Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 29 mei 1963, houdende nadere
maatregelen ten aanzien van een Indonesisch pensioen in verband met de
samenloop met pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet of pensioen of
uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere
maatregelen te stellen ten aanzien van een Indonesisch pensioen in
verband met de samenloop met een pensioen krachtens de Algemene
Ouderdomswet of een pensioen of uitkering krachtens de Algemene Weduwen-
en Wezenwet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Eerste Hoofdstuk Samenloop van Indonesisch pensioen met pensioen
krachtens de Algemene Ouderdomswet
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
1. "overheidsdienaren":
a. vóór de soevereiniteitsoverdracht in dienst getreden:
burgerlijke of militaire landsdienaren van Nederlands-Indië en
van Indonesië, ambtenaren van de zelfstandige gemeenschappen,
ingesteld op de voet van de artikelen 119, 121 of 123 der Indische
Staatsregeling, van de waterschappen, bedoeld in artikel 186 van
die staatsregeling en van de zelfbesturende landschappen in
Indonesië, pensioengerechtigde leerkrachten bij het
gesubsidiëerd onderwijs in Indonesië, ambtenaren van het
Beheerskantoor in Indonesië van de voormalige Indische
Pensioenfondsen en personeel bij de Lands Landbouwbedrijven in
Indonesië;
b. dienst- en reserveplichtigen van het voormalige Koninklijk
Nederlands Indisch Leger, aan wie of aan wier nagelaten
betrekkingen op grond van de vóór 8 december 1941 gegolden
hebbende voorschriften een pensioen is toegekend tengevolge van in
en door de dienst bekomen letsel;
c. personen, aan wie krachtens de Garantiewet Burgerlijk
Overheidspersoneel Indonesië of de Garantiewet Militairen K.N.I.L.
garanties zijn of zullen zijn verleend;
2. "pensioen": een ten laste van de Staat of van een
door de Staat ingesteld orgaan, al dan niet krachtens wettelijke
garanties, betaalde periodieke uitkering als omschreven in artikel
2, eerste lid, onder c en d, van de Toeslagwet
Indonesische pensioenen 1956 (Stb. 1957, 319) met inbegrip
van de daarop door de Staat verleende of te verlenen toeslagen en
bijslagen, met uitzondering van kindertoelage;
3. "wachtgelden": door gewezen overheidsdienaren
genoten wachtgelden en daarmede in aard overeenkomende onderstanden,
welke ten laste van de Staat worden betaald, beide met inbegrip van
de daarop door de Staat verleende of te verlenen toeslagen en
bijslagen, met uitzondering van kindertoelage;
4. «algemeen ouderdomspensioen»: een bruto ouderdomspensioen
als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet met inbegrip van de daarbij
behorende vakantie-uitkering voorzover deze niet behoren tot de
overlijdensuitkering krachtens die wet.
Artikel 1a
Voor de toepassing van deze wet wordt onder het algemeen
ouderdomspensioen van een gewezen overheidsdienaar die de 65-jarige
leeftijd reeds heeft bereikt mede begrepen het algemeen
ouderdomspensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het
echtpaar duurzaam gescheiden leeft.
Artikel 2
1. Voor de toepassing van deze wet wordt het pensioen geacht te
zijn berekend:
a. voor de gewezen overheidsdienaren, aan wie een pensioen is
toegekend, hetwelk is dan wel wordt geacht te zijn berekend naar de
krachtens het desbetreffende pensioenreglement voor het verkrijgen van
maximum pensioen vereiste diensttijd, naar 40 dienstjaren;
b. voor de gewezen overheidsdienaren, aan wie een pensioen anders
dan bedoeld onder a is toegekend, naar een zodanig gedeelte van
40 dienstjaren, als de diensttijd, waarnaar het pensioen is dan wel
wordt geacht te zijn berekend zich verhoudt tot de krachtens het
desbetreffende pensioenreglement voor het verkrijgen van maximum
pensioen vereiste diensttijd;
c. voor de gewezen overheidsdienaren, die in het genot zijn van een
invaliditeitstoeslag als bedoeld in artikel 2a van de
Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956, naar een aantal dienstjaren,
dat zich verhoudt tot veertig als de diensttijd, welke krachtens het
desbetreffende pensioenreglement overeenkomt met de in de leden 2 van
de artikelen 3a , 3b en 3c van die wet genoemde
percentages, zich verhoudt tot de krachtens het desbetreffende
pensioenreglement voor het verkrijgen van maximum pensioen vereiste
diensttijd, doch ten hoogste naar 40 dienstjaren;
d. voor de weduwen van gewezen overheidsdienaren, naar 40
dienstjaren.
2. Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt ten aanzien
van pensioenen, als bedoeld in artikel 35 van de regeling voor het
reserve-personeel van het leger in Nederlandsch-Indië (Ind. Stb.
1923, 518), de voor het verkrijgen van maximum pensioen vereiste
diensttijd gesteld op 20 jaren.
3. Diensttijd, waarnaar een of meer pensioenen worden geacht te
zijn berekend, wordt geacht te zijn vervuld gedurende het tijdvak of de
tijdvakken, welke door de gewezen overheidsdienaar of, indien het
betreft een weduwenpensioen, degene, aan wiens overlijden het recht op
pensioen wordt ontleend, daadwerkelijk in dienstverhouding is of zijn
doorgebracht en, voor zover de duur daarvan te boven gaande, geacht aan
te sluiten bij het einde van de laatste dienstverhouding, waaraan recht
op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich
uitstrekt na het tijdstip, waarop de gewezen overheidsdienaar of degene,
aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de leeftijd
van 65 jaren heeft of zou hebben bereikt, wordt die diensttijd,
teruggerekend van dat tijdstip af, geacht te zijn vervuld voor zover
mogelijk gedurende de tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk
in dienstverhouding doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk
voor de aanvang van het eerste dienstverband waaraan recht op pensioen
wordt ontleend.
4. Het bepaalde in het voorgaande lid lijdt uitzondering ten
aanzien van pensioenen als bedoeld in artikel 35 van de regeling voor
het reserve-personeel van het leger in Nederlandsch-Indië, in dier
voege, dat voor de vaststelling van het tijdvak gedurende hetwelk wordt
geacht te zijn vervuld diensttijd, waarnaar een zodanig pensioen wordt
geacht te zijn berekend, andere pensioenen buiten aanmerking worden
gelaten.
5. Tijd, waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking
te hebben het bedrag van het algemeen ouderdomspensioen, waarop
aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling op grond van de
Algemene Ouderdomswet, wordt, indien en voor zover die tijd samenvalt
met het in lid 3 bedoelde tijdvak, van de in lid 1 bedoelde dienstjaren
in mindering gebracht en voor de toepassing van artikel 4 buiten
aanmerking gelaten.
Artikel 3
1. Indien een tijdvak waarop het algemeen ouderdomspensioen
moet worden geacht betrekking te hebben geheel of gedeeltelijk
samenvalt met het tijdvak gedurende hetwelk diensttijd wordt geacht te
zijn vervuld waarnaar een of meer aan betrokkene toekomende pensioenen
worden geacht te zijn berekend, wordt over iedere maand, of gedeelte
van een maand, gedurende welke betrokkene aanspraak heeft op algemeen
ouderdomspensioen en op een of meer pensioenen de betaling van het
pensioen of de pensioenen beperkt. Een weduwepensioen wordt beperkt
vanaf de dag volgende op die van het overlijden van de gewezen
overheidsdienaar aan wiens overlijden het recht op weduwepensioen
wordt ontleend indien deze in het genot was van enige
pensioenuitkering waarop een beperking werd toegepast en die niet
duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote.
2. Indien een gehuwde vrouw die niet duurzaam gescheiden leeft
van haar echtgenoot aanspraak heeft op eigen pensioen, wordt met ingang
van de maand waarin zij de leeftijd van 65 jaren bereikt voor de
toepassing van deze wet de diensttijd waarnaar dat pensioen moet worden
geacht te zijn berekend slechts in aanmerking genomen, voorzover deze
niet samenvalt met diensttijd waarnaar een aan de echtgenoot toekomend
pensioen of toekomende andere uit hoofde van aanspraak op algemeen
ouderdomspensioen verminderde pensioenuitkering moet worden geacht te
zijn berekend.
3. Het voorgaande lid vindt slechts toepassing op aanvraag van
degene die aantoont dat aan de echtgenoot een pensioen of enig andere
pensioenuitkering is toegekend die uit hoofde van zijn aanspraak op
algemeen ouderdomspensioen wordt verminderd, waarbij de vermindering van
de beperking ingaat op de dag waarop de bedoelde omstandigheid is
opgetreden, doch uiterlijk een jaar voor de eerste dag van de maand
waarin de aanvraag is ingediend.
Artikel 4
1. De beperking van de uitbetaling van het pensioen of de
pensioenen, bedoeld in artikel 3, wordt gerekend vanaf 1 januari 1963
gesteld op een bedrag dat gelijk is aan het deel van het algemeen
ouderdomspensioen dat geacht kan worden betrekking te hebben op de
tijd die samenvalt met de diensttijd waarnaar een of meer aan
betrokkene toekomende pensioenen worden geacht te zijn berekend, met
dien verstande dat de beperking van de uitbetaling, bedoeld in artikel
3, tweede lid, wordt berekend naar het algemeen ouderdomspensioen van
een ongehuwde, dan wel het algemeen ouderdomspensioen van een gehuwde
als dit pensioen minder bedraagt.
2. Indien het bedrag dat aan een overheidsdienaar aan een of meer
eigen pensioenen of aan een weduwe aan een of meer weduwenpensioenen is
toegekend, per maand in totaal minder bedraagt dan 1/12 deel,
onderscheidenlijk 5/84 deel, van het normbedrag, bedoeld in het derde
lid, wordt het met toepassing van het eerste lid berekende bedrag van de
beperking vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller 40 maal het
eerstbedoelde bedrag bedraagt en de noemer gelijk is aan het produkt van
het aantal dienstjaren, waarnaar het pensioen of de pensioenen ingevolge
artikel 2, eerste lid, wordt of worden geacht te zijn berekend en 1/12
deel, onderscheidenlijk 5/84 deel, van het vorenbedoelde normbedrag.
3. Het normbedrag is het ouderdomspensioen dat overeenkomstig de
Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die luidde op 31 december 1995,
is berekend naar een diensttijd van 40 jaren en middelsom van
berekeningsgrondslagen die gelijk is aan het bedrag, bedoeld in artikel
J 12 van die wet, en met inachtneming van artikel F 7 van die wet. De
bedragen, bedoeld in de artikelen J 12 en F 7 van de Algemene
burgerlijke pensioenwet, zoals die luidden op 31 december 1995, worden
met ingang van 1 januari 1996 bij ministeriële regeling aangepast
overeenkomstig de aanpassing van de pensioenen voor overheidswerknemers
in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP die werkzaam zijn
geweest in de sector Rijk, aan een algemene bezoldigingswijziging.
4. Indien het bedrag van de beperking dat is berekend volgens het
tweede lid, hoger is dan het bedrag van de beperking dat is berekend
volgens het eerste lid, wordt het bedrag van de beperking gesteld op het
overeenkomstig het eerste lid berekende bedrag.
Artikel 4a
Voor de toepassing van de artikelen 3 en 4 geldt het volgende.
a. Het volle algemeen ouderdomspensioen wordt geacht betrekking
te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen waarop de
gewezen overheidsdienaar dan wel, indien het betreft een
weduwenpensioen, degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen
wordt ontleend, de leeftijd van 15 jaren en die van 65 jaren heeft
of zou hebben bereikt.
b. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de
diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop de leeftijd van 15
jaren en die van 65 jaren is of zou zijn bereikt.
c. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
kan nadere regels stellen met betrekking tot de in de artikelen 3 en
4 bedoelde beperking te hanteren bedragen.
Artikel 5
1. De beperking bedraagt, gerekend van 1 januari 1963 af, ten
hoogste 80 ten honderd van het in artikel 26, eerste lid, onder a
bedoelde volle algemeen ouderdomspensioen.
2. Indien in het pensioen is begrepen een invaliditeitstoeslag
als bedoeld in het eerste lid van artikel 2, wordt de uitbetaling van
het pensioen niet verder beperkt dan tot het bedrag, waartoe het zou
zijn beperkt, indien de betrokkene geen aanspraak op
invaliditeitstoeslag zou hebben gehad.
Artikel 5a
1. Op schriftelijk verzoek van degene, die aantoont, dat uit
hoofde van zijn aanspraak op algemeen ouderdomspensioen mede een
vermindering plaats vindt van enige andere pensioenuitkering, niet
zijnde een pensioenuitkering als bedoeld in artikel A 2 en artikel J
14, vijfde lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die
luidden op 31 december 1995, wordt, voor zover de tijdvakken,
gedurende welke wordt geacht te zijn vervuld de diensttijd, waarnaar
het pensioen en de andere pensioenuitkering worden geacht te zijn
berekend, samenvallen, het bedrag van die vermindering voor zoveel
mogelijk in mindering gebracht op het bedrag van de beperking van het
pensioen.
2. De in het voorgaande lid bedoelde vermindering van de
beperking gaat in op de dag, waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid
is opgetreden, doch uiterlijk een jaar voor de maand, waarin het verzoek
is ingediend.
3. Ten aanzien van de vaststelling van het tijdvak gedurende
hetwelk wordt geacht te zijn vervuld diensttijd ter zake waarvan een
andere pensioenuitkering als bedoeld in het eerste lid is toegekend, is
het bepaalde in artikel 2 van overeenkomstige toepassing met dien
verstande, dat indien de andere pensioenuitkering een naar diensttijd
berekend weduwenpensioen is, deze diensttijd wordt geacht te zijn
berekend als voor degene aan wiens overlijden het recht op pensioen
wordt ontleend. Indien voorts de andere pensioenuitkering niet of niet
uitsluitend is berekend naar diensttijd, wordt deze geacht te zijn
berekend naar een diensttijd die zich verhoudt tot 40 jaren, zoals het
bedrag van die pensioenuitkering zich verhoudt tot het bedrag van die
uitkering, indien het zou zijn berekend naar een diensttijd van 40
jaren.
4. Indien het bedrag van de beperking reeds is verminderd
krachtens het tweede lid van artikel 4, vindt het eerste lid slechts
toepassing voor zover zulks nodig is om te voorkomen, dat de som van het
verminderde bedrag van de beperking en de vermindering van het andere
pensioen, het onverminderde bedrag van de beperking zou overschrijden.
5. Indien de som van het bedrag, waarmede de uitbetaling van een
of meer pensioenen ingevolge de artikelen 4 en 5 en eventueel het eerste
lid van dit artikel zou dienen te worden beperkt en het bedrag van de
vermindering van een andere pensioenuitkering zou overschrijden een
bedrag gelijk aan 80 ten honderd van het algemeen ouderdomspensioen,
wordt van deze overschrijding een deel in mindering gebracht op het
bedrag van de beperking en wel in de verhouding waarin de diensttijd,
waarnaar het pensioen wordt geacht te zijn berekend, staat tot het
totaal van de diensttijden.
6. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing indien uit
hoofde van aanspraak op algemeen ouderdomspensioen een vermindering
plaatsvindt van enig pensioen of enige pensioenuitkering van de
echtgenoot van de gewezen overheidsdienaar.
7. Behoudens artikel 3, tweede lid, zijn het eerste tot en met
het vierde lid van overeenkomstige toepassing indien uit hoofde van
aanspraak op algemeen ouderdomspensioen een vermindering plaatsvindt van
enige pensioenuitkering als bedoeld in het eerste lid van de echtgenoot
van de gewezen overheidsdienaar.
Artikel 6
1. De bepalingen van deze wet blijven buiten toepassing ten
aanzien van degenen, die op grond van gemoedsbezwaren hun aanspraak op
algemeen ouderdomspensioen niet geldig maken.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de bepalingen van
deze wet buiten toepassing worden verklaard op bepaalde pensioenen.
Tweede Hoofdstuk. Samenloop van Indonesisch weduwepensioen of
Indonesische wezenonderstand met een uitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet
Artikel 7
In deze wet wordt verstaan onder:
1. "weduwenpensioen" en "wezenonderstand":
een ten laste van de Staat of van een door de Staat ingesteld
orgaan, al dan niet krachtens wettelijke garanties, aan een weduwe
als zodanig onderscheidenlijk aan of ten behoeve van een of meer
wezen als zodanig, betaalde periodieke uitkering als omschreven in
artikel 2, eerste lid, onder c, van de Toeslagwet
Indonesische pensioenen 1956 met inbegrip van de daarop door de
Staat verleende of te verlenen toeslagen en bijslagen, met
uitzondering van kindertoelage;
2. "algemeen weduwenpensioen" en "algemeen
wezenpensioen":
een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering
onderscheidenlijk een wezenpensioen, als bedoeld in de Algemene
Weduwen- en Wezenwet zoals die wet laatstelijk luidde.
3. «algemene nabestaandenuitkering» , «algemene
halfwezenuitkering» en «algemene wezenuitkering»: een uitkering
op grond van de Algemene nabestaandenwet.
Artikel 8
De wezenonderstand, waarop twee of meer volle wezen aanspraak hebben,
wordt, indien de wezenonderstand als een eenheid is toegekend, voor de
toepassing van deze wet geacht aan ieder van genoemde wezen te zijn
toegekend tot een bedrag, gelijk aan die wezenonderstand gedeeld door
hun aantal.
Artikel 9
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt:
a. de algemene nabestaandenuitkering, de algemene
halfwezenuitkering en de algemene wezenuitkering geacht betrekking
te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen, waarop
degene, aan wiens overlijden het recht op weduwenpensioen of
wezenonderstand wordt ontleend de leeftijd van 15 jaren had bereikt
en die van 65 jaren had of zou hebben bereikt;
b. een weduwenpensioen of een wezenonderstand geacht betrekking
te hebben op het tijdvak, gedurende hetwelk zou zijn geacht te zijn
vervuld de diensttijd van degene, aan wiens overlijden het recht op
weduwenpensioen of wezenonderstand wordt ontleend, indien diens
pensioen was of ware berekend naar de in het eerste lid van artikel
2 onder a bedoelde diensttijd;
c. als diensttijd uitsluitend in aanmerking genomen de
diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop degene, aan wiens
overlijden het recht op weduwenpensioen of wezenonderstand wordt
ontleend, de leeftijd van 15 jaren had bereikt en die van 65 jaren
had of zou hebben bereikt;
d. tijd, waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking
te hebben het bedrag van de algemene nabestaandenuitkering, de
halfwezenuitkering en de algemene wezenuitkering, waarop aanspraak
is verkregen door vrijwillige premiebetaling krachtens artikel 63
van de Algemene nabestaandenwet, indien en voor zover die tijd
samenvalt met het onder b bedoelde tijdvak, op dat tijdvak in
mindering gebracht en voor de toepassing van artikel 10 buiten
aanmerking gelaten.
Artikel 10
1. Bij gelijktijdige aanspraak op een of meer weduwenpensioenen
onderscheidenlijk een of meer wezenonderstanden en een algemene
nabestaandenuitkering, algemene halfwezenuitkering onderscheidenlijk
een algemene wezenuitkering, wordt, voor zover tijdvakken als bedoeld
in het voorgaande artikel onder a en b samenvallen,
gerekend van 1 januari 1963 af, de uitbetaling van het weduwenpensioen
of de weduwenpensioenen onderscheidenlijk de wezenonderstand of de
wezenonderstanden iedere maand beperkt naar reden van 2 ten honderd
van het in artikel 26, eerste lid, onder b en c bedoelde
volle algemene nabestaandenuitkering, algemene halfwezenuitkering
onderscheidenlijk algemene wezenuitkering per samenvallend jaar.
2. Indien een weduwe recht heeft op een algemene
nabestaandenuitkering of een algemene halfwezenuitkering op grond van
artikel 14, eerste lid, onderdeel a, artikel 14, derde lid, of artikel
22 van de Algemene nabestaandenwet, doch geen van de in even genoemde
bepalingen bedoelde kinderen recht heeft op wezenonderstand, wordt de
beperking berekend naar de algemene nabestaandenuitkering van een weduwe
zonder kinderen.
3. Indien het bedrag, dat aan een weduwe aan een of meer
weduwenpensioenen is toegekend, per maand in totaal minder bedraagt dan
5/84 van een ouderdomspensioen als bedoeld in het tweede lid van artikel
4, wordt gerekend van 1 januari 1972 af, het met toepassing van het
eerste onderscheidenlijk het tweede lid berekende bedrag van de
beperking vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller is
eerstbedoeld bedrag en de noemer is 5/84 van dat ouderdomspensioen.
4. Indien het bedrag, dat aan volle wees aan een of meer
wezenonderstanden is dan wel, ingevolge het bepaalde in artikel 8, wordt
geacht te zijn toegekend per maand minder bedraagt dan:
a. indien wezenonderstand is toegekend aan 1, 2 of 3 wezen: voor
iedere wees 1/42 deel;
b. indien wezenonderstand is toegekend aan 4 of meer wezen: voor
iedere wees 1/12 deel gedeeld door hun aantal, van een
ouderdomspensioen als bedoeld in het tweede lid van artikel 4, wordt,
gerekend van 1 januari 1972 af, het met toepassing van het eerste lid
berekende bedrag van de beperking vermenigvuldigd met een breuk,
waarvan de teller is eerstbedoeld bedrag en de noemer is het onder a
onderscheidenlijk b genoemde deel van dat ouderdomspensioen.
5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
kan nadere regels stellen met betrekking tot de in de vorige leden
bedoelde beperking te hanteren bedragen.
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-1963]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-1963]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-1963]
Artikel 14
Ingeval van toepassing van artikel 30, tweede lid, van de Algemene
Weduwen- en Wezenwet, zoals dat luidde voor 1 juli 1962, wordt bij de
beperking krachtens deze wet van de uitbetaling van de wezenonderstand
uitgegaan van het ingevolge eerstgenoemde wetsbepaling verminderde
bedrag aan algemeen wezenpensioen.
Artikel 15
De beperking bedraagt, gerekend van 1 januari 1963 af, ten hoogste 80
ten honderd van de algemene nabestaandenuitkering, de algemene
halfwezenuitkering onderscheidenlijk de algemene wezenuitkering.
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1963]
Artikel 17
Ten aanzien van gevallen, waarin uit hoofde van aanspraak op algemene
nabestaandenuitkering, algemene halfwezenuitkering, of algemene
wezenuitkering mede beperking plaats vindt van enige andere weduwen- of
wezenpensioenuitkering is het bepaalde in artikel 5a van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 18
1. Op schriftelijk verzoek van de weduwe, die aantoont, dat een
rente of uitkering, als bedoeld in artikel 19, onder 2e , der
Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2e, der Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid,
der Zeeongevallenwet 1919, daaronder begrepen de daarop verleende toe-
en bijslagen anders dan ingevolge de Wet compensatie premie Algemene
Ouderdomswet ongevallenrentetrekkers, is beperkt wegens samenloop met
een algemene nabestaandenuitkering of algemene halfwezenuitkering,
wordt het bedrag van die beperking op het bedrag van de in artikel 10
bedoelde beperking in mindering gebracht.
2. De in het voorgaande lid bedoelde vermindering van de
beperking gaat in op de dag, waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid
is opgetreden, doch uiterlijk een jaar voor de maand, waarin het verzoek
is ingediend.
3. Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien de daarbij
bedoelde vermindering reeds plaats vindt op een overeenkomstige
beperking van de aanspraak op een weduwenpensioenuitkering als bedoeld
in artikel A 2 en artikel J 14, vijfde lid, van de Algemene burgerlijke
pensioenwet, zoals die luidden op 31 december 1995.
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-1963]
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1963]
Artikel 21
De bepalingen van deze wet blijven buiten toepassing ten aanzien van
degenen, die op grond van gemoedsbezwaren hun aanspraak op algemene
nabestaandenuitkering, algemene halfwezenuitkering, of algemene
wezenuitkering niet geldig maken.
Artikel 22
1. Ten aanzien van de weduwen en wezen, die aantonen, dat zij
op 30 september 1959 aan weduwenpensioen onderscheidenlijk
wezenonderstand, toeslag en renten of uitkeringen krachtens de sociale
verzekeringswetten, in totaal een hoger bedrag ontvingen of hadden
moeten ontvangen dan dat, waarop zij aan bedoeld weduwenpensioen
onderscheidenlijk wezenonderstand, toeslag, renten of uitkeringen en
aan algemene nabestaandenuitkering, algemene halfwezenuitkering
onderscheidenlijk algemene wezenuitkering in totaal aanspraak hebben,
wordt de beperking krachtens deze wet zodanig verminderd, dat zij in
totaal niet minder ontvangen dan dat hogere bedrag.
2. Renten en uitkeringen krachtens de sociale verzekeringswetten
worden voor de toepassing van het vorige lid vermeerderd met de daarop
verleende toe- en bijslagen anders dan ingevolge de Wet compensatie
premie Algemene Ouderdomswet ongevallenrentetrekkers.
3. Voor de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, wordt onder
het bedrag, waarop belanghebbenden in totaal aanspraak hebben, niet
begrepen de verhoging van de aanpassingstoeslag, bedoeld in de artikelen
30a en 30c van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956.
Derde Hoofdstuk Overgangs-, uitvoerings- en slotbepalingen
Artikel 22a
1. Indien een rechthebbende op pensioen, weduwepensioen of
wezenonderstand een algemeen pensioen of een uitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet gaat genieten dan wel het genot van een
algemeen pensioen of bedoelde uitkering eindigt, of indien in het
bedrag van het algemeen pensioen of de uitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet een wijziging wordt aangebracht op grond van
persoonlijke omstandigheden van hemzelf, zijn echtgenoot of zijn
kinderen, is hij gehouden hiervan onverwijld kennis te geven aan het
lichaam dat het pensioen, het weduwepensioen of de wezenonderstand
uitkeert.
2. Indien een belanghebbende de in het voorgaande lid bedoelde
verplichting niet naleeft, gaat een vermindering van de beperking op
grond van dat verlies of die verandering niet eerder in, dan met ingang
van een jaar voor de maand, waarin het lichaam daarvan kennis heeft
gekregen.
Artikel 23
Indien een algemeen ouderdomspensioen, een algemene
nabestaandenuitkering, een algemene halfwezenuitkering, of een algemene
wezenuitkering wordt toegekend of herzien over een tijdvak waarover
reeds een pensioen, een weduwenpensioen of een wezenonderstand werd
uitbetaald, kan de Sociale verzekeringsbank hetgeen teveel werd genoten
ten behoeve van het lichaam dat laatstgenoemde uitkeringen heeft
betaald, inhouden op het desbetreffende algemeen pensioen voor zover dat
betrekking heeft op evengenoemd tijdvak.
Artikel 24
Naar de in artikel 32 van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956
gemaakte onderscheiding is Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties onderscheidenlijk Onze Minister van Buitenlandse
Zaken bevoegd periodieke uitkeringen, welke in aard overeenkomen met
pensioen, weduwenpensioen of wezenonderstand, voor de toepassing van
deze wet als zodanig aan te merken.
Artikel 25
1. Ten aanzien van degene, die ten gevolge van de toepassing
van de Beperkingswet Nederlandse toeslagen op Indonesische pensioenen
(Stb. 1957, 318) en de Tijdelijke regeling samenloop
Indonesische weduwenpensioenen en wezenonderstanden met algemeen
weduwen- en wezenpensioen (Stb. 1959, 341) op 31 maart 1960
meer aan pensioen, weduwenpensioen of wezenonderstand ontving, dan hem
ten gevolge van de toepassing van deze wet op 1 april 1960 toekomt,
wordt de beperking krachtens deze wet op een zodanig bedrag gesteld,
dat aan pensioen, weduwenpensioen of wezenonderstand niet minder wordt
ontvangen dan op 31 maart 1960 het geval was.
2. Voor de toepassing van het vorige lid blijft buiten aanmerking
een vermindering van de beperking krachtens het vierde lid van artikel 4
van de Beperkingswet Nederlandse toeslagen op Indonesische pensioenen of
van het eerste lid van artikel 12 van de Tijdelijke regeling samenloop
Indonesische weduwenpensioenen en wezenonderstanden met algemeen
weduwen- en wezenpensioen.
3. Voor de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, wordt onder
pensioen, weduwenpensioen en wezenonderstand, dat belanghebbende bij
toepassing van deze wet toekomt, niet begrepen de verhoging van de
aanpassingstoeslag, bedoeld in de artikelen 30a en 30c van
de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956.
4. Ten aanzien van degene, die tengevolge van de inwerkingtreding
van deze wet minder aan pensioen, weduwenpensioen of wezenonderstand zou
ontvangen, dan hem voor de inwerkingtreding van deze wet en van de wet
van 29 mei 1963, Stb. 211, toekwam, wordt de beperking verminderd
met een bedrag gelijk aan het verschil.
5. In geval van toepassing van het vorige lid wordt voor volgende
berekeningen van de beperking, het pensioen, het weduwenpensioen of de
wezenonderstand geacht evenveel meer te bedragen als het bedrag,
waarmede de beperking ingevolge het vorige lid is verminderd.
6. Met ingang van de dag waarop voor belanghebbende na 31
december 1962 recht op een lager bedrag aan algemeen ouderdomspensioen,
algemeen weduwenpensioen of algemeen wezenpensioen onderscheidenlijk op
of na 1 juli 1996 aan een algemene nabestaandenuitkering, een algemene
halfwezenuitkering, of een algemene wezenuitkering ontstaat, wordt het
in het vorige lid bedoelde bedrag zodanig lager gesteld, alsof de
omstandigheid die tot wijziging leidde reeds op 31 december 1962
aanwezig was geweest.
Artikel 26
1. Met inachtneming van de bepalingen van de Algemene
Ouderdomswet de[Tekstcorrectie: “de” moet zijn “, de”]
Algemene Weduwen- en Wezenwet onderscheidenlijk de Algemene
nabestaandenwet zoals die luidden op de tijdstippen genoemd in dit
artikel wordt ter uitvoering van deze wet:
a. tot de datum van 1 april 1985 voor de groepen, genoemd in
artikel 8 van de Algemene Ouderdomswet, het in de beperking te
betrekken bedrag van het ouderdomspensioen onderscheidenlijk gesteld:
gerekend van 1 april 1960 af op
€ 465,58, € 732,40 en € 366,20;
gerekend van 1 september 1962 af op
€ 500,9, € 770,52 en € 385,26;
gerekend van 1 januari 1963 af op het volle ouderdomspensioen, met
dien verstande, dat in gevallen als bedoeld in artikel 14, lid 4, van
de Algemene Ouderdomswet, een weduwnaar tot het tijdstip, met ingang
waarvan het hem toegekende ouderdomspensioen wordt herzien, wordt
aangemerkt als te behoren tot de groep bedoeld in artikel 8, zesde
lid, onder a, van die wet.
b. Vanaf 1 april 1985 voor de groepen, genoemd in artikel 9 van de
Algemene Ouderdomswet, het in de beperking te betrekken bedrag van het
algemeen ouderdomspensioen gesteld op het volle algemeen
ouderdomspensioen en vanaf de datum van 1 januari 1987 respectievelijk
1 april 1988 voor de groep, genoemd in artikel 9a ,
respectievelijk artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
Algemene Ouderdomswet, het in de beperking te betrekken bedrag van het
algemeen ouderdomspensioen gesteld op het volle algemeen
ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a
, met dien verstande, dat het algemeen ouderdomspensioen dat krachtens
artikel 18 van de Algemene Ouderdomswet is uitbetaald buiten
beschouwing wordt gelaten.
c. voor de groepen, genoemd in artikel 19 van de Algemene Weduwen-
en Wezenwet respectievelijk de artikelen 17 en 25 van de Algemene
nabestaandenwet, zoals die artikelen luidden op de hierna genoemde
tijdstippen, het in de beperking te betrekken bedrag van het algemeen
weduwenpensioen respectievelijk de uitkering krachtens de Algemene
nabestaandenwet onderscheidenlijk gesteld:
gerekend van 1 april 1960 af op
€ 658,89 en € 954,75
gerekend van 1 september 1962 af op
€ 694,28 en € 992,87;
gerekend van 1 januari 1963 af op het volle algemeen weduwenpensioen
respectievelijk de volle uitkering krachtens de Algemene
nabestaandenwet;
d. voor de groepen, genoemd in artikel 20 van de Algemene Weduwen-
en Wezenwet respectievelijk artikel 29 van de Algemene
nabestaandenwet, zoals die artikelen luidden op de hierna genoemde
tijdstippen, het in de beperking te betrekken bedrag van het algemeen
wezenpensioen respectievelijk de algemene wezenuitkering
onderscheidenlijk gesteld:
gerekend van 1 april 1960 af op
€ 220,54, € 332,17 en € 435,63;
gerekend van 1 januari 1963 af op het volle algemeen wezenpensioen
respectievelijk de volle algemene halfwezenuitkering.
2. Voor de toepassing van deze wet worden vakantie-uitkeringen,
bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet,
geacht op overeenkomstige wijze als het algemene ouderdomspensioen, de
algemene nabestaandenuitkering, de algemene halfwezenuitkering en de
algemene wezenuitkering in termijnen te worden uitbetaald.
Artikel 26a
1. Indien recht is ontstaan op weduwepensioen of een
wezenpensioen na 31 december 2000 heeft de weduwe die de leeftijd van
65 jaar nog niet heeft bereikt, onderscheidenlijk de wees, in
afwijking van de Wet brutering overhevelingstoeslag, recht op een
toeslag ter grootte van 1,9% van dat pensioen, met een maximum van € 791,85
per jaar.
2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt de toeslag krachtens dit artikel niet onder pensioen of uitkering
begrepen.
Artikel 27
1. Indien terzake van het genot van een wegens afkeuring voor
de dienst in Indonesië toegekend pensioen, een weduwenpensioen of een
wezenonderstand, premie wordt geheven krachtens de Algemene
Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet, wordt aan de
rechthebbende daarvoor een vergoeding verleend.
2. De in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor de periode
1 januari 1986 tot 1 januari 1990 vastgesteld op het bedrag van de
premie die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en
Wezenwet wordt geheven over de som van het eigen pensioen,
weduwenpensioen of wezenonderstand en de vergoeding.
3. De in het eerste lid bedoelde vergoeding bedraagt vanaf 1
januari 1990, 13,636% van het betaalbaar bedrag van het pensioen. Bij
elke wijziging van het inhoudingspercentage dient het
vergoedingspercentage steeds te worden aangepast door middel van
vermenigvuldiging met een breuk waarvan de teller het nieuwe
inhoudingspercentage is en de noemer 15,55 is.
4. Voor zover terzake van het genot van een aan een gewezen
overheidsdienaar toekomend, niet wegens afkeuring voor de dienst in
Indonesië toegekend pensioen, premie wordt geheven krachtens de
Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet is het bepaalde in
het vorige lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat
de vergoeding wordt vastgesteld op 69,6% van de bedoelde premie.
5. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van personen aan wie vrijstelling van premie-betaling ingevolge
de Algemene Ouderdomswet of ingevolge de Algemene nabestaandenwet is
verleend.
Artikel 27a
1. Indien ter zake van het overlijden van een rechthebbende op
pensioen recht op een weduwepensioen als bedoeld in deze regeling
ontstaat, heeft de weduwe recht op een toeslag voor de tijd die bij de
berekening van het pensioen in aanmerking is genomen indien en voor
zolang recht bestaat op een nabestaandenuitkering krachtens de
Algemene nabestaandenwet, die wordt verminderd wegens inkomen uit of
in verband met arbeid als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet.
2. De toeslag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per
pensioentellend jaar 2,5% van het verschil tussen 75% van de krachtens
de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde
nabestaandenuitkering en het bedrag van de nabestaandenuitkering, zoals
deze na toepassing van de vermindering, bedoeld in artikel 18 van de
Algemene nabestaandenwet is vastgesteld. De toeslag bedraagt niet meer
dan 75% van de krachtens de artikelen 14 en 30 van de Algemene
nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering en kan niet negatief
zijn. De toeslag wordt telkens nader vastgesteld:
a. aan de hand van de ontwikkelingen van de bedragen van de
Algemene nabestaandenwet;
b. bij iedere nadere vaststelling van de hiervoor bedoelde
nabestaandenuitkering krachtens artikel 18 van de Algemene
nabestaandenwet.
3. Het recht op de toeslag, bedoeld in het eerste lid, gaat in
met ingang van het tijdstip waarop wordt voldaan aan de voorwaarden voor
het recht.
4. Het recht op de toeslag, bedoeld in het eerste lid, vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de weduwe de
65-jarige leeftijd bereikt;
b. met ingang van de maand volgende op die waarin de weduwe
hertrouwt, als partner wordt geregistreerd of aangemerkt, of als
ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt
aangemerkt.
5. De toeslag, bedoeld in het eerste lid, is geen pensioen als
bedoeld in artikel 1, tweede lid.
Artikel 27b
1. Indien ter zake van het overlijden van een in artikel 27
bedoelde gepensioneerde recht op een weduwepensioen als bedoeld in
deze regeling ontstaat, heeft de weduwe die op 1 januari 1998 de
leeftijd van 55 jaar heeft bereikt in afwijking van het zesde lid
recht op een toeslag voor de tijd die bij de berekening van het
pensioen in aanmerking is genomen. Dit recht bestaat indien en voor
zolang recht bestaat op een nabestaandenuitkering krachtens de
Algemene nabestaandenwet, die krachtens artikel 67, derde of negende
lid, van de Algemene nabestaandenwet vanaf 1 januari 1998 wordt
verminderd wegens de omstandigheid dat de weduwe vanaf een tijdstip
voor 1 juli 1996 met dezelfde persoon ononderbroken ongehuwd
samenwoont.
2. De toeslag, bedoeld in onderdeel a, bedraagt per
pensioentellend jaar 2,5% van het verschil tussen 75% van de krachtens
de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde
nabestaandenuitkering en de krachtens artikel 67, derde of negende lid
van de Algemene nabestaandenwet verminderde nabestaandenuitkering. De
toeslag bedraagt niet meer dan 75% van de krachtens de artikelen 14 en
30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering.
De toeslag wordt vanaf 1 januari 1998 vastgesteld met inachtneming
van de bedragen vanaf die datum en wordt vervolgens telkens nader
vastgesteld aan de hand van de ontwikkelingen van de bedragen van de
Algemene nabestaandenwet.
3. Het recht op de toeslag, bedoeld in onderdeel a. vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de weduwe de
65-jarige leeftijd bereikt;
b. met ingang van de maand volgend op die waarin de weduwe trouwt
of als partner wordt geregistreerd of aangemerkt;
c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering
van de nabestaandenuitkering, bedoeld in het onderdeel a, ongedaan
wordt gemaakt.
4. Het derde en vijfde lid van artikel 27a zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 27c
Bij gelijktijdige aanspraak op meerdere pensioenen of uitkeringen
waarop een naar aard en strekking soortgelijke toeslag wordt verleend
als bedoeld in artikel 27a en artikel 27b, wordt de in die artikelen
bedoelde toeslag zodanig verminderd, dat het totaal van de toeslagen
gelijk is aan de maximaal op grond van genoemde artikelen toe te kennen
toeslag.
Artikel 27d
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is
bevoegd ten aanzien van de tijdstippen van ingang en van beeindiging van
de beperking van de betaling beslissingen te nemen, welke in
overeenstemming zijn met de strekking van deze wet.
Artikel 28
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden
gesteld voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 29
Deze wet kan worden aangehaald als "Samenloopregeling
Indonesische pensioenen 1960".
Artikel 30
De Beperkingswet Nederlandse toeslagen op Indonesische pensioenen en
de Tijdelijke regeling samenloop Indonesische weduwenpensioenen en
wezenonderstanden met algemeen weduwen- en wezenpensioen zijn niet van
toepassing op pensioentermijnen, vallende na 1 april 1960.
Artikel 31 [Vervallen per 17-04-1996]
Artikel 32
Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 29 mei 1963
JULIANA
De Minister van Buitenlandse Zaken a.i.,
J. de Quay
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E.H. Toxopeus
De Minister van Financiën a.i.,
J.W. de Pous
Uitgegeven de dertigste mei 1963
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|