St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

REMIGRATIEWET  (Rw)

Tekst zoals deze geldt op 14 juli 2014
 
(Zie ook: normbedragen Rw)

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Besluit voorzieningen Remigratiewet (vervallen)
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
- Regeling aanwijzing doelgroepen Remigratiewet (vervallen)
- Regeling vaststelling bedragen Remigratiewet (vervallen)
- Remigratiebesluit
- Remigratieregeling
- Uitvoeringsbesluit Remigratiewet (vervallen)

 

 

WET van 22 april 1999, houdende regels inzake het treffen van voorzieningen ten behoeve van remigratie (Remigratiewet)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bepalingen vast te stellen met betrekking tot het beschikbaar stellen van voorzieningen om remigratie mogelijk te maken;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. benadelingsbedrag: bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 5a, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan remigratievoorzieningen is verleend;

b. bestemmingsland: land waarin een remigrant zich gaat vestigen;

c. hoofdverblijf: de plaats waar een persoon zijn feitelijke woonstede heeft;

d. kind: meeremigrerend minderjarig eigen kind, stiefkind of pleegkind;

e. land van herkomst: land waar de remigrant geboren is en waarvan de remigrant de nationaliteit bezit of heeft bezeten;

f. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

g. partner: de meeremigrerende echtgenoot, de meeremigrerende geregistreerde partner of de meeremigrerende ongehuwd meerderjarige, die geen bloedverwant in de eerste graad van de remigrant is, en met de remigrant een gezamenlijke huishouding voert waarbij betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, met dien verstande dat deze gezamenlijke huishouding uit niet meer dan twee meerderjarige personen bestaat;

h. remigrant: een persoon als bedoeld in artikel 2, die met de toepassing van deze wet voornemens is zijn rechtmatig hoofdverblijf in Nederland op te geven om te remigreren, dan wel is geremigreerd en sindsdien in een bestemmingsland is gevestigd;

i. remigratievoorzieningen: voorzieningen, bedoeld in artikel 4;

j. remigreren: het zich buiten het Koninkrijk, in het land van herkomst vestigen;

k. Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

l. vertrekdatum: de eerste dag na het feitelijk vertrek uit Nederland;

m. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht, behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

2. In deze wet wordt in artikel 5a, 6, tweede lid, 6a, 6c, tweede en vierde lid, 6d, eerste lid, onderdeel c en d, 6e, eerste en vierde lid, en 6f, eerste lid, alsmede, voor zover dit uitdrukkelijk van toepassing is verklaard, in de op deze wet berustende bepalingen, onder partner mede verstaan de bij vertrek van de remigrant uit Nederland in het bestemmingsland verblijvende echtgenoot of geregistreerde partner.

3. In deze wet wordt in artikel 5a, 6, derde lid, 6a, derde lid, 6c, tweede en vierde lid, 6d, eerste lid, onderdeel c en d, 6e, tweede en vierde lid, en 6f, eerste lid, alsmede, voor zover dit uitdrukkelijk van toepassing is verklaard, in de op deze wet berustende bepalingen onder kind mede verstaan het bij vertrek van de remigrant uit Nederland in het bestemmingsland verblijvende minderjarige eigen kind, stiefkind of pleegkind.

Artikel 1a

Doelgroep van deze wet zijn:

a. personen die geboren zijn in en in het bezit zijn of geweest zijn van de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie waarmee Nederland een bilateraal wervingsverdrag heeft gesloten, en zich voor de datum van de toetreding van dat land tot de Europese Unie in Nederland hebben gevestigd;

b. personen die geboren zijn in en in het bezit zijn of geweest zijn van de nationaliteit van een land waarmee Nederland een wervingsovereenkomst heeft gesloten en dat geen lidstaat van de Europese Unie is, en zich voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel in Nederland hebben gevestigd;

c. personen met de Nederlandse of Surinaamse nationaliteit die in Suriname geboren zijn, en zich voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel in Nederland hebben gevestigd;

d. personen die voorkomen in het register, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet Rietkerk-uitkering, en

e. vreemdelingen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een vergunning tot rechtmatig verblijf in Nederland op grond van artikel 8, onder c of d, van de Vreemdelingenwet 2000 hebben ontvangen en personen die zich voor dat tijdstip, in het kader van gezinshereniging met een vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder c of d, van de Vreemdelingenwet 2000 in Nederland hebben gevestigd.

Artikel 2

Deze wet is van toepassing op:

a. een meerderjarige vreemdeling als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, die behoort tot de doelgroep, en

b. een meerderjarige Nederlander, die niet tevens een andere nationaliteit bezit, die behoort tot de doelgroep en die verklaart bereid te zijn al hetgeen te doen wat in redelijkheid mogelijk is, om de nationaliteit van het bestemmingsland met bekwame spoed te verkrijgen.

Artikel 2a

1. De verklaring, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt voor de vertrekdatum schriftelijk ingediend bij de Sociale verzekeringsbank.

2. De remigrant, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, dient zo spoedig mogelijk bij de autoriteiten van het bestemmingsland een verzoek in ter verkrijging van de nationaliteit van dat land en zendt de schriftelijke bewijsstukken van dat verzoek onverwijld aan de Sociale verzekeringsbank.

3. De remigrant, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, informeert de Sociale verzekeringsbank eenmaal per jaar over de voortgang van de behandeling van zijn verzoek ter verkrijging van de nationaliteit van het bestemmingsland, tenzij de Sociale verzekeringsbank anders bepaalt.

4. De remigrant, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, die de nationaliteit van het bestemmingsland heeft verkregen, zendt bewijsstukken daarvan onverwijld aan de Sociale verzekeringsbank.

5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden omtrent het bepaalde in het eerste en derde lid.

Artikel 2b

1. Om voor de remigratievoorzieningen in aanmerking te komen dient de remigrant:

a. voor 1 januari 2025 een aanvraag in te dienen bij de Sociale verzekeringsbank;

b. te behoren tot de doelgroep, bedoeld in artikel 1a;

c. ten minste 55 jaar oud te zijn op het tijdstip van de aanvraag;

d. zijn schulden aan het Rijk te hebben voldaan dan wel ten behoeve van zijn schulden aan het Rijk een afbetalingsregeling te hebben getroffen;

e. niet rechtens zijn vrijheid ontnomen te zijn op het tijdstip van de aanvraag;

f. zich niet te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel op het tijdstip van de aanvraag;

g. een schriftelijk bewijs aan de Sociale verzekeringsbank over te leggen, afgegeven door de autoriteiten van het bestemmingsland, dat hij en, voor zover van toepassing, zijn partner en hun kinderen zullen worden toegelaten, indien naar een ander land wordt geremigreerd dan het land waarvan de remigrant de nationaliteit bezit;

h. indien hij Nederlander is, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag ten minste acht jaren in Nederland te hebben verbleven dan wel, indien hij vreemdeling is, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag gedurende ten minste acht jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 en voor het besluit tot toekenning van de remigratievoorzieningen rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehad als bedoeld in artikel 8, onder a, b, d, e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan voor een verblijf voor een tijdelijk doel;

i. over een periode van ten minste één jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de aanvraag, een rechtmatige uitkering of inkomensvoorziening te hebben ontvangen op grond van:

1°. de Algemene Ouderdomswet;

2°. de Werkloosheidswet;

3°. de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;

4°. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

5°. de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen;

6°. De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

7°. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

8°. de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;

9°. de Wet werk en bijstand, of

10°. de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

dan wel over een periode van ten minste één jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de aanvraag van de remigratievoorzieningen te hebben ontvangen:

1°. een wachtgeld in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit 1959;

2°. een soortgelijke uitkering aan een overheidswerknemer op grond van ontslag of werkloosheid, of

3°. een wachtgeld of daarmee gelijkgestelde uitkering ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen, met uitzondering van een uitkering in verband met functioneel leeftijdsontslag of vrijwillig vervroegd uittreden;

j. de leeftijd van 18 jaar te hebben bereikt op het moment dat hij zich in Nederland vestigde.

2. Een remigrant die samen met zijn partner remigreert, komt slechts in aanmerking voor de remigratievoorzieningen, indien ook zijn partner voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onder d, e en f.

3. Indien de partner van wie de remigrant niet duurzaam gescheiden leeft, eveneens in Nederland verblijf houdt, worden de remigratievoorzieningen slechts verstrekt indien de remigrant en zijn partner gezamenlijk remigreren.

4. Indien de remigrant en zijn partner het voornemen hebben met hun pleegkinderen te remigreren, dient de remigrant een schriftelijk bewijs van toestemming tot de voorgenomen remigratie van die pleegkinderen aan de Sociale verzekeringsbank te hebben overgelegd, afkomstig van degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent over de pleegkinderen.

5. Onder verblijf voor een tijdelijk doel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, wordt het verblijf verstaan van de vreemdeling die behoort tot een bij ministeriële regeling aan te wijzen categorie van vreemdelingen.

6. Onder een uitkering op basis van de Wet werk en bijstand als bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, wordt niet verstaan bijstand in de vorm van een geldlening als bedoeld in artikel, 48, tweede lid, van die wet.

7. Indien de aanvrager met een onderbreking van ten hoogste één maand achtereenvolgens verschillende rechtmatige uitkeringen of inkomensvoorzieningen heeft ontvangen op basis van de in het eerste lid onderdeel i, genoemde wetten, is de periode, bedoeld in dat onderdeel, de som van de perioden dat hij ononderbroken uitkeringsgerechtigd was op grond van die wetten.

Hoofdstuk II. Voorzieningen ten behoeve van remigratie

Artikel 3 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 4

1. Aan een remigrant die voldoet aan de voorwaarden

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is te verkrijgen op www.123recht.nl



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x