Nadere regelgeving:
- Aanwijzingsregeling rechtspersonen Sanctiewet 1977
- Besluit
bestuurlijke boetes financiële sector
- Besluit melding transacties financiering terrorisme
- Regeling
bedrijfsvoering en administratieve organisatie Wet inzake de
geldtransactiekantoren
- Regeling toezicht Sanctiewet 1977
- Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van
terrorisme
WET van 15 februari 1980 tot het treffen
van sancties tegen bepaalde staten of gebieden
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is over te
gaan tot vernieuwing en uitbreiding van de wettelijke mogelijkheden om,
ter uitvoering van internationale besluiten, aanbevelingen en afspraken,
beperkingen vast te stellen voor de betrekkingen met bepaalde staten of
gebieden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Afdeling 1. Definities
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
a. sanctiebesluit: een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in artikel 2;
b. sanctieregeling: een regeling als bedoeld in artikel 2, tweede
lid, of artikel 7;
c. Onze Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken in
overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat;
d. bedrijfslichaam: een bedrijfslichaam als bedoeld in artikel
66, vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
Afdeling 2. Uitvoering van internationale sancties
Artikel 2
1.Ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van
organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale
afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de
internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de
internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme,
kunnen bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de in de
artikelen 3 en 4 bedoelde onderwerpen regels worden vastgesteld.
2.Indien de te stellen regels uitsluitend strekken ter uitvoering
van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende
besluiten van volkenrechtelijke organisaties kan Onze Minister deze
vaststellen.
Artikel 3
1.De in artikel 2 bedoelde regels kunnen betreffen het goederen-,
diensten- en financieel verkeer, de scheepvaart, de luchtvaart, het
wegverkeer, de post en de telecommunicatie en al hetgeen overigens is
vereist ter voldoening aan de verdragen, besluiten, aanbevelingen dan
wel internationale afspraken, bedoeld in artikel 2.
2.Onder het in het eerste lid genoemde verkeer wordt begrepen
iedere handeling, die kennelijk rechtstreeks is gericht op het
bewerkstelligen van zulk verkeer.
3.De in artikel 2 bedoelde regels kunnen mede voorschriften
inhouden betreffende de in het verband van de onderwerpen, aangeduid
in het eerste lid, gebruikelijke documenten.
4.Deze wet laat de bevoegdheden krachtens de Algemene douanewet
onverlet.
Artikel 4
De in artikel 2 bedoelde regels kunnen tevens de toegang en het
verblijf van vreemdelingen betreffen, in die zin dat voor zover nodig in
afwijking van de artikelen 3 en 12 van de Vreemdelingenwet 2000 de
toegang en het verblijf aan in de regels aangeduide vreemdelingen kunnen
worden geweigerd en dat Onze Minister van Justitie verblijfsvergunningen
als bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Vreemdelingenwet 2000 van de
bedoelde vreemdelingen kan intrekken. Een intrekking op grond van dit
artikel geldt als een intrekking op grond van artikel 19 respectievelijk
artikel 22 van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5 [Vervallen per 07-06-2002]
Afdeling 3. Tijdelijke voorschriften
Artikel 6
1.Een sanctiebesluit, zomede een besluit tot wijziging of
intrekking daarvan, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na
de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt geplaatst.
2.Met betrekking tot een sanctiebesluit anders dan ter voldoening
aan een verplichting die voortvloeit uit een verdrag of uit een
bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel met
betrekking tot een besluit tot intrekking of wijziging daarvan, kan,
binnen één maand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
het betrokken besluit wordt geplaatst, door of namens één der Kamers
der Staten-Generaal of door ten minste een vijfde van één dier
Kamers de wens te kennen worden gegeven dat het betrokken besluit bij
de wet zal worden bekrachtigd. Indien zodanige wens te kennen is
gegeven dienen Wij zo spoedig mogelijk een desbetreffend wetsontwerp
in.
3.Indien een overeenkomstig het tweede lid ingediend wetsontwerp
door één der beide Kamers der Staten-Generaal wordt verworpen, wordt
het desbetreffende besluit onverwijld ingetrokken.
4.Een sanctiebesluit vervalt, behoudens eerdere intrekking, drie
jaren na het in werking treden, tenzij bij nadere wet anders wordt
bepaald.
Artikel 7
Bij regeling kan Onze Minister, wanneer hij overweegt een voordracht
tot vaststelling, wijziging of intrekking van een sanctiebesluit te doen
en naar zijn oordeel een gewichtige reden een onmiddellijke voorziening
eist, regels overeenkomstig het in overweging zijnde besluit vaststellen
alsmede in een bestaand sanctiebesluit vervatte regels buiten werking
stellen.
Artikel 8
Een sanctieregeling op grond van artikel 7 blijft, behoudens eerdere
intrekking van kracht totdat een krachtens artikel 2 vastgesteld
besluit, dat hetzelfde onderwerp betreft, in werking treedt, doch
uiterlijk tot tien maanden na het in werking treden van de regeling.
Afdeling 4 [Vervallen per 03-03-2008]
Artikel 9 [Vervallen per 03-03-2008]
Afdeling 5. Toezicht
Artikel 10
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
wet bepaalde zijn belast de ambtenaren of andere personen die door
Onze Minister zijn aangewezen.
2. Onverminderd het eerste lid kan Onze Minister van Financiën een
of meer rechtspersonen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op
de naleving van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde met
betrekking tot het financieel verkeer, door:
a. financiële ondernemingen die ingevolge de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mogen
uitoefenen,
b. financiële ondernemingen die ingevolge de Wet op het
financieel toezicht in Nederland rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling mogen aanbieden of beheerder van een
beleggingsinstelling mogen zijn,
c. financiële ondernemingen die ingevolge de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van wisselinstelling
mogen uitoefenen,
d. financiële ondernemingen die ingevolge de Wet op het
financieel toezicht in Nederland beleggingsdiensten mogen
verlenen,
e. de pensioenfondsen, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet
en de beroepspensioenfondsen, bedoeld in artikel 1 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling,
f. financiële ondernemingen die ingevolge de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van verzekeraar mogen
uitoefenen,
g. het notarieel pensioenfonds, bedoeld in artikel 4 van de Wet
tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en
oprichting van een notarieel pensioenfonds,
h. de trustkantoren die zijn ingeschreven in het register,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht
trustkantoren,
i. financiële ondernemingen die ingevolge de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van
elektronischgeldinstelling mogen uitoefenen,
j. financiële ondernemingen die ingevolge de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van
betaaldienstverlener mogen uitoefenen.
3. Ten aanzien van personen die door een op grond van het tweede
lid aangewezen rechtspersoon belast zijn met het toezicht op de
naleving van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde zijn de
bepalingen van hoofdstuk 5, afdeling 5.2, van de Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
4. Van een besluit tot aanwijzing op grond van het eerste of tweede
lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 10a
Onze Minister van Financiën kan de krachtens artikel 10, tweede lid,
aangewezen rechtspersonen in de gelegenheid stellen hun zienswijze naar
voren te brengen omtrent de uitvoering van de op grond van artikel 2 dan
wel artikel 7 vastgestelde regels betreffende het financieel verkeer.
Artikel 10b
1. Onze Minister van Financiën kan regels stellen voor de
bedrijfsvoering met betrekking tot de administratieve organisatie en
de interne controle van de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede
lid, onder a tot en met j.
2. Onze Minister van Financiën kan regels stellen omtrent het al
dan niet op verzoek verstrekken van gegevens door de instellingen,
bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a tot en met j.
3. Onze Minister van Financiën kan ontheffing of vrijstelling
verlenen van de op grond van het eerste en tweede lid gestelde regels.
Artikel 10c
Onze Minister van Financiën kan een last onder dwangsom opleggen ter
zake van overtreding van regels, gesteld krachtens artikel 10b.
Artikel 10d
1. Onze Minister van Financiën kan een bestuurlijke boete opleggen
ter zake van overtreding van regels, gesteld krachtens artikel 10b.
2. Ten aanzien van de ondernemingen en instellingen, bedoeld in
artikel 10, tweede lid, onder a, b, c, d, f, g, h, i en j, is artikel
1:85 van de Wet op het financieel toezicht van overeenkomstige
toepassing.
3. Ten aanzien van de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede
lid, onder e, zijn artikel 183 en 184 van de Pensioenwet en artikel
178 en 179 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en de
categorie-indeling op grond van de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in artikel 179 van de Pensioenwet, en de algemene maatregel
van bestuur, bedoeld in artikel 174 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling van overeenkomstige toepassing.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 10e
1. Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij algemene
maatregel van bestuur, met dien verstande dat de bestuurlijke boete
voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 4 000 000 bedraagt.
Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn
verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de
overtreder ter zake van eenzelfde overtreding, wordt het bedrag van de
bestuurlijke boete, bedoeld in de eerste volzin, voor een
afzonderlijke overtreding verdubbeld.
2. De algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het eerste lid, bepaalt bij elke daarin omschreven
overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete.
De overtredingen worden gerangschikt in categorieën naar zwaarte van de
overtreding met de daarbij behorende basisbedragen, minimumbedragen en
maximumbedragen. Daarbij wordt de volgende indeling gebruikt:
|
Categorie |
Basisbedrag |
Minimumbedrag |
Maximumbedrag |
|
1 |
€ 10 000,– |
€ 0,– |
€ 10 000,– |
|
2 |
€ 500 000,– |
€ 0,– |
€ 1 000 000,– |
|
3 |
€ 2 000 000,– |
€ 0,– |
€ 4 000 000,– |
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid kan de toezichthouder de hoogte van de bestuurlijke
boete vaststellen op ten hoogste twee keer het bedrag van het
voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen
indien diens voordeel groter is dan€ 2 000 000.
Artikel 10f
1.De bevoegdheden die Onze Minister van Financiën op grond van
deze afdeling heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden
overgedragen aan een of meer rechtspersonen die ingevolge artikel 10,
tweede lid, zijn aangewezen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond
van deze afdeling jegens Onze Minister van Financiën als
verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon.
2.Aan de overdracht, bedoeld in het eerste lid, kunnen beperkingen
worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
Artikel 10g
1. Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze
afdeling bepaalde omtrent afzonderlijke ondernemingen, instellingen of
personen zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens en inlichtingen
die van een instantie als bedoeld in artikel 10h zijn ontvangen,
worden niet gepubliceerd en zijn geheim.
2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze
afdeling of krachtens deze afdeling genomen besluiten enige taak
vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge genoemde
artikelen verstrekt of van een instantie als bedoeld in artikel 10h
ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van
zakelijke gegevens en van bescheiden verkregen, verder of anders
gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan
voor de uitoefening van zijn taak of op grond van deze afdeling wordt
geëist.
3. Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie
het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de
bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
4. Het in het eerste en tweede lid bepaalde laat evenzo, ten
aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet
de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering en van artikel 66 van de Faillissementswet welke
betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie
van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van
een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de
vervulling van zijn ingevolge deze afdeling opgedragen taak, voor
zover het gaat om gegevens of inlichtingen omtrent een bank die in
staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke
uitspraak is ontbonden. Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet
voor gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op ondernemingen
of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de
desbetreffende bank in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.
Artikel 10h
Onze Minister van Financiën is, onverminderd de bepalingen terzake
in bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere
volkenrechtelijke organisaties, in afwijking van artikel 10g, bevoegd om
gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem bij deze
wet opgedragen taak, te verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse
overheidsinstanties dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van
overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op
de naleving of met de uitvoering van de verdragen, besluiten,
aanbevelingen en afspraken, bedoeld in artikel 2, op het gebied van het
financieel verkeer en de daartoe krachtens dat artikel dan wel artikel 7
gestelde regels, tenzij:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden
gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou
verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
c. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in
voldoende mate is gewaarborgd;
d. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs
in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen; of
e. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen
niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze
worden verstrekt.
Afdeling 6. Overige bepalingen
Artikel 11
1. Onze Minister kan bevoegdheden die hem ingevolge een
sanctiebesluit of een sanctieregeling toekomen, delegeren aan het
bestuur van een bedrijfslichaam of het bestuur van een
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in artikel 110 van
de Wet op de bedrijfsorganisatie, tenzij het bepaalde bij of krachtens
deze wet zich daartegen verzet. Onze Minister kan aan een delegatie op
grond van de eerste volzin beperkingen verbinden.
2. Besluiten van algemene strekking, vastgesteld met het oog op de
uitoefening van een op grond van het eerste lid gedelegeerde
bevoegdheid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister. Goedkeuring
kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het
algemeen belang.
3. Een besluit van Onze Minister op grond van het eerste lid wordt
in de Staatscourant bekendgemaakt.
Artikel 12 [Vervallen per 07-06-2002]
Artikel 13
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich
buiten Nederland schuldig maakt aan een bij of krachtens deze wet
strafbaar gesteld feit.
Afdeling 7. Toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 14a
Voor de toepassing van deze wet in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba gelden bindende besluiten, vastgesteld in het kader
van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de
Europese Unie, als internationale verplichtingen in de zin van artikel
2, tweede lid.
Artikel 14b
Met de opsporing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba van de in deze wet strafbaar gestelde feiten zijn belast, naast de
in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES bedoelde
ambtenaren, de daartoe bij besluit van Onze Minister van Justitie in
overeenstemming met Onze Minister aangewezen ambtenaren.
Artikel 14c
1. Overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de
artikelen 2 en 7 zijn misdrijven voor zover zij opzettelijk zijn
begaan. Voor zover deze gedragingen niet opzettelijk worden begaan,
zijn zij overtredingen.
2. In geval van een misdrijf kan de rechter in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba een gevangenisstraf van ten hoogste
zes jaar of een geldboete van de vijfde categorie opleggen.
3. In geval van een overtreding kan de rechter in de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hechtenis van ten hoogste een
jaar of een geldboete van de vierde categorie opleggen.
Afdeling 8. Slotbepalingen
Artikel 15
De Uitvoerverbodenwet 1935 (Stb. 599) en de Sanctiewet 1935 (Stb.
621) treden voor Nederland buiten werking.
Artikel 16
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Sanctiewet 1977.
2. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze wet in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Lech, 15 februari 1980
JULIANA
De Minister van Buitenlandse Zaken,
C.A. van der Klaauw
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
De Minister van Financiën a.i.,
G.M.V. van Aardenne
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
D.S. Tuijnman
De Minister van Economische Zaken,
G.M.V. van Aardenne
De Minister van Landbouw en Visserij,
Van der Stee
Uitgegeven de twintigste maart 1980
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|