Nadere regelgeving:
- Besluit algemene richtlijnen
post (vervallen)
- Besluit brievenbussen
(vervallen)
- Postbesluit
(vervallen)
WET van 26 oktober 1988, houdende
herziening van de wetgeving met betrekking tot de uitvoering van de
postdienst
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de
verzelfstandiging van de postdienst wenselijk is de wetgeving met
betrekking tot de uitvoering van de postdienst te herzien;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. brieven: bescheiden en schriftelijke mededelingen, al dan niet
verpakt, met uitzondering van die welke door toepassing van druk- of
andere vermenigvuldigingstechnieken in een aantal geheel met elkaar
overeenstemmende exemplaren ter verspreiding zijn vervaardigd en
waarin, behoudens de adressering, geen bijvoegingen, doorhalingen of
aanduidingen zijn aangebracht;
c. postzendingen: brieven en andere bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen geadresseerde zendingen;
d. postvervoer: geheel van handelingen dat tegen vergoeding wordt
verricht teneinde postzendingen af te leveren;
e. de houder van de concessie: de rechtspersoon, bedoeld in
artikel 2a, eerste lid;
f. de akten van de Wereldpostunie: de op 10 juli 1964 te Wenen
tot stand gekomen Constitutie van de Wereldpostunie (Trb. 1965, 170)
en de daarbij behorende voor Nederland bindende verdragen,
reglementen en protocollen (Trb. 1965, 170 en Trb. 1998, 273);
g. college: college, genoemd in artikel 2 van de Wet
Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit;
h. algemene voorwaarden: door de houder van de concessie
vastgestelde schriftelijke bedingen die in overeenkomsten ter zake
van het postvervoer, bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden
opgenomen.
Artikel 1a
Voorzover nodig en van toepassing, worden bij besluit van Onze
Minister de vindplaatsen, genoemd in artikel 1, onder f, gewijzigd. Van
dit besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
§ 2. Bepalingen inzake de postale dienstverlening
Artikel 2
1. Ter waarborging van een goede postale dienstverlening is de
houder van de concessie verplicht om voor een ieder in Nederland het
postvervoer van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
omvang, met inbegrip van bij die maatregel aangewezen
postvervoerdiensten, binnen Nederland en van of naar gebieden buiten
Nederland, te verrichten, voorzover dit postvervoer betrekking heeft
op postzendingen die in voor het publiek bestemde brievenbussen van de
houder van de concessie zijn gedeponeerd of bij daartoe bestemde
inrichtingen van de houder van de concessie zijn afgegeven.
2. Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan een
onderscheid worden gemaakt tussen het postvervoer:
a. binnen Nederland;
b. van of naar lidstaten van de Europese Unie of andere staten die
partij zijn bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte;
of
c. van of naar andere landen of andere staten dan bedoeld onder b.
3. De houder van de concessie weigert het postvervoer, bedoeld in
het eerste lid, indien dit strijdig is met de wet of gevaar oplevert
voor personen of zaken en kan dit postvervoer weigeren indien dit
strijdig is met de eisen die met het oog op een doelmatig postvervoer in
de algemene voorwaarden worden gesteld.
Artikel 2a
1. Aan een bij wet aan te wijzen rechtspersoon wordt met
uitsluiting van anderen concessie verleend voor het verrichten van het
postvervoer, bedoeld in artikel 2, eerste lid, binnen Nederland en van
gebieden buiten Nederland ten aanzien van brieven die elk afzonderlijk
ten hoogste 50 gram wegen, voorzover dit postvervoer wordt verricht
tegen een tarief dat lager is dan bij algemene maatregel van bestuur
bepaald.
2. Voorts wordt aan deze rechtspersoon met uitsluiting van
anderen concessie verleend voor:
a. het aan of op de openbare weg plaatsen van voor het publiek
bestemde brievenbussen; en
b. het uitgeven van postzegels en postzegelafdrukken met daarop een
afbeelding van de Koning dan wel de vermelding «Nederland».
Artikel 2b
Het verrichten van het postvervoer binnen Nederland en van gebieden
buiten Nederland is anders dan krachtens de concessie verboden ten
aanzien van brieven die elk afzonderlijk ten hoogste 50 gram wegen,
voorzover dit postvervoer wordt verricht tegen een tarief dat lager is
dan vastgesteld krachtens artikel 2a, eerste lid.
Artikel 2c
1. Het verbod, bedoeld in artikel 2b, is niet van toepassing op
het postvervoer ten aanzien van brieven die:
a. worden vervoerd in opdracht van de houder van de concessie;
b. anders dan bedrijfsmatig worden vervoerd door of in opdracht van
één natuurlijk persoon, of van één rechtspersoon of onderdeel
daarvan, mits van één afzender afkomstig;
c. kennelijk bestemd zijn om te worden vervoerd door de houder van
de concessie dan wel te worden afgeleverd na het postvervoer, bedoeld
in artikel 2a;
d. uitsluitend betrekking hebben op voorwerpen waarmee zij worden
vervoerd, dan wel dienen als kwitanties, wisselbrieven of andere
handelspapieren die worden vervoerd in verband met daarop in te
vorderen of uit te betalen geldbedragen;
e. in hoofdzaak tekst bevatten uitgevoerd in voor blinden bestemde
tekens; of
f. worden vervoerd met een ontheffing als bedoeld in artikel 13.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 2b, is voorts niet van
toepassing op het postvervoer ten aanzien van brieven dat strekt tot
uitvoering van de document-uitwisselingsdienst. Onder de
document-uitwisselingsdienst wordt de dienst verstaan die bestaat uit de
terbeschikkingstelling van middelen, met inbegrip van het verschaffen
van ad hoc-ruimte en vervoer door derden, voor zelfbestelling door de
wederzijdse uitwisseling van brieven tussen gebruikers die zich op deze
dienst abonneren.
Artikel 2d
1. De houder van de concessie is verplicht aan andere
aanbieders van postvervoer toegang te verlenen tot zijn postbussen
tegen redelijke, objectief gerechtvaardigde en non-discriminatoire
voorwaarden en vergoedingen.
2. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden en vergoedingen
worden in onderling overleg bepaald. Bij gebreke van overeenstemming
worden deze voorwaarden of vergoedingen op verzoek van de meest gerede
partij vastgesteld door het college.
Artikel 3
1. De houder van de concessie is gehouden bij de uitvoering van
de ingevolge deze wet op hem rustende verplichtingen terzake van het
postvervoer, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van of naar gebieden
buiten Nederland, de voor Nederland bindende verplichtingen na te
komen, die voortvloeien uit de akten van de Wereldpostunie dan wel uit
andere verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
2. De houder van de concessie is gerechtigd voor de toepassing
van de akten van de Wereldpostunie op te treden als Nederlandse
postadministratie.
3. Onze Minister geeft in overeenstemming met Onze Minister van
Buitenlandse Zaken aan de houder van de concessie voorschriften welke
strekken tot:
a. het waarborgen van een goede toepassing van het eerste lid;
b. het verlenen van de nodige medewerking aan Onze Minister en Onze
Minister van Buitenlandse Zaken bij de voorbereiding van verdragen en
besluiten als bedoeld in het eerste lid en het in verband daarmee te
voeren internationale overleg.
Artikel 4
1. De houder van de concessie kan toestaan dat de uitoefening
van het exclusieve recht krachtens de concessie en van de terzake van
de uitoefening op hem ingevolge deze wet rustende verplichtingen
geheel of gedeeltelijk geschiedt door een andere rechtspersoon, indien
de desbetreffende rechtspersoon:
a. is opgericht in overeenstemming met het recht van een der
Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen,
b. het recht tot de uitoefening van het exclusieve recht krachtens
de concessie feitelijk uitoefent door middel van een onderneming die
in Nederland gevestigd is of in Nederland een nevenvestiging heeft in
de zin van artikel 3, eerste lid, van de Handelsregisterwet 1996,
c. een geplaatst kapitaal heeft dat voor ten minste 51 procent
wordt verschaft door de houder van de concessie dan wel door een
rechtspersoon die voldoet aan het onder a tot en met d
bepaalde, en
d. een rechtspersoon is waarin de houder van de concessie dan wel
de rechtspersoon, bedoeld onder c, de bevoegdheid heeft de
meerderheid van de bestuurders te benoemen, te schorsen en te
ontslaan.
2. Onze Minister kan aan de houder van de concessie, op diens
verzoek, ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder c en
d gestelde eisen waaraan de in dat lid bedoelde andere
rechtspersoon moet voldoen. De ontheffing kan onder beperkingen worden
verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
3. In geval van toepassing van het eerste of tweede lid, is de
houder van de concessie jegens het college verantwoordelijk. De
rechtspersoon, bedoeld in het eerste of tweede lid, is jegens de houder
van de concessie verplicht tot naleving van de ingevolge deze wet op de
houder van de concessie rustende verplichtingen. De houder van de
concessie geeft aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste of tweede
lid, daartoe de nodige instructies die deze gehouden is op te volgen.
4. Ingeval van toepassing van het eerste of tweede lid, geldt het
in de artikelen 2b, 7, 8, 11 en 13 met betrekking tot de houder van de
concessie bepaalde mede ten aanzien van de rechtspersoon die krachtens
de toepassing van het eerste of tweede lid het exclusieve recht als daar
bedoeld uitoefent.
5. De houder van de concessie deelt het college voorafgaande aan
de toepassing van het eerste lid, schriftelijk mede welke rechtspersoon
het in dat lid bedoelde exclusieve recht zal uitoefenen. Het college kan
de houder van de concessie te allen tijde verzoeken hem informatie te
verstrekken over de wijze waarop de houder van de concessie heeft
verzekerd dat wordt voldaan aan het bepaalde in het eerste lid.
6. In de statutaire omschrijving van het doel van de
rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven welke
concessietaken door de desbetreffende rechtspersoon zullen worden
vervuld.
7. Onder toestaan als bedoeld in het eerste lid wordt tevens
begrepen het verlenen van medewerking aan overgang onder algemene titel.
Artikel 5
1. Onze Minister geeft aan de houder van de concessie algemene
richtlijnen, welke deze bij de uitvoering van het postvervoer, bedoeld
in artikel 2, eerste lid, gehouden is op te volgen. Artikel 2, tweede
lid, is van overeenkomstige toepassing op deze richtlijnen. Bij deze
richtlijnen kunnen taken worden opgedragen en bevoegdheden worden
toegekend aan het college.
2. Deze richtlijnen hebben slechts betrekking op:
a. het instandhouden van een goede postale dienstverlening;
b. de tariefstructuur, de vaststelling en publicatie van tarieven,
het voeren van de boekhouding en de aan te brengen scheiding in de
boekhouding, en de wijze van toerekening van kosten;
c. de wijze waarop de houder van de concessie in een daartoe door
hem in te stellen afzonderlijk overlegorgaan onder leiding van een
door de Minister aan te wijzen onafhankelijk voorzitter met
representatieve organisaties van direct belanghebbenden overleg dient
te voeren over aangelegenheden van algemene aard en landelijke
strekking betreffende het postvervoer;
d. het instellen van een geschillencommissie voor bepaalde groepen
gebruikers met betrekking tot de toepassing van de algemene
voorwaarden;
e. het verstrekken van informatie aan Onze Minister
onderscheidenlijk het college voor een goede uitvoering van het bij of
krachtens deze wet bepaalde of aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen in verband met een bindend besluit van de Raad van de
Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of
van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Onverminderd het
vorenstaande in dit onderdeel is het college bevoegd te allen tijde
inlichtingen te vorderen, voor zover dit redelijkerwijs voor de
vervulling van zijn taak nodig is. De houder van de concessie is
verplicht de gevorderde inlichtingen te geven.
3. De in het tweede lid, onder a, bedoelde richtlijnen
bevatten uitgangspunten en maatstaven ten aanzien van:
a. de wijze en mate van dienstverlening;
b. de beveiliging van het postvervoer;
c. de geheimhouding met betrekking tot postzendingen, alsmede
genoegzame voorzorgen bij het openen van gesloten postzendingen, als
bedoeld in artikel 10;
d. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking
tot postzendingen.
4. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en
met het derde lid en het bepaalde in de Mededingingswet, kan Onze
Minister aan de houder van de concessie algemene richtlijnen geven met
betrekking tot het voorkomen van oneerlijke concurrentie met derden.
5. De richtlijnen bevatten alleen verplichtingen ten aanzien van
het door de houder van de concessie te bereiken resultaat en niet ten
aanzien van de wijze van bedrijfsvoering om dit resultaat te bereiken.
6. Een besluit betreffende vaststelling of wijziging van de
richtlijnen wordt genomen met inachtneming van een bedrijfsmatige en op
continuïteit gerichte exploitatie door de houder van de concessie.
7. Een beroep door de houder van de concessie, gedaan krachtens
artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van
bestuur, op de vertrouwelijkheid van aan Onze Minister onderscheidenlijk
het college verstrekte informatie als bedoeld in het tweede lid, onder e,
is alleen toegestaan indien die informatie redelijkerwijs als
vertrouwelijk moet worden aangemerkt.
8. Voorzover noodzakelijk voor de betaalbaarheid van de postale
dienstverlening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan bij besluit
van Onze Minister voor een bij dat besluit te bepalen periode de
ontwikkeling van tarieven worden gereguleerd, waarbij kan worden
afgeweken van het bij of krachtens het tweede lid, onderdeel b,
bepaalde.
9. De in het eerste en het vierde lid bedoelde algemene
richtlijnen worden bekend gemaakt in de Staatscourant.
10. Vier jaren na het van kracht worden van de richtlijnen en
vervolgens elke vijf jaar nadien dient Onze Minister de werking van die
richtlijnen te hebben geëvalueerd.
Artikel 6 [Vervallen per 01-06-2000]
Artikel 7
1. De houder van de concessie is voor
schade als gevolg van verlies, beschadiging of vertraagde aflevering van
postzendingen in het kader van het postvervoer, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, binnen Nederland slechts aansprakelijk indien door de
afzender gebruik wordt gemaakt van een wijze van postvervoer waarbij de
postzending volgens daartoe in de algemene voorwaarden te stellen regels
wordt geregistreerd.
2. De aansprakelijkheid bedoeld in het vorige lid bestaat niet
indien de schade uitsluitend het gevolg is van één of meer van de
volgende omstandigheden:
a. de aard of een gebrek van het vervoerde zelf;
b. onvoldoende verpakking van het vervoerde door een ander dan de
houder van de concessie of diens ondergeschikten;
c. een oorzaak die aan de afzender kan worden toegerekend;
d. een oorlogshandeling of een gewapend conflict;
e. aanhouding op last van daartoe bevoegd gezag.
3. Vorderingen kunnen slechts worden ingediend door de afzender.
Indien de schade is geleden door een ander dan de afzender, is de
afzender van rechtswege bevoegd ten behoeve van die ander, hetzij op
eigen naam hetzij als diens vertegenwoordiger, de vordering in te
stellen.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld
waarboven de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid zich niet
uitstrekt, waarbij de hoogte van de afzonderlijke bedragen kan worden
bepaald naar gelang van onder meer de soorten van registratie alsmede
naar gelang van de aard en de waarde van de postzending.
5. De houder van de concessie kan zich niet beroepen op een uit
de voorgaande leden van dit artikel voortvloeiende uitsluiting of
beperking van zijn aansprakelijkheid voor zover de schade is ontstaan
uit zijn eigen handelen of nalaten, geschied hetzij met het opzet die
schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die
schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
6. Ter zake van het postvervoer, bedoeld in artikel 2, eerste
lid, van of naar gebieden buiten Nederland is de houder van de concessie
slechts aansprakelijk overeenkomstig de bepalingen van de akten van de
Wereldpostunie dan wel andere voor Nederland bindende verdragen of
besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Artikel 8
1. De houder van de concessie kan gedeelten van het
postvervoer, bedoeld in artikel 2, eerste lid, door anderen doen
uitvoeren.
2. De exploitanten van openbare vervoermiddelen zijn verplicht
tot het postvervoer tegen vergoeding, die de houder van de concessie hun
ten vervoer aanbiedt.
3. Deze vergoeding wordt in onderling overleg bepaald.
4. Bij gebreke van overeenstemming wordt deze vergoeding op
verzoek van de meest gerede partij vastgesteld door de kantonrechter in
wiens ambtsgebied de exploitant is gevestigd.
5. Degenen die in het eerste of tweede lid bedoelde vervoer
verrichten zijn uitsluitend jegens de houder van de concessie
aansprakelijk en wel tot de bedragen welke de houder van de concessie,
overeenkomstig artikel 7, gehouden is aan afzenders te vergoeden.
Artikel 9
1. Onze Minister stelt ter bevordering van de aflevering aan
geadresseerden van voor hen bestemde postzendingen regels omtrent
plaats, afmetingen en andere hoedanigheden van de voor die aflevering
bestemde brievenbussen.
2. Postzendingen die naar hun aard en omvang in aanmerking komen
voor aflevering in een brievenbus als in het eerste lid bedoeld, kunnen
als onbestelbaar worden aangemerkt indien het opgegeven adres niet
beschikt over een brievenbus die aan de krachtens het eerste lid
gestelde regels voldoet.
Artikel 10
Gesloten postzendingen die in het kader van het postvervoer als
onbestelbaar zijn aan te merken en niet aan de afzender kunnen worden
teruggegeven kunnen slechts geopend worden op last van de kantonrechter
te 's-Gravenhage, zulks uitsluitend ter opsporing van de voor teruggave
of aflevering nodige gegevens omtrent de afzender of de geadresseerde.
Artikel 11
Beslag op postzendingen welke in het kader van het postvervoer,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, aan de houder van de concessie zijn
toevertrouwd is slechts toegelaten in de gevallen dat de wet een zodanig
beslag uitdrukkelijk regelt.
Artikel 12 [Vervallen per 01-06-2000]
Artikel 13
1. Onze Minister is bevoegd om voor
bijzondere omstandigheden, waarin de houder van de concessie niet
voorziet in het postvervoer, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, aan
anderen dan de houder van de concessie van het verbod, bedoeld in
artikel 2b, ontheffing te verlenen onder door de Minister daaraan te
verbinden voorschriften en beperkingen, welke in verband met de
bijzondere omstandigheden redelijkerwijze nodig zijn.
2. Bij toepassing van het eerste lid is Onze Minister bevoegd
voor deze ontheffing, als tegemoetkoming in de kosten die met de
verlening van de ontheffing zijn gemoeid, een vergoeding vast te
stellen.
§ 2a. Vergoedingen
Artikel 13a
1. De houder van de concessie en de houder van een ontheffing
als bedoeld in artikel 13, eerste lid, zijn ter dekking van de kosten
die verband houden met de werkzaamheden van het college, jaarlijks een
vergoeding verschuldigd, voor zover deze kosten niet reeds krachtens
artikel 13, tweede lid, verschuldigd zijn.
2. De vergoeding wordt bepaald aan de hand van de door het
college te verrichten werkzaamheden toegerekend aan de onderscheiden
marktcategorieën. Van de toerekening van kosten van werkzaamheden zijn
uitgezonderd de kosten, verbonden aan de behandeling van
bezwaarschriften en aan het optreden als procespartij bij de behandeling
van beroepschriften.
3. Onze Minister stelt op voorstel van het college de hoogte van
de vergoeding vast. De vergoeding wordt opgelegd door het college en
voldaan aan het college.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gegeven met betrekking tot de wijze waarop de vergoeding wordt
vastgesteld, geheven en ingevorderd.
§ 3. Beroep
Artikel 14
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroep tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te
Rotterdam bevoegd.
§ 4. Toezicht op de naleving
Artikel 14a
1. De bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren zijn
belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet, voor zover het betreft de bepalingen die
betrekking hebben op:
a. de bijzondere en buitengewone omstandigheden, bedoeld in
paragraaf 5, en,
b. een door hem gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 15.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 14b
1. De bij besluit van het college aangewezen ambtenaren zijn
belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet, voor zover het betreft de andere dan in artikel
14a, eerste lid, bedoelde bepalingen.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
§ 4a. Bestuursrechtelijke handhaving
Artikel 15
1. Indien de houder van de concessie handelt in strijd met een
bij of krachtens paragraaf 5 gestelde verplichting, kan Onze Minister
deze een aanwijzing geven.
2. Indien de houder van de concessie handelt in strijd met een
verplichting gesteld bij of krachtens andere dan in het eerste lid
bedoelde bepalingen van deze wet, kan het college deze een aanwijzing
geven.
Artikel 15a
1. Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang
ter handhaving van verplichtingen gesteld bij of krachtens:
a. paragraaf 5, of,
b. een aanwijzing als bedoeld in artikel 15, eerste lid.
2. Het college is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter
handhaving van verplichtingen gesteld bij of krachtens:
a. andere dan in het eerste lid bedoelde bepalingen van deze wet,
of,
b. een aanwijzing als bedoeld in artikel 15, tweede lid.
Artikel 15b
1. Onze Minister kan bij beschikking een bestuurlijke boete van
ten hoogste een miljoen gulden opleggen aan de houder van de
concessie, indien deze handelt in strijd met:
a. een verplichting gesteld bij of krachtens paragraaf 5;
b. een verplichting gesteld bij of krachtens een door hem gegeven
aanwijzing, of,
c. artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Het college kan bij beschikking een bestuurlijke boete van ten
hoogste € 450 000 opleggen:
a. aan de houder van de concessie, indien deze handelt in strijd
met:
1°. een verplichting gesteld bij of krachtens andere dan in het
eerste lid bedoelde bepalingen van deze wet;
2°. een verplichting gesteld bij of krachtens een door hem
gegeven aanwijzing, of,
3°. artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
b. aan de overtreder van artikel 2b, of van artikel 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht.
3. Onze Minister, onderscheidenlijk het college, legt geen boete
op indien de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de overtreding kan
worden toegerekend aannemelijk maakt dat hem van de overtreding geen
verwijt kan worden gemaakt.
4. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete houdt Onze
Minister, onderscheidenlijk het college, in ieder geval rekening met de
ernst en de duur van de overtreding.
Artikel 15c
1. Met het onderzoek zijn belast:
a. de in artikel 14a bedoelde ambtenaren, voor zover het de
toepassing van artikel 15b, eerste lid, betreft, en,
b. de in artikel 14b bedoelde ambtenaren, voor zover het de
toepassing van artikel 15b, tweede lid, betreft.
2. Onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet en de
Algemene wet bestuursrecht bepaalde beschikken de ambtenaren ten behoeve
van het onderzoek over de in deze paragraaf geregelde bevoegdheden.
Artikel 15d
Indien de ambtenaren in het kader van het onderzoek, bedoeld in
artikel 15c, een redelijk vermoeden hebben dat een natuurlijke persoon
of een rechtspersoon een overtreding heeft begaan, is er geen
verplichting aan de zijde van die natuurlijke persoon of rechtspersoon
terzake een verklaring af te leggen. De betrokkenen worden hiervan in
kennis gesteld voordat hun mondeling om informatie wordt gevraagd.
Artikel 15e
1. Indien ambtenaren vaststellen dat een overtreding is begaan,
maken zij daarvan een rapport op.
2. In het rapport worden in ieder geval vermeld:
a. de overtreding, onder verwijzing naar het desbetreffende
wettelijke voorschrift;
b. een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de
overtreding is begaan;
c. de feiten en omstandigheden op grond waarvan is vastgesteld dat
een overtreding is begaan.
3. Een afschrift van het rapport wordt toegezonden aan de
betrokkene, bedoeld in artikel 15b .
4. Op verzoek van de belanghebbende die het rapport wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt draagt
Onze Minister, onderscheidenlijk het college, er zoveel mogelijk zorg
voor dat de inhoud van het rapport aan de betrokkene wordt meegedeeld in
een voor hem begrijpelijke taal.
Artikel 15f
1. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht stelt Onze Minister, onderscheidenlijk het college, de
betrokkene, bedoeld in artikel 15b , in de gelegenheid om
binnen een redelijke termijn naar keuze schriftelijk of mondeling zijn
zienswijze naar voren te brengen.
2. Indien de betrokkene, bedoeld in artikel 15b , zijn
zienswijze mondeling naar voren brengt en de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, draagt Onze Minister, onderscheidenlijk het
college, op verzoek van de houder zorg voor benoeming van een tolk die
de betrokkene kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen
dat daaraan geen behoefte bestaat.
