Nadere regelgeving:
- Besluit naturalisatietoets
- Besluit
verkrijging en verlies Nederlanderschap
- Regeling
naturalisatietoets Nederland'
- Regeling
verkrijging en verlies Nederlanderschap'
RIJKSWET van 19 december 1984, houdende
vaststelling van nieuwe, algemene bepalingen omtrent het Nederlanderschap ter vervanging van de Wet van 12 december 1892,
Stb. 1892, 268, op het Nederlanderschap en het ingezetenschap
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er mede in verband met de
bekrachtiging van het op 30 augustus 1961 te New York tot stand gekomen
Verdrag tot beperking der staatloosheid (Trb. 1967, 124), het op
6 mei 1963 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag betreffende
beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende de
militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb.
1964, 4) en de op 13 september 1973 te Bern tot stand gekomen
Overeenkomst inzake beperking van het aantal gevallen van staatloosheid
(Trb. 1974, 32), aanleiding bestaat de Wet van 12 december 1892, Stb.
268 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap aan een algehele
herziening te onderwerpen en ter vervanging van die wet nieuwe, algemene
bepalingen omtrent het Nederlanderschap vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze Rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie in zijn
hoedanigheid van minister van het Koninkrijk;
b. meerderjarige: hij die de leeftijd van achttien jaren
heeft bereikt of voordien in het huwelijk is getreden;
c. moeder: de vrouw die het kind ter wereld heeft gebracht;
d. vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie,
in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke
betrekking staat;
e. vreemdeling: hij die de Nederlandse nationaliteit niet
bezit;
f. staatloze: een persoon die door geen enkele staat,
krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd;
g. toelating: instemming door het bevoegd gezag met het
bestendig verblijf van de vreemdeling in het Europese deel van
Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
h. hoofdverblijf: de plaats waar een persoon zijn
feitelijke woonstede heeft.
2. Behoudens voor de toepassing van artikel 15A, onder a, van
deze rijkswet wordt mede verstaan onder:
a. echtgenoot: de partner in een in Nederland geregistreerd
partnerschap alsmede de partner in een buiten Nederland
geregistreerd partnerschap dat op grond van de artikelen 2 en
3 van de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap wordt
erkend, en
b. huwelijk: het in Nederland geregistreerd partnerschap
alsmede het buiten Nederland geregistreerd partnerschap dat op
grond van de artikelen 2 en 3 van de Wet conflictenrecht
geregistreerd partnerschap wordt erkend.
Artikel 2
1.Tenzij de wet anders bepaalt, hebben de verkrijging en het
verlies van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht.
2.Behoudens in de bij algemene maatregel van rijksbestuur te
bepalen gevallen worden verklaringen en verzoeken in persoon
afgelegd en ingediend.
3.Tenzij anders bepaald, worden verklaringen en verzoeken van
minderjarigen door hun wettelijke vertegenwoordigers afgelegd en
ingediend.
4.Het kind, mits het de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, en
zijn wettelijke vertegenwoordiger worden op hun verzoek in de
gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen omtrent
de verkrijging of medeverkrijging, of verlening of medeverlening
van het Nederlanderschap. Indien de vertegenwoordiging van het
kind van rechtswege is opgedragen aan één der ouders kan de
andere ouder eenzelfde verzoek doen. Indien het kind dat de
leeftijd van zestien jaar heeft bereikt bedenkingen heeft tegen de
verkrijging of medeverkrijging, of tegen de verlening of
medeverlening, of indien zowel het kind als zijn wettelijk
vertegenwoordiger of de in dit lid bedoelde andere ouder
bedenkingen hebben tegen de medeverkrijging of medeverlening,
deelt het kind daarin niet.
5.De verklaring van verbondenheid wordt door minderjarigen van
zestien jaar en ouder zelfstandig afgelegd. Tenzij anders bepaald
kunnen zij daarin niet worden vertegenwoordigd.
Hoofdstuk 2. Verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege
Artikel 3
1. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte
de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een
Nederlander die voordien is overleden.
2. Het op het grondgebied van Nederland, onderscheidenlijk
Aruba, Curaçao of Sint Maarten, of aan boord van een in
Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten te boek gesteld
zeeschip of luchtvaartuig, gevonden kind wordt aangemerkt als het
kind van een Nederlander tenzij binnen vijf jaren, te rekenen
vanaf de dag waarop het is gevonden, blijkt dat het kind door
geboorte een vreemde nationaliteit bezit.
3. Nederlander is het kind van een vader of moeder die ten
tijde van de geboorte van het kind zijn of haar hoofdverblijf
heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten en die zelf
geboren is als kind van een vader of moeder die ten tijde van zijn
of haar geboorte in een van die landen hoofdverblijf had, mits het
kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf heeft in
Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten.
Artikel 4
1.In afwijking van artikel 3 wordt Nederlander het kind van een
persoon wiens vaderschap gerechtelijk wordt vastgesteld, indien
het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig
was en de vader op de in de volgende zin bedoelde dag Nederlander
is, of, indien deze is overleden, op de dag van overlijden
Nederlander was. Betreft het een Nederlandse uitspraak dan
verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de eerste dag na een
periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak
in eerste aanleg of, indien binnen deze periode hoger beroep is
ingesteld, van drie maanden, te rekenen van de dag van de
uitspraak in hoger beroep, dan wel, indien binnen deze laatste
periode beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de
uitspraak in cassatie. Betreft het een buitenlandse rechterlijke
uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de dag
waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
2.Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die na zijn
geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander
wordt erkend.
3.Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die zonder
erkenning door wettiging het kind wordt van een Nederlander.
4.Door erkenning wordt ook Nederlander de minderjarige
vreemdeling die na zijn geboorte wordt erkend door een
Nederlander, die zijn biologische vaderschap bij of binnen de
termijn van één jaar na de erkenning aantoont.
5.Kinderen van de minderjarige vreemdeling die op grond van het
eerste, derde of vierde lid het Nederlanderschap verkrijgt, delen
in die verkrijging.
6.Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot het in het vierde
lid bedoelde bewijs.
Artikel 5
Nederlander wordt het kind dat in Nederland, Aruba, Curaçao of
Sint Maarten bij rechterlijke uitspraak is geadopteerd, indien het
kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was en
ten minste één der adoptiefouders op de in de volgende zin
bedoelde dag Nederlander is. Het kind verkrijgt het Nederlanderschap
op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de
dag van de uitspraak in eerste aanleg of, indien binnen deze periode
hoger beroep is ingesteld, van drie maanden, te rekenen van de dag
van de uitspraak in hoger beroep, dan wel, indien binnen deze
laatste periode beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de
uitspraak in cassatie.
Artikel 5a
1. Nederlander wordt ook het kind dat in het buitenland bij
uitspraak van een ter plaatse bevoegde autoriteit wordt
geadopteerd in overeenstemming met het op 29 mei 1993 te
's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van
kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke
adoptie, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende
voorwaarden is voldaan:
a. de adoptie is in overeenstemming met het voornoemde
verdrag tot stand gekomen, en
b. die adoptie heeft tot gevolg dat de voordien bestaande
familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, en
c. ten minste één der adoptiefouders is Nederlander op de
dag dat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, en
d. het kind was op de dag van de uitspraak in eerste aanleg
minderjarig.
2. Nederlander wordt voorts het kind dat in het buitenland in
overeenstemming met het op 29 mei 1993 te 's-Gravenhage tot stand
gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de
samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie is
geadopteerd bij een adoptie die niet tot gevolg heeft dat de
voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden
verbroken, welke adoptie in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint
Maarten bij rechterlijke uitspraak in overeenstemming met artikel
27 van voornoemd verdrag wordt omgezet in een adoptie naar het
recht van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten, indien en op
het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de adoptie is in overeenstemming met het voornoemde
verdrag tot stand gekomen; en
b. ten minste één der adoptiefouders is Nederlander op de
dag nadat drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak
houdende omzetting in eerste aanleg of in hoger beroep, zijn
verstreken zonder dat daartegen hoger beroep of beroep in
cassatie is ingesteld, dan wel, indien beroep in cassatie is
ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie, en
c. het kind was op de dag van de uitspraak houdende
omzetting in eerste aanleg minderjarig.
Artikel 5b
1.Nederlander wordt ook het kind dat in het buitenland bij
uitspraak van een ter plaatse bevoegde autoriteit wordt
geadopteerd, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende
voorwaarden is voldaan:
a. de adoptie voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in
Nederland van artikel 6 of artikel 7 van de Wet
conflictenrecht adoptie, en
b. de adoptie heeft tot gevolg dat de voordien bestaande
familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, en
c. ten minste een der adoptiefouders is Nederlander op de
dag dat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, en
d. het kind was op de dag van de uitspraak in eerste aanleg
minderjarig.
2.Nederlander wordt voorts het kind dat in het buitenland is
geadopteerd bij een adoptie die niet tot gevolg heeft dat de
voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden
verbroken, welke adoptie in Nederland bij rechterlijke uitspraak
in overeenstemming met artikel 9 van de Wet conflictenrecht
adoptie wordt omgezet in een adoptie naar Nederlands recht, indien
en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de adoptie voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in
Nederland van artikel 6 of artikel 7 van de Wet
conflictenrecht adoptie, en
b. ten minste een der adoptiefouders is Nederlander op de
dag nadat drie maanden te rekenen van de dag van de uitspraak
houdende omzetting in eerste aanleg of in hoger beroep zijn
verstreken zonder dat daartegen hoger beroep of beroep in
cassatie is ingesteld, dan wel, indien beroep in cassatie is
ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie; en
c. het kind was op de dag van de uitspraak houdende
omzetting in eerste aanleg minderjarig.
Artikel 5c
Het kind van degene die door adoptie het Nederlanderschap
verkrijgt deelt in die verkrijging.
Hoofdstuk 3. Verkrijging van het Nederlanderschap door optie
Artikel 6
1. Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke
verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde
lid het Nederlanderschap:
a. de toegelaten meerderjarige vreemdeling die in het
Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is
geboren en aldaar sedert zijn geboorte hoofdverblijf heeft;
b. de vreemdeling die in het Europese deel van Nederland,
Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba, is geboren, aldaar gedurende een
onafgebroken periode van tenminste drie jaren toelating en
hoofdverblijf heeft en sedert zijn geboorte staatloos is;
c. de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander is
erkend en die niet op grond van de artikelen 3 of 4
Nederlander is of is geworden, indien hij onmiddellijk
voorafgaand aan de verklaring gedurende een onafgebroken
periode van ten minste drie jaren verzorging en opvoeding
heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend;
d. de minderjarige vreemdeling die krachtens Nederlandse
rechterlijke beslissing of bij zijn geboorte van rechtwege
onder het gezamenlijk gezag is komen te staan van een
niet-Nederlandse vader of moeder en een ander die Nederlander
is, indien hij na het instellen van dat gezag gedurende een
onafgebroken periode van tenminste drie jaren verzorging en
opvoeding heeft genoten van deze Nederlander, en hij zijn
hoofdverblijf niet heeft in het land waarvan hij onderdaan is.
Op de minderjarige die ten tijde van het afleggen van de
verklaring de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft
bereikt, is het vierde lid van dit artikel niet van
toepassing;
e. de meerderjarige vreemdeling die sedert het bereiken van
de leeftijd van vier jaar toelating en hoofdverblijf heeft in
het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten
of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
f. de meerderjarige vreemdeling die te eniger tijd het
Nederlanderschap of de staat van Nederlands
onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten en in het Europese
deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba tenminste
één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf
heeft tenzij hij het Nederlanderschap heeft verloren op grond
van artikel 15, eerste lid, onder d of f;
g. de vreemdeling die gedurende tenminste drie jaren de
echtgenoot is van een Nederlander en gedurende een
onafgebroken periode van tenminste vijftien jaren toelating en
hoofdverblijf heeft in het Europese deel van Nederland, Aruba,
Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba;
h. de vreemdeling die de leeftijd van vijf en zestig jaar
heeft bereikt en gedurende een onafgebroken periode van
tenminste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in
het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten
of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
i. de vreemdeling die vóór 1 januari 1985 is geboren uit
een moeder die ten tijde van zijn geboorte Nederlander was,
terwijl de vader ten tijde van die geboorte niet-Nederlander
was;
j. het vóór 1 januari 1985 in het Europese deel van
Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bij rechterlijke
uitspraak geadopteerde niet-Nederlandse kind van een vrouw die
op de dag dat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen
Nederlander was, indien het kind op de dag van de uitspraak in
eerste aanleg minderjarig was;
k. de vreemdeling die is geboren als kind van één van de
in de onderdelen i of j bedoelde personen die het
Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging
is overleden;
l. de vreemdeling die voor de leeftijd van zeven jaar is
erkend door één van de in de onderdelen i of j bedoelde
personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor
die verkrijging is overleden;
m. de vreemdeling die door één van de in de onderdelen i
of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft
verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden, tijdens
zijn minderjarigheid is erkend, terwijl hij aangetoond heeft
dat die persoon de biologische vader is;
n. de vreemdeling die door een gerechtelijke vaststelling
van het vaderschap kind is van één van de in de onderdelen i
of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft
verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden, indien
hij op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig
was;
o. het in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao,
Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba bij rechterlijke uitspraak geadopteerde kind van één
van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het
Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging
is overleden, indien hij op de dag van de uitspraak in eerste
aanleg minderjarig was.
2. Bij het afleggen van de verklaring tot verkrijging van het
Nederlanderschap verklaart de meerderjarige vreemdeling en de
minderjarige vreemdeling die de leeftijd van zestien jaar heeft
bereikt tevens bereid te zijn bij de verkrijging van het
Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen.
Het besluit tot bevestiging wordt niet bekend gemaakt dan nadat de
verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.
3. De autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt,
beoordeelt aan de hand van de haar overgelegde stukken de gronden
waarop de verklaring berust. Indien aan de vereisten is voldaan,
bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het
Nederlanderschap.
4. Zij weigert de bevestiging indien op grond van het gedrag
van de persoon, die de verklaring betreft, ernstige vermoedens
bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede
zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, tenzij
volkenrechtelijke verplichtingen zich daartegen verzetten.
5. Zij beslist binnen dertien weken na de inontvangstneming van
de verklaring; deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien
weken worden verlengd.
6. Indien een persoon op wie de verklaring betrekking heeft,
geen geslachtsnaam of voornaam heeft of indien de juiste spelling
daarvan niet vaststaat, wordt deze in overleg met hem vastgesteld
en in de bevestiging vermeld; zijn naam wordt daarin zonodig in de
in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht.
7. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder a en
b, wordt geboorte aan boord van een in het Europese deel van
Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba te boek gesteld zeeschip of
luchtvaartuig gelijk gesteld met geboorte in het Europese deel van
Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
8. Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader, moeder
of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, die een
verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap aflegt, deelt
in die verkrijging indien het in de verklaring tot dat doel is
vermeld en het, behoudens in de gevallen waarin de verklaring
wordt afgelegd op grond van het eerste lid, onder c of d, sedert
het tijdstip van het afleggen van de verklaring toelating en
hoofdverblijf heeft in het Europese deel van Nederland, Aruba,
Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba. Kinderen van een kind dat in de verkrijging
deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een
kind dat ten tijde van het afleggen van de bereidverklaring de
leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, deelt slechts in de
verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, de in het
tweede lid bedoelde bereidverklaring, alsmede de verklaring zelf
aflegt en jegens hem geen vermoedens bestaan als in het vierde lid
bedoeld. Het besluit tot bevestiging wordt niet bekend gemaakt dan
nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.
