WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is
gebleken voor de toepassing van de op 25 mei 1951 te Genève tot stand
gekomen Internationale Sanitaire Regeling met Bijlagen (Regeling No. 2
van de Wereldgezondheidsorganisatie, aangenomen door de vierde
Wereldgezondheidsvergadering; Trb. 1952, 145), zoals gewijzigd,
welke regeling ingevolge de artikelen 21 en 22 van het Statuut der
Wereldgezondheidsorganisatie juncto artikel 67 van de Grondwet voor
Nederland verbindend is, enige voorziening te treffen nopens het weren
van bepaalde besmettelijke ziekten, welke door internationaal verkeer
worden verbreid;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
"de Internationale Gezondheidsregeling": de Internationale
Gezondheidsregeling met Bijlagen (Trb. 1970, 30);
"Onze Minister": Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport;
"de inspecteur": de regionale inspecteur van het
Staatstoezicht op de volksgezondheid.
Artikel 2
Voor de toepassing van de Internationale Gezondheidsregeling en het
bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
"haveninrichting": los-, laad- en ligplaats van schepen, en
zich in de nabijheid daarvan bevindende bedrijven, magazijnen, vemen en
andere opslagplaatsen, alsmede terreinen en gebouwen, welke op grond van
hun ligging en bestemming of gebruik moeten worden geacht daartoe te
behoren;
"pokken": variola major en variola minor.
Artikel 3
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde gelden
mede de definities van artikel 1 van de Internationale
Gezondheidsregeling.
Artikel 4
In Nederland worden de taken van de
"gezondheidsadministratie", als bedoeld in artikel 1 van de
Internationale Gezondheidsregeling, vervuld door Onze Minister.
Artikel 5
1. De burgemeester van de gemeente, waar de
gezondheidsmaatregelen, toegestaan of voorgeschreven bij de
Internationale Gezondheidsregeling of deze wet, worden genomen, treedt
op als "gezondheidsautoriteit", als bedoeld in artikel 1 van
de Internationale Gezondheidsregeling.
2. Wij kunnen bepalen, dat, in daarbij aangewezen gevallen, een
andere burgemeester bepaalde taken van de gezondheidsautoriteit vervult.
Titel II. Berichtgeving over ziekten
Artikel 6
1. De bevoegde hoofdinspecteur van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid geeft van het vermoeden of het vastgesteld zijn van
een quarantainabele ziekte bij een uit het buitenland komende persoon
daarvan onverwijld kennis aan de gezondheidsadministratie van het
gebied waaruit die persoon vertrokken is.
2. Indien een besmetting met pest onder knaagdieren door de
dienst, bedoeld in artikel 15 van de Internationale Gezondheidsregeling,
is vastgesteld, is het hoofd van die dienst verplicht daarvan binnen
twee uren mededeling te doen aan de burgemeester, die de inspecteur
onverwijld en op de snelste wijze op de hoogte stelt.
Artikel 7
Indien een ingevolge de Internationale Gezondheidsregeling onder
toezicht gesteld persoon naar het buitenland vertrekt, doet de
burgemeester van de gemeente waar het toezicht laatstelijk werd
uitgeoefend, hiervan onverwijld mededeling aan de bevoegde
hoofdinspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, die zorg
draagt voor de in artikel 27, tweede lid, van de Internationale
Gezondheidsregeling vereiste kennisgeving.
Artikel 8
1. Het hoofd van de dienst, bedoeld in artikel 15 van de
Internationale Gezondheidsregeling, is verplicht de burgemeester
eenmaal per kwartaal verslag uit te brengen van zijn werkzaamheden ter
uitvoering van de Internationale Gezondheidsregeling en van deze wet.
2. De in het eerste lid bedoelde burgemeester brengt, met
inachtneming van de ter zake door Onze Minister gegeven voorschriften,
eenmaal per kwartaal verslag uit van zijn verrichtingen en van de
maatregelen, welke hij ter uitvoering van de Internationale
Gezondheidsregeling en van deze wet heeft genomen. Het verslag wordt
uitgebracht aan de inspecteur, in wiens ambtsgebied de gemeente is
gelegen.
Titel III. Taak van de gezondheidsadministratie
Artikel 9
Onze Minister is bevoegd voorschriften te geven in het belang van een
goede uitvoering van artikel 14, tweede en derde lid, van de
Internationale Gezondheidsregeling.
Artikel 10
Onze Minister wijst de havens aan, welke moeten beschikken over
voorzieningen, als bedoeld in artikel 15 van de Internationale
Gezondheidsregeling.
Artikel 11
Onze Minister treft regelingen met betrekking tot ontratting, de
afgifte van certificaten van ontratting en de afgifte van certificaten
tot vrijstelling van ontratting, als bedoeld in artikel 53 van de
Internationale Gezondheidsregeling. Daarbij worden de havens aangewezen,
welke moeten beschikken over personeel, dat bevoegd en bekwaam is
schepen te ontratten en te inspecteren ten behoeve van de afgifte van
certificaten.
Artikel 12
1. Onze Minister wijst, in overeenstemming met Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat, de luchthavens aan, welke voorzien moeten
zijn van een terrein voor direct doorgaand verkeer.
2. Indien het luchthavens betreft in gebruik bij de krijgsmacht,
wijst Onze Minister deze luchthavens aan in overeenstemming met Onze
Minister van Defensie.
Titel IV. Taak van de gezondheidsautoriteit
Artikel 13
1. De burgemeester neemt, na advies van de arts, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, de noodzakelijke ingevolge de Internationale
Gezondheidsregeling en deze wet voorgeschreven maatregelen om de
verbreiding van quarantainabele ziekten door het internationale
verkeer te voorkomen of tegen te gaan. Hij neemt ook overigens bij de
toepassing van deze wet geen maatregelen of besluiten zonder deze arts
te hebben gehoord.
2. De in het eerste lid bedoelde maatregelen, alsmede de
maatregelen bedoeld in de Infectieziektenwet, kunnen eveneens genomen
worden om de verbreiding in Nederland van infectieziekten behorende tot
groep A of groep B als bedoeld in die wet tegen te gaan, indien naar het
oordeel van de burgemeester:
a. een persoon daadwerkelijk lijdt aan één van de bedoelde
infectieziekten, er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij
daaraan lijdt, dan wel dat hij recentelijk gezichtscontact met een
lijder aan een zodanige infectieziekte heeft gehad;
b. ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding
van die infectieziekte;
c. dit gevaar niet op een andere wijze effectief kan worden
afgewend; en
d. de persoon niet tot vrijwillige onderwerping aan een maatregel
bereid is.
Artikel 14
1. De burgemeester wordt bij de uitoefening van zijn taak
ingevolge de Internationale Gezondheidsregeling en deze wet
bijgestaan, hetzij door een of meer door hem benoemde artsen, hetzij
door de inspecteur, welke laatste zich kan doen bijstaan door een door
hem aan te wijzen deskundige.
2. De burgemeester benoemt een arts als bedoeld in het eerste lid
niet dan na overleg met de inspecteur. Indien de in het eerste lid
bedoelde taak moet worden uitgeoefend op een luchthaven in gebruik bij
de krijgsmacht, geschiedt het overleg met de inspecteur van de betrokken
geneeskundige dienst van de krijgsmacht. Van de benoeming doet de
burgemeester mededeling aan de inspecteur en de bevoegde hoofdinspecteur
van het Staatstoezicht op de volksgezondheid.
3. Onze Minister kan gemeenten aanwijzen waarvan de burgemeester
verplicht is een of meer artsen als bedoeld in het eerste lid te
benoemen.
Artikel 15
1. Bij verschil van mening tussen de burgemeester en een arts
als bedoeld in artikel 14, eerste lid, over maatregelen, te nemen ter
uitvoering van de Internationale Gezondheidsregeling of deze wet,
beslist de burgemeester niet dan na overleg met de inspecteur. Van
zijn beslissing doet hij onverwijld mededeling aan de inspecteur.
2. De inspecteur kan binnen achtenveertig uren nadat de
beslissing te zijner kennis is gebracht, daartegen beroep instellen bij
Onze Minister. De beslissing van de burgemeester wordt niet uitgevoerd
zolang de termijn van achtenveertig uren niet is verstreken en, indien
beroep is ingesteld, zolang daarop niet is beslist. De burgemeester
houdt zich aan de beslissing van Onze Minister.
3. De inspecteur kan de burgemeester verzoeken binnen een door de
inspecteur gestelde termijn de door hem ter uitvoering van de
Internationale Gezondheidsregeling noodzakelijk geachte maatregelen te
nemen. Indien de burgemeester aan het verzoek geen gevolg geeft, kan de
inspecteur binnen achtenveertig uren na afloop van de gestelde termijn
beroep instellen bij Onze Minister. De burgemeester houdt zich aan de
beslissing van Onze Minister.
4. De hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
niet van toepassing.
Artikel 16
1. De burgemeester geeft de nodige aanwijzingen of neemt de
nodige maatregelen met betrekking tot de verdelging en wering van
knaagdieren in haveninrichtingen.
2. Aanwijzingen of maatregelen, strekkende tot het ontoegankelijk
maken van haveninrichtingen voor ratten door middel van afbraak of
verbouwing, worden door de burgemeester slechts gegeven of genomen,
nadat hij daaromtrent advies van de inspecteur heeft ingewonnen.
3. Van de beslissing van de burgemeester wordt binnen
vierentwintig uren schriftelijk of telegrafisch mededeling gedaan aan de
inspecteur en de eigenaar en de exploitant van de haveninrichting.
4. Van een beslissing van de burgemeester, houdende een
aanwijzing of een maatregel, als bedoeld in het eerste lid, kunnen de
inspecteur en de eigenaar en de exploitant van de haveninrichting binnen
achtenveertig uren, nadat deze beslissing te hunner kennis is gebracht,
bij Onze Minister beroep instellen. De beslissing van de burgemeester
treedt niet in werking binnen de genoemde termijn van achtenveertig
uren, dan wel, indien beroep is ingesteld, voordat daarop is beslist.
5. Indien de burgemeester in gebreke blijft de noodzakelijke
aanwijzingen te geven of de noodzakelijke maatregelen te nemen, is Onze
Minister op voorstel van de inspecteur bevoegd zodanige aanwijzing te
geven of zodanige maatregel te nemen. Alvorens te beslissen stelt de
Minister de eigenaar en de exploitant van de haveninrichting in de
gelegenheid hun gevoelen te doen kennen.
6. De hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
niet van toepassing.
Artikel 17
1. De burgemeester beslist, of zich voordoet een noodgeval,
waarin ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat, als bedoeld in
artikel 28 van de Internationale Gezondheidsregeling.
2. In een noodgeval, bedoeld in het voorgaande lid, kan de
burgemeester aanwijzingen geven aan de gezagvoerder van een schip of een
luchtvaartuig betreffende het lossen of laden van vracht of voorraden en
het innemen van brandstof of water.
3. De burgemeester draagt, indien zulks door de voor het
vervoermiddel verantwoordelijke persoon wordt geëist, zorg voor de
verwijdering van een besmette persoon, als bedoeld in artikel 38 van de
Internationale Gezondheidsregeling.
4. Ter uitvoering van het bepaalde in het tweede en derde lid kan
de burgemeester zich bedienen van de hulp van de sterke arm.
Artikel 18
Het ingevolge de Internationale Gezondheidsregeling aan de
gezondheidsautoriteit opgedragen medisch onderzoek geschiedt door of
onder verantwoordelijkheid van de arts die de burgemeester bijstaat.
Titel V. Verplichtingen van gezagvoerders, leiders bij trein- en
wegvervoer en vervoerde personen
Artikel 19
1. De gezagvoerder van een schip, die een Nederlandse haven wil
aandoen en weet of vermoedt, dat zijn schip als besmet of verdacht
moet worden beschouwd of een haven in een besmette kring heeft
aangedaan, draagt zorg:
a. dat hij van zijn wetenschap of vermoeden, zo mogelijk per radio,
kennis geeft aan de burgemeester van de gemeente, waarbinnen de haven
ligt, welke zijn schip zal aandoen, zodra het binnen de Nederlandse
wateren is aangekomen;
b. dat, zodra het schip in het gezicht van de wal komt, een door
Onze Minister vast te stellen sein wordt gevoerd, totdat het schip tot
het vrije verkeer is toegelaten, of totdat dit het Nederlandse gebied
heeft verlaten;
c. dat geen gemeenschap van het schip met de wal of met andere
schepen plaatsheeft, alvorens het medische onderzoek is beëindigd en
het schip tot het vrije verkeer zal zijn toegelaten.
2. Een aan boord genomen loods is verplicht de gezagvoerder op
zijn in lid 1 genoemde verplichtingen te wijzen.
3. Hij, die de leiding heeft bij trein- of wegvervoer en weet of
vermoedt, dat in zijn middel van vervoer bij aankomst in Nederland
personen aanwezig zijn, die afkomstig zijn uit een besmette kring òf
lijden aan, dan wel verdacht worden gevaar op te leveren voor
verspreiding van, een quarantainabele ziekte, draagt zorg, dat hiervan
onverwijld mededeling wordt gedaan aan de burgemeester van de gemeente,
waar het vervoermiddel zich bevindt. Totdat hij terzake nadere
aanwijzingen heeft ontvangen van de burgemeester of de arts, die deze
bijstaat, draagt hij zorg, dat geen gevaar voor besmetting van anderen
ontstaat.
4. Degenen, die zich in de trein of in het middel van wegvervoer
bevinden, zijn verplicht zich te gedragen naar de aanwijzingen, die de
leider van trein- of wegvervoer hun verstrekt ter uitvoering van het
bepaalde in de tweede volzin van het derde lid. Zij zijn in elk geval
verplicht in de trein of in het middel van wegvervoer of in de
onmiddellijke nabijheid daarvan te blijven en contacten te vermijden,
totdat op hen van toepassing zijn de aanwijzingen, gegeven door de
burgemeester of de arts, die deze bijstaat.
5. Hij, die de leiding heeft bij het vervoer, wijst de in het
vierde lid bedoelde personen op de in dat lid bedoelde verplichtingen.
6. De gezagvoerder van een luchtvaartuig is gehouden,
gelijktijdig met het overleggen van het gezondheidsgedeelte van de
algemene verklaring voor luchtvaartuigen aan de burgemeester of aan de
arts, bedoeld in artikel 14, mede te delen, of het luchtvaartuig
gedurende zijn laatste internationale reis een besmette kring heeft
aangedaan.
Artikel 20
1. Het verbod van gemeenschap met de wal of met andere schepen
brengt mede, dat, behoudens in de hierna te noemen gevallen, niemand
zich aan boord van het schip mag begeven of het schip mag verlaten.
2. Het verbod om zich aan boord van het schip te begeven en het
schip te verlaten, geldt niet voor de loods, voor de ambtenaren van het
Staatstoezicht op de Volksgezondheid, de burgemeester en de arts,
bedoeld in artikel 14, de personen belast met de uitvoering van de
ingevolge de Internationale Gezondheidsregeling of deze wet dan wel
krachtens deze wet te nemen maatregelen, de artsen, het verplegend
personeel en de geestelijken, belast met het verlenen van geneeskundige
hulp, verpleging of geestelijke bijstand, en de rijksambtenaren der
belastingen tot uitoefening van hun functies, de ambtenaren van justitie
en politie, wanneer hun ambtsverrichtingen dit vereisen, alsmede, mits
met toestemming van de burgemeester, de personen die zijn belast met het
overbrengen van goederen aan boord.
3. Het verbod om het schip te verlaten geldt niet voor degenen,
die daarvoor toestemming hebben gekregen van de burgemeester. De
burgemeester mag besluiten, dat hij slechts toestemming verleent, indien
te zijnen genoege is aangetoond, dat de betrokkene zich zal doen
inenten, zich onder toezicht zal stellen of zich zal laten afzonderen.
4. Het verbod van gemeenschap met de wal brengt mede, dat geen
goederen gelost en geen andere goederen aan boord gebracht mogen worden
dan die, welke ingevolge artikel 44 van de Internationale
Gezondheidsregeling mogen worden ingenomen.
Artikel 21
1. De gezagvoerder van een zeeschip, komende uit een
buitenlandse haven, overhandigt bij aankomst in de eerste Nederlandse
haven de maritieme gezondheidsverklaring aan de aan boord gekomen
loods, die zorg draagt, dat deze verklaring onverwijld wordt
ingeleverd bij de burgemeester of de arts, bedoeld in artikel 14.
2. In het geval, dat een zeeschip niet wordt beloodst, geeft de
gezagvoerder de maritieme gezondheidsverklaring uiterlijk binnen een uur
na aankomst van het schip aan de eigenaar of de rompbevrachter of de
gemachtigde van één dezer, die zorg draagt, dat deze verklaring
onverwijld wordt ingeleverd bij de burgemeester of de arts, bedoeld in
artikel 14.
Artikel 22
1. De gezagvoerder van een schip of luchtvaartuig en zij, die
de leiding hebben bij trein- of wegvervoer, dragen zorg voor de
naleving van de voorschriften, welke op grond van bij of krachtens
deze wet, dan wel op grond van de Internationale Gezondheidsregeling,
zijn gegeven en van de maatregelen, welke ter uitvoering zijn genomen.
2. Indien ingevolge de Internationale Gezondheidsregeling, dan
wel bij of krachtens deze wet, een verplichting bestaat ten aanzien van
een haven, een luchtvaartterrein of een haveninrichting, is de eigenaar
of exploitant, alsmede het toezichthoudende personeel daarvan, voor de
nakoming dier verplichting aansprakelijk.
Titel VI. Inenting tegen pokken, cholera en gele koorts
Artikel 23
De inenting tegen pokken en cholera ter verkrijging van een
internationaal geldig certificaat geschiedt onder door Onze Minister
vast te stellen voorwaarden, door of onder directe verantwoordelijkheid
van een arts.
Artikel 24
Onze Minister stelt de vorm vast van de afdruk van het officiële
stempel, bedoeld in aanhangsel 2 van de Internationale
Gezondheidsregeling.
Artikel 25
De arts gebruikt voor de enting tegen pokken en cholera de
entstoffen, toegelaten door Onze Minister.
Artikel 26
Onze Minister bepaalt, wie gerechtigd zijn met de door hem aan te
geven entstof te enten tegen gele koorts ter verkrijging van een
internationaal geldig certificaat.
Titel VII. Kosten
Artikel 27
1. De kosten van het medische onderzoek, hetwelk krachtens de
Internationale Gezondheidsregeling of deze wet wordt verricht, en die
van algemene onderzoekingen, nodig voor de uitvoering van artikel 16
van de Internationale Gezondheidsregeling en van artikel 16, eerste en
tweede lid van deze wet, komen voor rekening van de gemeente.
2. De noodzakelijke kosten van de maatregelen, welke door een
burgemeester naar aanleiding van een medisch onderzoek van een schip,
luchtvaartuig, trein of middel van wegvervoer worden genomen, komen voor
rekening van de gemeente. Deze kosten kunnen niet van derden worden
teruggevorderd. Zij, op wie, dan wel op wier goederen, deze maatregelen
zijn toegepast, hebben geen recht op vergoeding van schade, tenzij
schade is veroorzaakt door onjuiste of gebrekkige toepassing van de
maatregelen.
3. De vergoeding voor de werkzaamheden van een arts tot bijstand
van de burgemeester ter uitvoering van de Internationale
Gezondheidsregeling of deze wet komt ten laste van de gemeente.
4. De vergoeding voor de werkzaamheden van de deskundige, bedoeld
in artikel 14, eerste lid, komt voor rekening van de gemeente.
Artikel 28
1. De kosten, voortvloeiende uit de toepassing van de artikelen
14, 15, 16, 17 en 18 van de Internationale Gezondheidsregeling,
alsmede uit de toepassing van artikel 16 van deze wet, komen,
behoudens het in artikel 29 van deze wet bepaalde, ten laste van de
exploitant van de betreffende haveninrichting of luchthaven.
2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid komen de
kosten van de toerusting voor de onmiddellijke afzondering en verpleging
van besmette en verdachte personen ten laste van het Rijk. Deze kosten
van toerusting behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 29
De schade, welke het gevolg is van de uitvoering van maatregelen, als
bedoeld in artikel 16, tweede lid, van deze wet, komt voor rekening van
de exploitant van de betreffende haveninrichting. Deze schade kan worden
verhaald op het Rijk, indien de maatregelen noodzakelijk zijn geworden
buiten de schuld van de exploitant.
Artikel 30
De kosten van het onderzoek van schepen, noodzakelijk ter verkrijging
van één der certificaten, bedoeld in artikel 53, tweede lid, der
Internationale Gezondheidsregeling, alsmede de kosten der ter
verkrijging van zodanig certificaat verrichte ontrattingen van schepen,
komen ten laste van de gezagvoerder van het desbetreffende schip. Onze
Minister stelt het tarief vast voor het onderzoek en voor de
ontrattingen, als bedoeld in de vorige volzin, hetwelk in geheel
Nederland geldt en gelijkluidend is voor elk schip, varende onder welke
vlag ook.
Artikel 31
Behoudens het bepaalde in artikel 82 van de Internationale
Gezondheidsregeling alsmede in andere door Onze Minister te bepalen
gevallen komen de kosten van inenting ter verkrijging van een
internationaal geldig certificaat van inenting ten laste van
belanghebbende.
Titel VIII. Slot-, straf- en overgangsbepalingen
Artikel 32
1. Indien in een land, dat niet door de Internationale
Gezondheidsregeling gebonden is, een besmette kring is, is Onze
Minister bevoegd deze kring besmet te verklaren.
2. Ten aanzien van verkeer uit zodanig land stelt de burgemeester
de eisen en neemt hij de maatregelen, welke hij nuttig en nodig acht,
ten einde verbreiding van besmettelijke ziekten te voorkomen en tegen te
gaan, een en ander voor zover de in artikel 86 van de Internationale
Gezondheidsregeling bedoelde internationale sanitaire verdragen hem dit
ten aanzien van de landen, waarmede Nederland ter zake verbonden is
gebleven, toestaan.
Artikel 33
De burgemeester, de ambtenaren van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid en alle anderen, die met de uitvoering van de ingevolge
de Internationale Gezondheidsregeling en deze wet voorgeschreven
maatregelen zijn belast, zijn na behoorlijke legitimatie en voor zover
dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is bevoegd
schepen, luchtvaartuigen, treinen, andere middelen van vervoer en
haveninrichtingen met inbegrip van woningen te betreden, zelfs zonder
toestemming van de op of in het vervoermiddel of op de haveninrichting
verantwoordelijke personen of van hen, die met de leiding van een
haveninrichting zijn belast. Zij zijn tevens bevoegd alle plaatsen te
betreden teneinde schepen, luchtvaartuigen, andere middelen van vervoer
en haveninrichtingen te bereiken. Degene, die de leiding heeft op het
betreffende voertuig of op de betreffende haveninrichting, stelt hem in
de gelegenheid zich aldaar toegang te verschaffen.
Artikel 34
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden
gegeven ter uitvoering van deze wet en van de Internationale
Gezondheidsregeling.
Artikel 34a
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren van het Staatstoezicht op
de volksgezondheid.
2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren beschikken niet over
de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene
wet bestuursrecht.
Artikel 35
1. Hij, die handelt in strijd met de bepalingen van deze wet of
de Internationale Gezondheidsregeling, of niet voldoet aan bij of
krachtens deze wet en bij de Internationale Gezondheidsregeling te
zijnen aanzien gegeven aanwijzingen of voorgeschreven maatregelen, dan
wel voorwerpen of dieren onttrekt aan bij of krachtens deze wet en de
Internationale Gezondheidsregeling te dien aanzien gegeven
aanwijzingen en voorgeschreven maatregelen, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van de derde
categorie.
2. Het strafbare feit is een overtreding.
Artikel 36
1. Hij, die bij een medisch onderzoek opzettelijk onjuiste
inlichtingen geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
één jaar of geldboete van de derde categorie.
2. Het strafbare feit is een misdrijf.
Artikel 37
De wet van 28 maart 1877, Stb. 35, tot wering van besmetting
door uit zee aankomende schepen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24
maart 1922, Stb. 135, en de wet van 26 oktober 1935, Stb.
626, tot regeling van het sanitaire toezicht op de luchtvaart, worden
ingetrokken.
Artikel 38
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel
"Quarantainewet". Zij treedt in werking op een door Ons te
bepalen tijdstip. Wij kunnen het inwerkingtreden van de verschillende
onderdelen van deze wet op verschillende tijdstippen bepalen.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen, autoriteiten,
Colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 14 juli 1960
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Van Rooy
Uitgegeven de negentiende augustus 1960
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman