WET van 23 januari 1958, houdende nieuwe
regeling van de pacht
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de pacht
opnieuw bij de wet te regelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. De pachtovereenkomst
§ 1. Omschrijvingen
Artikel 1
1. Deze wet verstaat onder:
a. Onze Minister:
Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening;
b. landbouw:
1°. akkerbouw;
2°. weidebouw;
3°. veehouderij;
4°. pluimveehouderij;
5°. tuinbouw, daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van
bomen, bloemen en bloembollen;
6°. de teelt van griendhout en van riet;
7°. elke andere tak van bodemcultuur met uitzondering van
bosbouw, behoudens het bepaalde in het vijfde lid;
c. hoeve:
een complex, bestaande uit een of meer gebouwen of gedeelten daarvan
en het daarbij behorende land, dienende tot de uitoefening van de
landbouw;
d. pachtovereenkomst:
elke overeenkomst, in welke vorm en onder welke benaming ook
aangegaan, waarbij de ene partij zich verbindt aan de andere partij
tegen voldoening van een tegenprestatie een hoeve of los land in
gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw;
e. pleegkind:
hem, die duurzaam als een eigen kind is onderhouden en opgevoed.
2. Behalve voor de toepassing van de artikelen 58 en 70f
geldt hetgeen in deze wet is bepaald met betrekking tot los land
insgelijks met betrekking tot een of meer gebouwen of gedeelten daarvan,
welke dienen tot de uitoefening van de landbouw.
3. Indien echter tussen dezelfde partijen bij één overeenkomst
los land en bij een andere overeenkomst een of meer gebouwen of
gedeelten daarvan zijn verpacht, worden de bepalingen omtrent
verpachting van hoeven op beide overeenkomsten van toepassing met ingang
van het tijdstip, waarop de laatste der beide overeenkomsten is
gesloten.
4. Onder hoeve en los land worden begrepen de daarbij behorende,
niet tot de uitoefening van de landbouw dienende gronden met inbegrip
van de zich daarop bevindende houtopstanden.
5. Voor de toepassing van de artikelen 40, 41, 48, 51, 52 en 62
wordt onder landbouw bosbouw begrepen.
6. Onder landbouw wordt bosbouw mede begrepen indien het teelt
van snelgroeiend bos betreft als bedoeld in de krachtens de Boswet (Stb.
1961, 256) gestelde regelen
§ 2. De vorm van de pachtovereenkomst en haar toetsing
Artikel 2
1. De pachtovereenkomst, de overeenkomst tot wijziging en die
tot beëindiging van een pachtovereenkomst moeten schriftelijk worden
aangegaan.
2. Zij behoeven de goedkeuring van de grondkamer.
3. Ten aanzien van de overeenkomst tot beëindiging van een
pachtovereenkomst vervalt het vereiste van goedkeuring door de
feitelijke uitvoering van die overeenkomst.
Artikel 3
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen
vastgesteld ten aanzien van de hoogst toelaatbare pachtprijs.
2. De in het eerste lid bedoelde regelen strekken tot bevordering
van pachtprijzen, welke in een redelijke verhouding staan tot de
bedrijfsuitkomsten bij een behoorlijke bedrijfsvoering, met dien
verstande, dat bij het vaststellen van die regelen de redelijke belangen
van de verpachter mede in acht worden genomen.
Artikel 4
1. Met inachtneming van de in het vorige artikel bedoelde
regelen kunnen de grondkamers, ieder voor haar gebied, zo nodig
streeksgewijs, ten aanzien van de pachtprijs bij besluit nadere
regelen vaststellen. Zodanig besluit vervalt een jaar na het tijdstip
van zijn inwerkingtreding.
2. Deze besluiten behoeven de goedkeuring van Onze Minister en
worden in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 4a
1. Onder pachtprijs wordt niet verstaan een vergoeding als
bedoeld in artikel 5, tiende lid, onderdeel b, en in artikel 70b,
tweede lid, onderdeel c.
2. De vergoeding kan niet meer bedragen dan de pachtprijs, zoals
opgenomen in een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen
vastgesteld ten aanzien van de hoogst toelaatbare vergoeding.
Artikel 5
1. De grondkamer keurt de pachtovereenkomst goed, tenzij:
a. de overeengekomen pachtprijs dan wel de vergoeding, daarbij in
aanmerking genomen de verdere inhoud van de overeenkomst, hoger is dan
ingevolge het bepaalde krachtens de artikelen 3 en 4 onderscheidenlijk
4a is toegelaten;
b. de overige verplichtingen, voor de pachter uit de overeenkomst
voortvloeiende, als buitensporig moeten worden beschouwd;
c. de overeenkomst zou leiden tot een ondoelmatige verkaveling of
een ondoelmatige ligging van het land ten opzichte van de
bedrijfsgebouwen of van de woning;
d. de overeenkomst, indien deze betrekking heeft op land, dat
begrepen is geweest in een ruil- of herverkaveling of dat gelegen is
in de IJsselmeerpolders, zou leiden tot:
1°. een verkaveling of een ligging van het land ten opzichte van
de bedrijfsgebouwen of van de woning, die minder doelmatig is dan de
bestaande;
2°. een geringere dan de bestaande bedrijfsgrootte;
e. door de overeenkomst algemene belangen van de landbouw zouden
worden geschaad; de grondkamer is onder meer bevoegd als schadelijk
voor de algemene belangen van de landbouw aan te merken
overeenkomsten, welke zouden leiden tot:
1°. een zo geringe bedrijfsgrootte, dat de ondernemer zijn
volledige arbeidskracht op het bedrijf niet produktief kan maken;
2°. gebruik van het land ter verkrijging van neveninkomsten,
anders dan voor zelfvoorziening;
3°. vergroting van een bedrijf, waarvan uitbreiding voor de
ondernemer niet van overwegende betekenis is, terwijl in de
nabijheid een of meer kleine bedrijven uitbreiding behoeven;
f. de overeenkomst bepalingen bevat, welke in strijd zijn met deze
wet.
2. Indien de pachtovereenkomst zou leiden tot een van de in het
eerste lid, onder c, d en e genoemde gevolgen, kan de
grondkamer haar goedkeuring verlenen, wanneer weigering op grond van
bijzondere omstandigheden onredelijk zou zijn of zou indruisen tegen het
landbouwbelang. Indien de pachtovereenkomst zou leiden tot een van de in
het eerste lid, onder d, genoemde gevolgen, kan de grondkamer
voorts haar goedkeuring verlenen, wanneer omstandigheden, gelegen in de
persoon van de verpachter, de goedkeuring in het belang van een
verantwoorde bedrijfsvoering wenselijk maken.
3. Het bepaalde in het eerste lid onder c en onder e
met betrekking tot het gestelde onder 1°, 2° en 3° blijft buiten
toepassing bij overeenkomsten met echtgenoten of geregistreerde
partners, bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, pleegkinderen en
medepachters.
4. Bij de toetsing van de overeenkomst aan het bepaalde in het
eerste lid, onder e, mag de grondkamer niet letten op de persoon
van de pachter.
5. Het bepaalde in het eerste lid, onder c en d en
onder e met betrekking tot het gestelde onder 1°, 2° en 3°,
blijft buiten toepassing, indien uit een verklaring van burgemeester en
wethouders van de gemeente, waarin het land is gelegen, blijkt dat dit
is opgenomen in een goedgekeurd bestemmingsplan en daarbij een niet tot
de landbouw betrekkelijke bestemming heeft gekregen.
6. Voor de geldigheid van bepalingen, welke in strijd met de wet
zijn, kan op de goedkeuring van de overeenkomst door de grondkamer geen
beroep worden gedaan.
7. Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de overeenkomst tot wijziging of beëindiging
van een pachtovereenkomst.
8. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
9. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
10. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 3 van hoofdstuk II
worden in pachtovereenkomsten betrekking hebbend op een hoeve of los
land gelegen in gebieden die door Onze Minister, gehoord een bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instantie, op verzoek van
de eigenaar dan wel van de zakelijk gerechtigde als bedoeld in artikel
56a, onderdeel b, in overeenstemming met de eigenaar zijn
aangewezen, niet als buitensporige verplichtingen aangemerkt, de
verplichtingen:
a. die noodzakelijk zijn in verband met de instandhouding of
ontwikkeling van de op het land aanwezige waarden van natuur en
landschap, mits zij inpasbaar zijn in de agrarische bedrijfsvoering en
b. waarvoor bij de overeenkomst een vergoeding wordt bedongen.
11. De aanwijzing, bedoeld in het tiende lid, wordt bekend
gemaakt in de Staatscourant.
Artikel 6
1. Indien de grondkamer haar goedkeuring aan de
pachtovereenkomst of aan de overeenkomst tot wijziging of beëindiging
van een pachtovereenkomst onthoudt, wijzigt zij de overeenkomst op het
punt of de punten, welke in verband met het bepaalde in artikel 5,
eerste lid, de goedkeuring verhinderen, of verklaart zij haar nietig.
2. De door de grondkamer gewijzigde overeenkomst geldt als een
tussen partijen aangegane en goedgekeurde overeenkomst. In geval van
wijziging in verband met het bepaalde in artikel 5, eerste lid, onder c,
d en e, alsmede in geval van nietigverklaring regelt de
grondkamer zo nodig de gevolgen.
Artikel 7
1. Zij die voornemens zijn met elkaar een pachtovereenkomst of
een overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst aan te gaan,
zijn bevoegd een ontwerp-pachtovereenkomst, onderscheidenlijk een
ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst ter
goedkeuring aan de grondkamer in te zenden.
2. De grondkamer beoordeelt de ontwerp-overeenkomst met
toepassing van artikel 5, eerste tot en met vijfde lid; zij kan haar
goedkeuring afhankelijk stellen van wijzigingen, welke zij in verband
met het bepaalde in artikel 5, eerste lid, nodig oordeelt.
3. Indien binnen twee maanden, nadat de grondkamer of de Centrale
Grondkamer een ontwerp-pachtovereenkomst of een ontwerp-overeenkomst tot
wijziging van een pachtovereenkomst heeft goedgekeurd, een overeenkomst
wordt ingezonden, die gelijk is aan de ontwerp-overeenkomst, zoals deze
werd goedgekeurd, is de grondkamer tot goedkeuring gehouden.
4. Op het verzoek tot goedkeuring van een
ontwerp-pachtovereenkomst kan niet meer worden beslist, nadat de daarin
als pachter genoemde persoon als zodanig op het goed is toegelaten.
§ 3. Niet schriftelijk vastgelegde en niet ter goedkeuring
ingezonden pachtovereenkomsten
Artikel 8
1. Ieder der partijen is verplicht de pachtovereenkomst of de
overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst binnen twee
maanden, nadat zij is aangegaan, aan de grondkamer ter goedkeuring in
te zenden.
2. Ieder der partijen is verplicht de overeenkomst tot
beëindiging van een pachtovereenkomst binnen twee maanden nadat zij is
aangegaan, aan de grondkamer ter goedkeuring in te zenden.
3. Zodra een der partijen aan de verplichting heeft voldaan, is
die van de andere partij vervallen.
Artikel 9
1. Wanneer niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8,
eerste lid, kan de verpachter, zolang de pachtovereenkomst door de
grondkamer niet is goedgekeurd, niet een rechtsvordering tot betaling
van de pachtprijs tegen de pachter instellen en geldt de
pachtovereenkomst voor onbepaalde tijd, zonder dat zij door een van de
partijen kan worden opgezegd; wordt de goedkeuring verleend, dan gaat
de in artikel 12 bedoelde duur in bij de aanvang van het pachtjaar,
volgende op dat, waarin de overeenkomst is ingezonden.
2. De grondkamer is bevoegd op verzoek van een partij in
bijzondere gevallen bij de goedkeuring te bepalen, dat de in artikel 12
bedoelde duur op een eerder tijdstip ingaat.
Artikel 10
1. Aan een overeenkomst tot wijziging of - voorzover die niet
reeds feitelijk is uitgevoerd - aan een overeenkomst tot beëindiging
van een pachtovereenkomst, die nog niet door de grondkamer is
goedgekeurd, zijn partijen slechts in zoverre gebonden, dat zij niet
eenzijdig kunnen terugtreden.
2. Indien de overeenkomst niet binnen twee maanden, nadat zij
werd aangegaan, ter goedkeuring is ingezonden, is de grondkamer bevoegd
haar te doen ingaan op een later tijdstip dan werd overeengekomen, doch
uiterlijk op het tijdstip van inzending.
Artikel 11
1. Zolang een pachtovereenkomst of een overeenkomst tot
wijziging of beëindiging van een pachtovereenkomst niet schriftelijk
is aangegaan, kan de meest gerede partij de schriftelijke vastlegging
daarvan vorderen.
2. De pachtkamer legt de overeenkomst schriftelijk vast, met dien
verstande, dat nietige bedingen, zoveel mogelijk overeenkomstig de
bedoelingen van partijen, in overeenstemming worden gebracht met de wet.
3. Op de aldus schriftelijk vastgelegde overeenkomst past de
grondkamer de artikelen 5 en 6 ambtshalve toe.
Artikel 11a [Vervallen per 31-10-1995]
§ 4. De duur van de pachtovereenkomst
Artikel 12
1. De pachtovereenkomst geldt voor een
bepaalde tijd. Deze tijd bedraagt twaalf jaren voor een hoeve en zes
jaren voor los land.
2. Een pachtovereenkomst kan voor een langere duur worden
aangegaan, mits een bepaalde datum van beëindiging is vastgesteld.
3. Een pachtovereenkomst kan voor een kortere duur worden
aangegaan, mits een bepaalde datum van beëindiging is vastgesteld. De
kortere duur behoeft de goedkeuring van de grondkamer, welke hetzij
vóór het aangaan van de overeenkomst, hetzij bij de toetsing daarvan
kan worden verleend.
4. De grondkamer verleent haar goedkeuring aan de kortere duur
alleen op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval en indien
de algemene belangen van de landbouw daardoor niet worden geschaad. Zij
vermeldt in haar beschikking de reden van haar goedkeuring. Als
bijzondere omstandigheden worden niet beschouwd beperkingen, aan de
verpachter door derden opgelegd.
5. Bij goedkeuring van een kortere duur bepaalt de grondkamer in
haar beschikking tevens de tijd, waarbinnen verlenging van de
pachtovereenkomst kan worden gevraagd, tenzij de grondkamer een
pachttermijn van een jaar of korter goedkeurt.
§ 5. De pachtprijs
Artikel 13
1. Als tegenprestatie kan slechts worden bedongen een
pachtprijs met of zonder bijkomstige verplichtingen.
2. Als pachtprijs kan slechts worden bedongen een uitsluitend
naar tijdruimte bepaald en niet van de prijs van produkten of andere
factoren afhankelijk gesteld bedrag in Nederlands geld.
3. De grondkamer kan echter, hetzij vóór het aangaan van de
overeenkomst op verzoek van een der partijen, hetzij bij de toetsing
daarvan, afwijking van het in het eerste en tweede lid bepaalde
goedkeuren.
4. Heeft de grondkamer zulk een goedkeuring verleend of verleent
zij deze bij de toetsing, dan wordt de overeengekomen tegenprestatie
door haar beoordeeld naar de strekking van het bepaalde krachtens de
artikelen 3 en 4.
Artikel 14
1. Nietig is elk beding in een pachtovereenkomst, ingevolge
hetwelk de geldelijke lasten, welke de verpachter door
publiekrechtelijke lichamen zijn of zullen worden opgelegd, geheel of
ten dele ten laste van de pachter komen.
2. Geldig is evenwel een beding ingevolge hetwelk de lasten, die
de verpachter ten gevolge van landinrichting op grond van de
Landinrichtingswet of de Wet inrichting landelijk gebied, van
reconstructie op grond van de Reconstructiewet Midden-Delfland of van de
Reconstructiewet concentratiegebieden of van herinrichting op grond van
de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse
Veenkoloniën, zijn of zullen worden opgelegd, ten dele ten laste van de
pachter komen.
Artikel 15
Vermindering of vermeerdering van de pachtprijs kan gevorderd worden,
indien de grootte van het verpachte afwijkt van de grootte, die in de
overeenkomst is uitgedrukt. De vordering vervalt door verloop van een
jaar na het ingaan van de pachtovereenkomst.
Artikel 16
1. De pachter heeft aanspraak op een vermindering van de
pachtprijs over een pachtjaar of een pachtseizoen, gedurende hetwelk
tengevolge van buitengewone omstandigheden de opbrengst van het
bedrijf aanzienlijk minder is geweest dan bij het aangaan van de
overeenkomst te verwachten was of de pachter tijdelijk het genot van
het gepachte geheel of gedeeltelijk heeft moeten missen.