9. Aan de vreemdeling die te eniger tijd het Nederlanderschap
door optie heeft verkregen, staat van de in het eerste lid
genoemde mogelijkheden tot herkrijging van het Nederlanderschap
door optie alleen die, bedoeld onder f., open.
Artikel 6a
1. De in artikel 6, tweede lid, bedoelde bevestiging wordt
geweigerd indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste
lid, onder e, een andere nationaliteit bezit en niet het mogelijke
heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid
is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de
bevestiging, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit
redelijkerwijs niet kan worden verlangd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op
a. de vreemdeling die onderdaan is van een Staat die Partij
is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen
Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende de
beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en
betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige
nationaliteit (Trb. 1994, 265);
b. de vreemdeling die in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint
Maarten is geboren en daar ten tijde van de verklaring tot
verkrijging van het Nederlanderschap zijn hoofdverblijf heeft;
c. de vreemdeling die gehuwd is met een Nederlander;
d. de vreemdeling die in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint
Maarten erkend is als vluchteling.
3. De autoriteit, bedoeld in artikel 6, derde lid, beoordeelt
of de vreemdeling heeft voldaan aan het vereiste, genoemd in het
eerste lid, of dat de vreemdeling een beroep toekomt op een van de
uitzonderingen, genoemd in het tweede lid. Indien dit het geval is
en ook aan de overige vereisten is voldaan, bevestigt zij
schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.
4. De autoriteit vraagt advies aan Onze Minister indien de
vreemdeling stelt dat afstand van zijn andere nationaliteit
redelijkerwijs niet kan worden verlangd. De autoriteit deelt de
vreemdeling mee dat Onze Minister om advies is verzocht en binnen
welke termijn op de optie zal worden besloten.
5. De autoriteit besluit na de ontvangst van het advies van
Onze Minister schriftelijk op de verkrijging van het
Nederlanderschap.
6. De beslistermijn als bedoeld in artikel 6, vierde lid, wordt
met vier weken verlengd, indien de autoriteit Onze Minister
verzoekt om advies, bedoeld in het vierde lid.
Hoofdstuk 4. Verlening van het Nederlanderschap
Artikel 7
1. Met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk
verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap
aan vreemdelingen die daarom verzoeken.
2. Ten aanzien van hen die hun hoofdverblijf hebben in Aruba,
Curaçao of Sint Maarten, adviseert Onze Minister van Justitie van
Aruba, van Curaçao, onderscheidenlijk van Sint Maarten, omtrent
het verzoek.
Artikel 8
1. Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig
artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker
a. die meerderjarig is;
b. tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het
Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen
bedenkingen bestaan;
c. die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk
voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van
Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en
hoofdverblijf heeft;
d. die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als
ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij
beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te
bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en – indien
hij in de Nederlandse Antillen of Aruba hoofdverblijf heeft
– de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar
is, alsmede van de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of
Arubaanse staatsinrichting en maatschappij, en hij zich ook
overigens in de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse, of
Arubaanse samenleving heeft doen opnemen; en
e. die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het
Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te
leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt
dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.
2. Het eerste lid, onder c, geldt niet met betrekking tot de
verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de
staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten,
hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en
samenwoont met een Nederlander, hetzij tijdens zijn
meerderjarigheid in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is
geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het
Nederlanderschap bezit.
3. De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op twee
jaren gesteld voor degene die in totaal ten minste tien jaren in
het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating en
hoofdverblijf heeft gehad.
4. De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op drie
jaren gesteld voor de verzoeker die hetzij ongehuwd tenminste drie
jaren onafgebroken met een ongehuwde Nederlander in een duurzame
relatie anders dan het huwelijk samenleeft, hetzij staatloos is.
5. De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt
eveneens op drie jaren gesteld voor de verzoeker die door
erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een
Nederlander is geworden. Voor de verzoeker die tijdens zijn
minderjarigheid is erkend of gewettigd wordt de termijn van drie
jaren verminderd met de onafgebroken periode gedurende welke hij
onmiddellijk voorafgaande aan zijn meerderjarigheid na de
erkenning of wettiging zonder erkenning, verzorging en opvoeding
heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens
kind hij door wettiging zonder erkenning is geworden.
6. Een krachtens het eerste lid, onder d, vastgestelde algemene
maatregel van rijksbestuur treedt niet eerder in werking dan vier
weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is
geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan
beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 9
1. Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen
7 en 8 wordt niettemin afgewezen, indien
a. op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige
vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare
orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk;
b. de verzoeker die een andere nationaliteit bezit, niet
het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen
dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de
totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te
verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd;
c. de verzoeker op wie een van de uitzonderingen van
artikel 8, tweede lid, van toepassing is, zijn hoofdverblijf
heeft in het land waarvan hij onderdaan is.
2. Indien de verzoeker het Nederlanderschap heeft verloren
ingevolge artikel 16, eerste lid, kan het verzoek op de grond
bedoeld in het eerste lid, onder a, alleen worden afgewezen,
indien hij binnen een periode van tien jaren voorafgaande aan het
verzoek veroordeeld is wegens een strafbaar feit tegen de
veiligheid van het Koninkrijk of is veroordeeld tot een
gevangenisstraf van tenminste vijf jaren wegens een ander
strafbaar feit.
3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
a. de verzoeker die onderdaan is van een Staat die Partij
is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen
Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende de
beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en
betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige
nationaliteit (Trb. 1994, 265);
b. de verzoeker die in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint
Maarten is geboren en daar ten tijde van het verzoek zijn
hoofdverblijf heeft;
c. de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander;
d. de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen
of Aruba erkend is als vluchteling.
4. Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de
betaling van het verschuldigde recht, bedoeld in artikel 13 of na
de beslissing tot algehele ontheffing van die betaling, dan wel na
de ontvangst van de gevraagde aanvulling van het verzoek,
noodzakelijk voor de beoordeling daarvan. De beslissing kan ten
hoogste tweemaal zes maanden worden aangehouden.
5. Beslissingen tot afwijzing of aanhouding van verzoeken tot
verlening van het Nederlanderschap kunnen door Onze Minister
worden genomen.
Artikel 10
Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in
bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van
artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste
lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde,
vierde en vijfde lid.
Artikel 11
1. Het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of
moeder aan wie het Nederlanderschap is verleend, deelt in deze
verlening, indien dit in het besluit uitdrukkelijk is bepaald. Het
verzoek tot medeverlening wordt bij het verzoek tot verlening
ingediend.
2. Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het
Nederlanderschap aan een kind beneden de leeftijd van 16 jaar
wordt ingewilligd indien het kind sedert het tijdstip van het
verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint
Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft.
3. Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het
Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek de
leeftijd van 16 jaar heeft bereikt wordt ingewilligd indien het
kind in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint
Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk
voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf en, sedert
het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en
hoofdverblijf heeft. Het Nederlanderschap wordt slechts verleend,
indien het kind daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij
de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van
verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden
van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het
tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot
verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van
verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.
4. Aan het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of
moeder die het Nederlanderschap door optie verkregen heeft of aan
wie dat is verleend, dat in deze verkrijging of verlening niet
deelde, wordt op zijn verzoek het Nederlanderschap verleend,
indien het een onafgebroken periode van tenminste drie jaren
onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en
hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating
voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Europese deel van
Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft. De termijn van toelating en
hoofdverblijf is niet van toepassing op het kind dat geboren is
nadat zijn ouder de verklaring bedoeld in artikel 6, eerste lid,
of het verzoek, bedoeld in artikel 7, eerste lid, heeft ingediend.
Aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van zestien
jaar heeft bereikt, wordt het Nederlanderschap slechts verleend,
indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de
verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van
verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden
van artikel 9, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid
van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening
wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van
verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.
5. Aan het niet-Nederlandse kind van een vader of moeder die
het Nederlanderschap door optie verkregen heeft of aan wie zulks
is verleend, dat minderjarig was op het tijdstip van de verklaring
of het verzoek van die ouder, en dat in deze verkrijging of
verlening niet deelde wegens het bereiken van de meerderjarigheid,
wordt het Nederlanderschap op zijn verzoek verleend:
a. indien hij een onafgebroken periode van ten minste drie
jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek en aanvangende
vóór het bereiken van de meerderjarigheid toelating en
hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek,
toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het
Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft,
b. indien hij bereid is bij de verkrijging van het
Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen
en
c. ten aanzien van hem geen van de afwijzingsgronden van
artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het
tweede lid van dat artikel, van toepassing is.
Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat
de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.
6. De vereisten van toelating en van hoofdverblijf van het
tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het minderjarige
kind van een vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het
buitenland en die met toepassing van het tweede lid van artikel 8
het Nederlanderschap verkrijgt, mits het kind feitelijk tot het
gezin van deze ouder behoort en zijn hoofdverblijf niet heeft in
het land waarvan hij onderdaan is.
7. Kinderen van een kind dat in de verlening deelt, delen onder
dezelfde voorwaarden in die verlening.
8. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vader of
moeder mede verstaan de adoptiefouder, indien de adoptie tot stand
is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands
internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad
dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn
verbroken.
Artikel 12
1.Indien de verzoeker geen geslachtsnaam of voornaam heeft of
indien de juiste spelling daarvan niet vaststaat, zullen deze in
overleg met hem worden vastgesteld bij het besluit waarbij het
Nederlanderschap wordt verleend.
2.De naam van de verzoeker wordt zonodig in de in het
Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht en kan, indien
dit voor de inburgering van belang is, met toestemming van de
verzoeker bij het besluit tot verlening van het Nederlanderschap
worden gewijzigd.
Artikel 13
1.Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen
gesteld betreffende het recht dat verschuldigd is voor het
afleggen en de behandeling van de verklaring van optie en van het
verzoek tot verlening van het Nederlanderschap, de gevallen en de
mate waarin daarvan ontheffing kan worden verleend en de wijze
waarop het moet worden voldaan.
2.Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen
gesteld betreffende het bewijs van toelating tot één van de
landen van het Koninkrijk.
Hoofdstuk 5. Verlies van het Nederlanderschap
Artikel 14
1. Onze Minister kan de verkrijging of verlening van het
Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de
betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op
het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant
feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verkrijging
of verlening van het Nederlanderschap. De intrekking is niet
mogelijk indien sedert de verkrijging of verlening een periode van
twaalf jaar is verstreken. De derde volzin is niet van toepassing
indien de betrokken persoon is veroordeeld voor een van de
misdrijven, omschreven in de artikelen 6, 7 en 8 van het op 17
juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het
Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120).
2. Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de
persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens:
a. een misdrijf omschreven in de titels I tot en met IV van
het Tweede Boek van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht,
waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van
acht jaar of meer is gesteld;
b. een misdrijf als bedoeld in de artikelen 83 of 205 van
het Nederlandse Wetboek van Strafrecht;
c. een misdrijf dat soortgelijk is aan de misdrijven
bedoeld onder a waarop naar de wettelijke omschrijving in de
strafwet van een van de landen van het Koninkrijk een
gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, danwel een
misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving in de strafwet
van een van de landen van het Koninkrijk soortgelijk is aan de
misdrijven bedoeld onder b;
d. een misdrijf omschreven in de artikelen 6, 7 en 8 van
het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome
inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120).
3. De persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren
op grond van het tweede lid kan de Nederlandse nationaliteit niet
herkrijgen. Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk
gehoord, in bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken, indien
ten minste vijf jaren zijn verstreken sedert het verlies van de
Nederlandse nationaliteit.
4. Het Nederlanderschap wordt door een minderjarige verloren
door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan
het wordt ontleend ingevolge artikel 3, 4, 5, 5a, 5b, 5c, of 6,
eerste lid, aanhef en onder c, alsmede ingevolge artikel 4 zoals
dit luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet tot wijziging
van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de
verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap
van 21 december 2000, Stb. 618 en ingevolge artikel 5 zoals dat
luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet van 3 juli 2003 tot
wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met
de totstandkoming van de Wet conflictenrecht adoptie (Stb. 284).
Het verlies bedoeld in de eerste zin treedt niet in indien de
andere ouder op het tijdstip van het vervallen van die betrekking
Nederlander is of dat was ten tijde van zijn overlijden. Het
verlies treedt evenmin in indien het Nederlanderschap ook kan
worden ontleend aan artikel 3, derde lid, of aan artikel 2, onder
a, van de Wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het
ingezetenschap (Stb. 268).
5. Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een
van de bepalingen van dit hoofdstuk.
6. Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid,
heeft geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien
staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.
Artikel 15
1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:
a. door het vrijwillig verkrijgen van een andere
nationaliteit;
b. door het afleggen van een verklaring van afstand;
c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en
tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken
periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten
zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en
Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag
betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in
een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint
Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het
Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als
ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon
in een zodanig dienstverband;
d. door intrekking door Onze Minister van het besluit
waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan
plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de
totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen
om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen;
e. indien hij zich vrijwillig in vreemde krijgsdienst
begeeft van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen
tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan
het Koninkrijk lid is;
f. door intrekking door Onze Minister van het besluit
waarbij de verkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd,
welke kan plaatsvinden, indien de vreemdeling als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder e, heeft nagelaten na de
verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijke te doen om
zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.
2. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op
de verkrijger
a. die in het land van die andere nationaliteit is geboren
en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft;
b. die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd
gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in
het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft
gehad; of
c. die gehuwd is met een persoon die die andere
nationaliteit bezit.
3. De periode bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt geacht
niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een
periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf in Nederland,
Aruba, Curaçao of Sint Maarten heeft, dan wel in de gebieden
waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.
4. De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt
gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit
van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument in de zin
van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een
nieuwe periode van tien jaren te lopen.
Artikel 15A
Voorts gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren:
a. indien hij ten gevolge van een uitdrukkelijke
wilsverklaring door naturalisatie, optie of herstel daarin de
nationaliteit verkrijgt van een Staat die Partij is bij het op 6
mei 1963 te Straatsburg gesloten Verdrag betreffende beperking
van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende
militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit
(Trb. 1964, nr. 4) en dit Verdrag dat verlies meebrengt. Het
voorgaande is echter niet van toepassing indien die Staat tevens
Partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag
(Trb. 1994, nr. 265) en de betrokkene behoort tot een van de
categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid;
b. indien hij ingevolge de op 25 november 1975 te Paramaribo
gesloten Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen
het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb.
1975, nr. 132) de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.
Artikel 16
1.Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren:
a. door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap,
erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien
hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds
bezit;
b. door het afleggen van een verklaring van afstand, indien
hij de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of
adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid;
c. indien zijn vader of moeder vrijwillig een andere
nationaliteit verkrijgt en hij in deze verkrijging deelt of
deze nationaliteit reeds bezit;
d. indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap
verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, c of d, of
ingevolge artikel 15A;
e. indien hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkrijgt
als zijn vader of moeder.
Voor de toepassing van de onderdelen c, d en e wordt onder
vader of moeder mede verstaan de adoptiefouder aan wie de
minderjarige het Nederlanderschap ontleent, en de persoon die mede
het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie
hij het Nederlanderschap ontleent. De in onderdeel b bedoelde
verklaring van afstand heeft geen rechtsgevolg dan nadat de
minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en, op
diens verzoek, de ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is,
daarover zijn gehoord. Geen afstand is mogelijk indien het kind en
die ouder daartegen bedenkingen hebben. De minderjarige die de
leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van
afstand zelfstandig af en kan daarin niet worden vertegenwoordigd.
2.Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste
lid treedt niet in:
a. indien en zolang een ouder het Nederlanderschap bezit;
b. door het overlijden van een ouder na het tijdstip waarop
krachtens het eerste lid het verlies van het Nederlanderschap
zou intreden;
c. indien een ouder als Nederlander is overleden vóór het
tijdstip waarop krachtens het eerste lid het verlies van het
Nederlanderschap zou intreden;
d. indien de minderjarige voldoet aan artikel 3, derde lid,
of artikel 2, onder a, van de wet van 12 december 1892 op het
Nederlanderschap en het ingezetenschap (Stb.268), behoudens in
het geval bedoeld in het eerste lid onder b;
e. indien de minderjarige in het land van de door hem
verkregen nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de
verkrijging zijn hoofdverblijf heeft, behoudens in het geval
bedoeld in het eerste lid onder b;
f. indien de minderjarige gedurende een onafgebroken
periode van tenminste vijf jaren in het land van de door hem
verkregen nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft of gehad
heeft, behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder
b; of
g. indien in het geval in het eerste lid, onder e, bedoeld
een ouder op het tijdstip van de verkrijging Nederlander is.
Voor de toepassing van de onderdelen a, b, c en g wordt onder een
ouder mede verstaan de adoptiefouder als bedoeld in artikel 11,
achtste lid, en de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de
minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
Artikel 16A
Voorts gaat het Nederlanderschap voor een minderjarige verloren
indien hij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring door
naturalisatie, optie of herstel daarin de nationaliteit verkrijgt
van een Staat die Partij is bij het op 6 mei 1963 te Straatsburg
gesloten Verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige
nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van
meervoudige nationaliteit (Trb. 1964, nr. 4) en dit Verdrag dat
verlies meebrengt. Het voorgaande is niet van toepassing indien die
Staat tevens Partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat
Verdrag (Trb. 1994, nr. 265), en de betrokkene behoort tot een van
de categorieën, genoemd in artikel 16, tweede lid, onder e, f en g.
Hoofdstuk 6. Vaststelling van het Nederlanderschap
Artikel 17
1. Een ieder die, buiten een bij enige in een der delen van het
Koninkrijk gevestigde rechterlijke instantie of een in
administratief beroep aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang
heeft, kan bij de rechtbank te ’s-Gravenhage of, indien hij in
Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius of Saba woonachtig is, bij het Gemeenschappelijk
Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire,
Sint Eustatius en Saba een verzoek indienen tot vaststelling van
zijn Nederlanderschap of tot vaststelling dat hij het
Nederlanderschap niet bezit. Het verzoek kan ook strekken tot de
vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip het
Nederlanderschap al dan niet bezat.
2. Een verzoek als in het vorige lid bedoeld kan ook ten
aanzien van een overledene worden gedaan.
Artikel 18
1. Omtrent verzoeken als bedoeld in het vorige artikel hoort de
rechtbank, onderscheidenlijk het Hof van Justitie, het openbaar
ministerie.
2. Voor de belanghebbenden staat van de beschikking uitsluitend
beroep in cassatie open.
Artikel 19
Aan een onherroepelijk geworden beschikking, gegeven met
toepassing van artikel 17, is elk met de uitvoering van enige
wettelijke regeling belast orgaan gebonden.
Artikel 20
1. Indien in enige voor een rechterlijke instantie in
Nederland, onderscheidenlijk Aruba, Curaçao of Sint Maarten,
aanhangige zaak onzeker is of een bij de zaak belanghebbende al
dan niet het Nederlanderschap bezit of op een vroeger tijdstip
bezat, kan de rechter terzake het advies van Onze Minister,
onderscheidenlijk van Onze Minister van Justitie van Aruba, van
Curaçao, onderscheidenlijk van Sint Maarten, vragen.
2. Indien in enig administratief beroep in Nederland,
onderscheidenlijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten, ingesteld een
in het vorige lid bedoelde onzekerheid bestaat, houdt die
instantie de behandeling van de zaak aan en vraagt zij terzake het
advies van Onze Minister, onderscheidenlijk van Onze Minister van
Justitie van Aruba, van Curaçao, onderscheidenlijk van Sint
Maarten.
3. De behandeling van de zaak wordt terstond hervat zodra het
in de vorige leden bedoelde advies is ontvangen.
Hoofdstuk 7. Verklaringen en registers
Artikel 21
Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden de autoriteiten en
ambtenaren aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen
van verzoeken om verlening en verklaringen tot verkrijging van het
Nederlanderschap, en van verklaringen van afstand daarvan en kunnen
nadere voorschriften worden gesteld betreffende de wijze van
inontvangstneming van de verklaringen en de verzoeken, de
bevestigingen, bedoeld in artikel 6, alsmede de verdere
administratieve behandeling van verkrijging en verlening van het
Nederlanderschap.
Artikel 22
1. Onze Minister houdt een openbaar register van:
a. de verklaringen tot verkrijging en afstand van het
Nederlanderschap;
b. de bevestigingen, bedoeld in het derde lid van artikel 6
en in artikel 28;
c. de verlening van het Nederlanderschap;
d. de intrekkingen, bedoeld in het eerste lid van artikel
14, en artikel 15, eerste lid, onder d.
2. Onze Ministers van Justitie van Aruba, van Curaçao en van
Sint Maarten houden een openbaar register van de in het eerste lid
bedoelde akten welke betrekking hebben op personen die in hun land
woonachtig zijn.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 23
1. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen
nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van deze Rijkswet.
2. De verklaring van verbondenheid, bedoeld in artikel 6,
tweede lid, artikel 8, eerste lid onder e en artikel 11, derde,
vierde en vijfde lid, wordt afgelegd met de volgende woorden: Ik
zweer (verklaar) dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk
der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer
(beloof) de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt
getrouw te vervullen. Degene die de verklaring aflegt voegt daar
ter bevestiging aan toe: Zo waarlijk helpe mij God almachtig, of:
Dat verklaar en beloof ik.
3. De gevallen waarin het afleggen van de verklaring, in
afwijking van artikel 6, tweede lid, 6 achtste lid, 8, eerste lid
onder e, 11, derde, vierde lid, 11 vijfde lid onder b, 26, derde
lid en 28, derde lid, niet gevraagd zal worden of redelijkerwijs
niet gevraagd kan worden en de wijze waarop deze verklaring kan
worden afgelegd, worden bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur vastgesteld.
Artikel 24
1.Deze Rijkswet kan worden aangehaald als "Rijkswet op het
Nederlanderschap". Zij treedt in werking op een door Ons te
bepalen tijdstip. Wij kunnen een ander tijdstip vaststellen waarop
hoofdstuk 6 in werking treedt.
2.De wet van 12 december 1892, Stb. 268, op het
Nederlanderschap en het ingezetenschap, wordt ingetrokken.
Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen
Artikel 25
Nederlanders in de zin van deze Rijkswet zijn mede zij, die bij
haar inwerkingtreding het Nederlanderschap bezitten.
Artikel 26
1.Het vereiste van toelating en hoofdverblijf, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder f, is niet van toepassing op de
vreemdeling die nadat hij meerderjarig is geworden het
Nederlanderschap heeft verloren als gevolg van verkrijging van een
andere nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) zoals dit luidde
tot 1 maart 1964, en artikel 7, aanhef en ten eerste of ten derde,
van de Wet van 12 december 1892, Stb 268, op het Nederlanderschap
en het ingezetenschap, dan wel dit heeft verloren op grond van
artikel 15, aanhef en onder a, indien de persoon:
a. in het land van die andere nationaliteit is geboren en
daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft
gehad;
b. voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd
gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in
het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft
gehad; of
c. ten tijde van de verkrijging van die andere
nationaliteit gehuwd was met een persoon van die andere
nationaliteit.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die
na de inwerkingtreding van deze bepaling gedurende een periode van
tenminste tien jaren onderdaan is van de Staat van de andere
nationaliteit.
3.Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader of
moeder, die de vreemdeling is, bedoeld in het eerste lid, deelt in
diens verkrijging van het Nederlanderschap, indien hij in de
verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een kind dat in
de verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die
verkrijging. Een kind dat ten tijde van het afleggen van de
verklaring de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, deelt in de
verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, de in het
tweede lid van artikel 6 bedoelde bereidverklaring daadwerkelijk
aflegt en jegens hem geen vermoedens bestaan als bedoeld in het
vierde lid van dat artikel. Het besluit tot bevestiging wordt niet
bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid
daadwerkelijk is afgelegd. Artikel 11, achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 27
1.Artikel 3 van deze Rijkswet is alleen van toepassing op
kinderen geboren na de inwerkingtreding van deze Rijkswet.
2.Artikel 3, derde lid, als gewijzigd bij Rijkswet van 21
december 2000 tot wijziging van de Rijkswet op het
Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening
en het verlies van het Nederlanderschap (Stb. 618), is alleen van
toepassing op kinderen geboren na de inwerkingtreding van die
Rijkswet.
Artikel 28
1.De vrouw die het Nederlanderschap heeft verloren door of in
verband met haar vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet
gesloten huwelijk, verkrijgt het Nederlanderschap door het
afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke en door een
bevestiging gevolgde verklaring, welke moet worden afgelegd binnen
een jaar na de ontbinding van dat huwelijk of binnen een jaar
nadat zij van die ontbinding heeft kunnen kennis nemen. Deze
verkrijging werkt terug tot de datum van ontbinding van het
huwelijk.
2.Artikel 6, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3.Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de in het eerste
lid genoemde persoon die moeder of adoptiefouder als bedoeld in
artikel 11, achtste lid, van dit kind is deelt in die verkrijging,
indien het in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van
een kind dat in de verkrijging deelt, delen onder dezelfde
voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat ten tijde van het
afleggen van de verklaring de leeftijd van zestien jaar heeft
bereikt, deelt in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk
instemt, de in het tweede lid van artikel 6 bedoelde
bereidverklaring aflegt en jegens hem geen vermoedens bestaan als
bedoeld in het vierde lid van dat artikel. Het besluit tot
bevestiging wordt met betrekking tot hem niet bekend gemaakt dan
nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.
Artikel 29
Voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap en de
daarop rustende bepalingen worden de tijdvakken van hoofdverblijf
die voor de inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing rijkswetten
aan de oprichting van de nieuwe landen zijn doorgebracht in de
Nederlandse Antillen in aanmerking genomen als waren zij
doorgebracht in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare
lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad en in het Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen zal worden geplaatst, en dat alle
ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie
zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 19 december 1984
BEATRIX
De Staatssecretaris van Justitie,
V.N.M. Korte-van Hemel
Uitgegeven de zevenentwintigste december 1984
De Minister van Justitie a.i.,
Rietkerk
|