaire en
radioactieve stoffen;
26. handel in gestolen voertuigen;
27. verkrachting;
28. opzettelijke brandstichting;
29. misdrijven die onder de rechtsmacht van
het Internationaal Strafhof vallen;
30. kaping van vliegtuigen of schepen;
31. sabotage.
Bijlage 2 bij de Overleveringswet
Model voor het Europees
aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de
Overleveringswet
Europees arrestatiebevel
Dit bevel is uitgevaardigd door een
bevoegde rechterlijke autoriteit. Ik verzoek om aanhouding en
overlevering van de hieronder genoemde persoon met het oog op
strafvervolging of tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een
tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.
a) Gegevens betreffende de identiteit
van de gezochte persoon
Naam:
........................................................................................................................
....................................................................................................................................
Voornaam of voornamen:
............................................................................................
...................................................................................................................................
Meisjesnaam, in voorkomend geval:
.............................................................................
Bijnamen, in voorkomend geval:
...................................................................................
Geslacht:
.....................................................................................................................
Nationaliteit:
................................................................................................................
Geboortedatum:
..........................................................................................................
Geboorteplaats:
...........................................................................................................
Verblijfplaats en/of bekend adres:
................................................................................
Indien bekend: taal/talen die de
gezochte persoon begrijpt:
...........................................
....................................................................................................................................
Bijzondere kenmerken/beschrijving van
de gezochte persoon: ...........
....................................................................................................................................
Foto en vingerafdrukken van de
gezochte persoon, indien die beschikbaar zijn en mogen worden
verzonden, of contactadres van de persoon die gecontacteerd moet
worden om die informatie of een DNA-profiel te verkrijgen (indien
deze gegevens beschikbaar zijn en toegezonden mogen worden, maar
niet zijn opgenomen)
b) Besluit dat aan dit
aanhoudingsbevel ten grondslag ligt
1. Aanhoudingsbevel of een
gelijkwaardige rechterlijke beslissing:
Soort:
...........................................................................................................................
2. Voor uitvoerlegging vatbaar
vonnis:
............................................................................
......................................................................................................................................
Referentie:
.....................................................................................................................
c) Gegevens betreffende de duur van
de straf
1. Maximumduur van de vrijheidsstraf
of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel die voor het strafbare
feit/de strafbare feiten kan worden opgelegd:
....................................
.........................................................................................................................................
2. Duur van de opgelegde
vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel:
.........................................................................................................................................
Nog uit te zitten straf:
........................................................................................................
.........................................................................................................................................
d) Gelieve te vermelden of de
betrokkene in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid
tot de beslissing:
1. □ Ja, de
betrokkene is in persoon verschenen op het proces dat heeft
geleid tot de beslissing.
2. □ Nee, de
betrokkene is niet in persoon verschenen op het proces dat heeft
geleid tot de beslissing.
3. Indien u het vakje «nee»
(keuzemogelijkheid 2) heeft aangekruist, gelieve een van de
volgende gevallen te bevestigen:
□ 3.1a de
betrokkene is in persoon gedagvaard op ... (dag/maand/jaar)
en is daarbij op de hoogte gebracht van het tijdstip en de
plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid, en
is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden
gegeven wanneer hij niet tijdens het proces verschijnt;
OF
□ 3.1b de
betrokkene is niet persoonlijk gedagvaard, maar is
anderszins daadwerkelijk officieel in kennis gesteld van het
tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing
heeft geleid zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat
hij op de hoogte was van het voorgenomen proces, en is ervan
in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven
wanneer hij niet op het proces verschijnt;
OF
□ 3.2 de
betrokkene was op de hoogte van het voorgenomen proces,
heeft een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen
raadsman gemachtigd zijn verdediging op het proces te
voeren, en is op het proces ook werkelijk door die raadsman
verdedigd;
OF
□ 3.3 nadat de
beslissing aan hem was betekend op ... (dag/maand/jaar) en
hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een
verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij
hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak
opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal
wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de
oorspronkelijke beslissing:
□ heeft de betrokkene
uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij de beslissing niet
betwist;
OF
□ heeft de
betrokkene niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of
hoger beroep aangetekend;
OF
□ 3.4 de
beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend,
maar
– de beslissing zal hem
na overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend,
en
– de betrokkene zal na
de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden
geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of
een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht
heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten
gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt
toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de
oorspronkelijke beslissing, en
– de betrokkene zal
geïnformeerd worden over de termijn waarover hij
beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen,
namelijk ... dagen.
4. Gelieve voor het in punt 3.1b,
3.2 of 3.3 aangekruiste vakje te vermelden op welke wijze aan de
desbetreffende voorwaarde is
voldaan:..........................................................
e) Strafbare feiten
Dit bevel heeft betrekking op in
totaal ............................... strafbare feiten.
Beschrijving van de omstandigheden
waaronder het strafbare feit is gepleegd/de strafbare feiten zijn
gepleegd, met inbegrip van het tijdstip, de plaats en de mate van
betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit/de
strafbare feiten
.....................................................................
...............................................................................................................................................
Aard en wettelijke kwalificatie van
het strafbare feit/de strafbare feiten en toepasselijke wettelijke
bepaling/wetboek:
.....................................................
