WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat een terughoudende rol van
de rijksoverheid waar mogelijk ten aanzien van uitvoerende taken gewenst
is;
Overwegende dat in dit kader de taak van de rijksoverheid als bevoegd
gezag van openbare scholen voor voortgezet onderwijs dient te worden
beëindigd;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel II
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel III. Overdracht van het bestuur van rijksscholen voor v.w.o.,
a.v.o. en l.b.o.
A Begripsbepalingen
In de artikelen III, IV, V en X wordt verstaan onder:
"Onze minister": Onze Minister van Onderwijs en
Wetenschappen;
"rijksschool": een door het Rijk in stand gehouden school
voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen
voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of
voor lager beroepsonderwijs;
"openbaar lichaam": een openbaar lichaam, ingesteld bij een
gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke
regelingen (Stb. 1984, 669) waarin deelnemen een of meer
gemeenten dan wel een of meer gemeenten en het Rijk, al dan niet te
zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid.
B Kennisgeving van voornemen tot overdracht van rijksscholen
1. Onze Minister geeft binnen vier weken na de datum, bedoeld in
artikel XI, eerste lid, aan elke gemeente waarin een rijksschool is
gevestigd, kennis van zijn voornemen het bestuur van deze school aan
die gemeente dan wel aan een door samenwerkende gemeenten voor dat
doel opgericht openbaar lichaam over te dragen. Deze kennisgeving
wordt tevens in het officiële publikatieblad van het Ministerie van
Onderwijs en Wetenschappen gepubliceerd.
2. Bij de overdracht van het bestuur van rijksscholen wordt
uitgegaan van verzoeken als bedoeld in onderdeel C van dit artikel.
C Verzoek tot overdracht van een rijksschool
1. Een verzoek tot overdracht van het bestuur van een rijksschool
kan worden ingediend door de gemeenteraad van de gemeente waarin een
rijksschool is gevestigd, dan wel door het krachtens de
desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan van een
openbaar lichaam.
2. Elk verzoek vermeldt de aangelegenheden die de aanvrager in
het kader van de overdracht van belang acht, waaronder in elk geval
een prognose omtrent het gewenste moment van overdracht.
3. Afschrift van een verzoek wordt door de aanvrager terstond na
de indiening daarvan gezonden aan de provincie die het aangaat.
4. Gedeputeerde staten kunnen een gemeente waarin een rijksschool
is gevestigd, opdragen een verzoek te richten tot Onze minister tot
overdracht van die school indien naar hun oordeel zulks noodzakelijk
is om te voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een
genoegzaam aantal scholen.
D Overleg met aanvrager
Onze minister treedt na de indiening van een verzoek als bedoeld in
onderdeel C van dit artikel in overleg met de aanvrager. Dit overleg
heeft in elk geval betrekking op de aangelegenheden, bedoeld in
onderdeel C, tweede lid, van dit artikel.
E Beslissing op verzoek tot overdracht
Binnen twee jaar na de indiening van het verzoek, bedoeld in
onderdeel C van dit artikel, neemt Onze minister een beslissing op dat
verzoek.
F Voldoende openbaar onderwijs m.i.v. 1 augustus 1995
Indien Onze minister blijkt dat de overdracht van het bestuur van een
rijksschool niet wordt verwezenlijkt en daardoor naar zijn oordeel met
ingang van 1 augustus 1995 niet voldoende zal zijn voorzien in de
behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen, en
gedeputeerde staten geen gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid,
genoemd in onderdeel C, vierde lid, van dit artikel, draagt hij de
gemeente op vóór 1 augustus 1994 een verzoek tot hem te richten tot
overdracht van de rijksschool die in die gemeente is gevestigd met
ingang van 1 augustus 1995.
G De overdracht van de rijksschool
Indien de in onderdeel E van dit artikel bedoelde beslissing strekt
tot overdracht van een rijksschool, wordt deze school door Onze minister
voor 1 augustus 1995 overgedragen aan de desbetreffende gemeente of het
desbetreffende openbaar lichaam. Onze minister komt met de gemeente of
het openbaar lichaam overeen op welk tijdstip de overdracht plaats
vindt.
Artikel IV. Opheffing van rijksscholen voor v.w.o., a.v.o. en l.b.o.
A Opheffing van niet bij overdracht betrokken scholen
1. De rijksscholen ten aanzien waarvan bij Onze minister geen
verzoek als bedoeld in onderdeel C van artikel III is ingediend,
alsmede de rijksscholen ten aanzien waarvan een zodanig verzoek is
ingediend doch waarvan het bestuur met ingang van 1 augustus 1995
niet is overgedragen, worden voor wat betreft de hieronder vermelde
leerjaren met ingang van de daarachter vermelde dag opgeheven:
a. het eerste leerjaar, 1 augustus 1995;
b. het tweede leerjaar, 1 augustus 1996;
c. het derde leerjaar, 1 augustus 1997;
d. het vierde leerjaar, 1 augustus 1998;
e. het vijfde leerjaar, 1 augustus 1999;
f. het zesde leerjaar, 1 augustus 2000.
2. Met betrekking tot de na 31 juli 1995 aangevangen hogere
leerjaren aan de scholen, bedoeld in het eerste lid, blijven de op
31 juli 1995 geldende voorschriften inzake die scholen van
toepassing.
B Gelegenheid tot het afleggen van eindexamen in de periode 1998-2001
1. Degenen die in het schooljaar 1997/1998 zijn afgewezen voor
het eindexamen, afgelegd aan een school voor middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs of aan een school voor lager beroepsonderwijs
als bedoeld in onderdeel A van dit artikel, hebben de gelegenheid in
het schooljaar 1998/1999 het eindexamen af te leggen volgens de bij
of krachtens artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs
vastgestelde voorschriften die gelden op 31 juli 1998.
2. Degenen die in het schooljaar 1998/1999 zijn afgewezen voor
het eindexamen, afgelegd aan een school voor hoger algemeen
voortgezet onderwijs als bedoeld in onderdeel A van dit artikel,
hebben de gelegenheid in het schooljaar 1999/2000 een examen af te
leggen volgens de bij of krachtens artikel 29 van de Wet op het
voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften die gelden op 31
juli 1999.
3. Degenen die in het schooljaar 1999/2000 zijn afgewezen voor
het eindexamen, afgelegd aan een school voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in onderdeel A van dit
artikel, hebben de gelegenheid in het schooljaar 2000/2001 een
examen af te leggen volgens de bij of krachtens artikel 29 van de
Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften die
gelden op 31 juli 2000.
Artikel V. Verzoeken om opneming op plan van scholen
Verzoeken als bedoeld in artikel 66 van de Wet op het voortgezet
onderwijs voor openbare scholen voor voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs en voor lager
beroepsonderwijs, van een gemeente waarin een of meer zodanige
rijksscholen zijn gevestigd, worden tot een bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen tijdstip niet in behandeling genomen, indien deze
gemeente heeft nagelaten een verzoek als bedoeld in onderdeel C van
artikel III in te dienen.
Artikel VI. Overdracht van het bestuur van rijksscholen voor
middelbaar landbouwonderwijs
Indien Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij blijkt
dat de overdracht van het bestuur van een rijksschool voor middelbaar
landbouwonderwijs niet wordt verwezenlijkt en daardoor naar zijn oordeel
met ingang van 1 augustus 1995 niet voldoende zal zijn voorzien in de
behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen, draagt
hij de gemeente op vóór 1 augustus 1994 een verzoek tot hem te richten
tot overdracht van de desbetreffende rijksschool die in die gemeente is
gevestigd met ingang van 1 augustus 1995.
Artikel VII. Opheffing van rijksscholen voor middelbaar
landbouwonderwijs
A Opheffing van niet overgedragen scholen
1. De rijksscholen voor middelbaar landbouwonderwijs waarvan het
bestuur met ingang van 1 augustus 1995 niet is overgedragen, worden
voor wat betreft de hieronder vermelde leerjaren met ingang van de
daarachter vermelde dag opgeheven:
a. het eerste leerjaar, 1 augustus 1995;
b. het tweede leerjaar, 1 augustus 1996;
c. het derde leerjaar, 1 augustus 1997;
d. het vierde leerjaar, 1 augustus 1998.
2. Met betrekking tot de na 31 juli 1995 aangevangen hogere
leerjaren aan de scholen, genoemd in het eerste lid, blijven de op
31 juli 1995 geldende voorschriften inzake die scholen van
toepassing.
B Gelegenheid tot het afleggen van eindexamen in de periode 1998-1999
Degenen die in het schooljaar 1997/1998 zijn afgewezen voor het
eindexamen, afgelegd aan een school voor middelbaar landbouwonderwijs
als bedoeld in onderdeel A van dit artikel, hebben de gelegenheid in het
schooljaar 1998/1999 het eindexamen af te leggen volgens de bij of
krachtens artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde
voorschriften die gelden op 31 juli 1998.
Artikel VIII. Opschorting van de opheffing van rijksscholen gedurende
de beroepsprocedure
Indien beroep is ingesteld tegen een beslissing als bedoeld in
artikel III onderdeel F of artikel VI, vinden de artikelen IV en VII
geen toepassing. Indien de uitspraak op het beroep leidt tot een verzoek
als bedoeld in artikel III onderdeel F of artikel VI, is artikel III
voor zover nodig van overeenkomstige toepassing. Indien de uitspraak op
het beroep leidt tot opheffing als bedoeld in artikel IV of artikel VII,
is het bepaalde in deze artikelen van overeenkomstige toepassing met
ingang van 1 augustus na de datum van de uitspraak op het beroep.
Artikel IX. Opschorting van de opheffing van rijksscholen gedurende
de procedures in het kader van de Wet medezeggenschap onderwijs
Indien met betrekking tot een voorgenomen besluit tot overdracht van
het bestuur van een rijksschool de procedures, bedoeld in de Wet
medezeggenschap onderwijs, niet zijn afgerond voor 1 augustus 1995,
vinden de artikelen IV en VII geen toepassing. Indien de uitkomst van de
procedure, bedoeld in artikel 10 van de in de eerste volzin genoemde
wet, leidt tot handhaving van het voorgenomen besluit tot overdracht van
het bestuur van een rijksschool, zijn de artikelen III en VI van
overeenkomstige toepassing. Indien de uitkomst van de in de tweede
volzin bedoelde procedure niet leidt tot handhaving van het voorgenomen
besluit tot overdracht van het bestuur van een rijksschool, zijn de
artikelen IV en VII alsnog van overeenkomstige toepassing.
Artikel X. Overgangsregeling berekening vergoeding van
exploitatiekosten voor scholen voor v.w.o., h.a.v.o. en m.a.v.o.
1. Bij het vaststellen van het bedrag, bedoeld in artikel 85,
eerste lid onder a, van de Wet op het voortgezet onderwijs
zoals deze bepaling op 31 juli 1992 luidde, worden buiten beschouwing
gelaten de uitgaven die zijn gedaan voor het onderhoud aan het gebouw
van een rijksschool in verband met het in een aanvaardbare staat
brengen van dit gebouw in het tijdvak van 1 januari 1990 tot het
tijdstip waarop het bestuur van die rijksschool wordt overgedragen aan
een gemeente of een openbaar lichaam.
2. In de kalenderjaren waarin het bestuur van de rijksscholen aan
gemeenten of openbare lichamen wordt overgedragen, worden de bedragen,
bedoeld in artikel 85, derde lid onder b, c en d,
van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals deze bepaling op 31 juli
1992 luidde, in verband met het bepaalde in het eerste lid van dit
artikel niet lager vastgesteld dan de krachtens artikel 85 van genoemde
wet vastgestelde bedragen over het jaar 1988.
Artikel XI. Inwerkingtreding
1. Artikel I, onderdelen H en I, alsmede de artikelen III, V,
VI en VIII tot en met XI van deze wet treden in werking met ingang van
de tweede dag na de datum van de uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst.
2. De overige onderdelen van artikel I en de artikelen II, IV en
VII treden in werking met ingang van 1 augustus 1995, indien het bij
koninklijke boodschap van 29 juni 1988 ingediende voorstel van wet
houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met
de herziening van het bekostigingsstelsel voor scholen voor v.w.o., a.v.o.,
l.b.o. en m.b.o. (Regeling herziening bekostigingsstelsel voortgezet
onderwijs), tot wet is verheven en in werking is getreden.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 18 april 1991
BEATRIX
De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
J. Wallage
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
P. Bukman
Uitgegeven de eenentwintigste mei 1991
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin