WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te
stellen met betrekking tot de overgang van personeel van het
Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie naar de naamloze
vennootschap PTT Nederland NV;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
a. het Staatsbedrijf: het Staatsbedrijf der Posterijen,
Telegrafie en Telefonie;
b. overgangsdatum: de datum waarop de naamloze vennootschap PTT
Nederland NV wordt opgericht;
c. personeelslid: degene die op de dag voor de overgangsdatum in
dienst is bij het Staatsbedrijf, hetzij als ambtenaar, hetzij
krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, met
uitzondering van degene ten aanzien van wie voor de overgangsdatum
een besluit tot verplaatsing binnen de rijksdienst is genomen;
d. de NV PTT: de naamloze vennootschap PTT Nederland NV,
daaronder mede begrepen een vennootschap waarin PTT Nederland NV
voor meer dan de helft in het geplaatste kapitaal deelneemt;
e. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 2
1. Ieder personeelslid heeft het recht om op de overgangsdatum
op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht over te gaan in dienst
van de NV PTT.
2. De in het eerste lid bedoelde arbeidsovereenkomst geldt voor
onbepaalde tijd, indien het personeelslid bij het Staatsbedrijf is
aangesteld als ambtenaar in vaste dienst of aldaar werkzaam is krachtens
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
3. Voor het personeelslid dat bij het Staatsbedrijf is aangesteld
als ambtenaar in tijdelijke dienst of aldaar werkzaam is krachtens
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, geldt de arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd en wel voor de periode dat de tijdelijke aanstelling
of de arbeidsovereenkomst bij het Staatsbedrijf zou hebben voortgeduurd,
de op de overgangsdatum nog niet gerealiseerde verlengingen buiten
beschouwing gelaten.
4. De voorwaarden van de arbeidsovereenkomst zullen in totaliteit
niet ongunstiger zijn dan die welke voor het personeelslid op de laatste
dag van de kalendermaand voorafgaand aan de overgangsdatum gelden uit
hoofde van zijn dienstbetrekking bij het Staatsbedrijf.
5. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk
overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervult in
dienst bij het Staatsbedrijf, uitgezonderd enkele door Onze Minister te
bepalen functies.
Artikel 3
1. Namens de op te richten NV PTT wordt door of vanwege Onze
Minister een aanbod voor de arbeidsovereenkomst gedaan.
2. De NV PTT is van rechtswege gebonden aan de
arbeidsovereenkomst die op basis van het in het eerste lid bedoelde
aanbod tot stand is gekomen.
3. Het aanbod dient ten minste dertig dagen voor de
overgangsdatum te worden gedaan, bij gebreke waarvan artikel 4, eerste
lid, toepassing mist. Alsdan is het bepaalde in artikel 4, derde en
vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
1. Met ingang van de overgangsdatum is het personeelslid van
rechtswege eervol ontslagen uit de dienst bij het Staatsbedrijf.
2. Het in het eerste lid bedoelde ontslag treedt niet in ten
aanzien van het personeelslid dat overeenkomstig de bezwarenregeling,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, voor de overgangsdatum bezwaar heeft
aangetekend tegen de aangeboden functie, op de grond dat de geboden
functie, mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden,
voor hem niet passend is te achten, voor zover op de overgangsdatum nog
niet op het bezwaar is beslist en een eventueel herplaatsingsonderzoek
nog niet is afgerond.
3. In een geval als bedoeld in het tweede lid blijft de op de dag
voor de overgangsdatum bestaande dienstbetrekking van het personeelslid
gehandhaafd, met dien verstande dat het personeelslid met ingang van de
overgangsdatum in dienst is bij het ministerie van Verkeer en
Waterstaat.
4. Indien op basis van een aanbod als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, alsnog een arbeidsovereenkomst tot stand komt, is het in het
vorige lid bedoelde personeelslid op de ingangsdatum van de
arbeidsovereenkomst van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van
het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Dit personeelslid zal zoveel
mogelijk in de positie worden gebracht die hij zou hebben gehad als hij
op de overgangsdatum van rechtswege ontslagen zou zijn uit de dienst bij
het Staatsbedrijf.