........................................................................................................................................
I. Geef in voorkomend geval aan of
het gaat om één of meer van de volgende strafbare feiten waarop in
de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot
vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten
minste drie jaar en zoals omschreven in het recht van de
uitvaardigende lidstaat (vakje aankruisen):
□ Deelneming aan een criminele
organisatie
□ Terrorisme
□ Mensenhandel
□ Seksuele uitbuiting van
kinderen en kinderpornografie
□ Illegale handel in verdovende
middelen en psychotrope stoffen
□ Illegale handel in wapens,
munitie en explosieven
□ Corruptie
□ Fraude, met inbegrip van
fraude waardoor de financiële belangen van de Europese
Gemeenschappen worden geschaad in de zin van de Overeenkomst van 26
juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van
de Europese Gemeenschappen
□ Witwassen van opbrengsten van
misdrijven
□ Valsemunterij met inbegrip
van namaak van de euro
□ Informaticacriminaliteit
□ Milieumisdrijven, met
inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en de
illegale handel in bedreigde planten- en boomsoorten
□ Hulp aan illegale binnenkomst
en illegaal verblijf
□ Moord en doodslag, zware
mishandeling
□ Illegale handel in menselijke
organen en weefsels
□ Ontvoering, wederrechtelijke
vrijheidsberoving en gijzeling
□ Racisme en vreemdelingenhaat
□ Georganiseerde of gewapende
diefstal
□ Illegale handel in
cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen
□ Oplichting
□ Racketeering en afpersing
□ Namaak van producten en
productpiraterij
□ Vervalsing van
administratieve documenten en handel in valse documenten
□ Vervalsing van betaalmiddelen
□ Illegale handel in hormonale
stoffen en andere groeibevorderaars
□ Illegale handel in nucleaire
en radioactieve stoffen
□ Handel in gestolen voertuigen
□ Verkrachting
□ Opzettelijke brandstichting
□ Misdrijven die onder de
rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen
□ Kaping van vliegtuigen of
schepen
□ Sabotage.
II. Volledige omschrijving van het
strafbare feit of de strafbare feiten die niet onder de in punt I
genoemde strafbare feiten vallen:
.......................................................................................................................................
.......................................................................................................................................
f) Andere voor de zaak relevante
omstandigheden (facultatieve informatie)
(NB: bijvoorbeeld opmerkingen over
extra-territorialiteit, stuiting van de verjaring en andere gevolgen
van het strafbare feit) ...................................
......................................................................................................................................
g) Dit bevel heeft tevens betrekking
op de inbeslagneming en de overdracht van voorwerpen die als
bewijsmiddel moeten dienen. Dit bevel heeft tevens betrekking op de
inbeslagneming en de overdracht van voorwerpen die de gezochte
persoon uit het strafbare feit heeft verkregen
Beschrijving en plaats van de
voorwerpen (indien bekend):
........................................................................................................................................
........................................................................................................................................
........................................................................................................................................
h) Het strafbare feit/de strafbare
feiten dat/die aan dit bevel ten grondslag ligt/liggen, is/zijn
strafbaar gesteld met/heeft(hebben) geleid tot een vrijheidsstraf of
tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel welke levenslange
vrijheidsbeneming meebrengt:
– de rechtsorde van de
uitvaardigende lidstaat voorziet in de herziening van de opgelegde
straf – op verzoek of ten minste na 20 jaar – strekkende tot
niet-uitvoering van de straf en/of
– de rechtsorde van de
uitvaardigende lidstaat voorziet in de toepassing van
gratiemaatregelen waarvoor de betrokkene krachtens de wetgeving of
praktijk van de uitvaardigende lidstaat in aanmerking komt, en die
strekken tot niet-uitvoering van de straf.
i) Rechterlijke autoriteit die het
bevel heeft uitgevaardigd
Officiële naam:
...............................................................................................................
.......................................................................................................................................
Naam van haar vertegenwoordiger:
.....................................
.......................................................................................................................................
Functie (titel/rang):
..........................................................................................................
........................................................................................................................................
Dossiernummer:
...............................................................................................................
Adres:
.............................................................................................................................
........................................................................................................................................
Tel.: (landnummer) (netnummer) (...)
.................................................................................
Fax: (landnummer) (netnummer) (...)
.................................................................................
E.mailadres:
.....................................................................................................................
Adresgegevens van de persoon die moet
worden gecontacteerd om de nodig praktische afspraken te maken voor
de overlevering:
.........................................................................................................................................
Indien een centrale autoriteit is
belast met de administratieve toezending en ontvangst van Europese
aanhoudingsbevelen:
Naam van de centrale autoriteit:
.........................................................................................
Contactpersoon, in voorkomend geval
(titel/rang en naam):
..........................................................................................................................................
Adres:
...............................................................................................................................
Tel.: (landnummer) (netnummer) (...)
..................................................................................
Fax: (landnummer) (netnummer) (...)
..................................................................................
E-mailadres:
......................................................................................................................
Handtekening van de uitvaardigende
rechterlijke autoriteit en/of haar vertegenwoordiger:
Naam:
...............................................................................................................................
Functie (titel/rang):
.............................................................................................................
Datum:
..............................................................................................................................
Officieel stempel (indien beschikbaar)
|
|
|