Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 11 september 1985, houdende
regelen met betrekking tot de oprichting van de Postbank N.V.
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de
Staat der Nederlanden overgaat tot oprichting van de naamloze
vennootschap Postbank N.V. waarin de vermogensbestanddelen van de Staat
welke kunnen worden toegerekend aan de Postcheque- en Girodienst en de
vermogensbestanddelen van de Rijkspostspaarbank worden ingebracht en dat
ingevolge artikel 40 van de Comptabiliteitswet 1976 (Stb. 671)
voor de oprichting van deze vennootschap machtiging bij wet is vereist;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I
Artikel 1
1.Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd om namens de Staat
der Nederlanden bij eenzijdige rechtshandeling op te richten de
naamloze vennootschap Postbank N.V., waarop van toepassing zijn de
artikelen 158 tot en met 164 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en
welke ten doel heeft de uitoefening van het bankbedrijf met het oog op
de voortzetting van de dienstverlening zoals die werd verricht door de
Postcheque- en Girodienst en de Rijkspostspaarbank, waarbij de
vennootschap dient te streven naar continuïteit van de instelling
alsmede naar een vanuit bedrijfseconomisch oogpunt redelijk rendement
op het eigen vermogen.
2.Onze voornoemde minister wordt gemachtigd om namens de Staat deel
te nemen in verdere plaatsing van kapitaal door de vennootschap.
3.De vennootschap kan ingevolge het eerste lid worden opgericht
zonder dat op de datum van oprichting een ondernemingsraad is
ingesteld. Tot het tijdstip waarop de Postbank N.V. krachtens
wettelijke verplichting een ondernemingsraad heeft ingesteld, worden
commissarissen benoemd, geschorst en ontslagen door de algemene
vergadering van aandeelhouders.
Hoofdstuk II
Artikel 2
1.Alle vermogensbestanddelen van de Staat, welke aan de Postcheque-
en Girodienst worden toegerekend, gaan onder algemene titel over op de
Postbank N.V. zonder dat daarvoor een nadere akte of betekening wordt
gevorderd, met dien verstande dat een bedrag ter grootte van de som
van de reserve koersverschillen ten name van de Postcheque- en
Girodienst en van het op die dienst betrekking hebbende deel van de
reserves en het vernieuwingsfonds van het Staatsbedrijf der
Posterijen, Telegrafie en Telefonie, vervalt aan de Staat onder
dienovereenkomstige vermindering van het bedrag van de reserves en het
vernieuwingsfonds van genoemd Staatsbedrijf. De reserve
koersverschillen wordt opgeheven.
2.De rechtsbetrekking, welke ten gevolge van het bepaalde in het
eerste lid ontstaat tussen de Postbank N.V. en een derde, die tot het
tijdstip van overgang van de vermogensbestanddelen, in het eerste lid
bedoeld, gebruik maakte van de diensten van de Postcheque- en
Girodienst, blijft, voor zolang tussen de bank en die derde geen
andere voorwaarden zijn overeengekomen dan wel de rechtsbetrekking
niet door een der partijen is opgezegd, op overeenkomstige wijze
beheerst door de voorwaarden, die op dat tijdstip op die
rechtsbetrekking van toepassing waren ingevolge het bij of krachtens
artikel 7, eerste lid, van de Postwet 1954 (Stb. 592) en artikel 4 van
de Aanwijzingswet PTT 1954 (Stb. 593) bepaalde, met dien verstande dat
bevoegdheden, in die voorwaarden gegeven aan organen van de Staat, als
rechten worden uitgeoefend door de bank.
3.De op 20 augustus 1982 tussen Onze Minister van Financiën en de
directeur van de Rijkspostspaarbank, mede namens de directeur-generaal
van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie,
gesloten overeenkomst betreffende de financiële regeling tussen 's
Rijks schatkist en de Postcheque- en Girodienst vervalt.
Artikel 3
1.Alle vermogensbestanddelen van de Rijkspostspaarbank, bedoeld in
artikel 1 van de Postspaarbankwet 1954 (Stb. 594), gaan onder algemene
titel over op de Postbank N.V. zonder dat daarvoor een nadere akte of
betekening wordt gevorderd.
2.De rechtsbetrekking, welke ten gevolge van het bepaalde in het
eerste lid ontstaat tussen de Postbank N.V. en een derde, die tot het
tijdstip van overgang van de vermogensbestanddelen, in het eerste lid
bedoeld, rechthebbende was op een tegoed bij de Rijkspostspaarbank,
blijft, voor zolang tussen de bank en die derde geen andere
voorwaarden zijn overeengekomen dan wel de rechtsbetrekking niet door
een der partijen is opgezegd, op overeenkomstige wijze beheerst door
de voorwaarden, die op dat tijdstip op die rechtsbetrekking van
toepassing waren ingevolge het bij of krachtens artikel 7, eerste,
derde en vijfde lid, van de Postspaarbankwet 1954 bepaalde, met dien
verstande, dat bevoegdheden, in die voorwaarden gegeven aan organen
van de Staat of de Rijkspostspaarbank, als rechten worden uitgeoefend
door de bank.
Artikel 4
1.De overgang op de Postbank N.V. van alle vermogensbestanddelen
van de Staat welke aan de Postcheque- en Girodienst worden toegerekend
en van de vermogensbestanddelen van de Rijkspostspaarbank, zoals
bepaald in de artikelen 2 en 3, wordt aangemerkt als storting door de
Staat op aandelen of op leningen van de Staat aan de bank welke
leningen, behalve bij conversie in aandelen, niet vatbaar zijn voor
verrekening, en al dan niet achtergesteld kunnen zijn bij de
vorderingen van derden.
2.Onze Minister van Financiën stelt, De Nederlandsche Bank N.V.
gehoord, vast tot welke bedragen de in het eerste lid bedoelde
storting wordt aangemerkt als storting op de in het eerste lid
bedoelde leningen, waarbij Onze voornoemde Minister bepaalt welk
gedeelte van deze leningen als achtergesteld wordt aangemerkt, een en
ander zodanig dat de solvabiliteitspositie van de Postbank N.V. niet
onevenredig afwijkt van de gemiddelde solvabiliteitspositie van de
Nederlandse kredietinstellingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder b, c en f, van de Wet toezicht kredietwezen (Stb. 1978, 255).
Artikel 5
1.De leningen, bedoeld in artikel 4, hebben een looptijd van
vijfentwintig jaar en worden, onverminderd het bepaalde in het derde
en vierde lid, na vijftien jaar in tien zo veel mogelijk gelijke delen
afgelost. De Postbank N.V. is bevoegd in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord, een of
meer van de leningen geheel of gedeeltelijk vervroegd af te lossen.
2.Over de leningen, bedoeld in artikel 4, is de Postbank N.V. rente
verschuldigd, die door Onze Minister van Financiën, De Nederlandsche
Bank N.V. gehoord, voor de aanvang van de leningen wordt vastgesteld.
De vaststelling geschiedt aan de hand van de tarieven die gelden op de
kapitaalmarkt en, voor zover de bijzondere balansstructuur van de bank
zulks vereist, aan de hand van de te verwachten opbrengst van door
Onze voornoemde Minister, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord, aan te
wijzen uitzettingen op overeenkomstige termijn van de bank.
3.De leningen zijn te allen tijde geheel of gedeeltelijk
converteerbaar in aandelen in de Postbank N.V. tegen een koers die
gelijk is aan de intrinsieke waarde van de uitstaande aandelen op het
tijdstip van conversie. Onze Minister van Financiën bepaalt ten laste
van welke lening of leningen de conversie plaatsvindt. Het
geconverteerde deel van de lening of leningen wordt in gelijke delen
in mindering gebracht op de nog af te lossen delen van de lening of
leningen ten laste waarvan de conversie plaatsvindt.
4.Conversie geschiedt telkens op verzoek van Onze Minister van
Financiën, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord.
Onze voornoemde Minister kan slechts een verzoek tot conversie doen
a. indien de conversie vanuit het oogpunt van de aandeelhouder
op bedrijfseconomische gronden verantwoord is, of
b. indien de omstandigheden die tot conversie aanleiding geven
hun oorzaak vinden in de balansstructuur van de Postbank N.V. op
de datum van oprichting,
mits de conversie niet leidt tot een solvabiliteitspositie van de
bank die onevenredig afwijkt van de gemiddelde solvabiliteitspositie
van de Nederlandse kredietinstellingen, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder b, c en f, van de Wet toezicht kredietwezen.
Artikel 6
Ten aanzien van de in artikel 2, eerste lid, en artikel 3, eerste
lid, bedoelde vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek
zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers
plaatsvinden. De daartoe nodige opgaven worden door de zorg van Onze
Minister van Financiën aan de bewaarders van de desbetreffende
registers gedaan.
Artikel 7
De Postbank N.V. wordt geacht op het tijdstip van haar oprichting een
vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen te
hebben verkregen.
Artikel 8
1.De Staat waarborgt de uitbetaling door de Postbank N.V. van een
tegoed dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel wordt
aangehouden bij de Postcheque- en Girodienst en bij de
Rijkspostspaarbank. Deze waarborg vervalt dertig dagen na genoemd
tijdstip. Voor zover binnen deze periode het saldo van het tegoed
afneemt, vervalt de waarborg voor het desbetreffende gedeelte.
2.In afwijking van het in het eerste lid bepaalde waarborgt de
Staat de uitbetaling door de Postbank N.V. van een tegoed dat op het
tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel wordt aangehouden bij de
Rijkspostspaarbank voor zover dat tegoed op dat tijdstip niet algemeen
kortingvrij opvraagbaar is, alsmede de na dat tijdstip op dat tegoed
gekweekte niet opvraagbare rente. De waarborg vervalt dertig dagen na
het tijdstip waarop het tegoed algemeen kortingvrij opvraagbaar is
geworden; indien een gedeelte van het tegoed algemeen kortingvrij
opvraagbaar is geworden, vervalt de waarborg voor dat gedeelte dertig
dagen na dat tijdstip.
3.De in het eerste en tweede lid bedoelde waarborg geldt slechts
voor zover de nakoming van de desbetreffende verplichtingen van de
Postbank N.V. niet op andere wijze is verzekerd.
Artikel 9
1.De kosten die in verband met de oprichting van de Postbank N.V.
voor het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie
voortvloeien uit een andere tewerkstelling van personeel van het
Staatsbedrijf, dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit
artikel niet bij doch wel ten behoeve van de Postcheque- en Girodienst
of de Rijkspostspaarbank werkzaam was, komen ten laste van de Postbank
N.V. behoudens voor zover deze betrekking hebben op de periode die
begint twee jaar na de inwerkingtreding van dit artikel.
2.Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan, op verzoek van de
Postbank N.V., bepalen dat door hem aan te wijzen werkzaamheden die
vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel bij het
Staatsbedrijf werden verricht ten behoeve van de Postcheque- en
Girodienst en de Rijkspostspaarbank, met uitzondering van de
werkzaamheden als bedoeld in artikel 12, ten behoeve van de bank
worden voortgezet gedurende een door hem te bepalen periode van ten
hoogste vijf jaar. De wijze waarop deze werkzaamheden worden verricht
en de daarvoor door de bank aan het Staatsbedrijf te betalen
vergoeding worden bij overeenkomst vastgesteld.
Artikel 10
1.De onder de Postcheque- en Girodienst en de Rijkspostspaarbank
berustende archiefbescheiden worden ter beschikking gesteld aan de
Postbank N.V. Daarvan wordt een verklaring opgemaakt, die tenminste
inhoudt een specificatie van de archiefbescheiden. Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat, de bank en de algemene rijksarchivaris bewaren
ieder een exemplaar van deze verklaring.
2.De Archiefwet 1995 (Stb. 276) is op de in het eerste lid bedoelde
archiefbescheiden van toepassing, met dien verstande, dat de
archiefbescheiden welke ouder zijn dan vijfentwintig jaar, binnen een
tijdvak van vijf jaar door de Postbank N.V., door tussenkomst van Onze
Minister van Financiën, worden overgebracht naar de algemene
rijksarchiefbewaarplaats.
Hoofdstuk III
Artikel 11
1.Instemming met wijziging van de statuten van de Postbank N.V. met
betrekking tot het doel en de werkzaamheden van de bank kan door de
Staat als aandeelhouder slechts worden gegeven met goedkeuring van de
Staten-Generaal.
2.De in het eerste lid bedoelde goedkeuring wordt uitdrukkelijk of
stilzwijgend verleend.
3.De uitdrukkelijke goedkeuring wordt verleend bij de wet.
4.De stilzwijgende goedkeuring is verleend indien niet binnen
dertig dagen na een daartoe strekkende overlegging van het voorstel
tot wijziging van de statuten aan de beide Kamers der Staten-Generaal
door of namens een der Kamers of door ten minste een vijfde van het
grondwettelijk aantal leden van een der Kamers de wens wordt te kennen
gegeven, dat het voorstel aan de uitdrukkelijke goedkeuring zal worden
onderworpen. Van de overlegging van het voorstel wordt mededeling
gedaan in de
Nederlandse Staatscourant.
Artikel 12
1.De Postbank NV maakt bij de uitoefening van haar bedrijf in ieder
geval gebruik van die postinrichtingen van PTT Post BV welke door Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat, na overleg met de bank en PTT Post
BV, zijn aangewezen.
2.De rechtsbetrekkingen tussen de Postbank NV en PTT Post BV ten
aanzien van het gebruik van de aangewezen postinrichtingen worden bij
overeenkomst vastgesteld.
Artikel 12a
Aan de Postbank NV wordt de uitvoering opgedragen van de voor
Nederland bindende verplichtingen ter zake van de postwissels en de
reispostbons, de postchequedienst, de internationale spaarbankdienst en
de overmaking van verrekenbedragen, die voortvloeien uit de akten van de
Wereldpostunie, bedoeld in de Postwet 2009.
Hoofdstuk IV
Artikel 13
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 14
Ten aanzien van de Postbank N.V. bedraagt de vennootschapsbelasting,
in afwijking in zoverre van artikel 22 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, over de eerste zes boekjaren het hierna
aangegeven deel van de op de voet van dat artikel berekende belasting:
over het eerste jaar: 37/48;
over het tweede jaar: 38/48;
over het derde jaar: 39/48;
over het vierde jaar: 41/48;
over het vijfde jaar: 43/48;
over het zesde jaar: 45/48.
Artikel 15
1.Met betrekking tot de overgang van de vermogensbestanddelen van
de Rijkspostspaarbank op de Postbank N.V. vindt artikel 14 van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 overeenkomstige toepassing.
2.Met betrekking tot de overgang van de vermogensbestanddelen van
de Postcheque- en Girodienst op de Postbank N.V. vindt hoofdstuk VA
van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geen toepassing.
Artikel 16
Ten aanzien van de Postbank N.V. wordt voor de berekening van de
investeringsbijdragen en de desinvesteringsbetalingen ter zake van
bedrijfsmiddelen waarin de investering plaatsvindt in een jaar waarop
artikel 14 van toepassing is, in afwijking in zoverre van het bepaalde
in Hoofdstuk VA van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Stb. 519), het
investeringsbedrag onderscheidenlijk de overdrachtsprijs slechts voor
een zodanig gedeelte in aanmerking genomen als overeenkomt met het voor
het jaar van investering in artikel 14 aangegeven deel ter berekening
van de over dat jaar verschuldigde vennootschapsbelasting.
Artikel 17
Ter zake van de verkrijging door de Postbank N.V. van de bezittingen
van de Staat, betrekking hebbend op de Postcheque- en Girodienst en de
bezittingen van de Rijkspostspaarbank, blijft heffing van
overdrachtsbelasting achterwege.
Hoofdstuk V
Artikel 18
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 19
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 20
1.De Postspaarbankwet 1954 wordt ingetrokken.
2.Het bepaalde in artikel 8, eerste, tweede, derde en vijfde lid,
van die wet blijft van toepassing op rechtsbetrekkingen, die op het
tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel bestaan tussen de
Rijkspostspaarbank en de desbetreffende rechthebbende op een tegoed
bij die instelling.
3.De Rijkspostspaarbank wordt opgeheven.
Artikel 21
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 22
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 23
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 24
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 25
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 26
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 27
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 28
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 29
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 30
De Girowet 1936 (Stb. 307) wordt ingetrokken.
Artikel 31
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 32
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 33
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 34
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Slotbepaling
Artikel 35
1.Deze wet kan worden aangehaald als: Postbankwet.
2.De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 11 september 1985
BEATRIX
De Minister van Financiën,
O. Ruding
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
Uitgegeven de zesentwintigste september 1985
De Minister van Justitie a.i.,
Rietkerk
|