WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
regelingen te treffen met betrekking tot de overgang van het personeel
van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie en van de
Rijkspostspaarbank dat werkzaam is bij de Postcheque- en Girodienst of
de Rijkspostspaarbank naar de Postbank N.V.;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
a. Staatsbedrijf: het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en
Telefonie;
b. overgangsdatum: de datum waarop artikel 7 van de Postwet 1954
(Stb. 592) vervalt en de Rijkspostspaarbank wordt opgeheven;
c. personeelslid: degene, die op de dag voor de overgangsdatum in
dienst is van het Staatsbedrijf of van de Rijkspostspaarbank, hetzij
als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht,
en die werkzaam is bij de Postcheque- en Girodienst of de
Rijkspostspaarbank.
Artikel 2
1. Ieder personeelslid heeft het recht om in dienst te treden
bij de Postbank N.V. op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht
ingaande op de overgangsdatum.
2. Een arbeidsovereenkomst, als in het eerste lid bedoeld, geldt
voor onbepaalde tijd indien het personeelslid was aangesteld in vaste
dienst, dan wel werkzaam was voor onbepaalde tijd op
arbeidsovereenkomst.
3. De arbeidsovereenkomst geldt voor de niet verstreken tijd van
de tijdelijke dienst of de arbeidsovereenkomst, indien het personeelslid
was aangesteld of werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor een bepaalde
tijd.
4. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die overeenkomt met
de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde in dienst van het
Staatsbedrijf dan wel de Rijkspostspaarbank, behoudens ten aanzien van
enkele nader door Onze ministers van Verkeer en Waterstaat en van
Financiën te bepalen functies.
5. De voorwaarden van de arbeidsovereenkomst zullen in het
algemeen niet ongunstiger zijn dan die welke voor het personeelslid
golden uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij het Staatsbedrijf dan
wel de Rijkspostspaarbank.
6. De Postbank N.V. is gehouden de arbeidsovereenkomst aan te
gaan zonder nadere selectie of keuring.
7. Door het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst is het
personeelslid met ingang van de overgangsdatum van rechtswege eervol
ontslagen uit de dienst van het Staatsbedrijf dan wel van de
Rijkspostspaarbank.
Artikel 3
1. Met ingang van de overgangsdatum verkrijgen de in artikel 2,
zevende lid, bedoelde personeelsleden aanspraken jegens een door de
Postbank N.V. aan te wijzen instelling, zoals bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder c, van de Pensioen- en Spaarfondsenwet 1952 (Stb.
275), die gelijkwaardig zijn aan die welke deze personeelsleden op
voornoemde datum krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet 1979 (Stb.
679) hebben jegens het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, en neemt
voornoemde instelling de daarmee verband houdende verplichtingen op
zich.
2. De aanspraken van de in het eerste lid bedoelde personen
krachtens de Algemene Burgerlijke Pensioenwet en de daaruit
voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds
jegens die personen vervallen op de overgangsdatum.
3. De directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt
op de overgangsdatum aan de in het eerste lid bedoelde instelling een
bedrag aan middelen over waarvan Onze Ministers van Verkeer en
Waterstaat, van Financiën en van Binnenlandse Zaken gezamenlijk, de
directie van het fonds en de Commissie bedoeld in artikel L 16 van de
Algemene burgerlijke pensioenwet gehoord, de hoogte bepalen aan de hand
van de rechten die krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet bij het
fonds zijn opgebouwd ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde
personen, rekening houdend met de actuariële gevolgen voor het fonds
van de uittreding van de in het eerste lid bedoelde personen.
Artikel 4
1. Onze ministers van Verkeer en Waterstaat en van Financiën
geven in overeenstemming met Onze minister van Binnenlandse Zaken
regelen omtrent de behandeling van bezwaren van een personeelslid
tegen de overgang naar de Postbank N.V.
2. Onze ministers van Verkeer en Waterstaat en van Financiën
geven in overeenstemming met Onze minister van Binnenlandse Zaken
regelen met betrekking tot de uitvoering van het in de artikelen 2 en 3
bepaalde.
Artikel 5
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Personeelswet Postbank
N.V.
2. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 11 september 1985
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
De Minister van Financiën,
O. Ruding
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Rietkerk
Uitgegeven de zesentwintigste september 1985
De Minister van Justitie a.i.,
Rietkerk