Nadere regelgeving:
- Besluit gegevens scheepvaart 2007
- Besluit Patentreglement Rijn (vervallen)
- Besluit Rijnvaartpolitiereglement 1995
- Besluit Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas
- Besluit verkeersinformatie en verkeersaanwijzingen
scheepvaartverkeer
- Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet
- Besluit
zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart
- Binnenvaartbesluit
- Binnenvaartpolitiereglement
(BPR)
- Binnenvaartregeling'
- Loodsplichtbesluit 1995
- Patentreglement Rijn (vervallen)
- Regeling
bloed- en urineonderzoek
- Rijnvaartpolitiereglement 1995
- Scheepvaartreglement Eemsmonding
- Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas
- Scheepvaartreglement territoriale zee
- Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen
- Scheepvaartreglement Westerschelde 1990
- Vaststellingsbesluit
Binnenvaartpolitiereglement (BPR)
WET van 7 juli 1988, houdende algemene
regeling met betrekking tot het scheepvaartverkeer op de binnenwateren
en op zee
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op de
ontwikkelingen in het scheepvaartverkeer en in de ordening daarvan
alsmede op de bij de ordening van dat verkeer betrokken belangen,
wenselijk is de bepalingen met betrekking tot het scheepvaartverkeer op
de binnenwateren en op zee te herzien alsmede, gezien hun onderlinge
samenhang, onder te brengen in één wettelijke regeling, welke mede als
grondslag kan dienen voor de uitvoering van verdragen en van besluiten
van volkenrechtelijke organisaties, voorzover deze het Koninkrijk
binden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij
daarin anders is bepaald, verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. schip: elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig
zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, dat feitelijk
wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel
tot verplaatsing te water;
c. scheepvaartverkeer: verkeer van schepen en andere
vaartuigen;
d. scheepvaartwegen: voor het openbaar scheepvaartverkeer
openstaande binnenwateren en de Nederlandse territoriale zee,
daaronder begrepen de daarin aanwezige waterstaatswerken;
e. het voeren van een schip of ander vaartuig: het
feitelijk de leiding hebben over een schip of ander vaartuig
wat het deelnemen daarvan aan het scheepvaartverkeer betreft;
f. verkeersdeelnemer: degene die een schip of ander
vaartuig voert;
g. verkeersteken: een in, naast of boven een scheepvaartweg
aangebracht voorwerp of aangebrachte combinatie van voorwerpen
waarmee aan het scheepvaartverkeer wordt gegeven:
1°. een inlichting over de toestand van een bepaalde
plaats in of een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg,
of
2°. een inlichting, aanbeveling, gebod of verbod
onderscheidenlijk opheffing van een gebod of verbod voor
het verkeersgedrag op een bepaalde plaats in of een
bepaald gedeelte van een scheepvaartweg;
h. bekendmaking met dezelfde strekking als een
verkeersteken: een schriftelijke mededeling aan het
scheepvaartverkeer waarmee aan dat verkeer wordt gegeven:
1°. een inlichting over de toestand van een bepaalde
plaats in of een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg,
of
2°. een inlichting, aanbeveling, gebod of verbod
onderscheidenlijk opheffing van een gebod of verbod voor
het verkeersgedrag op een bepaalde plaats in of een
bepaald gedeelte van een scheepvaartweg;
i. verkeersbegeleiding: het door middel van een samenstel
van personele en infrastructurele voorzieningen op
stelselmatige en interactieve wijze bewerkstelligen en
onderhouden van een veilig en vlot scheepvaartverkeer;
j. verkeersinformatie: een door een daartoe bevoegd persoon
gegeven inlichting aan een of meerdere verkeersdeelnemers dan
wel aan anderen met betrekking tot een scheepvaartweg of een
gedeelte daarvan dan wel het scheepvaartverkeer of
afzonderlijke schepen daarop, waarbij deze inlichting mede kan
bestaan uit vaarweginformatie en tactische verkeersinformatie;
k. Scheldereglement: het reglement ter uitvoering van
artikel IX van het Tractaat van 19 april 1839, en van
Hoofdstuk II, afdelingen 1 en 2, van het Tractaat van 5
november 1842 betreffende het loodswezen en het
gemeenschappelijk toezicht (Trb. 1995, 48) zoals deze
sedertdien is gewijzigd;
l. verkeersaanwijzing: een door een daartoe bevoegd persoon
aan een of meerdere verkeersdeelnemers gegeven gebod om een
bepaald resultaat in het verkeersgedrag te bewerkstelligen of
opgelegd verbod van een bepaald resultaat in het
verkeersgedrag;
m. Herziene Rijnvaartakte: de op 17 oktober 1868 te
Mannheim tot stand gekomen Herziene Rijnvaartakte, met
bijlagen en slotprotocol, (Trb. 1955, 161), zoals deze
sedertdien is gewijzigd;
n. Nederlandse zeeschepen: zeeschepen die onder de
Nederlandse vlag varen, met uitzondering van zeeschepen die
het recht daartoe ontlenen aan de regels die in Aruba,
Curaçao of Sint Maarten terzake gelden;
o. verwerken van persoonsgegevens, onderscheidenlijk
verantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet
bescherming persoonsgegevens;
p. River Information Services: de geharmoniseerde
informatiediensten ter ondersteuning van het verkeers- en
vervoersmanagement voor de binnenvaart, met inbegrip van de
technisch haalbare koppelingen met andere vervoerswijzen dan
wel met commerciële activiteiten, niet zijnde interne
commerciële activiteiten tussen betrokken bedrijven;
q. vaarweginformatie: geografische, hydrologische en
administratieve informatie over de scheepvaartweg;
r. tactische verkeersinformatie: informatie waarop
onmiddellijke navigatiebeslissingen in de actuele
verkeerssituatie en de nabije geografische omgeving zijn
gebaseerd;
s. verdrag inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer:
het op 21 december 2005 te Middelburg totstandgekomen verdrag
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest
inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het
Scheldegebied (Trb. 2005, 312);
t. vaarbewijs: document ten bewijze van de bevoegdheid om
op de Nederlandse binnenwateren een schip te voeren, waaronder
begrepen een daarmee vergelijkbaar document dat is afgegeven
door een buitenlandse autoriteit;
u. snelle motorboot: schip dat een lengte heeft van minder
dan 20 meter en dat bij gebruikmaking van zijn mechanische
middelen tot voortbeweging, sneller dan 20 km per uur ten
opzichte van het water kan varen.
2. In de artikelen 10 tot en met 13, 15 tot en met 16a, 27 tot
en met 29 en 35 van deze wet en in de op deze wet berustende
bepalingen wordt, tenzij daarin anders is bepaald, verstaan onder:
a. kapitein: degene die is belast met het gezag over een
zeeschip;
b. loods: degene die bij of krachtens de wet of verdrag
bevoegd is verklaard als loods op te treden;
c. zeeschip: een schip dat blijkens zijn constructie
uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor de vaart ter zee.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen zaken die geen
schip zijn, onderscheidenlijk schepen die geen zeeschepen zijn,
voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
met een schip onderscheidenlijk een zeeschip worden gelijkgesteld,
dan wel deze wet en de daarop berustende bepalingen niet van
toepassing worden verklaard op zaken die een schip zijn,
onderscheidenlijk schepen die een zeeschip zijn.
4. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder
het beheer van een scheepvaartweg verstaan het waterstaatkundig
beheer daarvan dan wel, in afwijking hiervan, het vaarwegbeheer
van die scheepvaartweg indien het laatstbedoelde beheer
afzonderlijk bij een openbaar lichaam berust.
5. In deze wet wordt, tenzij daarin anders is bepaald, mede
verstaan onder:
a. schip: een samenstel van schepen of van een of meer
schepen met een of meer andere vaartuigen, waarvan ten minste
één schip deel uitmaakt dat ter voortbeweging gebruik maakt
van zijn motor en dat dient voor het voortbewegen of het
sturen van het samenstel;
b. zeeschip: een samenstel van zeeschepen of van een of
meer zeeschepen met een of meer andere schepen of andere
vaartuigen, waarvan ten minste één schip deel uitmaakt dat
ter voortbeweging gebruik maakt van een of meer van zijn
motoren en dat dient voor het voortbewegen of sturen van het
samenstel.
Artikel 2
1.Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen is dan wel zijn, tenzij daarin anders is bepaald, het
bevoegd gezag:
a. indien het betreft een scheepvaartweg in beheer bij
1°. het Rijk: Onze Minister;
2°. een provincie: gedeputeerde staten;
3°. een gemeente: burgemeester en wethouders;
4°. een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8,
eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen: het
dagelijks bestuur.
b. indien het betreft een scheepvaartweg die niet in beheer
is bij enig openbaar lichaam: burgemeester en wethouders van
de gemeente waarin de scheepvaartweg is gelegen.
2.In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, 1°, zijn
burgemeester en wethouders van een gemeente het bevoegd gezag met
betrekking tot het gedeelte van de Nederlandse territoriale zee
dat binnen het gebied van de gemeente is gelegen. Het in de vorige
volzin bepaalde lijdt uitzondering indien dit gedeelte van de
Nederlandse territoriale zee of een deel daarvan
a. van belang is voor het doorgaande scheepvaartverkeer dan
wel het scheepvaartverkeer van of naar een Nederlandse haven
of ander Nederlands binnenwater en als zodanig door Onze
Minister is aangewezen bij een in de Staatscourant bekend te
maken besluit, of
b. door Onze Minister van Defensie als militair oefengebied
is aangewezen bij een in de Staatscourant bekend te maken
besluit.
3.Ten aanzien van een scheepvaartweg in beheer bij een
waterschap bepalen provinciale staten wie het bevoegd gezag is.
Zij wijzen als zodanig aan het dagelijks bestuur van het
waterschap voor zover dit verenigbaar is met de in het reglement
aan het waterschap ter behartiging opgedragen taken, en in andere
gevallen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de
scheepvaartweg is gelegen of gedeputeerde staten.
4.In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, 3°, en
onderdeel b, en van het derde lid kunnen provinciale staten ten
aanzien van een scheepvaartweg als bedoeld in die bepalingen in
het belang van de eenheid van de ordening van het doorgaande
scheepvaartverkeer op die scheepvaartweg gedeputeerde staten als
bevoegd gezag aanwijzen.
5.Onze Minister kan voor een scheepvaartweg in beheer bij het
Rijk een van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde organen
van een openbaar lichaam als bevoegd gezag aanwijzen. Aan een
dergelijke aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.
Hoofdstuk 2. Bepalingen met betrekking tot de ordening van het
scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen
§ 1. Inleidende bepaling
Artikel 3
1.Toepassing van de artikelen 4, 11 en 12 kan, behoudens het
bepaalde in het tweede lid, slechts geschieden in het belang van:
a. het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop
van het scheepvaartverkeer;
b. het instandhouden van scheepvaartwegen en het waarborgen
van de bruikbaarheid daarvan;
c. het voorkomen of beperken van schade door het
scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en
waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen;
d. het voorkomen of beperken van externe veiligheidsrisico’s
in verband met schepen;
e. het voorkomen of beperken van verontreiniging door
schepen.
2.Toepassing van artikel 4 ten behoeve van een in het eerste
lid genoemd belang kan mede geschieden in het belang van het
voorkomen of beperken van:
a. hinder of gevaar door het scheepvaartverkeer voor
personen die zich anders dan op een schip te water bevinden;
b. schade door het scheepvaartverkeer aan de
landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden van een
gebied waarin scheepvaartwegen zijn gelegen.
§ 2. Verkeersreglementering
Artikel 4
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot:
a. het deelnemen aan het scheepvaartverkeer op
scheepvaartwegen;
b. verkeerstekens;
c. bekendmakingen met dezelfde strekking als een
verkeersteken;
d. verkeersaanwijzingen;
e. het ontvangen, bewaren en verstrekken van gegevens met
betrekking tot de scheepvaart door organisaties en personen
die niet deelnemen aan het scheepvaartverkeer.
2.De in het eerste lid, onder a, bedoelde regels kunnen slechts
inhouden:
a. verplichtingen met betrekking tot:
1°. het varen en het ligplaats nemen met schepen en
andere vaartuigen;
2°. het tonen van optische tekens door schepen en
andere vaartuigen;
3°. het geven van geluidsseinen door schepen;
4°. de aanwezigheid en het gebruik van bepaalde
navigatiemiddelen aan boord van schepen;
5°. de aanwezigheid en het gebruik van bepaalde
communicatiemiddelen aan boord van schepen;
6°. het aanbrengen van kentekens op schepen;
b. andere verplichtingen van verkeersdeelnemers of andere
personen aan boord van schepen en andere vaartuigen met
betrekking tot het deelnemen aan het scheepvaartverkeer;
c. verplichtingen van andere personen dan die genoemd in
onderdeel b, met betrekking tot het deelnemen aan het
scheepvaartverkeer.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor daarin
aangewezen scheepvaartwegen in afwijking van of in aanvulling op
de krachtens het eerste lid, onder a, te stellen regels andere
regels met betrekking tot het deelnemen aan het scheepvaartverkeer
worden gesteld. Daarin kunnen aan degenen die een schip voeren,
naast verplichtingen met betrekking tot de in het tweede lid
bedoelde onderwerpen, verplichtingen worden opgelegd, die al dan
niet gericht zijn op het deelnemen aan verkeersbegeleiding en
onder andere betrekking hebben op het melden van aankomst, vertrek
of positie van een schip, alsmede van gegevens met betrekking tot
het schip, de daarmee vervoerde lading, of de uit te voeren reis.
4.Ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel e, kunnen ten
behoeve van de River Information Services persoonsgegevens worden
verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde
een goede uitvoering te kunnen geven aan de bij of krachtens deze
wet gestelde voorschriften omtrent de toepassing van River
Information Services. De bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur aangewezen bevoegde autoriteit is verantwoordelijke voor
deze verwerking.
5.Ter uitvoering van het tweede lid, onderdeel b, worden
persoonsgegevens betreffende de gezondheid en strafrechtelijke
persoonsgegevens verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt
plaats teneinde te kunnen beoordelen of de aanvragers van bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen Rijnpatenten voldoen of
niet meer voldoen aan de wettelijke vereisten voor de verlening
van deze patenten. De bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur aangewezen bevoegde autoriteit is verantwoordelijke voor
deze verwerking.
6.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de bescherming van de persoonsgegevens die in het
kader van River Information Services worden verkregen alsmede met
betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij
de toepassing van River Information Services.
7.In de krachtens het eerste lid, onderdelen a of e, het derde
en zesde lid te stellen regels kan met betrekking tot daarin
aangewezen onderdelen Onze Minister bevoegd worden verklaard tot
het stellen van nadere regels.
8.Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de apparatuur en de softwaretoepassingen die
ten behoeve van River Information Services worden gebruikt door
personen en organisaties die niet deelnemen aan het
scheepvaartverkeer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.
Artikel 5
1.Beslissingen met betrekking tot het aanbrengen of verwijderen
van een verkeersteken worden genomen door het bevoegd gezag. Dit
gezag draagt zorg voor het aanbrengen of verwijderen van
verkeerstekens.
2.Het bevoegd gezag kan van de bevoegdheid tot het nemen van
beslissingen als bedoeld in het eerste lid machtiging verlenen aan
degene die is belast met de uitoefening van de bij of krachtens
deze wet verleende bevoegdheden ten aanzien van de deelname aan
het scheepvaartverkeer op de desbetreffende scheepvaartweg.
Artikel 6
1.Een verkeersteken dat een gebod of verbod dan wel de
opheffing van een gebod of verbod aangeeft, wordt, behoudens in
bij algemene maatregel van bestuur aan te geven bijzondere
omstandigheden, niet aangebracht of verwijderd dan nadat het
desbetreffende besluit door de zorg van het bevoegd gezag is
bekendgemaakt.
2.Een belanghebbende kan tegen een besluit als bedoeld in het
eerste lid beroep instellen bij de rechtbank.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld inzake de totstandkoming van besluiten als bedoeld in het
eerste lid en de wijze van bekendmaking daarvan.
Artikel 7
1.Van een gebod of verbod, aangegeven met een verkeersteken,
kan door het bevoegd gezag, zonodig onder beperkingen,
vrijstelling of ontheffing worden verleend. Aan een besluit tot
vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
2.Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden
met het belang of de belangen, ten dienste waarvan het
desbetreffende gebod of verbod is gesteld.
3.Een besluit met betrekking tot een vrijstelling of een
kennisgeving van een besluit met betrekking tot een ontheffing
wordt door de zorg van het bevoegd gezag bekendgemaakt.
4.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld inzake de totstandkoming van besluiten met betrekking tot
een vrijstelling of een ontheffing en de wijze van bekendmaking
als bedoeld in het derde lid.
5.Het bevoegd gezag kan van de bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid, mandaat verlenen aan degene die is belast met de
uitoefening van de bij of krachtens deze wet verleende
bevoegdheden ten aanzien van de deelname aan het
scheepvaartverkeer op de desbetreffende scheepvaartweg.
Artikel 8
De artikelen 5 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing
met betrekking tot bekendmakingen met dezelfde strekking als een
verkeersteken.
Artikel 9
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald
welke personen bevoegd zijn tot het geven van verkeersinformatie
dan wel tot het geven van verkeersaanwijzingen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de eisen waaraan in het eerste lid
bedoelde personen wat opleiding, kundigheid en ervaring betreft
moeten voldoen voor de uitvoering van de in dat lid genoemde
taken.
3.Indien krachtens de in het tweede lid bedoelde maatregel
regels worden gesteld voor ambtenaren, aangesteld voor de
uitoefening van de politietaak, worden die regels gesteld in
overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
§ 3. Het loodsen
Artikel 10
1.De kapitein is verplicht om tijdens de vaart van het zeeschip
op de in de bijlage van deze wet aangegeven scheepvaartwegen
gebruik te maken van de diensten van een loods.
2.Van de in het eerste lid bedoelde verplichting kan ten
aanzien van een of meer in de bijlage van deze wet aangegeven
scheepvaartwegen bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling
worden verleend voor:
a. daarbij aangewezen categorieën van zeeschepen;
b. zeeschepen indien de kapitein of een aan boord zijnde
stuurman tijdens de vaart op de desbetreffende scheepvaartweg
in het bezit is van een verklaring van vrijstelling en als
verkeersdeelnemer optreedt. Een verklaring van vrijstelling
wordt afgegeven aan degene die voldoet aan daartoe bij
algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de afgifte van de verklaring van
vrijstelling en de opleiding en examinering van degenen die
voor een dergelijke verklaring in aanmerking wensen te komen
en worden een of meer instanties aangewezen die, naast de
besturen van de regionale loodsencorporaties, met het
verzorgen van een opleiding en het afnemen van examens zijn
belast.
3.Van de in het eerste lid bedoelde verplichting kan in bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen omstandigheden of
gevallen en op een in die maatregel aan te geven wijze door Onze
Minister of een in die maatregel aangewezen ander gezag, zonodig
onder beperkingen, voor een zeeschip ontheffing worden verleend.
Aan een besluit tot ontheffing kunnen voorschriften worden
verbonden.
4.Bij de toepassing van het tweede en derde lid wordt rekening
gehouden met de in artikel 3, eerste lid, bedoelde belangen.
5.Ter uitvoering van de aanvraag om afgifte van een verklaring
van vrijstelling, de periodieke controle op de houders van
verklaringen en de intrekking van verklaringen, worden
persoonsgegevens betreffende de gezondheid verwerkt. De verwerking
van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of
aan de wettelijke vereisten voor de afgifte van een verklaring is
voldaan onderscheidenlijk niet meer wordt voldaan. Het bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorgaan
dat is belast met de afgifte en de intrekking van verklaringen van
vrijstelling is verantwoordelijke voor deze verwerking.
Artikel 11
1.In bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
omstandigheden of gevallen en op een in die maatregel aan te geven
wijze kan door Onze Minister of een in die maatregel aangewezen
ander gezag
a. de kapitein die op grond van artikel 10, tweede lid, van
de loodsplicht is vrijgesteld, niettemin worden verplicht om
tijdens de vaart van het zeeschip op een in de bijlage van
deze wet aangegeven scheepvaartweg gebruik te maken van de
diensten van een loods;
b. de kapitein worden verplicht om tijdens de vaart van het
zeeschip op een door genoemde Minister of dat ander gezag
aangewezen scheepvaartweg die niet is aangegeven in de bijlage
van deze wet, gebruik te maken van de diensten van een loods;
en
c. de kapitein worden verplicht ten behoeve van het loodsen
aanwijzingen op te volgen met betrekking tot:
1°. het gebruik van meer dan één loods; en
2°. het gebruik maken van de diensten van een loods
aan boord van het zeeschip, dan wel vanaf de wal of vanaf
een ander schip.
2.De maatregel, bedoeld in het eerste lid, heeft geen
betrekking op scheepvaartwegen waarop bij of krachtens hoofdstuk
III van het Scheldereglement een loodsplicht geldt.
Artikel 12
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden voor kapiteins
verplichtingen ten behoeve van het loodsen geregeld.
2.Deze verplichtingen hebben slechts betrekking op:
a. het aanvragen van een loods;
b. de dienstverrichting van een loods;
c. het verstrekken van voor het loodsen noodzakelijke
inlichtingen;
d. het treffen van voor het loodsen noodzakelijke
voorzieningen.
3.In de krachtens het eerste lid te stellen regels kan met
betrekking tot bepaalde onderdelen daarvan Onze Minister bevoegd
worden verklaard nadere regels te stellen.
Artikel 13
Het bepaalde in deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van een schip dat geen zeeschip is en degene die
daarover de leiding heeft, indien dit schip zich op zee bevindt.
§ 4. Vergoedingen
Artikel 14
1.Indien het door het bevoegd gezag redelijkerwijze nodig wordt
geoordeeld om verkeerstekens voor het scheepvaartverkeer dat zich
op een scheepvaartweg bevindt, aan te brengen of te verwijderen in
verband met door een ander in, op of boven die scheepvaartweg te
ondernemen activiteiten welke niet behoren tot het normale
verkeersgebruik van die scheepvaartweg, kan die ander door het
bevoegd gezag worden verplicht de kosten te vergoeden die het
heeft gemaakt voor het aanbrengen of verwijderen van die
verkeerstekens.
2.Indien het door het bevoegd gezag redelijkerwijze nodig wordt
geoordeeld om schepen op een scheepvaartweg te volgen, daaraan
verkeersinformatie te geven dan wel deze te begeleiden met een
schip in verband met door een ander in, op of boven die
scheepvaartweg te ondernemen activiteiten welke niet behoren tot
het normale verkeersgebruik van die scheepvaartweg, kan die ander
door het bevoegd gezag worden verplicht de kosten te vergoeden,
die het heeft gemaakt voor die maatregelen.
Artikel 14a
1.De kosten verbonden aan de aanvraag en de afgifte van diploma’s
en verklaringen van vrijstelling als bedoeld in artikel 10, tweede
lid, onderdeel b , de deelname aan de daarvoor vereiste
opleidingen en examens en de afgifte van andere documenten,
verplicht gesteld bij of krachtens deze wet, kunnen ten laste
worden gebracht van de aanvrager van het diploma of andere
document, onderscheidenlijk de kandidaat voor de bedoelde examens.
2.De tarieven voor de kosten van deelname aan de opleidingen en
de examens, en voor de verstrekking van afschriften uit de
krachtens deze wet door de Nederlandse loodsencorporatie bij te
houden registers worden vastgesteld bij besluit van de raad van
bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, overeenkomstig
het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk VIA van de Loodsenwet. De
tarieven voor de overige kosten worden vastgesteld bij
ministeriële regeling.
Artikel 15
1.De kapitein op wie een verplichting als bedoeld in de
artikelen 10, eerste lid, of 11, eerste lid, rust, dan wel de
eigenaar of rompbevrachter van het desbetreffende schip of de
persoon die gezagvoerder is van een zeeschip dat geen
Scheldevaarder is, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het
Scheldereglement, is gehouden loodsgeld te betalen.
2.De kapitein die tijdens de vaart op een scheepvaartweg
gebruik maakt van de diensten van een loods zonder dat daartoe op
hem een verplichting als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid,
of 11, eerste lid, rust, dan wel de eigenaar of rompbevrachter van
het desbetreffende schip, is gehouden daarvoor loodsgeld te
betalen.
3.Degene die gehouden is loodsgeld te betalen, kan door de
organisatie waaraan het loodsgeld is verschuldigd, worden
verplicht tot het stellen van zekerheid met betrekking tot de
voldoening van het loodsgeld en tot het verschaffen van de in
verband met de bepaling van het toepasselijke tarief benodigde
informatie.
Artikel 15a
1.Het loodsgeld strekt tot vergoeding van de kosten met
betrekking tot het loodsen.
2.Het loodsgeld is verschuldigd aan de door de algemene raad
van de Nederlandse loodsencorporatie aan te wijzen organisatie.
Deze aanwijzing wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. Aan die
aanwijzing worden met inachtneming van artikel 26 Loodsenwet
voorschriften verbonden omtrent de aanwending van het loodsgeld
door de aangewezen organisatie en kunnen, eveneens met
inachtneming van genoemd artikel, voorschriften worden verbonden
omtrent:
a. de inning van het loodsgeld;
b. de verplichting tot het stellen van zekerheid met
betrekking tot de voldoening van het loodsgeld;
c. de gevolgen van het in gebreke blijven van de
organisatie ten aanzien van de inning of de aanwending van het
loodsgeld;
d. de verplichting van de kapitein tot het verschaffen van
de in verband met de bepaling van het toepasselijke tarief
benodigde informatie.
Artikel 15b
1.De inning van het loodsgeld en de loodsvergoedingen, die
ingevolge het Scheldereglement geheven worden en aan het Rijk
toekomen, geschiedt volgens de bij of krachtens het
Scheldereglement geldende bepalingen door een door de algemene
raad van de Nederlandse loodsencorporatie aan te wijzen
organisatie. Deze aanwijzing wordt bekendgemaakt in de
Staatscourant.
2.De krachtens het eerste lid aangewezen organisatie is
rechthebbende op de ingevolge het Scheldereglement geheven
loodsgelden en loodsvergoedingen.
3.Aan de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, worden met
inachtneming van artikel 26 Loodsenwet voorschriften verbonden
omtrent de aanwending door de organisatie van de aan deze
toekomende gelden en kunnen, eveneens met inachtneming van genoemd
artikel, voorschriften worden verbonden omtrent:
a. de inning van het loodsgeld en de loodsvergoedingen;
b. de gevolgen van het in gebreke blijven van de
organisatie ten aanzien van de inning of de aanwending van het
loodsgeld en de loodsvergoedingen.
Artikel 15ba
1.Een aanwijzing, bedoeld in de artikelen 15a, tweede lid, en
15b, eerste lid, behoeft de goedkeuring van de raad van bestuur
van de Nederlandse Mededingingsautoriteit. Onverminderd artikel
10:27 van de Algemene wet bestuursrecht kan de goedkeuring kan
slechts worden onthouden indien het belang van behoorlijk
markttoezicht zich daartegen verzet.
2.Een krachtens deartikelen 15a, tweede lid, onderscheidenlijk
15b, eerste lid, aangewezen organisatie voert in de boekhouding
een administratief onderscheid in voor iedere dienst of taak die
bij of krachtens de wet bij uitsluiting aan registerloodsen, de
organen van de Nederlandse en regionale loodsencorporaties, de
aangewezen organisaties of samenwerkingsverbanden van
registerloodsen is opgedragen.
3.Bij regeling van de raad van bestuur van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de boekhouding, bedoeld in het tweede lid.
4.De algemene raad en de ledenvergadering van de Nederlandse
loodsencorporatie zijn bevoegd van de krachtens de artikelen 15a,
tweede lid, onderscheidenlijk 15b, eerste lid, aangewezen
organisaties, alsmede van de ter uitvoering van artikel 15, eerste
lid, onder b, van de Loodsenwet opgerichte samenwerkingsverbanden
van registerloodsen, alle inlichtingen en gegevens te verlangen
die deze organen voor de uitoefening van de hen bij en krachtens
de Loodsenwet opgedragen taken redelijkerwijs nodig achten. De
organisaties en samenwerkingsverbanden verlenen binnen de gestelde
termijn alle gevraagde medewerking.
Artikel 15c
1. De kapitein, eigenaar of rompbevrachter van een zeeschip dat
gevoerd wordt door een verkeersdeelnemer op wie een verplichting
rust als bedoeld in artikel 4, derde lid, gericht op het deelnemen
aan verkeersbegeleiding, is gehouden het
verkeersbegeleidingstarief te betalen en de in verband met de
bepaling van het tarief benodigde informatie te verstrekken.
2. In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen
en op een in die maatregel aan te geven wijze kan Onze Minister
aan een kapitein, eigenaar of rompbevrachter een gehele of
gedeeltelijke ontheffing verlenen van de verplichting tot het
betalen van het in het eerste lid bedoelde tarief. Aan een besluit
tot ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden
verbonden.
3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing op de ontheffing van de verplichting tot het betalen
van het in het eerste lid bedoelde tarief.
Artikel 15d
1. Het verkeersbegeleidingstarief strekt tot vergoeding van ten
laste van het Rijk komende kosten van verkeersbegeleiding, voor
zover deze strekt tot individuele dienstverlening.
2. Het in het eerste lid bedoelde tarief is verschuldigd aan
het Rijk. Bij algemene maatregel van bestuur worden de
scheepvaartwegen aangewezen waarop het tarief is verschuldigd en
worden de maatstaven voor de toepassing en de vrijstellingen van
het verkeersbegeleidingstarief geregeld. Daarin kunnen regels
worden gesteld betreffende het stellen van zekerheid.
3. Het in het eerste lid bedoelde tarief wordt vastgesteld bij
ministeriële regeling. Bij ministeriële regeling worden tevens
regels gesteld met betrekking tot de inning en de wijze van
betaling van het tarief. Onze Minister, onderscheidenlijk het bij
ministeriële regeling aangewezen bestuursorgaan of de bij
ministeriële regeling aangewezen ambtenaar is bevoegd tot het
uitvaardigen van een dwangbevel tot invordering van de
verschuldigde geldsom.
Artikel 16
De artikelen 15 en 15a zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van een schip dat geen zeeschip is en op degene die daarover
de leiding heeft, het schip in eigendom heeft of het als
rompbevrachter exploiteert.
Artikel 16a
De artikelen 15c en 15d zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van een schip dat geen zeeschip is en behoort tot een
categorie die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen kan
worden en op degene die over dat schip de leiding heeft, het schip
in eigendom heeft of het als rompbevrachter exploiteert.
Hoofdstuk 3. Gegevens ten behoeve van de statistiek
Artikel 17
1.Degene die een schip voert dat behoort tot een bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen categorie, is verplicht om aan
de daartoe bij of krachtens die maatregel aangewezen personen ten
behoeve van de statistiek bepaalde gegevens te verstrekken met
betrekking tot het schip, de daarmee vervoerde lading of de uit te
voeren reis.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld. Deze regels hebben slechts betrekking op:
a. de inhoud van de te verstrekken gegevens;
b. de plaatsen waar gegevens moeten worden verstrekt;
c. het verstrekken van de gegevens.
Hoofdstuk 4. Gebruik van scheepvaartwegen door personen die zich
anders dan op een schip te water bevinden
Artikel 18
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot het gebruik van scheepvaartwegen door
personen die zich anders dan op een schip te water bevinden.
2.Deze regels mogen slechts strekken tot het voorkomen of het
beperken van hinder of gevaar voor het scheepvaartverkeer.
Hoofdstuk 5. Bepalingen met betrekking tot de uitvoering van
verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties
Artikel 19
Het stellen van regels krachtens het bepaalde in de hoofdstukken
2 tot en met 4 geschiedt met inachtneming van bindende verdragen en
bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Artikel 20
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ter uitvoering van
verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties voor
zover die het Koninkrijk binden, regels worden gesteld met
betrekking tot het deelnemen aan het scheepvaartverkeer door
Nederlandse zeeschepen:
a. in volle zee;
b. op alle niet-Nederlandse wateren die met de volle zee in
verbinding staan en bevaarbaar zijn voor zeegaande schepen.
2.Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, is niet van
toepassing, voorzover door de voor die wateren daartoe bevoegde
autoriteiten afwijkende regels zijn gesteld.
Artikel 21
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van
verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties welke
betrekking hebben op de ordening van het scheepvaartverkeer voor
de Nederlandse kust buiten de Nederlandse territoriale zee,
voorzover die verdragen of besluiten het Koninkrijk binden, regels
worden gesteld. Voorzover daarbij uitvoering wordt gegeven aan
artikel 211, zesde lid, van het op 10 december 1982 te Montego-Bay
totstandgekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht
van de zee (Trb. 1983, 83), geschiedt zulks met inachtneming van
de voorschriften, genoemd in dat verdrag.
2.In de krachtens het eerste lid te stellen regels kan met
betrekking tot daarin aangewezen onderdelen Onze Minister bevoegd
worden verklaard tot het stellen van nadere regels.
Artikel 22
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van
de Herziene Rijnvaartakte voor zover dit noodzakelijk is voor een
goede uitvoering van dat verdrag met betrekking tot de
scheepvaart, regels inzake andere onderwerpen dan die bedoeld in
de Hoofdstukken 2 tot en met 4 worden gesteld.
2.In de krachtens het eerste lid te stellen regels kan met
betrekking tot daarin aangewezen onderdelen Onze Minister bevoegd
worden verklaard tot het stellen van nadere regels.
Artikel 23
Bij de toepassing van de artikelen 19 tot en met 21 wordt
afgeweken van het bepaalde in deze wet, indien verdragen of
besluiten van volkenrechtelijke organisaties voor zover deze het
Koninkrijk binden daartoe nopen.
Artikel 23a
Behoeft de voorzitter van een veiligheidsregio, in geval van een
ramp of crisis, bijstand van de Gemeenschappelijk Nautische
Autoriteit, genoemd in artikel 6 van het Verdrag inzake het
gemeenschappelijk nautisch beheer, dan dient hij een daartoe
strekkend verzoek in bij Onze Minister. Onze Minister geleidt dit
verzoek door aan de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit.
Hoofdstuk 6. Dwangbepalingen
Artikel 24
Onze Minister, indien deze het bevoegd gezag is, is bevoegd tot
oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij
of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
Artikel 24a
Onze Minister is gerechtigd te verrichten hetgeen in strijd met
het bepaalde bij of krachtens artikel 15b, eerste en derde lid,
wordt nagelaten.
Artikel 25
Indien een verkeersdeelnemer aan wie een verkeersaanwijzing is
gegeven, een krachtens artikel 4, eerste lid, onderdeel d, geregelde
verplichting met betrekking tot een verkeersaanwijzing overtreedt en
daarvoor onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of
goederen ontstaat of dreigt te ontstaan, is het bevoegd gezag
bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter
voorkoming of bestrijding van dat gevaar.
Hoofdstuk 7. Straf-, opsporings- en politiebepalingen
Artikel 26
Het is verboden om opzettelijk wederrechtelijk een aan een ander
toebehorend schip of ander vaartuig te gebruiken voor het deelnemen
aan het scheepvaartverkeer op een scheepvaartweg.
Artikel 27
1. Het is degene die op een scheepvaartweg een varend schip
voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip
de kapitein of de verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren
navigatie, verboden dit te doen, terwijl hij verkeert onder
zodanige invloed van een stof waarvan hij weet of redelijkerwijze
moet weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie
met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het
voeren of sturen van dat schip, dan wel de bekwaamheid tot het
adviseren van de kapitein of de verkeersdeelnemer, kan
verminderen, dat hij niet in staat moet worden geacht dat schip
naar behoren te kunnen voeren of te kunnen sturen, dan wel de
kapitein of de verkeersdeelnemer naar behoren te kunnen adviseren.
2. Het is degene die op een scheepvaartweg een varend schip
voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip
de kapitein of de verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren
navigatie, verboden dit te doen, na zodanig gebruik van
alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger
blijkt te zijn dan tweehonderdtwintig microgram alcohol per
liter uitgeademde lucht;
b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek
hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter
bloed.
3. Het is degene die op een scheepvaartweg een varend schip
voert verboden dit te doen sturen door een persoon, waarvan hij
weet of redelijkerwijze moet weten dat deze verkeert in een
toestand als in het eerste lid of tweede lid omschreven.
4. Het is degene die op een scheepvaartweg een varend klein
schip voert of stuurt verboden dit te doen terwijl hij verkeert in
een toestand als omschreven in het eerste of tweede lid en het
verkeer belemmert of dreigt te belemmeren.
5. In dit artikel en in de artikelen 28, 28a en 29 wordt onder
een varend schip verstaan een schip dat niet ten anker of gemeerd
ligt.
6. In dit artikel wordt onder een klein schip verstaan:
a. een schip met een lengte van minder dan 20 meter dat
uitsluitend door spierkracht wordt voortbewogen;
b. een schip met een lengte van minder dan 5 meter dat
uitsluitend door middel van zijn zeilen wordt voortbewogen of
dat ter voortbeweging gebruik maakt van een motor waarmee geen
hogere snelheid bereikt kan worden dan zes kilometer per uur.
7. In dit artikel wordt onder lengte van een schip verstaan de
grootste lengte van de romp gemeten van de voorkant van het
voorste tot de achterkant van het achterste deel van het schip.
Artikel 28
1.Op de eerste vordering van een opsporingsambtenaar als
bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering is
degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt,
dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of
de verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren navigatie,
verplicht zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek
van uitgeademde lucht en daartoe volgens door die
opsporingsambtenaar te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in
een door die opsporingsambtenaar aangewezen apparaat.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene
die aanstalten maakt een schip dat op een scheepvaartweg voor
vertrek gereed ligt, te gaan voeren of sturen, dan wel als loods
aan boord van een zodanig schip de kapitein of de
verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te gaan adviseren.
Artikel 28a
1.Indien degene die op een scheepvaartweg een varend schip
voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip
de kapitein of verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren
navigatie, verdacht wordt van handelen in strijd met artikel 27,
eerste, tweede of vierde lid, kan een opsporingsambtenaar als
bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering hem
bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld
in artikel 27, tweede lid, onderdeel a.
2.De verdachte aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is
gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het
onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de
opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven
aanwijzingen.
3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
op degene die aanstalten maakt een schip dat op een scheepvaartweg
voor vertrek gereed ligt, te gaan voeren of sturen, dan wel als
loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de
verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te gaan adviseren,
indien de opsporingsambtenaar redelijkerwijs kan aannemen dat dit
voeren, sturen of adviseren zal leiden tot handelen in strijd met
artikel 27, eerste of tweede lid.
4.De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor
de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van
medewerking aan een onderzoek van uitgeademde lucht voor hem om
bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
5.In het geval bedoeld in het vierde lid, dan wel indien de
medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid
onderzoek van uitgeademde lucht, kan de opsporingsambtenaar de
verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten
van een onderzoek als bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel
b. Gelijke bevoegdheid heeft de opsporingsambtenaar, indien het
vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in
artikel 27, eerste lid, bedoelde stof dan alcoholhoudende drank
verkeert.
6.Indien de verdachte zijn op grond van het vijfde lid
gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie,
een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling
van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld
voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te
onderwerpen aan een bloedonderzoek.
7.De verdachte die is bevolen zich aan een bloedonderzoek te
onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn
medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts zoveel bloed
afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.
8.De in het zevende lid genoemde verplichtingen gelden niet
voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij
hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
9.De krachtens het achtste lid van de in het zevende lid
genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee
te werken aan een door de officier van justitie, door een
hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling
van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld
voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek teneinde
op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van
de in artikel 27, eerste lid, bedoelde stoffen of het in artikel
27, tweede lid, onderdeel b, genoemde gehalte vast te stellen.
10.Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te
maken, kan hem met de toestemming van de officier van justitie,
een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling
van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld
voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het
zevende lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij
aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen
onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan
nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming
daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het zesde lid
worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie
een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te
verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen
wordt het bloedmonster vernietigd.
11.Bij algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van
Onze Minister van Justitie, worden regels gesteld omtrent de wijze
van uitvoering van artikel 28 en van dit artikel. Deze regels
hebben mede betrekking op de mogelijkheid tot het doen verrichten
van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van
Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur
aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels
vastgesteld.
Artikel 29
1.Een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het
Wetboek van Strafvordering kan, indien hij een ernstige verdenking
heeft dat degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert
of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de
kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie
adviseert, handelt in strijd met artikel 27, eerste, tweede of
vierde lid, aan die persoon een verbod opleggen op een
scheepvaartweg een varend schip te voeren of te sturen, dan wel
als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de
verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te adviseren, voor
de tijd gedurende welke hij verwacht dat deze toestand zal
voortduren tot ten hoogste vierentwintig uren.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene
die aanstalten maakt een schip dat op een scheepvaartweg voor
vertrek gereed ligt, te voeren of te sturen, dan wel als loods aan
boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer
over de te voeren navigatie te adviseren, indien de
opsporingsambtenaar ernstige reden heeft om aan te nemen dat dit
voeren, sturen of adviseren zal leiden tot handelen in strijd met
artikel 27, eerste of tweede lid.
3.Het is degene aan wie een verbod op grond van dit artikel is
opgelegd, gedurende de tijd waarvoor het verbod geldt, verboden op
een scheepvaartweg een varend schip te voeren of te sturen, dan
wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de
verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te adviseren.
4.Degene aan wie een verbod op grond van dit artikel is
opgelegd, is verplicht de bevelen die door de opsporingsambtenaar
worden gegeven voor de uitvoering van het verbod op te volgen.
Artikel 29a
1.Voor zover bij of krachtens het Koninkrijk bindende verdragen
of besluiten van volkenrechtelijke organisaties wordt voorzien in
het onderwerp van de regeling van artikel 27, eerste tot en met
vierde lid, zijn deze artikelleden niet van toepassing.
2.Indien bij of krachtens het Koninkrijk bindende verdragen of
besluiten van volkenrechtelijke organisaties wordt voorzien in het
onderwerp van de regeling van artikel 27, eerste tot en met vierde
lid, zijn de artikelen 27, vijfde lid, 28, 28a en 29 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 30
1. Het is verboden om, zonder daartoe bevoegd te zijn, een
krachtens artikel 4, eerste lid, onderdeel b, of een krachtens het
verdrag inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer vastgesteld
verkeersteken aan te brengen of te doen aanbrengen dan wel te
verwijderen of te doen verwijderen.
2. Het is verboden om een voorwerp van welke aard ook, dat het
scheepvaartverkeer op een scheepvaartweg in verwarring of in
gevaar zou kunnen brengen, daarlangs, daarin of daarboven aan te
brengen, te doen aanbrengen of te houden.
Artikel 31
1.Handelen in strijd met artikel 26 wordt, voorzoveel daartegen
niet bij het Wetboek van Strafrecht is voorzien, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
derde categorie.
2.Handelen in strijd met de artikelen 27, eerste tot en met
vierde lid, 28a, tweede, zevende, negende en tiende lid, en
artikel 29, derde en vierde lid, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
derde categorie.
3.Handelen in strijd met artikel 28 wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van de
tweede categorie.
4.Overtreding van de regels, gesteld krachtens artikel 4 en van
de voorschriften verbonden aan een besluit, genomen krachtens
artikel 7, eerste lid of met overeenkomstige toepassing daarvan
krachtens artikel 8, wordt gestraft met:
a. hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van
de derde categorie, indien de overtreding is begaan in de
Nederlandse territoriale zee, voor zover het verdrag inzake
het gemeenschappelijk nautisch beheer niet van toepassing is,
de Rotterdamse waterweg, het Noordzeekanaal of de Eems-Dollard,
b. hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van
de tweede categorie, indien de overtreding is begaan op een
andere scheepvaartweg;
c. hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van
de derde categorie, indien de overtreding betrekking heeft op
het ontvangen, bewaren of verstrekken van gegevens met
betrekking tot de scheepvaart door organisaties of personen
die niet deelnemen aan het scheepvaartverkeer.
5.Overtreding van artikel 10, eerste lid, met een zeeschip of
een schip als bedoeld in artikel 13, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.
6.Niet-nakoming van de verplichtingen bedoeld in artikel 11,
alsmede overtreding van de regels, gesteld krachtens artikel 12,
en van de voorschriften verbonden aan een besluit genomen
krachtens artikel 10, derde lid, met een zeeschip of een schip als
bedoeld in artikel 13 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
twee maanden of geldboete van de derde categorie.
7.Overtreding met een Nederlands schip van de krachtens artikel
20, eerste lid, gestelde regels, begaan in volle zee of op een
ander in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, bedoeld water waarop
die regels ten aanzien van dat schip van toepassing zijn, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete
van de derde categorie.
8.Overtreding van de krachtens artikel 21 gestelde regels wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete
van de derde categorie.
9.Overtreding van artikel 30 wordt gestraft met hechtenis van
ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
10.Overtreding van artikel 17 en van de regels, gesteld
krachtens artikel 18, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
twee weken of geldboete van de eerste categorie.
11.Overtreding van krachtens deze wet gestelde regels, als
bedoeld in het vierde, zesde, zevende, achtste en tiende lid,
vormt slechts een strafbaar feit voor zover dit in die regels
uitdrukkelijk is bepaald.
12.Het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdeel b, en
het tiende lid is niet van toepassing op overtreding van in
artikel 32 van de Herziene Rijnvaartakte strafbaar gestelde
feiten.
13.De in het eerste en tweede lid van dit artikel strafbaar
gestelde feiten zijn misdrijven. De in of krachtens het derde tot
en met tiende lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
14.De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een ieder die een
krachtens het achtste lid strafbaar gesteld feit heeft begaan.
Artikel 31a
1.Overtreding van artikel 9, eerste lid, van het
Scheldereglement met een zeeschip, een Scheldevaarder of een schip
als bedoeld in artikel 13 wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste twee maanden of een geldboete van de derde categorie.
2.Niet-nakoming van de voorschriften verbonden aan een
ontheffing, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het
Scheldereglement, van een verplichting opgelegd krachtens artikel
11 van het Scheldereglement, alsmede overtreding van de regels
gesteld bij en krachtens de artikelen 13, eerste lid, en 14,
eerste lid, van het Scheldereglement, wordt gestraft met hechtenis
van twee maanden of een geldboete van de derde categorie.
3.Overtreding van de regels gesteld krachtens artikel 4, derde
lid, van het verdrag inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer
wordt gestraft met:
a. hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete
van de derde categorie, indien de overtreding is begaan in de
Nederlandse territoriale zee of de Westerschelde;
b. hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete
van de tweede categorie, indien de overtreding is begaan op
een andere scheepvaartweg waarop dat verdrag van toepassing
is;
c. hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete
van de derde categorie, indien de overtreding betrekking heeft
op het ontvangen, bewaren of verstrekken van gegevens met
betrekking tot de scheepvaart door organisaties en personen
die niet deelnemen aan het scheepvaartverkeer,
een en ander voorzover overtreding van de desbetreffende regel
bij regeling van Onze Minister als een strafbaar feit is
aangemerkt.
4.Niet-nakoming van een krachtens het verdrag inzake het
gemeenschappelijk nautisch beheer gegeven gebod of verbod, vervat
in een verkeersteken of een bekendmaking met dezelfde strekking
als een verkeersteken, in de zin van dat verdrag, dan wel een
krachtens dat verdrag gegeven voorschrift of beperking, verbonden
aan een vrijstelling of ontheffing van een verkeersteken of
bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken, dan wel
een krachtens dat verdrag gegeven verkeersaanwijzing, wordt
gestraft met:
a. hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete
van de derde categorie indien de overtreding is begaan in de
Nederlandse territoriale zee of de Westerschelde;
b. hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete
van de tweede categorie, indien de overtreding is begaan op
een andere scheepvaartweg waarop dat verdrag van toepassing
is.
5.De bij of krachtens dit artikel strafbaar gestelde feiten
zijn overtredingen.
Artikel 32
1.Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar
gestelde feiten en van de in de Herziene Rijnvaartakte strafbaar
gestelde feiten, voor zover deze laatste de overtreding betreffen
van bepalingen die krachtens deze wet zijn vastgesteld, zijn,
onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering,
belast de daartoe door het bevoegd gezag, in overeenstemming met
Onze Minister van Justitie, aangewezen buitengewone
opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de
opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot
en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze
feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling,
gedaan of ondernomen door henzelf.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
3.De artikelen 5:13, 5:15 tot en met 5:17 en 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33
Een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het
Wetboek van Strafvordering kan, indien hij op grond van feiten of
omstandigheden redelijkerwijze kan vermoeden dat een schip betrokken
is geweest bij een aanvaring waarbij een persoon is gedood, letsel
heeft bekomen of in zijn gezondheid is benadeeld dan wel aan enige
zaak die niet toebehoort aan een persoon die zich op het schip
bevindt, schade is toegebracht, in het belang van de opsporing van
de verkeersdeelnemer of de andere personen die deel uitmaken van de
bemanning vorderen dat zij de inlichtingen en gegevens verstrekken
die nodig zijn voor de vaststelling van hun identiteit en van die
van het schip.
Artikel 34
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren, aangewezen bij het
besluit, bedoeld in artikel 32, eerste lid.
2. Bij besluit van Onze Minister kunnen andere dan de in het
eerste lid bedoelde ambtenaren worden aangewezen voor het toezicht
op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Ambtenaren van provincies, gemeenten of waterschappen worden
aangewezen op voordracht van, en in overeenstemming met de
desbetreffende besturen.
3. In de in het tweede lid bedoelde besluit kunnen eisen worden
gesteld met betrekking tot de kennis en kunde van de
toezichthouders en de wijze waarop zij hun taak vervullen.
4. Het besluit bedoeld in het tweede lid wordt in de
Staatscourant geplaatst.
5. De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden,
genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Artikel 35
1.Indien een persoon er van wordt verdacht dat hij, terwijl hij
een zeeschip of samenstel van zeeschepen voerde,
a. een in artikel 31, eerste of tweede lid, bedoeld
strafbaar feit heeft begaan,
b. een in artikel 31, vierde, vijfde of zesde lid, bedoeld
strafbaar feit heeft begaan,waardoor ernstig gevaar voor de
veiligheid van personen of goederen kan ontstaan,
c. een in artikel 32 van de Herziene Rijnvaartakte
strafbaar gesteld feit heeft begaan, waardoor ernstig gevaar
voor de veiligheid van personen of goederen kan ontstaan,
voorzover dit feit de overtreding betreft van een bepaling die
krachtens deze wet is vastgesteld, of
d. een in artikel 31a bedoeld strafbaar feit heeft begaan,
waardoor ernstig gevaar voor de veiligheid van personen of
goederen kan ontstaan,
en indien redelijkerwijze moet worden gevreesd dat de
betrokkene zich zal onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een
hem opgelegde straf, is de officier van justitie bevoegd de in het
tweede lid bedoelde maatregelen te nemen.
2.De officier van justitie is bevoegd het zeeschip of de
zeeschepen van het samenstel op een door hem aan te wijzen plaats
op een scheepvaartweg vast te doen houden, indien naar zijn
oordeel de betrokkene niet voldoende zekerheid heeft gesteld voor
een door hem te bepalen geldsom waarop een terzake van het plegen
van het strafbaar feit op te leggen geldboete kan worden verhaald.
Alvorens de plaats tot vasthouding aan te wijzen raadpleegt de
officier van justitie het ten aanzien van de scheepvaartweg
bevoegde gezag.
3.De in het tweede lid bedoelde vasthouding mag ten hoogste
vier dagen na de dag waarop tot vasthouding is overgegaan, duren.
4.Indien binnen de in het derde lid genoemde termijn niet een
zekerheid is gesteld als bedoeld in het tweede lid, kan de
rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken op
vordering van de officier van justitie beslissen de vasthouding
van het zeeschip of de zeeschepen van het samenstel te verlengen
tot ten hoogste dertig dagen. De in het eerste lid bedoelde
persoon die wordt verdacht van een in dat lid bedoeld strafbaar
feit wordt vooraf gehoord of althans behoorlijk opgeroepen. De
beslissing is dadelijk uitvoerbaar en wordt aan de in de vorige
volzin bedoelde persoon betekend.
5.De in het eerste lid bedoelde persoon die wordt verdacht van
een in dat lid bedoeld strafbaar feit en de officier van justitie
kunnen gedurende veertien dagen na betekening van de beslissing
van de rechter-commissaris aan eerstbedoelde persoon tegen die
beslissing beroep instellen bij de rechtbank. De rechtbank beslist
zo spoedig mogelijk.
6.De officier van justitie geeft het zeeschip of de zeeschepen
van het samenstel vrij zodra de door hem ingevolge het tweede lid
verlangde zekerheid is gesteld.
7.De kapitein is de kosten van de vasthouding verschuldigd.
8.Zodra het in de strafzaak gewezen vonnis onherroepelijk is
geworden, wordt de zekerheidstelling bedoeld in het tweede lid
beëindigd, nadat een bij dat vonnis opgelegde geldboete,
vermeerderd met de kosten van de vasthouding, is betaald
onderscheidenlijk daarop in mindering is gebracht. Tot dat
tijdstip en te rekenen vanaf de dag dat de zekerheid is gesteld
wordt bij gederfde rente over de tot zekerheid gestelde geldsom
die gederfde rente vergoed tot een maximum van het percentage dat
is vastgesteld krachtens het bepaalde in artikel 9, derde lid, van
de Wet op de consignatie van gelden (Stb. 1980, 473).
9.Met betrekking tot dit artikel is artikel 1, vijfde lid,
onder b, niet van toepassing.
Artikel 35a
1. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b
of c, overhandigt de houder van een vaarbewijs tegen wie
proces-verbaal wordt opgemaakt wegens overtreding van een
voorschrift als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, zijn
vaarbewijs op eerste vordering aan de opsporingsambtenaar.
2. Vaarbewijzen die ingevolge het eerste lid zijn ingevorderd
worden onverwijld overgedragen aan de officier van justitie. De
officier van justitie is bevoegd ingevorderde vaarbewijzen onder
zich te houden totdat de veroordeling onherroepelijk is geworden
of, indien de bevoegdheid tot het voeren van schepen
onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging
is verstreken, indien:
a. bij onderzoek is gebleken of, bij ontbreken van een
dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het
alcoholgehalte van de adem van degene die een schip voert of
stuurt, hoger is dan 785 microgram alcohol per liter
uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van
zijn bloed hoger blijkt te zijn dan 1,8 milligram alcohol per
milliliter bloed;
b. met een zodanige snelheid is gevaren dat ernstig gevaar
voor de veiligheid van personen of goederen is ontstaan; of
c. op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig
rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de
bestuurder opnieuw een feit als bedoeld inartikel 35b, eerste
lid, zal begaan.
3. De officier van justitie geeft het ingevorderde vaarbewijs
onverwijld terug aan de houder:
a. indien hij binnen tien dagen na de dag van invordering
geen toepassing geeft aan het tweede lid;
b. indien ernstig rekening moet worden gehouden met de
mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door
de rechter geen onvoorwaardelijke ontzegging van de
bevoegdheid tot het voeren van een schip zal worden opgelegd,
dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan
de tijd gedurende welke het vaarbewijs is ingevorderd of
ingehouden geweest, of
c. indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting
niet binnen 26 weken na de dag van invordering is aangevangen.
4. Tegen toepassing van het eerste of tweede lid kan de
belanghebbende bij klaagschrift opkomen. Zolang in de zaak nog
geen vervolging is ingesteld, wordt het klaagschrift ingediend ter
griffie van de rechtbank in het arrondissement waar het in het
eerste lid bedoelde feit werd begaan, en anders ter griffie van
het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de vervolging
plaatsvindt of het laatst plaatsvond. Artikel 552a, vierde en
zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing. De raadkamer van het gerecht geeft zo
spoedig mogelijk, na de belanghebbende, desverlangd bijgestaan
door diens raadsman, te hebben gehoord, althans opgeroepen, zijn
met redenen omklede beslissing, die onverwijld aan de
belanghebbende wordt betekend. Tegen de beslissing kan door het
openbaar ministerie binnen veertien dagen daarna en door de
belanghebbende binnen veertien dagen na de betekening beroep in
cassatie worden ingesteld. De Hoge Raad beslist zo spoedig
mogelijk.
5. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of
maatregel of met zodanige oplegging, maar op grond van een feit
waarvoor de toepassing van het eerste of tweede lid niet is
toegelaten, kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem
een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die
hij ten gevolge van die toepassing heeft geleden, waaronder
begrepen nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De artikelen
89, derde tot en met zesde lid, 90, 91 en 93 van het Wetboek van
Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 35b
1. De houder van een vaarbewijs kan de bevoegdheid tot het
voeren van schepen, voor zover daartoe een vaarbewijs is vereist,
voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd wegens het op de
binnenwateren voeren of doen voeren van:
a. een snelle motorboot in strijd met voorschriften gesteld
krachtens artikel 4, eerste lid, onderdelen a en d, en derde
lid, en waarbij ernstig gevaar voor de veiligheid van personen
of goederen is ontstaan, of in strijd met artikel 27, of
b. een schip waarvoor een bij ministeriële regeling aan te
wijzen vaarbewijs is vereist, herhaaldelijk in strijd met
artikel 27.
2. Indien tijdens het plegen van een van de feiten, bedoeld in
het eerste lid, nog geen vijf jaren zijn verlopen na het einde van
de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke
veroordeling wegens een van die feiten de betrokkene de
bevoegdheid tot het voeren van schepen, voor zover daartoe een
vaarbewijs is vereist, is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor
ten hoogste tien jaren worden ontzegd.
3. Bij het opleggen van de straf, bedoeld in het eerste en
tweede lid, wordt de tijd gedurende welke het vaarbewijs van de
veroordeelde ingevolgeartikel 35a vóór het tijdstip waarop die
straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van
die straf in mindering gebracht.
4. De tenuitvoerlegging van de veroordeling vindt niet plaats
dan nadat aan de veroordeelde in persoon een schrijven is
uitgereikt, volgens de artikelen 587 en 588 van het Wetboek van
Strafvordering, waarin het tijdstip van ingang en de duur van de
ontzegging, de verplichting tot inlevering van het vaarbewijs
uiterlijk op dat tijdstip, alsmede het gevolg van niet tijdige
inlevering worden medegedeeld.
5. De houder levert het vaarbewijs, tenzij het is ingevorderd
en niet teruggegeven, in op het parket van het openbaar ministerie
vanwaar hij het schrijven, bedoeld in het vierde lid, heeft
ontvangen, uiterlijk op het tijdstip van ingang van de ontzegging.
6. Teruggave van het vaarbewijs vindt plaats zodra de termijn
van de ontzegging is verstreken.
7. De termijn van ontzegging van de bevoegdheid tot het voeren
van schepen wordt van rechtswege verlengd met het aantal dagen dat
is verstreken tussen het tijdstip waarop het vaarbewijs ingevolge
het vijfde lid had moeten worden ingeleverd en het tijdstip waarop
nadien die inlevering heeft plaatsgevonden.
Artikel 35c
De opsporingsambtenaar die bij de uitoefening van de hem bij of
krachtens wet verleende bevoegdheden de beschikking krijgt over een
vaarwijs waarvan ingevolge dit hoofdstuk de overgifte is gevorderd,
waarvan een verplichting tot inlevering bestaat of dat ingevolge de
Binnenvaartwet zijn geldigheid heeft verloren, is bevoegd dat
vaarbewijs in te nemen en het door te geleiden naar het betrokken
parket van het openbaar ministerie, naar degene bij wie de houder
dat vaarbewijs had dienen in te leveren onderscheidenlijk naar de
instantie die het heeft afgegeven.
Hoofdstuk 8. Bijzondere bepalingen
Artikel 36
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
artikelen 10, eerste lid, 15c, eerste lid en 17 alsmede de
krachtens de artikelen 4, 11 en 12 gestelde regels die in die
maatregel zijn aangegeven, niet of slechts met beperkingen van
toepassing zijn op Nederlandse of daarmee in die maatregel gelijk
te stellen oorlogsschepen, die zich bevinden in de territoriale
zee of daarop aansluitende Nederlandse scheepvaartwegen die in die
maatregel zijn aangewezen.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
artikel 15, eerste en tweede lid, niet of slechts met beperkingen
van toepassing is op andere dan Nederlandse oorlogsschepen, indien
dit met de vlaggestaat van de betreffende schepen is
overeengekomen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan het scheepvaartverkeer
de toegang tot scheepvaartwegen die uitsluitend zijn bestemd tot
gebruik door Nederlandse oorlogsschepen dan wel door andere
Nederlandse schepen of andere vaartuigen, welke in gebruik zijn
voor de uitvoering van de militaire taak, worden verboden of
slechts in beperkte mate toegestaan.
3.Overtreding van de in het tweede lid bedoelde regels wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete
van de tweede categorie.
4.Het in het derde lid strafbaar gestelde feit is een
overtreding.
Artikel 37
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid,
van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor het
gehele land of een gedeelte daarvan deartikelen 37a, eerste lid,
en 38 gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen,
wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden
omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in
werking gestelde bepaling.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen,
dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid
in werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de
omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid,
wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in
werking terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid,
wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 37a
1. [Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij
koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit
lid in werking treden.]
In afwijking van het bij of krachtens deze wet bepaalde kan
Onze Minister de maatregelen treffen die hij nodig acht in het
belang van een ordelijk verloop van het scheepvaartverkeer.
2. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de door hem krachtens het eerste
lid getroffen maatregelen.
Artikel 38 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij
koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit
artikel in werking treden.]
1. Toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen
4 tot en met 13 kan ten aanzien van de Nederlandse territoriale
zee of daarop aansluitende scheepvaartwegen mede geschieden in
het belang van de uitwendige veiligheid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
hetgeen bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 13 is bepaald
en hetgeen door besturen van andere openbare lichamen dan het
Rijk is bepaald bij of krachtens verordeningen die betrekking
hebben op de ordening van het scheepvaartverkeer op
scheepvaartwegen, geen toepassing vindt ten aanzien van schepen
of andere vaartuigen, welke in gebruik zijn voor de uitvoering
van de militaire taak.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
hetgeen bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 13 is bepaald
en hetgeen door besturen van andere openbare lichamen dan het
Rijk is bepaald bij of krachtens verordeningen die betrekking
hebben op de ordening van het scheepvaartverkeer op
scheepvaartwegen, geen toepassing vindt ten aanzien van schepen
of andere vaartuigen, welke worden gebruikt ten behoeve van de
in die maatregel aangewezen overheidsdiensten.
Artikel 39
1.Het bij of krachtens de Oorlogswet voor Nederland aangewezen
militair gezag is bevoegd om indien de beperkte of de algemene
noodtoestand is afgekondigd, met betrekking tot de ordening van
het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen regels te stellen in
afwijking van hetgeen is bepaald bij of krachtens deze wet en van
hetgeen door besturen van andere openbare lichamen dan het Rijk is
bepaald bij of krachtens verordeningen die betrekking hebben op de
ordening van het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen, voorzover
zulks met het oog op de uitvoering van de militaire taak ter
handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid noodzakelijk
is.
2.Overtreding van de in het eerste lid bedoelde regels wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete
van de tweede categorie.
3.Het in het tweede lid strafbaar gestelde feit is een
overtreding.
Hoofdstuk 9. Overige bepalingen
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 41
De toepasselijkheid van deze wet wordt beperkt door de in het
volkenrecht erkende uitzonderingen.
Artikel 42
De bevoegdheid van provinciale staten, gemeenteraden,
waterschappen en havenschappen tot het stellen van regels blijft ten
aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, gehandhaafd,
voorzover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens
deze wet gestelde regels.
Artikel 43
De Wet van 15 april 1891 (Stb. 91), houdende bepalingen ter
voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in
het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan, wordt ingetrokken, met
dien verstande dat de krachtens genoemde wet gestelde regels worden
geacht te zijn gesteld krachtens deze wet.
Artikel 44
De Wet van 20 april 1895 (Stb. 71) tot regeling van het
bakenwezen op openbare wateren wordt ingetrokken.
Artikel 45
De Zeeaanvaringswet 1977 (Stb. 1979, 196) wordt ingetrokken, met
dien verstande dat de krachtens die wet gestelde regels worden
geacht te zijn gesteld krachtens deze wet.
Artikel 46
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 48
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 49
1.[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
2.De krachtens artikel 1, onderdeel 1° en 2°, van de Wet van
28 februari 1891 tot vaststelling van bepalingen betreffende ’s
Rijks waterstaatswerken vóór de inwerkingtreding van het eerste
lid van dit artikel gestelde regels die betrekking hebben op het
deelnemen aan het scheepvaartverkeer, worden geacht te zijn
gesteld krachtens deze wet.
Artikel 50
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 51
Het koninklijk besluit van 30 juni 1983 (Stb. 389), houdende het
van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement van
politie voor de Rijnvaart (Besluit Rijnvaartpolitiereglement 1983),
en de besluiten tot wijziging van dat besluit, worden geacht te zijn
vastgesteld krachtens deze wet.
Artikel 52
1. Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onderdeel a, 9, tweede lid,
10, tweede en derde lid, 11, eerste lid, 16a, dat niet uitsluitend
bepalingen bevat ter implementatie van een besluit van de Centrale
Commissie voor de Rijnvaart, wordt gelijktijdig in de
Staatscourant bekend gemaakt en aan de beide Kamers der
Staten-Generaal overgelegd.
2. Gedurende 30 dagen vanaf de dag waarop de bekendmaking is
geschied, kan een ieder met betrekking tot het ontwerp zijn
zienswijze naar voren brengen bij Onze Minister.
3. Binnen de in het tweede lid bedoelde termijn kan door of
namens een der Kamers of door ten minste een vijfde van het
grondwettelijk aantal leden van een der Kamers van de
Staten-Generaal de wens te kennen worden gegeven dat het in de
maatregel te regelen onderwerp bij de wet wordt geregeld.
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, dienen Wij zo
spoedig mogelijk een desbetreffend wetsvoorstel in.
Artikel 53
1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de onderscheidene
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.
2. Bij de inwerkingtreding van deze wet stelt Onze Minister van
Justitie de nummering van de artikelen, paragrafen en hoofdstukken
van deze wet opnieuw vast, en brengt de in deze wet voorkomende
aanhalingen van de artikelen, paragrafen en hoofdstukken met de
nieuwe nummering in overeenstemming. Hij draagt zorg dat de
overeenkomstig de eerste volzin bijgewerkte tekst van deze wet in
het Staatsblad wordt geplaatst.
Artikel 54
Deze wet kan worden aangehaald als: Scheepvaartverkeerswet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 7 juli 1988
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
Uitgegeven de achtentwintigste juli 1988
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Bijlage bij de
Scheepvaartverkeerswet, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze
wet
De scheepvaartwegen, bedoeld in
artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet zijn de
navolgende:
I.
1. de Eemsmonding, zoals
omschreven in Bijlage B van het Eems-Dollardverdrag (Trb.
1960, 69), met uitzondering van het gebied ten zuiden van de
Geisedam, maar met inbegrip van:
a. de scheepvaartweg
vanaf de zeesluis te Delfzijl tot in het Oosterhornhaven;
b. het bij de Eemsmonding
aansluitende gedeelte van de territoriale zee dat ligt
binnen het gebied begrensd door een lijn die loopt van
de positie 53°34'.7NO6°21'.90 naar
53°34'.9NO6°13'.70, vandaar naar 53°37'.1NO6°19'.50,
vandaar naar 53°39'.0NO6°27'10 en vandaar naar
53°37'.5NO6°31'.20, onverminderd het bepaalde in
artikel 40 van het Eems-Dollardverdrag;
2. de Vlierede, waaronder
wordt begrepen het gebied tussen de tonnenlijnen, liggende
binnen een cirkel met een straal van een zeemijl, met als
middelpunt de positie 53°18'.0 N 05°10'.9 O, en de Rede
van Texel, waaronder wordt begrepen het gebied tussen de
meridianen van 04°44'.0 O en 04°50'.0 O, aan de noordzijde
begrensd door de zuidkust van het eiland Texel en vervolgens
door de parallel van 53°00'.0 N en aan de zuidzijde door de
noordkust van het vasteland van de provincie Noord-Holland
en voorts de Veerhaven en de buitenhaven tot aan de sluis
van het Noordhollands kanaal;
3. de bevaarbare
scheepvaartwegen over de Waddenzee tussen de Vlierede,
Terschelling en Vlieland tot aan de lijn die loopt over de
posities 53°21'.6 N 05°12'.9 O en 53°17'.8 N 05°03'.6 O,
Harlingen, Kornwerderzand, Den Oever, Oude Schild en de Rede
van Texel.
II.
1. het gedeelte van de
territoriale zee dat ligt binnen het gebied begrensd door
een lijn die loopt van de positie 52°27'.9NO4°32'.00 naar
52°27'.8NO4°31'.00, vandaar naar 52°26'.0NO4°27'.80,
vandaar naar 52°26'.9NO4°19'.30, vandaar naar
52°31'.9NO4°20'.90, vandaar naar 52°30'.7NO4°31'.20 en
vandaar naar 52°28'.1NO4°32'.60;
2. het Noordzeekanaal;
3. de zijkanalen naar
Beverwijk, naar Haarlem en naar Zaanstad;
4. het IJ tot aan de
Oranjesluizen en de ingang van het Amsterdam-Rijnkanaal;
III.
1. het gedeelte van de
territoriale zee dat ligt binnen het gebied begrensd door
een lijn die loopt van het licht noorderpier naar 52°07.04’
N; 004°00.00’ O, vandaar naar 52°07.40’ N; 003°51.36’
O, vandaar naar 52°07.40’ N; 003°45.00’ O, vandaar
naar 52°04.84’ N; 003°40.97’ O, vandaar naar 51°57.21’
N; 003°41.98’ O, en vandaar naar 51°58.27’ N;
004°00.62’ O;
2. de Maasmond, de Nieuwe
Waterweg, het Breeddiep, het Beerkanaal en het Calandkanaal;
3. het Hartelkanaal;
4. de Nieuwe Maas, de
Koningshaven;
5. de Noord, de Rietbaan;
6. de Oude Maas, het Spui en
de Beningen;
7. de Hollandse IJssel tot
aan de stuw bij Krimpen aan de IJssel;
8. de Beneden Merwede tot aan
Hardinxveld-Giessendam en het Wantij;
9. de Dordtsche Kil, de
Krabbegeul en het Mallegat;
10. het Hollandsch Diep ten
westen van de Moerdijkbrug;
11. het Haringvliet en het
Vuile Gat;
12. de Krammer benoorden de
Krammersluizen, het Zuid-Vlije en het Volkerak;
met inbegrip van de havens
gelegen aan de onder I tot en met III genoemde scheepvaartwegen.
IV.
1. het gedeelte van de
territoriale zee dat ligt binnen het gebied begrensd door
een lijn die loopt over de kerktorens van Aagtekerke en
Domburg tot de positie 51°37’.0N, 03°27’.2O, vandaar
naar de positie 51°42’.6N, 03°41’.6O;
2. de havenbekkens, havens,
steigers en aanlegplaatsen die gelegen zijn aan de
Westerschelde;
3. de havenbekkens, havens,
steigers en aanlegplaatsen die gelegen zijn aan het Kanaal
van Gent naar Terneuzen;
4. de Oosterschelde, het
Keeten, het Mastgat, het Zijpe en de Krammer bezuiden de
Krammersluizen;
5. het Kanaal door Walcheren,
met inbegrip van het Verbrede Arnekanaal tot de spoorbrug;
6. het Kanaal door
Zuid-Beveland;
7. het Veerse Meer; met
inbegrip van de havens gelegen aan de onder 1 en 4 tot en
met 7 genoemde scheepvaartwegen.
|