| |
|
|
|
|
vorige
RECONSTRUCTIEWET
CONCENTRATIEGEBIEDEN
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Regeling
herverkaveling
- Regeling
inrichting landelijk gebied
WET van 31 januari 2002, houdende regels
inzake de reconstructie van de concentratiegebieden (Reconstructiewet
concentratiegebieden)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
bijzondere regelen te stellen omtrent een integrale aanpak van de
verbetering van de kwaliteit van gebieden die in het bijzonder kampen
met problemen op het vlak van inrichting, landbouw, natuur, bos,
landschap, recreatie, water en milieu;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Onze Ministers: Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
reconstructie: voorbereiding, vaststelling en uitvoering van een
onderling samenhangend complex van maatregelen en voorzieningen ter
verwezenlijking van de doelstellingen van deze wet;
reconstructiecommissie: reconstructiecommissie als bedoeld in artikel
6;
reconstructieplan: reconstructieplan als bedoeld in artikel 11;
concentratiegebied: concentratiegebied Zuid of concentratiegebied
Oost als bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet;
reconstructiegebied: bij een reconstructieplan nader begrensd gebied
binnen een concentratiegebied waar de reconstructie daadwerkelijk
plaatsvindt;
varkenshouderij: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of
meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en daarbij behorende
landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot het bedrijfsmatig
houden van varkens, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden;
varkensvrije zone: ruimtelijk begrensd gedeelte van een verwevings-
of extensiveringsgebied dat vrij is van varkenshouderijen of daarvan in
het kader van de reconstructie vrij zal worden gemaakt;
landbouwontwikkelingsgebied: ruimtelijk begrensd gedeelte van een
reconstructiegebied met het primaat landbouw dat geheel of gedeeltelijk
voorziet, of in het kader van de reconstructie zal voorzien, in de
mogelijkheid tot uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van
intensieve veehouderij;
verwevingsgebied: ruimtelijk begrensd gedeelte van een
reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur,
waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk
is mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar
niet tegen verzetten;
extensiveringsgebied: ruimtelijk begrensd gedeelte van een
reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding,
hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij
onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden
gemaakt;
herverkaveling: herverkaveling als bedoeld in artikel 1 van de Wet
inrichting landelijk gebied;
blok: geheel van in een herverkaveling begrepen onroerende zaken;
eigenaar: degene die eigenaar is van een tot het blok behorende
onroerende zaak en degene aan wie een recht van opstal, erfpacht,
beklemming, vruchtgebruik, gebruik of bewoning toebehoort waaraan een in
het blok begrepen onroerende zaak is onderworpen;
rechthebbende: eigenaar en degene aan wie een niet onder de
omschrijving van eigenaar benoemd beperkt recht toebehoort waaraan een
tot het blok behorende onroerende zaak is onderworpen, degene aan wie
met betrekking tot zulk een zaak een recht van huur toebehoort of degene
aan wie met betrekking tot zulk een zaak een recht als bedoeld in
artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek toebehoort;
openbare registers: openbare registers als bedoeld in afdeling 2 van
titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;
Dienst landelijk gebied: Dienst landelijk gebied van het Ministerie
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
Artikel 2
Voorzover niet anders bepaald, wordt in deze wet en de daarop
berustende bepalingen verstaan onder:
provincie: provincie waarin het reconstructiegebied geheel of
grotendeels is gelegen;
provinciale staten: provinciale staten van de provincie waarin het
reconstructiegebied geheel of grotendeels is gelegen;
gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie waarin het
reconstructiegebied geheel of grotendeels is gelegen.
Artikel 3
1.Gedeputeerde staten nemen de besluiten, bedoeld in de artikelen
31, eerste lid, en 38, in voorkomend geval in overeenstemming met
gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het
reconstructiegebied mede is gelegen.
2.Provinciale staten nemen de besluiten, bedoeld in de artikelen 6,
eerste lid, 16, eerste lid, en 17, vierde lid, in voorkomend geval in
overeenstemming met provinciale staten van de andere provincies waarin
het reconstructiegebied mede is gelegen.
Artikel 4
Ter bevordering van een goede ruimtelijke structuur van de
concentratiegebieden, in het bijzonder met betrekking tot landbouw,
natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur,
alsmede ter verbetering van een goed woon-, werk- en leefklimaat en van
de economische structuur, vindt in deze gebieden een reconstructie
plaats op grond van deze wet.
Artikel 5
De reconstructie omvat de gecoördineerde en geďntegreerde
voorbereiding, vaststelling en uitvoering van maatregelen en
voorzieningen, waaronder in ieder geval maatregelen en voorzieningen:
a. ter verbetering van de ruimtelijke structuur ten behoeve van
de landbouw, mede teneinde de veterinaire risico's voortvloeiend uit
een hoge veedichtheid te verminderen;
b. ter verbetering van de kwaliteit van natuur en landschap en
c. ter verbetering van de kwaliteit van milieu en water.
Artikel 6
1.Provinciale staten stellen voor elk concentratiegebied een of
meer reconstructiecommissies in.
2.De reconstructiecommissie is een commissie als bedoeld in
hoofdstuk V van de Provinciewet.
Artikel 7
1.Provinciale staten regelen, in zoverre in afwijking van de
artikelen 80, eerste lid, en 81, eerste lid, van de Provinciewet, en
in voorkomend geval in overeenstemming met provinciale staten van de
andere provincies waarin het reconstructiegebied mede is gelegen, de
samenstelling van de reconstructiecommissie zodanig dat in elk geval
uit elk van de volgende geledingen ten minste een lid in de
reconstructiecommissie zitting heeft:
a. gemeenten;
b. waterschappen;
c. landbouw;
d. natuur en landschap;
e. milieu en
f. recreatie.
2.Alvorens te beslissen omtrent de samenstelling van de
reconstructiecommissie, voeren provinciale staten overleg met de
besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen omtrent de wijze
waarop de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde geledingen in
de reconstructiecommissie zullen zijn vertegenwoordigd.
3.Gedeputeerde staten zenden bericht van de samenstelling en de
taken en bevoegdheden van de reconstructiecommissie aan Onze Ministers
alsmede aan:
a. de colleges van burgemeester en wethouders van de betrokken
gemeenten en
b. de dagelijkse besturen van de betrokken waterschappen.
4.Onze Ministers voegen ieder een adviseur aan de
reconstructiecommissie toe.
5.Gedeputeerde staten voegen op voordracht van het bestuur van de
Dienst voor het kadaster en de openbare registers een ingenieur van
die Dienst en een of meer plaatsvervangers als adviseur toe aan de
reconstructiecommissie.
Artikel 8
De Dienst landelijk gebied staat gedeputeerde staten en de
reconstructiecommissie bij in de vervulling van de aan hen opgedragen en
op de reconstructie betrekking hebbende taken.
Hoofdstuk 2. Het reconstructieplan
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 9
1.Met het oog op het bereiken van de doelstellingen, bedoeld in
artikel 4, geschieden de voorbereiding, de vaststelling en de
uitvoering van het reconstructieplan met inachtneming van de in de
bijlage bij deze wet opgenomen rijksuitgangspunten.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen criteria worden
vastgesteld voor de wijze waarop de toetsing van de resultaten van de
reconstructieplannen aan de rijksuitgangspunten, bedoeld in het eerste
lid, kan plaatsvinden.
Artikel 10
1.Onze Ministers bepalen jaarlijks, na overleg met gedeputeerde
staten van de provincies waarin de concentratiegebieden zijn gelegen,
telkens voor een termijn van vier jaren, op basis van vastgesteld
rijksbeleid met betrekking tot de in de artikelen 4 en 5 genoemde
aspecten en in het perspectief van de rijksuitgangspunten, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, de beleidsprioriteiten voor de reconstructie
van de onderscheiden concentratiegebieden. Daarbij kunnen zij tevens
de rijksuitgangspunten aan de hand van het in de eerste volzin
bedoelde rijksbeleid nader uitwerken.
2.Het overleg met gedeputeerde staten van de provincies, bedoeld in
het eerste lid, is erop gericht overeenstemming te bereiken met
gedeputeerde staten van de provincies over de beleidsprioriteiten. Van
overeenstemming wordt blijk gegeven bij bestuursovereenkomst.
Titel 2. Inhoud van het reconstructieplan
Artikel 11
1.Voor elk concentratiegebied worden een of meer
reconstructieplannen vastgesteld.
2.Een reconstructieplan bevat:
a. een aanduiding van de grenzen van het reconstructiegebied;
b. een beschrijving van de in het reconstructiegebied bestaande
toestand van de aspecten, bedoeld in artikel 4;
c. de aanduiding van de meest gewenste ontwikkeling van het
reconstructiegebied ten aanzien van de aspecten, bedoeld in
artikel 4;
d. een beschrijving van de ruimtelijke indeling van het
reconstructiegebied in landbouwontwikkelingsgebieden,
verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden;
e. een aanduiding van de te treffen maatregelen en
voorzieningen met het oog op de ontwikkeling, bedoeld in onderdeel
c;
f. een beschrijving van de te verwachten gevolgen van de onder
e bedoelde maatregelen en voorzieningen voor de toestand van de
aspecten, bedoeld in artikel 4;
g. een globale raming van de totale kosten en de verdeling
daarvan over de te treffen maatregelen en voorzieningen, alsmede
een tijdschema voor de uitvoering van de maatregelen en
voorzieningen;
h. in voorkomend geval een aanduiding van te verwerven
onroerende zaken;
i. in voorkomend geval de aanwijzing van te onteigenen percelen
of opstallen;
j. een of meer kaarten die met inachtneming van het vierde lid
zijn vervaardigd.
3.In het reconstructieplan wordt in voorkomend geval bepaald ten
aanzien van welke onderdelen van het plan uitwerking als bedoeld in
artikel 18 zal plaatsvinden.
4.Op de kaarten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel j, worden zo
nauwkeurig mogelijk aangegeven:
a. de begrenzing van het reconstructiegebied;
b. de begrenzing van de landbouwontwikkelingsgebieden, de
verwevingsgebieden en de extensiveringsgebieden, alsmede van de
binnen de verwevings- of extensiveringsgebieden gelegen
varkensvrije zones;
c. de bestaande en in voorkomend geval de te ontwikkelen
natuur- en bosgebieden, landschappelijke elementen, waaronder
cultuurhistorische, aardkundige en natuurwetenschappelijke
elementen, en recreatieve voorzieningen;
d. de bestaande en in voorkomend geval de te verbeteren en
nieuw aan te leggen openbare wegen, waterlopen, dijken of kaden en
andere infrastructurele voorzieningen;
e. in voorkomend geval de te verwerven onroerende zaken;
f. in voorkomend geval de te onteigenen percelen of opstallen.
5.Indien voor het reconstructiegebied of delen daarvan een
structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2, eerste of tweede lid, van
de Wet ruimtelijke ordening, is vastgesteld, wordt in het
reconstructieplan aangegeven op welke onderdelen het reconstructieplan
afwijkt van die structuurvisie.
6.In het reconstructieplan wordt aangegeven voor welke delen van
het plangebied artikel 27 van toepassing is.
Artikel 12
1.Het reconstructieplan bestrijkt een termijn van ten hoogste
twaalf jaren.
2.Telkens na verloop van een periode van vier jaren bezien
gedeputeerde staten, in voorkomend geval tezamen met gedeputeerde
staten van de andere provincies waarin het reconstructiegebied mede is
gelegen, of het reconstructieplan, mede met inachtneming van de
beleidsprioriteiten, bedoeld in artikel 10, wijziging behoeft. Zij
doen van hun bevindingen mededeling aan Onze Ministers.
3.Onze Ministers kunnen gedeputeerde staten verzoeken een wijziging
van het reconstructieplan voor te bereiden gelet op de
beleidsprioriteiten, bedoeld in artikel 10. Gedeputeerde staten zijn
gehouden aan dit verzoek gevolg te geven. Indien het
reconstructiegebied, waarop het in de eerste volzin bedoelde
reconstructieplan betrekking heeft, is gelegen op het grondgebied van
meerdere provincies, doen Onze Ministers het in de eerste volzin
bedoelde verzoek aan de betrokken colleges van gedeputeerde staten
gezamenlijk.
Titel 3. Het ontwerp van het reconstructieplan
Artikel 13
1. Wanneer gedeputeerde staten het ten behoeve van het opstellen
van een ontwerp van een reconstructieplan nodig achten dat grond wordt
betreden of daarop gravingen of opmetingen worden verricht of tekens
gesteld, moet de eigenaar van de grond of degene aan wie een beperkt
recht toebehoort waaraan de grond is onderworpen, dit dulden.
2. Voorzover een belanghebbende ten gevolge van de toepassing van
het eerste lid schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of
niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kennen gedeputeerde
staten op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding
toe.
3. Aan de belanghebbende wordt op aanvraag een door gedeputeerde
staten te bepalen voorschot op de schadevergoeding toegekend.
4. In dit artikel wordt verstaan onder gedeputeerde staten:
gedeputeerde staten van de provincie waar de gronden die worden
betreden of waarop de in het eerste lid genoemde werkzaamheden worden
verricht, geheel of grotendeels zijn gelegen.
Artikel 14
1. Gedeputeerde staten stellen, in voorkomend geval in
overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies
waarin het reconstructiegebied mede is gelegen, het reconstructieplan
in ontwerp op binnen negen maanden na inwerkingtreding van deze wet.
2. Voorafgaand aan de opstelling van het ontwerp van het
reconstructieplan sluiten gedeputeerde staten, in voorkomend geval
gezamenlijk met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin
het reconstructiegebied mede is gelegen, een bestuursovereenkomst met
de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen omtrent de
wijze waarop de betrokkenheid van de desbetreffende gemeenten en
waterschappen bij de totstandkoming en uitvoering van het
reconstructieplan, alsmede de afstemming met de procedures voor de
vaststelling van bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 3.1 van de
Wet ruimtelijke ordening en omgevingsvergunningen waarbij met
toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt
afgeweken, zal zijn gewaarborgd.
Artikel 15
1.Op de voorbereiding van het reconstructieplan is afdeling 3.4 van
de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat
daaraan toepassing wordt gegeven door gedeputeerde staten, in
voorkomend geval in overeenstemming met gedeputeerde staten van de
andere provincies waarin het reconstructiegebied is gelegen.
2.Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Titel 4. Vaststelling van het reconstructieplan
Artikel 16
1.Provinciale staten stellen het reconstructieplan vast binnen acht
weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is
verstreken.
2.Ten aanzien van onderdelen van het reconstructieplan die een
afwijking inhouden van een vastgesteld structuurvisie als bedoeld in
artikel 2.2, eerste of tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening,
geldt de vaststelling van het reconstructieplan als besluit tot
herziening van die structuurvisie.
3.Indien provinciale staten niet binnen de termijn, bedoeld in het
eerste lid, het reconstructieplan vaststellen, kunnen Onze Ministers
in afwijking van het eerste lid zelf het reconstructieplan
vaststellen.
Artikel 17
1.Het reconstructieplan, bedoeld in artikel 16, eerste lid, behoeft
de goedkeuring van Onze Ministers. Onze Ministers nemen het besluit
omtrent goedkeuring in overeenstemming met Onze Ministers die het mede
aangaat.
2.De goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, kan worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang of indien
onvoldoende is gewaarborgd dat met de beschikbare middelen het plan
genoegzaam en met inachtneming van de beleidsprioriteiten, bedoeld in
artikel 10, kan worden uitgevoerd.
3.Het besluit tot goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, wordt
geacht te zijn genomen indien binnen vier weken na de verzending ter
goedkeuring geen besluit omtrent goedkeuring of besluit tot verdaging
als bedoeld in artikel 10:31, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, dan wel binnen de termijn waarvoor het besluit is
verdaagd, geen besluit omtrent goedkeuring is bekendgemaakt aan
provinciale staten. In afwijking van artikel 10:31, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn waarmee een besluit
omtrent goedkeuring kan worden verdaagd ten hoogste vier weken.
