| |
|
|
|
|
vorige
PROVINCIEWET
(PW)
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Ambtsinstructie
commissaris van de Koning
- Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten
- Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning
- Rechtspositiebesluit gedeputeerden
- Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden
WET van 10 september 1992, houdende
nieuwe bepalingen met betrekking tot provincies
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
Provinciewet aan te passen aan de herziene Grondwet en aan de
Gemeentewet en in verband daarmee nieuwe bepalingen vast te stellen met
betrekking tot de inrichting van provincies, alsmede de samenstelling en
bevoegdheid van hun besturen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel I. Begripsbepalingen
Artikel 1
1.In deze wet wordt verstaan onder het aantal inwoners van een
provincie: het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau
voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari.
2.Voor de vaststelling van het inwonertal bedoeld in artikel 8,
geldt als peildatum 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar
van de verkiezing van provinciale staten. Het Centraal Bureau voor de
Statistiek kan op schriftelijk verzoek van provinciale staten het
inwonertal per de eerste dag van de vierde maand voorafgaande aan de
maand van kandidaatstelling vaststellen indien aannemelijk is dat een
in dat artikel genoemd inwonertal op genoemde datum is overschreden.
In dat geval geldt dit tijdstip als peildatum.
Artikel 2
In deze wet wordt verstaan onder ingezetenen: zij die hun werkelijke
woonplaats in de provincie hebben.
Artikel 3
Zij die als ingezetene met een adres zijn ingeschreven in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente,
worden voor de toepassing van deze wet, behoudens bewijs van het
tegendeel, geacht werkelijke woonplaats te hebben in de provincie waarin
die gemeente is gelegen.
Artikel 4
In deze wet wordt onder ambtenaar mede verstaan: degene die op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is.
Artikel 5
In deze wet wordt verstaan onder:
a. provinciebestuur: ieder bevoegd orgaan van de provincie;
b. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
Titel II. De inrichting en samenstelling van het provinciebestuur
Hoofdstuk I. Algemene bepaling
Artikel 6
In elke provincie zijn er provinciale staten, gedeputeerde staten en
een commissaris van de Koning.
Hoofdstuk II. Provinciale staten
Artikel 7
Provinciale staten vertegenwoordigen de gehele bevolking van de
provincie.
Artikel 8
1.Provinciale staten bestaan uit:
39 leden in een provincie beneden de 400 001 inwoners;
41 leden in een provincie van 400 001 500 000 inwoners;
43 leden in een provincie van 500 001 750 000 inwoners;
45 leden in een provincie van 750 001 1 000 000 inwoners;
47 leden in een provincie van 1 000 001 1 250 000 inwoners;
49 leden in een provincie van 1 250 001 1 500 000 inwoners;
51 leden in een provincie van 1 500 001 1 750 000 inwoners;
53 leden in een provincie van 1 750 001 2 000 000 inwoners;
55 leden in een provincie boven de 2 000 000 inwoners.
2.Vermeerdering of vermindering van het aantal leden van
provinciale staten, voortvloeiende uit wijziging van het aantal
inwoners van de provincie, treedt eerst in bij de eerstvolgende
periodieke verkiezing van de leden van provinciale staten.
Artikel 9
De commissaris van de Koning is voorzitter van provinciale staten.
Artikel 10
Voor het lidmaatschap van provinciale staten is vereist dat men
Nederlander en ingezetene van de provincie is, de leeftijd van achttien
jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.
Artikel 11
1.De leden van provinciale staten maken openbaar welke andere
functies dan het lidmaatschap van provinciale staten zij vervullen.
2.Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging van een opgave van
de in het eerste lid bedoelde functies op het provinciehuis.
Artikel 12
Ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats is niet
benoembaar tot lid van provinciale staten hij die na de laatstgehouden
periodieke verkiezing van de leden van provinciale staten wegens
handelen in strijd met artikel 15 van het lidmaatschap van provinciale
staten is vervallen verklaard.
Artikel 13
1.Een lid van provinciale staten is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de Wet Nationale ombudsman;
g. commissaris van de Koning;
h. gedeputeerde;
i. lid van de rekenkamer;
j. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in
artikel 79q, eerste lid;
k. ambtenaar, door of vanwege het provinciebestuur aangesteld
of daaraan ondergeschikt.
2.In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder h, kan een lid
van provinciale staten tevens gedeputeerde zijn gedurende het tijdvak
dat:
a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de
leden van provinciale staten en eindigt op het tijdstip waarop de
gedeputeerden ingevolge artikel 41, eerste lid, aftreden, of
b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot gedeputeerde
en eindigt op het tijdstip waarop de goedkeuring van de
geloofsbrief van zijn opvolger als lid van provinciale staten
onherroepelijk is geworden of waarop het centraal stembureau heeft
beslist dat geen opvolger kan worden benoemd. Hij wordt geacht
ontslag te nemen als lid van provinciale staten met ingang van het
tijdstip waarop hij zijn benoeming tot gedeputeerde aanvaardt.
Artikel X 6 van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing.
3.In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder k, kan een lid
van provinciale staten tevens zijn vrijwilliger of ander persoon die
uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep
hulpdiensten verricht.
Artikel 14
1.Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen de leden van
provinciale staten in de vergadering, in handen van de voorzitter, de
volgende eed (verklaring en belofte) af:
"Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van provinciale staten
benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of
welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen
of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik
de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van provinciale
staten naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!"
(Dat verklaar en beloof ik!")
2.Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste
lid, in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed
(verklaring en belofte) als volgt:
«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta lid fan provinsjale steaten
beneamd te wurden, streekrjocht noch midlik, ūnder wat namme of wat
ferlechje ek, hokker jefte of geunst dan ek jūn of ūnthjitten haw.
Ik swar (ferklearje en ūnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan
of te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker
ūnthjit dan ek oannommen haw of oannimme sil.
Ik swar (ūnthjit) dat ik trou wźze sil oan 'e Grūnwet, dat ik de
wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as lid fan provinsjale
steaten yn alle oprjochtens ferfolje sil.
Sa wier helpe my God Almachtich!»
(«Dat ferklearje en ūnthjit ik!»).
Artikel 15
1.Een lid van provinciale staten mag niet:
a. als advocaat of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten
behoeve van de provincie of het provinciebestuur dan wel ten
behoeve van de wederpartij van de provincie of het
provinciebestuur;
b. als gemachtigde in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van
de wederpartij van de provincie of het provinciebestuur;
c. als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn ten behoeve
van derden tot het met de provincie aangaan van:
1e. overeenkomsten als bedoeld in onderdeel d;
2e. overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken aan
de provincie;
d. rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan
betreffende:
1e. het aannemen van werk ten behoeve van de provincie;
2e. het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten
van werkzaamheden ten behoeve van de provincie;
3e. het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan
de provincie;
4e. het verhuren van roerende zaken aan de provincie;
5e. het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van de
provincie;
6e. het van de provincie onderhands verwerven van
onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn
onderworpen;
7e. het onderhands huren of pachten van de provincie.
2.Van het eerste lid, aanhef en onder d, kan Onze Minister
ontheffing verlenen.
3.Provinciale staten stellen voor hun leden een gedragscode vast.
Artikel 16
Provinciale staten stellen een reglement van orde voor hun
vergaderingen en andere werkzaamheden vast.
Artikel 17
1.Provinciale staten vergaderen zo vaak als zij daartoe hebben
besloten.
2.Voorts vergaderen zij indien de commissaris van de Koning het
nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden
waaruit provinciale staten bestaan schriftelijk, met opgave van
redenen, daarom verzoekt.
Artikel 18
Provinciale staten vergaderen na de periodieke verkiezing van hun
leden voor de eerste maal in nieuwe samenstelling op de dag met ingang
waarvan de leden van provinciale staten in oude samenstelling aftreden.
Artikel 19
1.De commissaris roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.
2.Tegelijkertijd met de oproeping brengt de commissaris dag,
tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda
en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de in artikel
25, tweede lid, bedoelde stukken worden tegelijkertijd met de
oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze
ter inzage gelegd.
Artikel 20
1.De vergadering van provinciale staten wordt niet geopend voordat
blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting
hebbende leden tegenwoordig is.
2.Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden
geopend, belegt de commissaris van de Koning, onder verwijzing naar
dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste
vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.
3.Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid
niet van toepassing. Provinciale staten kunnen echter over andere
aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet
geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten,
indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal
zitting hebbende leden tegenwoordig is.
Artikel 21
1.De commissaris van de Koning heeft het recht in de vergadering
aan de beraadslaging deel te nemen.
2.Een gedeputeerde heeft toegang tot de vergaderingen en kan aan de
beraadslaging deelnemen.
3.Een gedeputeerde kan door provinciale staten worden uitgenodigd
om ter vergadering aanwezig te zijn.
Artikel 22
De leden van het provinciebestuur en andere personen die deelnemen
aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of
aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als
bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van provinciale
staten hebben gezegd of aan provinciale staten schriftelijk hebben
overgelegd.
Artikel 23
1.De vergadering van provinciale staten wordt in het openbaar
gehouden.
2.De deuren worden gesloten, wanneer ten minste een tiende van het
aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of
de voorzitter het nodig oordeelt.
3.Provinciale staten beslissen vervolgens of met gesloten deuren
zal worden vergaderd.
4.Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk
verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij provinciale
staten anders beslissen.
5.Provinciale staten maken de besluitenlijst van hun vergaderingen
op de in de provincie gebruikelijke wijze openbaar. Provinciale staten
laten openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft
ten aanzien waarvan op grond van artikel 25 geheimhouding is opgelegd
of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar
belang.
Artikel 24
In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten
over:
a. de toelating van nieuw benoemde leden;
b. de vaststelling en wijziging van de begroting en de
vaststelling van de jaarrekening;
c. de invoering, wijziging en afschaffing van provinciale
belastingen; en
d. de benoeming en het ontslag van gedeputeerden.
Artikel 25
1.Provinciale staten kunnen op grond van een belang, genoemd in
artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in een
besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken
die aan provinciale staten worden overgelegd, geheimhouding opleggen.
Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt
tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die
bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of
de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat provinciale staten
haar opheffen.
2.Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden
opgelegd door gedeputeerde staten, de commissaris van de Koning en een
commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan provinciale
staten of aan leden van provinciale staten overleggen. Daarvan wordt
op de stukken melding gemaakt.
3.De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot
geheimhouding met betrekking tot aan provinciale staten overgelegde
stukken vervalt, indien de oplegging niet door provinciale staten in
hun eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer
dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt
bekrachtigd.
4.De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot
geheimhouding met betrekking tot aan leden van provinciale staten
overgelegde stukken wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de
verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het stuk waaromtrent
geheimhouding is opgelegd aan provinciale staten is voorgelegd, totdat
provinciale staten haar opheffen. Provinciale staten kunnen deze
beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de
presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende
leden is bezocht.
Artikel 26
1.De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de
vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door
toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te
doen vertrekken.
2.Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de
vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de
vergadering te ontzeggen.
3.Hij kan provinciale staten voorstellen aan een lid dat door zijn
gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere
verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet
beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering
onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij
herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie
maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.
Artikel 27
De leden van provinciale staten stemmen zonder last.
Artikel 28
1.Een lid van provinciale staten neemt niet deel aan de stemming
over:
a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk
persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is
betrokken;
b. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam
waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.
2.Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de
stemming verstaan het inleveren van een stembriefje.
3.Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort
tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een
herstemming is beperkt.
4.Het eerste lid is niet van toepassing bij het besluit betreffende
de toelating van de na periodieke verkiezing benoemde leden.
Artikel 29
1.Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het
aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de
stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing:
a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een
benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten
aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond
van dat lid niet geldig was;
b. in een vergadering als bedoeld in artikel 20, tweede lid,
voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande,
ingevolge artikel 20, eerste lid, niet geopende vergadering aan de
orde waren gesteld.
Artikel 30
1.Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de
volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben
uitgebracht.
2.Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een
stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.
Artikel 31
1.De stemming over personen voor het doen van benoemingen,
voordrachten of aanbevelingen geschiedt bij gesloten en ongetekende
stembriefjes.
2.Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een
voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde
vergadering een herstemming gehouden.
3.Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist terstond
het lot.
Artikel 32
1.De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping,
indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval
geschieden zij mondeling.
2.Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid
dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht
zijn stem voor of tegen uit te brengen.
3.Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het
aangenomen.
4.Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen
het nemen van een beslissing uitgesteld tot een volgende vergadering,
waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend.
5.Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een
ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel
niet aangenomen.
6.Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering
waarin alle leden waaruit provinciale staten bestaan, voor zover zij
zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem
hebben uitgebracht.
Artikel 32a
De stukken die van provinciale staten uitgaan, worden door de
commissaris ondertekend en door de griffier medeondertekend. Bij
verhindering of ontstentenis van de commissaris worden de stukken die
van provinciale staten uitgaan, ondertekend door degene die
krachtensartikel 75 de commissaris als voorzitter van provinciale staten
vervangt.
Artikel 33
1.Provinciale staten en elk van hun leden hebben recht op
ambtelijke bijstand.
2.De in provinciale staten vertegenwoordigde groeperingen hebben
recht op ondersteuning.
3.Provinciale staten stellen met betrekking tot de ambtelijke
bijstand en de ondersteuning van de in provinciale staten
vertegenwoordigde groeperingen een verordening vast. De verordening
bevat ten aanzien van de ondersteuning regels over de besteding en de
verantwoording.
Hoofdstuk III. Gedeputeerde staten
Artikel 34
1.De commissaris van de Koning en de gedeputeerden vormen te zamen
gedeputeerde staten.
2.De commissaris is voorzitter van gedeputeerde staten.
Artikel 35
1.Provinciale staten benoemen de gedeputeerden.
2.De commissaris van de Koning wordt geļnformeerd over de
uitkomsten van de college-onderhandelingen. Hij wordt alsdan in de
gelegenheid gesteld zijn opvattingen over voorstellen ten behoeve van
het collegeprogramma kenbaar te maken.
Artikel 35a
1.Het aantal gedeputeerden bedraagt ten minste drie en ten hoogste
zeven.
2.Een gedeputeerde vervult een volledige functie.
3.Provinciale staten kunnen besluiten dat een of meer van de
gedeputeerden zijn functie in deeltijd vervult. In dat geval bedraagt
het aantal gedeputeerden ten hoogste negen.
4.Indien het derde lid toepassing vindt, stellen provinciale staten
bij de benoeming van de gedeputeerden de tijdbestedingsnorm van elke
gedeputeerde vast, met dien verstande dat de tijdbestedingsnorm van de
gedeputeerden gezamenlijk in dat geval ten hoogste tien procent meer
bedraagt dan de tijdbestedingsnorm van de gedeputeerden gezamenlijk
zou hebben bedragen indien alle gedeputeerden een volledige functie
zouden vervullen.
Artikel 35b
1.Voor het ambt van gedeputeerde gelden de vereisten voor het
lidmaatschap van provinciale staten, bedoeld in artikel 10.
2.Provinciale staten kunnen voor de duur van een jaar ontheffing
verlenen van het vereiste van ingezetenschap. De ontheffing kan in
bijzondere gevallen, telkens met een periode van maximaal een jaar,
worden verlengd.
3.Dezelfde persoon kan niet in meer dan één provincie
gedeputeerde zijn.
Artikel 35c
1.Een gedeputeerde is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de Wet Nationale ombudsman;
g. commissaris van de Koning;
h. lid van provinciale staten;
i. lid van de rekenkamer;
j. lid van de raad van een gemeente;
k. burgemeester;
l. wethouder;
m. lid van een deelraad;
n. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente;
o. lid van de rekenkamer van een in de betrokken provincie
gelegen gemeente;
p. ambtenaar, door of vanwege het provinciebestuur aangesteld
of daaraan ondergeschikt;
q. ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur van een in de
provincie gelegen gemeente aangesteld of daaraan ondergeschikt;
r. voorzitter van of lid van het bestuur van of ambtenaar in
dienst van een in de provincie gelegen waterschap;
s. ambtenaar in dienst van een bij gemeenschappelijke regeling
ingesteld lichaam waarvan een orgaan aan toezicht van gedeputeerde
staten is onderworpen;
t. ambtenaar, door of vanwege het Rijk aangesteld, tot wiens
taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het
toezicht op de provincie;
u. functionaris, krachtens wet of algemene maatregel van
bestuur geroepen om het provinciebestuur van advies te dienen.
2.In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder h, kan een
gedeputeerde tevens lid van provinciale staten zijn van de provincie
waar hij gedeputeerde is gedurende het tijdvak dat:
a. aanvangt op de dag van de stemming van de verkiezing van de
leden van provinciale staten en eindigt op het tijdstip waarop de
gedeputeerden ingevolge artikel 41, eerste lid, aftreden, of
b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot gedeputeerde
en eindigt op het tijdstip waarop de goedkeuring van de
geloofsbrief van zijn opvolger als lid van provinciale staten
onherroepelijk is geworden of waarop het centraal stembureau heeft
beslist dat geen opvolger kan worden benoemd. Hij wordt geacht
ontslag te nemen als lid van provinciale staten met ingang van het
tijdstip waarop hij zijn benoeming tot gedeputeerde aanvaardt.
Artikel X 6 van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing.
3.In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder p, kan een
gedeputeerde tevens zijn vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde
van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten
verricht.
Artikel 36
De benoeming van gedeputeerden na de verkiezing van de leden van
provinciale staten vindt plaats in een vergadering van provinciale
staten in nieuwe samenstelling.
Artikel 37
In het geval van artikel 36 gaat de benoeming van degene die zijn
benoeming tot gedeputeerde heeft aangenomen, in op het tijdstip waarop
ten minste de helft van het met inachtneming van artikel 35a bepaalde
aantal gedeputeerden zijn benoeming heeft aangenomen of, indien de
aanneming van de benoeming op een later tijdstip plaatsvindt, op dat
tijdstip.
Artikel 38
De benoeming ter vervulling van een plaats die tussentijds openvalt
geschiedt zo spoedig mogelijk, tenzij provinciale staten besluiten het
aantal gedeputeerden te verminderen.
Artikel 39
De benoemde gedeputeerde deelt provinciale staten uiterlijk op de
tiende dag na de kennisgeving van zijn benoeming mee of hij de benoeming
aanneemt. Indien deze termijn verstrijkt zonder mededeling, wordt de
benoemde gedeputeerde geacht de benoeming niet aan te nemen.
Artikel 40
Wanneer de benoeming niet is aangenomen, geschiedt zo spoedig
mogelijk een nieuwe benoeming.
Artikel 40a
1.Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen leggen de
gedeputeerden, in de vergadering van provinciale staten, in handen van
de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot gedeputeerde benoemd te
worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk
voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen
of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik
de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als gedeputeerde naar
eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!» («Dat verklaar en beloof
ik!»)
2.Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste
lid, in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed
(verklaring en belofte) als volgt:
«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta deputearre beneamd te wurden,
streekrjocht noch midlik, ūnder wat namme of wat ferlechje ek, hokker
jefte of geunst dan ek jūn of ūnthjitten haw.
Ik swar (ferklearje en ūnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan
of te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker
ūnthjit dan ek oannommen haw of oannimme sil.
Ik swar (ūnthjit) dat ik trou wźze sil oan 'e Grūnwet, dat ik de
wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as deputearre yn alle
oprjochtens ferfolje sil.
Sa wier helpe my God Almachtich!»
(«Dat ferklearje en ūnthjit ik!»).
Artikel 40b
1. Een gedeputeerde vervult geen nevenfuncties waarvan de
uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn
ambt als gedeputeerde.
2. Een gedeputeerde meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een
nevenfunctie aan provinciale staten.
3. Een gedeputeerde maakt zijn nevenfuncties openbaar.
Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging op het provinciehuis.
4. Een gedeputeerde die zijn ambt niet in deeltijd vervult, maakt
tevens de inkomsten uit nevenfuncties openbaar. Openbaarmaking
geschiedt door terinzagelegging op het provinciehuis uiterlijk op 1
april na het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn genoten.
5. Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van
de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de
eindheffingsbestanddelen bedoeld in artikel 31 van die wet.
Artikel 40c
1.Artikel 15, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing op gedeputeerden.
2.Provinciale staten stellen voor de gedeputeerden een gedragscode
vast.
Artikel 41
1.Na de verkiezing van de leden van provinciale staten treden de
gedeputeerden af op het moment dat provinciale staten ten minste de
helft van het met inachtneming van artikel 35a bepaalde aantal
gedeputeerden heeft benoemd en deze benoemingen zijn aanvaard
2.Indien zoveel gedeputeerden hun ontslag indienen of worden
ontslagen dat niet ten minste de helft van het met inachtneming van
artikel 35a bepaalde aantal gedeputeerden in functie is, treedt de
commissaris van de Koning in de plaats van gedeputeerde staten totdat
dit wel het geval is.
Artikel 42
1.Een gedeputeerde kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet
daarvan schriftelijk mededeling aan provinciale staten.
2.Het ontslag gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na
de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn
opvolger de benoeming heeft aangenomen.
Artikel 43
1. De gedeputeerden genieten ten laste van de provincie een
bezoldiging, die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld.
2. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld betreffende
tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en betreffende
andere financiėle voorzieningen die verband houden met de vervulling
van het ambt van gedeputeerde.
3. Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van
bestuur treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide Kamers der
Staten-Generaal.
4. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten
de gedeputeerden als zodanig geen inkomsten, in welke vorm ook, ten
laste van de provincie.
5. De gedeputeerden genieten geen vergoedingen, in welke vorm ook,
voor werkzaamheden verricht in nevenfuncties die zij vervullen uit
hoofde van het ambt van gedeputeerde, ongeacht of die vergoedingen ten
laste van de provincie komen of niet. Indien deze vergoedingen worden
uitgekeerd, worden zij gestort in de provinciale kas.
6. Tot vergoedingen als bedoeld in het vijfde lid, behoren
inkomsten, onder welke benaming ook, uit nevenfuncties die de
gedeputeerde neerlegt bij beėindiging van het ambt.
7. Andere inkomsten dan die bedoeld in het vijfde lid worden met de
bezoldiging verrekend overeenkomstig artikel 3 van de Wet
schadeloosstelling leden Tweede Kamer.
8. Ten aanzien van de gedeputeerden die hun ambt in deeltijd
vervullen, vindt onverminderd het vijfde lid geen verrekening plaats
van de inkomsten, bedoeld in het zevende lid.
9. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
wijze waarop de gedeputeerde gegevens over de inkomsten, bedoeld in
het zevende lid, verstrekt, en de gevolgen van het niet verstrekken
van deze gegevens.
Artikel 44
1. Gedeputeerde staten verlenen aan een gedeputeerde op diens
verzoek verlof wegens zwangerschap en bevalling. Het verlof gaat in op
de in het verzoek vermelde dag die ligt tussen ten hoogste zes en ten
minste vier weken voor de vermoedelijke datum van de bevalling die
blijkt uit een bij het verzoek gevoegde verklaring van een arts of
verloskundige.
2. Gedeputeerde staten verlenen aan een gedeputeerde op diens
verzoek verlof wegens ziekte, indien uit een bij het verzoek gevoegde
verklaring van een arts blijkt dat niet aannemelijk is dat hij de
uitoefening van zijn functie binnen acht weken zal kunnen hervatten.
3. In het geval een gedeputeerde vanwege zijn ziekte niet in staat
is zelf het verzoek te doen, kan de commissaris van de Koning namens
hem het verzoek doen indien de continuļteit van het provinciaal
bestuur dringend vereist dat in vervanging van de gedeputeerde wordt
voorzien.
4. Het verlof eindigt op de dag waarop zestien weken zijn
verstreken sinds de dag waarop het verlof is ingegaan.
5. Aan een gedeputeerde wordt gedurende de zittingsperiode van
provinciale staten ten hoogste drie maal verlof verleend.
Artikel 44a
1. Gedeputeerde staten beslissen zo spoedig mogelijk op een verzoek
tot verlof, doch uiterlijk op de veertiende dag na indiening van het
verzoek.
2. De beslissing geschiedt in overeenstemming met de verklaring van
de arts of verloskundige en bevat de dag waarop het verlof ingaat.
Artikel 44b
1. Provinciale staten kunnen een vervanger benoemen voor de
gedeputeerde die met verlof is gegaan. Artikel 35a, eerste en derde
lid, tweede volzin, is niet van toepassing.
2. De vervanger is van rechtswege ontslagen met ingang van de dag
waarop zestien weken zijn verstreken sinds de dag waarop het verlof is
ingegaan.
3. Indien de vervanger voor het einde van het verlof ontslag neemt
of door provinciale staten wordt ontslagen, kunnen provinciale staten
voor de resterende duur van het verlof een nieuwe tijdelijke vervanger
benoemen.
Artikel 45
1.Indien degene wiens benoeming tot gedeputeerde is ingegaan, een
functie bekleedt als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, en het tweede
of derde lid van dat artikel niet van toepassing zijn, draagt hij er
onverwijld zorg voor dat hij uit die functie wordt ontheven.
2.Provinciale staten verlenen hem ontslag indien hij dit nalaat.
3.Het ontslag gaat in terstond na de bekendmaking van het
ontslagbesluit.
4.In het geval, bedoeld in het tweede lid, is artikel 4:8 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 46
1.Indien een gedeputeerde niet langer voldoet aan de vereisten voor
het ambt van gedeputeerde, bedoeld in artikel 35b, eerste en tweede
lid, of een functie gaat bekleden als bedoeld in artikel 35c, eerste
lid, en het tweede of het derde lid van dat artikel niet van
toepassing zijn, neemt hij onmiddellijk ontslag. Hij doet hiervan
schriftelijk mededeling aan provinciale staten.
2.Artikel 45, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 47
In zaken die aan de uitspraak van gedeputeerde staten zijn
onderworpen mag een gedeputeerde niet als gemachtigde of adviseur
werkzaam zijn.
Artikel 48 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 49
Indien een uitspraak van provinciale staten inhoudende de opzegging
van hun vertrouwen in een gedeputeerde er niet toe leidt dat de
betrokken gedeputeerde onmiddellijk ontslag neemt, kunnen provinciale
staten besluiten tot ontslag. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van
de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 50
De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop
provinciale staten tot ontslag van een gedeputeerde hebben besloten.
Artikel 51 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 52
Gedeputeerde staten stellen een reglement van orde voor hun
vergaderingen en andere werkzaamheden vast, dat aan provinciale staten
wordt toegezonden.
Artikel 53
1.De commissaris van de Koning stelt, met inachtneming van hetgeen
gedeputeerde staten hebben bepaald, dag en plaats van de vergadering
van gedeputeerde staten en het tijdstip van de opening vast.
2.De commissaris maakt dag en plaats van te houden openbare
vergaderingen en het tijdstip van de opening bekend.
Artikel 53a
1.De commissaris van de Koning bevordert de eenheid van het beleid
van gedeputeerde staten.
2.De commissaris kan onderwerpen aan de agenda voor een vergadering
van gedeputeerde staten toevoegen.
3.De commissaris kan ten aanzien van geagendeerde onderwerpen een
eigen voorstel aan gedeputeerde staten voorleggen.
Artikel 54
1.De vergaderingen van gedeputeerde staten worden met gesloten
deuren gehouden, voor zover gedeputeerde staten niet anders hebben
bepaald.
2.Het reglement van orde voor de vergaderingen kan regels geven
omtrent de openbaarheid van de vergaderingen van gedeputeerde staten.
Artikel 55
1.Gedeputeerde staten kunnen op grond van een belang, genoemd in
artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in een
besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken
die aan hen worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding
omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die
vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de
behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de
stukken kennis dragen, in acht genomen totdat gedeputeerde staten haar
opheffen.
2.Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden
opgelegd door de commissaris van de Koning of een commissie, ten
aanzien van de stukken die zij aan gedeputeerde staten overleggen.
Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in
acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan
wel provinciale staten, haar opheffen.
3.Indien gedeputeerde staten zich ter zake van het behandelde
waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt tot provinciale
staten hebben gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat
provinciale staten haar opheffen.
Artikel 56
1.In de vergadering van gedeputeerde staten kan slechts worden
beraadslaagd of besloten, indien ten minste de helft van het aantal
zitting hebbende leden tegenwoordig is.
2.Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de
commissaris van de Koning, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw
een vergadering.
3.Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid
niet van toepassing. Gedeputeerde staten kunnen echter over andere
aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd
alleen beraadslagen of besluiten, indien ten minste de helft van het
aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
Artikel 57
De leden van gedeputeerde staten en andere personen die deelnemen aan
de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken
voor hetgeen zij in de vergadering van gedeputeerde staten hebben gezegd
of aan gedeputeerde staten schriftelijk hebben overgelegd.
Artikel 58
De artikelen 28, eerste tot en met derde lid, 29 en 30 zijn ten
aanzien van de vergaderingen van gedeputeerde staten van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 59
1.Indien bij een stemming, anders dan over personen voor het doen
van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen, de stemmen staken,
wordt opnieuw gestemd.
2.Staken de stemmen andermaal over hetzelfde voorstel, dan beslist
de stem van de voorzitter.
Artikel 59a
1.De stukken die van gedeputeerde staten uitgaan, worden door de
commissaris ondertekend en door de secretaris medeondertekend.
2.Gedeputeerde staten kunnen de commissaris toestaan de
ondertekening op te dragen aan een ander lid van gedeputeerde staten,
aan de secretaris of aan een of meer andere provinciale ambtenaren.
3.De medeondertekening door de secretaris is niet van toepassing
indien de ondertekening van stukken die van het college uitgaan
ingevolge het tweede lid is opgedragen aan de secretaris of een andere
provinciale ambtenaar.
Artikel 60
1.Provinciale staten kunnen regelen van welke beslissingen van
gedeputeerde staten aan de leden van provinciale staten kennisgeving
wordt gedaan. Daarbij kunnen provinciale staten de gevallen bepalen
waarin met terinzagelegging kan worden volstaan.
2.Gedeputeerde staten laten de kennisgeving of terinzagelegging
achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang.
3.Gedeputeerde staten maken de besluitenlijst van hun vergaderingen
op de in de provincie gebruikelijke wijze openbaar. Zij laten de
openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten
aanzien waarvan op grond van artikel 55 geheimhouding is opgelegd of
ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar
belang.
Hoofdstuk IV. De commissaris van de Koning
Artikel 61
1.De commissaris van de Koning wordt bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar.
2.Onze Minister overlegt met provinciale staten over de eisen die
aan de te benoemen commissaris worden gesteld met betrekking tot de
vervulling van het ambt.
3.Na het overleg met Onze Minister stellen provinciale staten uit
hun midden een vertrouwenscommissie in, belast met de beoordeling van
de kandidaten. Provinciale staten kunnen bepalen dat één of meer
gedeputeerden als adviseur aan de vertrouwenscommissie worden
toegevoegd. Onze Minister verschaft de vertrouwenscommissie een opgave
van degenen die naar het ambt van commissaris hebben gesolliciteerd,
vergezeld van zijn oordeel over kandidaten die hij in beginsel
geschikt acht voor benoeming. Als de vertrouwenscommissie besluit
naast deze kandidaten ook andere kandidaten die gesolliciteerd hebben,
bij haar beoordeling te betrekken, doet zij daarvan onverwijld
mededeling aan Onze Minister. Deze brengt zijn oordeel over
laatstgenoemde kandidaten ter kennis van de vertrouwenscommissie.
4.De vertrouwenscommissie verschaft zich de door haar nodig geachte
informatie over de kandidaten. Bestuursorganen zijn verplicht de
gevraagde informatie te verstrekken. De vertrouwenscommissie brengt
verslag uit van haar bevindingen aan de staten en aan Onze Minister.
5.Provinciale staten zenden Onze Minister binnen vier maanden nadat
de gelegenheid tot sollicitatie voor de functie is gegeven een
aanbeveling inzake de benoeming. Deze aanbeveling omvat twee personen.
6.In een bijzonder, door provinciale staten te motiveren geval, kan
worden volstaan met een aanbeveling waarop één persoon vermeld
staat. Onze Minister slaat geen acht op een enkelvoudige aanbeveling,
indien naar zijn oordeel geen sprake is van een bijzonder geval.
7.Onze Minister volgt in zijn voordracht in beginsel de
aanbeveling, met inbegrip van de daarop gehanteerde volgorde, tenzij
zwaarwegende gronden aanleiding tot afwijking geven. Een afwijking
wordt gemotiveerd.
Artikel 61a
1.De commissaris van de Koning kan bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister worden herbenoemd voor de tijd van zes
jaar.
2.Provinciale staten zenden een aanbeveling inzake de herbenoeming
van de commissaris tenminste vier maanden voor de eerste dag van de
maand waarin de herbenoeming dient in te gaan, aan Onze Minister.
3.Voordat provinciale staten een aanbeveling opstellen, overleggen
zij met Onze Minister over het functioneren van de commissaris.
4.Onze Minister wijkt in zijn voordracht slechts op zwaarwegende
gronden af van de aanbeveling.
Artikel 61b
1.De commissaris van de Koning kan te allen tijde bij koninklijk
besluit op voordracht van Onze Minister worden ontslagen.
2.Indien sprake is van een verstoorde verhouding tussen de
commissaris en provinciale staten, kunnen de staten een aanbeveling
tot ontslag zenden aan Onze Minister.
3.Voordat de staten verklaren dat van een verstoorde verhouding
tussen de commissaris en de staten sprake is, overleggen zij met Onze
Minister over de aanleiding tot die verklaring.
4.Een aanbeveling vormt geen onderwerp van beraadslagingen en wordt
niet vastgesteld dan nadat provinciale staten tenminste twee weken en
ten hoogste drie maanden tevoren hebben verklaard, dat tussen de
commissaris en de staten sprake is van een verstoorde verhouding.
5.De oproeping tot de vergadering waarin over de aanbeveling wordt
beraadslaagd of besloten, wordt tenminste achtenveertig uur voor de
aanvang of zoveel eerder als provinciale staten hebben bepaald, bij de
leden van de staten bezorgd. Zij vermeldt het voorstel tot de
aanbeveling.
6.Onze Minister wijkt in zijn voordracht slechts af van de
aanbeveling op zwaarwegende gronden.
Artikel 61c
1.De beraadslagingen, bedoeld in de artikelen 61, derde en vierde
lid, 61a, derde lid, en 61b, derde lid, vinden plaats met gesloten
deuren. Van deze beraadslagingen wordt een afzonderlijk verslag
opgemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt.
2.Ten aanzien van de beraadslagingen en de stukken die aan
provinciale staten worden gezonden dan wel die door provinciale staten
aan Onze Minister worden gezonden geldt een geheimhoudingsplicht.
3.De aanbevelingen van provinciale staten, bedoeld in artikel 61,
vijfde en zesde lid, 61a, tweede lid, en 61b, tweede lid, zijn
openbaar met dien verstande dat ten aanzien van de aanbeveling inzake
de benoeming, bedoeld in artikel 61, vijfde lid, de openbaarheid
uitsluitend de als eerste aanbevolen persoon geldt.
Artikel 61d
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de bij benoeming, herbenoeming en ontslag van de
commissaris van de Koning te volgen procedure.
Artikel 62
1.De commissaris kan bij koninklijk besluit worden geschorst.
2.Onze Minister kan, in afwachting van een besluit omtrent
schorsing, bepalen dat de commissaris zijn functie niet uitoefent.
3.Een besluit als bedoeld in het tweede lid vervalt, indien niet
binnen een maand een besluit omtrent de schorsing is genomen.
Artikel 63
Voor de benoembaarheid tot commissaris is het Nederlanderschap
vereist.
Artikel 64
1. Alvorens zijn ambt te aanvaarden, legt de commissaris in handen
van de Koning de volgende eed (verklaring en belofte) af:
"Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot commissaris van de Koning
benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of
welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen
of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik
de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als commissaris van de
Koning naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!"
(Dat verklaar en beloof ik!")
2. In geval van herbenoeming wordt de eed (verklaring en belofte)
in handen van de Koning of in handen van Onze Minister, daartoe door
de Koning gemachtigd, afgelegd.
3. Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste
lid, in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed
(verklaring en belofte) als volgt:
«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta kommissaris fan 'e Kening
beneamd te wurden, streekrjocht noch midlik, ūnder wat namme of wat
ferlechje ek, hokker jefte of geunst dan ek jūn of ūnthjitten haw.
Ik swar (ferklearje en ūnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan
of te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker
ūnthjit dan ek oannommen haw of oannimme sil.
Ik swar (ūnthjit) dat ik trou wźze sil oan 'e Grūnwet, dat ik de
wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as kommissaris fan 'e
Kening yn alle oprjochtens ferfolje sil.
Sa wier helpe my God Almachtich!»
(«Dat ferklearje en ūnthjit ik!»).
Artikel 65
1. De commissaris geniet ten laste van de provincie een
bezoldiging, die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld.
2. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld betreffende
tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en betreffende
andere financiėle voorzieningen die verband houden met de vervulling
van zijn ambt.
3. Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van
bestuur treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide Kamers der
Staten-Generaal.
4. Buiten hetgeen hem bij of krachtens de wet is toegekend, geniet
de commissaris als zodanig geen inkomsten, in welke vorm ook, ten
laste van de provincie.
5. De commissaris geniet geen vergoedingen, in welke vorm ook, voor
werkzaamheden, verricht in nevenfuncties welke hij vervult uit hoofde
van zijn ambt, ongeacht of die vergoedingen ten laste van de provincie
komen of niet. Indien deze vergoedingen worden uitgekeerd, worden zij
gestort in de provinciale kas.
6. Tot vergoedingen als bedoeld in het vijfde lid, behoren
inkomsten, onder welke benaming ook, uit nevenfuncties die de
commissaris neerlegt bij beėindiging van het ambt.
7. Andere inkomsten dan die bedoeld in het vijfde lid worden met de
bezoldiging verrekend overeenkomstig artikel 3 van de Wet
schadeloosstelling leden Tweede Kamer.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
wijze waarop de commissaris gegevens over de inkomsten, bedoeld in het
zevende lid, verstrekt, en de gevolgen van het niet verstrekken van
deze gegevens.
Artikel 66
1. De commissaris vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening
ongewenst is met het oog op de goede vervulling van het ambt van
commissaris of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en
onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
2. De commissaris meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een
nevenfunctie, anders dan uit hoofde van het ambt van commissaris, aan
provinciale staten.
3. De commissaris maakt nevenfuncties, anders dan uit hoofde van
zijn ambt van commissaris, en de inkomsten uit die functies openbaar.
Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging op het provinciehuis
uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn
genoten.
4. Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van
de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de
eindheffingsbestanddelen bedoeld in artikel 31 van die wet.
Artikel 67
De commissaris is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van
de Wet Nationale ombudsman;
g. lid van provinciale staten;
h. gedeputeerde;
i. lid van de rekenkamer;
j. lid van de raad van een gemeente;
k. burgemeester;
l. wethouder;
m. lid van een deelraad;
n. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente;
o. lid van de rekenkamer van een in de betrokken provincie
gelegen gemeente;
p. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel
79q, eerste lid;
q. ambtenaar, door of vanwege het provinciebestuur aangesteld of
daaraan ondergeschikt;
r. ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur van een in de
provincie gelegen gemeente aangesteld of daaraan ondergeschikt;
s. voorzitter van, lid van het bestuur van of ambtenaar in dienst
van een in de provincie gelegen waterschap;
t. ambtenaar in dienst van een bij gemeenschappelijke regeling
ingesteld lichaam waarvan een orgaan aan toezicht van gedeputeerde
staten is onderworpen;
u. ambtenaar, door of vanwege het Rijk aangesteld, tot wiens taak
behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het
toezicht op de provincie;
v. functionaris, krachtens wet of algemene maatregel van bestuur
geroepen om het provinciebestuur van advies te dienen.
Artikel 68
1.Artikel 15, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing op de commissaris.
2.Provinciale staten stellen voor de commissaris een gedragscode
vast.
Artikel 69
Het ambt van commissaris ontheft van alle bij of krachtens de wet
opgelegde verplichtingen tot het verrichten van persoonlijke diensten.
Artikel 70
De commissaris heeft zijn werkelijke woonplaats in de provincie.
Artikel 71
1.Indien de commissaris langer dan zes weken buiten de provincie
wenst te verblijven, behoeft hij daartoe de toestemming van Onze
Minister. De toestemming mag alleen worden verleend, indien het belang
van de provincie zich daartegen niet verzet.
2.De Algemene Termijnenwet (Stb. 1964, 314) is niet van toepassing
op de termijn genoemd in het eerste lid.
Artikel 72
1. Voor zover dit niet bij de wet is geschied, worden bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de
commissaris regels vastgesteld betreffende:
a. benoeming, schorsing, tijdelijk niet uitoefenen van zijn
functie en ontslag;
b. het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;
c. aanspraken in geval van ziekte;
d. bescherming bij de arbeid;
e. andere aangelegenheden, zijn rechtspositie betreffende, die
regeling behoeven.
2. Bij de regels betreffende de in het eerste lid bedoelde
aangelegenheden kunnen financiėle voorzieningen worden getroffen die
ten laste van de provincie komen.
Artikel 73
1.Alle aan provinciale staten of aan gedeputeerde staten gerichte
stukken worden door of namens de commissaris geopend.
2.Van de ontvangst van aan provinciale staten gerichte stukken die
niet terstond in de vergadering van provinciale staten aan de orde
worden gesteld, doet hij in de eerstvolgende vergadering van
provinciale staten mededeling.
Artikel 74 [Vervallen per 02-11-2005]
Artikel 75
1.Bij verhindering of ontstentenis van de commissaris wordt zijn
ambt waargenomen door een door gedeputeerde staten aan te wijzen
gedeputeerde. Van de aanwijzing doet de commissaris schriftelijk
mededeling aan Onze Minister. Het voorzitterschap van provinciale
staten wordt bij verhindering of ontstentenis van de commissaris
waargenomen door het langstzittende lid van provinciale staten. Indien
meer leden van provinciale staten even lang zitting hebben, dan vindt
de waarneming van het voorzitterschap plaats door het oudste lid in
jaren van hen. Provinciale staten kunnen een ander lid van provinciale
staten met de waarneming van het voorzitterschap belasten.
2.Bij verhindering of ontstentenis van alle gedeputeerden wordt het
ambt van commissaris waargenomen door het langstzittende lid van
provinciale staten. Indien meer leden van provinciale staten even lang
zitting hebben, dan vindt de waarneming plaats door het oudste lid in
jaren van hen. Provinciale staten kunnen een ander lid van provinciale
staten met de waarneming belasten.
Artikel 76
1.Indien de regering het in het belang van de provincie nodig
oordeelt, voorziet zij in afwijking van artikel 75 in de waarneming.
Alvorens daartoe over te gaan hoort zij provinciale staten, tenzij
gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
2.Hij die door de regering met de waarneming van het ambt van
commissaris is belast, legt in handen van Onze Minister een
overeenkomstig artikel 64 luidende eed (verklaring en belofte) af.
Artikel 77
De toekenning van een vergoeding aan degene die met de waarneming van
het ambt van commissaris is belast, wordt geregeld bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur.
Artikel 78
Ten aanzien van degene die met de waarneming van het ambt van
commissaris is belast, zijn de artikelen 67 en 68 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 79
1.Provinciale staten kunnen regelen van welke beslissingen van de
commissaris aan de leden van provinciale staten kennisgeving wordt
gedaan. Daarbij kunnen provinciale staten de gevallen bepalen waarin
met terinzagelegging kan worden volstaan.
2.De commissaris laat de kennisgeving of terinzagelegging
achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang.
Hoofdstuk IVA. De rekenkamer
§ 1. De provinciale rekenkamer
Artikel 79a
1.Provinciale staten kunnen een rekenkamer instellen.
2.Indien provinciale staten een rekenkamer instellen, zijn de
navolgende artikelen van dit hoofdstuk alsmede hoofdstuk XIa van
toepassing.
3.Indien provinciale staten geen rekenkamer instellen is hoofdstuk
IVb van toepassing.
Artikel 79b
Provinciale staten stellen het aantal leden van de rekenkamer vast.
Artikel 79c
1.Provinciale staten benoemen de leden van de rekenkamer voor de
duur van zes jaar.
2.Indien de rekenkamer uit twee of meer leden bestaat, benoemen
provinciale staten uit de leden de voorzitter.
3.Provinciale staten kunnen plaatsvervangende leden benoemen.
Indien de rekenkamer uit één lid bestaat, benoemen provinciale
staten in ieder geval een plaatsvervangend lid. Deze paragraaf is op
plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.
4.Provinciale staten kunnen een lid herbenoemen.
5.Voorafgaand aan de benoemingen, bedoeld in het eerste tot en met
vierde lid, plegen provinciale staten overleg met de rekenkamer.
6.Een lid van de rekenkamer wordt door provinciale staten
ontslagen:
op eigen verzoek;
bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het
lidmaatschap;
indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak
een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens
schulden is gegijzeld;
indien hij naar het oordeel van provinciale staten ernstig
nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
7.Een lid van de rekenkamer kan door provinciale staten worden
ontslagen:
indien hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn
functie te vervullen;
indien hij handelt in strijd met artikel 79h juncto artikel 15,
eerste en tweede lid.
Artikel 79d
1.Provinciale staten stellen een lid van de rekenkamer op
non-activiteit indien:
hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot
gevolg heeft;
hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens
schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak.
2.Provinciale staten kunnen een lid van de rekenkamer op
non-activiteit stellen, indien tegen hem een gerechtelijk onderzoek
ter zake van een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander
ernstig vermoeden is van het bestaan van feiten en omstandigheden die
tot ontslag, anders dan op gronden vermeld in artikel 79c, zesde lid,
onder a, en zevende lid, onder a, zouden kunnen leiden.
3.Provinciale staten beėindigen de non-activiteit zodra de grond
voor de maatregel is vervallen, met dien verstande dat in een geval
als bedoeld in het tweede lid de non-activiteit in ieder geval eindigt
na zes maanden. In dat geval kunnen provinciale staten de maatregel
telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.
Artikel 79e
Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing op de leden van de
rekenkamer.
Artikel 79f
1.Een lid van de rekenkamer is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de Wet Nationale ombudsman;
g. lid van provinciale staten van de betrokken provincie;
h. commissaris van de Koning van de betrokken provincie;
i. gedeputeerde van de betrokken provincie;
j. burgemeester van een in de betrokken provincie gelegen
gemeente;
k. wethouder van een in de betrokken provincie gelegen
gemeente;
l. lid van een deelraad van een in de betrokken provincie
gelegen deelgemeente;
m. lid van het dagelijks bestuur van een in de betrokken
provincie gelegen deelgemeente;
n. ambtenaar, door of vanwege het provinciebestuur aangesteld
of daaraan ondergeschikt;
o. ambtenaar, door of vanwege het Rijk aangesteld, tot wiens
taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het
toezicht op de provincie;
p. functionaris, krachtens wet of algemene maatregel van
bestuur geroepen om het provinciebestuur van advies te dienen.
2.In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder n, kan een lid
van de rekenkamer tevens zijn vrijwilliger of ander persoon die uit
hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep
hulpdiensten verricht.
Artikel 79g
1.Alvorens hun functie uit te kunnen oefenen, leggen de leden van
de rekenkamer in de vergadering van provinciale staten, in handen van
de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af: «Ik zweer
(verklaar) dat ik, om tot lid van de rekenkamer benoemd te worden,
rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel
ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen
of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik
de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de
rekenkamer naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
2.Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste
lid, in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed
(verklaring en belofte) als volgt:
«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta lid fan 'e rekkenkeamer
beneamd te wurden, streekrjocht noch midlik, ūnder wat namme of wat
ferlechje ek, hokker jefte of geunst dan ek jūn of ūnthjitten haw.
Ik swar (ferklearje en ūnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan
of te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker
ūnthjit dan ek oannommen haw of oannimme sil.
Ik swar (ūnthjit) dat ik trou wźze sil oan 'e Grūnwet, dat ik de
wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as lid fan 'e rekkenkeamer
yn alle oprjochtens ferfolje sil.
Sa wier helpe my God Almachtich!»
(«Dat ferklearje en ūnthjit ik!»).
Artikel 79h
Artikel 15, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing
op de leden van de rekenkamer.
Artikel 79i
1.De rekenkamer stelt een reglement van orde voor haar
werkzaamheden vast en, indien zij uit twee of meer leden bestaat,
tevens voor haar vergaderingen.
2.De rekenkamer zendt het reglement ter kennisneming aan
provinciale staten en maakt het bekend op de wijze, bedoeld in artikel
136, tweede lid.
Artikel 79j
1. Provinciale staten stellen, na overleg met de rekenkamer, de
rekenkamer de nodige middelen ter beschikking voor een goede
uitoefening van haar werkzaamheden.
2. Op voordracht van de voorzitter of van het enige lid van de
rekenkamer benoemen gedeputeerde staten zoveel ambtenaren van de
rekenkamer als nodig zijn voor een goede uitoefening van haar
werkzaamheden.
3. De ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer,
verrichten niet tevens werkzaamheden voor een ander orgaan van de
provincie
4. De ambtenaren, die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer,
zijn ter zake van die werkzaamheden uitsluitend verantwoording
schuldig aan de rekenkamer.
Artikel 79k
De leden van de rekenkamer ontvangen een bij verordening van
provinciale staten vastgestelde vergoeding voor hun werkzaamheden en een
tegemoetkoming in de kosten.
§ 2. De gemeenschappelijke rekenkamer
Artikel 79l
In afwijking van artikel 79a kunnen provinciale staten met
provinciale staten van een of meer andere provincies met toepassing van
artikel 40 en artikel 41, eerste lid, juncto artikel 8, tweede lid, van
de Wet gemeenschappelijke regelingen, of met de raad of de raden van
één of meer gemeenten, al dan niet met provinciale staten van één of
meer andere provincies tezamen, met toepassing van artikel 51 en artikel
52, eerste lid, juncto artikel 8, tweede lid, van de Wet
gemeenschappelijke regelingen een gemeenschappelijke rekenkamer
instellen. De artikelen 10, tweede en derde lid, 10a, 11, 15, 16, 17,
20, derde lid, 21, 22, 23, 43 en 54 van die wet zijn niet van
toepassing.
Artikel 79m
1.De artikelen 79b tot en met 79f, 79h, 79i, 79j, eerste, derde en
vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de
gemeenschappelijke rekenkamer, met dien verstande dat in de artikelen
79b tot en met 79d, 79i, tweede lid, en 79j, eerste lid, voor
«provinciale staten» telkens wordt gelezen «provinciale staten van
de deelnemende provincies gezamenlijk» of, indien de rekenkamer mede
is ingesteld door gemeenten, «provinciale staten en de raden van de
deelnemende provincies en gemeenten gezamenlijk».
2.Artikel 79g is op de gemeenschappelijke rekenkamer van
toepassing, met dien verstande dat voor «provinciale staten» wordt
gelezen «provinciale staten van de provincie die daartoe in de
regeling waarbij de gemeenschappelijke rekenkamer is ingesteld, zijn
aangewezen» of, indien de rekenkamer mede is ingesteld door
gemeenten, «provinciale staten van de provincie of de raad van de
gemeente die daartoe in de regeling waarbij de gemeenschappelijke
rekenkamer is ingesteld zijn of is aangewezen».
Artikel 79n
Indien provinciale staten van één of meer provincies met de raad of
raden van een of meer gemeenten een gemeenschappelijke rekenkamer
instellen, is, onverminderd artikel 79m, eerste lid, juncto artikel 79f,
een lid van de rekenkamer niet tevens:
burgemeester;
wethouder;
lid van de raad van een deelnemende gemeente;
lid van een deelraad van een deelnemende gemeente;
lid van het dagelijks bestuur van een deelraad van een
deelnemende gemeente;
ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur van een
deelnemende gemeente aangesteld of daaraan ondergeschikt;
ambtenaar, door of vanwege het Rijk aangesteld, tot wiens taak
behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het
toezicht op een deelnemende gemeente;
functionaris, krachtens wet of algemene maatregel van bestuur
geroepen om het gemeentebestuur van een deelnemende gemeente van
advies te dienen.
Artikel 79o
In de regeling waarbij de gemeenschappelijke rekenkamer wordt
ingesteld, worden ten minste regels gesteld over:
de benoeming, op voordracht van de voorzitter of het enige lid
van de rekenkamer, van de ambtenaren die nodig zijn voor een goede
uitoefening van de werkzaamheden van de rekenkamer;
de vergoeding die de leden van de rekenkamer voor hun
werkzaamheden ontvangen en de tegemoetkoming in de kosten.
Hoofdstuk IVB. De rekenkamerfunctie
Artikel 79p
1.Als geen rekenkamer is ingesteld als bedoeld in hoofdstuk IVa,
stellen provinciale staten bij verordening regels vast voor de
uitoefening van de rekenkamerfunctie.
2.De artikelen 183, 185a en 186 zijn voor de uitoefening van de
rekenkamerfunctie van overeenkomstige toepassing.
3.Op personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen is artikel 79f,
behoudens het eerste lid, onder g, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IVC. De ombudsman
§ 1. Algemene bepaling
Artikel 79q
1.Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk kunnen
provinciale staten de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in
artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, opdragen
aan een provinciale ombudsman of ombudscommissie, dan wel een
gezamenlijke ombudsman of ombudscommissie.
2.Een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid
kan slechts per 1 januari van enig jaar worden ingesteld. Indien
provinciale staten hiertoe besluiten, zenden zij het besluit tot
instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar
voorafgaand aan het jaar waarin de instelling ingaat.
3.De instelling van een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in
het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden
beėindigd. Indien provinciale staten hiertoe besluiten, zenden zij
het besluit tot beėindiging van de instelling aan de Nationale
ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de
instelling eindigt.
§ 2. De provinciale ombudsman
Artikel 79r
1.Indien provinciale staten de behandeling van verzoekschriften
opdragen aan een provinciale ombudsman, benoemen zij deze voor de duur
van zes jaar.
2.Provinciale staten benoemen een plaatsvervangend ombudsman. Deze
paragraaf is op de plaatsvervangend ombudsman van overeenkomstige
toepassing.
3.De ombudsman wordt door provinciale staten ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is
zijn functie te vervullen;
c. bij de aanvaarding van een betrekking als bedoeld in artikel
79s, eerste lid;
d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot
gevolg heeft;
e. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance
van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
f. indien hij naar het oordeel van provinciale staten ernstig
nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
4.Provinciale staten stellen de ombudsman op non-activiteit indien
hij:
a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot
gevolg heeft;
c. onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance
van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld
ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak.
Artikel 79s
1.De ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de uitoefening
ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op
de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het
vertrouwen daarin.
2.Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing op de ombudsman.
Artikel 79t
1. Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt de ombudsman in
de vergadering van provinciale staten, in handen van de voorzitter, de
volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot ombudsman benoemd te worden,
rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel
ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen
of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de
Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als
ombudsman naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
2. Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste
lid, in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed
(verklaring en belofte) als volgt: «Ik swar (ferklearje) dat ik, om
ta ombudsman beneamd te wurden, streekrjocht noch midlik, ūnder wat
namme of wat ferlechje ek, hokker jefte of geunst dan ek jūn of
ūnthjitten haw. Ik swar (ferklearje en ūnthjit) dat ik, om eat yn
dit amt te dwaan of te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink
of hokker ūnthjit dan ek oannommen haw of oannimme sil. Ik swar (ūnthjit)
dat ik trou wźze sil oan 'e Grūnwet, dat ik de wetten neikomme sil
en dat ik myn plichten as ombudsman yn alle oprjochtens ferfolje sil.
Sa wier helpe my God Almachtich!» («Dat ferklearje en ūnthjit
ik!»).
Artikel 79u
1. Op voordracht van de ombudsman benoemen gedeputeerde staten het
personeel van de ombudsman dat nodig is voor een goede uitoefening van
de werkzaamheden.
2. De ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening van zijn
werkzaamheden geen instructies, noch in het algemeen, noch voor een
enkel geval.
3. Het personeel van de ombudsman verricht geen werkzaamheden voor
een bestuursorgaan naar wiens gedraging de ombudsman een onderzoek kan
instellen.
4. Het personeel van de ombudsman is ter zake van de werkzaamheden
die het voor de ombudsman verricht, uitsluitend aan hem verantwoording
schuldig.
Artikel 79v
De ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan
provinciale staten.
Artikel 79w
De ombudsman ontvangt een bij verordening van provinciale staten
vastgestelde vergoeding voor zijn werkzaamheden en een tegemoetkoming in
de kosten.
§ 3. De provinciale ombudscommissie
Artikel 79x
1.Indien provinciale staten de behandeling van verzoekschriften
opdraagt aan een provinciale ombudscommissie, stellen provinciale
staten het aantal leden van de ombudscommissie vast.
2.Provinciale staten benoemen de leden van de ombudscommissie voor
de duur van zes jaar.
3.Provinciale staten benoemen uit de leden de voorzitter en de
plaatsvervangend voorzitter van de ombudscommissie.
Artikel 79y
1. De ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn
werkzaamheden aan provinciale staten.
2. Op de ombudscommissie en op ieder lid afzonderlijk zijn de
artikelen 79r, derde en vierde lid, 79s, 79t, 79u en 79w van
overeenkomstige toepassing.
§ 4. De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke ombudscommissie
Artikel 79z
1.Provinciale staten kunnen voor de behandeling van
verzoekschriften een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke
ombudscommissie instellen met de raad of raden van een of meer andere
gemeenten, dan wel met provinciale staten van een of meer provincies,
dan wel met het algemeen bestuur van een of meer waterschappen, dan
wel met het algemeen bestuur van een of meer openbare lichamen of
gemeenschappelijke organen ingesteld bij gemeenschappelijke regeling.
2.De ombudsman of de ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag
van zijn werkzaamheden aan de vertegenwoordigende organen van de
deelnemende rechtspersonen.
3.Op de ombudsman en op ieder afzonderlijk lid van de
ombudscommissie zijn de artikelen 79r tot en met 79u, 79w en 79x van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 79aa
Indien provinciale staten een ombudsman of een ombudscommissie
instellen met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zijn
de in die wet ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen
bepalingen slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de
ombudsman of de ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet
verzet.
Hoofdstuk V. De commissies
Artikel 80
1. Provinciale staten kunnen statencommissies instellen die
besluitvorming van provinciale staten kunnen voorbereiden en met
gedeputeerde staten of de commissaris kunnen overleggen. Zij regelen
daarbij de taken, de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze,
daaronder begrepen de wijze waarop de leden van provinciale staten
inzage hebben in stukken waaromtrent door de commissie geheimhouding
is opgelegd. Deze inzage kan slechts worden geweigerd voor zover zij
in strijd is met het openbaar belang.
2. De commissaris en de gedeputeerden zijn geen lid van een
statencommissie.
3. Bij de samenstelling van een statencommissie zorgen provinciale
staten, voor zover het de benoeming betreft van leden van provinciale
staten, voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in provinciale
staten vertegenwoordigde groeperingen.
4. Een lid van provinciale staten is voorzitter van een
statencommissie.
5. Deartikelen 19 en 21 tot en met 23 zijn van overeenkomstige
toepassing op een vergadering van een statencommissie, met dien
verstande dat in artikel 19 voor «commissaris» wordt gelezen
«voorzitter van de statencommissie» en in artikel 23, vijfde lid,
voor«artikel 25» wordt gelezen «artikel 91».
Artikel 81
1.Provinciale staten, onderscheidenlijk gedeputeerde staten, kunnen
bestuurscommissies instellen die bevoegdheden uitoefenen die hun door
provinciale staten, onderscheidenlijk gedeputeerde staten, zijn
overgedragen. Zij regelen daarbij de taken, de bevoegdheden, de
samenstelling en de werkwijze, daaronder begrepen de wijze waarop zij
inzage hebben in de stukken waaromtrent door een bestuurscommissie
geheimhouding is opgelegd. Deze inzage kan slechts worden geweigerd
voor zover zij in strijd is met het openbaar belang.
2.De commissaris en de gedeputeerden zijn geen lid van een door
provinciale staten ingestelde bestuurscommissie. Leden van provinciale
staten zijn geen lid van een door gedeputeerde staten ingestelde
bestuurscommissie.
3.De artikelen 136, tweede lid, 137 en 138 zijn van overeenkomstige
toepassing op een besluit tot instelling van een bestuurscommissie.
4.De artikelen 19, tweede lid, 22 en 23, eerste tot en met vierde
lid, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
vergadering van een door provinciale staten ingestelde
bestuurscommissie, met dien verstande dat in artikel 19, tweede lid,
voor «de commissaris» wordt gelezen: de voorzitter van een
bestuurscommissie.
5.Voor zover zulks in verband met de aard en omvang van de
overgedragen bevoegdheden nodig is, regelen gedeputeerde staten de
openbaarheid van vergaderingen van een door hen ingestelde
bestuurscommissie.
Artikel 82
1.Provinciale staten of gedeputeerde staten kunnen andere
commissies dan bedoeld in de artikelen 80, eerste lid, en 81, eerste
lid, instellen.
2.Artikel 81, tweede lid, is op een andere commissie van
overeenkomstige toepassing, met uitzondering van een commissie die is
ingesteld om te adviseren over de beslissing op ingediende
bezwaarschriften en een commissie belast met de behandeling van en de
advisering over klachten.
3.Provinciale staten of gedeputeerde staten regelen ten aanzien van
een door hen ingestelde andere commissie de openbaarheid van de
vergaderingen.
4.De artikelen 136, tweede lid, 137 en 138 zijn van overeenkomstige
toepassing op een besluit tot instelling van een andere commissie.
Artikel 83
1.Provinciale staten, onderscheidenlijk gedeputeerde staten,
regelen ten aanzien van de door hen ingestelde bestuurscommissies de
verantwoording aan provinciale staten, onderscheidenlijk gedeputeerde
staten.
2.Provinciale staten, onderscheidenlijk gedeputeerde staten, kunnen
besluiten en andere, niet-schriftelijke, beslissingen gericht op enig
rechtsgevolg van een door provinciale staten, onderscheidenlijk
gedeputeerde staten, ingestelde bestuurscommissie vernietigen.
Provinciale staten kunnen hun bevoegdheid tot schorsing delegeren aan
gedeputeerde staten. Ten aanzien van de vernietiging van
niet-schriftelijke beslissingen gericht op enig rechtsgevolg zijn de
afdelingen 10.2.2. en 10.2.3. van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing.
3.Voor zover zulks in verband met de aard en de omvang van de
overgedragen bevoegdheden nodig is, regelen provinciale staten
onderscheidenlijk gedeputeerde staten het overige toezicht op de
uitoefening van de bevoegdheden door een door hen ingestelde
bestuurscommissie. Dit overige toezicht kan mede de goedkeuring
omvatten van beslissingen van een bestuurscommissie. De goedkeuring
kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het
algemeen belang. Ten aanzien van de goedkeuring van andere
beslissingen dan besluiten is afdeling 10.2.1 van de Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 84 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 85 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 86 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 87 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 88 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 89 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 90 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 91
1.Een commissie kan in een besloten vergadering, op grond van een
belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur,
omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en
omtrent de inhoud van de stukken die aan de commissie worden
overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een
besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering
opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling
aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis
dragen, in acht genomen totdat de commissie haar opheft.
2.Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden
opgelegd door de voorzitter van de commissie, gedeputeerde staten en
de commissaris van de Koning, ieder ten aanzien van stukken die zij
aan de commissie overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding
gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan dat
de verplichting heeft opgelegd, dan wel provinciale staten haar
opheffen.
3.Indien de commissie zich ter zake van het behandelde waarvoor een
verplichting tot geheimhouding geldt tot provinciale staten heeft
gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat provinciale
staten haar opheffen.
Artikel 92 [Vervallen per 12-03-2003]
Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van
provinciale staten en de commissies
Artikel 93
1.De leden van provinciale staten en de leden van provinciale
staten aan wie ingevolge artikel X 10 van de Kieswet ontslag is
verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte ontvangen een bij
verordening van provinciale staten vast te stellen vergoeding voor hun
werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.
2.Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de
tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en over andere
financiėle voorzieningen die verband houden met de vervulling van het
lidmaatschap van provinciale staten.
3.Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een lid
van provinciale staten dat met inachtneming van artikel 13, tweede
lid, tevens gedeputeerde is.
4.De verordeningen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, worden
vastgesteld overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen regels.
Artikel 94
1.De leden van een door provinciale staten of gedeputeerde staten
ingestelde commissie ontvangen, voor zover zij geen lid zijn van
provinciale staten of gedeputeerde staten, een bij provinciale
verordening vast te stellen vergoeding:
voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie en
van reis- en verblijfskosten in verband met reizen binnen de
provincie.
2.In bijzondere gevallen kunnen provinciale staten bij verordening
bepalen dat de leden van het dagelijks bestuur van een
bestuurscommissie of een andere commissie als bedoeld in artikel 82
een vaste vergoeding voor hun werkzaamheden ontvangen.
3.Ten aanzien van een vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onder
a, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere
regels gesteld. Ten aanzien van de overige vergoedingen, bedoeld in
dit artikel, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
nadere regels worden gesteld.
Artikel 95
De verordeningen bedoeld in de artikelen 93 en 94 worden aan Onze
Minister gezonden.
Artikel 96
1.Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend,
ontvangen de leden van provinciale staten, en van een door provinciale
staten of gedeputeerde staten ingestelde commissie als zodanig geen
andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de provincie.
2.Voordelen ten laste van de provincie, anders dan in de vorm van
vergoedingen en tegemoetkomingen, genieten zij slechts voor zover
provinciale staten dit bij verordening bepalen. De verordening behoeft
de goedkeuring van Onze Minister.
Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 97
1.In iedere provincie is een secretaris en een griffier.
2.Een secretaris is niet tevens griffier.
Artikel 98
Artikel 15, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing
op de secretaris en de griffier.
§ 2. De secretaris
Artikel 99
Gedeputeerde staten benoemen de secretaris. Zij zijn tevens bevoegd
de secretaris te schorsen en te ontslaan.
Artikel 100
1.De secretaris staat gedeputeerde staten, de commissaris van de
Koning en de door gedeputeerde staten ingestelde commissies bij de
uitoefening van hun taak terzijde.
2.Gedeputeerde staten stellen in een instructie nadere regels over
de taak en de bevoegdheden van de secretaris.
Artikel 101
De secretaris is in de vergadering van gedeputeerde staten aanwezig.
Artikel 102 [Vervallen per 02-11-2005]
Artikel 103
1.Gedeputeerde staten regelen de vervanging van de secretaris.
2.De artikelen 97, tweede lid, en 98 tot en met 102 zijn van
overeenkomstige toepassing op degene die de secretaris vervangt.
§ 3. De griffier
Artikel 104
Provinciale staten benoemen de griffier. Zij zijn tevens bevoegd de
griffier te schorsen en te ontslaan.
Artikel 104a
1.De griffier staat provinciale staten en de door hen ingestelde
commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.
2.Provinciale staten stellen in een instructie nadere regels over
de taak en de bevoegdheden van de griffier.
Artikel 104b
De griffier is in de vergadering van provinciale staten aanwezig.
Artikel 104c [Vervallen per 02-11-2005]
Artikel 104d
1.Provinciale staten regelen de vervanging van de griffier.
2.De artikelen 97, tweede lid, 98 en 104 tot en met 104c zijn van
overeenkomstige toepassing op degene die de griffier vervangt.
Artikel 104e
1.Provinciale staten kunnen regels stellen over de organisatie van
de griffie.
2.Provinciale staten zijn bevoegd de op de griffie werkzame
ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan.
Titel III. De bevoegdheid van het provinciebestuur
Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 105
1.De bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van
de provincie wordt aan het provinciebestuur overgelaten.
2.Regeling en bestuur kunnen van het provinciebestuur worden
gevorderd bij of krachtens een andere dan deze wet ter verzekering van
de uitvoering daarvan, met dien verstande dat het geven van
aanwijzingen aan het provinciebestuur en het aan het provinciebestuur
opleggen of in zijn plaats vaststellen van beslissingen, slechts kan
geschieden indien de bevoegdheid daartoe bij de wet is toegekend.
3.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 108, vijfde lid, en
117, vierde lid, worden de kosten verbonden aan de uitvoering van het
tweede lid voor zover zij ten laste van de betrokken provincies
blijven, door het Rijk aan hen vergoed.
Artikel 106
Bij of krachtens de wet kan zo nodig onderscheid worden gemaakt
tussen provincies.
Artikel 107
1.Het provinciebestuur kan bevoegdheden van regeling en bestuur,
gevorderd bij of krachtens een andere dan deze wet, voor het gebied
van een of meer gemeenten, van plusregios als bedoeld in artikel
104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen of waterschappen
overdragen aan de besturen van die gemeenten, plusregios of
waterschappen voor zover die bevoegdheden zich naar hun aard en schaal
daartoe lenen en die besturen daarmee instemmen.
2.Een besluit als bedoeld in het eerste lid regelt de gevolgen van
intrekking van het besluit.
3.Het ontwerp van een besluit als bedoeld in het eerste lid behoeft
de instemming van provinciale staten en van de raden van de betrokken
gemeenten onderscheidenlijk de algemene besturen van de betrokken
plusregios en waterschappen.
4.Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt binnen een week
toegezonden aan Onze Minister wie het aangaat.
5.Ten aanzien van de bekendmaking van een besluit als bedoeld in
het eerste lid zijn de artikelen 136 tot en met 138 van
overeenkomstige toepassing.
6.De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van het
provinciebestuur, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop,
uitgezonderd die met betrekking tot vergaderingen, zijn ten aanzien
van de ingevolge het eerste lid overgedragen bevoegdheden van
overeenkomstige toepassing.
7.Het provinciebestuur oefent geen toezicht uit en geeft geen
voorschriften met betrekking tot de uitoefening van de ingevolge het
eerste lid overgedragen bevoegdheden.
8.Indien het verzoek van een gemeentebestuur of bestuur van een
plusregio of waterschap tot het nemen van een besluit als bedoeld in
het eerste lid wordt afgewezen, wordt die afwijzing door het
provinciebestuur met redenen omkleed.
9.Het zevende lid is niet van toepassing bij de overdracht van
bevoegdheden aan een plusregio.
10.Indien een provinciebestuur besluit een bevoegdheid over te
dragen aan een plusregio, zendt het een afschrift van dat besluit aan
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel 108
1.In dit artikel wordt verstaan onder:
a. plan: een beslissing die een samenhangend geheel van op
elkaar afgestemde keuzes bevat omtrent door het provinciebestuur
te nemen besluiten of te verrichten andere handelingen, ten einde
een of meer doelstellingen te bereiken;
b. beleidsverslag: een schriftelijke rapportage betreffende het
door het provinciebestuur gevoerde beleid op een of meer
beleidsterreinen dan wel op onderdelen daarvan en de samenhang
daarbinnen of daartussen.
2.Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter
voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure kan
vanwege het Rijk van het provinciebestuur slechts worden gevorderd in
bij de wet te bepalen gevallen.
3.Een verplichting als bedoeld in het tweede lid geldt voor ten
hoogste vier jaren tenzij de wet anders bepaalt.
4.Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter
voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure kan
vanwege het Rijk in andere dan bij de wet bepaalde gevallen voor een
termijn van ten hoogste vier jaar van het provinciebestuur worden
gevraagd als onderdeel van de regeling van een tijdelijke specifieke
uitkering als bedoeld in artikel 17 van de Financiėle-verhoudingswet.
5.Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter
voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure wordt
van een provinciebestuur niet gevorderd of gevraagd, dan nadat is
aangegeven hoe de financiėle gevolgen ervan voor de provincie worden
gecompenseerd.
6.Dit artikel is niet van toepassing op de begroting, bedoeld in
artikel 193, en op de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in
artikel 201.
Artikel 109
1.Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in
artikel 108 en het ter voorbereiding daarvan volgen van een
voorgeschreven procedure wordt alleen gevorderd, indien:
a. dit noodzakelijk is uit een oogpunt van afstemming tussen
provinciaal beleid en het beleid van het Rijk, of
b. de ontwikkeling van beleid op een nieuw beleidsterrein dit
noodzakelijk maakt.
2.Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in
artikel 108 en het ter voorbereiding daarvan volgen van een
voorgeschreven procedure wordt niet gevorderd, indien:
a. het provinciebestuur daardoor ontoelaatbaar beperkt wordt in
zijn inhoudelijke of financiėle beleidsruimte;
b. de bestuurslasten niet in redelijke verhouding staan tot de
te verwachten baten of een aanzienlijk beslag leggen op de voor
het betrokken beleidsterrein beschikbare middelen;
c. integratie met een bestaand plan of een bestaand
beleidsverslag dan wel met de begroting, bedoeld in artikel 193,
of de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 201,
mogelijk is;
d. het bevorderen van de samenhang in het provinciaal beleid
door onderlinge afstemming van onderdelen daarvan onmogelijk
wordt;
e. het uitsluitend dient tot het verkrijgen van informatie.
3.Indien in een voorstel van wet tot invoering of wijziging van
bepalingen waarbij het vaststellen van een plan of een beleidsverslag
als bedoeld in artikel 108 en het ter voorbereiding daarvan volgen van
een voorgeschreven procedure wordt gevorderd, wordt afgeweken van het
bepaalde bij of krachtens artikel 108 en dit artikel, wordt die
afwijking gemotiveerd in de bij het voorstel behorende toelichting.
§ 2. Verhouding tot het Rijk
Artikel 110
Onze Minister wie het aangaat doet gedeputeerde staten desgevraagd
mededeling van zijn standpunten en voornemens met betrekking tot
aangelegenheden die voor de provincie van belang zijn, tenzij het
openbaar belang zich daartegen verzet.
Artikel 111
Onze Minister wie het aangaat biedt gedeputeerde staten desgevraagd
de gelegenheid tot het plegen van overleg met betrekking tot
aangelegenheden die voor de provincie van belang zijn, tenzij het
openbaar belang zich daartegen verzet.
Artikel 112
1.Onze Minister wie het aangaat stelt de betrokken gedeputeerde
staten of een instantie die voor hen representatief kan worden geacht,
zo nodig binnen een te stellen termijn, in de gelegenheid hun oordeel
te geven omtrent voorstellen van wet, ontwerpen van algemene maatregel
van bestuur, of ontwerpen van ministeriėle regeling waarbij:
a. van de provinciebesturen regeling of bestuur wordt
gevorderd,
b. in betekenende mate wijziging wordt gebracht in de taken en
bevoegdheden van de provinciale besturen, of
c. de financiėn van de provincies in betekenende mate zijn
betrokken.
2.Voorstellen als bedoeld in het eerste lid bevatten in de
bijbehorende toelichting een weergave van de gevolgen voor de
inrichting en werking van de provincies en een weergave van het in het
eerste lid bedoelde oordeel van de betrokken gedeputeerde staten of
representatieve instantie.
3.Onze Minister wie het aangaat is niet verplicht vooraf het in het
eerste lid bedoelde oordeel in te winnen indien zulks ten gevolge van
dringende omstandigheden niet mogelijk is. In dat geval wordt het
oordeel zo spoedig mogelijk ingewonnen en openbaar gemaakt.
Artikel 113
1.Een wet waarbij van provinciebesturen regeling of bestuur wordt
gevorderd of waarbij in betekenende mate wijziging wordt gebracht in
taken en bevoegdheden van provinciebesturen, wijkt van het bepaalde in
deze wet niet af dan wanneer dat bijzonder aangewezen moet worden
geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.
2.Het voorstel voor een wet als bedoeld in het eerste lid bevat in
de bijbehorende toelichting de gronden voor de voorgestelde afwijking.
Artikel 114
1.Onze Minister is belast met de coördinatie van het rijksbeleid
dat de provincies raakt. Hij bevordert voorts de beleidsvrijheid van
het provinciebestuur.
2.Over maatregelen en voornemens die van betekenis zijn voor het
rijksbeleid inzake de provincies treden Onze Ministers onder wier
verantwoordelijkheid die maatregelen en voornemens tot stand komen in
een vroegtijdig stadium in overleg met Onze Minister.
3.Onze Minister maakt bedenkingen kenbaar tegen een maatregel of
een voornemen voor zover hem die maatregel of dat voornemen met het
oog op het door de regering gevoerde decentralisatiebeleid niet
toelaatbaar voorkomt.
Artikel 115
1.Onze Minister bevordert de decentralisatie ten behoeve van de
provincies.
2.Onverminderd het bepaalde in artikel 117, tweede lid, van de
Gemeentewet (Stb. 1992, 96), worden voorstellen van maatregelen
waarbij bepaalde aangelegenheden tot rijksbeleid worden gerekend
slechts gedaan indien het onderwerp van zorg niet op doelmatige en
doeltreffende wijze door de provinciebesturen kan worden behartigd.
Artikel 116
Over al hetgeen de provincie betreft dienen gedeputeerde staten Onze
Ministers desgevraagd van bericht en raad, tenzij dit uitdrukkelijk van
de commissaris van de Koning wordt verlangd.
Artikel 117
1.Bij de wet of krachtens de wet bij algemene maatregel van bestuur
worden de gevallen geregeld waarin gedeputeerde staten verplicht zijn
tot het verstrekken van systematische informatie aan Onze Minister wie
het aangaat. Daarbij kan worden bepaald dat bij ministeriėle regeling
nadere voorschriften worden gegeven ten behoeve van de toepassing van
de wet of de algemene maatregel van bestuur.
2.Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Minister van Economische Zaken, na overleg met Onze Minister, kan
worden bepaald dat in die maatregel te omschrijven gegevens ten
behoeve van statistische doeleinden aan het Centraal Bureau voor de
Statistiek worden verstrekt.
3.Omtrent de in het eerste en tweede lid bedoelde verstrekking van
informatie en de inwinning daarvan worden bij algemene maatregel van
bestuur nadere algemene regels gesteld.
4.Omtrent de in het eerste en tweede lid bedoelde verstrekking van
informatie en de inwinning daarvan, alsmede omtrent de verstrekking en
inwinning van incidentele informatie, wordt, voorzover dat niet bij
wet geschiedt, bij algemene maatregel van bestuur aangegeven hoe de
financiėle gevolgen van de verplichting tot informatieverstrekking
worden gecompenseerd.
5.De voordrachten voor de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld
in het derde en het vierde lid, worden gedaan door Onze Minister.
Artikel 118
De bevoegdheid tot het maken van provinciale verordeningen blijft ten
aanzien van het onderwerp waarin door wetten of algemene maatregelen van
bestuur is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die
wetten en algemene maatregelen van bestuur niet in strijd zijn.
Artikel 119
De bepalingen van provinciale verordeningen in wier onderwerp door
een wet of een algemene maatregel van bestuur wordt voorzien, zijn van
rechtswege vervallen.
§ 3. Bijzondere voorzieningen
Artikel 120
Wanneer provinciale staten of, indien aan een bestuurscommissie
bevoegdheden van provinciale staten of van gedeputeerde staten zijn
overgedragen, de commissie bij of krachtens een andere dan deze wet
gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren nemen, voorzien
gedeputeerde staten daarin.
Artikel 121
1.Wanneer gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning bij
of krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissingen niet of
niet naar behoren nemen, voorziet Onze Minister daarin namens
gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning en ten laste van
de provincie.
2.Spoedeisende gevallen uitgezonderd, vindt het eerste lid geen
toepassing dan nadat gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de
commissaris in de gelegenheid zijn gesteld binnen een door Onze
Minister gestelde termijn alsnog de bij of krachtens een andere dan
deze wet gevorderde beslissingen te nemen.
§ 4. Bestuursdwang
Artikel 122
1. Het provinciebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang.
2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang
wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten, indien de last dient tot
handhaving van regels welke het provinciebestuur uitvoert.
3. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang
wordt uitgeoefend door de commissaris van de Koning, indien de last
dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.
4. Een bestuurscommissie waaraan bevoegdheden van provinciale
staten of gedeputeerde staten zijn overgedragen, bezit de bevoegdheid
tot oplegging van een last onder bestuursdwang en de bevoegdheid tot
het geven van een machtiging tot binnentreden van een woning slechts
indien ook die bevoegdheid uitdrukkelijk is overgedragen.
Artikel 123 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 124 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 125 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 126 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 127 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 128 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 129 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 130 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 131 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 132
1. In geval van toepassing van artikel 121 kan Onze Minister een
last onder bestuursdwang opleggen namens het provinciebestuur en ten
laste van de provincie.
2. De provincie heeft in dat geval voor het bedrag van de te haren
laste gebrachte kosten verhaal op de overtreder.
3. Artikel 5:26 van de Algemene wet bestuursrecht is alsdan van
toepassing.
Artikel 133 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 134 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 135 [Vervallen per 01-12-1998]
§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen
verbindende voorschriften inhouden
Artikel 136
1. Besluiten van het provinciebestuur die algemeen verbindende
voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer zij zijn
bekendgemaakt.
2. De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het op een algemeen
toegankelijke wijze uit te geven provinciaal blad.
3. Het provinciaal blad kan elektronisch worden uitgegeven. Na de
uitgifte blijft het provinciaal blad elektronisch op een algemeen
toegankelijke wijze beschikbaar. Indien elektronische uitgifte van het
provinciaal blad geheel of gedeeltelijk onmogelijk is, voorziet het
provinciebestuur in een vervangende uitgave. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden omtrent het bepaalde in de eerste en
tweede volzin nadere regels gesteld.
4. Voor het inzien van een overeenkomstig het tweede lid
bekendgemaakt besluit worden geen kosten in rekening gebracht.
5. Bij de bekendmaking van een besluit dat aan goedkeuring is
onderworpen, wordt de dagtekening vermeld van het besluit waarbij die
goedkeuring is verleend of wordt de mededeling gedaan van de
omstandigheid dat ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene
wet bestuursrecht een besluit tot goedkeuring wordt geacht te zijn
genomen.
Artikel 137
1. De teksten van besluiten van het provinciebestuur die algemeen
verbindende voorschriften inhouden, zijn in geconsolideerde vorm voor
een ieder beschikbaar door middel van een bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen algemeen toegankelijk elektronisch medium.
2. Een geconsolideerde tekst van een besluit die op grond van het
eerste lid beschikbaar is gesteld, blijft beschikbaar indien het
besluit na de beschikbaarstelling is gewijzigd of ingetrokken.
3. Onze Minister kan regels stellen over de wijze waarop de in het
eerste lid bedoelde teksten beschikbaar worden gesteld.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
categorieėn van besluiten worden aangewezen, waarop het eerste lid
niet van toepassing is.
Artikel 138
Een ieder kan op verzoek een papieren afschrift verkrijgen van de
besluiten van het provinciebestuur die algemeen verbindende
voorschriften inhouden. Het afschrift wordt verstrekt tegen ten hoogste
de kosten van het maken van het afschrift.
Artikel 139
De bekendgemaakte besluiten treden in werking met ingang van de
achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten
daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.
Artikel 140
Met betrekking tot de intrekking van besluiten die algemeen
verbindende voorschriften inhouden, is het bepaalde in de artikelen 136
en 139 van overeenkomstige toepassing.
§ 6. Termijnen
Artikel 141
Op termijnen gesteld in een provinciale verordening zijn de artikelen
1 tot en met 4 van de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige
toepassing, tenzij in de verordening anders is bepaald.
Artikel 142 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van provinciale staten
Artikel 143
1.Provinciale verordeningen worden door provinciale staten
vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door
provinciale staten krachtens de wet aan gedeputeerde staten of de
commissaris van de Koning is toegekend. Provinciale staten stellen
geen verordening vast waarin algemeen verbindende voorschriften zijn
opgenomen dan nadat zij gedeputeerde staten in de gelegenheid hebben
gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van provinciale staten te
brengen.
2.De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 105, eerste lid,
berusten bij provinciale staten.
3.De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 105, tweede lid,
berusten bij gedeputeerde staten, voor zover deze niet bij of
krachtens de wet aan provinciale staten of de commissaris van de
Koning zijn toegekend.
Artikel 143a
1.Een lid van provinciale staten kan een voorstel voor een
verordening of een ander voorstel ter behandeling in provinciale
staten indienen
2.Provinciale staten regelen op welke wijze een voorstel voor een
verordening wordt ingediend en behandeld.
3.Provinciale staten regelen op welke wijze en onder welke
voorwaarden een ander voorstel wordt ingediend en behandeld.
Artikel 143b
1.Een lid van provinciale staten kan een voorstel tot wijziging van
een voor de vergadering van provinciale staten geagendeerde
ontwerp-verordening of ontwerp-beslissing indienen.
2.Het tweede lid van artikel 143a is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 144 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 145
Provinciale staten maken de verordeningen die zij in het belang van
de provincie nodig oordelen.
Artikel 146
1.Provinciale staten kunnen in hun verordeningen medewerking tot de
uitvoering daarvan vorderen van de gemeentebesturen of, voor zover het
de waterstaat betreft, van de besturen van waterschappen.
2.De kosten, verbonden aan de in het eerste lid bedoelde
medewerking, worden voor zover zij ten laste van de betrokken
gemeenten of waterschappen blijven, door de provincie aan hen vergoed.
Artikel 147
1.Provinciale staten stellen een verordening vast waarin regels
worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en
belanghebbenden bij de voorbereiding van provinciaal beleid worden
betrokken.
2.De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend door
toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht,
voorzover in de verordening niet anders is bepaald.
Artikel 148 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 149 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 150
1.Provinciale staten kunnen op overtreding van hun verordeningen en
van die van organen waaraan ingevolge artikel 152 verordenende
bevoegdheid is gedelegeerd, straf stellen maar geen andere of
zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van
de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de
rechterlijke uitspraak.
2.De in het eerste lid bedoelde strafbare feiten zijn
overtredingen.
Artikel 151
1.Een lid van provinciale staten kan gedeputeerde staten of de
commissaris van de Koning mondeling of schriftelijk vragen stellen.
2.Een lid van provinciale staten kan provinciale staten verlof
vragen tot het houden van een interpellatie over een onderwerp dat
niet staat vermeld op de agenda, bedoeld in artikel 19, tweede lid, om
gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning hierover
inlichtingen te vragen. Provinciale staten stellen hierover nadere
regels.
Artikel 151a
1.Provinciale staten kunnen op voorstel van een of meer van hun
leden een onderzoek instellen naar het door gedeputeerde staten of de
commissaris van de Koning gevoerde bestuur.
2.Het besluit tot het instellen van een onderzoek omvat een
omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting.
Deze omschrijving kan hangende het onderzoek door provinciale staten
worden gewijzigd.
3.Het onderzoek wordt uitgevoerd door een door provinciale staten
in te stellen onderzoekscommissie. De commissie heeft ten minste drie
leden en bestaat uitsluitend uit leden van provinciale staten.
4.De artikelen 22, 80, derde lid, en 91, eerste lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op een onderzoekscommissie.
5.De onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende bevoegdheden
uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig
zijn.
6.De bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie
worden niet geschorst door het aftreden van provinciale staten.
7.Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling
van een onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de
omschrijving van het onderwerp van onderzoek zijn de artikelen 136,
tweede lid, 137 en 138 van overeenkomstige toepassing.
8.Alvorens provinciale staten besluiten tot een onderzoek, stellen
zij bij verordening nadere regels met betrekking tot deze onderzoeken.
In elk geval worden daarin regels opgenomen over de wijze waarop
ambtelijke bijstand wordt verleend aan de commissie.
Artikel 151b
1.Leden en gewezen leden van provinciale staten, de commissaris van
de Koning en gewezen commissarissen van de Koning, gedeputeerden en
gewezen gedeputeerden, leden en gewezen leden van de door de
provinciale staten ingestelde rekenkamer, leden en gewezen leden van
een door provinciale staten of gedeputeerde staten ingestelde
commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het
provinciebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn verplicht
te voldoen aan een vordering van de onderzoekscommissie tot het
verschaffen van inzage in, het nemen van afschrift van of het
anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden waarover zij
beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de
onderzoekscommissie inzage, afschrift of kennisneming anderszins voor
het doen van een onderzoek als bedoeld in artikel 151a nodig is.
2.Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking
heeft op bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de
Europese Unie of van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door
de onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of van de Staat
kan schaden, wordt niet dan met toestemming van Onze Minister aan de
vordering voldaan.
3.Ambtenaren, door of vanwege het provinciebestuur aangesteld of
daaraan ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek als bedoeld
in artikel 151a alle door de onderzoekscommissie gevorderde
medewerking te verlenen.
Artikel 151c
1.Personen als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, zijn verplicht
te voldoen aan een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of
deskundige te worden gehoord.
2.Een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt
gehoord, is niet tevens lid van de onderzoekscommissie.
3.De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen.
4.De deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar
beste weten als zodanig te verlenen
5.De onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend
worden verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Zij leggen dan
in de vergadering van de onderzoekscommissie, in handen van de
voorzitter, de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets
dan de waarheid zullen zeggen
6.De getuigen en deskundigen worden in een openbare zitting van de
onderzoekscommissie gehoord. Plaats en tijd van de openbare zitting
worden door de voorzitter tijdig ter openbare kennis gebracht.
7.De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een
verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. De
leden en plaatsvervangende leden van de commissie bewaren
geheimhouding over hetgeen hun tijdens een besloten zitting ter kennis
komt.
8.Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten
bijstaan. Om gewichtige redenen kan de commissie besluiten, dat een
getuige zonder bijstand wordt gehoord.
9.Verklaringen die zijn afgelegd voor de onderzoekscommissie
kunnen, behalve in het geval van artikel 207, eerste lid, van het
Wetboek van Strafrecht, niet als bewijs in rechte gelden.
Artikel 151d
1.Getuigen en deskundigen worden schriftelijk opgeroepen. De brief,
houdende de oproep, wordt aangetekend verzonden of tegen gedagtekend
ontvangstbewijs uitgereikt.
2.De onderzoekscommissie kan bevelen dat getuigen en deskundigen
die, hoewel opgeroepen in overeenstemming met het eerste lid, niet
zijn verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om
aan hun verplichting te voldoen. De onderzoekscommissie stelt de
getuige of deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de wijze,
bedoeld in het eerste lid. In de beschikking wordt een termijn gesteld
waarbinnen de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door
alsnog aan zijn verplichting te voldoen.
3.Op een beschikking als bedoeld in het eerste en het tweede lid is
artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 151e
1.Niemand kan genoodzaakt worden aan de onderzoekscommissie
geheimen te openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou
worden toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep,
dan wel aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij
hij werkzaam is of is geweest.
2.Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot
geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te
leggen, doch uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de
wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage,
afschrift of kennisneming anderszins weigeren van bescheiden of
gedeelten daarvan tot welke hun plicht tot geheimhouding zich
uitstrekt.
3.De commissaris van de Koning en gewezen commissarissen van de
Koning, gedeputeerden en gewezen gedeputeerden, leden en gewezen leden
van een door gedeputeerde staten ingestelde commissie, ambtenaren en
gewezen ambtenaren, door of vanwege gedeputeerde staten aangesteld of
daaraan ondergeschikt, zijn niet verplicht aan artikel 151b, eerste en
derde lid, en artikel 151c, derde lid, te voldoen, indien het
verstrekken van de inlichtingen in strijd is met het openbaar belang.
4.De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep als bedoeld
in het derde lid op strijd met het openbaar belang wordt bevestigd
door gedeputeerde staten, of, voor zover de inlichtingen betrekking
hebben op het door de commissaris van de Koning gevoerde bestuur, door
de commissaris.
Artikel 151f
Gedeputeerde staten nemen de door provinciale staten geraamde kosten
voor een onderzoek in een bepaald jaar op in de ontwerp-begroting.
Artikel 152
1.Provinciale staten kunnen aan gedeputeerde staten en aan een door
hen ingestelde bestuurscommissie bevoegdheden overdragen, tenzij de
aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet
2.Provinciale staten kunnen in ieder geval niet overdragen de
bevoegdheid tot:
a. de instelling van een onderzoek als bedoeld in artikel 151a,
eerste lid;
b. de vaststelling of wijziging van de begroting, bedoeld in
artikel 193;
c. de vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 202;
d. het stellen van straf op overtreding van de provinciale
verordeningen;
e. de vaststelling van de verordeningen, bedoeld in de
artikelen 216, eerste lid, 217, eerste lid en 217a, eerste lid;
f. de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in
artikel 217, tweede lid;
g. de heffing van andere belastingen dan de rechten, bedoeld in
artikel 223, eerste lid, en de rechten waarvan de heffing
krachtens andere wetten dan deze wet geschiedt.
3.De bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen, door
strafbepaling of bestuursdwang te handhaven, kunnen provinciale staten
slechts overdragen voor zover het betreft de vaststelling van nadere
regels met betrekking tot bepaalde door hen in hun verordeningen
aangewezen onderwerpen.
4.De artikelen 136, tweede lid, 137 en 138 zijn van overeenkomstige
toepassing op een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste
lid.
Artikel 153
1.De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van
provinciale staten, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop zijn
ten aanzien van de ingevolge artikel 152 overgedragen bevoegdheden van
overeenkomstige toepassing.
2.Onder de in het eerste lid bedoelde voorschriften zijn niet
begrepen die betreffende vergaderingen.
Artikel 154 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 155
Verordeningen, geheel of in hoofdzaak de waterstaat betreffende,
worden gezonden aan Onze Minister wie het aangaat.
Artikel 156
1.Provinciale staten kunnen de naam van de provincie wijzigen.
2.Het besluit van provinciale staten wordt ter kennis gebracht van
Onze Minister.
3.Het besluit vermeldt de datum van ingang, die is gelegen ten
minste een jaar na de datum van het besluit.
Artikel 157 [Vervallen per 12-03-2003]
Hoofdstuk X. De bevoegdheid van gedeputeerde staten
Artikel 158
1.Gedeputeerde staten zijn in ieder geval bevoegd:
a. het dagelijks bestuur van de provincie te voeren, voor zover
niet bij of krachtens de wet provinciale staten of de commissaris
van de Koning hiermee zijn belast;
b. beslissingen van provinciale staten voor te bereiden en uit
te voeren, tenzij bij of krachtens de wet de commissaris hiermee
is belast;
c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de
provincie, met uitzondering van de organisatie van de griffie;
d. ambtenaren, niet zijnde de griffier en de op de griffie
werkzame ambtenaren, te benoemen, te schorsen en te ontslaan;
e. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de provincie te
besluiten;
f. te besluiten namens de provincie, provinciale staten of
gedeputeerde staten rechtsgedingen, bezwaarprocedures of
administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter
voorbereiding daarop te verrichten, tenzij provinciale staten,
voor zover het provinciale staten aangaat, in voorkomende gevallen
anders beslissen.
g. toezicht te houden op waterstaatswerken, voor zover niet bij
de wet het toezicht aan anderen is opgedragen of de
waterstaatswerken in beheer zijn bij het Rijk;
h. ten aanzien van de voorbereiding van de civiele verdediging.
2.Gedeputeerde staten besluiten slechts tot de oprichting van en de
deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen,
verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen,
indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de
behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Het besluit
wordt niet genomen dan nadat provinciale staten een ontwerp-besluit is
toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en
bedenkingen ter kennis van gedeputeerde staten te brengen.
3.Een besluit als bedoeld in het tweede lid behoeft de goedkeuring
van Onze Minister. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens
strijd met het recht of het algemeen belang.
4.Gedeputeerde staten nemen, ook alvorens is besloten tot het
voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doen
wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of
bezit.
Artikel 159 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 160 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 161 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 162 [Vervallen per 12-03-2003]
Artikel 163
1.Gedeputeerde staten kunnen aan een door hen ingestelde
bestuurscommissie bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de
bevoegdheid zich daartegen verzet.
2.De artikelen 136, tweede lid, 137 en 138 zijn van overeenkomstige
toepassing op een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste
lid.
3.Gedeputeerde staten nemen geen besluit op grond van het eerste
lid dan nadat provinciale staten een ontwerpbesluit is toegezonden en
in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis
van gedeputeerde staten te brengen.
Artikel 164 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 165
1.De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van
gedeputeerde staten, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop,
zijn ten aanzien van de ingevolge artikel 163 toegekende bevoegdheden
van overeenkomstige toepassing.
2.Onder de in het eerste lid bedoelde voorschriften zijn niet
begrepen die betreffende vergaderingen.
Artikel 166
1.Gedeputeerde staten kunnen een of meer van hun leden machtigen
tot uitoefening van een of meer van hun bevoegdheden, tenzij de
regeling waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet.
2.Een krachtens machtiging uitgeoefende bevoegdheid wordt uit naam
en onder verantwoordelijkheid van gedeputeerde staten uitgeoefend.
3.Gedeputeerde staten kunnen te dien aanzien alle aanwijzingen
geven die zij nodig achten.
Artikel 167
1.Gedeputeerde staten en elk van hun leden afzonderlijk zijn aan
provinciale staten verantwoording schuldig over het door hen gevoerde
bestuur.
2.Zij geven provinciale staten alle inlichtingen die provinciale
staten voor de uitoefening van hun taak nodig hebben.
3.Zij geven provinciale staten mondeling of schriftelijk de door
een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan
in strijd is met het openbaar belang.
4.Zij geven provinciale staten vooraf inlichtingen over de
uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 158, eerste lid,
onder e, f en h, indien provinciale staten daarom verzoeken of indien
de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de provincie. In
het laatste geval nemen gedeputeerde staten geen besluit dan nadat
provinciale staten hun wensen en bedenkingen terzake ter kennis van
gedeputeerde staten hebben kunnen brengen.
5.Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 158,
eerste lid, onder f, geen uitstel kan lijden, geven zij in afwijking
van het vierde lid provinciale staten zo spoedig mogelijk inlichtingen
over de uitoefening van deze bevoegdheid en het terzake genomen
besluit.
Artikel 168
Een door provinciale staten te maken verordening regelt de
behandeling door gedeputeerde staten van administratieve geschillen, aan
hun beslissing onderworpen.
Artikel 169
1.In aanvulling op artikel 7:22 van de Algemene wet bestuursrecht
gelden de volgende bepalingen met betrekking tot getuigen en
deskundigen die worden gehoord tijdens de behandeling van de
geschillen, bedoeld in artikel 168.
2.Getuigen en deskundigen kunnen al dan niet op verzoek van
belanghebbenden door gedeputeerde staten worden opgeroepen.
3.De opgeroepenen zijn verplicht aan de oproeping gevolg te geven.
De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, de deskundigen hun
diensten als zodanig te verlenen, een en ander behoudens verschoning
wegens ambts- of beroepsgeheim. De getuigen leggen de eed of de
belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen
spreken, de deskundigen dat zij verslag zullen doen naar hun geweten.
4.Gedeputeerde staten kunnen bevelen dat getuigen of deskundigen
die, hoewel wettelijk opgeroepen, niet zijn verschenen, door de
openbare macht voor hen worden gebracht om aan hun verplichtingen te
voldoen.
5.Getuigen en deskundigen, door gedeputeerde staten opgeroepen,
ontvangen desverlangd uit de provinciale kas een door provinciale
staten te regelen vergoeding voor reis- en verblijfkosten en
tijdsverzuim.
Artikel 170
Artikel 169 is eveneens van toepassing in die gevallen waarvoor het
provinciebestuur een behandeling op de voet van de verordening, bedoeld
in artikel 168 heeft voorgeschreven.
Artikel 171
1.Voor de behandeling van de zaken, bedoeld in de artikelen 168 en
170, vormen gedeputeerde staten uit hun college een of meer kamers.
2.Elke kamer telt ten minste drie leden, waartoe ook de commissaris
van de Koning als voorzitter behoren kan.
3.Gedeputeerde staten regelen samenstelling en werkzaamheden der
kamers.
4.De voorzitter van een kamer kan de behandeling van eenvoudige
zaken aan een enkelvoudige kamer, bestaande uit één door hem uit de
kamer aan te wijzen lid, opdragen. Dit lid is te allen tijde bevoegd,
indien naar zijn oordeel de zaak niet van eenvoudige aard is, deze
naar de bevoegde kamer terug te wijzen.
5.Op de behandeling door deze kamers is het bij of krachtens de
artikelen 168 en 169 bepaalde van overeenkomstige toepassing.
6.De uitspraken van de meervoudige kamers onderscheidenlijk de
enkelvoudige kamers worden getekend door haar voorzitter
onderscheidenlijk het lid van de kamer en mede ondertekend door degene
die als haar griffier optreedt. De uitspraken gelden als uitspraken
van gedeputeerde staten.
Artikel 172
1.De voorzitter van een kamer als bedoeld in artikel 171, tweede
lid, en het lid van een enkelvoudige kamer kunnen, zonder toepassing
van de artikelen 7:16 en 7:18 tot en met 7:22 van de Algemene wet
bestuursrecht, uitspraak doen, indien het verzoek om voorziening
kennelijk niet-ontvankelijk is, dan wel indien de verdere behandeling
van de zaak hen niet nodig voorkomt, omdat:
a. het verzoek kennelijk ongegrond is;
b. het aangevallen besluit kennelijk niet in stand kan blijven;
c. het aangevallen besluit door het bevoegde overheidsorgaan is
ingetrokken of gewijzigd, en dit orgaan kennelijk aan de bezwaren
van de verzoeker is tegemoet gekomen.
2.Het voornemen om in een zaak op de in het eerste lid bedoelde
wijze uitspraak te doen, wordt door de voorzitter van een kamer als
bedoeld in artikel 171, onderscheidenlijk het lid van een enkelvoudige
kamer bekendgemaakt aan de belanghebbenden. De bekendmaking bevat een
kennisgeving van hetgeen in het derde lid is bepaald.
3.Tegen de voorgenomen wijze van afdoening kan de belanghebbende
binnen veertien dagen na de bekendmaking van het voornemen
schriftelijk verzet doen bij gedeputeerde staten indien het een
voornemen betreft van de voorzitter van een kamer als bedoeld in
artikel 171, of, indien het een voornemen betreft van het lid van een
enkelvoudige kamer, bij de kamer uit welke dat lid is aangewezen.
4.Alvorens een uitspraak te doen op het verzet, stellen
gedeputeerde staten onderscheidenlijk de kamer uit welke het lid van
een enkelvoudige kamer is aangewezen, de indiener van het
verzetschrift die daarom vroeg in de gelegenheid in een openbare
vergadering te worden gehoord en de stukken die op zijn zaak
betrekking hebben in te zien, tenzij zij van oordeel zijn dat het
verzet gegrond is.
5.Al hetgeen verder de indiening en de behandeling van, alsmede de
uitspraak op het verzetschrift betreft wordt door provinciale staten
nader geregeld in de verordening, bedoeld in artikel 168.
Artikel 173
Indien een besluit van de raad of van burgemeester en wethouders van
een gemeente in hun provincie naar het oordeel van gedeputeerde staten
voor vernietiging in aanmerking komt, doen zij daarvan mededeling aan
Onze Minister wie het aangaat.
Artikel 174
Gedeputeerde staten trachten alle geschillen tussen in hun provincie
gevestigde gemeenten, waterschappen en lichamen, ingesteld bij
gemeenschappelijke regeling, in der minne te doen bijleggen.
Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de commissaris van de Koning
Artikel 175
1.De commissaris ziet toe op:
a. een tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van
het provinciaal beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten,
alsmede op een goede afstemming tussen degenen die bij de
voorbereiding, vaststelling en uitvoering zijn betrokken;
b. een goede samenwerking van de provincie met andere
provincies en andere overheden;
c. de kwaliteit van procedures op het vlak van
burgerparticipatie;
d. een zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften;
e. een zorgvuldige behandeling van klachten door het
provinciebestuur.
2.De commissaris brengt tegelijk met de in artikel 201 bedoelde
stukken een burgerjaarverslag uit, waarin hij in ieder geval
rapporteert over:
a. de kwaliteit van de provinciale dienstverlening;
b. zijn bevindingen over het eerste lid, onder c.
3.De commissaris bevordert overigens een goede behartiging van de
provinciale aangelegenheden.
Artikel 176
1.De commissaris vertegenwoordigt de provincie in en buiten rechte.
2.De commissaris kan de in het eerste lid bedoelde
vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.
Artikel 177 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 178 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 179
1.De commissaris is aan provinciale staten verantwoording schuldig
over het door hem gevoerde bestuur.
2.Hij geeft provinciale staten alle inlichtingen die zij nodig
hebben voor de uitoefening van hun taak.
3.Hij geeft provinciale staten mondeling of schriftelijk de door
een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan
in strijd is met het openbaar belang.
Artikel 180
De artikelen 168 tot en met 170 zijn van overeenkomstige toepassing
op de behandeling door de commissaris van administratieve geschillen,
aan zijn beslissing onderworpen.
Artikel 181
Indien een besluit van de burgemeester van een gemeente in zijn
provincie naar het oordeel van de commissaris voor vernietiging in
aanmerking komt, doet hij daarvan mededeling aan Onze Minister wie het
aangaat.
Artikel 182
1. De commissaris is, volgens regels te stellen bij een door de
regering gegeven ambtsinstructie, belast met:
a. het bevorderen van de samenwerking tussen de in de provincie
werkzame rijksambtenaren onderling en met het provinciebestuur, de
gemeentebesturen en de waterschapsbesturen;
b. het regelmatig bezoeken van de gemeenten in de provincie;
c. het uitbrengen van adviezen aan de regering of aan Onze
Ministers over andere onderwerpen dan die bedoeld in artikel 116;
d. de coördinatie van de voorbereiding van de civiele
verdediging door de in de provincie werkzame rijksambtenaren, het
provinciebestuur, de gemeentebesturen en de waterschapsbesturen;
e. de bewaring en registratie van aan hem gerichte stukken,
verband houdende met zijn ambtsinstructie.
2. Bij de wet kan de commissaris, volgens regels te stellen bij de
in het eerste lid bedoelde ambtsinstructie, worden belast met andere
dan de in dat lid genoemde taken.
3. De ambtsinstructie wordt vastgesteld bij algemene maatregel van
bestuur. De voordracht wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
4. Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van
bestuur treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
5. De artikelen 79 en 179 zijn niet van toepassing op de uitvoering
van de ambtsinstructie.
Hoofdstuk XIA. De bevoegdheid van de rekenkamer
Artikel 183
1.De rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, de doeltreffendheid en
de rechtmatigheid van het door het provinciebestuur gevoerde bestuur.
Een door de rekenkamer ingesteld onderzoek naar de rechtmatigheid van
het door het provinciebestuur gevoerde bestuur bevat geen controle van
de jaarrekening als bedoeld in artikel 217, tweede lid.
2.Op verzoek van provinciale staten kan de rekenkamer een onderzoek
instellen
Artikel 184
1.De rekenkamer is bevoegd alle documenten die berusten bij het
provinciebestuur te onderzoeken voor zover zij dat ter vervulling van
haar taak nodig acht.
2.Het provinciebestuur verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die
de rekenkamer ter vervulling van haar taak nodig acht.
3.Indien de zorg voor de administratie aan een derde is uitbesteed,
is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de administratie
van de betrokken derde dan wel van degene die de administratie in
opdracht van de derde voert.
Artikel 185
1.De rekenkamer heeft de in de volgende leden vermelde bevoegdheden
ten aanzien van de volgende instellingen en over de volgende periode:
openbare lichamen en gemeenschappelijke organen ingesteld
krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan de
provincie deelneemt, over de jaren dat de provincie deelneemt in
de regeling;
naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met
beperkte aansprakelijkheid waarvan de provincie meer dan vijftig
procent van het geplaatste aandelenkapitaal houdt, over de jaren
dat de provincie meer dan vijftig procent van het geplaatste
aandelenkapitaal houdt;
andere privaatrechtelijke rechtspersonen waaraan de provincie
of een derde voor rekening en risico van de provincie rechtstreeks
of middellijk een subsidie, lening of garantie heeft verstrekt ten
bedrage van ten minste vijftig procent van de baten van deze
instelling, over de jaren waarop deze subsidie, lening of garantie
betrekking heeft.
2.De rekenkamer is bevoegd bij de betrokken instelling nadere
inlichtingen in te winnen over de jaarrekeningen, daarop betrekking
hebbende rapporten van hen die deze jaarrekeningen hebben
gecontroleerd en overige documenten met betrekking tot die instelling
die bij het provinciebestuur berusten. Indien een of meer documenten
ontbreken, kan de rekenkamer van de betrokken instelling de
overlegging daarvan vorderen.
3.Indien de documenten, bedoeld in het tweede lid, daartoe
aanleiding geven, kan de rekenkamer bij de betrokken instelling dan
wel bij de derde die de administratie in opdracht van de instelling
voert, een onderzoek instellen. De rekenkamer stelt provinciale staten
en gedeputeerde staten van haar voornemen een dergelijk onderzoek in
te stellen in kennis.
Artikel 185a
De rekenkamer is belast met het toezicht op de naleving van artikel
217, achtste lid.
Artikel 186
1.De rekenkamer legt haar bevindingen en haar oordeel vast in
rapporten, met dien verstande dat hierin niet worden opgenomen
gegevens en bevindingen die naar hun aard vertrouwelijk zijn.
2.De rekenkamer deelt aan provinciale staten, aan gedeputeerde
staten, en, indien van toepassing, aan de betrokken instelling, de
opmerkingen en bedenkingen mee die zij naar aanleiding van haar
bevindingen van belang acht. Aan provinciale staten of gedeputeerde
staten kan zij ter zake voorstellen doen.
3.De rekenkamer stelt elk jaar voor 1 april een verslag op van haar
werkzaamheden over het voorgaande jaar.
4.De rekenkamer zendt een afschrift van haar rapporten en haar
verslag aan provinciale staten en gedeputeerde staten. Indien zij met
toepassing van artikel 185 een onderzoek heeft ingesteld, zendt de
rekenkamer tevens een afschrift van het rapport aan de betrokken
instelling.
5.De rapporten en de verslagen van de rekenkamer zijn openbaar.
Titel IV. De financiėn van de provincie
Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen
Artikel 187 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 188 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 189 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 190
1.De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de
jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels.
2.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het eerste lid, worden tevens regels gesteld ten aanzien van:
a. door gedeputeerde staten vast te stellen documenten ten
behoeve van de uitvoering van de begroting en de jaarrekening;
b. door gedeputeerde staten aan derden te verstrekken
informatie op basis van de begroting en de jaarrekening en de
controle van deze informatie.
3.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het eerste lid, kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van
het periodiek verstrekken van informatie voor derden. In
overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken kan worden
bepaald dat de informatie voor derden wordt gezonden aan het Centraal
Bureau voor de Statistiek.
4.De informatie voor derden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel
b, wordt gezonden aan Onze Minister binnen de termijnen, bedoeld in de
artikelen 195, tweede lid, en 204. Artikel 17a, vierde lid, van de
Financiėle-verhoudingswet is van overeenkomstige toepassing.
5.Indien Onze Minister vaststelt dat de informatie, bedoeld in het
tweede lid, onder b, of de informatie, bedoeld in het derde lid, voor
zover die verstrekt moet worden aan Onze Minister, niet of niet tijdig
wordt verstrekt, dan wel de kwaliteit van die informatie tekort
schiet, doet hij daarvan mededeling aan gedeputeerde staten.
6.Gedeputeerde staten kunnen tot twee weken voor het verstrijken
van de termijnen, bedoeld in het vierde lid, schriftelijk en met
redenen omkleed, aan Onze Minister verzoeken om uitstel voor de
toezending van de informatie, tot uiterlijk een in dat verzoek te
noemen datum. Onze Minister beslist binnen twee weken op dat verzoek.
7.Indien de informatie, bedoeld in het tweede lid, onder b, of de
informatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die verstrekt moet
worden aan Onze Minister, niet of niet tijdig wordt verstrekt, dan wel
de kwaliteit van die informatie tekort schiet, geeft Onze Minister een
aanwijzing aan gedeputeerde staten om binnen een maand alsnog
informatie van voldoende kwaliteit te leveren.
8.Indien gedeputeerde staten nalaten de aanwijzing, bedoeld in het
zevende lid, op te volgen, kunnen Onze Ministers van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiėn besluiten de betalingen
op grond van artikel 15, eerste lid, van de Financiėle-verhoudingswet
aan de betreffende provincie geheel of gedeeltelijk op te schorten
gedurende ten hoogste zesentwintig weken. Artikel 17b, vierde, vijfde
en zesde lid, van de Financiėle-verhoudingswet is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 191
Aan de provincies kunnen slechts bij of krachtens de wet uitgaven
worden opgelegd.
Artikel 192 [Vervallen per 12-03-2003]
Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
§ 1. De begroting
Artikel 193
1.Voor alle taken en activiteiten brengen provinciale staten
jaarlijks op de begroting de bedragen die zij daarvoor beschikbaar
stellen, alsmede de financiėle middelen die zij naar verwachting
kunnen aanwenden.
2.Provinciale staten zien erop toe dat de begroting in evenwicht
is. Hiervan kunnen zij afwijken indien aannemelijk is dat het
evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal
worden gebracht.
3.Behoudens het bepaalde in de artikelen 212 en 213 kunnen ten
laste van de provincie slechts lasten en daarmee overeenstemmende
balansmutaties worden genomen tot de bedragen die hiervoor op de
begroting zijn gebracht.
4.Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.
Artikel 194
1.Gedeputeerde staten bieden jaarlijks, tijdig voor de in artikel
195, eerste lid, bedoelde vaststelling, provinciale staten een ontwerp
aan voor de begroting met toelichting van de provincie en een
meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het
begrotingsjaar volgende jaren.
2.De ontwerp-begroting en de overige in het eerste lid bedoelde
stukken liggen, zodra zij aan provinciale staten zijn aangeboden, voor
een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de
terinzagelegging en verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis
gegeven.
3.Provinciale staten beraadslagen over de ontwerp-begroting niet
eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.
Artikel 195
1.Provinciale staten stellen de begroting vast in het jaar
voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.
2.Gedeputeerde staten zenden de door provinciale staten
vastgestelde begroting vergezeld van de in artikel 194, eerste lid,
bedoelde stukken binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
geval vóór 15 november van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de
begroting dient, aan Onze Minister.
Artikel 196
1.Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het
eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.
2.De artikelen 194, tweede lid, 195, tweede lid, alsmede, behoudens
in gevallen van dringende spoed, artikel 194, derde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 197
Verplichte uitgaven van de provincie zijn:
a. de renten en aflossingen van de door de provincie aangegane
geldleningen en alle overige opeisbare schulden;
b. de uitgaven die bij of krachtens de wet aan de provincie zijn
opgelegd;
c. de uitgaven die voortvloeien uit de van het provinciale
bestuur gevorderde medewerking tot uitvoering van wetten en algemene
maatregelen van bestuur, voor zover die uitgaven niet ten laste van
anderen zijn gebracht.
Artikel 198
1.Indien provinciale staten weigeren verplichte uitgaven op de
begroting te brengen, doet Onze Minister dit.
2.Indien provinciale staten bovendien weigeren in voldoende dekking
van in het eerste lid bedoelde uitgaven te voorzien, vermindert Onze
Minister daartoe hetzij het bedrag voor onvoorziene uitgaven, hetzij
indien dit bedrag niet toereikend is, overige niet-verplichte
uitgaven.
Artikel 199
Onze Minister draagt zo nodig aan de bevoegde provinciale ambtenaar
de betaling op ten laste van de provincie van hetgeen als verplichte
uitgaaf op de begroting is gebracht.
Artikel 200 [Vervallen per 01-08-1996]
§ 2. De jaarrekening
Artikel 201
1.Gedeputeerde staten leggen aan provinciale staten over elk
begrotingsjaar verantwoording af over het door hen gevoerde bestuur,
onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag.
2.Gedeputeerde staten voegen daarbij de verslagen, bedoeld in
artikel 217a, tweede lid.
3.Provinciale staten leggen de in het eerste en tweede lid, alsmede
de in artikel 217, derde en vierde lid, bedoelde stukken, wanneer de
bespreking daarvan geagendeerd is op de in artikel 19, tweede lid
bedoelde wijze, voor een ieder ter inzage en stellen ze algemeen
verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt
openbaar kennis gegeven. Provinciale staten beraadslagen over de
jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de
openbare kennisgeving.
Artikel 202
1.Provinciale staten stellen de jaarrekening en het jaarverslag
vast in het jaar volgend op het begrotingsjaar. De jaarrekening
betreft alle baten en lasten van de provincie.
2.Indien provinciale staten tot het standpunt komen dat de in de
jaarrekening opgenomen baten, lasten of balansmutaties, die niet
rechtmatig tot stand zijn gekomen, aan de vaststelling van de
jaarrekening in de weg staan, brengen zij dit terstond ter kennis van
gedeputeerde staten met vermelding van de gerezen bedenkingen.
3.Gedeputeerde staten zenden provinciale staten binnen twee maanden
na ontvangst van het standpunt, bedoeld in het tweede lid, een
voorstel voor een indemniteitsbesluit, vergezeld van een reactie op de
bij provinciale staten gerezen bedenkingen.
4.Indien gedeputeerde staten een voorstel voor een
indemniteitsbesluit hebben gedaan, stellen provinciale staten de
jaarrekening niet vast dan nadat zij hebben besloten over het
voorstel.
Artikel 203
Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de
vaststelling van de jaarrekening de leden van gedeputeerde staten ten
aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.
Artikel 204
Gedeputeerde staten zenden de vastgestelde jaarrekening en het
jaarverslag, vergezeld van de overige in artikel 201 bedoelde stukken,
binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli
van het jaar, volgend op het begrotingsjaar, aan Onze Minister.
Gedeputeerde staten voegen daarbij, indien van toepassing, het besluit
van provinciale staten over een voorstel voor een indemniteitsbesluit
met de reactie van gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 202, derde
lid.
Artikel 205
Indien provinciale staten de jaarrekening dan wel een
indemniteitsbesluit niet of niet naar behoren vaststellen, zenden
gedeputeerde staten de jaarrekening, vergezeld van de overige in artikel
201 bedoelde stukken, respectievelijk het indemniteitsbesluit ter
vaststelling aan Onze Minister.
Artikel 206 [Vervallen per 12-03-2003]
§ 3. Goedkeuring van de begroting
Artikel 207
1.De begroting, bedoeld in artikel 193, van het eerstvolgende
begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking hebbende
begrotingswijzigingen behoeven de goedkeuring van Onze Minister,
indien naar zijn oordeel de begroting, bedoeld in artikel 193, niet in
evenwicht is en blijkens de meerjarenraming, bedoeld in artikel 194,
niet aannemelijk is dat in de eerstvolgende jaren een evenwicht tot
stand zal worden gebracht. Onze Minister doet hiervan vóór de
aanvang van het begrotingsjaar mededeling aan het provinciebestuur.
2.Onze Minister kan bepalen dat de begroting, bedoeld in artikel
193, van het eerstvolgende begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking
hebbende begrotingswijzigingen zijn goedkeuring behoeven, indien:
a. de jaarrekening van het tweede aan het begrotingsjaar
voorafgaande jaar niet in evenwicht is, of
b. de begroting, bedoeld in artikel 193, niet tijdig is
ingezonden aan Onze Minister overeenkomstig het bepaalde in
artikel 195, of
c. de jaarrekening, bedoeld in artikel 202, eerste lid, van het
tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar niet tijdig is
ingezonden aan Onze Minister overeenkomstig het bepaalde in
artikel 204, eerste lid.
3.Onze Minister maakt een besluit als bedoeld in het tweede lid
voor de aanvang van het begrotingsjaar aan het provinciebestuur
bekend.
4.De begroting behoeft geen goedkeuring indien Onze Minister geen
mededeling doet als bedoeld in het eerste lid of geen besluit
bekendmaakt als bedoeld in het tweede lid binnen de in het eerste
respectievelijk derde lid genoemde termijn.
Artikel 208 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 209
Onze Minister maakt bij de aanvang van het desbetreffende
begrotingsjaar door publicatie in de Staatscourant bekend van welke
provincies de begrotingen en begrotingswijzigingen zijn goedkeuring
behoeven.
Artikel 210
De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het
recht of met het algemene financiėle belang.
Artikel 211
1.Indien op de dag waarop een besluit tot wijziging van de
begroting aan Onze Minister wordt aangeboden, de begroting nog niet is
goedgekeurd, vangt de in artikel 10:31, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht bedoelde termijn aan op de dag van de goedkeuring
van de begroting.
2.Onze Minister kan bij zijn besluit omtrent goedkeuring van de
begroting ten aanzien van door hem aan te geven soorten van
wijzigingen daarvan bepalen dat die zijn goedkeuring niet behoeven.
Artikel 212
1.Indien de begroting of een besluit tot wijziging daarvan niet is
goedgekeurd, behoeft het provinciebestuur tot het aangaan van
verplichtingen de toestemming van Onze Minister.
2.Een aanvraag van het provinciebestuur om toepassing van het
eerste lid kan door Onze Minister slechts worden afgewezen wegens
strijd met het recht of met het algemene financiėle belang.
3.Onze Minister beslist op de aanvraag binnen twee maanden na de
verzending van de aanvraag, bedoeld in het tweede lid. De toestemming
wordt geacht te zijn verleend indien binnen deze termijn geen besluit
aan het provinciale bestuur is verzonden.
4.Onze Minister kan aan de toestemming voorschriften verbinden.
5.Onze Minister kan bepalen voor welke posten en tot welk bedrag
het provinciebestuur de toestemming, bedoeld in het eerste lid, niet
behoeft.
Artikel 213
1.In gevallen van dringende spoed kan, indien provinciale staten
daartoe besluiten, verplichting worden aangegaan voordat de
desbetreffende begroting of begrotingswijziging is goedgekeurd. Het
besluit wordt terstond toegezonden aan Onze Minister. Is de aangegane
verplichting geraamd bij een begrotingswijziging welke nog niet ter
goedkeuring is ingezonden, dan wordt deze begrotingswijziging te zamen
met het besluit toegezonden.
2.Over het in het eerste lid bedoelde besluit stemmen provinciale
staten bij hoofdelijke oproeping.
Artikel 214
1.Indien provinciale staten artikel 213 hebben toegepast en Onze
Minister zijn goedkeuring aan de desbetreffende begroting of
begrotingswijziging onthoudt, kan hij binnen een maand nadat zijn
besluit onherroepelijk is geworden, de leden van provinciale staten
die hun stem voor het in artikel 213 bedoelde besluit hebben
uitgebracht, ieder voor een gelijk deel, persoonlijk voor deze
verplichting aansprakelijk stellen tegenover de provincie.
2.De werking van de beschikking tot aansprakelijkstelling wordt
opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is
ingesteld, op het beroep is beslist.
3.Onze Minister stelt zo nodig namens en ten laste van de provincie
een rechtsvordering in tot betaling van de krachtens het besluit tot
aansprakelijkstelling verschuldigde gelden.
Artikel 215
Indien de begroting van een provincie ingevolge artikel 207, eerste
of tweede lid, is onderworpen aan goedkeuring, kan Onze Minister bepalen
dat door hem aan te wijzen beslissingen van het provinciebestuur die
financiėle gevolgen voor de provincie hebben of kunnen hebben, door
gedeputeerde staten binnen twee weken aan Onze Minister worden
toegezonden.
Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
Artikel 216
1.Provinciale staten stellen bij verordening de uitgangspunten voor
het financiėle beleid, alsmede voor het financiėle beheer en voor de
inrichting van de financiėle organisatie vast. De verordening
waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en
controle wordt voldaan.
2.De verordening bevat in ieder geval:
a. regels voor waardering en afschrijving van activa;
b. grondslagen voor de berekening van door het provinciebestuur
in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten als
bedoeld in artikel 225;
c. regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren
richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie.
Artikel 217
1.Provinciale staten stellen bij verordening regels vast voor de
controle op het financiėle beheer en op de inrichting van de
financiėle organisatie. Deze verordening waarborgt dat de
rechtmatigheid van het financiėle beheer en van de inrichting van de
financiėle organisatie wordt getoetst.
2.Provinciale staten wijzen een of meer accountants aan als bedoeld
in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
belast met de controle van de in artikel 201 bedoelde jaarrekening en
het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het
uitbrengen van een verslag van bevindingen.
3.De accountantsverklaring geeft op grond van de uitgevoerde
controle aan of:
a. de jaarrekening een getrouw beeld geeft van zowel de baten
en lasten als de grootte en de samenstelling van het vermogen;
b. de baten en lasten, alsmede de balansmutaties rechtmatig tot
stand zijn gekomen;
c. de jaarrekening is opgesteld overeenkomstig de bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels,
bedoeld in artikel 190 en
d. het jaarverslag met de jaarrekening verenigbaar is.
4.Het verslag van bevindingen bevat in ieder geval bevindingen
over:
a. de vraag of de inrichting van het financiėle beheer en van
de financiėle organisatie een getrouwe en rechtmatige
verantwoording mogelijk maken en
b. onrechtmatigheden in de jaarrekening.
5.De accountant zendt de accountantsverklaring en het verslag van
bevindingen aan provinciale staten en een afschrift daarvan aan
gedeputeerde staten.
6.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de reikwijdte van en de verslaglegging
omtrent de accountantscontrole, bedoeld in het tweede lid.
7.Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in provinciale
dienst worden aangesteld en worden in dat geval door provinciale
staten benoemd, geschorst en ontslagen.
8.Indien provinciale staten op grond van het tweede lid accountants
heeft aangewezen die in provinciale dienst zijn aangesteld, is:
a. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 25, 25a en 27 van
de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige
toepassing op deze accountants;
b. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 14, 18, 19, 20 en
21 van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige
toepassing op de provincie; en
c. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 15 en 16 van de
Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige
toepassing op de personen die de dagelijkse leiding hebben over
het onderdeel van de provincie waarbij de in de aanhef bedoelde
accountants werkzaam zijn.
9.Indien een provincie wordt aangewezen als organisatie van
openbaar belang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van
de Wet toezicht accountantsorganisaties, zijn de artikelen 22 tot en
met 24 van die wet van overeenkomstige toepassing op deze provincie.
Artikel 217a
1.Gedeputeerde staten verrichten periodiek onderzoek naar de
doelmatigheid en de doeltreffendheid van het door hen gevoerde
bestuur. Provinciale staten stellen bij verordening regels hierover.
2.Gedeputeerde staten brengen schriftelijk verslag uit aan
provinciale staten van de resultaten van het periodiek onderzoek.
3.Gedeputeerde staten stellen de rekenkamer tijdig op de hoogte van
de onderzoeken die zij doen instellen en zenden haar een afschrift van
een verslag als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 218
Gedeputeerde staten zenden de verordeningen, bedoeld in de artikelen
216, 217 en 217a, binnen twee weken na vaststelling door provinciale
staten aan Onze Minister.
Artikel 219
Onze Minister kan te allen tijde een onderzoek instellen naar het
beheer en de inrichting van de financiėle organisatie, bedoeld in
artikel 216, eerste lid.
Hoofdstuk XV. De provinciale belastingen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 220
Provinciale staten besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen
van een provinciale belasting door het vaststellen van een
belastingverordening.
Artikel 220a
Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen,
de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare
feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de
heffing, het tijdstip van beėindiging van de heffing en hetgeen
overigens voor de heffing en de invordering van belang is.
Artikel 221
1.Behalve de provinciale belastingen waarvan de heffing krachtens
andere wetten dan deze geschiedt, worden geen andere belastingen
geheven dan die bedoeld in de tweede paragraaf van dit hoofdstuk.
2.Behoudens het bepaalde in andere wetten dan deze en in de tweede
paragraaf van dit hoofdstuk kunnen de provinciale belastingen worden
geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven,
met dien verstande dat het bedrag van een provinciale belasting niet
afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het
vermogen.
§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent enkele belastingen
Artikel 222
1. Er kunnen provinciale opcenten op de hoofdsom van de
motorrijtuigenbelasting worden geheven van de in de provincie wonende
of gevestigde houders van personenautos en motorrijwielen, bedoeld
in artikel 2, onderdelen b en d, en artikel 3 van de Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1994 en van degenen op wier naam een kenteken
als bedoeld in artikel 62 van die wet is gesteld.
2. Het aantal opcenten bedraagt voor de belastingtijdvakken die na
31 december 2011 aanvangen ten hoogste 105.
3. Voor de berekening van het aan opcenten verschuldigde bedrag
wordt uitgegaan van het tarief van de Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1994 zoals dat geldt op 1 april 1995, met dien
verstande dat:
a. dit tarief voor motorrijwielen wordt vermenigvuldigd met het
tarief zoals dat luidt op 1 april 2007 gedeeld door het tarief
zoals dat luidde op 31 maart 2007;
b. dit tarief voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 30,
eerste lid, onderdelen b, c en f, en artikel 23a, eerste lid, van
de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, wordt gedeeld door
vier;
c. dit tarief voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 23a,
tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, wordt
gedeeld door twee; en
d. dit tarief voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 23b van
de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, nihil bedraagt;
e. buiten beschouwing blijft de verhoging van de belasting,
bedoeld in artikel 23, tweede lid, van die wet.
4. Vanaf 1 januari 2013 wordt bij het begin van het kalenderjaar
het aantal opcenten, genoemd in het tweede lid, bij ministeriėle
regeling van Onze Minister van Financiėn vervangen door een ander
aantal. Dit aantal wordt berekend door het te vervangen aantal te
vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2
van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, en de uitkomst, indien deze
twee of meer decimalen telt, af te ronden op één decimaal. Indien
het aantal opcenten in het voorafgaande jaar is afgerond, wordt de
tabelcorrectiefactor toegepast op het niet afgeronde bedrag van het
voorgaande jaar.
5. Het aantal opcenten is voor alle motorrijtuigen, bedoeld in het
eerste lid, gelijk.
6. Onze Minister van Financiėn verstrekt de provinciale besturen
jaarlijks vóór 1 september een naar soort, gewichtsklasse en aantal
gespecificeerd overzicht van de motorrijtuigen, bedoeld in het eerste
lid. Het overzicht wordt opgesteld naar de toestand per 1 juli van het
lopende jaar.
Artikel 222a
1. Besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van
provinciale opcenten op de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting
treden in werking met ingang van 1 januari van enig jaar. Een
desbetreffend besluit wordt vóór 1 december van het voorafgaande
jaar in afschrift ter kennis gebracht van Onze Minister van
Financiėn.
2. Een in het eerste lid bedoeld besluit heeft geen gevolgen voor
de opcenten die verschuldigd zijn over een tijdvak dat vóór de datum
van inwerkingtreding van dat besluit is aangevangen.
3. Bij naheffing van belasting worden opcenten berekend volgens het
hoogste aantal dat in enige provincie van toepassing was op de dag
waarop de in de artikelen 33, 34, 35, 36, 69 en 76 van de Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1994 bedoelde feiten zijn geconstateerd.
4. De houders van motorrijtuigen die niet hier te lande wonen of
gevestigd zijn, maar die wel aan de heffing van
motorrijtuigenbelasting zijn onderworpen, worden voor de heffing van
opcenten geacht te wonen of te zijn gevestigd in een provincie die het
hoogste aantal opcenten heft. In bijzondere gevallen kan Onze Minister
van Financiėn in overeenstemming met Onze Minister ook voor andere
houders van motorrijtuigen een provincie aanwijzen waar deze houders
worden geacht te wonen of te zijn gevestigd.
5. De opbrengsten van de opcenten die worden geheven volgens het
derde en vierde lid, worden naar evenredigheid van het aandeel van een
provincie in de totale opbrengst van de ten behoeve van de provincies
geheven opcenten over alle provincies verdeeld.
6. Verandering van woonplaats of van plaats van vestiging van de
houder van een motorrijtuig in de loop van het tijdvak waarover de
motorrijtuigenbelasting verschuldigd is, vormt geen aanleiding tot het
heffen van opcenten over het nog niet verstreken gedeelte van het
tijdvak door een andere provincie of tot het verlenen van teruggaaf
van geheven opcenten.
Artikel 222b [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 222c
Ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de
openbare dienst bestemde grond van de provincie, kan een
precariobelasting worden geheven.
Artikel 223
1.Rechten kunnen worden geheven ter zake van:
a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de
openbare dienst bestemde provinciale bezittingen of van de voor de
openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de
provincie in beheer of in onderhoud zijn;
b. het genot van door of vanwege het provinciebestuur
verstrekte diensten.
2.Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de in het eerste lid
bedoelde rechten aangemerkt als provinciale belastingen.
Artikel 224
De rechten, bedoeld in artikel 223, eerste lid, kunnen worden geheven
door de provincie die het gebruik van de bezittingen, werken of
inrichtingen toestaat of de diensten verleent, ongeacht of het
belastbare feit zich binnen of buiten het grondgebied van de provincie
voordoet.
Artikel 225
1.In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel
223, eerste lid, worden geheven, worden de tarieven zodanig
vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de
geraamde lasten ter zake.
2.Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan:
a. bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor
noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;
b. de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het
BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.
Artikel 226
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake de
belastingen, bedoeld in deze paragraaf, nadere regels worden gegeven.
§ 3. Heffing en invordering
Artikel 227
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. Algemene wet: Algemene wet inzake rijksbelastingen;
b. heffing op andere wijze: heffing op andere wijze dan bij wege
van aanslag of bij wege van voldoening op aangifte.
Artikel 227a
1.Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden
de heffing en de invordering van provinciale belastingen, andere dan
die bedoeld in artikel 222, met toepassing van de Algemene wet, de
Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als
waren die belastingen rijksbelastingen.
2.Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de
bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de
Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering
rijksbelastingen genoemde functionarissen, met betrekking tot de
provinciale belastingen voor de daarachter genoemde colleges of
functionarissen:
a. Onze Minister van Financiėn, het bestuur van s
Rijksbelastingen en de directeur: het college van gedeputeerde
staten;
b. de inspecteur: de provincieambtenaar, belast met de heffing
van provinciale belastingen;
c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde
ontvanger: de provincieambtenaar belast met de invordering van
provinciale belastingen;
d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de
provincieambtenaren belast met de heffing of de invordering van
provinciale belastingen;
e. de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen
provincieambtenaar;
f. de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de Tweede Kamer: de
provinciale staten.
3.Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met
betrekking tot provinciale belastingen in de Algemene wet en in de
Invorderingswet 1990 voor «algemene maatregel van bestuur» en voor
«ministeriėle regeling» gelezen: besluit van het college van
gedeputeerde staten.
4.Met betrekking tot provinciale belastingen wordt in de artikelen
27l, 27n, 27p en 29a van de Algemene wet en in artikel 24 van de
Invorderingswet 1990 voor «de Staat» gelezen: de provincie.
Artikel 227b
1. Het college van gedeputeerde staten kan bepalen dat voor de
toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge artikel 8,
eerste lid, van de Invorderingswet 1990 voor de in artikel 227a,
tweede lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar een andere
provincieambtenaar in de plaats treedt.
2. De colleges van gedeputeerde staten van twee of meer provincies
kunnen met betrekking tot een of meer provinciale belastingen bepalen
dat ambtenaren van een van die provincies worden aangewezen als:
a. de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
ambtenaar van die provincies voor de uitvoering van enige
wettelijke bepaling betreffende de heffing van provinciale
belastingen;
b. de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel c, bedoelde
ambtenaar van die provincies voor de uitvoering van enige
wettelijke bepaling betreffende de invordering van provinciale
belastingen;
c. de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel d, bedoelde
ambtenaren van die provincies voor de uitvoering van enige
wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van
provinciale belastingen;
d. de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel e, bedoelde
ambtenaar van die provincies, voor de uitvoering van enige
wettelijke bepaling betreffende de invordering van provinciale
belastingen.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
het college van gedeputeerde staten van de provincie waarvan de
ambtenaar belast met de invordering van provinciale belastingen op
grond van het tweede lid, onderdeel b, wordt aangewezen.
4. Indien voor de heffing of de invordering van provinciale
belastingen een gemeenschappelijke regeling is getroffen en bij die
regeling een openbaar lichaam is ingesteld, kan bij of krachtens die
regeling worden bepaald dat een daartoe aangewezen ambtenaar van dat
openbare lichaam wordt aangewezen als:
a. de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
ambtenaar van de provincie voor de uitvoering van enige wettelijke
bepaling betreffende de heffing van provinciale belastingen;
b. de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel c, bedoelde
ambtenaar van de provincie voor de uitvoering van enige wettelijke
bepaling betreffende de invordering van provinciale belastingen;
c. de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel d, bedoelde
ambtenaren van de provincie voor de uitvoering van enige
wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van
provinciale belastingen;
d. de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel e, bedoelde
ambtenaar van de provincie voor de uitvoering van enige wettelijke
bepaling betreffende de invordering van provinciale belastingen.
5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam waarvan een ambtenaar
op grond van het vierde lid, onderdeel b, wordt aangewezen.
Artikel 227c
Provinciale belastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag,
bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, doch niet bij
wege van afdracht op aangifte.
Artikel 227d
1.Indien de provinciale belastingen op andere wijze worden geheven,
bepaalt de belastingverordening op welke wijze deze worden geheven en
de wijze waarop de belastingschuld aan de belastingplichtige wordt
bekendgemaakt. De belastingverordening kan daarnaast bepalen dat het
college van gedeputeerde staten omtrent de uitvoering van een en ander
nadere regels geeft.
2.De op andere wijze geheven belastingen worden voor de toepassing
van de Algemene wet en de Invorderingswet 1990 aangemerkt als bij wege
van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan
onder:
a. de aanslag, de voorlopige aanslag, de navorderingsaanslag:
het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde, het
nagevorderde bedrag;
b. het aanslagbiljet: de kennisgeving van het in onderdeel a
bedoelde bedrag;
c. de dagtekening van het aanslagbiljet: de dagtekening van de
schriftelijke kennisgeving van het in onderdeel a bedoelde bedrag,
of bij gebreke van een schriftelijke kennisgeving, de datum waarop
het bedrag op andere wijze ter kennis van de belastingplichtige is
gebracht.
Artikel 228
Bij de heffing van provinciale belastingen blijven de artikelen 2,
vierde lid, 3, 37 tot en met 39, 47a, 48, 52, 53, 54, 55, 62, 71, 76,
80, tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86, 87 en 90 tot en met 95 van
de Algemene wet buiten toepassing. Bij de heffing van provinciale
belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de
artikelen 5, 6 tot en met 9, 11, tweede lid, en 12 van die wet buiten
toepassing.
Artikel 228a
1.Het uitnodigen tot het doen van aangifte, bedoeld in artikel 6
van de Algemene wet, geschiedt door het uitreiken van een
aangiftebiljet.
2.Het doen van aangifte, bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet,
geschiedt door het inleveren of toezenden van het uitgereikte
aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden.
3.In afwijking in zoverre van de vorige leden kan de in artikel
227a, tweede lid, onderdeel b, bedoelde provincieambtenaar vorderen
dat een verplichting tot het doen van aangifte of tot het indienen van
een verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet wordt nagekomen door
het mondeling doen van aangifte. Daarbij:
a. worden de door de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel b,
bedoelde provincieambtenaar gevraagde bescheiden overgelegd;
b. kan de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
provincieambtenaar vorderen dat een van de mondelinge aangifte
opgemaakt relaas door de aangever wordt ondertekend, bij gebreke
waarvan de aangifte geacht wordt niet te zijn gedaan.
4.Indien het derde lid toepassing vindt, kan de in artikel 227a,
tweede lid, onderdeel b, bedoelde provincieambtenaar voor de
termijnen, genoemd in artikel 9, eerste en derde lid, eerste volzin,
artikel 10, tweede lid, en artikel 19, eerste, derde en vierde lid,
van de Algemene wet, of voor de kortere termijn, bedoeld in artikel
228b, eerste of tweede lid, kortere termijnen in de plaats stellen en
is artikel 12 van de Algemene wet niet van toepassing.
5.Bij de belastingverordening kan van het eerste en tweede lid
worden afgeweken.
Artikel 228b
1.Met betrekking tot de bij wege van aanslag geheven provinciale
belastingen kan in de belastingverordening voor de in artikel 9,
eerste lid en derde lid, van de Algemene wet genoemde termijn van ten
minste een maand een kortere termijn in de plaats worden gesteld.
2.Met betrekking tot de bij wege van voldoening op aangifte geheven
provinciale belastingen kan in de belastingverordening voor de termijn
van een maand, genoemd in artikel 10, tweede lid, en artikel 19,
eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet, een kortere termijn
in de plaats worden gesteld.
Artikel 228c
1.De in artikel 227a, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
provincieambtenaar is bevoegd om voor een zelfde belastingplichtige
bestemde belastingaanslagen van dezelfde soort die betrekking kunnen
hebben op verschillende belastingen, op één aanslagbiljet te
verenigen.
2.Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de
belasting op andere wijze wordt geheven.
Artikel 228d [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 229
1.Degene die ingevolge de belastingverordening aanspraak kan maken
op een gehele of gedeeltelijke vrijstelling, vermindering, ontheffing
of teruggaaf kan binnen zes weken nadat de omstandigheid welke die
aanspraak deed ontstaan, zich heeft voorgedaan, of, voor zover het een
belasting betreft die bij wege van aanslag wordt geheven en op dat
tijdstip nog geen aanslagbiljet is uitgereikt of toegezonden, binnen
zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet, een aanvraag tot
het verkrijgen van vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf
indienen bij de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
provincieambtenaar.
2.Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de
belasting op andere wijze wordt geheven.
3.De in artikel 227a, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
provincieambtenaar beslist op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
Artikel 229a
In de gevallen waarin het volkenrecht dan wel, naar het oordeel van
Onze Minister en Onze Minister van Financiėn, het internationale
gebruik daartoe noodzaakt, wordt vrijstelling van provinciale
belastingen verleend. Onze genoemde Ministers kunnen gezamenlijk ter
zake nadere regels stellen.
Artikel 229b
Naast een in de belastingverordening voorziene vermindering,
ontheffing of teruggaaf, kan de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel
b, bedoelde provincieambtenaar ook een in de belastingverordening
voorziene vrijstelling ambtshalve verlenen.
Artikel 229c [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 229d [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 230
1.Met betrekking tot de provinciale belastingen kunnen bij algemene
maatregel van bestuur:
a. regels worden gesteld waarbij de artikelen 48, 52, 53,
eerste en vierde lid, 54 of 55 van de Algemene wet, alsmede de
artikelen 59 of 62 van de Invorderingswet 1990 geheel of
gedeeltelijk van toepassing worden verklaard, dan wel
b. regels worden gesteld die overeenkomen met die in de in
onderdeel a genoemde artikelen.
2.De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval een
omschrijving van degene op wie de verplichting rust, alsmede van de
belasting ten behoeve waarvan de verplichting geldt. Voorts vermelden
deze regels naar gelang de aard van de verplichting een omschrijving
van de aard van de te verstrekken gegevens en inlichtingen, van de
aard van de gegevens welke uit de administratie dienen te blijken of
van het doel waarvoor het voor raadpleging beschikbaar stellen van
gegevensdragers kan geschieden.
Artikel 231 [Vervallen per 01-09-1999]
Artikel 232
Bij de invordering van provinciale belastingen blijven de artikelen
5, 20, 21, 59, 62 en 69 van de Invorderingswet 1990 buiten toepassing.
Bij de invordering van provinciale belastingen die op andere wijze
worden geheven, blijft bovendien artikel 8, eerste lid, van die wet
buiten toepassing.
Artikel 232a
1.De belastingverordening kan van artikel 9 van de Invorderingswet
1990 afwijkende voorschriften inhouden.
2.De belastingverordening kan bepalen dat het verschuldigde bedrag
moet worden betaald gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de
voldoening van een andere vordering aan de schuldeiser van die andere
vordering.
Artikel 232aa
Met betrekking tot het doen van een vordering als bedoeld in artikel
19, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 zijn de krachtens het tiende
lid van dat artikel door Onze minister van Financiėn gestelde regels
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 232b
De verrekening van aan de belastingschuldige uit te betalen en van
hem te innen bedragen ter zake van provinciale belastingen op de voet
van artikel 24 van de Invorderingswet 1990 is ook mogelijk ingeval de in
artikel 9 van de Invorderingswet 1990 gestelde termijn, dan wel de
krachtens artikel 232a, eerste lid, gestelde termijn nog niet is
verstreken.
Artikel 232c
1.Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of
hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig
zijn, kan de belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld.
2.Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit
uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of
beperkt recht en de aanslag ten name van één van de
belastingplichtigen is gesteld, kan de met de invordering van
provinciale belastingen belaste provincieambtenaar de belastingaanslag
op de gehele onroerende zaak verhalen ten name van degene te wiens
name de aanslag is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten
van de overige belastingplichtigen.
3.De belastingschuldige die de belastingaanslag heeft voldaan kan
hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn
belastingplicht verhalen op de overige belastingplichtigen naar
evenredigheid van ieders belastingplicht.
4.Tegen een met toepassing van het eerste lid vastgestelde
belastingaanslag kan mede beroep bij de rechtbank worden ingesteld
door de belastingplichtige wiens naam niet op het aanslagbiljet staat
vermeld. Artikel 26a, derde lid, van de Algemene wet is van
overeenkomstige toepassing.
5.Van het derde lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.
Artikel 232d
Voor de toepassing van artikel 66 van de Invorderingswet 1990 met
betrekking tot provinciale belastingen blijven de artikelen 76, 80,
tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86 en 87 van de Algemene wet buiten
toepassing.
Artikel 232e
1. De in artikel 26 van de Invorderingswet 1990 bedoelde
kwijtschelding wordt met betrekking tot provinciale belastingen
verleend door de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel c, bedoelde
provincieambtenaar.
2. Met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke
kwijtschelding zijn de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet
1990 door Onze Minister van Financiėn bij ministeriėle regeling
gestelde regels van toepassing.
3. Provinciale staten kunnen bepalen dat, in afwijking van de in
het tweede lid bedoelde regels, in het geheel geen dan wel
gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend.
4. Met inachtneming van door Onze Minister, in overeenstemming met
Onze Minister van Financiėn, te stellen regels kunnen provinciale
staten met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan en de
wijze waarop het vermogen in aanmerking worden genomen afwijkende
regels stellen die er toe leiden dat in ruimere mate kwijtschelding
wordt verleend.
5. Gedeputeerde staten kunnen de belasting geheel of gedeeltelijk
oninbaar verklaren. Het daartoe strekkende besluit ontheft de
provincieambtenaar belast met de invordering van provinciale
belastingen van de verplichting verdere pogingen tot invordering te
doen.
Artikel 232f
Indien ter zake van een provinciale belasting exploot moet worden
gedaan, een akte van vervolging betekend of een dwangbevel ten uitvoer
gelegd in een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba,
dan wel in een andere provincie dan die waaraan belasting verschuldigd
is, is daartoe naast de belastingdeurwaarder van laatstbedoelde
provincie mede de belastingdeurwaarder van eerstbedoelde provincie
respectievelijk van het desbetreffende openbaar lichaam bevoegd en
desgevraagd verplicht.
Artikel 232g
1.Met betrekking tot de in artikel 222 bedoelde opcenten is de
rijksbelastingdienst belast met de heffing en de invordering.
2.De opcenten worden als motorrijtuigenbelasting geheven en
ingevorderd.
3.De opbrengst wordt aan de provincies uitgekeerd volgens door Onze
Minister van Financiėn te stellen regels.
4.De aan de heffing en de invordering verbonden kosten komen ten
laste van de provincies. Deze kosten worden berekend volgens door Onze
Minister van Financiėn te stellen regels.
Artikel 232h
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake
provinciale belastingen in het kader van deze paragraaf passende nadere
regels worden gegeven ter aanvulling van de in deze paragraaf geregelde
onderwerpen.
Hoofdstuk XVI [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 233 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 234 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 235 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 236 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 237 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 238 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 239 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 240 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 241 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 242 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 243 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 244 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 245 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 246 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 247 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 248 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 249 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 250 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 251 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 252 [Vervallen per 01-01-1998]
Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het
provinciebestuur
Hoofdstuk XVII. Goedkeuring
Artikel 253
1.Beslissingen van provinciebesturen kunnen slechts aan goedkeuring
worden onderworpen in bij de wet bepaalde gevallen.
2.Ten aanzien van de goedkeuring van andere beslissingen dan
besluiten zijn artikel 259 alsmede afdeling 10.2.1 van de Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 254 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 255 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 255a [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 255b [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 255c [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 256 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 257 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 258 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 259
1. Een beslissing die aan goedkeuring bij koninklijk besluit is
onderworpen, wordt toegezonden aan Onze Minister wie het aangaat.
2. Een voordracht tot onthouding van goedkeuring wordt gedaan door
of mede door Onze Minister.
3. Artikel 27d van de Wet op de Raad van State is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 260 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk XVIII. Schorsing en vernietiging
Artikel 261
1.Een besluit dan wel een niet-schriftelijke beslissing gericht op
enig rechtsgevolg van het provinciebestuur kan bij koninklijk besluit
worden vernietigd.
2.Ten aanzien van de vernietiging van een niet-schriftelijke
beslissing gericht op enig rechtsgevolg zijn de artikelen 266 tot en
met 274a alsmede de afdelingen 10.2.2. en 10.2.3. van de Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 262 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 263 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 264 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 265 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 266
1.Indien een besluit naar het oordeel van de commissaris van de
Koning voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen
twee dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, mededeling aan Onze
Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan
het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de
uitvoering van het besluit is belast.
2.Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft
gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze
Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen dat voor schorsing
of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen
vier weken na de dagtekening van de mededeling van de commissaris is
geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd.
Artikel 267
1.Een voordracht tot schorsing wordt gedaan door Onze Minister wie
het aangaat.
2.Over de voordracht pleegt Onze Minister wie het aangaat overleg
met Onze Minister, tenzij schorsing onverwijld plaats dient te vinden.
In de voordracht wordt het achterwege blijven van overleg gemotiveerd.
Artikel 268 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 269 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 270
Indien een bekend gemaakt besluit niet is vernietigd binnen de tijd
waarvoor het is geschorst, wordt hiervan door het provinciebestuur
openbaar kennis gegeven.
Artikel 271
1. De voordracht tot vernietiging wordt gedaan door of mede door
Onze Minister.
2. Artikel 17, derde lid, van de Wet op de Raad van State is niet
van toepassing.
Artikel 272
Het koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de
schorsing of tot vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.
Artikel 273 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 274
Het provinciebestuur neemt opnieuw een besluit omtrent het onderwerp
van het vernietigde besluit, waarbij met het koninklijk besluit wordt
rekening gehouden.
Artikel 274a
1.In afwijking van artikel 8:4, onderdeel a, van de Algemene wet
bestuursrecht kan een belanghebbende tegen een koninklijk besluit als
bedoeld in artikel 261, eerste lid, dan wel tegen een
vernietigingsbesluit als bedoeld in artikel 83, tweede lid, beroep
instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
2.In afwijking van artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht
kan geen beroep worden ingesteld tegen de weigering om de vernietiging
van een besluit te bevorderen en tegen het niet tijdig nemen van een
besluit tot vernietiging.
Titel VI
Artikel 275 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 276 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 277 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 278 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 279 [Vervallen per 21-02-2001]
Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 280 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 281
1.De intrekking van de Provinciewet heeft geen gevolgen voor de
geldigheid van de op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet
geldende besluiten.
2.Besluiten als bedoeld in het eerste lid die algemeen verbindende
voorschriften bevatten waarvan de inhoud in strijd is met deze wet,
worden binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet
daarmee in overeenstemming gebracht of ingetrokken. De besluiten of
onderdelen daarvan die bij het verstrijken van de in de vorige volzin
genoemde termijn niet met deze wet in overeenstemming zijn gebracht of
zijn ingetrokken, zijn van rechtswege vervallen.
Artikel 282
Artikel 43, zesde tot en met negende lid, onderscheidenlijk artikel
65, zesde tot en met achtste lid, is niet van toepassing op de bij
inwerkingtreding van die bepalingen zittende gedeputeerde
onderscheidenlijk commissaris van de Koning, zolang deze zonder
onderbreking zijn ambt vervult in dezelfde provincie.
Artikel 283 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 284 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 285 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 286 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 287 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 288 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 289 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 290 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 291 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 292 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 293 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 294 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 295 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 296 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 297
Deze wet kan worden aangehaald als: Provinciewet.
Artikel 298 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 299 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 300 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 300a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 301 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 302 [Vervallen per 01-01-1994]
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 10 september 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
D.IJ.W. de Graaff-Nauta
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
Uitgegeven de tweeėntwintigste oktober 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage
[Vervallen per 23-02-2011]
|
|
|