Artikel 15g
1. Een boete wordt opgelegd door Onze Minister,
onderscheidenlijk het college.
2. In de beschikking worden in ieder geval vermeld:
a. de te betalen geldsom;
b. de overtreding ter zake waarvan zij is gegeven, onder verwijzing
naar het desbetreffende wettelijk voorschrift;
c. de in artikel 15e, tweede lid, onder b en c
, bedoelde gegevens.
3. Op verzoek van de belanghebbende die de beschikking wegens
zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
draagt Onze Minister, onderscheidenlijk het college, er zoveel mogelijk
zorg voor dat de inhoud van de beschikking aan de betrokkene wordt
meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
Artikel 15h
De werkzaamheden die verband houden met de uitvoering van artikel 15f
en 15g worden verricht door personen die niet betrokken zijn
geweest bij de opstelling van het in artikel 15e bedoelde rapport
en het daaraan voorafgaande onderzoek.
Artikel 15i
De werking van een beschikking als bedoeld in artikel 15g
wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien
beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
Artikel 15j
De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen zes
weken vanaf de dag waarop de beschikking is bekendgemaakt.
Artikel 15k
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt vijf jaar nadat
de overtreding is begaan.
Artikel 15l
1. Een beschikking als bedoeld in artikel 15b wordt,
nadat zij is bekendgemaakt, ter inzage gelegd bij Onze Minister,
indien Onze Minister de beschikking heeft gegeven, onderscheidenlijk
bij het college, indien het college de beschikking heeft gegeven.
Vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens worden niet ter inzage
gelegd.
2. Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 15m
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt indien ter zake
van het feit op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen de
betrokkene een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter
terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van
Strafrecht.
Artikel 15n
Het recht tot strafvordering vervalt indien Onze Minister,
onderscheidenlijk het college, aan de betrokkene ter zake van hetzelfde
feit een boete heeft opgelegd.
Artikel 15o
1. Voorzover bij de uitoefening van bevoegdheden van het
college begrippen worden uitgelegd die worden gehanteerd bij de
toepassing van artikel 24 van de Mededingingswet, geschiedt de
uitoefening van die bevoegdheden overeenkomstig door het college in
overeenstemming met de de raad van bestuur van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit vastgestelde richtlijnen. Van die richtlijnen
doet de raad van bestuur mededeling in de Staatscourant.
2. Het college en de de raad van bestuur van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit maken in het belang van een effectieve en
efficiënte besluitvorming gezamenlijk afspraken over de wijze van
behandeling van aangelegenheden van wederzijds belang.
Artikel 15p [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 15q [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 15r [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 15s [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 15t [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 15u [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 15v [Vervallen per 01-01-1998]
§ 4b. Strafbepalingen
Artikel 16
1. Het is anders dan krachtens de
concessie verboden:
a. postzegels of postzegelafdrukken te vervaardigen, te verspreiden
of ter verspreiding in voorraad te hebben met daarop een afbeelding
van de Koning dan wel de vermelding "Nederland";
b. voor het publiek bestemde brievenbussen aan of op de openbare
weg te plaatsen.
2. Het is verboden zegels, zegelafdrukken, stempelafdrukken of
aanduidingen op zodanige wijze te bezigen, dat zij ten onrechte de
indruk kunnen wekken, dat de bescheiden of voorwerpen, waarop zij
voorkomen, door de houder van de concessie behandeld of van de houder
van de concessie afkomstig zijn.
Artikel 17
1. Overtreding van de artikelen 2b, 8, tweede lid, en 16,
eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden
of geldboete van de derde categorie.
2. Overtreding van artikel 16, tweede lid, alsmede van de
voorschriften en beperkingen verbonden aan een ontheffing verleend
krachtens artikel 13, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee
maanden of geldboete van de tweede categorie.
3. De in dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
§ 5. Bijzondere bepalingen
Artikel 18
In bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving van de
internationale rechtsorde of met de internationale betrekkingen is Onze
Minister bevoegd om in overeenstemming met Onze Minister van
Buitenlandse Zaken aan de houder van de concessie aanwijzingen te geven
met betrekking tot het postvervoer, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
van of naar gebieden buiten Nederland.
