Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 2 juni 2003, houdende
regels ter bespoediging en vereenvoudiging van procedures met
het oog op het zo spoedig mogelijk vergroten van de capaciteit
van een aantal hoofdwegen door middel van een betere benutting
en verbreding van die wegen (Spoedwet wegverbreding)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
bijzondere wettelijke voorzieningen tot stand te brengen
ten behoeve van het zo spoedig mogelijk vergroten van de
capaciteit van een aantal hoofdwegen door middel van een
betere benutting en verbreding van die wegen teneinde
filevorming tegen te gaan;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. (definitie)
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister
van Infrastructuur en Milieu;
b. wegaanpassingsbesluit: het
besluit, bedoeld in artikel 4.
Artikel 2. (reikwijdte)
1. Deze wet is van toepassing op de
wegaanpassingsprojecten, opgenomen in de bij deze wet behorende
bijlage.
2. De in het eerste lid genoemde
bijlage kan worden gewijzigd bij algemene maatregel van bestuur.
Een zodanige algemene maatregel van bestuur kan slechts betrekking
hebben op de in de bijlage omschreven aard van het project, de
wijziging van het aantal rijstroken en de kilometrering.
3. Een krachtens het tweede lid
vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in
werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld
mededeling gedaan aan de Staten-Generaal.
Artikel 3. (verhouding tot Tracéwet
en Wet milieubeheer)
1. Ten aanzien van de in de bijlage
genoemde wegaanpassingsprojecten is de Tracéwet niet van
toepassing.
2. Indien op grond van artikel 7.2
van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport wordt opgesteld
ten aanzien van een in de bijlage genoemd wegaanpassingsproject:
a. kan in dat
milieueffectrapport, in afwijking van artikel 7.23, eerste
lid, onder b, van die wet, volstaan worden met een
beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de wijze
waarop zij zal worden uitgevoerd;
b. zijn de artikelen 7.27,
eerste tot en met vijfde en zevende lid, 7.32, vijfde lid, en
7.39 tot en met 7.42 van die wet niet van toepassing.
Artikel 3a [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk 2. Besluitvorming inzake
aanpassing van de in de bijlage, onder a en b, bedoelde
wegaanpassingsprojecten
Artikel 4. (inhoud
wegaanpassingsbesluit)
1. Het wegaanpassingsbesluit bevat
ten minste:
a. een beschrijving van het
betrokken wegaanpassingsproject, waaronder begrepen de te
realiseren rijstroken, en van de wijze waarop het zal worden
uitgevoerd;
b. een beschrijving van de
gevolgen van het wegaanpassingsproject voor de daarbij
betrokken belangen en van de wijze waarop met die belangen
rekening is gehouden;
c. de aanduiding op een of meer
topografische of geografische kaarten van het verloop en de
geografische omvang van het wegaanpassingsproject;
d. hetgeen nodig is ter
uitvoering van ter zake van belang zijnde richtlijnen van de
Europese Unie;
e. voor zover het betreft de in
de bijlage, onder B, opgenomen wegaanpassingsprojecten voor
het desbetreffende wegvak een verlaging van de
maximum-snelheid van de motorvoertuigen gedurende de periode
van openstelling van de extra rijstrook, waarvan de mate en de
duur van de verlaging worden bepaald door de ernst van de
belasting met betrekking tot geluidhinder en luchtkwaliteit.
2. Het wegaanpassingsbesluit bevat,
voor zover van toepassing, voorts:
a. een beschrijving van
maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en
ecologische aard;
b. een beschrijving van de
werken of bouwwerken die, zonder deel uit te maken van het
profiel van een weg, met die weg zijn verbonden en dienen voor
de instandhouding dan wel het veilig en doelmatig gebruik
daarvan;
c. een opgave van de kabels en
leidingen die moeten worden verwijderd voor de uitvoering van
het besluit, alsmede, voor zover het betreft waterstaatswerken
als bedoeld in artikel 1 van de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken of artikel 1.1 van de Waterwet, voor
zover in beheer bij het rijk, de plaats waar zodanige kabels
en leidingen zullen worden gelegd;
d. een beschrijving op welke
wijze de inpassing van de aan te passen weg in de omgeving zal
geschieden, en waar dit in redelijkheid niet kan worden
verlangd, welke compenserende maatregelen zullen worden
getroffen.
3. Ter voldoening aan het eerste
lid, onder c, wordt gebruik gemaakt van een of meer detailkaarten
met een schaal van ten minste 1:2500 en van een of meer
overzichtskaarten met een schaal van ten minste 1:20 000.
4. Bij de vaststelling van het
wegaanpassingsbesluit wordt gebruik gemaakt van:
a. de verkeersgegevens en de
daarop gebaseerde onderzoeken,
b. de krachtens artikel 5.20,
eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en
de daarop gebaseerde onderzoeken, en
c. de inventarisatie van de
aanwezige flora en fauna en van de gevolgen van de
wegaanpassing daarop en de daarop gebaseerde onderzoeken,
die ten grondslag hebben gelegen
aan het ontwerp-wegaanpassingsbesluit, met dien verstande dat
indien de rapporten waarin die gegevens, onderzoeken en
inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van
het wegaanpassingsbesluit ouder zijn dan twee jaar, het
wegaanpassingsbesluit een motivering van de actualiteit van die
rapporten bevat.
5. Het luchtkwaliteitsonderzoek ten
behoeve van een wegaanpassingsbesluit wordt beperkt tot het gebied
dat zich uitstrekt van de voorafgaande tot en met de eerstvolgende
aansluiting op de aan te passen weg en ter weerszijden van dit
wegvak tot één kilometer vanuit de meest buiten gelegen
rijstroken. Onder aansluiting wordt tevens knooppunt verstaan.
6. Onze Minister kan nadere regels
stellen ten aanzien van de methoden en uitgangspunten voor de
beoordeling van effecten van een wegaanpassingsproject.
Artikel 4a [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5. (toepassing Wet
geluidhinder)
1. Voor de toepassing van deze wet
zijn ten aanzien van de in de bijlage, onder A, opgenomen
wegaanpassingsprojecten afdeling 2A van hoofdstuk VI en artikel
111a van de Wet geluidhinder van overeenkomstige toepassing.
2. Ten aanzien van de in het eerste
lid bedoelde wegaanpassingsprojecten bevat het
wegaanpassingsbesluit:
a. de beslissing tot het
vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste
toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen
87e tot en met 87i van de Wet geluidhinder met betrekking tot
het gebied dat is begrepen in een wegaanpassingsbesluit;
b. de aanduiding van de te
treffen maatregelen, gericht op het terugbrengen van de
geluidsbelasting van de gevel van de woningen of andere
geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van
geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder.
3. Onze Minister zendt het
ontwerp-wegaanpassingsbesluit, indien het hogere waarden bevat
voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones
ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i van de Wet geluidhinder,
voordat het ter inzage wordt gelegd aan:
a. de gebruikers van de
woningen of de woonwagenstandplaatsen, het bevoegd gezag van
scholen en de directies van ziekenhuizen, verpleeghuizen en
andere gezondheidszorggebouwen waarvoor een hogere waarde
wordt bepaald;
b. de ter plaatse bevoegde
inspecteur, die door Onze Minister is aangewezen;
c. Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen, indien het betrekking heeft op
scholen.
Artikel 6. (specifieke bepalingen met
betrekking tot geluidhinder)
1. Voor de toepassing van dit
artikel wordt verstaan onder akoestische gegevens: de berekening
van de 70 dB(A) geluidcontour langs de wegvakken, gebaseerd op de
verkeersgegevens over het jaar 2000.
2. Ten aanzien van de in de
bijlage, onder B, opgenomen wegaanpassingsprojecten is de Wet
geluidhinder niet van toepassing.
3. Ten aanzien van de in het tweede
lid bedoelde wegaanpassingsprojecten bevat het
wegaanpassingsbesluit de akoestische gegevens, alsmede de
maatregel, voor zover deze voortvloeit uit het vierde lid.
4. Indien uit de akoestische
gegevens blijkt dat sprake is van een overschrijding van 70 dB(A)
bij geluidsgevoelige bestemmingen, wordt in het
wegaanpassingsbesluit een geluidreducerende wegdeklaag
voorgeschreven, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
5. Uiterlijk twee jaar na het
onherroepelijk worden van het wegaanpassingsbesluit stelt Onze
Minister ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde
wegaanpassingsprojecten een plan op voor de te treffen
maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting
vanwege de weg, van de gevel van de woningen of andere
geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige
terreinen binnen de zone van de weg overeenkomstig artikel 74,
eerste lid, van de Wet geluidhinder. Artikel 4, vierde lid, met
uitzondering van het bepaalde onder b en c, is van overeenkomstige
toepassing op het plan.
6. Het plan bevat voorts de
vaststelling van de geluidsbelasting van de gevel van de woningen,
andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van
geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van de weg
overeenkomstig artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder,
zoals deze wordt berekend na het treffen van de maatregelen
overeenkomstig het plan.
7. Het plan bepaalt de termijn
waarbinnen de in het vijfde lid bedoelde maatregelen in uitvoering
worden genomen.
8. Voor de toepassing van de
artikelen 87f, tweede of derde lid, 87g, tweede lid, 100, tweede
of derde lid, 106g, tweede of derde lid, en 106h, tweede lid, van
de Wet geluidhinder geldt een krachtens het zesde lid vastgestelde
geluidsbelasting als een krachtens die wet vastgestelde hogere
waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.
9. Artikel 111a van de Wet
geluidhinder is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling
van de geluidsbelasting van het zesde lid.
10. Voor zover het plan en het
bestemmingsplan of de beheersverordening niet met elkaar in
overeenstemming zijn, geldt het plan voor de uitvoering daarvan
als omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van een project van
nationaal belang, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid,
onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken.
Bij de toepassing van artikel 2.10 van die wet wordt onder
bestemmingsplan of beheersverordening mede het plan begrepen.
11. Ten aanzien van het plan is
artikel 11, tiende en elfde lid, van overeenkomstige toepassing.
12. Op de voorbereiding van het
plan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing.
Artikel 7. (voorbereidingsprocedure
wegaanpassingsbesluit en de besluiten ter uitvoering van het
wegaanpassingsbesluit)
1. Op de voorbereiding van het
wegaanpassingsbesluit en de besluiten ter uitvoering van het
wegaanpassingsbesluit, met uitzondering van de plannen, bedoeld in
artikel 6, vijfde lid, en de besluiten inzake onteigening en
nadeelcompensatie en besluiten krachtens de Belemmeringenwet
Privaatrecht, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing, met dien verstande dat:
a. in afwijking van artikel
3:11, eerste lid, van die wet de aanvragen tot het nemen van
de bedoelde uitvoeringsbesluiten ter inzage worden gelegd;
b. de ingevolge artikel 3:12
van die wet vereiste kennisgevingen worden samengevoegd in
één kennisgeving, welke wordt gedaan door Onze Minister;
c. zienswijzen naar voren
kunnen worden gebracht door een ieder.
2. Onze Minister draagt ervoor zorg
dat zo spoedig mogelijk na het opstellen van een ontwerp van een
wegaanpassingsbesluit bij de bevoegde bestuursorganen de aanvragen
worden ingediend tot het nemen van de besluiten die nodig zijn met
het oog op de uitvoering van het wegaanpassingsbesluit.
3. Onze Minister zendt gelijktijdig
het ontwerp-wegaanpassingsbesluit alsmede een afschrift van de
aanvragen aan de betrokken bestuursorganen.
Artikel 8. (gecoördineerde
voorbereiding besluiten)
1. Onze Minister bevordert een
gecoördineerde voorbereiding van de in artikel 7, eerste lid,
bedoelde besluiten.
2. Onze Minister kan van andere
betrokken bestuursorganen de medewerking vorderen die voor het
welslagen van de coördinatie nodig is. Die bestuursorganen
verlenen de van hen gevorderde medewerking.
Artikel 9. (vaststelling
wegaanpassingsbesluit)
1. Onze Minister stelt het
wegaanpassingsbesluit vast binnen tien weken nadat de termijn voor
het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. Indien
krachtens het vierde lid toepassing wordt gegeven aan artikel 19j
van de Natuurbeschermingswet 1998 of toepassing wordt gegeven aan
het vijfde lid wordt het wegaanpassingsbesluit vastgesteld mede in
overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit. Indien niet binnen drie weken na het daartoe
strekkende verzoek van Onze Minister overeenstemming is bereikt
tussen Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit legt Onze Minister dit voor aan Onze
Minister-President, Minister van Algemene Zaken.
2. Indien het wegaanpassingsbesluit
niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn wordt
vastgesteld, deelt Onze Minister dit voor het verstrijken daarvan
onder vermelding van de reden mee aan de Staten-Generaal.
3. De betrokken bestuursorganen
zenden binnen de in het eerste lid bedoelde termijn ontwerpen van
de besluiten ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit aan Onze
Minister.
4. De artikelen 19d en 19kc van de
Natuurbeschermingswet 1998 zijn niet van toepassing op handelingen
waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft.
Indien die handelingen de kwaliteit
van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een
Natura 2000-gebied als bedoeld in die wet kunnen verslechteren of
een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten
waarvoor het gebied is aangewezen, gelet op de
instandhoudingsdoelstelling voor dat gebied, zijn de artikelen
19j, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, en 19kd van die
wet, en het krachtens artikel 19kb, eerste lid, van die wet
bepaalde, van overeenkomstige toepassing op het vaststellen van
een wegaanpassingsbesluit.
5. Artikel 16, eerste lid, van de
Natuurbeschermingswet 1998 is niet van toepassing op handelingen
waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft. Indien die
handelingen plaatsvinden in een beschermd natuurmonument als
bedoeld in artikel 16, eerste lid, van die wet, of daarbuiten in
de gevallen, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, en de
handelingen schadelijk kunnen zijn voor de waarden, bedoeld in het
eerste lid van dat artikel, betrekt Onze Minister bij de
besluitvorming over stelt het wegaanpassingsbesluit het belang van
bescherming van de waarden van het beschermde natuurmonument.
6. Artikel 19j van de
Natuurbeschermingswet 1998 is niet van toepassing op de
vaststelling van het wegaanpassingsbesluit indien de handelingen
waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft, zijn opgenomen
in een beheerplan als bedoeld in artikel 19a of 19b van die wet,
of in het programma op grond van artikel 19kh, vijfde lid, en die
handelingen overeenkomstig dat plan of dat programma worden
uitgevoerd.
Artikel 9a [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. Onze Minister is bevoegd om
hangende het beroep tegen een wegaanpassingsbesluit, een besluit
tot wijziging van dat wegaanpassingsbesluit eerste lid, vast te
stellen.
2. In afwijking van artikel 7,
eerste lid, is op het besluit, bedoeld in het eerste lid, afdeling
3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing, indien
het een wijziging van ondergeschikte aard betreft. Het
wijzigingsbesluit, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld
uiterlijk tien dagen voor de zitting, die plaatsvindt ten behoeve
van de beoordeling van het bestreden besluit.
3. Artikel 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op het besluit, bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 10. (vaststelling besluiten
ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit)
1. De betrokken bestuursorganen
nemen de besluiten ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit
binnen zes weken na bekendmaking van het wegaanpassingsbesluit en
zenden deze besluiten onmiddellijk toe aan Onze Minister.
2. De in het eerste lid bedoelde
termijn treedt in de plaats van de bij of krachtens enig ander
wettelijk voorschrift voor die besluiten bepaalde beslistermijnen.
3. Indien een bestuursorgaan van
een provincie, een gemeente of een waterschap of een ander
openbaar lichaam, dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen op
een aanvraag als bedoeld in artikel 7, tweede lid, niet of niet
tijdig een ontwerp-besluit op de aanvraag aan Onze Minister zendt,
dan wel niet of niet tijdig op de aanvraag beslist, dan wel een
beslissing neemt die naar het oordeel van Onze Minister wijziging
behoeft, kan Onze Minister een beslissing op de aanvraag nemen. In
het laatste geval treedt zijn besluit in de plaats van het besluit
van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien Onze
Minister voornemens is zelf een beslissing op de aanvraag te
nemen, pleegt hij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste
aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
4. Het eerste tot en met derde lid
is van overeenkomstige toepassing op de ambtshalve te nemen
besluiten.
5. Het derde lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van andere besluiten dan
die ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit, welke zijn
gericht op de realisering van het desbetreffende
wegaanpassingsproject.
6. Indien bij de toepassing van het
derde lid de beslissing op een aanvraag wordt genomen door Onze
Minister, stort het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is
te beslissen op de aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's
Rijks kas.
7. De in artikel 7, tweede lid,
bedoelde besluiten worden gelijktijdig door Onze Minister
bekendgemaakt.
Artikel 11. (rechtsgevolgen van het
wegaanpassingsbesluit)
1. Voor het gebied dat is begrepen
in een vastgesteld wegaanpassingsbesluit geldt dat besluit als
voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet
ruimtelijke ordening.
2. Ten aanzien van de in de
bijlage, onder A, opgenomen wegaanpassingsprojecten geldt voor de
bij het wegaanpassingsbesluit behorende zone, bedoeld in artikel
74, eerste lid, van de Wet geluidhinder, het wegaanpassingsbesluit
als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet
ruimtelijke ordening, met dien verstande dat dit slechts geldt met
betrekking tot geprojecteerde woningen en andere geluidsgevoelige
objecten ten aanzien waarvan de geluidsbelasting vanwege de weg of
vanwege binnen de zone van die weg gelegen wegen de waarden die
ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i van de Wet geluidhinder
als ten hoogste toelaatbare waarden worden aangemerkt, te boven
zal gaan.
3. Voor zover het
wegaanpassingsbesluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel
3.7, vijfde en zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening niet van
toepassing.
4. Het wegaanpassingsbesluit geldt
niet langer als voorbereidingsbesluit indien voor het in het
eerste lid bedoelde gebied een bestemmingsplan in overeenstemming
met het wegaanpassingsbesluit van kracht is geworden.
5. Onder een geprojecteerde woning
of een ander geprojecteerd geluidsgevoelig object als bedoeld in
het tweede lid wordt verstaan een nog niet aanwezige woning of
ander geluidsgevoelig object waarvoor het geldende bestemmingsplan
verlening van de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht toelaat, maar deze nog niet is
afgegeven.
6. Artikel 3.3, eerste tot en met
derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is niet
van toepassing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een
bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,
van die wet ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit.
7. Indien ter uitvoering van het
wegaanpassingsbesluit handelingen worden verricht waarvoor
krachtens artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 een
verkeersbesluit is vereist, is dat artikel niet van toepassing.
8. Voor zover het
wegaanpassingsbesluit en het bestemmingsplan of de
beheersverordening niet met elkaar in overeenstemming zijn, geldt
het besluit voor de uitvoering daarvan als omgevingsvergunning
waarbij ten behoeve van een project van nationaal belang, met
toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan
of de beheersverordening wordt afgeweken. Bij de toepassing van
artikel 2.10 van die wet wordt onder bestemmingsplan of
beheersverordening mede het wegaanpassingsbesluit begrepen.
9. Voor zover een bestemmingsplan,
een beheersverordening of een ander besluit voor de uitvoering van
werken of werkzaamheden een omgevingsvergunning voor een
aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist, geldt
zodanige eis niet in het gebied dat is begrepen in een vastgesteld
wegaanpassingsbesluit.
10. De gemeenteraad stelt binnen
een jaar nadat het wegaanpassingsbesluit onherroepelijk is
geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld
in de Wet ruimtelijke ordening overeenkomstig het
wegaanpassingsbesluit vast. Voor zover een ontwerp van een
bestemmingsplan zijn grondslag vindt in het wegaanpassingsbesluit
kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het
ontwerpplan.
11. Indien een bestemmingsplan in
strijd is met een onherroepelijk wegaanpassingsbesluit en het
bestemmingsplan nog niet is aangepast aan het
wegaanpassingsbesluit, is het gemeentebestuur verplicht aan
degenen die inzage verlangen in zodanig bestemmingsplan, tevens
inzage te verlenen in het ten aanzien van het door dat plan
bestreken gebied vastgestelde wegaanpassingsbesluit.
Artikel 12. (verval van rechtswege)
Het wegaanpassingsbesluit vervalt van
rechtswege indien het niet binnen twee jaar na het tijdstip waarop
het onherroepelijk is geworden in uitvoering is genomen.
Hoofdstuk 3. Beroep ten aanzien van
het wegaanpassingsbesluiten en de besluiten ter uitvoering daarvan
Artikel 13. (beroep bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State)
1. Tegen een wegaanpassingsbesluit,
een besluit ter uitvoering van een wegaanpassingsbesluit als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, alsmede een plan als bedoeld in
artikel 6, vijfde lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2. In afwijking van artikel 6:8 van
de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het indienen
van een beroepschrift tegen een wegaanpassingsbesluit en de
besluiten ter uitvoering van een wegaanpassingsbesluit als bedoeld
in artikel 7, eerste lid, aan met ingang van de dag na die waarop
de in artikel 10, zevende lid, bedoelde bekendmaking is geschied.
Artikel 14. (termijn voor de rechter)
1. De Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State beslist op de beroepen tegen de in artikel
13, eerste lid, bedoelde besluiten, met uitzondering van het in
artikel 6, vijfde lid, bedoelde plan, binnen twaalf weken na
ontvangst van de desbetreffende verweerschriften.
2. In bijzondere omstandigheden kan
de Afdeling bestuursrechtspraak deze termijn met ten hoogste
twaalf weken verlengen.
Artikel 14a [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. Indien de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State van oordeel is dat het
beroep tegen het wegaanpassingsbesluit gegrond is, kan zij een
tussenuitspraak doen, waarbij zij Onze Minister in de gelegenheid
stelt om de gebreken weg te nemen.
2. In haar tussenuitspraak stelt de
Afdeling vast in welk opzicht het beroep gegrond is. Afdeling
8.2.6, met uitzondering van artikel 8:72, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De
Afdeling vermeldt een termijn binnen welke de gebreken moeten zijn
weggenomen. De Afdeling kan door middel van een wijziging van de
tussenuitspraak de termijn op verzoek van Onze Minister verlengen.
3. Indien Onze Minister aangeeft
geen gebruik te willen maken van de gelegenheid om de gebreken weg
te nemen dan wel de termijn die daarvoor geldt, laat verstrijken,
wordt het onderzoek geacht te zijn gesloten op de dag van
ontvangst van de mededeling van Onze Minister dan wel op de dag
dat de bedoelde termijn is verstreken.
4. Onze Minister stelt de Afdeling
schriftelijk in kennis van de wijze waarop de gebreken zijn
weggenomen.
5. De Afdeling stelt de andere
partijen in de gelegenheid binnen een door haar te stellen termijn
schriftelijk te reageren op de kennisgeving, bedoeld in het vierde
lid.
6. Indien de Afdeling een onderzoek
ter zitting nodig acht, deelt zij dit zo spoedig mogelijk aan
partijen mede.
Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen
Artikel 15. (toepassing
Belemmeringenwet Privaatrecht)
1. Ten aanzien van de verlegging
van kabels en leidingen, verband houdende met de uitvoering van
een wegaanpassingsbesluit, is geen concessie of een erkenning als
bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht vereist.
2. Indien voor de verlegging van
kabels en leidingen, verband houdende met de uitvoering van een
wegaanpassingsbesluit, toepassing van de Belemmeringenwet
Privaatrecht noodzakelijk is:
a. kan Onze Minister in
afwijking van artikel 2, vierde lid, van de Belemmeringenwet
Privaatrecht:
1°. een andere plaats of
gemeente aanwijzen waar de zitting plaatsvindt;
2°. bepalen dat de zitting
wordt geleid door een door Onze Minister aan te wijzen
persoon;
b. worden in afwijking van de
artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede lid, van de
Belemmeringenwet Privaatrecht gedeputeerde staten niet
gehoord;
c. geldt in plaats van artikel
4 van de Belemmeringenwet Privaatrecht dat:
1°. tegen een besluit als
bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede
lid, van die wet een belanghebbende beroep kan instellen
bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
2°. artikel 7:1 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is;
3°. de werking van een
besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel
3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht
opgeschort wordt totdat de termijn voor het indienen van
een beroepschrift is verstreken.
3. De Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State beslist op beroepen tegen besluiten als
bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de
Belemmeringenwet Privaatrecht binnen twaalf weken na ontvangst van
de desbetreffende verweerschriften.
Artikel 16. (toepassing
onteigeningswet)
1. Onteigening van onroerende zaken
en van rechten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de
onteigeningswet ten behoeve van de uitvoering van het
wegaanpassingsbesluit geschiedt ingevolge het besluit, bedoeld in
artikel 72a van de onteigeningswet, met dien verstande dat over
het in artikel 72a van de onteigeningswet bedoelde besluit de Raad
van State niet wordt gehoord.
2. De in artikel 18, eerste lid,
van de onteigeningswet bedoelde dagvaarding kan geschieden nadat
het wegaanpassingsbesluit is vastgesteld.
3. Onverminderd het bepaalde in
artikel 59, eerste lid, van de onteigeningswet kan het vonnis van
onteigening van de rechtbank niet eerder in de openbare registers
worden ingeschreven dan nadat het wegaanpassingsbesluit
onherroepelijk is geworden.
4. In aanvulling op de artikelen
54n en 59 van de onteigeningswet is ten behoeve van de in het
derde lid bedoelde inschrijving een uitspraak van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring
van de Secretaris van de Raad van State nodig, waaruit blijkt dat
het wegaanpassingsbesluit onherroepelijk is geworden.
Artikel 17. (schadevergoeding)
1. Voor zover blijkt dat een
belanghebbende ten gevolge van een onherroepelijk
wegaanpassingsbesluit, een onherroepelijk besluit ter uitvoering
van een wegaanpassingsbesluit als bedoeld in artikel 7, eerste
lid, of een onherroepelijk plan als bedoeld in artikel 6, vijfde
lid, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet
geheel te zijnen laste behoort te blijven, en ten aanzien waarvan
de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of
op andere wijze is verzekerd, kent Onze Minister hem op zijn
verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2. Afdeling 6.1 van de Wet
ruimtelijke ordening blijft buiten toepassing voor zover de
belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan
doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister kan nadere regels
geven omtrent de indiening en afhandeling van een verzoek om
schadevergoeding.
Hoofdstuk 5. Overige bepalingen
Artikel 18 [Vervallen per 24-04-2009]
Artikel 19. (evaluatie)
Onze Minister zendt binnen drie jaar
na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Artikel 20. (wijziging Wet
bereikbaarheid en mobiliteit)
[Wijzigt de Wet bereikbaarheid en
mobiliteit]
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 21. (inwerkingtreding)
Onder toepassing van artikel 16 van
de Tijdelijke referendumwet treedt deze wet in werking met ingang
van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
zij wordt geplaatst.
Artikel 22. (citeertitel)
Deze wet wordt aangehaald als:
Spoedwet wegverbreding.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage,
2 juni 2003
BEATRIX
De
Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs
De
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel
Uitgegeven de
vierentwintigste juni 2003
De
Minister van Justitie,
J.P.H.
Donner
Bijlage bij de Spoedwet
wegverbreding, als bedoeld in artikel 2, eerste lid
A. Wegaanpassingsprojecten van
structurele aard
|
Wegnummer |
|
Omschrijving
wegvak |
Aard van het
project |
Wijziging aantal
rijstroken |
|
Kilometrering |
|
| |
|
|
|
van |
naar |
van |
tot |
| |
A9 |
Wijkertunnel Badhoevedorp |
|
|
|
|
|
|
1 |
A9 |
Aansluiting Velsen–Raasdorp |
inrichten vluchtstrook als
spitsstrook en aanpassingen in knooppunt |
2x2 |
2x3 |
41,0 |
49,1 |
|
2 |
A9 |
Knooppunt Raasdorp–knooppunt
Badhoevedorp |
inrichten vluchtstrook als
spitsstrook en aanleg weefstroken |
1x2 |
1x3 |
34,9 |
38,3 |
| |
|
A9 |
|
|
|
|
|
|
2a |
A9 |
Alkmaar–Uitgeest |
aanleg spitsstrook |
2x2 |
2x3 |
59,0 |
70,7 |
| |
A7 |
Oostbaan richting Hoorn |
|
|
|
|
|
|
3 |
A7 |
Zaanstad–Purmerend |
inrichten vluchtstrook als
spitsstrook |
1x2 |
1x3 |
4,7 |
14,8 |
| |
A12 |
Utrecht–Den Haag |
|
|
|
|
|
|
4 |
A12 |
Zoetermeer–Zevenhuizen |
aanleg plusstrook |
2x2 |
2x3 |
15,8 |
23,0 |
|
5 |
A12 |
Zevenhuizen–Gouda |
aanleg plusstrook |
2x2 |
2x3 |
23,0 |
27,0 |
|
6 |
A12 |
Woerden–Gouda |
aanleg plusstrook |
1x3 |
1x4 |
45,0 |
27,0 |
| |
A12 |
Utrecht–Duitse grens |
|
|
|
|
|
|
7 |
A12 |
Utrecht–Bunnik |
aanleg extra rijstrook |
2x3 |
2x4 |
63,5
63,5 |
67,4 (noordbaan)
67,6 (zuidbaan) |
|
8 |
A12 |
Bunnik–Driebergen |
aanleg extra rijstrook en
plusstrook |
2x2 |
2x4 |
67,4
67,6 |
70,9 (noordbaan)
71,5 (zuidbaan) |
|
9 |
A12 |
Driebergen–Maarsbergen |
aanleg plusstrook |
2x2 |
2x3 |
70,9
71,5 |
82,0 (noordbaan)
82,0 (zuidbaan) |
|
10 |
A12 |
Veenendaal–Ede |
inrichten linker rijstrook als
plusstrook en aanleg weefstroken |
2x2 |
2x3 |
90,0 |
110,6 |
| |
|
CRAAG |
|
|
|
|
|
|
11 |
A9 |
Holendrecht–Diemen |
inrichten vluchtstrook als
spitsstrook |
2x2 |
2x3 |
4,5 |
12,1 |
|
12 |
A1 |
't Gooi |
inrichten vluchtstrook als
spitsstrook |
2x2 |
2x3 |
21,2 |
29,6 |
|
13 |
A1/A6 |
Muiderberg–Almere Stad west
Oostbaan |
inrichten vluchtstrook als
spitsstrook |
1x3 |
1x4 |
12,0 41,2 |
15,4 (A1) 48,0 (A6) |
|
14 |
A1 |
Diemen–Muiderberg |
uitbreiden wisselstrook |
1x1 |
1x2 |
6,4 |
17,8 |
| |
|
A2 |
|
|
|
|
|
|
14a |
A2 |
Holendrecht–Maarssen |
aanleg extra rijstrook |
2x4 |
2x5 |
34,0 |
57,0 |
|
14b |
A2 |
Urmond–Maasbracht |
aanleg spitsstrook |
1x2 |
1x3 |
239,1 |
221,7 |
|
14c |
A2/A76 |
Urmond–Geleen |
aanleg extra rijstrook en
aanpassing knooppunt Kerensheide |
2x2 |
2x3 |
239,1 (A2) |
4,5 (A76) |
| |
|
A28 Utrecht–Amersfoort |
|
|
|
|
|
|
14d |
A28 |
Utrecht–Leusden Zuid |
aanleg extra rijstrook |
2x2 |
2x3 |
0 |
17,8 |
|
14e |
A28 |
Leusden Zuid–knooppunt
Hoevelaken |
aanleg plusstrook en
weefstroken en aanpassing knooppunt Hoevelaken |
1x2 |
1x3 |
17,3 |
46,5 (A1) (oostbaan) |
| |
|
|
aanleg plusstrook en
weefstroken |
1x2 |
1x3 |
27,7 |
17,3 (westbaan) |
B. Wegaanpassingsprojecten van
semi-permanente aard
|
Wegnummer |
|
Omschrijving
wegvak |
Aard van het
project |
Wijziging aantal
rijstroken |
|
Kilometrering |
|
| |
|
|
|
van |
naar |
van |
tot |
| |
|
CRAAG |
|
|
|
|
|
|
15 |
A4 |
Knooppunt Badhoevedorp –
knooppunt Nieuwe Meer |
inrichten vluchtstrook als
spitsstrook en aanleg weefstroken |
2x3 |
2x4 |
0 |
4,0 |
|
16 |
A10 zuid |
Knooppunt Nieuwe Meer –
knooppunt Amstel |
inrichten vluchtstrook als
spitsstrook en aanleg weefstroken |
2x3 |
2x4 |
16,0 |
20,9 |
| |
|
A2/A27 |
|
|
|
|
|
|
17 |
A2/A27 |
Everdingen – Lunetten |
inrichten vluchtstrook als
spitsstrook en aanleg weefstroken |
1x2 |
1x3 (deels 1x4) |
57,2 |
70,2 |
| |
A28 |
Utrecht–Amersfoort |
|
|
|
|
|
| |
|
A1 |
|
|
|
|
|
|
20 |
A1 |
Hoevelaken–Barneveld zuidbaan |
inrichten vluchtstrook als
spitsstrook |
1x2 |
1x3 |
46,0 |
54,0 |
| |
|
A27 |
|
|
|
|
|
|
22 |
A27 |
Gorinchem–Noordeloos |
inrichten linkerrijstrook als
plusstrook |
1x2 |
1x3 |
37,3 |
43,0 |
| |
|
Prins Clausplein |
|
|
|
|
|
|
23 |
A4 |
Aansluiting Leidschendam Prins
Clausplein |
inrichten vluchtstrook als
bufferstrook |
1x3 |
1x4 |
44,0 |
46,3 |
|
24 |
A12 |
Prins Clausplein–Voorburg |
inrichten vluchtstrook als
bufferstrook |
1x4 |
1x5 |
6,4 |
5,0 |
| |
|
A13 |
|
|
|
|
|
|
25 |
A13 |
Zestienhoven–Delft Zuid |
inrichten vluchtstrook als
spitsstrook |
1x3 |
1x4 |
17,1 |
10,6 |
| |
|
A20 |
|
|
|
|
|
|
26 |
A20 |
Terbregseplein |
inrichten extra rijstrook als
bufferstrook |
1x4 |
1x5 |
38,9 |
34,5 |
| |
|
Coenplein |
|
|
|
|
|
| |
|
A1 |
|
|
|
|
|
|
28 |
A1 |
Knooppunt Watergraafsmeer –
knooppunt Diemen |
inrichten als bufferstrook |
2x3 |
2x4 |
8,0 |
3,7 |
| |
|
A50/A1 Valburg–Heteren/Arnhem–Deventer |
|
|
|
|
|
|
29 |
A50/A1 |
Arnhem Centrum–knooppunt
Beekbergen |
inrichten vluchtstrook als
spitsstrook |
2x2 |
2x3 |
183,3 |
203,0 |
|
30 |
A50/A1 |
Knooppunt Beekbergen–Deventer
Oost |
inrichten linkerrijstrook als
plusstrook |
2x2 |
2x3 |
88,1 |
108,6 |
|
31 |
A50/A1 |
Heteren–Valburg |
inrichten vluchtstrook als
spitsstrook |
1x2 |
1x3 |
158,7 |
155,9 |
| |
|
A2 Den Bosch–Eindhoven |
|
|
|
|
|
Bijlage 2 bij de Spoedwet
wegverbreding
Bijlage behorend bij artikel 3a van
de Spoedwet wegverbreding
Wegaanpassingprojecten als bedoeld in
artikel 3a, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding:
|
Wegnummer |
|
Omschrijving
wegvak |
|
|
|
1 |
A9 |
Aansluiting Velsen–Raasdorp |
|
|
|
2 |
A9 |
Knooppunt Raasdorp–knooppunt
Badhoevedorp |
|
|
|
2a |
A9 |
Alkmaar–Uitgeest |
|
|
|
6 |
A12 |
Woerden–Gouda |
|
|
|
7 |
A12 |
Utrecht–Bunnik |
|
|
|
8 |
A12 |
Bunnik–Driebergen |
|
|
|
9 |
A12 |
Driebergen–Maarsbergen |
|
|
|
11 |
A9 |
Holendrecht–Diemen |
|
|
|
12 |
A1 |
’t Gooi |
|
|
|
13 |
A1/A6 |
Muiderberg–Almere Stad west (Oostbaan) |
|
|
|
14a |
A2 |
Holendrecht–Maarssen |
|
|
|
14b/c |
|
Maasbracht–Geleen |
|
|
| |
|
14b |
A2 |
Urmond–Maasbracht |
| |
|
14c |
A2/A76 |
Urmond–Geleen |
|
14d/e |
|
Utrecht–Amersfoort |
|
|
| |
|
14d |
A28 |
Utrecht–Leusden Zuid |
| |
|
14e |
A28 |
Leusden Zuid–knooppunt
Hoevelaken |
|
15 |
A4 |
Knooppunt Badhoevedorp–knooppunt
Nieuwe Meer |
|
|
|
16 |
A10 zuid |
Knooppunt Nieuwe Meer–knooppunt
Amstel |
|
|
|
17 |
A2/A27 |
Everdingen–Lunetten |
|
|
|
20 |
A1 |
Hoevelaken–Barneveld |
|
|
|
28 |
A1 |
Knooppunt Watergraafsmeer–knooppunt
Diemen |
|
|
|