4.Indien Onze Ministers hun goedkeuring onthouden aan het
reconstructieplan, stellen provinciale staten, rekening houdend met de
overwegingen die tot de onthouding van de goedkeuring hebben geleid,
binnen een door Onze Ministers vast te stellen termijn een gewijzigd
reconstructieplan vast.
5.Het gewijzigde reconstructieplan, bedoeld in het vierde lid,
behoeft de goedkeuring van Onze Ministers. Het tweede en derde lid
zijn van overeenkomstige toepassing.
6.Onze Ministers kunnen, indien provinciale staten niet binnen de
termijn, bedoeld in het vierde lid, een gewijzigd reconstructieplan
vaststellen of indien Onze Ministers het gewijzigde reconstructieplan
niet goedkeuren, zelf het gewijzigde reconstructieplan vaststellen. In
dat geval wordt van het oorspronkelijk vastgestelde reconstructieplan
slechts afgeweken voorzover dit redelijkerwijs voortvloeit uit de in
het vierde lid bedoelde overwegingen.
Artikel 18
1.In het reconstructieplan kan worden bepaald dat, indien het
belang van de reconstructie dit vordert, het reconstructieplan kan
worden uitgewerkt met inachtneming van in het plan vervatte regelen.
2.Op de vaststelling van de uitwerking van het reconstructieplan
zijn de artikelen 13 tot en met 17, met uitzondering van de termijn,
genoemd in artikel 14, eerste lid, en van artikel 14, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing.
3.De in het eerste lid bedoelde uitwerking maakt na vaststelling en
voorzover vereist goedkeuring daarvan deel uit van het
reconstructieplan.
Artikel 19
1.De uitwerking van het reconstructieplan bevat voorzover van
toepassing:
a. de te treffen maatregelen en voorzieningen, bedoeld in
artikel 11, tweede lid, onderdeel e, voorzover in het
reconstructieplan is bepaald dat ten aanzien daarvan uitwerking
plaats zal vinden;
b. aanduidingen van te verwerven onroerende zaken;
c. de aanwijzing van te onteigenen percelen of opstallen;
d. de toewijzing van eigendom van buiten een blok gelegen:
1°. wegen, waterlopen, dijken of kaden met de daartoe
behorende kunstwerken;
2°. gebieden van belang uit een oogpunt van natuur- en
landschapsbehoud en elementen van landschappelijke,
recreatieve, cultuurhistorische, aardkundige of
natuurwetenschappelijke waarde;
3°. andere voorzieningen van openbaar nut;
e. de toewijzing en regeling van beheer en onderhoud van buiten
een blok gelegen wegen, waterlopen, dijken of kaden met de daartoe
behorende kunstwerken;
f. voor elke te treffen maatregel of voorziening een raming van
de kosten, alsmede een tijdschema voor de uitvoering;
g. overige aspecten, ten aanzien waarvan in het
reconstructieplan is bepaald dat uitwerking plaats zal vinden.
2.Indien voor het reconstructiegebied of delen daarvan
structuurvisies als bedoeld in artikel 2.2, eerste of tweede lid, van
de Wet ruimtelijke ordening, zijn vastgesteld, wordt in de uitwerking
van het reconstructieplan aangegeven op welke onderdelen de uitwerking
afwijkingen van zodanige streekplannen inhoudt.
3.In de uitwerking van het reconstructieplan wordt aangegeven voor
welke delen van het plangebied artikel 27 van toepassing is.
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 26
1.Het reconstructieplan kan worden gewijzigd.
2.Onze Ministers kunnen gedeputeerde staten om zwaarwegende redenen
van algemeen belang verzoeken een wijziging van het reconstructieplan
voor te bereiden. Artikel 12, derde lid, tweede en derde volzin, zijn
van overeenkomstige toepassing.
3.De artikelen 13 tot en met 25, met uitzondering van de termijn,
genoemd in artikel 14, eerste lid, en van artikel 14, tweede lid, zijn
van overeenkomstige toepassing op wijziging van het reconstructieplan.
Artikel 27
1. Voor in het reconstructieplan overeenkomstig artikel 11, zesde
lid, of artikel 19, derde lid, aangewezen delen van het
reconstructiegebied geldt het reconstructieplan als een
voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet
ruimtelijke ordening. Artikel 3.7, vijfde tot en met zevende lid, van
die wet is niet van toepassing. Het reconstructieplan geldt voor die
delen van het reconstructiegebied niet meer als voorbereidingsbesluit
indien voor de desbetreffende onderdelen van het reconstructiegebied
een bestemmingsplan in overeenstemming met het reconstructieplan van
kracht is geworden.
2. Artikel 3.3, eerste tot en met derde lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing op aanvragen om een
omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onder a, van die wet ter uitvoering van de in het
eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan.
3. Voor zover de in het eerste lid bedoelde delen van het
reconstructieplan en het bestemmingsplan of de beheersverordening niet
met elkaar in overeenstemming zijn, geldt het reconstructieplan voor
de uitvoering daarvan als een een omgevingsvergunning waarbij met
toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken.
4. Voor zover een bestemmingsplan of een ander besluit een
omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht vereist, geldt zodanige eis niet voor de uitvoering van
werken en werkzaamheden ter uitvoering van het reconstructieplan in de
in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructiegebied.
Artikel 27a
1. In gevallen als bedoeld in artikel 27, derde lid, stelt de
gemeenteraad binnen een jaar nadat het reconstructieplan
onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een
beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening
overeenkomstig het reconstructieplan vast.
2. De bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van door
of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden
met het reconstructieplan, wordt opgeschort tot het tijdstip waarop
het bestemmingsplan dan wel de beheersverordening is vastgesteld
overeenkomstig het reconstructieplan. De bevoegdheid vervalt indien
het bestemmingsplan dan wel de beheersverordening niet binnen zes
maanden na het verstrijken van de in het eerste lid gestelde termijn
is vastgesteld.
Artikel 28
Het reconstructieplan, alsmede een uitwerking of wijziging van een
reconstructieplan, wordt onverwijld na de goedkeuring of, in het in
artikel 16, derde lid, of 17, zesde lid, bedoelde geval, na de
vaststelling door Onze Ministers, bekendgemaakt.
Artikel 29
1. Tegen een besluit tot vaststelling, wijziging of uitwerking van
het reconstructieplan kan een belanghebbende beroep instellen bij de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2. Het besluit tot goedkeuring, bedoeld in artikel 17, eerste of
vijfde lid, maakt voor de toepassing van het eerste lid, deel uit van
het daaraan ten grondslag liggende besluit tot vaststelling, wijziging
of uitwerking van het reconstructieplan.
3. Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag
vindt in een bekend gemaakt reconstructieplan en dit binnen de termijn
bedoeld in artikel 27a, eerste lid, ter inzage is gelegd, kunnen
zienswijzen daarop geen betrekking hebben.
4. Voor zover een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in een
bekend gemaakt reconstructieplan en dit binnen de termijn bedoeld in
artikel 27a, eerste lid, ter inzage is gelegd, kunnen tegen dat
bestemmingsplan in beroep geen gronden worden aangevoerd die
betrekking hebben op dat reconstructieplan.
Titel 5. Schadevergoeding
Artikel 30
1.Voorzover een belanghebbende ten gevolge van de vaststelling van
een reconstructieplan schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs
niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de
vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of
anderszins is verzekerd, kennen gedeputeerde staten op aanvraag een
naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
vaststelling van een uitwerking of een wijziging van een
reconstructieplan.
3.Een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in het eerste
lid moet worden ingediend binnen vijf jaar nadat het desbetreffende
besluit onherroepelijk is geworden.
4.Van de aanvrager heffen gedeputeerde staten een recht ten bedrage
van € 300, welk bedrag bij provinciale verordening met ten hoogste
twee derde deel kan worden verhoogd of verlaagd. Zij wijzen hem op de
verschuldigdheid van het recht en delen hem mede dat het verschuldigde
bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling op
de rekening van de provincie dan wel op een aangegeven plaats moet
zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is
bijgeschreven of gestort verklaren zij de aanvrager niet ontvankelijk,
tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat aanvrager in
verzuim is geweest. Indien op de aanvraag geheel of gedeeltelijk
positief wordt beslist, storten gedeputeerde staten het betaalde recht
terug.
5.Het in het vierde lid genoemde bedrag kan bij algemene maatregel
van bestuur worden gewijzigd voor zover het prijsindexcijfer voor de
gezinscomsumptie daartoe aanleiding geeft.
6.Aan de belanghebbende wordt op aanvraag een door gedeputeerde
staten te bepalen voorschot op de schadevergoeding toegekend.
7.In dit artikel wordt verstaan onder gedeputeerde staten:
gedeputeerde staten van de provincie waar de in het reconstructieplan
opgenomen maatregel of voorziening waardoor de schade optreedt, ten
aanzien van de belanghebbende wordt getroffen.
Titel 6. Programmering van de uitvoering
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 34 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 34a [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-2007]
Titel 7. Overige bepalingen
Artikel 36
1.Met ingang van het tijdstip waarop het ontwerp van het
reconstructieplan ter inzage is gelegd tot het tijdstip waarop het
reconstructieplan voor de betrokken onroerende zaken is verwezenlijkt,
is het behoudens ontheffing verboden handelingen te verrichten die de
verwezenlijking van het reconstructieplan ernstig belemmeren. De
ontheffing wordt verleend door gedeputeerde staten van de provincie
waar de betrokken onroerende zaken geheel of grotendeels zijn gelegen.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij wijziging of
uitwerking van het reconstructieplan.
3.Na bekendmaking van het reconstructieplan, of de wijziging of
uitwerking daarvan, is het behoudens ontheffing eigenaren en
gebruiksgerechtigden van tot een blok behorende onroerende zaken
verboden handelingen te verrichten, of handelingen die door een
normale bedrijfsvoering worden geëist achterwege te laten, indien
daardoor de waarde van hun onroerende zaken zou veranderen. De tweede
volzin van het eerste lid is van toepassing.
4.Indien de verandering van de waarde, bedoeld in het derde lid,
een waardevermeerdering betreft, behoeft deze niet te worden vergoed,
tenzij deze vermeerdering het gevolg is van handelingen waarvoor
ontheffing is verleend.
5.Voor de toepassing van dit artikel worden niet verstaan onder
handelingen: besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet
bestuursrecht, of feitelijke handelingen ter uitvoering daarvan.
Hoofdstuk 3. De uitvoering
Titel 1. Inleidende bepalingen
Artikel 37
1.Zodra een reconstructieplan of een uitwerking of wijziging
daarvan is bekendgemaakt, kan de uitvoering hiervan ter hand worden
genomen.
2.Voorzover niet anders is bepaald, zijn gedeputeerde staten belast
met de uitvoering van het reconstructieplan.
3.De uitvoering geschiedt met inachtneming van het
reconstructieplan.
Artikel 38
1.Gedeputeerde staten kunnen besluiten het reconstructieplan in
delen in uitvoering te nemen.
2.Gedeputeerde staten kunnen besluiten delen als bedoeld in het
eerste lid, bij voorrang in uitvoering te nemen.
3.Gedeputeerde staten kunnen besluiten bepaalde maatregelen of
voorzieningen slechts in uitvoering te nemen, indien tussen
gedeputeerde staten en een ander openbaar lichaam dan het Rijk
overeenstemming is verkregen over de geldelijke bijdrage van het
lichaam in de kosten van deze maatregel of voorziening, en over de
voorwaarden waaronder de vergoeding van deze kosten zal plaatsvinden.
Titel 2. Coördinatie van besluitvorming
Artikel 39
In deze titel wordt verstaan onder gedeputeerde staten: gedeputeerde
staten van de provincie waar de activiteiten, waarop de aanvragen
betrekking hebben, geheel of in hoofdzaak plaatsvinden of zullen
plaatsvinden.
Artikel 40
1.Indien in het kader van de uitvoering van het reconstructieplan
aanvragen zijn ingediend tot het geven van met elkaar samenhangende
besluiten, kunnen gedeputeerde staten een gecoördineerde behandeling
van die aanvragen bevorderen.
2.Gedeputeerde staten zijn gehouden een gecoördineerde behandeling
van aanvragen als bedoeld in het eerste lid, te bevorderen wanneer een
van de betrokken bestuursorganen dan wel de aanvrager of een van de
aanvragers dat aanvraagt.
3.Gedeputeerde staten zijn voorts gehouden op aanvraag van degene
die voornemens is een of meer aanvragen te doen als bedoeld in het
eerste lid, een gecoördineerde voorbereiding van die aanvragen te
bevorderen.
4.Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het eerste,
tweede of derde lid, delen zij dit onverwijld schriftelijk mede aan de
aanvrager of aanvragers en elk der andere bestuursorganen waartoe een
of meer van de aanvragen mocht zijn gericht.
Artikel 41
1.In geval van gecoördineerde behandeling van aanvragen is op de
voorbereiding van de besluiten, bedoeld in artikel 40, eerste lid,
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met
dien verstande dat daaraan toepassing wordt gegeven door gedeputeerde
staten. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
2.De in het eerste lid bedoelde procedure treedt in de plaats van
de bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift voor die
besluiten bepaalde procedure.
3.Als datum van ontvangst van de aanvragen geldt de datum waarop de
laatste daarvan is ontvangen. Indien het ontwerp van het besluit op
een aanvraag al overeenkomstig artikel 3:13, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht is toegezonden, blijft artikel 3:11, eerste
lid, met betrekking tot die aanvraag buiten toepassing.
4.Gedeputeerde staten delen de datum, bedoeld in het derde lid,
onverwijld mede aan de aanvrager of aanvragers en aan elk der andere
bestuursorganen waaraan een of meer van de aanvragen mocht zijn
gericht, onder vermelding van de datum waarop de laatste aanvraag is
ontvangen.
5.Gedeputeerde staten dragen ervoor zorg dat:
a. ten aanzien van de ontwerpen van besluiten gezamenlijk
toepassing wordt gegeven aan de artikelen 3:11, eerste lid, en
3:12 van de Algemene wet bestuursrecht;
b. de gelegenheid tot het mondeling naar voren brengen van
zienswijzen wordt gegeven met betrekking tot de ontwerpen van de
betrokken besluiten gezamenlijk;
c. van de besluiten tot verlenging van de beslistermijn,
bedoeld in artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, gezamenlijk mededeling wordt gedaan;
d. de betrokken besluiten gezamenlijk overeenkomstig de
artikelen 3:41 tot en met 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht
worden bekendgemaakt en medegedeeld.
Artikel 42
1.Gedeputeerde staten kunnen van de bestuursorganen die bevoegd
zijn te besluiten op de aanvragen waarover de in artikel 40 bedoelde
coördinatie zich uitstrekt, alsmede van de bij de besluiten betrokken
adviseurs de medewerking vorderen die voor het welslagen van de
coördinatie nodig is.
2.De in het eerste lid bedoelde bestuursorganen en adviseurs zijn
gehouden de van hen gevorderde medewerking te verlenen.
Artikel 43
1.De bestuursorganen die bevoegd zijn te besluiten op de aanvragen
waarover de in artikel 40 bedoelde coördinatie zich uitstrekt, nemen
de in dat artikel bedoelde besluiten binnen drie maanden na de datum,
bedoeld in artikel 41, derde lid, en zenden deze besluiten onverwijld
toe aan gedeputeerde staten.
2.De in het eerste lid bedoelde termijn treedt in de plaats van de
bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift voor die besluiten
bepaalde termijn.
3.Indien een bestuursorgaan als bedoeld in het eerste lid, niet of
niet tijdig een besluit aan gedeputeerde staten zendt, kunnen
gedeputeerde staten een besluit op de desbetreffende aanvraag nemen.
In dat geval treedt hun besluit in de plaats van het besluit van het
in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien gedeputeerde staten
voornemens zijn zelf een besluit op de aanvraag te nemen, plegen zij
overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de
aanvraag te beslissen.
4.Het derde lid is niet van toepassing indien een van Onze
betrokken Ministers het bevoegde bestuursorgaan is.
Artikel 44
Tegen een besluit genomen met toepassing van de artikelen 40 tot en
met 43 kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Titel 3. Doorwerking van het reconstructieplan in besluiten
Artikel 45
Het bestuursorgaan dat bevoegd is te besluiten op een aanvraag die
wordt ingediend in het kader van de uitvoering van het
reconstructieplan, neemt hierbij het reconstructieplan in acht.
Artikel 46
Geen subsidies worden verstrekt indien de verstrekking daarvan
strijdig zou zijn met het reconstructieplan.
Titel 4. Gebruiksverboden
Artikel 47
1.Ten aanzien van gebieden die daartoe in het reconstructieplan
zijn aangewezen, kunnen provinciale staten van de provincie waar de
betrokken gebieden zijn gelegen, in voorkomend geval in
overeenstemming met provinciale staten van de provincies waar de
betrokken gebieden mede, maar niet in hoofdzaak zijn gelegen, bij
provinciale verordening bepalen dat het met ingang van een bij
zodanige verordening te bepalen tijdstip verboden is in de
desbetreffende gebieden gelegen opstallen voor in die verordening
vastgestelde doeleinden te gebruiken of met het oog op zodanige
doeleinden anders te gebruiken dan onder in die verordening te stellen
regels, voorzover dit bijdraagt aan de doelstellingen, bedoeld in
artikel 4.
2.De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen slechts worden
gesteld in het belang van de uitvoering van het reconstructieplan.
3.Gedeputeerde staten van de provincie waar de betrokken opstallen
zijn gelegen, kunnen ontheffing verlenen van een verbod als bedoeld in
het eerste lid. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften of
beperkingen worden verbonden.
4.Voorzover een belanghebbende ten gevolge van de toepassing van
het eerste lid schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of
niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kennen gedeputeerde
staten op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding
toe.
5.Aan de belanghebbende wordt op aanvraag een door gedeputeerde
staten te bepalen voorschot op de schadevergoeding toegekend.
Titel 5. Herverkaveling
Artikel 48
Indien herverkaveling als een van de in artikel 11, tweede lid,
onderdeel e, bedoelde maatregelen of voorzieningen in het
reconstructieplan is opgenomen dan zijn de hoofdstukken 4 tot en met 8,
10 en 11 van de Wet inrichting landelijk gebied daarop van toepassing.
Titel 6 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 1 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 2 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 51 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 52 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 53 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 54 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 3 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 55 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 4 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 56 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 5 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 1 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 59 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 2 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 61 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 3 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 62 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 63 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 65 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 66 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 67 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 68 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 69 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 70 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 71 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 4 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 72 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 73 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 5 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 74 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 6 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 75 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 6a [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 77a [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 78 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 7 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 79 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 79a [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 79b [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 79c [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 80 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 81 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 8 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 82 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 83 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 6 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 84 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 85 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 86 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 87 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 88 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 89 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 7 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 90 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 91 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 8 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 91a [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 91b [Vervallen per 01-01-2007]
Hoofdstuk 4. De kosten
Artikel 92
Ten laste van het Rijk komen de kosten van de schadevergoedingen,
bedoeld in de artikelen 13, derde lid, 30, eerste lid, en 47, vierde
lid.
Artikel 93 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 94 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 95 [Vervallen per 01-01-2007]
Hoofdstuk 5. Strafbepalingen
Artikel 96
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 97
1.Landinrichtingsprojecten die in een reconstructiegebied in
voorbereiding of in uitvoering zijn, worden, voor zover ten aanzien
van deze projecten nog geen regels voor het plan van toedeling, als
bedoeld in artikel 195, eerste lid, van de Landinrichtingswet zijn
vastgesteld, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel
uitgevoerd met inachtneming van het bij of krachtens deze wet
bepaalde.
2.Onze Minister regelt het nodige ter uitvoering van het eerste
lid. Hij kan daarbij, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat
naargelang de voortgang van een landinrichtingsproject, bepalingen van
deze wet buiten toepassing blijven.
Artikel 98
[Wijzigt de Onteigeningswet]
Artikel 98a
Onze Ministers zenden binnen vier jaar na de inwerkingtreding van
deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en
de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 99
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 100
Deze wet wordt aangehaald als: Reconstructiewet concentratiegebieden.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 31 januari 2002
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
G.H. Faber
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.P. Pronk
Uitgegeven de zevende maart 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage, bedoeld in artikel 9 van de
Reconstructiewet concentratiegebieden
Rijksuitgangspunten voor het opstellen van het
reconstructieplan
§ 1. Begrippenkader
In deze bijlage wordt verstaan onder:
waardevolle en kwetsbare gebieden:
– prioritaire
milieubeschermingsgebieden, bedoeld in het provinciale
milieubeleidsplan,
– waardevolle
cultuurlandschappen, bedoeld in deel 4 van het Structuurschema
Groene Ruimte,
– gebieden behoud en herstel
bestaande landschapskwaliteit, bedoeld in deel 4 van het
Structuurschema Groene Ruimte,
– open ruimten waarvoor een (rijks)restrictief
beleid geldt, bedoeld in deel 4 van de Vierde nota ruimtelijke
ordening extra,
– verdroogde gebieden,
– strategische groenprojecten,
bedoeld in deel 4 van het Structuurschema Groene Ruimte,
– de ecologische
hoofdstructuur;
bestaande bos- en natuurgebieden:
– bossen, natuurterreinen en
landschapselementen die voor de toepassing van de Interimwet
ammoniak en veehouderij worden aangemerkt als voor verzuring
gevoelig gebied;
ecologische hoofdstructuur:
– ecologische hoofdstructuur,
zoals deze globaal is weergegeven in deel 4 van het
Structuurschema Groene Ruimte.
§ 2. rijksuitgangspunten
A. Ruimtelijk en veterinair
1. De ligging van
extensiveringsgebieden sluit aan bij de zeer kwetsbare bos- en
natuurgebieden en kernrandzones.
2. Bij de indeling van het gebied van
het reconstructieplan wordt zoveel mogelijk gekozen voor afgeronde
gebieden, waarbij rekening wordt gehouden met natuurlijke
barričres, infrastructuur van wegen, spoorwegen en waterlopen en
bestaande of toekomstige stedelijke bebouwing.
3. Het reconstructieplan beschrijft
de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen:
a. ter voorkoming van vestiging
of uitbreiding van intensieve veehouderij in de
extensiveringsgebieden;
b. ter bevordering van de
beëindiging of de verplaatsing van intensieve veehouderij in de
extensiveringsgebieden naar buiten de extensiveringsgebieden
gelegen locaties;
c. ter zake van agrarische
bedrijfsgebouwen die in de extensiveringsgebouwen vrijkomen als
gevolg van beëindiging of verplaatsing van intensieve
veehouderij;
d. ter realisering van de
inrichting van de verwevingsgebieden en
landbouwontwikkelingsgebieden.
4. Een varkensvrije zone is ten
minste 1000 meter breed.
5. De ligging van varkensvrije zones
wordt zodanig gekozen dat zij een natuurlijke barričre vormen
waardoor transport van vee zo veel mogelijk wordt tegengegaan. Bij
het vaststellen van de ligging van een varkensvrije zone wordt
daartoe rekening gehouden met bestaande transportstromen van levende
dieren en de omvang van de gebieden die door deze varkensvrije zone
zal worden omsloten.
6. De ligging van een varkensvrije
zone sluit aan bij de ecologische hoofdstructuur dan wel bij de
waardevolle en kwetsbare gebieden, de infrastructuur van wegen,
spoorwegen en waterlopen of bestaande en toekomstige stedelijke
bebouwing.
7. De varkensvrije zones worden
zoveel mogelijk voorzien in de extensiveringsgebieden.
8. Rekening wordt gehouden met
rijksnota's op het gebied van ruimtelijke ordening, water, milieu,
cultuurhistorie, landschap en natuur.
B. Milieu
1. In het reconstructieplan wordt in
ieder geval aangegeven welke onderdelen van de in het
reconstructiegebied gelegen ecologische hoofdstructuur, waaronder in
ieder geval de daarin gelegen bestaande bosen natuurgebieden en,
voorzover deze door de provincies zijn begrensd, de daarin gelegen
natuurontwikkelings-, reservaats- en beheersgebieden, voor verzuring
gevoelig zijn.
2. Het reconstructieplan geeft voor
de onder punt B.1 bedoelde gebieden kwalitatief en kwantitatief
inzicht in de gevolgen van de uitvoering van de in het
reconstructieplan opgenomen maatregelen en voorzieningen voor de
ammoniakemissie en -depositie.
3. Het reconstructieplan geeft
inzicht in welke mate de uitvoering van de in het reconstructieplan
opgenomen maatregelen en voorzieningen leiden tot een vermindering
van het aantal stankgehinderden.
4. Het reconstructieplan geeft aan
welke gebieden binnen het reconstructiegebied gevoelig zijn voor de
doorslag van fosfaat of voor de uitspoeling van nitraat en geeft aan
in welke delen van deze gebieden en op welke wijze in het kader van
de reconstructie maatregelen en voorzieningen worden getroffen:
a. ter reductie van het
doorslagprobleem van fosfaat;
b. ter vermindering van de
uitspoeling van nitraat.
C. Water
1. Het reconstructieplan geeft aan
welke gebieden binnen het reconstructiegebied verdroogd of voor
verdroging gevoelig zijn en geeft aan in welke delen van deze
gebieden en op welke wijze in het kader van de reconstructie
maatregelen en voorzieningen worden getroffen, gericht op het
herstel van hydrologische systemen, inclusief bestrijding van de
eutrofiëring, voorkoming van wateroverlast, beekherstel, en
opheffing van de verdroging.
2. Het reconstructieplan geeft aan
voor welke kwetsbare oppervlaktewateren in het reconstructiegebied
in het kader van reconstructie maatregelen en voorzieningen worden
getroffen ter opheffing van ongezuiverde lozingen en overstort van
rioleringen.
D. Natuur en landschap
1. Het reconstructieplan beschrijft
de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen:
a. ter voorkoming van vestiging
en ter beperking van uitbreiding van intensieve veehouderij in
de begrensde reservaats- en natuurontwikkelingsgebieden en de
bestaande bos- en natuurgebieden;
b. ter bevordering van de
beëindiging of verplaatsing naar buiten de onder a bedoelde
gebieden gelegen locaties van intensieve veehouderijen die in
die gebieden gevestigd zijn;
c. ter zake van de agrarische
bedrijfsgebouwen die vrijkomen als gevolg van beëindiging of
verplaatsing van veehouderijen.
2. Het reconstructieplan geeft
aan welke maatregelen en voorzieningen worden getroffen om de
landschappelijke kwaliteit en de cultuurhistorische en
aardkundige waarden binnen het reconstructiegebied met het oog
op identiteit, belevingswaarde en verscheidenheid te behouden of
te verbeteren, onder meer door het tegengaan van verstening en
herstel van oude landschapsstructuren.
|
|
|