2. Tot vermindering geven geen aanleiding:
a. een verlaging van de prijs van de voortbrengselen van het
bedrijf;
b. omstandigheden welke aan de pachter zijn toe te rekenen of
waarvan hij de gevolgen door verzekering of op andere wijze
redelijkerwijs had kunnen voorkomen;
c. schade, welke de pachter op een ander kan verhalen.
3. De vordering van de pachter vervalt zes maanden na het
eindigen van het pachtjaar of het pachtseizoen, waarover de pachtprijs
verschuldigd is.
Artikel 17
1. De verpachter heeft aanspraak op een verhoging van de
pachtprijs over een pachtjaar of een pachtseizoen, gedurende hetwelk
de lasten, die de verpachter door publiekrechtelijke lichamen zijn
opgelegd wegens buitengewone werken, waardoor des pachters bedrijf
gebaat wordt, aanzienlijk hoger zijn geweest dan bij het aangaan van
de overeenkomst te verwachten was.
2. De vordering van de verpachter vervalt zes maanden na het
eindigen van het pachtjaar of het pachtseizoen, waarover de pachtprijs
verschuldigd is.
Artikel 18
1. De verpachter heeft aanspraak op een verhoging van de
pachtprijs over een pachtjaar of over een pachtseizoen, indien hij
voor eigen rekening buitengewone werken heeft uitgevoerd, waardoor het
bedrijf van de pachter dermate is gebaat, dat een verhoging van de
pachtprijs van de pachter kan worden verlangd.
2. De vordering van de verpachter vervalt zes maanden na het
eindigen van het pachtjaar of het pachtseizoen, waarover de pachtprijs
verschuldigd is.
Artikel 19
1. De pachtprijs wordt van rechtswege herzien overeenkomstig de
wijziging van de krachtens artikel 3, eerste lid, gegeven regelen. De
verpachter kan, onder schriftelijke mededeling daarvan aan de pachter,
echter geheel of ten dele van een verhoging afzien.
2. Niettemin kan de pachter of de verpachter binnen een tijdvak
van een jaar na de inwerkingtreding van een wijziging van de regelen als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, aan de grondkamer verzoeken de
tegenprestatie te herzien. De grondkamer herziet deze indien
redelijkheid en billijkheid dit verlangen of gewijzigde omstandigheden
dit rechtvaardigen.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid kan de
pachter of de verpachter voor het verstrijken van een pachtperiode van
drie jaren aan de grondkamer verzoeken de tegenprestatie te herzien. De
grondkamer herziet deze indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen
of gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen.
4. De in het eerste of tweede lid bedoelde herziening gaat in met
ingang van het pachtjaar volgende op het tijdstip waarop een wijziging
van de regelen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, in werking is
getreden. De herziening als bedoeld in het derde lid gaat in met ingang
van de nieuwe driejarige periode.
5. Indien in een waterschap waarin het verpachte is gelegen een
pachtersomslag wordt geheven als bedoeld in artikel 116, onderdeel b,
van de Waterschapswet (Stb. 1991, 444) of de heffing van die
omslag wordt beëindigd, wordt de pachtprijs van rechtswege verlaagd,
onderscheidenlijk verhoogd met een bedrag waarvan de hoogte is
vastgesteld bij de regelen als bedoeld in artikel 3, eerste lid.
6. De in het vijfde lid bedoelde verlaging, onderscheidenlijk
verhoging geschiedt overeenkomstig de regelen als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, en gaat voorts in met ingang van het belastingjaar waarover
de omslag wordt geheven, onderscheidenlijk niet meer wordt geheven.
Artikel 19a
1. De pachter of de verpachter kan aan de grondkamer verzoeken
de vergoeding als bedoeld in artikel 5, tiende lid, onderdeel b,
of in artikel 70b, tweede lid, onderdeel c, te herzien
a. voor het verstrijken van een pachtperiode van drie jaren;
b. binnen een tijdvak van een jaar na inwerkingtreding van een
wijziging van de regelen als bedoeld in artikel 4a, derde lid.
2. De grondkamer herziet de vergoeding, indien redelijkheid en
billijkheid dit verlangen of gewijzigde omstandigheden dit
rechtvaardigen.
3. Indien het verzoek met toepassing van het eerste lid, onder a,
is ingediend, gaat de herziening van de vergoeding door de grondkamer in
met ingang van de nieuwe driejarige pachtperiode.
4. Indien het verzoek met toepassing van het eerste lid, onder b,
is ingediend, gaat de herziening van de vergoeding door de grondkamer in
met ingang van het pachtjaar volgende op het tijdstip waarop de
herziening van de regelen, bedoeld in artikel 4a, derde lid, in
werking is getreden.
5. Zijn de regelen, bedoeld in artikel 4a, derde lid,
herzien na het tijdstip waarop de grondkamer heeft beslist, dan beslist
de Centrale Grondkamer met inachtneming van deze regelen, indien een der
partijen dit verzoekt.
Artikel 19b
Op grond van artikel 258 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek kan
geen wijziging van de tegenprestatie dan wel van de vergoeding worden
gevorderd.
§ 6. De overige rechten en verplichtingen uit de pachtovereenkomst
voortvloeiende
Artikel 20
De verpachter is gehouden het verpachte in goede staat van onderhoud
ter beschikking te stellen.
Artikel 21
Op de omvang van het gepachte dat langs een water ligt, zijn de
artikelen 29 en 34 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek van
overeenkomstige toepassing, tenzij de verpachter aan een vastlegging van
de grens overeenkomstig de artikelen 30-32 van Boek 5 van dat wetboek is
gebonden.
Artikel 22
De pachter kan zowel van de verpachter schadevergoeding vorderen als
de overeenkomst ontbinden, indien hij in het genot van het gepachte
wordt belemmerd, doordat een derde een hem toekomend recht op hetzelve
uitoefent, tenzij de pachter ten tijde van het aangaan der overeenkomst
dit recht gekend heeft.
Artikel 23
De verpachter is niet gehouden de pachter te vrijwaren tegen de
belemmeringen, welke derden, die generlei recht daartoe hebben, door
feitelijkheden de pachter in zijn genot toebrengen.
Artikel 24
1. De verpachter moet instaan voor alle gebreken van het
verpachte, welke de pachter niet kon kennen en welke deze in het genot
daarvan belemmeren.
2. Wanneer er zodanige gebreken bestaan, kan de pachter naar
omstandigheden vermindering van de pachtprijs vorderen of de
overeenkomst ontbinden, alles onverminderd zijn recht op
schadevergoeding, indien daartoe termen zijn.
3. De vordering tot vermindering van de pachtprijs en die tot
ontbinding alsmede de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding
vervallen zes maanden, nadat de pachter van het gebrek had kunnen kennis
dragen.
Artikel 25
1. De pachter is gehouden het gepachte als een goed pachter te
gebruiken en al datgene te doen en na te laten, wat een goed pachter
in gelijke omstandigheden zou doen en nalaten.
2. Hij is gehouden het gepachte bij het einde van de
pachtovereenkomst in goede staat aan de verpachter op te leveren.
Artikel 26
1. De verpachter is gehouden aan het verpachte gedurende de
pachttijd alle noodzakelijke reparaties te doen, met uitzondering van
de geringe en dagelijkse, welke volgens het plaatselijk gebruik ten
laste van de pachter komen.
2. Komt de verpachter na schriftelijke aanmaning van de pachter
deze verplichtingen niet na, dan kan de pachtkamer de pachter op diens
vordering machtigen zelf de reparatie op kosten van de verpachter te
verrichten. Daarbij kan de pachtkamer bepalen tot welk bedrag de pachter
de gemaakte onkosten met de pachtprijs kan verrekenen.
Artikel 27
1. Indien het verpachte dringende reparaties nodig heeft, die
ten laste van de verpachter komen, moet de pachter deze gedogen.
2. De pachtkamer kan echter naar omstandigheden de pachter op
diens vordering een vermindering van de pachtprestatie toestaan of de
pachtovereenkomst met ingang van een bij het vonnis te bepalen dag
ontbinden.
Artikel 28
1. De pachter is aansprakelijk voor schade aan het verpachte
die is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de
nakoming van een verplichting uit de pachtovereenkomst.
2. Alle schade behalve brandschade wordt vermoed daardoor te zijn
ontstaan.
3. De pachter is jegens de verpachter op gelijke wijze als voor
eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen van hen die zich met
zijn goedvinden op het gepachte bevinden.
Artikel 29
1. De verpachter is verplicht tot wederopbouw van door brand of
storm tenietgegane opstallen, voorzover de wederopbouw noodzakelijk is
voor de uitoefening van het bedrijf op het gepachte. Deze verplichting
bestaat niet, indien de pachtovereenkomst voor kortere dan de
wettelijke duur geldt en bestaat ook niet voor de onderverpachter.
2. De grondkamer kan de verpachter op diens verzoek, hetzij
vóór het aangaan van de overeenkomst, hetzij bij een toetsing, van
deze verplichting ontheffen, indien de opstallen niet op redelijke
voorwaarden voor de herbouwwaarde verzekerd kunnen worden of aannemelijk
is, dat bij tenietgaan van de opstallen de verplichting tot wederopbouw
op grond van het bepaalde in de eerste zin van het vierde lid zal
vervallen.
3. Indien de verpachter, hoewel de opstallen op redelijke
voorwaarden voor de herbouwwaarde verzekerd kunnen worden, niet of niet
afdoende tegen brand- of stormschade verzekerd is, en niet anderszins
zekerheid biedt de in het eerste lid genoemde verplichting te zullen
nakomen, kan de pachtkamer de pachter op diens verzoek machtigen een
verzekering of een aanvullende verzekering voor ten hoogste de duur van
de lopende pachttermijn te sluiten en de premie voor rekening van de
verpachter te betalen. Indien het betreft het sluiten van een
aanvullende verzekering, moet deze worden gesloten bij de verzekeraar
bij wie de opstallen verzekerd zijn, tenzij de pachtkamer in haar
beschikking anders bepaalt. Onder verzekering voor de herbouwwaarde
wordt verstaan een verzekering tot zodanig bedrag, dat daarmede kan
worden voldaan aan de in het eerste lid, eerste zin, omschreven
verplichting.
4. De verplichting van de verpachter tot wederopbouw vervalt,
indien de wederopbouw, de algemene belangen van de landbouw of de
bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, van de
verpachter in redelijkheid niet kan worden gevergd. Indien de pachter
voor de door brand ontstane schade aansprakelijk is, wordt de
verplichting van de verpachter tot wederopbouw geschorst, zolang de
pachter aan zijn verplichting tot schadevergoeding niet heeft voldaan.
Artikel 30
1. De pachter is niet bevoegd de bestemming, inrichting of
gedaante van het gepachte geheel of gedeeltelijk te veranderen dan na
schriftelijke toestemming van de verpachter.
2. De verpachter is niet bevoegd verbeteringen op of aan het
verpachte aan te brengen dan na schriftelijke toestemming van de
pachter.
3. Indien de verpachter, onderscheidenlijk de pachter, zijn
toestemming weigert, kan de wederpartij aan de grondkamer machtiging
vragen de gewenste veranderingen en verbeteringen aan te brengen. De
grondkamer verleent deze machtiging, wanneer door de verandering of de
verbetering het algemeen landbouwbelang gediend wordt en geen redelijk
belang van de andere partij zich daartegen verzet. De grondkamer kan aan
de machtiging voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen en kan
daarbij tevens op verzoek van de meest gerede partij de tegenprestatie
herzien, indien de verandering of verbetering daartoe aanleiding geeft.
4. Geen machtiging kan door de pachter worden gevraagd indien de
verandering betrekking heeft op teelt van snelgroeiend hout als bedoeld
in de krachtens de Boswet gestelde regelen.
Artikel 31
1. Bij het einde der pacht is de verpachter verplicht de
pachter voor de verbeteringen, welke door deze aan het gepachte zijn
aangebracht, een naar billijkheid te bepalen vergoeding te geven.
2. Deze vergoeding kan niet overtreffen het bedrag, waarmede de
waarde van het verpachte bij het einde der pacht tengevolge van de
aangebrachte verbeteringen is verhoogd. De vergoeding wordt lager
gesteld, naarmate de pachter de vruchten van de aangebrachte
verbeteringen reeds heeft kunnen genieten.
3. De in het eerste lid bedoelde vergoeding kan slechts worden
gevorderd, indien de pachter tijdig aan de verpachter, onder opgave van
de geschatte kosten, schriftelijk mededeling van de voorgenomen
verbetering heeft gedaan en hetzij de verpachter zich daartegen niet
binnen een maand na ontvangst van de mededeling uitdrukkelijk heeft
verzet, hetzij de grondkamer, in geval van zodanig verzet, op verzoek
van de pachter dit verzet ongegrond heeft verklaard. Indien de
verbetering tevens een verandering van de bestemming, inrichting of
gedaante van het gepachte is, kan de verpachter, indien de pachter aan
de grondkamer machtiging gevraagd heeft de bestemming, inrichting of
gedaante van het gepachte te mogen veranderen, het verzet nog doen
binnen de krachtens artikel 97, eerste lid, gestelde termijn.
4. De vordering van de pachter tot vergoeding voor verbeteringen
moet ten minste drie maanden vóór het einde van de pachtovereenkomst
worden ingesteld. Indien de pachtovereenkomst niet door het verstrijken
van de bepaalde termijn is geëindigd, kan de vordering nog tot drie
maanden na het einde worden ingesteld.
5. Op grond van artikel 212 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek
kan door de pachter geen vergoeding voor verbeteringen worden gevorderd.
Artikel 32
Zonder schriftelijke toestemming van de verpachter is de pachter niet
tot onderverpachting bevoegd.
Artikel 33
1. Telkens voor het verstrijken van een pachttermijn kan de
pachter of de verpachter aan de grondkamer verzoeken andere bepalingen
van de pachtovereenkomst dan met betrekking tot de tegenprestatie te
herzien.
2. De grondkamer herziet deze, indien de bijzondere
omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven en noch het
algemeen landbouwbelang, noch een redelijk belang van de andere partij
zich daartegen verzet.
3. De wijziging gaat in met ingang van de nieuwe pachttermijn.
Artikel 33a
Op grond van artikel 258 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek kan,
evenmin als van de tegenprestatie dan wel van de vergoeding, een
wijziging van andere bepalingen der pachtovereenkomst worden gevorderd.
Artikel 34
1. Bij eigendomsovergang van het verpachte op een derde volgt
deze in alle rechten en verplichtingen van de verpachter op.
2. Rechten en verplichtingen, welke vóór de eigendomsovergang
opeisbaar zijn geworden, gaan op de derde niet over.
Artikel 35
1. De afgaande en opkomende pachters zijn verplicht elkander
over en weer met al datgene te gerieven, wat vereist wordt om het
betrekken en het verlaten van het gepachte gemakkelijker te maken, zo
wat betreft het gebruik voor het volgende jaar, het inoogsten der nog
te velde staande vruchten, het betrekken der gebouwen, als anderszins,
alles overeenkomstig het plaatselijk gebruik.
2. De ten deze nalatige pachter is zowel jegens de pachter als
jegens de verpachter tot schadevergoeding gehouden.
§ 7. De verlenging van de pachtovereenkomst
Artikel 36
1. De pachtovereenkomst, welke geldt voor de duur van ten
minste twaalf jaren voor een hoeve en ten minste zes jaren voor los
land, wordt telkens van rechtswege met zes jaren verlengd.
2. Verlenging vindt niet van rechtswege plaats, wanneer een van
de partijen niet eerder dan drie jaren doch uiterlijk één jaar of in
bijzondere gevallen uiterlijk zes maanden vóór het einde van de
lopende pachtovereenkomst aan de wederpartij bij deurwaardersexploot of
bij aangetekende brief heeft kennisgegeven, dat zij verlenging niet of
niet voor de duur van zes jaren wenst.
3. De pachter kan binnen een maand na ontvangst van een
kennisgeving, als bedoeld in het vorige lid, aan de pachtkamer verzoeken
de pachtovereenkomst te verlengen.
Artikel 37
1. Indien de grondkamer ingevolge het bepaalde in het derde lid
van artikel 12 een kortere pachttermijn heeft goedgekeurd, heeft aan
het einde van die termijn geen verlenging van rechtswege plaats, doch
kan de pachter binnen de in de beschikking bepaalde tijd aan de
pachtkamer verzoeken de pachtovereenkomst te verlengen.
2. Indien de grondkamer een pachttermijn van een jaar of korter
heeft goedgekeurd, kan geen verlenging van de pachtovereenkomst worden
verzocht.
Artikel 38
De pachtkamer beslist op een verzoek om verlenging naar billijkheid,
met inachtneming evenwel van de bepalingen van deze paragraaf.
Artikel 38a
1. De pachtkamer wijst, onverminderd het bepaalde in artikel
43, vierde lid, het verzoek om verlenging af, indien de pachter voor
het einde van de lopende pachttermijn de leeftijd van vijfenzestig
jaren heeft bereikt of zal bereiken en de verpachter deswege bezwaar
maakt tegen verlenging.
2. Nochtans kan de pachtkamer op verzoek van de pachter de
pachtovereenkomst verlengen, indien de pachter een kind, stiefkind of
pleegkind heeft dat op het tijdstip van indiening van het verzoek de
leeftijd van ten minste vijftien jaren heeft bereikt en ten behoeve
waarvan de pachter op dat tijdstip een vordering tot indeplaatsstelling
als bedoeld in artikel 49, eerste lid, heeft gedaan.
Artikel 39
De pachtkamer wijst het verzoek af, indien de bedrijfsvoering van de
pachter niet geweest is, zoals het een goed pachter betaamt of het
optreden van de pachter jegens de verpachter in de afgelopen
pachtperiode aanleiding heeft gegeven tot gegronde klachten.
Artikel 40
De pachtkamer wijst het verzoek af, voorzover de verpachter het
verpachte wil bestemmen voor niet tot de landbouw betrekkelijke
doeleinden en die bestemming in overeenstemming is met het algemeen
belang. De voorgenomen bestemming wordt geacht in overeenstemming met
het algemeen belang te zijn, indien zij in overeenstemming is met een
goedgekeurd bestemmingsplan.
Artikel 41
1. De pachtkamer wijst, behoudens het in het volgende lid
bepaalde, het verzoek af, indien de verpachter of de echtgenoot of
geregistreerde partner, een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of
een pleegkind van de verpachter het verpachte persoonlijk voor een tot
de landbouw betrekkelijk doel in gebruik wil nemen.
2. Nochtans beslist de pachtkamer naar billijkheid, indien:
a. de verpachter een rechtspersoon is;
b. door het verlies van het gepachte de grondslag van het
maatschappelijk bestaan van de pachter ernstig zou worden aangetast en
het persoonlijk gebruik voor de verpachter, voor zijn echtgenoot of
geregistreerde partner, voor zijn bloed- of aanverwant of voor zijn
pleegkind niet van overwegende betekenis is.
Artikel 42
Indien krachtens artikel 37, eerste lid, verlenging wordt verzocht,
wijst de pachtkamer het verzoek af, indien de bijzondere omstandigheid,
met het oog waarop de korte duur van de pachtovereenkomst is
goedgekeurd, zich heeft voorgedaan of aannemelijk is, dat deze zich voor
of korte tijd na het einde van de lopende pachtovereenkomst zal
voordoen.
Artikel 43
1. Indien de wil tot persoonlijk gebruik met toepassing van
artikel 41 tot afwijzing van het verzoek zou leiden en door het
verlies van het gepachte de grondslag van het maatschappelijk bestaan
van de pachter ernstig zou worden aangetast, is de pachtkamer nochtans
verplicht om, wanneer de verpachter de vorige verpachter binnen zes
jaren voor het einde van de pachtovereenkomst onder bijzondere titel
is opgevolgd en niet de echtgenoot of de geregistreerde partner, een
bloed- of aanverwant in de rechte lijn of een pleegkind van de vorige
verpachter is, de overeenkomst te verlengen tot zes jaren na het einde
van het pachtjaar, waarin de verpachter de vorige verpachter is
opgevolgd.
2. Indien de wil tot persoonlijk gebruik met toepassing van
artikel 41 tot afwijzing van het verzoek zou leiden en door het verlies
van het gepachte de grondslag van het maatschappelijk bestaan van de
pachter niet ernstig zou worden aangetast, is de pachtkamer bevoegd om,
wanneer de verpachter de vorige verpachter binnen zes jaren voor het
einde van de pachtovereenkomst onder bijzondere titel is opgevolgd en
niet de echtgenoot of de geregistreerde partner, een bloed- of
aanverwant in de rechte lijn of een pleegkind van de vorige verpachter
is, de overeenkomst te verlengen tot ten hoogste zes jaren na het einde
van het pachtjaar, waarin de verpachter de vorige verpachter is
opgevolgd.
3. Bij verlenging van de pachtovereenkomst ingevolge het bepaalde
in het eerste en tweede lid met een kortere termijn dan zes jaren
bepaalt de pachtkamer in haar beschikking tevens de tijd, waarbinnen
verlenging van de pachtovereenkomst kan worden gevraagd. Indien de
pachtkamer echter de pachtovereenkomst met niet meer dan één jaar
verlengt, kan zij daarbij tevens bepalen dat verdere verlenging niet
mogelijk zal zijn.
4. Indien de pachter in het tijdvak van zes jaren volgend op het
einde van het pachtjaar waarin de verpachter de vorige verpachter is
opgevolgd, de leeftijd van vijfenzestig jaren zal bereiken, geschiedt de
in het eerste en tweede lid bedoelde verlenging tot het einde van het
pachtjaar waarin de pachter die leeftijd zal bereiken. Nochtans blijft
de in het eerste en tweede lid bedoelde verlenging achterwege, indien de
pachter voor het einde van de lopende pachttermijn de leeftijd van
vijfenzestig jaren heeft bereikt of zal bereiken.
5. Indien bij de rechtsopvolging bedoeld in het eerste en tweede
lid is gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 56b,
eerste lid, of 56d, tweede lid, worden de termijnen van zes jaren
vervangen door termijnen van twaalf jaren. In dat geval blijft het
vierde lid buiten toepassing.
Artikel 44
1. In geval van afwijzing van het verzoek tot verlenging op
grond van een der in artikel 40 of 41 omschreven omstandigheden, is de
verpachter jegens de pachter tot schadevergoeding gehouden, indien de
wil om aan het verpachte een bestemming te geven, als bedoeld in
artikel 40, onderscheidenlijk om het verpachte persoonlijk in gebruik
te nemen in werkelijkheid niet aanwezig is geweest.
2. Behoudens tegenbewijs wordt die wil geacht niet aanwezig te
zijn geweest, indien niet binnen één jaar na het einde van de
pachtovereenkomst aan het verpachte de in artikel 40 bedoelde bestemming
is gegeven, onderscheidenlijk het verpachte door de verpachter of door
de echtgenoot of de geregistreerde partner, door een bloed- of
aanverwant in de rechte lijn of door een pleegkind van de verpachter in
duurzaam gebruik is genomen.
3. De pachtkamer is bevoegd op verzoek van de pachter of
ambtshalve in haar beslissing, waarbij het verzoek tot verlenging wordt
afgewezen, een bedrag te bepalen, hetwelk de verpachter aan de pachter
moet betalen, in geval later mocht blijken, dat die wil in werkelijkheid
niet aanwezig is geweest, onverminderd het recht van de pachter op
verdere schadevergoeding.
4. De vordering van de pachter tot schadevergoeding of tot
betaling van het bedrag, bedoeld in het vorige lid, vervalt vijf jaren
na het einde van de pachtovereenkomst.
Artikel 45
1. Bij toewijzing van het verzoek verlengt de pachtkamer de
pachtovereenkomst met zes jaren of met een zoveel kortere termijn als
uit de bijzondere omstandigheden voortvloeit; in het laatste geval
vermeldt zij in haar beschikking de reden van de verlenging met de
kortere termijn en vindt het bepaalde in het vijfde lid van artikel 12
overeenkomstige toepassing.
2. Indien de pachtkamer de pachtovereenkomst op grond van het
eerste, derde of vierde lid dan wel op grond van artikel 43 met een
kortere termijn verlengt, heeft aan het einde van die termijn geen
verlenging van rechtswege plaats, doch kan de pachter binnen de in de
beschikking bepaalde tijd aan de pachtkamer verzoeken de
pachtovereenkomst wederom te verlengen. De pachtkamer beslist op de
wijze, als in artikel 38 is voorgeschreven.
3. Indien de pachtkamer tot de bevinding komt dat het verzoek
voor toewijzing vatbaar is en de pachter in het tijdvak van zes jaren
volgende op het einde van de lopende pachttermijn de leeftijd van
vijfenzestig jaren zal bereiken, verlengt de pachtkamer op verzoek van
de verpachter de pachtovereenkomst tot het einde van het pachtjaar
waarin de pachter die leeftijd bereikt of tot het einde van een zodanig
later pachtjaar als de verpachter voorstelt, doch met ten hoogste zes
jaren.
4. Indien in het geval van artikel 38a, eerste lid, de
verpachter tegen verlenging van de pachtovereenkomst met minder dan zes
jaren geen bezwaar heeft, verlengt de pachtkamer de overeenkomst tot het
einde van een zodanig later pachtjaar als de verpachter voorstelt.
5. Indien de pachtkamer de pachtovereenkomst in de gevallen
bedoeld in het derde en vierde lid heeft verlengd, bepaalt de pachtkamer
op verzoek van de verpachter dat, behoudens in het geval van artikel 38a,
tweede lid, geen verdere verlenging van de pachtovereenkomst kan worden
verzocht.
6. Indien de pachtkamer een pachtovereenkomst met niet meer dan
één jaar verlengt, kan geen verlenging van de pachtovereenkomst worden
verzocht.
Artikel 46
Indien de pachtovereenkomst op grond van een verzoek, als bedoeld in
de artikelen 37 of 45, eerste lid, met zes jaren wordt verlengd, is voor
verdere verlenging het bepaalde in artikel 36 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 47
De pachtkamer kan, hetzij op verzoek van een der partijen, hetzij
ambtshalve op grond van de billijkheid, met inachtneming van het
bepaalde in artikel 5, eerste lid, onder c en d, tweede,
derde en vijfde lid, de pachtovereenkomst voor een gedeelte van het
verpachte verlengen. In dat geval vermindert zij de geldende
tegenprestatie dienovereenkomstig. De pachter kan alsdan de
pachtovereenkomst voor het overige beëindigen op het tijdstip waarop de
pachtovereenkomst zonder verlenging zou zijn geëindigd. Hij geeft
hiervan bij aangetekende brief kennis aan de verpachter binnen een maand
nadat de beschikking onaantastbaar is geworden.
Artikel 48
1. Indien de pachtovereenkomst voor de in artikel 12, eerste of
tweede lid, bedoelde duur is aangegaan of geldt, dan wel voor een
kortere duur is aangegaan doch nadien voor zes jaren is verlengd,
heeft de pachter, indien de pachtovereenkomst niet of met niet meer
dan één jaar verlengd wordt, omdat de verpachter het verpachte wil
bestemmen voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden, recht op
een door de verpachter te betalen schadeloosstelling. Bij de bepaling
van de schadeloosstelling houdt de pachtkamer rekening met de
mogelijkheid, dat de pachtovereenkomst zou zijn verlengd, indien het
verpachte niet voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden zou
zijn bestemd.
2. Bij de berekening van de schadeloosstelling wordt niet gelet
op feitelijke veranderingen, welke kennelijk zijn aangebracht om de
schadeloosstelling te verhogen.
3. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing, indien
de pachtverhouding is aangevangen, nadat aan het verpachte bij een
goedgekeurd bestemmingsplan een niet tot de landbouw betrekkelijke
bestemming is gegeven.
4. Indien evenwel het verpachte sinds een tijdstip, liggend voor
de goedkeuring bedoeld in het vorige lid, achtereenvolgens bij personen
die ten tijde van de opvolging in het gebruik tot de voorgaande
gebruiker in enige in artikel 49, eerste lid, genoemde betrekking
stonden persoonlijk in gebruik is geweest voor een tot de landbouw
betrekkelijk doel, blijft het bepaalde in het eerste lid van toepassing.
§ 8. De pachtoverneming
Artikel 49
1. De pachter kan zich tot de pachtkamer wenden met de
vordering zijn echtgenoot of geregistreerde partner, één of meer
zijner bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, één of meer van
zijn pleegkinderen of één of meer van de medepachters - of twee of
meer van deze gezamenlijk - in zijn plaats als pachter te stellen.
2. Indien de pachter een vordering, als bedoeld in het vorige
lid, heeft gedaan, is de verpachter bevoegd zich tot de pachtkamer te
wenden met de vordering een of meer anderen van de in het vorige lid
genoemde belanghebbenden in de plaats van de pachter te stellen.
3. De pachtkamer beslist naar billijkheid, met inachtneming van
de overige bepalingen van dit artikel.
4. De pachtkamer wijst de vordering af, indien op grond van het
gestelde in artikel 5, eerste lid, onder d en e, eerste
zinsnede, en met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede en
vijfde lid, de goedkeuring aan een nieuwe pachtovereenkomst zou zijn
onthouden.
5. De pachtkamer wijst de vordering af, indien de voorgestelde
pachter niet voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering
biedt.
6. De pachtkamer wijst de vordering af, indien de voorgestelde
pachter op het tijdstip waarop de vordering aanhangig wordt gemaakt de
leeftijd van vijfenzestig jaren heeft bereikt en de verpachter deswege
verzoekt de vordering af te wijzen.
7. Indien de pachtkamer de vordering zou moeten afwijzen, omdat
op grond van het gestelde in artikel 5, eerste lid, onder d en e,
eerste zinsnede, de goedkeuring aan een nieuwe pachtovereenkomst zou
zijn onthouden, is zij bevoegd de pachtovereenkomst te wijzigen op het
punt of de punten, welke die goedkeuring zouden verhinderen. Het
bepaalde in artikel 6, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
8. De pachtkamer kan de toewijzing van de vordering afhankelijk
stellen van de vervulling van zodanige voorwaarden, als zij in het
belang van de verpachter noodzakelijk oordeelt.
9. Indien de pachtovereenkomst ingevolge het in het zevende lid
bepaalde tegen de wil van de voorgestelde pachter is gewijzigd, kan
deze, mits binnen een maand na de dag van het vonnis, van de
indeplaatsstelling afzien door een kennisgeving bij aangetekende brief
aan de verpachter. In dat geval staat de voorgestelde pachter geen
beroep open.
Artikel 49a
1. De pachter kan zich tot de pachtkamer wenden met de
vordering zijn echtgenoot of geregistreerde partner, één of meer
zijner bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of één of meer van
zijn pleegkinderen - of twee of meer van deze gezamenlijk - aan te
merken als medepachter.
2. Het bepaalde in artikel 49, derde tot en met negende lid, is
van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van
"voorgestelde pachter" telkens wordt gelezen:
"voorgestelde medepachter".
Artikel 50
1. De medepachter, die niet of niet meer persoonlijk betrokken
is bij de exploitatie van het gepachte, kan zich tot de pachtkamer
wenden met de vordering uit de pacht te worden ontslagen. De
pachtkamer beslist naar billijkheid met dien verstande, dat zij de
vordering toewijst, tenzij de belangen van de verpachter of van de
medepachter daardoor ernstig zouden worden geschaad.
2. De verpachter kan zich tot de pachtkamer wenden met de
vordering de medepachter die niet of niet meer persoonlijk betrokken is
bij de exploitatie van het gepachte, te ontslaan uit de pacht. De tweede
volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
3. De medepachter kan zich tot de pachtkamer wenden met de
vordering de andere medepachter uit de pacht te ontslaan op de grond dat
de onderlinge verhouding een gemeenschappelijke bedrijfsvoering ernstig
bemoeilijkt.
§ 9. Het einde van de pachtovereenkomst
Artikel 51
1. Indien de verpachter het verpachte of een gedeelte daarvan
wil bestemmen voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden, en
die bestemming in overeenstemming is met het algemeen belang, ontbindt
de pachtkamer op vordering van de verpachter de pachtovereenkomst
geheel of ten dele met ingang van een bij de uitspraak te bepalen dag.
De voorgenomen bestemming wordt geacht in overeenstemming met het
algemeen belang te zijn, indien zij in overeenstemming is met een
goedgekeurd bestemmingsplan.
2. Bij ontbinding voor een gedeelte van het verpachte vermindert
de pachtkamer de tegenprestatie dienovereenkomstig. De pachter kan
alsdan de pachtovereenkomst voor het overige beëindigen op het in het
vorige lid bedoelde tijdstip. Hij geeft hiervan bij aangetekende brief
kennis aan de verpachter binnen een maand nadat het vonnis in kracht van
gewijsde is gegaan.
3. Artikel 44 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 52
1. Indien de pachtkamer de pachtovereenkomst ingevolge artikel
51 ontbindt, veroordeelt zij de verpachter de pachter schadeloos te
stellen over de tijd, welke de pachter bij niet-ontbinding ingevolge
de pachtovereenkomst nog op het gepachte had kunnen blijven.
2. Indien de pachtovereenkomst voor de in artikel 12, eerste of
tweede lid, bedoelde duur is aangegaan of geldt, dan wel voor een
kortere duur is aangegaan, doch nadien voor zes jaren is verlengd, wordt
bij de bepaling van de schadeloosstelling rekening gehouden met de
mogelijkheid, dat de pachtovereenkomst zou zijn verlengd. Bij de
beoordeling van de mogelijkheid van verlenging houdt de pachtkamer geen
rekening met het voornemen van de verpachter het verpachte of een
gedeelte daarvan te bestemmen voor niet tot de landbouw betrekkelijke
doeleinden.
3. Het bepaalde in het tweede lid, eerste volzin, vindt geen
toepassing, indien de pachtverhouding is aangevangen, nadat aan het
verpachte bij een goedgekeurd bestemmingsplan een niet tot de landbouw
betrekkelijke bestemming is gegeven. In dat geval wordt de
pachtovereenkomst met betrekking tot een hoeve of los land, welke is
aangegaan voor langer dan twaalf, onderscheidenlijk zes jaren, voor de
bepaling van de schadeloosstelling geacht te zijn aangegaan voor twaalf,
onderscheidenlijk zes jaren, met dien verstande, dat, indien de
ontbinding plaats vindt na die termijn, de overeenkomst geacht wordt
telkens voor zes jaren te zijn verlengd.
4. Indien evenwel het verpachte sinds een tijdstip, liggend voor
de goedkeuring bedoeld in het vorige lid, achtereenvolgens bij personen
die ten tijde van de opvolging in het gebruik tot de voorgaande
gebruiker in enige in artikel 49, eerste lid, genoemde betrekking
stonden persoonlijk in gebruik is geweest voor een tot de landbouw
betrekkelijk doel, blijft het bepaalde in het tweede lid van toepassing.
5. Indien de pachtovereenkomst ingevolge artikel 9 voor
onbepaalde tijd geldt, wordt voor de berekening van de
schadeloosstelling uitgegaan van de overeengekomen duur, doch ingeval de
overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan nimmer van een langere
dan de in artikel 12, eerste lid, bedoelde duur. Voor de berekening van
de schadeloosstelling wordt op gelijke wijze als ten aanzien van
pachtovereenkomsten, waarop artikel 9 niet van toepassing is,
aangenomen, dat de pachtovereenkomst zou kunnen worden verlengd; het
tweede lid, tweede volzin, derde en vierde lid, vinden overeenkomstige
toepassing.
6. Voorzover pachtovereenkomsten of overeenkomsten tot wijziging
van pachtovereenkomsten kennelijk gesloten zijn om de schadeloosstelling
te verhogen, worden deze bij de bepaling van de schadeloosstelling
buiten beschouwing gelaten.
7. Artikel 48, tweede lid, is van toepassing.
Artikel 53 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 54
1. De pachtovereenkomst gaat niet van
rechtswege teniet door de dood van de verpachter of van de pachter.
2. Binnen zes maanden na het overlijden van de pachter kunnen
diens echtgenoot of geregistreerde partner, ieder van diens bloed- en
aanverwanten in de rechte lijn, ieder van diens pleegkinderen en iedere
medepachter zich tot de pachtkamer wenden met de vordering, dat een of
meer van hen in de plaats van de overleden pachter de pachtovereenkomst
zal mogen voortzetten en de overigen uit de pacht zullen worden
ontslagen, of dat de pachtovereenkomst zal worden ontbonden.
3. Gelijke vordering kan door de verpachter worden gedaan binnen
zes maanden na het overlijden van de pachter. Voorts kan de verpachter
de vordering instellen binnen twee maanden na het tijdstip waarop de in
het tweede lid bedoelde personen de verpachter bij aangetekende brief
van het overlijden van de pachter in kennis hebben gesteld, met dien
verstande dat ingeval de in het tweede lid bedoelde vordering is
ingesteld, de verpachter de vordering nog kan doen tot twee maanden na
het tijdstip waarop de griffier de verpachter van die vordering in
kennis heeft gesteld. Is de verpachter niet op grond van de vorige zin
in kennis gesteld van het overlijden van de pachter, dan kan hij de
vordering ook nog doen binnen twee maanden nadat hij op andere wijze
daarvan heeft kennis gekregen.
4. Na afloop van de in het tweede lid vermelde termijn beslist de
pachtkamer na verhoor of behoorlijke oproeping van de belanghebbende.
5. De pachtkamer beslist naar billijkheid met inachtneming van de
overige bepalingen van dit artikel.
6. De pachtkamer wijst de vordering af, indien de voorgestelde
pachter op het tijdstip waarop de vordering aanhangig wordt gemaakt, de
leeftijd van vijfenzestig jaren heeft bereikt en de verpachter deswege
bezwaar maakt tegen toewijzing van de vordering.
7. De pachtkamer wijst de vordering af, indien op grond van het
gestelde in artikel 5, eerste lid, onder d en e, eerste
zinsnede, en met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede en
vijfde lid, de goedkeuring aan een nieuwe pachtovereenkomst zou zijn
onthouden.
8. De pachtkamer wijst de vordering af, indien een of meer
dergenen door of ten behoeve van wie voortzetting der pachtovereenkomst
is gevorderd, niet voldoende waarborgen voor een behoorlijke
bedrijfsvoering bieden.
9. Indien de pachtkamer de vordering zou moeten afwijzen, omdat
op grond van het gestelde in artikel 5, eerste lid, onder d en e,
eerste zinsnede, de goedkeuring aan een nieuwe pachtovereenkomst zou
zijn onthouden, is zij bevoegd de pachtovereenkomst te wijzigen op het
punt of de punten, welke die goedkeuring zouden verhinderen. Het
bepaalde in artikel 6, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
10. De pachtkamer kan de toewijzing van de vordering afhankelijk
stellen van de vervulling van zodanige voorwaarden, als zij in het
belang van de verpachter noodzakelijk oordeelt.
11. Indien de pachtovereenkomst ingevolge het in het negende lid
bepaalde tegen de wil van de voorgestelde pachter is gewijzigd, kan
deze, mits binnen een maand na de dag van het vonnis, van de
voortzetting afzien door een kennisgeving bij aangetekende brief aan de
verpachter. In dat geval staat de voorgestelde pachter geen beroep open.
12. Indien de pachtkamer de pachtovereenkomst ontbindt, bepaalt
zij tevens de dag, waarop de ontbinding ingaat. Zij kan daarbij aan de
wederpartij naar billijkheid een schadevergoeding toekennen.
Artikel 55
1. Schiet de pachter in de nakoming van zijn verplichtingen
tekort, dan kan de verpachter de pachtovereenkomst niet door een
schriftelijke verklaring ontbinden, doch uitsluitend de ontbinding in
rechte vorderen.
2. Indien de pachter in gebreke is de pachtprijs te voldoen,
ontbindt de pachtkamer de overeenkomst, behoudens dat het haar vrijstaat
om, naar gelang van omstandigheden aan de pachter op zijn verzoek een
betrekkelijk korte termijn te gunnen om alsnog aan zijn verplichtingen
te voldoen.
3. Indien de verpachter van oordeel is dat de pachter
tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen tot onderhoud van
het gepachte, kan hij, onverminderd het in het eerste lid bepaalde, de
pachtkamer verzoeken een onderzoek naar de toestand daarvan in te
stellen.
4. De pachtkamer geeft aan dit verzoek onverminderd gevolg en
maakt van haar bevindingen een schriftelijk verslag op, waarvan zij
afschrift aan partijen zendt.
5. Indien haar bevindingen haar daartoe aanleiding geven,
verstrekt de pachtkamer de pachter zodanige aanwijzingen omtrent het
uitvoeren van zijn verplichting tot onderhoud, als door de
omstandigheden geboden mochten zijn, en stelt zij de pachter tevens een
termijn binnen welke hij de aanwijzingen moet hebben opgevolgd.
6. Indien de pachter nalaat de aanwijzingen binnen de gestelde
termijn op te volgen, geldt dit als een tekortkoming als bedoeld in het
eerste lid, tenzij de pachter aannemelijk maakt dat dit nalaten hem niet
kan worden toegerekend.
7. Behoudens het in de voorgaande leden bepaalde, is afdeling 5
van titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek op de
pachtovereenkomst van toepassing.
Artikel 56 [Vervallen per 01-01-1992]
§ 9A. Het voorkeursrecht van de pachter
Artikel 56a
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. beperkt recht: het recht van erfpacht, opstal, beklemming of
vruchtgebruik;
b. beperkt gerechtigde: de erfpachter, opstalhouder, beklemde
meier of vruchtgebruiker;
c. vervreemding: overdracht van eigendom of vestiging of
overdracht van een beperkt recht;
d. pachter: de pachter wiens pachtovereenkomst geldt voor ten
minste de wettelijke duur dan wel is aangegaan voor een kortere
duur, doch nadien voor zes jaren is verlengd en zo nodig is
goedgekeurd.
Artikel 56b
1. De verpachter die tot vervreemding van het verpachte of een
deel daarvan wil overgaan, is verplicht de pachter bij voorkeur in de
gelegenheid te stellen het aan te bieden recht te verkrijgen
overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf.
2. De verpachter geeft van zijn voornemen tot vervreemding bij
deurwaardersexploot of bij aangetekende brief kennis aan de pachter.
3. De pachter geeft binnen een maand na het uitbrengen van dat
exploot of na de verzending van die aangetekende brief, eveneens bij
exploot of bij aangetekende brief aan de verpachter te kennen, of hij,
indien overeenstemming wordt bereikt over de prijs, bereid is eigenaar
of beperkt gerechtigde te worden.
4. Indien de pachter zich niet binnen deze termijn daartoe bereid
verklaart, is het bepaalde in het eerste lid gedurende een jaar na
afloop van deze termijn niet van toepassing.
Artikel 56c
1. Wanneer de pachter zich binnen de in artikel 56b,
derde lid, gestelde termijn op de daar omschreven wijze bereid
verklaart eigenaar of beperkt gerechtigde te worden, maar geen
overeenstemming kan worden bereikt over de prijs, kan de verpachter
aan de grondkamer verzoeken de waarde van het verpachte of het te
vervreemden deel daarvan te taxeren.
2. Onder waarde wordt in het vorige lid verstaan de werkelijke
waarde, niet de denkbeeldige, welke het verpachte uitsluitend voor de
persoon van de verpachter heeft.
Artikel 56d
1. Indien de verpachter, nadat op het verzoek om taxatie
onherroepelijk is beslist, bereid is het verpachte tegen de getaxeerde
waarde, of tegen een lagere prijs, aan de pachter te vervreemden,
geeft hij hiervan aan de pachter kennis op de wijze omschreven in
artikel 56b, tweede lid.
2. Indien de pachter niet binnen een maand na het uitbrengen van
het exploot of na de verzending van de aangetekende brief het aanbod bij
deurwaardersexploot of bij aangetekende brief heeft aanvaard, is artikel
56b, eerste lid, gedurende een jaar na afloop van deze termijn
niet van toepassing, met dien verstande, dat vervreemding anders dan in
het openbaar slechts mag geschieden tegen ten minste de prijs, welke de
verpachter in de kennisgeving aan de pachter, bedoeld in het eerste lid,
heeft vermeld.
3. Indien de verpachter de kennisgeving bedoeld in het eerste lid
niet heeft gedaan binnen een jaar nadat op het verzoek om taxatie
onherroepelijk is beslist, zijn de bepalingen van de artikelen 56b
en volgende wederom van toepassing.
Artikel 56e
1. De in artikel 56b bedoelde verplichting bestaat niet:
a. in geval van verkoop krachtens wetsbepaling of krachtens een
bevel des rechters en van executoriale verkoop;
b. wanneer de verpachter overgaat tot vervreemding aan zijn
echtgenoot of zijn geregistreerde partner, aan een bloed- of
aanverwant in de rechte lijn of in de zijlijn tot in de tweede graad
of aan een pleegkind;
c. in geval van een rechtshandeling die als een verdeling van een
gemeenschap is aan te merken.
d. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]
e. na het einde van het pachtjaar waarin de pachter de leeftijd van
vijfenzestig jaren heeft bereikt, met dien verstande dat de in artikel
56b bedoelde verplichting van de verpachter tegenover de
pachter in elk geval blijft bestaan gedurende de termijn waarmee de
pachtovereenkomst op grond van artikel 38a, tweede lid, is
verlengd.
2. Evenmin bestaat de in artikel 56b bedoelde
verplichting, wanneer de grondkamer op verzoek van de verpachter heeft
vastgesteld dat deze een ernstige reden heeft om de pachter niet in de
gelegenheid te stellen eigenaar of beperkt gerechtigde te worden. Als
ernstige reden wordt steeds beschouwd de omstandigheid dat de pachter
een slecht landgebruiker is.
Artikel 56f
1. De in artikel 56b bedoelde verplichting bestaat niet,
wanneer en voor zover het verpachte is gelegen in een geldend
bestemmingsplan, waarbij daaraan een andere dan landbouwkundige
bestemming is gegeven. Op verzoek van de verpachter verklaren
burgemeester en wethouders schriftelijk, of in zulk een plan al dan
niet een landbouwkundige bestemming aan het verpachte is gegeven.
2. Evenmin bestaat de in artikel 56b bedoelde
verplichting, wanneer de verpachter overgaat tot vervreemding van het
verpachte aan een derde en de grondkamer, op gezamenlijk verzoek van de
verpachter en die derde, heeft vastgesteld, dat aannemelijk is, dat de
derde het verpachte voor andere dan landbouwkundige doeleinden zal
gebruiken of doen gebruiken. Bij het verzoek wordt een verklaring
overgelegd van burgemeester en wethouders, waaruit blijkt, dat die
doeleinden niet in strijd zijn met een geldend of een in ontwerp ter
inzage gelegd bestemmingsplan. Deze verklaring kan slechts worden
afgegeven nadat Gedeputeerde Staten daartoe hun toestemming hebben
gegeven.
3. Indien de Staat, een provincie, een gemeente, een waterschap,
een veenschap of een veenpolder de in het tweede lid bedoelde derde is,
zijn slechts Gedeputeerde Staten bevoegd de in dat lid bedoelde
verklaring af te geven.
4. Het bevoegde college beslist binnen drie weken na de indiening
van het verzoek, onderscheidenlijk binnen drie weken na de ontvangst van
de toestemming van Gedeputeerde Staten. Indien burgemeester en
wethouders binnen de gestelde termijn geen beslissing hebben genomen,
kan de afgifte van de verklaring worden gevraagd aan Gedeputeerde
Staten, die binnen zes weken nadien beslissen.
5. De in dit artikel bedoelde verklaringen zijn slechts geldig
gedurende zes maanden na de dagtekening daarvan, tenzij de verklaring
zelf een kortere geldigheidsduur vermeldt.
6. De verklaring, bedoeld in het derde lid, vermeldt tevens de
datum van de terinzagelegging en de datum en wijze van bekendmaking
daarvan, alsmede datum en nummer van de door Gedeputeerde Staten
verleende toestemming.
7. De grondkamer neemt een verklaring, waarin een of meer der in
het vorige lid bedoelde gegevens ontbreken, niet in aanmerking.
8. De in artikel 56b bedoelde verplichting bestaat
evenmin, voor zover het verpachte is gelegen in een gebied waarvoor een
structuurplan of een regionaal structuurplan geldt, dan wel een ontwerp
van een zodanig plan ter inzage is gelegd en de verpachter ingevolge het
bepaalde in de artikelen 2, 6, 10-24 en 27 van de Wet voorkeursrecht
gemeenten overgaat tot de vervreemding van het verpachte aan de
gemeente.
Artikel 56g
De verpachter is verplicht om, alvorens tot openbare verkoop van het
verpachte wordt overgegaan, behoudens in geval van executoriale verkoop,
de pachter ten minste een maand voor de verkoop bij deurwaardersexploot
of bij aangetekende brief daarvan kennis te geven.
Artikel 56h
1. De verpachter is aan de pachter een bedrag verschuldigd,
gelijk aan de tussen partijen geldende jaarlijkse pachtprijs voor het
verpachte, doch ten minste € 113,45;
a. indien hij het verpachte aan een derde vervreemdt zonder de
krachtens artikel 56b, eerste lid, op hem rustende verplichting
te hebben nagekomen;
b. indien hij in het geval, bedoeld in artikel 56d, tweede
lid, het verpachte anders dan in het openbaar aan een derde vervreemdt
tegen een lagere dan de in artikel 56 d, tweede lid bedoelde
prijs.
2. Hetzelfde bedrag is verschuldigd, indien de verpachter nalaat
de krachtens artikel 56g op hem rustende verplichting na te
komen, tenzij hij bewijst dat de pachter desondanks van de openbare
verkoop op de hoogte was.
3. Het recht van de pachter om volledige schadevergoeding te
vorderen blijft onverlet.
4. De rechtsvorderingen krachtens dit artikel verjaren door het
verloop van twaalf jaren, te rekenen van de vervreemding aan een derde.
Artikel 56i
1. De pachter die van zijn recht van voorkeur gebruik heeft
gemaakt en het uit dien hoofde verkregene binnen een periode van 10
jaar na die verkrijging deels of geheel vervreemdt, is aan de
verpachter een vergoeding verschuldigd als bedoeld in het tweede tot
en met vierde lid.
2. De vergoeding bedraagt het verschil tussen de prijs die door
de pachter is betaald voor het verkregene en de waarde daarvan in
pachtvrije staat ten tijde van de verkrijging.
3. Indien de waarde in pachtvrije staat ten tijde van de
vervreemding door de pachter lager is dan de waarde in pachtvrije staat
ten tijde van de verkrijging, bedraagt in afwijking van het tweede lid
de vergoeding het verschil tussen de prijs die door de pachter is
betaald voor het verkregene en de waarde daarvan in pachtvrije staat ten
tijde van de vervreemding.
4. De in het tweede en derde lid bedoelde vergoeding neemt
telkens af met ééntiende deel voor elk jaar dat verstreken is gerekend
van de verkrijging door de pachter af en vermindert voorts naar
evenredigheid indien sprake is van vervreemding van een deel van het
object.
5. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing:
a. indien de vervreemding plaatsvindt aan de echtgenoot of
geregistreerde partner van de pachter, aan één of meer van zijn
bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, aan één of meer van zijn
pleegkinderen of aan één of meer van de medepachters, met dien
verstande dat indien zij binnen de in het eerste lid bedoelde periode
tot gehele of gedeeltelijke vervreemding van het object overgaan, zij
de in het eerste lid bedoelde vergoeding verschuldigd zijn;
b. indien de vervreemding plaatsvindt door één of meer van de
bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de pachter of door één
of meer van diens pleegkinderen aan één of meer van hun
bloedverwanten in de rechte lijn of pleegkinderen, met dien verstande
dat indien laatstgenoemden binnen de in het eerste lid bedoelde
periode tot gehele of gedeeltelijke vervreemding van het object
overgaan, zij de in het eerste lid bedoelde vergoeding verschuldigd
zijn.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vervreemding
mede verstaan: elke overeenkomst of andere rechtshandeling in welke vorm
en onder welke benaming ook aangegaan of verricht, strekkende tot het
anderszins overgaan van het verkregene, waarvan moet worden aangenomen
dat zij niet zou zijn aangegaan of zou zijn verricht indien de in het
eerste lid bedoelde vergoeding niet zou zijn verschuldigd.
§ 10. Bepalingen van algemene aard
Artikel 57
Alleen van de bepalingen van de artikelen 15, 19, 20, 21, 22, 23, 24,
25, tweede lid, 26 eerste lid, 27 eerste lid, en 30 eerste en tweede
lid, en 56i kan bij overeenkomst worden afgeweken.
Artikel 58
1. De bepalingen van de artikelen 2-15, 18, 19, 30, derde lid,
31, 33, 36-49a , 54, tweede tot en met het twaalfde lid, en 56a-56i
zijn niet van toepassing op pachtovereenkomsten betreffende los land,
hetwelk niet groter is dan één hectare.
2. De grondkamer is bevoegd hetzij voor haar gehele ressort,
hetzij voor een gedeelte daarvan, bij besluit voor een bepaalde tak van
bodemcultuur de in het vorige lid genoemde oppervlakte te verlagen, doch
niet tot minder dan 50 are. De besluiten van de grondkamer worden in de Nederlandse
Staatscourant bekendgemaakt.
3. Dit besluit behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
4. Overeenkomsten, in welke vorm en onder welke benaming ook
aangegaan welke tot gevolg hebben dat door de ene partij aan de andere
partij, - daaronder begrepen natuurlijke of rechtspersonen die in een
samenwerkingsverband een landbouwbedrijf uitoefenen - tegen voldoening
van een tegenprestatie los land in gebruik wordt gegeven ter uitoefening
van de landbouw, gelden voor de toepassing van dit artikel als één
overeenkomst. Voor de toepassing van dit artikel worden mede als één
overeenkomst in aanmerking genomen die overeenkomsten waarvan op grond
van feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat zij niet of voor
een andere oppervlakte gesloten zouden zijn indien de oppervlaktegrenzen
als bedoeld in dit artikel niet zouden zijn gesteld.
Artikel 59
1. De bepalingen van deze wet vinden overeenkomstige toepassing
op overeenkomsten, waardoor of krachtens welke tegen een vergoeding
ineens of in termijnen zakelijke genotsrechten voor 25 jaar of korter,
dan wel voor onbepaalde tijd op hoeven of los land worden gevestigd.
In geval van zakelijke genotsrechten voor onbepaalde tijd blijft de
overeenkomstige toepassing van bepalingen van deze wet beperkt tot 25
jaar na de vestiging.
2. De bepalingen, die voor het zakelijke genotsrecht gelden,
vinden slechts toepassing, voorzover zij niet in strijd zijn met
dwingende bepalingen van deze wet.
Artikel 60
Alle kosten, vallende op een openbare verpachting, verpachting bij
inschrijving daaronder begrepen, komen ten laste van de verpachter.
Artikel 61
In een pachtovereenkomst, aangegaan onder de voorwaarde, dat de
overeenkomst door de grondkamer geheel of ten dele ongewijzigd zal
worden goedgekeurd, wordt deze voorwaarde voor niet geschreven gehouden.
§ 11. Bijzondere bepalingen met betrekking tot verpachting door
openbare lichamen
Artikel 62
Indien het Rijk, een provincie, een gemeente, een
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen, een waterschap, een veenschap of een
veenpolder aan hun in eigendom toebehorende hoeven of los land een
bestemming heeft gegeven voor niet tot de landbouw betrekkelijke
doeleinden van openbaar nut, kunnen zij aan de grondkamer verzoeken goed
te keuren, dat bij verpachting van zulke hoeven of zodanig los land in
de overeenkomst een of meer van de volgende bedingen zullen worden
opgenomen:
a. dat de overeenkomst in afwijking van het bepaalde in artikel
12, eerste lid, tweede zin, geldt voor de overeengekomen tijd;
b. dat de verlenging niet zal plaats hebben, indien en voorzover
de verpachter in de kennisgeving, bedoeld in artikel 36, tweede lid,
aan de pachter heeft medegedeeld, dat de verlenging met de
bestemming van het verpachte onverenigbaar is;
c. dat de pachter niet bevoegd zal zijn aan de grondkamer
machtiging te vragen bestemming, inrichting of gedaante van het
gepachte te veranderen;
d. dat de overeenkomst door de verpachter te allen tijde kan
worden beëindigd, indien en voorzover de bestemming de beëindiging
naar zijn oordeel noodzakelijk maakt.
Artikel 63
De grondkamer onderzoekt uitsluitend of de bestemming het beding
redelijkerwijs noodzakelijk kan maken. Zij treedt niet in een
beoordeling dezer bestemming.
Artikel 64
1. In geval de pachtovereenkomst niet wordt verlengd op grond
van het beding, genoemd in artikel 62 onder b, heeft de pachter
geen recht op schadeloosstelling.
2. In geval van beëindiging op grond van het beding, genoemd in
artikel 62, onder d, heeft de pachter recht op schadeloosstelling
over de tijd, welke hij bij niet-beëindiging ingevolge de
pachtovereenkomst nog op het gepachte had kunnen blijven.
3. Bij gedeeltelijke beëindiging is de pachter bevoegd de
pachtovereenkomst ook voor het overige te beëindigen. Hij geeft hiervan
bij aangetekende brief kennis aan de verpachter binnen een maand na de
beëindiging, bedoeld in artikel 62 onder d.
Hoofdstuk II. Bepalingen van bijzondere aard
§ 1. Zetboeren
Artikel 65
1. Het aanstellen of het aangesteld houden van een zetboer
behoeft de voorafgaande goedkeuring van de grondkamer.
2. Onder zetboer wordt verstaan degene, aan wie de exploitatie
van een hoeve of los land door de eigenaar of rechthebbende is
overgedragen en die daarbij een belangrijke invloed op de leiding van
het bedrijf heeft verkregen en als tegenprestatie een vergoeding
ontvangt.
3. De grondkamer keurt de aanstelling van de zetboer slechts
goed, indien daarvoor bijzondere redenen aanwezig zijn. Zij treedt niet
in een beoordeling van de voorwaarden der aanstelling.
§ 2. Pachtovereenkomsten betreffende de naweide
Artikel 66 [Vervallen per 31-10-1995]
Artikel 67 [Vervallen per 31-10-1995]
Artikel 68 [Vervallen per 31-10-1995]
Artikel 69
1. Een pachtovereenkomst betreffende de
naweide van een perceel geldt voor de nog lopende duur van het
weideseizoen of voor een zoveel kortere duur, als door partijen is
overeengekomen.
2. De grondkamer kan met betrekking tot de naweide bij besluit
algemene voorschriften vaststellen.
Artikel 70
Het besluit, bedoeld in artikel 69, behoeft de goedkeuring van Onze
Minister en wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.
§ 3. Bijzondere bepalingen met betrekking tot verpachtingen binnen
reservaten
Artikel 70a
In deze paragraaf wordt verstaan onder "reservaat" een
gebied waar de eigendom dan wel de erfpacht van landbouwgronden door de
Staat of bij koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende
natuurbeschermingsorganisaties is verworven en waar een beheer gevoerd
kan worden gericht op doeleinden van natuur- en landschapsbehoud anders
dan door middel van een daartoe te sluiten overeenkomst betreffende het
richten van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven op doeleinden
van natuur- en landschapsbehoud.
Artikel 70b
1. In een pachtovereenkomst met betrekking tot een hoeve of los
land gelegen in een reservaat, kunnen een of meer verplichtingen
worden opgenomen welke ten doel hebben de opzet en de bedrijfsvoering
te richten op het behoud van natuur en landschap.
2. Niet als buitensporige verplichtingen als bedoeld in artikel
5, eerste lid, onderdeel b, worden die verplichtingen aangemerkt:
a. die deel uitmaken van een pachtovereenkomst gesloten met
betrekking tot door de Staat of een bij koninklijk besluit aangewezen
particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie in
eigendom dan wel erfpacht verworven percelen, gelegen in een
reservaat,
b. die gewenst zijn in verband met de instandhouding of
ontwikkeling van de op het land aanwezige waarden van natuur en
landschap en
c. waarvoor bij de overeenkomst een vergoeding wordt bedongen.
Artikel 70c
Indien toepassing is gegeven aan artikel 70b geldt, in
afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 12, de
pachtovereenkomst voor zowel een hoeve als los land voor de duur van zes
jaren.
Artikel 70d
1. Indien toepassing is gegeven aan artikel 70b zijn,
onverminderd het bepaalde in het derde, vierde en vijfde lid, de
artikelen 36 tot en met 49a en 54 niet van toepassing en wordt
de pachtovereenkomst telkens van rechtswege met zes jaren verlengd.
2. Verlenging vindt niet plaats wanneer een van de partijen
uiterlijk zes maanden voor het einde van de lopende pachtovereenkomst
aan de wederpartij bij deurwaardersexploot of bij aangetekende brief
heeft kennis gegeven dat zij verlenging niet of niet onder dezelfde
voorwaarden wenst.
3. De pachter kan binnen een maand na ontvangst van een
kennisgeving als bedoeld in het tweede lid, aan de pachtkamer verzoeken
de pachtovereenkomst te verlengen.
4. De pachtkamer beslist op een verzoek om verlenging naar
billijkheid, met inachtneming evenwel van een overeenkomstige toepassing
van het bepaalde in de artikelen 37, 38a, eerste lid, 39 en 40,
42, 45 en 47. Voorts wijst de pachtkamer het verzoek af indien de
verpachter met betrekking tot de instandhouding of ontwikkeling van de
op het land aanwezige waarden van natuur en landschap een zodanig beheer
wil voeren, dat verdere verpachting hiermee niet in overeenstemming te
brengen is.
5. Indien de pachtovereenkomst op grond van een verzoek als
bedoeld in het derde lid met zes jaren is verlengd, is voor verdere
verlenging het bepaalde in het tweede en derde lid van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 70e
In afwijking in zoverre van artikel 33, tweede lid, herziet de
grondkamer de in het eerste lid van dat artikel bedoelde bepalingen,
indien dit gewenst is met het oog op de instandhouding of ontwikkeling
van de op het land aanwezige waarden van natuur en landschap.
§ 4. Bijzondere kortdurende pacht
Artikel 70f
1. De bepalingen van de artikelen 2, tweede lid, 3-8, 12-15,
18, 19, 36-49a, 54, en 56a-56i zijn niet van
toepassing op pachtovereenkomsten betreffende los land:
a. waarvan partijen dat in de pachtovereenkomst hebben bepaald;
b. die zijn aangegaan voor één- of tweejarige teelten voor de
duur van ten hoogste één onderscheidenlijk twee jaar;
c. die zijn aangegaan voor teelten waarvoor vruchtwisseling
noodzakelijk is, en
d. waarbij overigens is voldaan aan het bepaalde in het tweede en
derde lid.
2. De pachtovereenkomst als bedoeld in het eerste lid wordt door
een der partijen ter registratie aan de grondkamer gezonden.
3. De inzending ter registratie dient binnen twee maanden nadat
de pachtovereenkomst is aangegaan te hebben plaatsgevonden. Op de
inzending is het bepaalde in artikel 88, eerste en tweede lid, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij een
kadastrale kaart dient te zijn gevoegd waarop het gepachte is
aangegeven, zulks met vermelding van de oppervlakte per kadastrale
aanduiding; voorts zijn de artikelen 92 en 103 van overeenkomstige
toepassing.
4. Indien de verpachter ten behoeve van een onderverpachting
overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid de in artikel 32 bedoelde
toestemming niet verleend, kan de pachter de grondkamer machtiging
vragen tot de gewenste onderverpachting over te gaan. De grondkamer
verleent deze machtiging, wanneer door de onderverpachting het algemeen
landbouwbelang gediend wordt en geen redelijk belang van de verpachter
zich daartegen verzet. De grondkamer kan aan de machtiging voorwaarden
verbinden of daarbij een last opleggen en kan daarbij op verzoek van de
verpachter de tegenprestatie in afwijking van de regelen als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, herzien, indien de bij de onderverpachting
overeengekomen tegenprestatie daartoe aanleiding geeft.
5. De bepalingen van de artikelen 3, 4, 5, eerste lid, onderdelen
a, c en d, 12-15, 18 , 19, eerste tot en met vierde
lid, 36-49a, 54, 56a-56i en 71, eerste lid, zijn
evenmin dan wel niet van toepassing op pachtovereenkomsten betreffende
los land:
a. waarvan partijen dat in de pachtovereenkomst hebben bepaald;
b. die zijn aangegaan voor een langere duur dan één jaar, doch
voor ten hoogste een duur van twaalf jaren, en
c. waarbij overigens wordt voldaan aan het bepaalde in het zesde en
zevende lid.
6. Pachtovereenkomsten als bedoeld in het vijfde lid kunnen door
eenzelfde verpachter terzake van hetzelfde los land slechts worden
aangegaan voor een aaneengesloten periode die ten hoogste twaalf jaren
mag bedragen.
7. Bij een pachtovereenkomst als bedoeld in het vijfde lid dient
een kadastrale kaart te zijn gevoegd waarop het gepachte is aangegeven,
zulks met vermelding van de oppervlakte per kadastrale aanduiding.
8. Van hetzelfde los land is sprake voor zover de kadastrale
aanduidingen van dat los land overeenstemmen met, dan wel betrekking
hebben op die van los land dat voorwerp was van een eerder afgesloten
pachtovereenkomst vallend onder het vijfde lid.
9. De grondkamer maakt van haar in artikel 6 bedoelde bevoegdheid
tot wijziging van de pachtovereenkomst slechts gebruik indien daardoor
sprake blijft van een pachtovereenkomst als bedoeld in het vijfde lid.
10. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat op
pachtovereenkomsten als bedoeld in het vijfde lid tevens de artikelen 3,
4, 5, eerste lid, onderdeel a, 13 tot en met 15, 18, 19, eerste
tot en met vierde lid, en 71, eerste lid, van toepassing zijn. De
algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht
weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is
geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de
beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 70g
1. Een overeenkomst als bedoeld in artikel 70f gaat niet
van rechtswege teniet door de dood van de verpachter of van de
pachter.
2. Na de dood van de pachter zet onderscheidenlijk zetten diens
echtgenoot of geregistreerde partner, een of meer van diens bloed- of
aanverwanten in de rechte lijn, een of meer van diens pleegkinderen of
iedere medepachter of onderpachter een pachtovereenkomst als bedoeld in
artikel 70f voort, tenzij de verpachter na het overlijden van de
pachter schriftelijk wordt medegedeeld dat daarvan wordt afgezien.
3. Een mededeling als bedoeld in het tweede lid geschiedt:
a. binnen één maand na het overlijden van de pachter voor zover
het een overeenkomst als bedoeld in artikel 70f, eerste lid,
betreft en
b. binnen 3 maanden na het overlijden van de pachter voor zover het
een overeenkomst als bedoeld in artikel 70f, vijfde lid,
betreft.