Artikel 19
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid,
van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor het gehele
land of een deel daarvan artikel 21, eerste tot en met vierde lid, in
werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen
wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden
omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepaling.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen,
dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking
is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit
naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 20
In geval voor Nederland of een gedeelte daarvan, op grond van de
artikelen 7, eerste lid, of 8, eerste lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden, bepalingen uit de Oorlogswet voor Nederland in
werking zijn gesteld, oefent Onze Minister de in artikel 21, eerste lid,
bedoelde bevoegdheid uit in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie.
Artikel 21
1. Onze Minister is bevoegd de houder van de concessie
aanwijzingen te geven met betrekking tot het postvervoer, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, naar, van, of in het gebied waarvoor een
besluit als bedoeld in artikel 19 van kracht is.
2. Onze Minister kan bij toepassing van het eerste lid afwijken
van de verplichtingen die ingevolge de artikelen 2, eerste lid,,[Tekstcorrectie:
“lid,,” moet zijn “lid,”] 3, eerste lid, en 5 op de houder
van de concessie rusten.
3. De aanwijzingen die ingevolge het eerste lid aan de houder van
de concessie zijn gegeven, zijn voor deze verbindend.
4. De exploitanten van openbare vervoermiddelen zijn gehouden om
bij de uitvoering van de in artikel 8, tweede lid, bedoelde verplichting
mee te werken aan de uitvoering door de houder van de concessie van
aanwijzingen gegeven krachtens het eerste lid.
5. Indien de houder van de concessie of een exploitant van
openbare vervoermiddelen als gevolg van aanwijzingen gegeven krachtens
het eerste lid onevenredig financieel nadeel ondervindt, kent Onze
Minister de betrokkene een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe.
Artikel 22
1. Bij toepassing van artikel 14 van de Wet buitengewone
bevoegdheden burgerlijk gezag is de houder van de concessie verplicht
de krachtens het eerste lid van genoemd artikel aangewezen
autoriteiten alle medewerking te verlenen, daaronder begrepen het
uitvoeren van door die autoriteiten gegeven opdrachten.
2. Bij toepassing van artikel 31 van de Oorlogswet voor Nederland
is de houder van de concessie verplicht het militair gezag of een orgaan
als bedoeld in het tweede lid van genoemd artikel alle medewerking te
verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van door dat gezag of dat
orgaan gegeven opdrachten.
Artikel 23
Onze Minister geeft aan de houder van de concessie voorschriften ten
aanzien van de door deze te nemen organisatorische en personele
maatregelen met betrekking tot de voorbereiding van het postvervoer,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, in buitengewone omstandigheden als
bedoeld in artikel 19 en de door deze daarover aan Onze Minister te
verstrekken informatie. De Minister bepaalt in die voorschriften welke
kosten van de uitvoering redelijkerwijs ten laste van de houder van de
concessie dienen te komen.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 24
De afbeelding van de Koning op een postzegel of postzegelafdruk
behoeft Diens goedkeuring.
Artikel 25
1. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in de artikelen 1, onder c, 2, eerste lid, en 2a, eerste lid,
wordt niet gedaan dan nadat een ontwerp van de maatregel aan de beide
kamers der Staten-Generaal ter kennisneming is toegezonden alsmede in
de Staatscourant is geplaatst en nadat aan een ieder de gelegenheid is
geboden binnen een termijn van twee maanden wensen en bedenkingen ter
kennis van Onze Minister te brengen.
2. Een besluit als bedoeld in artikel 5 wordt niet vastgesteld
dan twee maanden nadat een ontwerp van dat besluit aan de beide kamers
der Staten-Generaal ter kennisneming is toegezonden.
Artikel 26
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 27
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 28
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 29
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 30
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 31
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 32
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 33
De Postwet 1954 (Stb. 592) wordt ingetrokken.
Artikel 34
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 35
Deze wet kan worden aangehaald als: Postwet.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Canberra, 26 oktober 1988
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
Uitgegeven de vierentwintigste november 1988
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|