Artikel 5
1. Met ingang van de overgangsdatum verkrijgt een personeelslid
met wie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
is gesloten, aanspraken jegens een door de NV PTT aan te wijzen
instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid sub b dan wel c,
van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (Stb. 1952, 275), die in
totaliteit in elk geval gelijkwaardig zijn aan die welke dit
personeelslid op de laatste dag van de kalendermaand voorafgaand aan
de overgangsdatum heeft jegens het Algemeen burgerlijk pensioenfonds
krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540)
en neemt de aangewezen instelling de daarmee verband houdende
verplichtingen op zich.
2. De aanspraken die een personeelslid op wie het eerste lid van
toepassing is, toekomen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet,
met uitzondering van de aanspraken die voor de overgangsdatum geldend
zijn gemaakt of geldend gemaakt hadden kunnen worden, vervallen op de
overgangsdatum, evenals de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het
Algemeen burgerlijk pensioenfonds jegens dit personeelslid.
3. Het gestelde in het eerste en tweede lid is van
overeenkomstige toepassing op het personeelslid als bedoeld in artikel
4, vierde lid, met dien verstande dat de bedoelde aanspraken ontstaan
respectievelijk vervallen met ingang van de dag waarop hij in dienst
treedt bij de NV PTT.
4. De directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt
aan de in het eerste lid bedoelde instelling een deel van het vermogen
van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds over. De overdrachtssom zal
bepaald worden op basis van de lasten-en-baten-methode, waarbij het te
hanteren premiepercentage wordt berekend op basis van een sluitende
balans van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds per ultimo van het
boekjaar voorafgaande aan de oprichting van de NV PTT. Het aldus
berekende bedrag zal vermenigvuldigd worden met 1,045. Het over te
dragen vermogen zal hetzelfde rendementspotentieel hebben als het bij
het Algemeen burgerlijk pensioenfonds achterblijvende deel.
5. De aanspraken die aan het personeelslid uit hoofde van zijn
voormalige dienstverband bij de overheid bij arbeidsongeschiktheid
toekomen krachtens de artikelen 42 van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement (Stb. 1931, 248), artikel 32c van
het Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 1931, 354) en artikel E1
van de Algemene burgerlijke pensioenwet vervallen met ingang van de
datum waarop de arbeidsovereenkomst, die op basis van het aanbod als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gesloten, van kracht is geworden.
Artikel 6
1. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken, in afwijking van artikel 5 gedurende twee jaren na
de overgangsdatum de op de laatste dag van de kalendermaand
voorafgaand aan de overgangsdatum bestaande voorziening ten aanzien
van de aanspraken op ouderdoms- en nabestaandenpensioen krachtens de
Algemene burgerlijke pensioenwet van de personeelsleden van de NV PTT
onderbrengen bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds.
2. De berekening van de in het eerste lid bedoelde
pensioenaanspraken geschiedt volgens bij algemene maatregel van bestuur
te stellen regels.
3. Bij toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel is
artikel 5, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Bij toepassing van het eerste lid van dit artikel vervalt van
rechtswege artikel 5, vierde lid, en wordt de omvang van het vermogen,
dat op de overgangsdatum respectievelijk na afloop van de in het eerste
lid van dit artikel bedoelde termijn door de directie van het Algemeen
burgerlijk pensioenfonds moet worden overgedragen aan de krachtens
artikel 5, eerste lid, door de NV PTT aangewezen instelling, bepaald
door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken.
5. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede
lid of een wijziging daarvan treedt niet eerder in werking dan twee
maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij
wordt geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld aan de
Staten-Generaal mededeling gedaan.
Artikel 7
1. Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken regels omtrent de behandeling van bezwaren van een
personeelslid tegen een aanbod als bedoeld in artikel 3, eerste lid.
Een bezwarencommissie wordt opgedragen terzake advies uit te brengen,
waarna door of vanwege Onze Minister op het bezwaar een beslissing
wordt genomen.
2. Een beslissing als bedoeld in het vorige lid, genomen ten
aanzien van een personeelslid dat bij het Staatsbedrijf is aangesteld
als ambtenaar wordt geacht een besluit te zijn in de zin van artikel 3
van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 530).
Artikel 8
Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken nadere regels vaststellen met betrekking tot de
uitvoering van het in de artikelen 3 en 4 bepaalde.
Artikel 9
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 10
Deze wet kan worden aangehaald als Personeelswet PTT Nederland NV.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Canberra, 26 oktober 1988
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.P. van Dijk
Uitgegeven de vierentwintigste november 1988
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes