| |
|
|
|
|
vorige
PANDHUISWET
1910 (PHW)
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 8 november 1910, houdende
wettelijke bepalingen tot regeling van de banken van leening
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben dat het wenschelijk is een
wettelijke regeling vast te stellen voor de banken van leening en
daarmede gelijk te stellen inrichtingen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Algemeene bepalingen
Artikel 1
1. Deze wet verstaat onder banken van
leening alle inrichtingen, waar gewoonte wordt gemaakt van het in
ontvangst nemen van roerende zaken tegen afgifte van geld en het weder
afgeven van die zaken tegen ontvangst van geld of andere roerende zaken
aan houders van bij de ontvangst van de roerende zaken afgegeven
geschreven of andere stukken of andere voorwerpen.
2. Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing op
inrichtingen, waar uitsluitend geld tot een hooger bedrag dan € 11,34
op een onderpand wordt verstrekt.
3. Deze wet verstaat onder pand de roerende zaak, die in een bank
van leening in ontvangst wordt genomen tegen afgifte van geld; onder
beleensom het afgegeven geld; onder beleening de afgifte van geld tegen
het in ontvangst nemen van een roerende zaak.
Van gemeentelijke banken van leening
Artikel 2
1. In elke gemeente, waarin aan een gemeentelijke bank van
leening genoegzame behoefte bestaat, wordt zoodanige bank opgericht.
2. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd, burgemeester en wethouders
gehoord, om zoo zij oordeelen, dat een gemeente nalatig is in het
nakomen van de in het vorige lid bedoelde verplichting, de oprichting te
bevelen.
Artikel 3
1. Een gemeentelijke bank van leening wordt opgericht en
opgeheven bij besluit van burgemeester en wethouders. Een besluit tot
opheffing van een gemeentelijke bank van leening wordt onderworpen aan
de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.
2. Burgemeester en wethouders stellen een reglement vast voor de
gemeentelijke bank van leening. Het reglement en wijzigingen daarvan
worden onderworpen aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.
Artikel 4
1. In het reglement van een gemeentelijke bank van leening
wordt, behalve hetgeen burgemeester en wethouders daarin verder wensen
vast te stellen, geregeld:
1°. het bestuur en het beheer van de bank, benevens benoeming,
schorsing, ontslag, bezoldiging, werkkring en aansprakelijkheid van de
ambtenaren en bedienden;
2°. de inrichting en de wijze van bijhouding van de registers;
3°. de inrichting der uit te reiken pandbewijzen;
4°. de nummering, de schatting en de bewaring der panden en de
vergoeding ingeval van brand- of diefstalschade;
5°. de rente benevens kosten, die ter zake van de beleening
verschuldigd zijn;
6°. de termijn, na welken, gerekend van den dag der beleening,
panden, die niet zijn gelost, verkocht kunnen worden;
7°. de verkoop van de panden, die niet zijn gelost, en de wijze
van aankondiging van dien verkoop;
8°. de tijd gedurende welken hetgeen een pand bij verkoop meer
heeft opgebracht dan de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening
verschuldigd is, door den rechthebbende kan worden opgevorderd;
9°. wat door de ambtenaren van de bank moet worden gedaan wanneer
zaken als door diefstal verloren worden aangegeven, of wanneer tot
pand worden aangeboden zaken, die als door diefstal verloren zijn
aangegeven of waarvan vermoed wordt, dat zij door diefstal zijn
verloren;
10°. het bedrijfskapitaal van de bank en de daarvoor te betalen
vergoeding;
11°. de bestemming van winst;
12°. op welke wijze zal worden geweerd verspreiding van
besmettelijke ziekten door panden.
2. Voor verschillende soorten van panden kunnen verschillende
termijnen worden bepaald, na welke, gerekend van den dag der beleening,
de panden die niet zijn gelost, verkocht kunnen worden.
Artikel 5
In het reglement wordt bepaald:
1°. dat de bank op Zondagen en algemeen erkende Christelijke
feestdagen gesloten is;
2°. dat van kinderen, die kenlijk den leeftijd van zestien jaren
nog niet hebben bereikt, en van personen, in kenlijken staat van
dronkenschap, panden of gelden niet worden aangenomen en aan die
kinderen en personen panden of gelden niet worden verstrekt;
3°. dat niet tot pand worden aangenomen:
a. zaken, die kenlijk tot den eeredienst behooren of kenlijk
afkomstig zijn van instellingen van weldadigheid;
b. zaken, die met duidelijke omschrijving bij de bank als door
diefstal verloren zijn aangegeven, behoudens schriftelijke
machtiging van de burgemeester;
c. zaken, behoorende tot de kleeding, uitrusting of wapening
van een krijgsman beneden den rang van officier.
Artikel 6
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, een of meer van de in art. 4
genoemde onderwerpen, betreffende de ambtenaren van de bank, te regelen
bij een of meer afzonderlijke reglementen. Met betrekking tot zoodanig
reglement is van toepassing het bepaalde in art. 3, lid 2 en 3.
Artikel 7
Indien hetgeen ingevolge het reglement ter zake van een beleening op
een pandbewijs is vermeld niet overeenstemt met hetgeen te dier zake in
het register is ingeschreven, beslist de inhoud van het pandbewijs,
zoolang niet de valschheid of de vervalsching van het pandbewijs is
bewezen.
Artikel 8
1. Hetgeen de opbrengst van een pand meer bedraagt dan de
beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is, wordt
aan den rechthebbende uitgekeerd, indien deze een daartoe strekkend
verzoek doet binnen den in het reglement bepaalden termijn na den
verkoop. Bij gebreke van tijdig verzoek vervalt dat bedrag aan de
bank.
2. Het op een pand geleden verlies wordt door de bank gedragen.
Artikel 9
De bank is, behoudens het bepaalde in art. 11, verplicht de panden
tot de lossing of den verkoop te bewaren.
Artikel 10
Indien een pand door brand of diefstal verloren is gegaan, en de
panden tegen brand- of diefstalschade zijn verzekerd, wordt hetgeen de
krachtens de verzekering te vorderen vergoeding meer bedraagt dan de
beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is, aan den
rechthebbende uitgekeerd, indien deze een daartoe strekkend verzoek doet
binnen twaalf maanden na den dag, waarop het pand gelost had moeten
worden.
Artikel 11
1. In geval van onbevoegdheid van de pandgever is artikel 238
lid 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, indien de
bank te goeder trouw is op het tijdstip waarop de zaak in zijn macht
is gebracht.
2. Indien de bank op dat tijdstip niet te goeder trouw is of
indien de zaak door diefstal is verloren, wordt de zaak, mits deze nog
in de macht van de bank is, aan de eigenaar teruggegeven tegen betaling
van de beleensom en van hetgeen ter zake van de belening is
verschuldigd.
3. Een zaak, die voor de aanneming tot pand met duidelijke
omschrijving als door diefstal verloren bij de bank is aangegeven, wordt
aan de eigenaar onvergolden teruggegeven, indien de afgifte binnen zes
maanden na de aangifte wordt gevraagd en het pand nog in de macht van de
bank is.
4. Is het pand reeds verkocht op het tijdstip van de aanvraag, en
is hetgeen de verkoopsom meer bedraagt dan de beleensom en hetgeen ter
zake van de beleening verschuldigd is, nog niet aan den houder van het
pandbewijs uitgekeerd, dan geschiedt de uitkeering aan den eigenaar.
5. Het bestuur der bank kan borgstelling vorderen.
Artikel 12
1. Het pand strekt tot zekerheid uitsluitend van de schuld,
voor welke het is verbonden en kan zonder toestemming van den
pandgever niet strekken tot zekerheid van een andere schuld.
2. Het pandbewijs geeft, behoudens in het geval, bedoeld in art.
11, recht de lossing van het pand te vorderen tegen betaling van de
beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is.
3. Indien ter lossing van het pand volstaan wordt met de enkele
afgifte van kwijting, blijft de bank gedurende zes maanden na de lossing
van het pand tot het bedrag van de geschatte waarde voor het pand
aansprakelijk jegens de rechtmatige houder van het pandbewijs.
Van particuliere banken van leening
Artikel 13
Particuliere banken van leening worden niet gehouden dan na toelating
door Burgemeester en Wethouders.
Artikel 14
1. De toelating wordt schriftelijk gevraagd onder overlegging
van een opgave van het perceel en de localiteiten, waarin de bank zal
worden gehouden.
2. Zij wordt alleen geweigerd, indien:
a. te duchten is, dat de bank niet in overeenstemming met de
bepalingen van deze wet of van plaatselijke verordeningen zal worden
gehouden of overigens misbruiken ten nadeele van de beleeners zijn te
duchten;
b. de localiteiten, waarin de bank zal worden gehouden, niet
voldoen aan eischen, daarvoor bij plaatselijke verordening gesteld.
3. Het verzoek om toelating wordt binnen een week, nadat het is
ingekomen, ter openbare kennis gebracht. Ieder kan tegen de inwilliging
bezwaren bij Burgemeester en Wethouders inbrengen.
Artikel 15
1. Binnen twee maanden wordt op het verzoek om toelating
schriftelijk beschikt. Indien de toelating wordt verleend, wordt in
het besluit opgenomen een omschrijving van de localiteiten, waarin de
bank zal worden gehouden.
2. De toelating geldt alleen voor de localiteiten in het besluit
vermeld Zij geeft slechts bevoegdheid tot het houden van de bank door
den toegelatene persoonlijk of voor en ten name van den toegelatene en
onder zijn verantwoordelijkheid door een ander, die door hem daartoe
schriftelijk gemachtigd is.
3. De toelating geldt mede voor hem, die na het overlijden van
den toegelatene het bedrijf voortzet, gedurende drie maanden na het
overlijden, en, indien door hem binnen dien termijn toelating is
gevraagd, tot de beschikking op zijn verzoek.
4. De toelating vervalt, indien de toegelatene insolvent
verklaard of onder curateele gesteld is.
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 17
Op of terzijde van elke deur, die toegang geeft tot het perceel,
waarin de bank wordt gehouden, is, duidelijk zichtbaar, een wit bord
aangebracht, waarop in zwarte letters van den openbaren weg duidelijk
leesbaar is te lezen: "Pandhuis".
Artikel 18
In een uitsluitend daartoe bestemd register, waarvan de bladen door
of van wege de burgemeester zijn gewaarmerkt, wordt op den dag der
beleening achtereenvolgens zonder open vakken, tusschenregels of
kantteekeningen, met betrekking tot ieder pand ingeschreven het nummer
van het pand, het bedrag der geschatte waarde van het pand, de
beleensom, een omschrijving van het pand en de dag der beleening. In dat
register wordt bij ieder pand mede ingeschreven ingeval van lossing of
van verkoop de datum daarvan en in geval van verkoop bovendien de
opbrengst van den verkoop.
Artikel 19
1. Voor iedere beleening wordt aan den pandgever een pandbewijs
afgegeven; aan het pand wordt een dubbel van dat bewijs gehecht.
2. De panden worden gedurende ieder kalenderjaar doorloopend
genummerd.
Artikel 20
Het pandbewijs houdt in:
a. het nummer van het pand;
b. een omschrijving van het pand, het bedrag van de geschatte
waarde en de beleensom;
c. den datum der beleening;
d. den termijn, na welken, gerekend van den dag der beleening,
het pand, indien het niet gelost is, verkocht kan worden;
e. de vermelding, dat hetgeen het pand bij verkoop meer heeft
opgebracht dan de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening
verschuldigd is, door den rechthebbende gedurende twaalf maanden na
den verkoop kan worden opgevorderd.
Artikel 21
1. De termijn, bedoeld in art. 20, letter d , is niet
korter dan zes maanden.
2. Indien het pandbewijs de bepaling, bedoeld in art. 20, letter d
, niet inhoudt, is de pandnemer te allen tijde gehouden tot teruggave
van het pand tegen ontvangst van de beleensom en hetgeen ter zake van de
beleening verschuldigd is.
3. Indien de houder van een bank van leening een pand, waarvan de
lossing verlangd wordt met inachtneming van den termijn, bedoeld in art.
20, letter d , of krachtens het bepaalde in het vorige lid, niet
meer onder zijn macht heeft, is hij gehouden tot betaling aan den
pandgever van hetgeen de geschatte waarde van het pand meer bedraagt dan
de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is.
4. Indien het vermelde op het pandbewijs niet overeenstemt met
het vermelde in het register, beslist de inhoud van het pandbewijs,
zoolang niet de valschheid of de vervalsching van het pandbewijs is
bewezen.
Artikel 22
1. Burgemeester en Wethouders kunnen een model voor het
pandbewijs, bedoeld in art. 20, vaststellen. Het besluit tot
vaststelling wordt ter openbare kennis gebracht en aan de houders van
banken van leening medegedeeld.
2. Van den dertigsten dag af na den dag der mededeeling worden
door hen geen andere pandbewijzen uitgereikt dan die zijn ingericht
overeenkomstig het vastgestelde model.
Artikel 23
1. De panden worden door den houder van de bank tegen brand- en
diefstalschade verzekerd.
2. Indien Burgemeester en Wethouders de verzekering of het
verzekerde bedrag onvoldoende achten, geven zij daarvan met redenen
omkleed schriftelijk kennis aan den houder van de bank van leening, die
binnen een maand aan de gerezen bezwaren tegemoet komt.
Artikel 24
1. Verkoop van panden geschiedt in het openbaar na openbare
aankondiging ten minste veertien dagen te voren, in een of meer
nieuwsbladen van de gemeente, of, bij gebreke daarvan, in een of meer
nieuwsbladen van naburige gemeenten, alsmede door aanplakking aan het
gebouw van de bank. Bij die aankondiging worden vermeld de maanden,
waarin de pandbewijzen, welke betrekking hebben op de panden, die
verkocht zullen worden, zijn afgegeven. De panden worden vóór de
verkooping tenminste één dag ter bezichtiging gesteld.
2. De houder van de bank is verplicht te waken voor een
ordelijken gang van de verkooping en er voor te zorgen, dat de
bezichtiging van de panden behoorlijk kan plaats hebben.
3. Een pand kan bij de verkooping worden opgehouden, indien het
niet tenminste het bedrag van de beleensom en hetgeen ter zake van de
beleening verschuldigd is, kan opbrengen. Het kan daarna ondershands
worden verkocht.
Artikel 25
1. Hetgeen de opbrengst van een pand meer bedraagt dan de
beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is, wordt
aan den rechthebbende uitgekeerd, indien deze een daartoe strekkend
verzoek doet binnen twaalf maanden na den verkoop. Bij gebreke van
tijdig verzoek vervalt dat bedrag aan den houder van de bank.
2. Het op een pand geleden verlies wordt door den houder van de
bank gedragen.
Artikel 26
Op Zondagen en algemeen erkende Christelijke feestdagen worden panden
niet aangenomen of afgegeven en wordt geld niet verstrekt of in
ontvangst genomen.
Artikel 27
Van kinderen, die kenlijk den leeftijd van zestien jaren nog niet
hebben bereikt, en van personen, in kenlijken staat van dronkenschap,
worden panden of gelden niet aangenomen; aan die kinderen en personen
worden panden of gelden niet verstrekt.
Artikel 28
Tot pand worden niet aangenomen:
a. zaken, die kenlijk tot den eeredienst behooren of kenlijk
afkomstig zijn van instellingen van weldadigheid;
b. zaken, die met duidelijke omschrijving bij den houder van de
bank als door diefstal verloren zijn aangegeven, behoudens
schriftelijke machtiging van de burgemeester;
c. zaken, behoorende tot de kleeding, uitrusting of wapening van
een krijgsman beneden den rang van officier.
Artikel 29
De houder van de bank is, behoudens het bepaalde in art. 33,
verplicht de panden tot de lossing of den verkoop te bewaren.
Artikel 30
Indien een pand door brand of diefstal verloren is gegaan, wordt
hetgeen de krachtens de verzekering te vorderen vergoeding meer bedraagt
dan de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is,
aan den rechthebbende uitgekeerd, indien deze een daartoe strekkend
verzoek doet binnen twaalf maanden na den dag, waarop het pand gelost
had moeten worden.
Artikel 31
1. Schriftelijke aangifte van door diefstal verloren zaken
wordt afzonderlijk bewaard gedurende tenminste een jaar.
2. Van zoodanige aangifte wordt op verzoek terstond aan hem, die
de aangifte deed, bewijs afgegeven, vermeldende de zaak, die als door
diefstal verloren is aangegeven en dag en uur van aangifte.
Artikel 32
1. Tot pand aangeboden zaken, die met duidelijke omschrijving
als door diefstal verloren bij de bank zijn aangegeven, worden
aangehouden.
2. Daarvan wordt terstond kennis gegeven aan de burgemeester.
3. De in het eerste lid bedoelde zaken worden niet afgegeven dan
na schriftelijke machtiging van de burgemeester.
4. Die zaken worden desverlangd aan de justitie verstrekt tegen
bewijs van afgifte. Dat bewijs wordt afzonderlijk bewaard.
Artikel 33
1. In geval van onbevoegdheid van de pandgever is artikel 238
lid 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, indien de
bank te goeder trouw is op het tijdstip waarop de zaak in zijn macht
is gebracht.
2. Indien de bank op dat tijdstip niet te goeder trouw is of
indien de zaak door diefstal is verloren, wordt de zaak, mits deze nog
in de macht van de bank is, aan de eigenaar teruggegeven tegen betaling
van de beleensom en van hetgeen ter zake van de belening is
verschuldigd.
3. Een zaak, die voor de aanneming tot pand met duidelijke
omschrijving als door diefstal verloren bij de bank is aangegeven, wordt
aan de eigenaar onvergolden teruggegeven, indien de afgifte binnen zes
maanden na de aangifte wordt gevraagd en het pand nog in de macht van de
bank is.
4. Is het pand reeds verkocht op het tijdstip van de aanvraag, en
is hetgeen de verkoopsom meer bedraagt dan de beleensom en hetgeen ter
zake van de beleening verschuldigd is, nog niet aan den houder van het
pandbewijs uitgekeerd, dan geschiedt de uitkeering aan den eigenaar.
5. De houder van de bank kan borgstelling vorderen.
Artikel 34
1. Het pand strekt tot zekerheid uitsluitend van de schuld,
voor welke het is verbonden en kan zonder toestemming van den
pandgever niet strekken tot zekerheid van een andere schuld.
2. Het pandbewijs geeft behoudens in de gevallen, bedoeld in art.
33, eerste en tweede lid, recht de lossing van het pand te vorderen
tegen betaling van de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening
verschuldigd is.
3. Indien ter lossing van het pand volstaan wordt met de enkele
afgifte van kwijting, blijft de bank gedurende zes maanden na de lossing
van het pand tot het bedrag van de geschatte waarde voor het pand
aansprakelijk jegens de rechtmatige houder van het pandbewijs.
Artikel 35
1. Ter zake van een beleening mag niet anders worden gevorderd
dan één bedrag, waarvan vooruitbetaling niet mag worden geëischt.
2. Het is een bedrag ten honderd van de beleensom, met dien
verstande dat een geldsom als minimum mag worden vastgesteld.
3. Het bedrag ten honderd, bedoeld in het tweede lid, kan
verschillend zijn naar gelang van de soort en de geschatte waarde der
panden, van het bedrag der beleensom en van den duur der beleening.
4. Bij de berekening van hetgeen verschuldigd is, wordt een
onderdeel van een cent, dat minder is dan een halve cent, gerekend voor
een halven cent; het wordt gerekend voor een cent, indien het meer is
dan een halve cent.
Artikel 36
1. In de localiteit of in de localiteiten, waarin de bank wordt
gehouden, zijn gedrukte exemplaren, zonder bijschrijvingen, van de
voorwaarden voor beleening aanwezig. Exemplaren worden op verzoek aan
de pandgevers en aan de politie kosteloos uitgereikt.
2. Die voorwaarden behelzen:
a. het bedrag ten honderd, dat ter zake van een beleening
verschuldigd is, met inachtneming van de in art. 35, derde lid,
toegelaten onderscheidingen, voor zoover zij gemaakt zijn, en het
minimum, bedoeld in art. 35, tweede lid, indien dat vastgesteld is;
b. den termijn na welken, gerekend van den dag der beleening, het
pand, indien het niet gelost is, verkocht kan worden;
c. de vermelding, dat hetgeen het pand bij verkoop meer heeft
opgebracht dan de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening
verschuldigd is, door den rechthebbende gedurende twaalf maanden na
den verkoop kan worden opgevorderd;
d. de dagen en de uren, gedurende welke de inrichting geopend is.
Artikel 37
1. Burgemeester en wethouders kunnen onder goedkeuring van
Gedeputeerde Staten bepalen:
a. eischen, waaraan localiteiten, waarin een bank van leening zal
worden gehouden, moeten voldoen, alvorens de toelating, bedoeld in
art. 13, kan worden verleend;
b. een model voor het register, bedoeld in art. 18;
c. een maximum van hetgeen ingevolge art. 35 gevorderd mag worden,
met inachtneming van de in art. 35, derde lid, toegelaten
onderscheidingen;
d. uren gedurende welke de banken van leening gesloten moeten zijn;
e. dat in de localiteiten of in het perceel, waarin een bank van
leening gehouden wordt, zekere beroepen of bedrijven niet of niet
zonder toestemming van Burgemeester en Wethouders uitgeoefend mogen
worden of zekere bezigheden niet of niet zonder toestemming van
Burgemeester en Wethouders mogen geschieden;
f. wat door den houder van een bank van leening moet worden gedaan
ter wering van verspreiding van besmettelijke ziekten door panden.
2. Een besluit, vastgesteld ingevolge het vorige lid, wordt na de
goedkeuring door Gedeputeerde Staten ter openbare kennis gebracht en aan
de houders van banken van leening medegedeeld. De houders van banken van
leening zijn van den tweeden dag af na den dag der mededeeling gehouden
tot naleving van een besluit als bedoeld onder letter c en d
van het vorige lid; tot naleving van een besluit, als bedoeld onder
letter b, e en f zijn zij gehouden van den
dertigsten dag af na den dag der mededeeling.
Artikel 38
1. Burgemeester en Wethouders doen ten minste eenmaal 's jaars
en voorts zoo dikwijls zij dit noodig oordeelen door een of meer bij
schriftelijke lastgeving aan te wijzen personen in de banken van
leening een onderzoek instellen naar het beheer van de bank.
2. De houders van de banken van leening verstrekken aan personen,
voorzien van voormelde lastgeving, op verzoek alle ter zake van het in
het eerste lid bedoelde onderzoek noodige inlichtingen of inzage van
bescheiden.
Artikel 39
Burgemeester en Wethouders zenden een schriftelijke waarschuwing aan
den houder van een bank van leening, door of voor wien of in wiens bank
wordt gehandeld in strijd met een van de bepalingen van deze wet, voor
zoover tegen overtreding van die bepalingen niet bij de artt. 49-52
straf is bedreigd, of in strijd met de bepalingen van een krachtens deze
wet vastgestelde verordening.
Artikel 40
De toelating van den houder van een bank van leening kan door
Burgemeester en Wethouders worden ingetrokken:
1°. indien omstandigheden zich voordoen op grond waarvan, indien
zij vroeger bekend of te duchten geweest waren, de toelating zou
zijn geweigerd;
2°. indien blijkt, dat er binnen vijf jaren na de waarschuwing,
bedoeld in art. 39, andermaal termen zouden zijn voor toepassing van
dat artikel.
Artikel 41
Indien de intrekking onherroepelijk is geworden, kan nieuwe toelating
van denzelfden persoon niet plaats hebben vóór dat vijf jaren zijn
verstreken.
Artikel 42
1. Burgemeester en Wethouders brengen iedere onherroepelijk
geworden intrekking van een toelating onverwijld ter openbare kennis
en kondigen haar onverwijld af in een of meer nieuwsbladen van de
gemeente of, bij gebreke daarvan, in een of meer nieuwsbladen van
naburige gemeenten en door aanplakking aan het gebouw van de bank. De
afkondiging in de nieuwsbladen wordt zoo spoedig mogelijk driemalen
herhaald.
2. Zij doen de ingevolge art. 17 aangebrachte witte borden, nadat
de intrekking onherroepelijk is geworden, onverwijld verwijderen.
Artikel 43
1. De houder van een bank van leening, wiens toelating is
ingetrokken, kan gedurende zes maanden na de eerste bekendmaking het
bedrijf voortzetten uitsluitend voor de lossing der panden.
2. Indien de houder van de bank weigert mede te werken tot
lossing van de panden, doen Burgemeester en Wethouders alle panden in
beslag nemen en aan de houders van de pandbewijzen tegen vergoeding van
voor het beslag gemaakte kosten terug geven.
Artikel 44
1. Panden, die binnen zes maanden na de eerste bekendmaking,
voorgeschreven in art. 42, niet zijn gelost, worden binnen veertien
dagen in het openbaar verkocht.
2. Indien die verkoop niet binnen den bepaalden termijn heeft
plaats gehad, dragen Burgemeester en Wethouders zorg dat hij alsnog
plaats vinde. Zij zijn bevoegd, daartoe alles wat op het bedrijf
betrekking heeft, in beslag te doen nemen of onder bewaking te doen
stellen.
Artikel 45
1. De opbrengst van de ingevolge art. 44 verkochte panden en
hetgeen overeenkomstig het bepaalde in art. 20 letter e door
den rechthebbende kan worden opgevorderd ter zake van panden, die
vóór de intrekking van de toelating zijn verkocht, wordt gestort in
de kas van den gemeente-ontvanger. Die bedragen en de storting worden
door Burgemeester en Wethouders onverwijld ter openbare kennis
gebracht en afgekondigd in een of meer nieuwsbladen van de gemeente
of, bij gebreke daarvan, in een of meer nieuwsbladen van naburige
gemeenten.
2. Uit die gelden wordt, indien een daartoe strekkend verzoek
binnen zes maanden na voormelde afkondiging wordt gedaan, aan de houders
van pandbewijzen uitgekeerd hetgeen de opbrengst van het pand meer
bedraagt dan de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening
verschuldigd is. Indien evenwel hetgeen in de kas van den
gemeente-ontvanger wordt gestort terzake van panden, die vóór de
intrekking van de toelating zijn verkocht, niet toereikend is om aan de
rechthebbenden het hun toekomende uit te keeren, wordt het beschikbare
bedrag naar evenredigheid van ieders vordering onder hen verdeeld.
3. Uit hetgeen daarna overblijft worden de door Burgemeester en
Wethouders bij de uitvoering van de artt. 42 en 44 gemaakte kosten
vergoed; het overige blijft gedurende een jaar na den verkoop der panden
ter beschikking van hem, die de bank van leening gehouden heeft, of,
indien deze overleden is, van zijne erfgenamen of rechtverkrijgenden, en
vervalt, indien het door dezen niet binnen dien termijn is opgevorderd,
aan de gemeente.
Artikel 46
1. Het bepaalde in de artt. 42 en 44 is mede van toepassing
indien de houder van een bank van leening insolvent verklaard of onder
curateele gesteld is, met dien verstande, dat de in art. 42
voorgeschreven bekendmaking en afkondiging en verwijdering van de
borden door den curator wordt verricht en dat de lossing van panden
geschiedt bij en de openbare verkoop door den curator.
2. Hetgeen de opbrengst der door den curator en der vóór het
vervallen van de toelating verkochte panden meer bedraagt dan de
beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is, wordt
voor ieder pand in een nieuwsblad bekend gemaakt en blijft gedurende zes
maanden ter beschikking van de pandgevers. Indien evenwel hetgeen ter
beschikking van de pandgevers blijft ter zake van vóór het vervallen
van de toelating verkochte panden niet toereikend is om aan de
rechthebbenden het hun toekomende uit te keeren, wordt het beschikbare
bedrag naar evenredigheid van ieders vordering onder hen verdeeld.
3. Hetgeen binnen den in het tweede lid bepaalden termijn niet is
opgevorderd, vervalt aan den boedel.
Artikel 47
De houders van banken van leening verleenen te allen tijde aan
personen, voorzien van een schriftelijke lastgeving van Burgemeester en
Wethouders tot binnentreden, toegang tot hun localiteiten.
Strafbepalingen
Artikel 48
Hij, die behoudens het bepaalde in art. 43, eerste lid, zonder de
vereischte toelating een bank van leening houdt, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 49
1. Hij, die opzettelijk onjuiste opgaven inschrijft in het
register, bedoeld in art. 18, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Met gelijke straf wordt gestraft hij, die niet voldoet aan een
verzoek, tot hem gericht ingevolge art. 38, tweede lid, of die handelt
in strijd met het bepaalde in art. 47.
Artikel 50
Hij, die handelt in strijd met het bepaalde in de artt. 26, 27 of 32
of met een besluit, vastgesteld ingevolge art. 37, letter d, of e, of
die nalaat, daartoe verplicht zijnde, het bewijs af te geven, bedoeld in
art. 31, tweede lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste
categorie.
Artikel 51
1. Hij, die weigert, den rechtmatigen houder van een pandbewijs
tot lossing van het pand toe te laten; die een pand verkoopt binnen
den termijn, ingevolge art. 20, letter d, op het pandbewijs vermeld;
die in het geval, bedoeld in art. 21, tweede lid, het pand niet tegen
ontvangst van het verschuldigde terug geeft; of die weigert, het
bedrag, bedoeld in art. 20, letter e, aan den rechthebbende uit te
keeren, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of
geldboete van de eerste categorie.
2. Met gelijke straf wordt gestraft hij, die handelt in strijd
met het bepaalde in art. 35, eerste lid, of met een besluit, vastgesteld
ingevolge art. 37, letter c.
Artikel 52 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 53
1. De opsporingsambtenaren zijn te allen
tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij
kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
2. De voormelde ambtenaren hebben te allen tijde vrijen toegang
tot alle localiteiten en alle plaatsen, waar een bank van leening wordt
gehouden of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat een bank van
leening gehouden wordt.
3. Bij het opsporen van een bij of krachtens deze wet strafbaar
gesteld feit hebben de in het eerste lid bedoelde ambtenaren toegang tot
elke plaats, waar een bank van lening wordt gehouden of waar
redelijkerwijs vermoed kan worden, dat een bank van lening gehouden
wordt, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
nodig is.
Overgangsbepalingen
Artikel 54
De reglementen van de gemeentelijke banken van leening vervallen zes
maanden na het in werking treden van deze wet, indien zij niet met
inachtneming van de bepalingen van deze wet binnen dien termijn zijn
herzien.
Artikel 55
1. Verpachting van een gemeentelijke bank van leening en het
aannemen van zaken ter beleening door inbrengers wordt niet voortgezet
dan krachtens een bepaling van het reglement.
2. Die bepaling is telkens voor slechts vijf jaren geldig.
Artikel 56
1. Particuliere banken van leening kunnen gedurende een jaar na
de inwerkingtreding van deze wet worden gehouden zonder de in art. 13
gevorderde toelating.
2. Het bepaalde in de artt. 17-20, 23-36, 38, 39, 46 en 47 blijft
gedurende dien termijn buiten toepassing; houders van banken van leening
zijn eerst na afloop van dien termijn met inachtneming van het bepaalde
in art. 37, tweede lid, gehouden tot naleving van een besluit, te voren
vastgesteld op grond van art. 37, eerste lid, letter b, c, d, e of f.
Artikel 57. Slotbepalingen
1. De bepalingen van de afdelingen 1 en 2 van titel 9 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek en de bepalingen van de veertiende titel
van Boek 7A van dat wetboek zijn op de banken van lening van
toepassing, voor zover daarvan bij deze wet niet wordt afgeweken.
2. Ter zake van vorderingen op den pandnemer wordt geen beslag
gelegd op panden.
3. De wet van 16 Pluviôse an XII vervalt.
Artikel 58
De processen-verbaal van verkoop van panden worden gratis
geregistreerd.
Artikel 59
De feiten, bij de artt. 48, 49, 50 en 51 strafbaar gesteld, worden
beschouwd als overtredingen.
Artikel 60
Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van "Pandhuiswet"
onder bijvoeging van jaartal en nummer van het Staatsblad, waarin
zij is geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize het Loo, den 8sten November 1910
WILHELMINA
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
Heemskerk.
Uitgegeven den twee en twintigsten November 1910
De Minister van Justitie,
E.R.H. Regout
|
|
|