Nadere regelgeving:
- Ambtsinstructie
commissaris van de Koning
- Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en
andere opsporingsambtenaren
- Besluit algemene rechtspositie politie
(BARP)
- Besluit beheer regionale politiekorpsen
(vervallen)
- Besluit bezoldiging politie
- Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie
- Besluit comptabele regelgeving regionale politiekorpsen
(vervallen)
- Besluit financiën regionale politiekorpsen
(vervallen)
- Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994
- Besluit rangen politie
- Besluit rechtspositie vrijwillige politie
- Besluit samenwerkingsvoorzieningen politie
(vervallen)
- Besluit taken vrijwillige ambtenaren van politie
(vervallen)
- Besluit
veiligheidsregio's
- Bewapeningsregeling politie
(vervallen)
- Kledingregeling voor de politie
- Regeling aanhoudings- en ondersteuningseenheid en samenwerking
speciale eenheden
- Regeling Bijzondere Bijstandseenheden
(vervallen)
- Regeling criminele inlichtingen eenheden
(vervallen)
- Regeling infiltratieteams
(vervallen)
- Regeling informatiebeveiliging politie
- Regeling mobiele eenheid 2007
- Regeling nationale en bovenregionale recherche
(vervallen)
- Uitrustingsregeling
politie 1994' (vervallen)
- Voorziening tot samenwerking Politie
Nederland
(vervallen)
WET van 9 december 1993 tot vaststelling
van een nieuwe Politiewet
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de
bestaande Politiewet te vervangen door een nieuwe wettelijke regeling
voor de taak, de organisatie en het beheer van de politie en het gezag
waaraan zij ondergeschikt is;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. regio: politieregio;
b. regionale college: het college bedoeld in artikel 22;
c. korpsbeheerder: de burgemeester, bedoeld in artikel 23,
eerste lid, of de waarnemend korpsbeheerder, bedoeld in artikel
23, zesde lid;
d. korpschef: de korpschef, bedoeld in artikel 24,
onderscheidenlijk 38;
e. commissaris van de Koning: de commissaris van de Koning in
de provincie waarin de regio geheel of nagenoeg geheel is gelegen;
f. hoofd van het landelijk parket: de hoofdofficier van
justitie, bedoeld in artikel 137, tweede lid, van de Wet op de
rechterlijke organisatie;
g. taken ten dienste van de justitie:
1°. de uitvoering van wettelijke voorschriften waarmee
Onze Minister van Justitie is belast;
2°. de administratiefrechtelijke afdoening van inbreuken
op wettelijke voorschriften, voor zover in die voorschriften
het toezicht op de uitvoering van de politietaak is opgedragen
aan het openbaar ministerie;
3°. de betekening van gerechtelijke mededelingen in
strafzaken, het vervoer van rechtens van hun vrijheid beroofde
personen, en de dienst bij de gerechten.
2.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde mede verstaan: het waken
voor de veiligheid van personen.
3.Als hoofdofficier van justitie in de zin van deze wet treedt op
de hoofdofficier van justitie dan wel de fungerend hoofdofficier van
justitie. Indien in een arrondissement twee regio’s zijn gelegen,
bepaalt Onze Minister van Justitie voor welke regio de hoofdofficier
van justitie en voor welke regio de fungerend hoofdofficier van
justitie optreedt. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van
de fungerend hoofdofficier van justitie wordt hij vervangen door de
hoofdofficier van justitie.
Hoofdstuk II. Taak en samenstelling van de politie
Artikel 2
De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag
en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de
daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan
hen die deze behoeven.
Artikel 3
1.Ambtenaren van politie in de zin van deze wet zijn:
a. ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak;
b. ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van technische,
administratieve en andere taken ten dienste van de politie;
c. vrijwillige ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak.
2.Onder ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van
de politietaak, worden mede begrepen: de bijzondere ambtenaren van
politie, bedoeld in artikel 43.
Artikel 4
De politie bestaat uit 25 regionale politiekorpsen, één Korps
landelijke politiediensten en de bijzondere ambtenaren van politie,
bedoeld in artikel 43.
Artikel 5
1.Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties worden regels gegeven over de taken die kunnen
worden uitgevoerd door vrijwillige ambtenaren.
2.Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid
treedt niet eerder in werking dan drie maanden na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt door Onze Ministers onverwijld mededeling gedaan aan de beide
Kamers der Staten-Generaal onder overlegging van de over het ontwerp
uitgebrachte adviezen.
Artikel 6
1.Aan de Koninklijke marechaussee zijn, onverminderd het bepaalde
bij of krachtens andere wetten, de volgende politietaken opgedragen:
a. het waken voor de veiligheid van de leden van het Koninklijk
Huis, in samenwerking met andere daartoe aangewezen organen;
b. de uitvoering van de politietaak ten behoeve van Nederlandse
en andere strijdkrachten, alsmede internationale militaire
hoofdkwartieren, en ten aanzien van tot die strijdkrachten en
hoofdkwartieren behorende personen;
c. de uitvoering van de politietaak op de luchthaven Schiphol
en op de andere door Onze Ministers van Justitie, van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie aangewezen
luchtvaartterreinen, alsmede de beveiliging van de
burgerluchtvaart;
d. de verlening van bijstand alsmede de samenwerking met de
politie krachtens deze wet, daaronder begrepen de
assistentieverlening aan de politie bij de bestrijding van
grensoverschrijdende criminaliteit;
e. de uitvoering van de politietaak op plaatsen onder beheer
van Onze Minister van Defensie, op verboden plaatsen die krachtens
de Wet bescherming staatsgeheimen (Stb. 1951, 92) ten behoeve van
de landsverdediging zijn aangewezen, alsmede op het terrein van de
ambtswoning van Onze Minister-President;
f. de uitvoering van de bij of krachtens de Vreemdelingenwet
2000 opgedragen taken, waaronder begrepen de bediening van de
daartoe door Onze Minister van Justitie aangewezen doorlaatposten
en het, voor zover in dat verband noodzakelijk, uitvoeren van de
politietaak op en nabij deze doorlaatposten, alsmede het verlenen
van medewerking bij de aanhouding of voorgeleiding van een
verdachte of veroordeelde;
g. de bestrijding van mensensmokkel en van fraude met reis- en
identiteitsdocumenten;
h. het in opdracht van Onze Minister van Justitie en van
Defensie ten behoeve van De Nederlandsche Bank N.V. verrichten van
beveiligingswerkzaamheden.
2.Onder personen die behoren tot de andere strijdkrachten en
internationale hoofdkwartieren, bedoeld in het eerste lid, onder b,
worden mede begrepen personen, voor zover aangewezen bij algemene
maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Defensie.
3.Onze Minister van Justitie kan de commandant van de Koninklijke
marechaussee de nodige algemene en bijzondere aanwijzingen geven,
voorzover het betreft:
a. de uitoefening van de taken, bedoeld in het eerste lid,
onder a en h;
b. het waken voor de veiligheid van door Onze Minister van
Justitie aangewezen personen als bedoeld in het eerste lid, onder
b;
c. de uitoefening van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder
c, ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de
rechtsorde en de beveiliging van de burgerluchtvaart;
d. de bewaking en beveiliging van de ambtswoning van Onze
Minister-President, bedoeld in het eerste lid, onder e.
4.Hoewel bevoegd tot de opsporing van alle strafbare feiten,
onthoudt de militair van de Koninklijke marechaussee die is aangewezen
krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, zich van
optreden anders dan in het kader van de uitoefening van zijn
politietaken, bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk III. Bevoegdheden van de politie
Artikel 7
1.De ambtenaar van politie is bevoegd zijn taak uit te oefenen in
het gehele land.
2.Hoewel bevoegd in het gehele land, onthoudt de ambtenaar van
politie zich van optreden buiten zijn gebied van aanstelling, tenzij
ingevolge regels, gesteld bij of krachtens de wet, dan wel in opdracht
of met toestemming van het bevoegde gezag over de politie.
Artikel 8
1.De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van
de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn
bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit,
mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren,
rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.
Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.
2.De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van
de politietaak heeft toegang tot elke plaats, voor zover dat voor het
verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, redelijkerwijs nodig is.
3.De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van
de politietaak is bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van
personen bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende
bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van de politietaak,
indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar
dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de ambtenaar zelf of van
derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.
4.De officier van justitie of de hulpofficier van justitie voor wie
aangehouden of rechtens van hun vrijheid beroofde verdachten of
veroordeelden worden geleid, is bevoegd te bepalen dat deze aan hun
lichaam zullen worden onderzocht, indien uit feiten of omstandigheden
blijkt dat gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid of die van de
ambtenaar zelf en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit
gevaar.
5.De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en
met vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en
gematigd te zijn.
6.Het eerste tot en met het vijfde lid zijn tevens van toepassing
op de militair van de Koninklijke marechaussee, indien hij optreedt in
de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, en op de militair van
enig ander onderdeel van de krijgsmacht die op grond van deze wet
bijstand verleent aan de politie.
7.Onze Minister van Justitie kan bepalen, dat de in artikel 142,
eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde buitengewone
opsporingsambtenaren, voor zover door hem hetzij in persoon hetzij per
categorie of eenheid aangewezen, de bevoegdheden omschreven in het
eerste en derde lid kunnen uitoefenen. Alsdan wordt met
overeenkomstige toepassing van artikel 9 een ambtsinstructie voor hen
vastgesteld.
Artikel 8a
1.Een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een
identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs
noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak.
2.Gelijke bevoegdheid komt toe aan de buitengewoon
opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het
Wetboek van Strafvordering, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk
is voor de uitoefening van zijn taak.
3.Gelijke bevoegdheid komt toe aan de militair van de Koninklijke
marechaussee, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de
uitoefening van zijn politietaak, bedoeld in artikel 6, eerste lid, en
aan de militair van de Koninklijke marechaussee of van enig ander
onderdeel van de krijgsmacht die op grond vanartikel 58, eerste lid,
onderscheidenlijk artikel 59, eerste lid, bijstand verleent aan de
politie.
Artikel 9
1.Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties wordt, in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie voor zover het de Koninklijke marechaussee betreft, een
ambtsinstructie voor de politie en voor de Koninklijke marechaussee
vastgesteld.
2.Indien de militair van enig ander onderdeel van de krijgsmacht
optreedt bij de uitvoering van zijn in de artikelen 59 en 60
omschreven taken is de ambtsinstructie van toepassing.
3.In de ambtsinstructie worden regels gegeven ter uitvoering van de
artikelen 7 en 8.
4.Bij algemene maatregel van bestuur of krachtens algemene
maatregel van bestuur bij ministeriële regeling worden regels gegeven
omtrent maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde
personen met het oog op hun insluiting kunnen worden onderworpen, voor
zover dit noodzakelijk is in het belang van hun veiligheid of de
veiligheid van anderen. De algemene maatregel van bestuur wordt
vastgesteld op voordracht van Onze Ministers van Justitie, en van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze
Minister van Defensie voor zover het de Koninklijke marechaussee
betreft.
5.Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op personen, die
ten behoeve van de hulpverlening aan hen zijn ondergebracht bij de
politie of de Koninklijke marechaussee.
6.De ambtenaren die door Onze Minister van Justitie zijn aangewezen
voor het vervoer van rechtens van hun vrijheid beroofde personen,
kunnen de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid,
uitoefenen, dan wel de maatregelen, bedoeld in het vierde lid,
treffen, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de voorkoming
van het zich onttrekken van de te vervoeren persoon aan het op hem
uitgeoefende toezicht. De eerste volzin is van toepassing voor zover
de rechtens van hun vrijheid beroofde personen zijn ondergebracht bij
de politie of de Koninklijke marechaussee.
Artikel 10
Alle ambtenaren, belast met een politietaak, verlenen elkaar
wederkerig de nodige hulp en betrachten bij voortduring een eendrachtige
samenwerking bij het uitvoeren van die taak. Zij verlenen elkaar zoveel
mogelijk de gevraagde medewerking.
Artikel 11
1.Zij die op grond van artikel 141, onder d en artikel 142 van het
Wetboek van Strafvordering tot opsporing van strafbare feiten bevoegd
zijn, werken samen met de politie.
2.Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kunnen regels worden
gegeven over de samenwerking van de politie met de buitengewone
opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van
Strafvordering.
Hoofdstuk IV. Gezag en toezicht over de politie
Artikel 12
1.Indien de politie in een gemeente optreedt ter handhaving van de
openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak, staat zij
onder gezag van de burgemeester.
2.De burgemeester kan de betrokken ambtenaren van politie de nodige
aanwijzingen geven voor de vervulling van de in het eerste lid
bedoelde taken.
Artikel 13
1.Indien de politie optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de
rechtsorde, dan wel taken verricht ten dienste van de justitie, staat
zij, tenzij in enige wet anders is bepaald, onder gezag van de
officier van justitie.
2.De officier van justitie kan de betrokken ambtenaren van politie
de nodige aanwijzingen geven voor de vervulling van de in het eerste
lid bedoelde taken.
Artikel 14
De burgemeester en de officier van justitie overleggen regelmatig
tezamen met het hoofd van het territoriale onderdeel van het regionale
politiekorps, binnen welks grondgebied de gemeente geheel of ten dele
valt, en, zo nodig, met de korpschef, over de taakuitvoering van de
politie.
Artikel 15
1.Voor zover de Koninklijke marechaussee optreedt ter handhaving
van de openbare orde staat zij onder gezag van de burgemeester. Voor
zover zij optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde,
dan wel taken verricht ten dienste van de justitie, staat zij, tenzij
in enige wet anders is bepaald, onder gezag van de officier van
justitie. Het hoofd van het onderdeel van de Koninklijke marechaussee
neemt alsdan aan het in artikel 14 bedoelde overleg deel op de wijze
als daar is aangegeven.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de militair
van enig ander onderdeel van de krijgsmacht, indien hij bijstand
verleent aan de politie.
Artikel 15a
1.Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en
van Justitie gezamenlijk kunnen objecten en diensten aanwijzen waarvan
bewaking of beveiliging door de politie noodzakelijk is in het belang
van de veiligheid van de Staat of de betrekkingen van Nederland met
andere mogendheden, dan wel met het oog op zwaarwegende belangen van
de samenleving.
2.De burgemeester draagt zorg voor de uitvoering van een besluit
als bedoeld in het eerste lid, voorzover dat geschiedt ter handhaving
van de openbare orde.
3.De officier van justitie draagt zorg voor de uitvoering van een
besluit als bedoeld in het eerste lid, voorzover dat geschiedt ter
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.
Artikel 16
1. De commissaris van de Koning geeft, indien een ordeverstoring
van meer dan plaatselijke betekenis dan wel ernstige vrees voor het
ontstaan van zodanige ordeverstoring zulks noodzakelijk maakt, de
burgemeesters in de provincie zoveel mogelijk na overleg met hen, de
nodige aanwijzingen met betrekking tot het door hen ter handhaving van
de openbare orde te voeren beleid.
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
de commissarissen van de Koning, de burgemeesters en, in geval van een
situatie als bedoeld in artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s, de
voorzitter van een veiligheidsregio, zoveel mogelijk na overleg met
hen, algemene en bijzondere aanwijzingen geven met betrekking tot de
handhaving van de openbare orde, voorzover dat noodzakelijk is in het
belang van de veiligheid van de Staat of de betrekkingen van Nederland
met andere mogendheden, dan wel met het oog op zwaarwegende belangen
van de samenleving.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde aanwijzingen worden zo
enigszins mogelijk schriftelijk gegeven.
4. De in het tweede lid bedoelde aanwijzingen aan de burgemeesters
worden zoveel mogelijk gegeven door tussenkomst van de commissaris van
de Koning. Indien dit niet mogelijk is, wordt hij zo spoedig mogelijk
daarvan in kennis gesteld.
Artikel 17
1.Ten behoeve van de toepassing van de artikelen 15a, tweede lid,
en16 verstrekken de burgemeesters, de commissarissen van de Koning en
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties elkaar de
gewenste inlichtingen.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
regels geven ter uitvoering van het eerste lid.
Artikel 18
1.De commissaris van de Koning ziet toe dat de politie in zijn
ambtsgebied haar taak de openbare orde te handhaven en hulp te
verlenen naar behoren vervult.
2.Hij ziet eveneens toe op een juiste vervulling van de taak ter
handhaving van de openbare orde die de Koninklijke marechaussee op
grond van deze wet uitvoert.
Artikel 19
1.Het College van procureurs-generaal ziet toe dat de politie haar
taak met betrekking tot de strafrechtelijke handhaving van de
rechtsorde en haar taken ten dienste van de justitie naar behoren
vervult.
2.Het College van procureurs-generaal ziet eveneens toe op een
juiste vervulling van de taken die de Koninklijke marechaussee ten
behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel
ten dienste van de justitie, op grond van deze wet uitvoert of
verricht.
Artikel 20
1.De commissaris van de Koning en het College van
procureurs-generaal plegen regelmatig met elkaar overleg over de
taakuitoefening van de politie en de Koninklijke marechaussee in het
ambtsgebied van de betrokken commissaris van de Koning. Zij
verstrekken elkaar de gewenste inlichtingen.
2.De burgemeester en de officier van justitie verstrekken aan de
commissaris van de Koning en aan het College van procureurs-generaal,
met betrekking tot de politie en de vervulling van haar taak, de
gewenste inlichtingen en doen hun ook ongevraagd mededeling van
hetgeen ter zake van belang kan zijn.
Hoofdstuk V. De regionale politiekorpsen
Artikel 21
1.Het Nederlandse grondgebied is verdeeld in 25 regio’s
overeenkomstig de bij deze wet behorende bijlage. Deze bijlage kan,
voor zover het de grenzen van de regio’s en de naamgeving van de
daarin voorkomende gemeenten betreft, bij algemene maatregel van
bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties worden gewijzigd. Bij algemene maatregel van
bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties kunnen regels worden gegeven over de overgang van
personeel, vermogensrechten, rechtsgedingen of andere rechten en
verplichtingen, alsmede over de overgang van archieven indien een
wijziging van de grenzen van de regio’s daartoe aanleiding geeft.
2.Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid,
tweede volzin, treedt niet eerder in werking dan drie maanden na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de
plaatsing wordt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties onverwijld mededeling gedaan aan de beide Kamers
der Staten-Generaal onder overlegging van de over het ontwerp van de
algemene maatregel van bestuur uitgebrachte adviezen.
3.In elke regio is een regionaal politiekorps.
4.De regio is rechtspersoon.
5.De regio heeft haar zetel in de gemeente die in de bijlage,
genoemd in het eerste lid, als zodanig voor elke regio is aangewezen.
Artikel 22
1.De regio wordt bestuurd door het regionale college overeenkomstig
de artikelen 30 en 31.
2.Het regionale college bestaat uit de burgemeesters van de
gemeenten in de regio en de hoofdofficier van justitie. Aan de
vergaderingen van het regionale college wordt tevens deelgenomen door
de korpschef.
3.Voorzitter van het regionale college is de korpsbeheerder. Hij
vertegenwoordigt de regio in en buiten rechte.
4.Op de burgemeesters, bedoeld in het tweede lid, is artikel 180
van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
1.In elke regio is een korpsbeheerder die bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, gehoord het regionale college, wordt benoemd en
herbenoemd uit de burgemeesters van de gemeenten in de regio voor een
periode van zes jaar.
2.Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen nadere
regels worden gegeven omtrent de bij de benoeming te volgen procedure.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden
regels gegeven omtrent de rechtspositie van de korpsbeheerder.
4.Het regionale college wijst in overeenstemming met de
korpsbeheerder een burgemeester van een gemeente in de regio aan die
de korpsbeheerder bij afwezigheid, belet of ontstentenis vervangt.
5.De korpsbeheerder kan bij koninklijk besluit op voordracht van
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden
geschorst en ontslagen, in ieder geval als de doelstellingen, bedoeld
in artikel 43b, niet of in onvoldoende mate zijn of worden
verwezenlijkt.
6.In geval van schorsing of ontslag van de korpsbeheerder kan in
bijzondere omstandigheden bij koninklijk besluit op voordracht van
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een
waarnemend korpsbeheerder worden benoemd voor wie niet de vereisten
gelden, bedoeld in het eerste lid.
7.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
vraagt ter zake van de benoeming, de herbenoeming, de schorsing en het
ontslag van de korpsbeheerder, alsmede omtrent de benoeming van een
waarnemend korpsbeheerder, advies aan de commissaris van de Koning,
die volgens bij de ambtsinstructie, bedoeld in artikel 182 van de
Provinciewet, gegeven regels advies uitbrengt, en, door tussenkomst
van Onze Minister van Justitie, aan het College van
procureurs-generaal.
Artikel 24
1.Het beheer van het regionale politiekorps berust bij de
korpsbeheerder, die daartoe wordt bijgestaan door de korpschef.
2.De dagelijkse leiding van het regionale politiekorps berust bij
de korpschef.
3.De korpsbeheerder stelt in een instructie nadere regels vast met
betrekking tot de taken en bevoegdheden van de korpschef.
Artikel 25
1.De korpschef en het lid van de leiding dat in het bijzonder
verantwoordelijk is voor de recherchefunctie, worden benoemd,
geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in
overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
2.De korpsbeheerder stelt voor de benoeming tot korpschef en het
lid van de leiding dat in het bijzonder verantwoordelijk is voor de
recherchefunctie, een aanbeveling op, gehoord de hoofdofficier van
justitie en het regionale college. Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties vraagt ter zake advies aan de commissaris
van de Koning, die volgens bij de ambtsinstructie, bedoeld in artikel
182 van de Provinciewet, gegeven regels advies uitbrengt, en, door
tussenkomst van Onze Minister van Justitie, aan het College van
procureurs-generaal.
3.Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt bepaald
welke andere ambtenaren die deel uitmaken van de leiding van het
regionale politiekorps, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, worden
benoemd, geschorst of ontslagen. Het tweede lid is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 26
Onverminderd de artikelen 25 en 52 worden de ambtenaren van het
regionale politiekorps benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen door
de korpsbeheerder.
Artikel 27
1.De korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie overleggen
regelmatig tezamen met de korpschef.
2.Het in het eerste lid bedoelde overleg vindt in elk geval plaats
over:
a. het ontwerp van de organisatie, de formatie, de begroting,
de jaarrekening, het beleidsplan en het jaarverslag voor het
regionale politiekorps;
b. de uitvoering van het beleidsplan en de verwezenlijking van
de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b.
3.De korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie, alsmede de
korpschef, verschaffen elkaar de gewenste inlichtingen.
Artikel 28
1.De korpsbeheerder stelt in overeenstemming met de hoofdofficier
van justitie en met inachtneming van artikel 43b, derde en vierde lid,
tenminste eenmaal in de vier jaar het ontwerp van het beleidsplan en
jaarlijks het ontwerp van de organisatie, de formatie, de begroting,
de jaarrekening en het jaarverslag voor het regionale politiekorps op.
Voorafgaand aan het opstellen van het ontwerp van het beleidsplan,
bedoeld in de eerste volzin, worden de gemeenteraden in de regio
gehoord over de lokale prioriteiten in hun gemeenten.
2.De in het eerste lid bedoelde stukken worden onverwijld ter
kennis gebracht van de gemeenteraden in de regio, de commissaris van
de Koning en het College van procureurs-generaal en ter vaststelling
toegezonden aan het regionale college.
Artikel 29
Indien de korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie niet met
elkaar tot overeenstemming kunnen komen over de in artikel 28, eerste en
tweede lid, bedoelde stukken, legt de korpsbeheerder dit verschil van
zienswijze schriftelijk voor aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties die alsdan, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, beslist. De korpsbeheerder brengt de stukken in
overeenstemming met de beslissing van Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel 30
1. Onverminderd artikel 43d, legt de korpsbeheerder over het door
hem gevoerde beheer van het regionale politiekorps verantwoording af
aan het regionale college.
2. De korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie, alsmede,
indien daartoe door de korpsbeheerder uitgenodigd, de korpschef,
geven, zo nodig vertrouwelijk, mondeling of schriftelijk de door een
of meer leden van het regionale college gevraagde inlichtingen.
Artikel 31
1.Het regionale college stelt tenminste eenmaal in de vier jaar het
beleidsplan en jaarlijks de organisatie, de formatie, de begroting, de
jaarrekening, en het jaarverslag voor het regionale politiekorps vast.
Onverminderd de zeggenschap van het bevoegd gezag is de korpsbeheerder
eindverantwoordelijk voor de uitvoering van het beleidsplan.
2.Zodra het beleidsplan en het jaarverslag, bedoeld in het eerste
lid, zijn vastgesteld, zendt de korpsbeheerder deze aan Onze Ministers
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie alsmede
aan de gemeenteraden in de regio, de commissaris van de Koning en het
College van procureurs-generaal.
Artikel 32
1.De korpsbeheerder, dan wel de hoofdofficier van justitie kan
tegen de vaststelling van de stukken, bedoeld in artikel 31, eerste
lid,, administratief beroep instellen bij de commissaris van de
Koning. Deze beslist in overeenstemming met het College van
procureurs-generaal op het beroep. De korpsbeheerder brengt de stukken
in overeenstemming met het besluit van de commissaris van de Koning.
2.Indien de commissaris van de Koning en het College van
procureurs-generaal niet tot overeenstemming komen over de beslissing
op het beroep, treden Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Justitie in de plaats van de
commissaris van de Koning, respectievelijk het College van
procureurs-generaal. De korpsbeheerder brengt de stukken in
overeenstemming met het besluit van Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties.
3.Bij de ambtsinstructie, bedoeld in artikel 182 van de
Provinciewet, worden nadere regels gegeven over de taken van de
commissaris van de Koning, bedoeld in het eerste en tweede lid.
4.Artikel 7:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is
niet van toepassing. Artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht is
niet van toepassing voor zover het het beroepsorgaan verplicht een
nieuw besluit te nemen.
5.In spoedeisende gevallen kan de korpsbeheerder, in
overeenstemming met de hoofdofficier van justitie, zolang niet op het
beroep is beslist, een voorlopige voorziening treffen, waarbij zo
nodig wordt afgeweken van het besluit van het regionale college. Deze
voorziening komt te vervallen zodra de stukken in overeenstemming zijn
gebracht met het besluit van de commissaris van de Koning
onderscheidenlijk Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Van de inhoud van de voorlopige voorziening wordt
onverwijld aan het regionale college kennis gegeven.
Artikel 33
1.Het regionale college stelt regels vast over zijn werkwijze.
2.De in het eerste lid bedoelde regels bepalen in elk geval de
minimum-termijn waarop de vergaderingen van het regionale college
worden uitgeschreven en het vereiste aantal leden dat aanwezig moet
zijn om rechtsgeldig besluiten te nemen, alsmede de gevallen waarin de
besluitvorming schriftelijk dan wel mondeling geschiedt.
3.Bij het staken van de stemmen in het college geeft die van de
korpsbeheerder de doorslag.
Artikel 34
1.De vergaderingen van het regionale college zijn openbaar. De
voorzitter is bevoegd de deuren te sluiten, indien dit uit een oogpunt
van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of op gronden,
ontleend aan het algemeen belang, wenselijk wordt geacht.
2.De besluiten van het college en de verslagen van de vergaderingen
van het regionale college worden ter kennis gebracht van de
gemeenteraden in de regio.
3.Indien een gemeenteraad van oordeel is, dat een besluit van het
regionale college op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang
van een goede vervulling van de politietaak in zijn gemeente, kan de
gemeenteraad tegen dat besluit administratief beroep instellen bij de
commissaris van de Koning. Het beroepschrift wordt ingediend door
tussenkomst van de korpsbeheerder. Artikel 32, eerste lid, tweede en
derde volzin, alsmede het tweede en derde lid van dat artikel zijn
alsdan van toepassing. Het in het eerste en tweede lid van artikel 32
bedoelde besluit bepaalt het tijdstip waarop het besluit van het
regionale college uiterlijk moet zijn aangepast.
Artikel 35
1.Het regionale politiekorps bestaat uit functionele en
territoriale onderdelen. De territoriale onderdelen kunnen een of meer
gemeenten in de regio omvatten; zij kunnen ook delen van gemeenten
omvatten.
2.De grenzen van de territoriale onderdelen worden bepaald door het
regionale college op voorstel van de korpsbeheerder, in
overeenstemming met de hoofdofficier van justitie, de betrokken
burgemeesters gehoord. Indien het territoriale onderdeel twee of meer
gemeenten omvat, dan wel afwijkt van de gemeentegrenzen in de regio,
dienen de betrokken burgemeesters hiermede in te stemmen. Voor zover
de betrokken burgemeesters niet instemmen met het besluit van het
regionale college, kunnen zij daartegen administratief beroep
instellen bij de commissaris van de Koning. Het beroepschrift wordt
ingediend door tussenkomst van de korpsbeheerder. Artikel 32, eerste
lid, tweede en derde volzin, alsmede het tweede en derde lid van dat
artikel zijn alsdan van toepassing.
3.Het hoofd van een territoriaal onderdeel wordt aangewezen door de
korpsbeheerder in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie en
na verkregen instemming van de burgemeester of - bij een onderdeel dat
meer gemeenten of delen van gemeenten omvat - de burgemeesters van de
betrokken gemeenten.
Artikel 36 [Vervallen per 15-09-2007]
Artikel 37
1.Plaatsing van ambtenaren van politie bij een territoriaal
onderdeel geschiedt niet dan na overleg met de burgemeester. Indien de
taakvervulling van een ambtenaar van politie dit naar het oordeel van
de burgemeester of - bij een onderdeel dat meer gemeenten of delen van
gemeenten omvat - van de burgemeesters van de betrokken gemeenten
noodzakelijk maakt, draagt de korpsbeheerder voor vervanging zorg.
2.Plaatsing bij een functioneel of territoriaal onderdeel van
ambtenaren van politie die uitsluitend of in hoofdzaak belast zijn met
de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel het
verrichten van taken ten dienste van de justitie, geschiedt niet dan
na overleg met de hoofdofficier van justitie. Indien de taakvervulling
van een zodanige ambtenaar van politie dit naar het oordeel van de
hoofdofficier van justitie noodzakelijk maakt, draagt de
korpsbeheerder voor vervanging zorg.
Hoofdstuk VI. Het Korps landelijke politiediensten
Artikel 38
1.Er is een Korps landelijke politiediensten. Onverminderd de
taakuitvoering van regionale politiekorpsen, is het Korps landelijke
politiediensten belast met:
a. de landelijke en specialistische uitvoering van
politietaken, in samenwerking met de regionale politiekorpsen, de
Koninklijke marechaussee en de in artikel 11, eerste lid, bedoelde
personen;
b. het verzamelen, registreren, bewerken, beheren, analyseren
en verstrekken van informatie en het verrichten van andere
ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de taakuitvoering van
de onder a genoemde organen en personen, en de andere bij de
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betrokken organen,
alsmede de internationale uitwisseling van informatie en de
landelijke voorlichting aan particulieren;
c. het waken voor de veiligheid van leden van het Koninklijk
Huis en andere door Onze Minister van Justitie aangewezen
personen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van
Justitie kan een nadere aanduiding van de werkzaamheden, bedoeld in
het eerste lid, worden gegeven. Een dergelijke algemene maatregel van
bestuur treedt niet eerder in werking dan drie maanden na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt door Onze Ministers onverwijld mededeling gedaan aan de beide
Kamers der Staten-Generaal onder overlegging van de over het ontwerp
van de algemene maatregel van bestuur uitgebrachte adviezen.
3.Het beheer van het Korps landelijke politiediensten berust bij
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die
daartoe wordt bijgestaan door de korpschef.
Artikel 38a
1.Onze Minister van Justitie kan de korpschef van het Korps
landelijke politiediensten voorzover het de uitoefening van de taak,
bedoeld in artikel 38, eerste lid, onder a en b, door het daartoe
bestemde onderdeel of daartoe bestemde onderdelen betreft, de nodige
algemene en bijzondere aanwijzingen geven, voorzover de politie
optreedt bij of krachtens de wet of op grond van een verdrag of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie onder
verantwoordelijkheid van Onze Minister van Justitie.
2.De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, komt eveneens toe aan
Onze Minister van Justitie, met betrekking tot de taak, bedoeld in
artikel 38, eerste lid, onder c, en andere taken die als zodanig zijn
aangewezen door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
3.Indien een regionaal politiekorps of de Koninklijke marechaussee
bijstand verleent aan het Korps landelijke politiediensten ten behoeve
van de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 38, eerste lid,
onder c, kan Onze Minister van Justitie, voorzover het de uitvoering
van die bijstandstaak betreft, aan de korpschef van het regionale
politiekorps, onderscheidenlijk de commandant van de Koninklijke
marechaussee, de nodige algemene en bijzondere aanwijzingen geven.
4.De korpschef verstrekt gevraagd en ongevraagd aan Onze Minister
van Justitie de inlichtingen die deze nodig heeft met het oog op de
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de uitvoering van de
taken ten dienste van de justitie.
Artikel 38b
1.Het Korps landelijke politiediensten registreert gegevens voor
door Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties te bepalen doeleinden en door hen te bepalen
categorieën dan wel in door hen aan te wijzen wettelijk geregelde
registers en verstrekt deze gegevens aan door hen aan te wijzen
personen en instanties, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de
Wet politiegegevens.
2.Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties kunnen bepalen dat in door hen aan te wijzen
registers geen andere dan de in het eerste lid bedoelde gegevens
worden geregistreerd en dat door hen aan te wijzen categorieën van
gegevens in geen andere dan door hen aan te wijzen registers worden
geregistreerd.
3.Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties kunnen regels geven over de wijze waarop de
gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden geregistreerd, verwijderd
dan wel verstrekt en op welke wijze bestandsvergelijking met die
gegevens plaatsvindt.
4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
ter uitvoering van het derde lid nadere regels geven over de
schrijfwijze, classificatie of codering van gegevens en de
samenstelling van de gegevens in de vorm van berichten.
Artikel 38c
1.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
ten minste eenmaal in de vier jaar in overeenstemming met het hoofd
van het landelijk parket het ontwerp van het beleidsplan voor het
Korps landelijke politiediensten op. In het beleidsplan wordt in ieder
geval aangegeven met welke personele en financiële middelen wordt
beoogd het plan en zijn onderdelen te verwezenlijken.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
jaarlijks in overeenstemming met het hoofd van het landelijk parket
het ontwerp van het jaarverslag voor het Korps landelijke
politiediensten op.
Artikel 38d
Indien het hoofd van het landelijk parket en Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet met elkaar tot
overeenstemming kunnen komen over de inartikel 38c bedoelde stukken legt
de eerstgenoemde dit verschil van zienswijze door tussenkomst van het
College van procureurs-generaal schriftelijk voor aan Onze Minister van
Justitie die alsdan, in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, beslist.
Artikel 39
1.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
in overeenstemming met Onze Minister van Justitie ten minste eenmaal
in de vier jaar het beleidsplan en jaarlijks de organisatie, de
formatie, de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag voor het
Korps landelijke politiediensten vast.
2.Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën kunnen op het Korps
landelijke politiediensten van toepassing zijnde comptabele regels
worden vastgesteld.
Artikel 40 [Vervallen per 15-09-2007]
Artikel 41 [Vervallen per 15-09-2007]
Artikel 41a
1.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en
het hoofd van het landelijk parket overleggen regelmatig tezamen met
de korpschef over de uitvoering van het beleidsplan.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en
het hoofd van het landelijk parket, alsmede de korpschef, verschaffen
elkaar de gewenste inlichtingen.
Artikel 42
1.De korpschef wordt benoemd, geschorst, en ontslagen bij
koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, het hoofd van het landelijk parket gehoord.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op bij algemene
maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen ambtenaren van politie die
deel uitmaken van de leiding van het Korps landelijke politiediensten.
3.De overige ambtenaren van het Korps landelijke politiediensten
worden, onverminderd artikel 52, benoemd, bevorderd, geschorst en
ontslagen door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, met dien verstande dat plaatsing van ambtenaren
van politie die uitsluitend of in hoofdzaak belast zijn met de
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel het verrichten
van taken ten dienste van de justitie, niet geschiedt dan na overleg
met het hoofd van het landelijk parket. Indien de taakvervulling van
een zodanige ambtenaar van politie dit naar het oordeel van het hoofd
van het landelijk parket noodzakelijk maakt, draagt Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor vervanging zorg.
Artikel 42a
1.Onze Minister van Justitie kan, indien hij dit nodig acht in
verband met de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 38, eerste
lid, onder a tot en met c, daarvoor in aanmerking komende
bestuursorganen schriftelijk opdragen de noodzakelijke medewerking te
verlenen om door hem aangewezen personen tijdelijk van een aan te
nemen identiteit te voorzien.
2.De voor de bestuursorganen geldende wettelijke voorschriften ter
zake van de verlangde werkzaamheden blijven, voorzover deze in de weg
staan aan het verrichten van die werkzaamheden, buiten toepassing.
Hoofdstuk VII. Bijzondere ambtenaren van politie
Artikel 43
1.Het College van procureurs-generaal beschikt ten behoeve van door
Onze Minister van Justitie, na overleg met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aan te wijzen taken over
bijzondere ambtenaren van politie en ambtenaren van politie, bedoeld
in artikel 3, eerste lid, onder b.
2.Onze Minister van Justitie is belast met het beheer van de
ambtenaren van politie, bedoeld in het eerste lid. Deze ambtenaren van
politie worden, onverminderd artikel 52, benoemd, bevorderd, geschorst
en ontslagen door Onze Minister van Justitie.
Hoofdstuk VIII. Beleids- en beheersbevoegdheden, inspectiefunctie en
kwaliteitszorg op rijksniveau
Artikel 43a
1.Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en
van Justitie stellen ten minste eenmaal in de vier jaar de hoofdlijnen
vast met betrekking tot het te voeren beleid ten aanzien van de
taakuitvoering van de politie en het te voeren beheer van de politie
voor de eerstkomende vier jaar.
2.Zodra de hoofdlijnen, bedoeld in het eerste lid, zijn
vastgesteld, doen Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en van Justitie hiervan mededeling door
overlegging ervan aan de Staten-Generaal en door toezending ervan aan
de regionale colleges, de korpsbeheerders, het College van
procureurs-generaal, de hoofdofficieren van justitie en de korpschefs.
Artikel 43b
1.Op basis en binnen het kader van de hoofdlijnen, bedoeld in
artikel 43a, eerste lid, stellen Onze Ministers van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties en van Justitie, met inachtneming van de
omstandigheden van de betrokken regio, ten minste eenmaal in de vier
jaar voor iedere regio landelijke doelstellingen vast ter
verwezenlijking van voornoemde hoofdlijnen.
2.Alvorens de doelstellingen worden vastgesteld, stellen Onze
Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties daarvan een ontwerp op. Voor zover het de
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreft dan wel de
vervulling van taken ten dienste van de justitie, wint Onze Minister
van Justitie vooraf het advies in van het College van
procureurs-generaal. De betrokken korpsbeheerder wordt in de
gelegenheid gesteld omtrent dit ontwerp aan Onze Ministers advies uit
te brengen, in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie en na
overleg met het regionale college.
3.In het beleidsplan, bedoeld in artikel 31, wordt aangegeven op
welke wijze wordt beoogd de doelstellingen te verwezenlijken.
4.De resultaten die in het voorafgaande jaar zijn behaald met de
verwezenlijking van de doelstellingen, maken deel uit van het
jaarverslag, bedoeld in artikel 31.
5.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
in overeenstemming met Onze Minister van Justitie bij ministeriële
regeling regels over de uitvoering van het tweede, derde en vierde
lid.
Artikel 43c
Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van
Justitie voeren periodiek overleg met de korpsbeheerders en de
hoofdofficieren van justitie over de verwezenlijking van de hoofdlijnen,
bedoeld inartikel 43a, eerste lid, en de doelstellingen, bedoeld in
artikel 43b.
Artikel 43d
Onverminderd de zeggenschap van het bevoegd gezag legt de
korpsbeheerder over de verwezenlijking van de doelstellingen, bedoeld in
artikel 43b, door het regionale politiekorps verantwoording af aan Onze
Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie.
Artikel 43e
1.Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en
van Justitie doen periodiek onderzoek naar de verwezenlijking van de
doelstellingen, bedoeld in artikel 43b.
2.De korpsbeheerder verstrekt aan Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties alle informatie over de wijze waarop
uitvoering wordt gegeven aan de verwezenlijking van de doelstellingen,
bedoeld in artikel 43b. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Justitie
kunnen hierover nadere regels worden gegeven.
Artikel 43f
Indien aannemelijk is dat de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b,
niet of in onvoldoende mate zijn of worden verwezenlijkt, kunnen Onze
Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie
na overleg met de korpsbeheerder een bijzonder onderzoek doen instellen
bij een regionaal politiekorps door een door Onze Ministers aan te
wijzen deskundige. De deskundige rapporteert aan Onze Ministers van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie.
Artikel 43g
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan ten
aanzien van de uitvoering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b,
de nodige aanwijzingen geven aan de korpsbeheerder, indien naar het
oordeel van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en van Justitie de doelstellingen niet of in onvoldoende mate zijn of
worden verwezenlijkt. Indien de doelstellingen betrekking hebben op de
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de vervulling van
taken ten dienste van de justitie, worden de aanwijzingen gegeven in
overeenstemming met Onze Minister van Justitie. De aanwijzingen worden
schriftelijk gegeven en na overleg met de korpsbeheerder. De
korpsbeheerder brengt, voorzover nodig, de stukken, bedoeld in artikel
31, eerste lid, in overeenstemming met de aanwijzingen.
Artikel 44
1.Met het oog op de kosten van de politie worden jaarlijks door
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de
regio’s bijdragen beschikbaar gesteld.
2.Indien blijkt dat voor een regio de middelen aanmerkelijk tekort
zullen schieten om in de noodzakelijke behoeften te voorzien, kan door
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de
regio een aanvullende bijdrage beschikbaar worden gesteld.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën worden regels gegeven
over de wijze waarop het eerste en tweede lid worden uitgevoerd.
Artikel 45
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden
regels gegeven over het beheer van de regionale politiekorpsen.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
de maximale formatie van de leiding van de regionale politiekorpsen
vast.
3.De betrokken korpsbeheerders verstrekken aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties alle informatie over het
beheer van de regionale politiekorpsen, die hij nodig heeft. Bij of
krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste
lid, worden ter zake nadere regels gegeven.
4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties houdt
toezicht op het financiële beheer van de regionale politiekorpsen. De
artikelen 203, 205 tot en met 211 van de Gemeentewet zijn daarbij van
overeenkomstige toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur op
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties worden over deze toepassing nadere, zo nodig
afwijkende regels gegeven.
5.In aanvulling op artikel 203 van de Gemeentewet, kan Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in
overeenstemming met Onze Minister van Justitie, bepalen dat de
begroting of het beleidsplan voor het regionale politiekorps alsmede
de daarop betrekking hebbende wijzigingen goedkeuring behoeven, indien
niet aannemelijk is dat voldoende waarborgen bestaan dat de
doelstellingen, bedoeld in artikel 43b, door het regionale
politiekorps zullen worden verwezenlijkt.
6.In aanvulling op artikel 206 van de Gemeentewet kan goedkeuring
aan de begroting of het beleidsplan door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze
Minister van Justitie, worden onthouden, indien onvoldoende waarborgen
bestaan dat de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b, door het
regionale politiekorps zullen worden verwezenlijkt.
7.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het eerste lid, worden regels gegeven betreffende het vermogen van de
regio’s. Indien een regio niet voldoet aan deze regels kan Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten tot
vermindering van de bijdragen die aan de desbetreffende regio op grond
van artikel 44, eerste lid, beschikbaar worden gesteld.
8.Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
worden regels gegeven over de zorg voor en de bewaring van de
archiefbescheiden van de regio. De artikelen 32, tweede lid, 33,
eerste en derde lid, en 34 van de Archiefwet 1995 (Stb. 276) zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
archiefbewaarplaats van de gemeente waar de regio haar zetel heeft,
mede is bestemd voor de bewaring van de archiefbescheiden van de
regio.
Artikel 46
1.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
regels geven over de samenwerking tussen regionale politiekorpsen of
tussen regionale politiekorpsen en het Korps landelijke
politiediensten.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
in overeenstemming met Onze Minister van Defensie regels geven over de
samenwerking van de regionale politiekorpsen of het Korps landelijke
politiediensten met de Koninklijke marechaussee.
3.Indien de regels, bedoeld in het eerste en tweede lid,
voorschriften bevatten die ten behoeve van de strafrechtelijke
handhaving van de rechtsorde dan wel de vervulling van taken ten
dienste van de justitie moeten worden gesteld, worden zij gegeven door
Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van
Justitie gezamenlijk, onderscheidenlijk door Onze voornoemde Ministers
en Onze Minister van Defensie gezamenlijk.
4.Alvorens de regels, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
gegeven, kunnen de korpsbeheerders worden gehoord.
Artikel 47
1.Regio's, dan wel regio's tezamen met het Rijk ten behoeve van het
Korps landelijke politiediensten, kunnen een voorziening tot
samenwerking treffen ter bevordering van een doelmatig beheer van de
politie. Een voorziening tot samenwerking wordt voor de regio die het
aangaat getroffen door de korpsbeheerder na instemming van het
regionale college en voor het Rijk door Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties.
2.Aan een voorziening tot samenwerking kunnen tevens deelnemen het
Rijk, vertegenwoordigd door Onze Minister die het aangaat ten behoeve
van de onder hem ressorterende diensten, of andere rechtspersonen voor
zover die diensten of rechtspersonen een publiekrechtelijke taak
uitoefenen op het terrein van politie, justitie of veiligheid en hun
deelname van belang is voor de samenwerking tussen de politie en die
diensten of rechtspersonen.
3.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
regio's tot deelname aan een voorziening tot samenwerking verplichten
indien een zwaarwegend belang van het beheer van de politie dit
vereist.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden
regels gegeven over:
a. de totstandkoming, inrichting en bekendmaking van en de
informatieverstrekking over een voorziening tot samenwerking en
b. de toepassing van het derde lid.
5.Onder het treffen van een voorziening tot samenwerking wordt
tevens verstaan het wijzigen of opheffen van dan wel het toetreden tot
of uittreden uit die voorziening.
Artikel 47a
1. Bij een voorziening tot samenwerking als bedoeld in artikel 47
kan, onverminderd de zeggenschap van het bevoegd gezag, een
publiekrechtelijke rechtspersoon worden ingesteld indien dit vanwege
de aard van de samenwerking aangewezen moet worden geacht.
2. Een voorziening tot samenwerking waarbij een publiekrechtelijke
rechtspersoon wordt ingesteld, alsmede de wijziging of opheffing van
dan wel de toetreding tot of uittreding uit die voorziening, behoeft
de goedkeuring van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd
met het recht of het belang van het beheer van of de taakuitvoering
door de politie.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met
betrekking tot de in het eerste lid bedoelde rechtspersonen regels
gegeven over:
a. de taken, bevoegdheden, inrichting, informatiebeveiliging,
financiële middelen en de bewaring en het beheer van
archiefbescheiden van de rechtspersoon;
b. de taken, bevoegdheden, werkwijze, benoeming en
samenstelling van en de verantwoording en informatieverstrekking
door de organen van de rechtspersoon, en
c. het verlenen van medewerking door de deelnemers aan de
voorziening tot samenwerking aan de uitvoering van besluiten van
het bestuur van de rechtspersoon en het ten laste van die
deelnemers uitvoeren of doen uitvoeren van besluiten.
4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
aan het bestuur van een krachtens het eerste lid ingestelde
rechtspersoon aanwijzingen geven, indien het belang van het beheer van
de politie dan wel de samenwerking van de politie met andere
organisaties met een publiekrechtelijke taak op het terrein van
politie, justitie of veiligheid dit vereist. De aanwijzingen worden
schriftelijk gegeven en na overleg met het bestuur.
5. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kan worden bepaald dat bij
dat besluit aan te wijzen ambtenaren van politie, die op de dag
voorafgaand aan de datum waarop krachtens het eerste lid een
rechtspersoon is ingesteld in dienst zijn van een regio of het Rijk,
op de datum van instelling van rechtswege overgaan naar die
rechtspersoon.
6. De regels gesteld bij of krachtens de artikelen 45, vierde lid,
50 en 53c zijn van overeenkomstige toepassing op een krachtens het
eerste lid ingestelde rechtspersoon, onderscheidenlijk het personeel
dan wel het bestuur daarvan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
over deze toepassing nadere regels worden gegeven.
Artikel 48
1.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
regels geven over de informatie- en communicatievoorzieningen van en
het gebruik daarvan door de politie, alsmede over de
informatiebeveiliging door de politie. Voor zover deze regels van
belang zijn voor de uitvoering van de politietaken bedoeld in artikel
6 kunnen zij, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, mede
worden gegeven ten aanzien van de Koninklijke marechaussee.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
de politiekorpsen frequenties toewijzen voor de overdracht van
gegevens door middel van daartoe aangewezen informatie- en
communicatievoorzieningen.
Artikel 48a
1.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
bij ministeriële regeling eisen stellen aan bekwaamheid van de
ambtenaren van politie.
2.Indien de aard van de werkzaamheden van de politie ten behoeve
van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten
dienste van de justitie specifieke vaardigheid of kennis vereist,
kunnen Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en
van Justitie bij ministeriële regeling eisen vaststellen waaraan de
met die werkzaamheden belaste ambtenaren van politie moeten voldoen.
Artikel 48b
1.Het regionale politiekorps registreert gegevens voor door Onze
Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties te bepalen doeleinden en door hen te bepalen
categorieën dan wel in door hen aan te wijzen wettelijk geregelde
registers en verstrekt deze gegevens aan door hen aan te wijzen
personen en instanties, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de
Wet politiegegevens.
2.Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties kunnen bepalen dat in door hen aan te wijzen
registers geen andere dan de in het eerste lid bedoelde gegevens
worden geregistreerd en dat door hen aan te wijzen categorieën van
gegevens in geen andere dan door hen aan te wijzen registers worden
geregistreerd.
3.Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties kunnen regels geven over de wijze waarop de
gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden geregistreerd, verwijderd
dan wel verstrekt en op welke wijze bestandsvergelijking met die
gegevens plaatsvindt.
4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
ter uitvoering van het derde lid nadere regels geven over de
schrijfwijze, classificatie of codering van gegevens en de
samenstelling van de gegevens in de vorm van berichten.
Artikel 49
1.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geeft
bij ministeriële regeling regels over de bewapening, de uitrusting en
de kleding van de politie.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
in overeenstemming met Onze Minister van Justitie eisen vast waaraan
de bewapening van de politie in verband met de taakuitvoering moet
voldoen.
Artikel 49a
De opleidingen voor ambtenaren van politie worden verzorgd door het
Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs-
en kenniscentrum.
Artikel 50
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden
voor de politie regels gegeven over de onderwerpen, genoemd in artikel
125, eerste lid, en artikel 125quinquies, eerste lid van de
Ambtenarenwet.
2.Voor de toepassing van de Wet veiligheidsonderzoeken bij de
politie wordt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties aangemerkt als Onze Minister, bedoeld in artikel
1, eerste lid, onder c, van de Wet veiligheidsonderzoeken.
3.De ambtenaar van politie die te goeder trouw de bij hem levende
vermoedens van misstanden meldt volgens de op grond van het eerste lid
vast te stellen regels voor het omgaan met bij een ambtenaar levende
vermoedens van misstanden binnen de organisatie waar hij werkzaam is,
zal als gevolg van het melden van die vermoedens geen nadelige
gevolgen voor zijn rechtspositie ondervinden tijdens en na het volgen
van die procedure.
4.Het tot aanstelling bevoegd gezag van ambtenaren van politie,
a. voert een integriteitsbeleid dat is gericht op het
bevorderen van goed ambtelijk handelen en dat in ieder geval
aandacht besteedt aan het bevorderen van integriteitsbewustzijn en
aan het voorkomen van misbruik van bevoegdheden,
belangenverstrengeling en discriminatie;
b. zorgt ervoor dat het integriteitsbeleid een vast onderdeel
uitmaakt van het personeelsbeleid in ieder geval door integriteit
in functioneringsgesprekken en werkoverleg aan de orde te stellen
en door het aanbieden van scholing en vorming op het gebied van
integriteit;
c. draagt zorg voor de totstandkoming van een gedragscode voor
goed ambtelijk handelen;
d. stelt in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties vast op welke wijze jaarlijks
verantwoording wordt afgelegd over het gevoerde integriteitsbeleid
en over de naleving van de gedragscode.
Artikel 51
Bij algemene maatregel van bestuur worden op voordracht van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regels gegeven
over de rangen van de politie.
Artikel 52
Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt bepaald welke andere
ambtenaren van politie dan die bedoeld in de artikelen 25, eerste en
derde lid, en 42 worden benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen bij
koninklijk besluit.
Artikel 53
1.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
aan een korpsbeheerder de nodige aanwijzingen ten aanzien van het
beheer geven, indien het belang van het beheer van de politie dit
eist. De aanwijzingen worden schriftelijk gegeven en na overleg met de
korpsbeheerder.
2.Onverminderd het eerste lid, en de artikelen 46, 47 en 47a,
kunnen in bijzondere gevallen waarin onverwijld een voorziening moet
worden getroffen betreffende de samenwerking tussen regionale
politiekorpsen of de samenwerking tussen regionale politiekorpsen en
het Korps landelijke politiediensten ten aanzien van de
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de vervulling
van taken ten dienste van de justitie, aanwijzingen worden gegeven
door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in
overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
Artikel 53a
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
heeft met het oog op een goede taakuitvoering door de politie en een
doelmatig en effectief beheer van de politiekorpsen de bevoegdheid
tot:
a. het toetsen van de wijze waarop de beheerders van de
politiekorpsen voorzien in de kwaliteit van de taakuitvoering, de
resultaten en het beheer van de politie;
b. het toetsen van specifieke onderdelen van de taakuitvoering
dan wel het beheer van de politie;
c. het verrichten van onderzoek, indien daar in bijzondere
gevallen reden toe is, naar ingrijpende gebeurtenissen waarbij de
politie betrokken is, tenzij de Onderzoeksraad voor veiligheid,
bedoeld in artikel 2 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor
veiligheid, naar het desbetreffende voorval een onderzoek instelt;
d. het verrichten van onderzoek, indien in andere bijzondere
gevallen dan die, bedoeld onder c, dit nodig wordt geoordeeld,
tenzij de Onderzoeksraad voor veiligheid, bedoeld in artikel 2 van
de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, naar het
desbetreffende voorval een onderzoek instelt;
e. het toezicht op de kwaliteit van de politieopleidingen en de
examinering.
2. De werkzaamheden die in het kader van het eerste lid, onder a en
b, worden uitgevoerd, worden jaarlijks door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze
Minister van Justitie vastgesteld.
3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
oefent de bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, onder c, en die,
genoemd in het eerste lid, onder d, uit na overleg onderscheidenlijk
in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
4. De bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, onder c, en die,
genoemd in het eerste lid, onder d, komen eveneens toe aan onze
Minister van Justitie, indien de ingrijpende gebeurtenissen
onderscheidenlijk de andere bijzondere gevallen betrekking hebben op
de taakuitvoering door de politie in het kader van de strafrechtelijke
handhaving van de rechtsorde, dan wel de taken ten dienste van de
justitie. Hij oefent de bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, onder
c, en die, genoemd in het eerste lid, onder d, uit na overleg
onderscheidenlijk in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
5. De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, bedoeld in artikel 57
van de Wet veiligheidsregio’s, is belast met de werkzaamheden die in
het kader van het eerste en het vierde lid worden uitgevoerd.
6. De beheerders van de politiekorpsen verlenen Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties respectievelijk Onze
Minister van Justitie de door deze verlangde ondersteuning bij de
uitvoering van de werkzaamheden in het kader van het eerste lid.
Artikel 53b [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 53c
De beheerders van de politiekorpsen verstrekken aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties alle informatie over de wijze
waarop zij zorg dragen voor de kwaliteit van hun taakuitvoering, de
resultaten en het beheer van de politiekorpsen. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voorzover het de
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de vervulling van
taken ten dienste van de justitie betreft in overeenstemming met Onze
Minister van Justitie kunnen regels worden gegeven over het in de vorige
volzin bepaalde, alsmede over de wijze waarop de beheerders van
politiekorpsen zorg dragen voor de kwaliteit van hun taakuitvoering, de
resultaten en het beheer van de politiekorpsen.
Artikel 53d [Vervallen per 01-08-2006]
Hoofdstuk IX. Bijstand aan de politie
Artikel 54
1.Behoeft een regionaal politiekorps bijstand van andere
politiekorpsen voor de handhaving van de openbare orde, dan richt de
korpsbeheerder op aanvrage van de burgemeester een verzoek daartoe aan
de commissaris van de Koning.
2.De commissaris van de Koning pleegt alvorens te beslissen overleg
met de korpsbeheerders die de bijstand moeten verlenen en met het
College van procureurs-generaal. De korpsbeheerders verlenen de
gevraagde bijstand.
3.Is het voor de commissaris van de Koning niet mogelijk met de in
zijn ambtsgebied beschikbare politie aan een aanvrage van een
korpsbeheerder om bijstand te voldoen, dan geeft hij daarvan kennis
aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze
verstrekt alsdan, door tussenkomst van de betrokken commissarissen van
de Koning, de nodige opdrachten aan de betrokken korpsbeheerders van
regionale politiekorpsen en stelt Onze Minister van Justitie daarvan
in kennis. Indien bijstand van het Korps landelijke politiediensten
nodig is, treft Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties de nodige voorzieningen en stelt Onze Minister van
Justitie en de commissaris van de Koning daarvan in kennis.
4.Van beslissingen als bedoeld in het tweede lid worden Onze
Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van
Justitie zo spoedig mogelijk in kennis gesteld.
Artikel 55
Indien de commissaris van de Koning onderscheidenlijk Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn bevoegdheid, bedoeld
in artikel 16, eerste onderscheidenlijk tweede lid, uitoefent, kan hij
in afwijking van artikel 54 voorzien in de bijstand aan regionale
politiekorpsen of onderdelen daarvan.
Artikel 56
1.Behoeft een regionaal politiekorps bijstand van andere
politiekorpsen voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde,
dan wel voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie, dan
richt de korpsbeheerder op aanvrage van de officier van justitie een
verzoek daartoe aan het College van procureurs-generaal.
2.Het College van procureurs-generaal pleegt alvorens te beslissen
overleg met de korpsbeheerders die de bijstand moeten verlenen en met
de betrokken commissaris van de Koning. De korpsbeheerders verlenen de
gevraagde bijstand. Indien bijstand van het Korps landelijke
politiediensten nodig is, brengt het College van procureurs-generaal
de aanvrage van de korpsbeheerder om bijstand ter kennis van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die de nodige
voorzieningen treft en het College van procureurs-generaal daarvan in
kennis stelt.
3.Van beslissingen als bedoeld in het tweede lid worden Onze
Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties zo spoedig mogelijk in kennis gesteld.
Artikel 57
1.Behoeft het Korps landelijke politiediensten bijstand van
regionale politiekorpsen voor de handhaving van de openbare orde, dan
verstrekt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
op aanvrage van de burgemeester door tussenkomst van de betrokken
commissarissen van de Koning, aan de betrokken korpsbeheerders de
nodige opdrachten.
2.Behoeft het Korps landelijke politiediensten bijstand van
regionale politiekorpsen voor de strafrechtelijke handhaving van de
rechtsorde, dan wel voor het verrichten van taken ten dienste van de
justitie, dan richt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties op aanvrage van de officier van justitie een
verzoek daartoe aan het College van procureurs-generaal dat alsdan aan
de betrokken korpsbeheerders de nodige opdrachten verstrekt en Onze
Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties daarvan in kennis stelt.
3.Behoeft het Korps landelijke politiediensten bijstand van
regionale politiekorpsen bij de uitoefening van de taak, bedoeld in
artikel 38, eerste lid, onder c, dan verstrekt Onze Minister van
Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties, gehoord het College van procureurs-generaal,
aan de betrokken korpsbeheerders de nodige opdrachten.
Artikel 58
1.In bijzondere gevallen kan bijstand worden verleend door de
Koninklijke marechaussee.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
indien het betreft bijstand ter handhaving van de openbare orde,
onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie, indien het betreft
bijstand voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel
voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie, bepaalt, na
overleg met Onze Minister van Defensie, of bijstand wordt verleend.
3.Indien bijstand moet worden verleend, bepaalt Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderscheidenlijk Onze
Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie op welke wijze de bijstand wordt verleend.
Artikel 59
1.Kan ook op grond van artikel 58 niet in de behoefte aan bijstand
ter handhaving van de openbare orde of bijstand voor de
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel voor het
verrichten van taken ten dienste van de justitie, worden voorzien, dan
kan bijstand worden verleend door andere onderdelen van de
krijgsmacht.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie, bepaalt, in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie, op welke wijze de
bijstand zal worden verleend. Daarbij worden tevens nadere regels of
beleidsregels gegeven over de uitoefening van bevoegdheden krachtens
deze wet.
Artikel 60
1.Er zijn bijstandseenheden, bestaande uit personeel van de
politie, onderscheidenlijk de Koninklijke marechaussee en andere
onderdelen van de krijgsmacht. Deze eenheden worden belast met door
Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van
Justitie en van Defensie aan te wijzen bijzondere onderdelen van de
politietaak.
2.Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van
Justitie en van Defensie bepalen op welke wijze de bijstandseenheden
worden ingezet. Daarbij worden tevens nadere regels of beleidsregels
gegeven over de uitoefening van bevoegdheden krachtens deze wet.
Hoofdstuk IXa. Bijstand aan de koninklijke marechaussee
Artikel 60a
In bijzondere gevallen kan door politiekorpsen bijstand worden
verleend aan de Koninklijke marechaussee, met inachtneming van de
artikelen 60b tot en met 60d.
Artikel 60b
1.Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van politiekorpsen
voor de handhaving van de openbare orde, dan richt Onze Minister van
Defensie op aanvrage van de burgemeester een verzoek daartoe aan Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2.Indien bijstand van regionale politiekorpsen nodig is, verstrekt
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de nodige
opdrachten aan de betrokken korpsbeheerders en stelt Onze Ministers
van Defensie en van Justitie daarvan in kennis.
3.Indien bijstand van het Korps landelijke politiediensten nodig
is, treft Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
de nodige voorzieningen en stelt Onze Ministers van Defensie en van
Justitie daarvan in kennis.
Artikel 60c
1.Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van politiekorpsen
voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel voor
het verrichten van taken ten dienste van de justitie, dan richt Onze
Minister van Defensie op aanvrage van de officier van justitie een
verzoek daartoe aan het College van procureurs-generaal.
2.Indien bijstand van regionale politiekorpsen nodig is, verstrekt
het College van procureurs-generaal aan de betrokken korpsbeheerders
de nodige opdrachten en stelt Onze Ministers van Justitie, van
Defensie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daarvan in
kennis.
3.Indien bijstand van het Korps landelijke politiediensten nodig
is, brengt het College van procureurs-generaal de aanvrage van Onze
Minister van Defensie om bijstand ter kennis van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die de nodige voorzieningen
treft en Onze Ministers van Defensie en van Justitie en het College
van procureurs-generaal daarvan in kennis stelt.
Artikel 60d
1.Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van regionale
politiekorpsen bij de uitoefening van de taken die zij op grond van
artikel 6, derde lid, verricht onder verantwoordelijkheid van Onze
Minister van Justitie, dan verstrekt Onze Minister van Justitie, in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie en na overleg met het
college van procureurs-generaal, aan de betrokken korpsbeheerders de
nodige opdrachten.
2.Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van het Korps
landelijke politiediensten bij de uitoefening van de taken die zij op
grond van artikel 6, derde lid, verricht onder verantwoordelijkheid
van Onze Minister van Justitie, dan treft Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op verzoek van Onze
Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie, de nodige voorzieningen.
3.Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de korpschef van een regionaal politiekorps,
onderscheidenlijk de korpschef van het Korps landelijke
politiediensten, voorzover dat korps bijstand verleent aan de
Koninklijke marechaussee als bedoeld in het eerste lid,
onderscheidenlijk tweede lid.
Hoofdstuk X. De behandeling van klachten
Artikel 61
1.Het regionale college stelt, op voorstel van de korpsbeheerder,
nadere regels vast over de behandeling van klachten over gedragingen
van ambtenaren van politie van het regionale politiekorps.
2.In de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt voorzien in:
a. de instelling van een commissie, bestaande uit
onafhankelijke leden, die op de wijze in de regeling te bepalen is
belast met de behandeling van en advisering over in de regeling
aangewezen categorieën van klachten waarbij zo nodig aandacht
wordt geschonken aan de in onderdeel c genoemde aspecten;
b. de registratie van de mondeling en schriftelijk ingediende
klachten en, indien beschikbaar, de daarop genomen beslissingen,
alsmede
c. een jaarlijkse publicatie van de geregistreerde klachten en
beslissingen, waarin wordt aangegeven in hoeverre bepaalde
klachten wijzen op structurele tekortkomingen in het functioneren
van de politie en waarin, zo nodig, aandacht wordt geschonken aan
de middelen om deze tekortkomingen op te heffen.
3.Afdeling 9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing op de behandeling van klachten als bedoeld in het tweede
lid, onder a. Indien een commissie over de klacht zal adviseren, deelt
de korpsbeheerder dit, in afwijking van artikel 9:15, eerste lid van
de Algemene wet bestuursrecht, zo spoedig mogelijk aan de indiener van
de klacht mede.
4.De korpsbeheerder draagt zorg voor de bekendmaking van de regels,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 62
1.Onze Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties stelt
de regels, bedoeld in artikel 61, eerste lid, vast ten aanzien van
klachten over gedragingen van ambtenaren van het Korps landelijke
politiediensten.
2.Onze Minister van Justitie stelt de regels, bedoeld in artikel
61, eerste lid, vast ten aanzien van klachten over het optreden van
bijzondere ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 43.
3.Artikel 61, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 63
1.Onze Minister van Defensie stelt de regels, bedoeld in artikel
61, eerste lid, vast ten aanzien van klachten over gedragingen van
militairen van de Koninklijke marechaussee dan wel van enig ander
onderdeel van de krijgsmacht, bij de uitvoering van hun in deze wet
omschreven taken.
2.Artikel 61, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 64
1.De korpsbeheerder van het regionale politiekorps waarbij de
ambtenaar van politie is aangesteld over wiens gedraging een klacht is
ingediend, draagt zorg voor de behandeling van deze klacht.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
draagt zorg voor de behandeling van een klacht die is ingediend over
een gedraging van een ambtenaar van het Korps landelijke
politiediensten.
3.Onze Minister van Justitie draagt zorg voor de behandeling van
een klacht die is ingediend over een gedraging van een bijzonder
ambtenaar van politie.
4.Onze Minister van Defensie draagt zorg voor de behandeling van
een klacht die is ingediend over een gedraging van een militair van de
Koninklijke marechaussee dan wel van enig ander onderdeel van de
krijgsmacht, bij de uitvoering van zijn in deze wet omschreven taken.
Artikel 65
1.Een klacht over een gedraging van een ambtenaar van politie of
van een militair van de Koninklijke marechaussee dan wel van enig
ander onderdeel van de krijgsmacht, bij de uitvoering van zijn in deze
wet omschreven taken, wordt ingediend bij de korpsbeheerder binnen
wiens regio de gedraging waarover wordt geklaagd, heeft
plaatsgevonden.
2.Een klacht over een gedraging van een ambtenaar van het Korps
landelijke politiediensten kan ook worden ingediend bij Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
3.Een klacht over een gedraging van een bijzonder ambtenaar van
politie kan ook worden ingediend bij Onze Minister van Justitie.
4.Een klacht over een gedraging van een militair van de Koninklijke
marechaussee dan wel van enig ander onderdeel van de krijgsmacht, bij
de uitvoering van zijn in deze wet omschreven taken, kan ook worden
ingediend bij Onze Minister van Defensie.
5.De korpsbeheerder, bedoeld in het eerste lid, draagt zorg voor
een onverwijlde doorzending van een klacht over het optreden van een
ambtenaar van politie die is aangesteld bij een ander regionaal
politiekorps, aan de korpsbeheerder van dat regionale politiekorps.
Een klacht als bedoeld in het tweede, derde en vierde lid wordt
onverwijld doorgezonden aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Justitie, onderscheidenlijk
Onze Minister van Defensie.
6.Tenzij reeds naar tevredenheid van de klager aan diens klacht
tegemoet is gekomen, wordt van de klacht onverwijld na de ontvangst
ervan, afschrift gezonden aan de burgemeester van de gemeente waar de
gedraging waarover wordt geklaagd, heeft plaatsgevonden, alsmede aan
de hoofdofficier van justitie van de regio binnen welke de gemeente is
gelegen waar de gedraging waarover wordt geklaagd, heeft
plaatsgevonden. De burgemeester en de hoofdofficier van justitie
worden in de gelegenheid gesteld over de klacht advies uit te brengen.
Artikel 66
In afwijking van artikel 9:11, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht wordt de klacht afgehandeld binnen tien weken of, indien
een commissie als bedoeld in artikel 61, tweede lid, onder a, is belast
met de behandeling van en advisering over de klacht, binnen veertien
weken na de ontvangst van het klaagschrift.
Hoofdstuk XI. Slotbepalingen
Artikel 67
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 68
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 69
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 70
1.De Politiewet (Stb. 1989, 223) en de Wet tijdelijke
voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)
worden ingetrokken.
2.Totdat terzake bij de wet een voorziening zal zijn getroffen,
blijven Hoofdstuk VII van de Politiewet, bedoeld in het eerste lid, en
de daarop berustende bepalingen van kracht, met dien verstande dat
a. voor "gemeentepolitie" wordt gelezen: regionale
politiekorpsen,
b. voor "het Korps Rijkspolitie" wordt gelezen: het
Korps landelijke politiediensten, en
c. voor "ambtenaren van gemeente- en rijkspolitie"
wordt gelezen: ambtenaren van politie.
3.Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip blijven het
Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politiebestel en het
Besluit vergoeding reorganisatiekosten politie van kracht.
Artikel 71
Onze Minister van Justitie zendt in overeenstemming met Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen vijf jaar na de
inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van hoofdstuk VI van deze wet in de
praktijk.
Artikel 72
Deze wet treedt in werking op een bij of krachtens de wet te bepalen
tijdstip.
Artikel 73
Voor het tijdstip van plaatsing in het Staatsblad vervangt
Onze Minister van Justitie de in deze wet voorkomende aanduiding
"1993" door het jaartal van het Staatsblad waarin deze
wet zal worden geplaatst.
Artikel 74
Deze wet kan worden aangehaald als Politiewet, met vermelding van het
jaartal van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 9 december 1993
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
De Minister van Defensie,
A.L. ter Beek
Uitgegeven de dertigste december 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage als bedoeld in artikel 21,
eerste lid
- De aanduiding van de regio’s is
met hoofdletters gedrukt.
- De regio’s beslaan het
grondgebied van de onder iedere regio genoemde gemeenten.
- De regio heeft haar zetel in de
eerstgenoemde gemeente.
Groningen
Groningen
Appingedam
Bedum
Bellingwedde
Ten Boer
Delfzijl
De Marne
Eemsmond
Grootegast
Haren
Hoogezand-Sappemeer
Leek
Loppersum
Marum
Menterwolde
Oldambt
Pekela
Slochteren
Stadskanaal
Veendam
Vlagtwedde
Winsum
Zuidhorn
Fryslân
Leeuwarden
Achtkarspelen
Ameland
Boarnsterhim
Dantumadeel
Dongeradeel
Ferwerderadiel
Franekeradeel
Gaasterlân-Sleat
Harlingen
Heerenveen
Het Bildt
Kollumerland en Nieuwkruisland
Leeuwarderadeel
Lemsterland
Littenseradiel
Menaldumadeel
Ooststellingwerf
Opsterland
Schiermonnikoog
Skarsterlân
Smallingerland
Súdwest Fryslân
Terschelling
Tytsjerksteradiel
Vlieland
Weststellingwerf
Drenthe
Assen, Aa en Hunze, Borger-Odoorn,
Coevorden, Emmen, Hoogeveen, Meppel, Midden-Drenthe, Noordenveld,
Tynaarlo, Westerveld, De Wolden.
IJsselland
Zwolle, Dalfsen, Deventer,
Hardenberg, Kampen, Olst-Wijhe, Ommen, Raalte, Staphorst,
Steenwijkerland, Zwartewaterland.
Twente
Enschede, Almelo, Borne, Dinkelland,
Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser,
Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden.
Noord- en Oost-Gelderland
Apeldoorn, Aalten, Berkelland,
Bronckhorst, Brummen, Doetinchem, Elburg, Epe, Ermelo, Groenlo,
Harderwijk, Hattem, Heerde, Lochem, Montferland, Nunspeet, Oldebroek,
Oude IJsselstreek, Putten, Voorst, Winterswijk, Zutphen.
Gelderland-Midden
Arnhem, Barneveld, Doesburg, Duiven,
Ede, Lingewaard, Nijkerk, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rijnwaarden,
Rozendaal, Scherpenzeel, Wageningen, Westervoort, Zevenaar.
Gelderland-Zuid
Nijmegen
Beuningen
Buren
Culemborg
Druten
Geldermalsen
Groesbeek
Heumen
Lingewaal
Maasdriel
Millingen aan de Rijn
Neder-Betuwe
Neerijnen
Tiel
Ubbergen
West Maas en Waal
Wijchen
Zaltbommel
Utrecht
Utrecht, Amersfoort, Baarn, De Bilt,
Bunnik, Bunschoten, Eemnes, Houten, IJsselstein, Leusden, Lopik,
Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Renswoude, Rhenen, De Ronde Venen,
Soest, Stichtse Vecht, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vianen, Wijk
bij Duurstede, Woerden, Woudenberg, Zeist.
Noord-Holland-Noord
Alkmaar
Bergen
Castricum
Den Helder
Drechterland
Enkhuizen
Graft-De Rijp
Harenkarspel
Heerhugowaard
Heiloo
Hollands Kroon
Hoorn
Koggenland
Langedijk
Medemblik
Opmeer
Schagen
Schermer
Stede Broec
Texel
Zijpe
Zaanstreek-Waterland
Zaanstad
Beemster
Edam-Volendam
Landsmeer
Oostzaan
Purmerend
Waterland
Wormerland
Zeevang
Kennemerland
Haarlem
Beverwijk
Bloemendaal
Haarlemmerliede en Spaarnwoude
Haarlemmermeer
Heemskerk
Heemstede
Uitgeest
Velsen
Zandvoort
Amsterdam-Amstelland
Amsterdam
Aalsmeer
Amstelveen
Diemen
Ouder-Amstel
Uithoorn
Gooi en vechtstreek
Hilversum
Blaricum
Bussum
Huizen
Laren
Muiden
Naarden
Weesp
Wijdemeren
Haaglanden
's-Gravenhage
Delft
Leidschendam-Voorburg
Midden-Delfland
Pijnacker-Nootdorp
Rijswijk
Wassenaar
Westland
Zoetermeer
Hollands Midden
Leiden
Alphen aan den Rijn
Bergambacht
Bodegraven-Reeuwijk
Boskoop
Gouda
Hillegom
Kaag en Braassem
Katwijk
Leiderdorp
Lisse
Nederlek
Nieuwkoop
Noordwijk
Noordwijkerhout
Oegstgeest
Ouderkerk
Rijnwoude
Schoonhoven
Teylingen
Vlist
Voorschoten
Waddinxveen
Zoeterwoude
Zuidplas
Rotterdam-Rijnmond
Rotterdam
Albrandswaard
Barendrecht
Bernisse
Brielle
Capelle aan den IJssel
Dirksland
Goedereede
Hellevoetsluis
Krimpen aan den IJssel
Lansingerland
Maassluis
Middelharnis
Oostflakkee
Ridderkerk
Schiedam
Spijkenisse
Vlaardingen
Westvoorne
Zuid-Holland-Zuid
Dordrecht
Alblasserdam
Binnenmaas
Cromstrijen
Giessenlanden
Gorinchem
Graafstroom
Hardinxveld-Giessendam
Hendrik-Ido-Ambacht
Korendijk
Leerdam
Liesveld
Nieuw-Lekkerland
Oud-Beijerland
Papendrecht
Sliedrecht
Strijen
Zederik
Zwijndrecht
Zeeland
Middelburg
Borsele
Goes
Hulst
Kapelle
Noord-Beveland
Reimerswaal
Schouwen-Duiveland
Sluis
Terneuzen
Tholen
Veere
Vlissingen
Midden- en West-Brabant
Tilburg
Aalburg
Alphen-Chaam
Baarle-Nassau
Bergen op Zoom
Breda
Dongen
Drimmelen
Etten-Leur
Geertruidenberg
Gilze en Rijen
Goirle
Halderberge
Hilvarenbeek
Loon op Zand
Moerdijk
Oisterwijk
Oosterhout
Roosendaal
Rucphen
Steenbergen
Waalwijk
Werkendam
Woensdrecht
Woudrichem
Zundert
Brabant-Noord
's-Hertogenbosch, Bernheze, Boekel,
Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, Heusden, Landerd, Maasdonk,
Mill en Sint Hubert, Oss, Schijndel, Sint Anthonis,
Sint-Michielsgestel, Sint-Oedenrode, Uden, Veghel, Vught.
Brabant-Zuid-Oost
Eindhoven, Asten, Bergeijk, Best,
Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel,
Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Gerwen en Nederwetten,
Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard,
Veldhoven, Waalre.
Limburg-Noord
Venlo
Beesel
Bergen
Echt-Susteren
Gennep
Horst aan de Maas
Leudal
Maasgouw
Mook en Middelaar
Nederweert
Peel en Maas
Ambt Montfort
Roerdalen
Roermond
Venray
Weert
Limburg-Zuid
Maastricht
Beek
Brunssum
Eijsden-Margraten
Gulpen-Wittem
Heerlen
Kerkrade
Landgraaf
Meerssen
Nuth
Onderbanken
Schinnen
Simpelveld
Sittard-Geleen
Stein
Vaals
Valkenburg aan de Geul
Voerendaal
Flevoland
Lelystad
Almere
Dronten
Noordoostpolder
Urk
Zeewolde
|