| |
|
|
|
|
vorige
PLANWET
VERKEER EN VERVOER
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 25 mei 1998, houdende regels
inzake plannen op het terrein van het verkeer en het vervoer (Planwet
verkeer en vervoer)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor het
voeren van een samenhangend verkeers- en vervoerbeleid, waarbij de drie
bestuurslagen zijn betrokken, een planstructuur te introduceren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
Onze Ministers: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat tezamen met
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer;
essentiële onderdelen van het nationale verkeers- en vervoerplan: de
nationale doelstellingen en de andere onderdelen van het nationale
verkeers- en vervoerbeleid, die in dit plan als zodanig worden
aangemerkt;
essentiële onderdelen van het provinciale verkeers- en vervoerplan:
provinciale doelstellingen en andere onderdelen van het provinciale
verkeers- en vervoerbeleid die een uitwerking vormen van de essentiële
onderdelen van het nationale verkeers- en vervoerplan.
Paragraaf 2. Het nationale verkeers- en vervoerplan
Artikel 2
1.Er is een nationaal verkeers- en vervoerplan, dat richting geeft
aan de te nemen beslissingen inzake verkeer en vervoer. Voor zover een
nationaal verkeers- en vervoersplan het karakter heeft van een
structuurvisie, wordt dit in het plan bepaald en is artikel 2.3 van de
Wet ruimtelijke ordening hierop van toepassing.
2.Het nationale verkeers- en vervoerplan wordt voorbereid door Onze
Minister, die daartoe in overleg treedt met gedeputeerde staten en de
colleges van burgemeester en wethouders.
Artikel 3
1.Het plan bevat de hoofdzaken van het nationale verkeers- en
vervoerbeleid.
2.In het plan wordt rekening gehouden met de mogelijke economische,
milieu-, ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen, alsmede met
de van belang zijnde internationale ontwikkelingen.
3.Het plan bevat in ieder geval:
a. de essentiële onderdelen van het nationale verkeers- en
vervoerbeleid;
b. een beschrijving van de te verwachten activiteiten van Rijk,
provincies en gemeenten;
c. de afstemming met aangrenzende beleidsterreinen, zoals
economie en milieu;
d. de fasering, de prioriteitsstelling en een indicatie van de
bekostiging van de uitvoering;
e. de termijn waarbinnen het provinciale plan moet worden
vastgesteld of herzien.
Artikel 4
1.Het door het Rijk te voeren beleid wordt neergelegd in een
afzonderlijk hoofdstuk van het nationale verkeers- en vervoerplan.
2.Het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport, bedoeld in
artikel 4 van de Wet Infrastructuurfonds, geldt tevens als
uitvoeringsprogramma van het in het eerste lid bedoelde hoofdstuk.
Paragraaf 3. Het provinciale verkeers- en vervoerplan
Artikel 5
1. Provinciale staten stellen een of meer provinciale verkeers- en
vervoersplannen vast, die richting geven aan de door provinciale
staten en gedeputeerde staten te nemen beslissingen inzake verkeer en
vervoer. Provinciale staten nemen hierbij de essentiële onderdelen
van het nationale verkeers- en vervoersplan in acht.
2. Het plan bevat de hoofdzaken van het door de provincie te voeren
verkeers- en vervoerbeleid.
3. Het plan bevat in ieder geval:
a. de uitwerking van de essentiële onderdelen van het
nationale verkeers- en vervoerplan;
b. de afstemming met andere beleidsterreinen, zoals ruimtelijke
ordening, economie en milieu;
c. de fasering, de prioriteitsstelling en een indicatie van de
bekostiging van de uitvoering en van de voor gemeenten beschikbare
middelen;
d. de termijn waarvoor het plan geldt;
e. de termijn waarbinnen het gemeentelijk beleid in
overeenstemming moet zijn gebracht met het plan.
4. Voor afloop van de in het derde lid, onder d, bedoelde termijn
stellen provinciale staten een nieuw provinciaal verkeers- en
vervoerplan vast.
5. In het plan geven provinciale staten in ieder geval aan, in
hoeverre het voorgenomen beleid leidt tot aanpassing van het
provinciale ruimtelijke beleid of het provinciale milieubeleid en in
hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn een of meer
geldende structuurvisies als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet
ruimtelijke ordening, het geldende provinciale milieubeleidsplan,
bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, van de Wet milieubeheer, of het
geldende regionale waterplan, bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet,
te herzien.
Artikel 6
1.Gedeputeerde staten betrekken bij de voorbereiding van het
provinciale verkeers- en vervoersplan de naar hun oordeel meest
belanghebbende bestuursorganen. Daartoe behoren in ieder geval Onze
Minister, de colleges van burgemeester en wethouders, gedeputeerde
staten van de aangrenzende provincies en de besturen van waterschappen
die tevens wegbeheerder zijn.
2.Op de voorbereiding van het provinciale verkeers- en vervoerplan
is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 7
1.Onze Minister kan provinciale staten een aanwijzing geven omtrent
de inhoud van het provinciale verkeers- en vervoersplan. De aanwijzing
kan alleen worden gegeven voorzover het een essentieel onderdeel van
het nationale verkeers- en vervoersplan betreft. De aanwijzing wordt
slechts gegeven nadat tevoren met gedeputeerde staten terzake overleg
is gepleegd.
2.Bij de aanwijzing stelt Onze Minister de termijn vast, waarbinnen
het provinciale verkeers- en vervoerplan in overeenstemming dient te
zijn gebracht met de aanwijzing. Onze Minister doet van het besluit,
houdende de aanwijzing, mededeling aan de Staten-Generaal en
publiceert het besluit in de Staatscourant.
Paragraaf 4. Het gemeentelijk verkeers- en vervoerbeleid
Artikel 8
De gemeenteraad onderscheidenlijk het college van burgemeester en
wethouders dragen zorg voor het – zichtbaar – voeren van een
samenhangend en uitvoeringsgericht verkeers- en vervoersbeleid, dat
richting geeft aan de door de raad en het college te nemen beslissingen
inzake verkeer en vervoer. De gemeenteraad onderscheidenlijk het college
van burgemeester en wethouders neemt hierbij de essentiële onderdelen
van het nationale verkeers- en vervoerplan en van het provinciale
verkeers- en vervoerplan in acht en houdt rekening met het beleid van
naburige gemeenten.
Artikel 9
1.Gedeputeerde staten kunnen de gemeenteraad de verplichting
opleggen tot het vaststellen van een gemeentelijk verkeers- en
vervoersplan indien de gemeenteraad onderscheidenlijk het college van
burgemeester en wethouders aantoonbaar nalatig is in de uitoefening
van de hen in artikel 8 opgedragen taak. De verplichting wordt niet
eerder opgelegd dat nadat tevoren met de gemeenteraad
onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders overleg
is gepleegd.
2.Het plan bevat in ieder geval:
a. de uitwerking van de essentiële onderdelen van het
nationale verkeers- en vervoerplan en van het provinciale verkeers-
en vervoerplan;
b. de afstemming met andere beleidsterreinen, zoals ruimtelijke
ordening, economie en milieu;
c. de fasering, de prioriteitsstelling en een indicatie van de
bekostiging;
d. de termijn waarvoor het plan geldt.
3.Bij het opleggen van de verplichting tot het vaststellen van een
gemeentelijk verkeers- en vervoerplan stellen gedeputeerde staten de
termijn vast waarbinnen het plan moet worden vastgesteld. Gedeputeerde
staten kunnen hierbij tevens een aanwijzing geven als bedoeld in
artikel 11, eerste lid.
Artikel 10
1.De gemeenteraad onderscheidenlijk het college van burgemeester en
wethouders betrekt bij de voorbereiding van het gemeentelijk verkeers-
en vervoerbeleid of van het gemeentelijk verkeers- en vervoerplan de
naar zijn oordeel meest belanghebbende bestuursorganen en stelt hen op
de hoogte van het door de gemeenteraad onderscheidenlijk het college
te voeren beleid. Daartoe behoren in ieder geval gedeputeerde staten
van de provincie, de colleges van burgemeester en wethouders van de
aangrenzende gemeenten, de besturen van betrokken waterschappen die
tevens wegbeheerder zijn en, in voorkomende gevallen, Onze Minister.
2.Op de voorbereiding van het gemeentelijk verkeers- en vervoerplan
is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
3.Voor zover het gemeentelijk verkeers- en vervoerbeleid gevolgen
heeft voor het ruimtelijk beleid, geeft de gemeenteraad
onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders in ieder
geval aan binnen welke termijn de daarvoor aangewezen procedures op
basis van de Wet ruimtelijke ordening in gang gezet worden.
Artikel 11
1.Gedeputeerde staten kunnen de gemeenteraad een aanwijzing geven
omtrent de inhoud van het gemeentelijk verkeers- en vervoerplan. De
aanwijzing kan alleen worden gegeven voorzover het een essentieel
onderdeel van het nationale of provinciale verkeers- en vervoerplan
betreft. De aanwijzing wordt slechts gegeven nadat tevoren met de
gemeenteraad terzake overleg is gepleegd.
2.Bij de aanwijzing stellen gedeputeerde staten de termijn vast,
waarbinnen het gemeentelijk verkeers- en vervoerplan in
overeenstemming dient te zijn gebracht met de aanwijzing.
3.Gedeputeerde staten doen van een besluit als bedoeld in het
eerste lid, mededeling in de Staatscourant.
Paragraaf 5. Uitvoering en overleg
Artikel 12
1.Met het oog op de uitvoering van het nationale verkeers- en
vervoerplan, de provinciale verkeers- en vervoerplannen en het
verkeers- en vervoerbeleid van gemeenten kunnen bestuurlijke
overeenkomsten worden gesloten. De noodzaak daartoe kan in het
nationale of provinciale verkeers- en vervoerplan of in het
gemeentelijke beleid worden aangegeven.
2.Voor het geval bestuurlijke overeenkomsten niet tot stand komen,
kan ieder der betrokken bestuursorganen zich wenden tot een door Onze
Minister in te stellen commissie. De leden van deze commissie worden
benoemd op voordracht van Rijk, provincies en gemeenten.
Artikel 13
1.Ten behoeve van de onderlinge afstemming van het verkeers- en
vervoerbeleid van Rijk, provincies en gemeenten en de uitvoering
daarvan is er op nationaal en provinciaal niveau een verkeers- en
vervoerberaad.
2.Onze Minister draagt zorg voor de organisatie van het verkeers-
en vervoerberaad op nationaal niveau en gedeputeerde staten dragen
zorg voor de organisatie van het verkeers- en vervoerberaad op
provinciaal niveau.
Artikel 14
Onze Minister doet jaarlijks verslag van zijn bevindingen met
betrekking tot de voortgang van de uitvoering van het nationale verkeers-
en vervoerplan en verbindt daar conclusies aan. Hij maakt daarbij
gebruik van de gegevens van provincies en gemeenten over de voortgang
van de uitvoering van provinciale verkeers- en vervoerplannen en het
gemeentelijk verkeers- en vervoerbeleid. Dit verslag maakt deel uit van
het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport als bedoeld in
artikel 4.
Paragraaf 6. Slotbepalingen
Artikel 15
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze
wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 16
1.Het bestuur van een regionaal openbaar lichaam als bedoeld in
artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen dat de gemeente
of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond,
Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat,
stelt een regionaal verkeers- en vervoerplan vast, dat richting geeft
aan de voor het gebied van dat regionaal openbaar lichaam te nemen
beslissingen inzake verkeer en vervoer. Het bestuur neemt hierbij de
essentiële onderdelen van het nationale verkeers- en vervoerplan in
acht, evenals de essentiële onderdelen van het provinciale verkeer-
en vervoerplan, voor zover die betrekking hebben op de bovenregionale
samenhang.
2.Voor de openbare lichamen als bedoeld in het eerste lid is de
onderhavige wet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande,
dat:
a. voor de toepassing van de artikelen 2, tweede lid, 3, derde
lid, onder b, 12, 13, eerste lid, en 14 regionale openbare
lichamen gelijkgesteld worden met provincies;
b. voor de toepassing van artikel 3, derde lid, onder a en b,
na «provincies» ingevoegd wordt: ,regionale openbare lichamen;
c. het in artikel 5 bedoelde provinciale verkeers- en
vervoerplan uitsluitend betrekking heeft op het gebied van een in
de provincie gelegen regionaal openbaar lichaam voor zover daarin
essentiële onderdelen van beleid zijn opgenomen die noodzakelijk
zijn voor de bovenregionale samenhang en het bestuur van de
provincie over deze onderdelen overleg heeft gevoerd met het
bestuur van het betrokken regionaal openbaar lichaam;
d. in artikel 6, eerste lid, tweede volzin, na «provincies»
toegevoegd wordt: , alsmede het algemeen bestuur van het in de
provincie bestaand regionaal openbaar lichaam;
e. voor de toepassing van artikel 7 «provinciale staten» en
«het provinciale verkeers- en vervoerplan» vervangen worden door
«het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam»
respectievelijk «het regionaal verkeers- en vervoerplan»;
f. de artikelen 8 tot en met 10 niet toepassing zijn;
g. voor de toepassing van artikel 11 het «gemeentebestuur» en
het «gemeentelijk verkeers- en vervoerplan» wordt vervangen
door: «het bestuur van een regionaal openbaar lichaam»
respectievelijk het «regionaal verkeers- en vervoerplan» en in
de tweede volzin van het eerste lid de aanwijzing van het
provinciaal bestuur uitsluitend betrekking heeft op de essentiële
onderdelen van beleid van het provinciale verkeers- en vervoerplan
die noodzakelijk zijn voor de bovenregionale samenhang.
Artikel 17
1.[Wijzigt de Wet op de Ruimtelijke Ordening]
2.[Wijzigt de Wet milieubeheer]
3.[Wijzigt de Wet op de waterhuishouding]
Artikel 18
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 19
Deze wet wordt aangehaald als: Planwet verkeer en vervoer.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 25 mei 1998
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de zestiende juli 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|