Hoofdstuk III. Verbodsbepalingen
Artikel 71
1. Een beding waarin een verpachter, indien de grondkamer
onderscheidenlijk de Centrale Grondkamer de pachtovereenkomst of een
overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst heeft
vastgesteld, een hogere tegenprestatie bedingt dan ingevolge deze wet
is geoorloofd, is nietig. Onder de tegenprestatie worden prestaties,
bedongen of genoten krachtens andere met de pachtovereenkomst verband
houdende overeenkomsten, mede begrepen.
2. Een beding in een overeenkomst tussen een afgaande en een
opgaande pachter, verband houdende met de overgang van het bedrijf,
waarin meer is bedongen dan een redelijke vergoeding voor de verrichte
prestatie, is nietig.
3. Een beding in een overeenkomst van het verlenen van
bemiddeling of andere diensten bij het sluiten van een pachtovereenkomst
tot wijziging van een pachtovereenkomst waarin meer is bedongen dan een
redelijke vergoeding, is nietig.
Hoofdstuk IV. Samenstelling en werkwijze van de grondkamers en van de
Centrale Grondkamer
§ 1. De grondkamers en de Centrale Grondkamer
Artikel 72
Er zijn grondkamers, waarvan het rechtsgebied en de standplaats door
Ons worden aangewezen.
Artikel 73
1. De grondkamer bestaat uit een voorzitter en ten minste vier
en ten hoogste twaalf leden. Zij wordt bijgestaan door een secretaris.
2. Er kunnen een plaatsvervangende voorzitter, plaatsvervangende
leden en een of meer plaatsvervangende secretarissen worden benoemd.
3. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter of van de
plaatsvervangende voorzitter treedt het oudste lid als waarnemend
voorzitter op.
Artikel 74
1. Wij benoemen en ontslaan de voorzitter, de plaatsvervangende
voorzitter, de leden, de secretaris alsmede de plaatsvervangende leden
en de plaatsvervangende secretarissen.
2. De leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor de
tijd van vijf jaren. Zij zijn bij hun aftreden weder benoembaar. Op
eigen verzoek kunnen zij door Ons worden ontslagen.
3. Voor de benoeming van een lid of van een plaatsvervangend lid
maken Gedeputeerde Staten een aanbeveling op.
4. Bij de benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden
dragen Wij zorg, dat in de grondkamer noch het belang der pachters, noch
dat der verpachters overheerst.
5. De in het eerste lid bedoelde personen worden voor de aanvang
hunner bediening beëdigd.
6. Bij het bereiken van de ouderdom van zeventig jaren wordt aan
de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de leden en
plaatsvervangende leden ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende
maand.
Artikel 75
1. Voor benoeming tot secretaris of plaatsvervangende
secretaris komt in aanmerking degene:
a. aan wie door een universiteit dan wel de Open Universiteit als
bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad
Master op het gebied van het recht is verleend, of
b. die aan een universiteit dan wel de Open Universiteit als
bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester
te voeren heeft verkregen.
2. [Vervallen.]
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten.
Artikel 76
1. Onverminderd hetgeen elders is bepaald, worden de
voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de leden, de
plaatsvervangende leden, de secretaris en de plaatsvervangende
secretarissen ontslagen:
a. bij gebleken ongeschiktheid door ouderdom, door aanhoudende
lichaamsziekte of tengevolge van zielsziekte;
b. wanneer zij onder curatele zijn gesteld.
2. Onverminderd hetgeen elders is bepaald, kunnen de in het
vorige lid genoemde personen worden ontslagen:
a. bij overtreding van het bepaalde in de artikelen 77 en 78;
b. wanneer zij in staat van faillissement zijn verklaard, ten
aanzien van hen de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, zij surséance van betaling hebben verkregen
of wegens schulden zijn gegijzeld.
3. Alvorens het ontslag op grond van het in de voorgaande leden
bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene gehoord.
4. Wanneer zich een van de omstandigheden voordoet, als bedoeld
in het tweede lid, zijn Onze Ministers van Justitie en van Landbouw,
Visserij en Voedselvoorziening bevoegd de betrokkene in de uitoefening
van zijn ambt terstond te schorsen; de schorsing mag een termijn van
drie maanden niet overschrijden. Op deze termijn is de Algemene
termijnenwet niet van toepassing.
5. Wanneer tijdens de in het vierde lid bedoelde schorsing het
besluit tot ontslag wordt genomen, blijft de schorsing van kracht tot
het tijdstip, waarop het ontslag ingaat.
Artikel 77
1. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de leden, de
plaatsvervangende leden, de secretaris en de plaatsvervangende
secretarissen zijn verplicht het geheim te bewaren omtrent hetgeen hun
als zodanig bekend wordt.
2. Zij mogen zich noch direct, noch indirect in enig bijzonder
onderhoud of gesprek inlaten met partijen of derzelver raadslieden, noch
enige bijzondere onderrichting, memorie of schrifturen aannemen over
enige aangelegenheid, welke aanhangig is of waarvan zij weten of
vermoeden, dat deze aanhangig zal worden bij de grondkamer, waartoe zij
behoren.
Artikel 78
1. Het is de voorzitter en de secretaris verboden zich te
belasten met de consultatie omtrent en de verdediging van zaken, welke
bij enige grondkamer of pachtkamer, bij de Centrale Grondkamer of bij
de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem aanhangig zijn, of waarvan
zij weten of vermoeden, dat deze daarbij aanhangig zullen worden.
2. Het is de plaatsvervangende voorzitter, de plaatsvervangende
secretaris, de leden en de plaatsvervangende leden verboden zich te
belasten met de consultatie omtrent en de verdediging van zaken, welke
aanhangig zijn of waarvan zij weten of vermoeden, dat deze aanhangig
zullen worden bij de grondkamer, waartoe zij behoren, of bij de Centrale
Grondkamer, in het laatste geval voorzover het betreft zaken, aan de
behandeling waarvan zij in de grondkamer hebben deelgenomen.
Artikel 79
1. De grondkamer houdt zitting en beslist met de voorzitter en
twee leden.
2. Beschikkingen van de grondkamer, genomen met een ander aantal
personen dan in het vorige lid is vermeld, zijn nietig.
Artikel 80
1. De voorzitter en de secretaris genieten een bezoldiging,
welke bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld. Zij
genieten voorts een vergoeding voor reis- en verblijfkosten volgens
bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.
2. De plaatsvervangende voorzitter, de leden, de
plaatsvervangende leden en de plaatsvervangende secretarissen genieten
een vergoeding voor reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen
volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.
Artikel 81
Er is een Centrale Grondkamer, gevestigd te Arnhem.
Artikel 82
De tot de rechterlijke macht behorende leden, de deskundige leden en
de plaatsvervangende deskundige leden van de pachtkamer van het
gerechtshof te Arnhem zijn van rechtswege tevens lid, onderscheidenlijk
plaatsvervangend lid van de Centrale Grondkamer.
Artikel 83
1. Wij benoemen en ontslaan de griffier van de Centrale
Grondkamer.
2. Wij kunnen een of meer plaatsvervangende griffiers benoemen.
3. De griffier voldoet aan de vereisten tot benoembaarheid tot
rechterlijk ambtenaar, gesteld in artikel 1d van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren.
Artikel 84
1. De Centrale Grondkamer houdt zitting en beslist met drie tot
de rechterlijke macht behorende leden en twee niet tot de rechterlijke
macht behorende deskundige leden.
2. Een der tot de rechterlijke macht behorende leden treedt op
als voorzitter.
3. Beschikkingen van de Centrale Grondkamer, genomen met een
ander aantal personen dan in het eerste lid is vermeld, zijn nietig.
Artikel 85
Het bepaalde in de artikelen 77 en 78 vindt ten aanzien van de leden,
de plaatsvervangende leden, de griffier en de plaatsvervangende griffier
van de Centrale Grondkamer overeenkomstige toepassing.
Artikel 86
1. De griffier geniet een bezoldiging, welke bij algemene
maatregel van bestuur wordt vastgesteld; hij geniet voorts een
vergoeding voor reis- en verblijfkosten volgens bij algemene maatregel
van bestuur te stellen regelen.
2. De leden, de plaatsvervangende leden en de plaatsvervangende
griffier van de Centrale Grondkamer genieten een vergoeding voor reis-
en verblijfkosten en verdere vergoedingen volgens bij algemene maatregel
van bestuur te stellen regelen.
Artikel 87
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften
gegeven ter uitvoering van het bepaalde in deze paragraaf alsmede
omtrent de werkwijze van de grondkamers en de Centrale Grondkamer.
§ 2. Verzoeken aan de grondkamer
Afdeling 1. De indiening
Artikel 88
1. Het verzoek tot goedkeuring van een pachtovereenkomst en van
een overeenkomst tot wijziging of beëindiging van een
pachtovereenkomst geschiedt door indiening bij de grondkamer van een
door partijen ondertekende akte of een notarieel afschrift, met zoveel
ongetekende afschriften als er meer dan twee partijen bij de
overeenkomst zijn betrokken.
2. Aan het hoofd van de akte worden de namen, voornamen en
woonplaatsen der partijen vermeld, voorzover deze niet in de
overeenkomst zijn opgenomen. Het gepachte moet met de kadastrale
aanduiding zijn aangeduid.
3. Indien de goedkeuring van de pachtovereenkomst of van de
overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst wordt verlangd op
grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid, wordt tevens de
beschikking van de grondkamer, waarbij de ontwerp-overeenkomst werd
goedgekeurd, vermeld.
Artikel 89
Het verzoek tot goedkeuring van een ontwerp-pachtovereenkomst of van
een ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst wordt
ingediend bij de grondkamer. Het moet zijn ondertekend door degenen, die
in de ontwerp-overeenkomst als partijen zijn genoemd of hun
gemachtigden. Daarbij wordt overgelegd een ongetekend exemplaar van de
ontwerp-overeenkomst, vermeerderd met zovele ongetekende exemplaren als
er verzoekers zijn. Het verpachte moet met de kadastrale aanduiding zijn
aangeduid.
Artikel 90
1. De verzoeken, bedoeld in de artikelen 12, derde lid, 13,
derde lid, 19, eerste lid, 29, tweede lid, 30, derde lid, 33, eerste
lid, 56c, eerste lid, 56e, tweede lid en 56f,
tweede lid, vinden plaats door indiening van een verzoekschrift bij de
grondkamer met zoveel afschriften als er wederpartijen bij de
overeenkomst of belanghebbenden zijn.
2. Het verzoekschrift vermeldt de naam, de voornamen en de
woonplaats van de verzoeker, de naam en de woonplaats van de wederpartij
of van de belanghebbenden, zo deze er zijn, voorts de gronden, waarop
het verzoek steunt, en de gevraagde beslissing.
Artikel 91
1. De verzoeken, bedoeld in de artikelen 60, 62 en 65, eerste
lid, worden gedaan bij een verzoekschrift, dat bij de grondkamer wordt
ingediend.
2. Het verzoekschrift vermeldt de naam, de voornamen en de
woonplaats van de verzoeker, voorts de gronden, waarop het verzoek
steunt en de gevraagde beslissing.
Artikel 92
1. De in deze afdeling bedoelde verzoeken moeten worden
ingediend bij de grondkamer, binnen welker rechtsgebied de onroerende
zaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. Indien het een hoeve
betreft, wordt het verzoek ingediend bij de grondkamer, binnen welker
rechtsgebied het hoofdgebouw, tot de hoeve behorend, gelegen is.
2. Indien de grondkamer van oordeel is, dat een verzoek ten
onrechte bij haar is ingediend, verwijst zij het verzoek naar de
grondkamer, die naar haar oordeel bevoegd is het verzoek te behandelen.
Afdeling 2. Het onderzoek
Artikel 93
1. De grondkamer kan een onderzoek naar aanleiding van het bij
haar ingediende verzoek gelasten. Zij zal hiermede belasten een of
meer leden of een of meer door haar aan te wijzen deskundigen. Deze
aanwijzing geschiedt in het algemeen, dan wel voor een bepaald geval.
2. Aan de deskundige wordt door de voorzitter van de grondkamer
een vergoeding toegekend op de voet van het bij en krachtens de Wet
tarieven in burgerlijke zaken bepaalde.
3. Binnen een maand na het gelasten van het onderzoek doet de
grondkamer daarvan mededeling aan de verzoeker en de bij de overeenkomst
of ontwerp-overeenkomst betrokken partijen onder vermelding van de
plaats waar en het tijdstip waarop het onderzoek wordt gehouden.
Artikel 94
1. De verzoeker en de bij de overeenkomst of
ontwerp-overeenkomst betrokken partijen of belanghebbenden zijn
verplicht aan degene, aan wie het onderzoek is opgedragen, desgevraagd
de ter uitvoering van zijn opdracht nodige inlichtingen te
verstrekken.
2. Degene, aan wie het onderzoek is opgedragen, is bevoegd de
onroerende zaak, waarop het verzoek betrekking heeft, te betreden. Zo
nodig verschaffen zij zich de toegang met behulp van de sterke arm.
3. De uitkomsten van het onderzoek worden neergelegd in een
rapport, hetwelk wordt ondertekend door degene, die met het onderzoek
werd belast.
Afdeling 3. De behandeling
Artikel 95
1. Indien de grondkamer een pachtovereenkomst of een
overeenkomst tot wijziging of beëindiging van een pachtovereenkomst
niet aanstonds kan goedkeuren, deelt zij aan partijen haar bezwaren
mede en geeft zij aan of, en zo ja, op welke wijze deze kunnen worden
opgeheven.
2. Indien een onderzoek door een harer leden of door een
deskundige heeft plaats gehad, zendt de grondkamer aan partijen,
tegelijk met de mededeling van haar bezwaren, een afschrift van het
rapport van het onderzoek toe.
3. De in het vorige lid bedoelde mededeling vermeldt de termijn,
binnen welke partijen schriftelijke opmerkingen aan de grondkamer kunnen
inzenden en een mondelinge behandeling kunnen verzoeken.
4. Indien de partijen toestemmen in de wijzigingen, welke door de
grondkamer als voorwaarde voor het verlenen van haar goedkeuring aan de
overeenkomst worden gesteld, legt de grondkamer deze vast in een akte,
welke door partijen wordt ondertekend en voor dezen bindend is.
5. Indien de partijen de door de grondkamer nodig geoordeelde
wijzigingen niet overnemen, wijzigt de grondkamer de overeenkomst, of,
indien zij oordeelt, dat door wijziging haar in het eerste lid bedoelde
bezwaren niet kunnen worden opgeheven, vernietigt zij haar.
Artikel 96
1. Indien de grondkamer een ontwerp-pachtovereenkomst of een
ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst niet
aanstonds kan goedkeuren, deelt zij aan de personen, die in de
ontwerp-overeenkomst als partijen zijn genoemd, haar bezwaren mede en
geeft zij aan of, en zo ja, op welke wijze deze kunnen worden
opgeheven.
2. Het bepaalde in het tweede en derde lid van het voorgaande
artikel is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de grondkamer de ontwerp-overeenkomst goedkeurt, wordt
de goedkeuring niet op de ontwerp-akte gesteld, doch bij een
afzonderlijke beschikking verleend.
4. Indien de grondkamer de ontwerp-overeenkomst niet kan
goedkeuren en zij van oordeel is, dat haar bezwaren door wijziging van
de ontwerp-overeenkomst kunnen worden opgeheven, vermeldt zij deze
wijzigingen in haar beschikking.
Artikel 97
1. Indien bij een beslissing op een verzoek in andere dan de in
de artikelen 95 en 96 bedoelde gevallen naar het oordeel van de
grondkamer behalve de verzoeker ook anderen belang hebben, deelt de
grondkamer, onder gelijktijdige kennisgeving van de eventuele
bezwaren, aan de verzoeker en de andere belanghebbenden mede, binnen
welke termijn zij schriftelijke opmerkingen aan de grondkamer kunnen
inzenden en een mondelinge behandeling kunnen verzoeken.
2. Indien een onderzoek door een harer leden of door een
deskundige heeft plaats gehad, zendt de grondkamer aan de verzoeker en
de andere belanghebbenden, tegelijk met haar mededeling, een afschrift
van het rapport van het onderzoek toe.
Artikel 98
1. Indien bij een beslissing op een verzoek in andere dan de in
de artikelen 95 en 96 bedoelde gevallen naar het oordeel van de
grondkamer uitsluitend de verzoeker belang heeft en de grondkamer het
verzoek niet aanstonds kan toewijzen, is de grondkamer bevoegd - en op
een daartoe strekkend verzoek verplicht - een mondelinge behandeling
van het bij haar ingediende verzoek te doen plaats hebben op een door
haar te bepalen zitting.
2. Indien een onderzoek door een harer leden of door een
deskundige heeft plaats gehad, zendt de grondkamer aan de verzoeker,
tegelijk met haar oproep voor de mondelinge behandeling, een afschrift
van het rapport van het onderzoek toe.
Artikel 99
De secretaris maakt een verslag van hetgeen bij de mondelinge
behandeling voorvalt met vermelding van de zakelijke inhoud der
afgelegde verklaringen. Het verslag wordt door de voorzitter en de
secretaris vastgesteld en ondertekend. Desverlangd ontvangen partijen
daarvan afschrift.
Artikel 100
1. De partijen bij de overeenkomst en de verzoeker kunnen zich
doen bijstaan of vertegenwoordigen.
2. De partijen bij de overeenkomst en de verzoeker kunnen
getuigen ter zitting meebrengen.
Artikel 101
1. De partijen bij de overeenkomst en de verzoeker kunnen met
machtiging van de grondkamer bij deurwaardersexploot getuigen oproepen
om aldaar te verschijnen.
2. Ieder, die bij deurwaardersexploot is opgeroepen om als
getuige ter zitting te verschijnen, is verplicht aan die oproeping
gehoor te geven.
3. De grondkamer kan bevelen, dat getuigen, die, hoewel bij
deurwaardersexploot opgeroepen, niet zijn verschenen, door de openbare
macht voor haar worden gebracht.
4. De ingevolge artikel 100 ter zitting meegebrachte getuigen
worden gehoord, indien en voorzover de grondkamer hun verhoor dienstig
oordeelt.
5. De artikelen 164, 171 tot en met 173, 177 en 179 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn ten aanzien van het
getuigenverhoor van overeenkomstige toepassing.
6. Van het getuigenverhoor wordt proces-verbaal gemaakt. Artikel
180 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van
overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat het proces-verbaal
door de voorzitter en de secretaris wordt mede-ondertekend.
7. Getuigen ontvangen desverlangende ten laste van degene, die
hen heeft voorgebracht, schadevergoeding, door de voorzitter te begroten
overeenkomstig het bij en krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken
bepaalde.
Artikel 102
Bij de behandeling van een verzoek tot goedkeuring van een
ontwerp-pachtovereenkomst of van een ontwerp-overeenkomst tot wijziging
van een pachtovereenkomst vinden de artikelen 99-101 overeenkomstige
toepassing.
Artikel 103
Indien de grondkamer de pachtovereenkomst of de overeenkomst tot
wijziging of beëindiging van de pachtovereenkomst ongewijzigd
goedkeurt, zendt de secretaris aan ieder der partijen een exemplaar of
een afschrift van de overeenkomst, waarop de beslissing, welke de
grondkamer heeft genomen, is aangetekend.
Artikel 104
1. De beschikkingen van de grondkamer zijn met redenen omkleed,
met uitzondering van de beschikkingen die overeenkomstig het bepaalde
in artikel 103 zijn genomen.
2. Een expeditie van de beschikking wordt aan de bij de
overeenkomst of ontwerp-overeenkomst betrokken partijen of
belanghebbenden alsmede aan de verzoeker toegezonden. De dag van
verzending wordt op de expeditie aangetekend.
Artikel 105
De voorzitter en de leden van de grondkamers alsmede hun
plaatsvervangers kunnen worden gewraakt op de wijze en in de gevallen,
als omschreven in de vierde afdeling van de eerste titel van het eerste
boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met dien
verstande, dat het onderzoek van de redenen van wraking en het beslissen
over de wraking geschiedt door de grondkamer.
Afdeling 4. De behandeling in hoger beroep
Artikel 106
1. Van de beschikkingen van de grondkamer staat, behoudens het
in het derde lid bepaalde, aan partijen, belanghebbenden, alsmede aan
de verzoeker binnen een maand, nadat de beschikking aan hen is
verzonden, beroep open op de Centrale Grondkamer.
2. De wederpartij kan van haar kant incidenteel beroep instellen,
zelfs na verloop van de in het vorige lid bedoelde termijn en na
berusting in de beschikking. Het incidenteel beroep wordt op straffe van
niet-ontvankelijkheid ingesteld bij het schriftelijk antwoord. De
afstand van het principaal beroep doet het ingestelde incidenteel beroep
niet vervallen.
3. Geen beroep kan door de pachter of door de verpachter worden
ingesteld, indien de pachtovereenkomst of een overeenkomst tot wijziging
van een pachtovereenkomst dan wel het ontwerp van een dezer
overeenkomsten ongewijzigd wordt goedgekeurd; geen beroep kan door de
pachter worden ingesteld, indien de wijziging door de grondkamer
ingevolge het bepaalde in artikel 6 betrekking heeft op verlaging van de
overeengekomen pachtprijs; geen beroep kan door de verpachter worden
ingesteld, indien bedoelde wijziging betrekking heeft op een verlaging
van de overeengekomen pachtprijs met minder dan 10 percent.
Artikel 107
1. Het beroep wordt ingesteld door indiening van een
beroepschrift bij de Centrale Grondkamer. Bij het beroepschrift wordt
een expeditie van de beroepen beschikking gevoegd.
2. Het beroepschrift bevat een opgave van de naam, de voornamen
en de woonplaats van de verzoeker, van de naam en de woonplaats van de
wederpartij of belanghebbende, zo deze er is, voorts de bezwaren tegen
de beschikking, waarvan beroep, en de gevraagde beslissing.
3. Bij het beroepschrift worden zoveel afschriften gevoegd als er
wederpartijen of belanghebbenden zijn.
4. Indien het beroep betreft een ter goedkeuring ingezonden
overeenkomst, als bedoeld in artikel 2, of een ontwerp-pachtovereenkomst
of een ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst,
worden bij het beroepschrift de daartoe bij de grondkamer ingediende
bescheiden mede overgelegd.
5. De griffier zendt een afschrift van het beroepschrift
onverwijld aan elk der wederpartijen of belanghebbenden, zo deze er
zijn, toe en voegt daarbij een kennisgeving, vermeldende de tijd binnen
welke een schriftelijk antwoord kan worden ingezonden.
6. Het beroepschrift wordt mondeling ter zitting behandeld,
indien de Centrale Grondkamer dit nodig oordeelt, dan wel een der
partijen of belanghebbenden dit verzoekt. Overigens vinden de bepalingen
van Afdeling 2 en van Afdeling 3 overeenkomstige toepassing.
Artikel 108
1. De Centrale Grondkamer bevestigt of vernietigt de
beschikking waartegen hoger beroep is ingesteld.
2. Bij vernietiging der beschikking doet de Centrale Grondkamer
hetgeen de grondkamer had behoren te doen, tenzij zij reden mocht vinden
de zaak naar de grondkamer terug te wijzen.
Artikel 109
1. De secretaris van de grondkamer zendt desgevraagd de stukken
van de eerste aanleg of afschriften daarvan aan de griffier van de
Centrale Grondkamer.
2. De griffier van de Centrale Grondkamer zendt afschrift van de
beschikkingen van de Centrale Grondkamer aan de grondkamer, van welker
beschikking beroep is ingesteld.
Artikel 110
1. Onze Minister kan beroep van een beschikking van de
grondkamer instellen.
2. Het beroep kan slechts worden ingesteld na verloop van de
termijn, genoemd in artikel 106, eerste lid.
3. Vernietiging van de beschikking van de grondkamer op dit
beroep brengt geen nadeel toe aan de rechten, bij de beschikking
verkregen.
§ 3. Competentie-geschillen
Artikel 111
Competentie-geschillen tussen grondkamers worden door de Centrale
Grondkamer beslist.
§ 4. Algemene bepalingen
Artikel 112
Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende
de wijze waarop de kennisgevingen en de toezending van stukken door de
secretaris van de grondkamer en door de griffier van de Centrale
Grondkamer geschieden.
Artikel 112a
1. De grondkamer binnen welk rechtsgebied als bedoeld in
artikel 72 een waterschap geheel of gedeeltelijk is gelegen verstrekt
op verzoek van dit waterschap de gegevens die deze, voorzover bij de
grondkamer voorhanden, nodig heeft in verband met het bijhouden van
het register, bedoeld in artikel 29 van de Waterschapswet.
2. Omtrent de wijze van het verzoek en de wijze van
gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij algemene
maatregel van bestuur regelen worden gesteld.
Artikel 113
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een tarief
vastgesteld van de door de grondkamers en de Centrale Grondkamer voor
haar verrichtingen te heffen kosten.
2. Ten aanzien van de invordering van deze kosten zijn de
artikelen 22 en 23 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat het dwangbevel wordt
uitgevaardigd door de voorzitter van de grondkamer, onderscheidenlijk
van de Centrale Grondkamer, en dat het terstond uitvoerbaar is.
§ 5. Bijzondere processuele bepaling
Artikel 114
Indien binnen de in de wet gestelde termijn een verzoek is ingediend
of een vordering is ingesteld bij de pachtkamer van de rechtbank en deze
beslist, dat zij niet bevoegd is daarvan kennis te nemen, kan het
verzoek, indien de grondkamer bevoegd is daarvan kennis te nemen en een
wettelijke termijn, binnen welke het verzoek bij de grondkamer moet
worden ingediend, niet meer kan worden in acht genomen, niettemin nog
binnen een maand na de beslissing van de pachtkamer bij de grondkamer
worden ingediend. Hetzelfde geldt, indien een dergelijke beslissing door
de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem wordt bevestigd dan wel door
haar de pachtkamer bij de rechtbank alsnog niet bevoegd wordt verklaard
van het verzoek of van de vordering kennis te nemen.
§ 6. Algemene wet bestuursrecht
Artikel 114a
Op het bepaalde in dit hoofdstuk is de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing.
Hoofdstuk V. Samenstelling en bevoegdheden van de pachtkamers en
behandeling van pachtzaken
§ 1. De pachtkamers
Artikel 115 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 116
1. De deskundige leden, bedoeld in
artikel 48, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie en hun
plaatsvervangers worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van
Onze Minister van Justitie, gehoord Gedeputeerde Staten. Zij worden
genoemd lid, onderscheidenlijk plaatsvervangend lid van de pachtkamer.
2. Om te kunnen worden benoemd tot lid of plaatsvervangend lid
van de pachtkamer moet men Nederlander zijn en de ouderdom van vijf en
twintig jaren hebben bereikt.
3. De leden en de plaatsvervangende leden worden voor de tijd van
vijf jaren benoemd. Zij zijn bij hun aftreden weder benoembaar. Zij
worden op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen.
4. Bij de benoeming van de leden en van de plaatsvervangende
leden dragen Wij zorg, dat in de pachtkamer noch het belang der
pachters, noch dat der verpachters overheerst.
5. De leden en de plaatsvervangende leden worden voor de aanvang
hunner bediening beëdigd.
6. Met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die
waarin een lid of een plaatsvervangend lid van de pachtkamer de leeftijd
van zeventig jaren heeft bereikt, wordt aan hem bij koninklijk besluit
ontslag verleend.
Artikel 117 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 118
Het in de artikelen 46c, 46d, 46f, 46g, eerste en tweede lid, 46i,
met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste en
derde lid, 46m, 46o en 46p, eerste tot en met het vijfde lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren voor de leden van de rechterlijke
macht bepaalde is van toepassing ten aanzien van de deskundige leden van
de pachtkamers van de rechtbanken en hun plaatsvervangers.
Artikel 119 [Vervallen per 01-10-1972]
Artikel 120 [Vervallen per 01-10-1972]
Artikel 121
De president van de rechtbank is bevoegd op de vordering van de
voorzitter van de pachtkamer of op de vordering van het openbaar
ministerie aan de leden en de plaatsvervangende leden van de pachtkamer,
die de waardigheid van hun ambt, hun ambtsbezigheden of ambtsplichten
verwaarlozen, of die zich schuldig maken aan de overtreding, bedoeld in
artikel 123, de nodige waarschuwing te doen, na hen in de gelegenheid te
hebben gesteld om te worden gehoord.
Artikel 121a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 122 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 123 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 124
De leden en de plaatsvervangende leden van de pachtkamers genieten
vergoeding voor reis- en verblijfkosten en verdere vergoeding volgens
bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.
Artikel 125
1. De deskundige leden van de pachtkamer van het gerechtshof te
Arnhem, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Wet op de
rechterlijk organisatie en hun plaatsvervangers worden benoemd bij
koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Justitie. Zij
worden genoemd raad, onderscheidenlijk plaatsvervangende raad in de
pachtkamer van het gerechtshof.
2. Om te kunnen worden benoemd tot raad of plaatsvervangende raad
in de pachtkamer van het gerechtshof moet men Nederlander zijn en de
ouderdom van dertig jaren hebben bereikt.
3. Het bepaalde in de artikelen 116, derde, vierde, vijfde en
zesde lid, 118, 121 en 124 is van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat bij de toepassing van artikel 121 de president van het
gerechtshof te Arnhem bevoegd is de nodige waarschuwing te doen.
Artikel 126 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 127
Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven ter
uitvoering van het bepaalde in deze paragraaf.
§ 2. De bevoegdheid van de pachtkamers
Artikel 128
De pachtkamers van de rechtbank behandelen en beslissen alle zaken
betrekkelijk tot:
a. een pachtovereenkomst;
b. een overeenkomst tot wijziging of beëindiging van een
pachtovereenkomst;
c. een overeenkomst tot het aangaan van een pachtovereenkomst;
d. een overeenkomst, waarbij persoonlijke zekerheid wordt gesteld
voor de nakoming van een pachtovereenkomst;
e. de overeenkomsten, genoemd in het tweede hoofdstuk van deze
wet;
f. een overeenkomst tussen afgaande en opkomende pachters,
verband houdende met de overgang van het bedrijf.
Artikel 129
De pachtkamers van de rechtbank behandelen en beslissen voorts
vorderingen tot:
a. ontruiming van het gepachte door de pachter of de gewezen
pachter;
b. opeising van het verpachte van de pachter of de gewezen
pachter;
c. schadevergoeding of betaling van het bedrag, bedoeld in de
artikelen 44, eerste en derde lid, en 51, derde lid;
d. terugvordering van teveel betaalde pacht;
e. vergoeding van schade wegens onrechtmatig gebruik van het
gepachte, nadat de pachtovereenkomst is geëindigd.
Artikel 130
1. Ook in reconventie kan de pachtkamer slechts kennis nemen
van de vorderingen, bedoeld in de artikelen 128 en 129.
2. Ook in reconventie kan slechts de pachtkamer kennis nemen van
de vorderingen, bedoeld in de artikelen 128 en 129.
Artikel 131 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 132
Van de vonnissen en beschikkingen van de pachtkamers van de
rechtbanken staat, tenzij de vordering niet meer beloopt dan € 1750,
beroep open op de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem.
Artikel 133
1. De advocaat-generaal bij het gerechtshof te Arnhem kan
beroep instellen van een vonnis of beschikking van de pachtkamer bij
de rechtbank.
2. Het beroep kan slechts worden ingesteld na verloop van de
termijn, genoemd in de artikelen 142 en 151, eerste lid.
3. Vernietiging van de beslissing van de pachtkamer op dit beroep
brengt geen nadeel toe aan de rechten, door partijen verkregen.
Artikel 134
De vonnissen en beschikkingen van de pachtkamers van de rechtbanken,
de beschikkingen van haar voorzitter en de arresten en beschikkingen van
de pachtkamer van het gerechtshof zijn niet vatbaar voor cassatie.
Artikel 135
De pachtkamer van het gerechtshof neemt kennis van alle
jurisdictie-geschillen tussen de pachtkamers van de rechtbanken.
§ 3. De behandeling van de gedingen
Artikel 136
De behandeling van de zaken, bedoeld in de artikelen 128 en 129,
geschiedt overeenkomstig de gewone regelen, voorzover daarvan niet bij
de navolgende artikelen is afgeweken.
Artikel 137 [Vervallen per 30-12-1991]
Artikel 138 [Vervallen per 30-12-1991]
Artikel 139
De pachtkamer van de rechtbank treedt in alle opzichten in de plaats
van de kantonrechter, behoudens in de gevallen, voorzien bij de
artikelen 117, 230, derde lid, 177, eerste lid, 180, vijfde lid, van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 140
Onverminderd het met betrekking tot gerechtelijke plaatsopneming en
bezichtiging in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde, is
de pachtkamer bevoegd, zo vaak zulks haar nodig voorkomt, in elke stand
van de procedure, de staat van de onroerende zaak door een of meer harer
leden te doen opnemen, mits de griffier hiervan ten minste twee dagen
voor de opneming aan partijen heeft kennis gegeven. Van de opneming
wordt proces-verbaal opgemaakt.
Artikel 141
De leden van de pachtkamers en hun plaatsvervangers alsmede de raden
in de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem en hun plaatsvervangers
kunnen worden gewraakt op de wijze en in de gevallen, als omschreven in
de vierde afdeling van de eerste titel van het eerste boek van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met dien verstande, dat het
onderzoek van de redenen van wraking en het beslissen over de wraking
geschiedt door de pachtkamer.
Artikel 142
De termijn van hoger beroep van vonnissen bedraagt een maand na de
dag van de uitspraak.
Artikel 142a
De pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem is bevoegd, indien zij
een verschijning van partijen of een getuigenverhoor heeft bevolen, te
bepalen dat deze verschijning of dit verhoor zal plaatshebben voor één
lid van het gerechtshof en één raad.
Artikel 143
De pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem kan de kosten van een
plaatsopneming geheel of ten dele ten laste van de Staat brengen.
Artikel 144
1. Met betrekking tot de schriftelijke vastlegging van
pachtovereenkomsten of van overeenkomsten tot wijziging of
beëindiging van pachtovereenkomsten gelden de volgende bepalingen.
2. De griffier van de pachtkamer van de rechtbank zendt binnen
veertien dagen na de uitspraak van het vonnis, waarbij de overeenkomst
schriftelijk wordt vastgelegd, drie gewaarmerkte afschriften van het
vonnis aan de bevoegde grondkamer.
3. De griffier van de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem
geeft onverwijld aan de grondkamer kennis van een ingesteld beroep. De
grondkamer houdt alsdan de behandeling aan, totdat omtrent de uitslag
van het beroep bericht is ontvangen.
4. Indien de pachtkamer van het gerechtshof in afwijking van de
beslissing van de pachtkamer van de rechtbank de overeenkomst niet
vastlegt, dan wel niet tot een andere beslissing dan de eerste rechter
komt, geeft de griffier daarvan onverwijld kennis aan de bevoegde
grondkamer.
5. Indien de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem, in
afwijking van de beslissing van de pachtkamer van de rechtbank, de
overeenkomst vastlegt, dan wel de overeenkomst anders vastlegt, zendt de
griffier van de pachtkamer van het gerechtshof binnen veertien dagen na
de uitspraak van het vonnis drie gewaarmerkte afschriften van het vonnis
aan de bevoegde grondkamer.
Artikel 145
De pachtkamers van de rechtbanken en de pachtkamer van het
gerechtshof te Arnhem zijn verplicht aan letteren requisitoriaal ten
dienste der justitie wettig gevolg te geven.
§ 4. De behandeling van verzoekschriften buiten eigenlijk
rechtsgeding
Artikel 146
1. Het door de verzoeker of diens gemachtigde ondertekend
verzoekschrift bevat een opgave van de naam, de voornamen en de
woonplaats van de verzoeker, van de naam en de woonplaats der
wederpartij, voorts de gronden, waarop het verzoek steunt en de
gevraagde beslissing.
2. Bij het verzoekschrift worden gevoegd zoveel afschriften als
er verweerders bij het verzoek betrokken zijn.
3. Het verzoekschrift wordt ingediend ter griffie van de
rechtbank, binnen welks rechtsgebied het gepachte of het grootste
gedeelte daarvan is gelegen. Indien het een hoeve betreft, wordt het
verzoekschrift ingediend ter griffie van de rechtbank, binnen welks
rechtsgebied het hoofdgebouw, tot de hoeve behorend, gelegen is.
4. Indien de pachtkamer van een rechtbank van oordeel is, dat een
verzoekschrift ten onrechte bij haar is ingediend, verwijst zij het
verzoek naar de pachtkamer van de rechtbank, die naar haar oordeel
bevoegd is het verzoek te behandelen.
Artikel 147
1. De griffier tekent op het verzoekschrift de dag van
ontvangst aan en zendt onverwijld bij aangetekende brief met bericht
van ontvangst een afschrift van het verzoekschrift aan de wederpartij
toe. Daarbij wordt gevoegd een kennisgeving, vermeldende de tijd,
binnen welke een verweerschrift kan worden ingediend.
2. Het verweerschrift wordt met zoveel afschriften ingezonden als
er verzoekers zijn. Aan iedere verzoeker wordt door de griffier
onverwijld een afschrift bij aangetekende brief met bericht van
ontvangst toegezonden.
3. De rechter kan een mondelinge behandeling bevelen.
4. De griffier geeft onverwijld bij aangetekende brief met
bericht van ontvangst aan partijen kennis van de dag der behandeling.
Artikel 148
1. Ook buiten eigenlijk rechtsgeding kan de pachtkamer zodanige
personen oproepen en, al of niet na beëdiging, als getuigen horen of
doen horen, als zij te harer voorlichting nodig acht. De personen zijn
verplicht te verschijnen en de gevorderde voorlichting te verlenen.
Zij worden opgeroepen bij aangetekende brief.
2. Ook buiten eigenlijk rechtsgeding is de pachtkamer bevoegd
plaatsen te bezichtigen en aldaar getuigen te horen. Zij kan bedoelde
handelingen ook doen verrichten door de kantonrechter of door één of
meer harer leden, vergezeld door de griffier.
Artikel 149
1. De beschikking is met redenen omkleed.
2. De griffier zendt bij aangetekende brief een afschrift van de
beschikking aan partijen. Voor dit afschrift is geen griffierecht
verschuldigd.
Artikel 150
Bij de behandeling van verzoekschriften vindt het bepaalde in de
artikelen 140 en 141 overeenkomstige toepassing.
Artikel 151
1. Het hoger beroep van beschikkingen moet worden ingesteld
binnen een maand na de dag van verzending van het afschrift, bedoeld
in artikel 149, tweede lid.
2. De verweerder kan van zijn kant incidenteel beroep instellen,
zelfs na verloop van de in het vorige lid bedoelde termijn en na
berusting in de beschikking. Het incidenteel beroep wordt op straffe van
verval, ingesteld bij het verweerschrift. De afstand van het principaal
beroep doet het ingestelde incidenteel beroep niet vervallen.
3. Indien een partij gedurende de termijn van het hoger beroep
overlijdt, kunnen haar erfgenamen of rechtverkrijgenden nog beroep
instellen binnen een maand na het overlijden of, indien zij gebruik
maken van het recht van beraad, binnen een maand na afloop van de
daarvoor gestelde termijn.
Artikel 152
1. Het beroepschrift wordt door tussenkomst van een procureur
ingediend, bevat een duidelijke conclusie en is met redenen omkleed.
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de aangevallen
beschikking gevoegd.
2. Overigens zijn op het beroepschrift en de behandeling in
beroep artikel 142a en de artikelen 146-150 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 153
Indien bij een pachtkamer meer dan één verzoekschrift als bedoeld
in artikel 36, derde lid, onderscheidenlijk artikel 70d, derde
lid, is ingediend, kan de rechter ambtshalve de gezamenlijke behandeling
der zaken gelasten.
§ 5. Bijzondere processuele bepaling
Artikel 154
Indien binnen de in de wet gestelde termijn een verzoek is ingediend
bij de grondkamer en deze beslist, dat zij niet bevoegd is daarvan
kennis te nemen, kan het verzoek, indien de pachtkamer van de rechtbank
bevoegd is daarvan kennis te nemen en een wettelijke termijn, binnen
welke het verzoek bij de pachtkamer moet worden ingediend of de
vordering moet worden ingesteld, niet meer kan worden in acht genomen,
niettemin nog binnen een maand na de beslissing van de grondkamer bij de
pachtkamer worden ingediend of kan de vordering binnen dezelfde termijn
worden ingesteld. Hetzelfde geldt, indien een dergelijke beslissing door
de Centrale Grondkamer wordt bevestigd dan wel door haar de grondkamer
alsnog niet bevoegd wordt verklaard van het verzoek kennis te nemen.
Hoofdstuk VI
Artikel 155 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 156 [Vervallen per 21-02-1997]
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 157
De rechten en verplichtingen, voortspruitende uit
pachtovereenkomsten, welke van kracht zijn op het tijdstip van het in
werking treden van deze wet, worden, te rekenen van dat tijdstip, doch
alleen voor het vervolg, beheerst door de bepalingen van deze wet.
Artikel 158
Na 1 januari 1936 aangegane pachtovereenkomsten, welke bij het in
werking treden van deze wet nog van kracht zijn en nog niet op grond van
de Pachtwet 1937 of het Pachtbesluit zijn goedgekeurd, moeten binnen een
jaar na het in werking treden van deze wet aan de grondkamer ter
goedkeuring worden ingezonden.
Artikel 159
Het bepaalde in artikel 9, eerste lid, wordt op de in het vorige
artikel bedoelde overeenkomsten eerst van toepassing een jaar na het in
werking treden van deze wet.
Artikel 160
Pachtovereenkomsten, vóór het in werking treden van deze wet
aangegaan, waarbij niet een bepaalde datum van beëindiging is
vastgesteld, gelden voor de duur van twaalf jaren voor een hoeve en van
zes jaren voor los land, met dien verstande, dat de jaren, gedurende
welke de pachtovereenkomst vóór het in werking treden van deze wet
bestaan heeft, voor de berekening van die duur medetellen tot een
maximum van tien, onderscheidenlijk vier jaren.
Artikel 161
Een vóór 23 mei 1941 rechtsgeldig gemaakt beding, waarbij de
geldelijke lasten, welke de verpachter door publiekrechtelijke lichamen
zijn of zullen worden opgelegd, geheel of ten dele ten laste van de
pachter gebracht worden, blijft van kracht ten belope van ten hoogste
het bedrag der geldelijke lasten, welke gedurende het jaar 1940 op het
verpachte drukten.
Artikel 162
Met betrekking tot pachtovereenkomsten welke van kracht zijn op het
tijdstip van het in werking treden van deze wet, kan de ontheffing,
bedoeld in artikel 29, tweede lid, gedurende een jaar na het in werking
treden der wet gevraagd worden.
Artikel 163
Op verzoeken tot verlenging van een pachtovereenkomst, overeenkomstig
artikel 30, eerste lid, van het Pachtbesluit ingediend, welke bij het in
werking treden van deze wet aanhangig zijn, wordt beschikt
overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 38-48.
Artikel 164
1. Indien vóór het in werking treden van deze wet niet een
verzoek tot verlenging overeenkomstig artikel 30, eerste lid, van het
Pachtbesluit is ingediend, kan, in afwijking van het bepaalde in
artikel 36 van deze wet, een pachtovereenkomst, welke door het
verstrijken van de termijn binnen twee jaren na het in werking treden
van deze wet eindigt, slechts worden verlengd op verzoek van de
pachter, gedaan ten minste één jaar voor het einde van de lopende
pachtovereenkomst. In bijzondere gevallen kan ook een verzoek, dat na
dit tijdstip is gedaan, in behandeling worden genomen.
2. Op een verzoek, als bedoeld in het vorige lid, wordt beschikt
overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 38-48.
Artikel 165
Het bepaalde in artikel 37 vindt geen toepassing, indien vóór het
in werking treden van deze wet een pachtovereenkomst voor een kortere
duur dan de in artikel 12, eerste lid, tweede zin, vermelde duur is
aangegaan en de goedkeuring van de Grondkamer ten aanzien van deze duur
is verkregen.
Artikel 166
De gevolgen, welke het overlijden van de pachter ten aanzien van de
pachtovereenkomst heeft, worden geregeld door het recht, geldende ten
tijde van het overlijden.
Artikel 167
De leden en plaatsvervangende leden van de pachtkamers van de
kantongerechten, alsmede de raden en plaatsvervangende raden van de
pachtkamer in het gerechtshof te Arnhem blijven in functie voor de tijd,
voor welke zij zijn benoemd.
Artikel 168
1. De secretarissen van de in het Pachtbesluit bedoelde
Grondkamers, die niet voldoen aan de in artikel 75 vermelde eisen,
kunnen bij de in deze wet bedoelde grondkamers tot secretaris of
plaatsvervangend secretaris worden benoemd.
2. De tijd, doorgebracht in dienst van de Grondkamers, bedoeld in
het Pachtbesluit, kan op de voet van artikel 40 der Pensioenwet 1922 (Stb.
240) voor pensioen worden ingekocht, mits die tijd al dan niet in
vereniging met andere tijd, genoemd in artikel 56 van die wet, ten
minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking, als bedoeld in
eerstgenoemd artikel, heeft geduurd, of onmiddellijk, althans zonder
wezenlijke onderbreking als vorenbedoeld, door dienst als ambtenaar in
de zin van genoemde wet is gevolgd. Het verzoek tot inkoop dient door
hem, die op de datum van het in werking treden van deze wet reeds
ambtenaar is in de zin der Pensioenwet 1922 (Stb. 240) binnen zes
maanden na dat tijdstip bij de Pensioenraad te worden ingediend en door
hem, die na dat tijdstip de hoedanigheid van ambtenaar in die zin
verkrijgt, binnen zes maanden na de datum van ingang van zijn
ambtenaarschap.
Artikel 169
De rechten en verplichtingen van de in het Pachtbesluit bedoelde
Grondkamers gaan over op het Rijk.
Artikel 170
Op de bij het in werking treden van deze wet bij de pachtkamers van
de rechtbank en bij de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem
aanhangige zaken blijven, ten aanzien van de bevoegdheid en van de
rechtsvordering, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, de regelen
van toepassing, geldende ten tijde van de indiening van het inleidende
verzoekschrift.
Artikel 171
1. De bij het in werking treden van deze wet bij de in het
Pachtbesluit bedoelde Grondkamers en bij de Centrale Grondkamer
aanhangige zaken zijn met ingang van dit tijdstip van rechtswege
aanhangig bij de volgens deze wet bevoegde grondkamers en bij de
Centrale Grondkamer in de staat, waarin zij zich alsdan bevinden.
2. Op deze zaken blijven, ten aanzien van de bevoegdheid en van
de behandeling, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, de regelen
van toepassing, geldende ten tijde van het inleidende verzoekschrift.
Artikel 172
Op rechtsgedingen, welke bij het in werking treden van deze wet bij
een andere rechter dan de in pachtzaken bevoegde rechter aanhangig zijn
en welke na dit in werking treden tot de kennisneming van de pachtkamer
zouden staan, blijven, ten aanzien van de rechterlijke bevoegdheid en
van de rechtsvordering zowel in eerste aanleg als in verdere instantie
de regelen van toepassing, geldende ten tijde der inleidende
dagvaarding.
Artikel 173
Indien in een onteigeningsprocedure de dagvaarding is uitgebracht
vóór het in werking treden van deze wet, beslist de rechter ten
aanzien van de schadeloosstelling van de pachter volgens het recht zoals
dit luidt op het tijdstip van het vonnis, bedoeld in artikel 37, tweede
lid van de Onteigeningswet.
§ 2. Wijzigingen in de bestaande wetten
Artikel 174
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 175
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 176
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 177
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 178
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 179
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 180
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 181
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 182
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 183
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 184
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 185
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 186
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 187
Waar in andere wetten dan de in de artikelen 66-71 van de Pachtwet
1937 en de artikelen 175-178 van deze wet genoemde, en in andere
algemeen verbindende voorschriften op 1 november 1938 sprake was van
huur, verhuur, huren, verhuren, huurder, verhuurder, huurgelden,
huurpenningen en andere soortgelijke woordverbindingen en daaronder op 1
november 1938, pacht, verpachting, pachten, enzovoorts, begrepen was,
behouden deze uitdrukkingen ook na het in werking treden van deze wet
haar ruime strekking.
Artikel 188
De volgende bezettingsmaatregelen vervallen:
a. het Pachtbesluit (Verordeningenblad 1941, No. 215);
b. het Reglement voor de Grondkamers (Stcrt. 1942, 118);
c. het besluit van 30 oktober 1942 (Stcrt. 1942, 232);
d. de door de grondkamers vastgestelde bezettingsmaatregelen.
Artikel 189
Ingetrokken worden:
a. de Pachtwet (Stb. 1937, 205); zij wordt in het vervolg
aangehaald als: Pachtwet 1937;
b. de Crisispachtwet 1932.
Artikel 190
Ingetrokken worden:
a. artikel 1 van de Wet van 28 juli 1924 (Stb. 375);
b. de Pachtregeling 1945 (Stb. F 279);
c. de Pachtvoorziening 1947 (Stb. H 142);
d. de Wet van 15 juli 1948 (Stb. I 295);
e. de Wet van 2 januari 1953 (Stb. 17).
Artikel 191
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Pachtwet.
Artikel 192
1. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen
tijdstip.
2. Dit tijdstip kan voor de artikelen 72-75 en 81-83 eerder
worden gesteld dan voor de overige bepalingen dezer wet.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 23 januari 1958
JULIANA
De Minister van Justitie,
Samkalden
De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening,
A. Vondeling
De Minister van Financiën,
Hofstra
Uitgegeven de vierde februari 1958
De Minister van Justitie,
Samkalden
|