WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten!
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het, ten behoeve van een op
inzicht in maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen
gefundeerde beleidsvoering inzake onderzoek en ontwikkeling, wenselijk
is, met inachtneming van artikel 79 van de Grondwet, op onderscheidene
aandachtsgebieden adviesorganen in te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
sectorraad: een sectorraad als bedoeld in het eerste lid van artikel
2;
Onze minister: Onze minister, belast met de zorg voor de
desbetreffende sectorraad;
Onze aangewezen ministers: Onze ministers, voor de desbetreffende
sectorraad aangewezen bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
artikel 2.
§ 2. Instelling en taak
Artikel 2. Instelling
1. Ten behoeve van de uitvoering van het beleid inzake
onderzoek en ontwikkeling kan bij algemene maatregel van bestuur een
sectorraad worden ingesteld voor een daarbij aan te wijzen
aandachtsgebied. Een sectorraad wordt ingesteld als zelfstandig
programmeringscollege. De instelling geschiedt voor een tijdvak van
zes jaren, dat bij koninklijk besluit telkens met eenzelfde tijdvak
kan worden verlengd.
2. Over een voornemen tot instelling dan wel tot verlenging stelt
Onze minister, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad,
de beide kamers der Staten-Generaal in kennis. Hij brengt dit voornemen
niet tot uitvoering dan nadat 30 dagen na de inkennisstelling zijn
verstreken.
3. De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
bevat in elk geval:
a. de omschrijving van het betrokken aandachtsgebied;
b. de aanwijzing van Onze minister alsmede van Onze ministers wie
het mede aangaat, onder wie Onze minister belast met de coördinatie
van het wetenschapsbeleid;
c. de naam van de sectorraad, alsmede bepalingen omtrent het aantal
leden en de zittingsduur van de leden;
d. bepalingen omtrent de aan de sectorraad ter beschikking te
stellen financiële middelen.
Artikel 3. Taak
1. Een sectorraad heeft tot taak desgevraagd of uit eigen
beweging Onze aangewezen ministers op basis van het door hen
vastgestelde beleid voorstellen te doen voor de programmering en
coördinatie inzake onderzoek, ontwikkeling en kennisinfrastructuur
voor een of meer jaren. Hij baseert zich daarbij op een grondige
verkenning van maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen
terzake.
2. Een sectorraad kan, na toestemming van Onze minister,
voorstellen doen aan een andere minister dan Onze aangewezen ministers
of aan een organisatie of instelling, betrokken bij onderzoek en
ontwikkeling op zijn aandachtsgebied.
§ 3. Samenstelling
Artikel 4. Samenstelling
1. Een sectorraad is zodanig samengesteld, dat daarin de
onderscheidene maatschappelijke en wetenschappelijke belangen bij
onderzoek en ontwikkeling op zijn aandachtsgebied evenwichtig worden
weerspiegeld.
2. Een sectorraad telt ten minste zes en ten hoogste vijftien
leden, en wel:
a. een voorzitter, tevens lid;
b. leden, bekend met de gezichtspunten in kringen van organisaties
en instellingen die onderzoek en ontwikkeling op het aandachtsgebied
financieren, of anderszins bij de resultaten daarvan belang hebben;
c. leden, bekend met de gezichtspunten in kringen van organisaties
en instellingen die onderzoek en ontwikkeling op het aandachtsgebied
uitvoeren.
3. Een sectorraad telt tot ten hoogste een derde van het aantal
leden adviserende leden namens Onze aangewezen ministers.
Artikel 5. Benoeming, schorsing, ontslag
1. Onze minister, handelend in overeenstemming met Onze andere
aangewezen ministers, benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter, na
de desbetreffende sectorraad hierover te hebben gehoord.
2. Onze minister benoemt, schorst en ontslaat de overige leden.
3. De voorzitter en de overige leden worden benoemd op
persoonlijke titel.
4. Onze aangewezen ministers wijzen elk een of meer adviserende
leden aan.
§ 4. Inrichting en werkwijze
Artikel 6. Secretariaat
1. Een sectorraad wordt bijgestaan door een secretaris.
2. De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak slechts
verantwoording schuldig aan de sectorraad.
3. Onze minister draagt zorg voor de nodige voorzieningen ten
behoeve van het secretariaat, na overleg met de sectorraad.
Artikel 7. Voorbereiding voorstellen
Een sectorraad kan de voorbereiding van een onderdeel van zijn
werkzaamheden opdragen aan een commissie uit zijn midden. Indien het een
tijdelijke commissie betreft, kunnen daarin mede zitting hebben personen
die geen lid of adviserend lid van de sectorraad zijn.
Artikel 8. Minderheidsnota's
Voorstellen worden uitgebracht overeenkomstig het standpunt van de
meerderheid van de leden van een sectorraad. Leden zijn bevoegd bij een
voorstel minderheidsnota's toe te voegen.
Artikel 9. Verslag
Een sectorraad brengt Onze aangewezen ministers jaarlijks
schriftelijk verslag uit van zijn werkzaamheden gedurende het afgelopen
kalenderjaar.
Onze minister, belast met
de coördinatie van het wetenschapsbeleid, stelt na overleg met de
sectorraden een commissie van overleg sectorraden in en regelt de
samenstelling en de inrichting daarvan.
2. De commissie heeft tot taak te fungeren als overlegplatform
tussen de sectorraden inzake gemeenschappelijke aangelegenheden.
3. In de commissie hebben in elk geval de voorzitters van de
sectorraden zitting.
Artikel 13. Nationale raad voor landbouwkundig onderzoek
De Nationale raad voor landbouwkundig onderzoek wordt aangemerkt als
sectorraad. Ten aanzien van deze raad kan worden afgeweken van de
artikelen 2, 4 en 5.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 14. Evaluatie
Binnen een termijn van vijf jaren na zijn instelling dan wel na een
besluit tot verlenging brengt een sectorraad een rapport uit aan Onze
minister, waarin de taakvervulling van de raad aan een onderzoek wordt
onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan voor gewenste
veranderingen.
Artikel 15. Inwerkingtreding; citeertitel
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na
de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst, met uitzondering van artikel 13, dat in werking treedt op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2. Deze wet kan worden aangehaald als "Raamwet sectorraden
onderzoek en ontwikkeling".
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 14 mei 1987
BEATRIX
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
W.J. Deetman
Uitgegeven de tweede juni 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes