Nadere regelgeving:
- Algemeen Reglement Vervoer (ARV)
- Besluit
aanwijzing hoofdspoorwegen
- Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur
- Besluit spoorverkeer
- Besluit
spoorweginfrastructuur
- Besluit spoorwegpersoneel
(vervallen)
- Besluit
spoorwegpersoneel 2011
- Regeling hoofdspoorweginfrastructuur
- Regeling
spoorverkeer'
WET van 23 april 2003, houdende nieuwe
algemene regels over de aanleg, het beheer, de toegankelijkheid en het
gebruik van spoorwegen alsmede over het verkeer over spoorwegen (Spoorwegwet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op richtlijnen
91/440/EEG, 95/18/EG, 96/48/EG, 2001/12/EG, 2001/13/EG, 2001/14/EG en
2001/16/EG en mede gelet op het belang van de bescherming van het milieu
noodzakelijk is wettelijke bepalingen vast te stellen inzake de aanleg,
het beheer en het gebruik van spoorwegen en dat het ter bevordering van
een maatschappelijk gewenste benutting van spoorwegen wenselijk is, de
verantwoordelijkheid van de overheid voor de aanleg van
spoorweginfrastructuur vast te leggen, de verantwoordelijkheid voor
vervoer en spoorweginfrastructuur te scheiden en de publieke belangen
die gemoeid zijn met het beheer van spoorweginfrastructuur te verzekeren
door de invoering van een concessiestelsel voor het beheer, het gebruik
van spoorwegen te bevorderen door het stellen van transparante en
niet-discriminerende voorschriften en dat het voorts wenselijk is de
wetgeving inzake de spoorwegen overigens te moderniseren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. spoorweg: weg bestemd voor verkeer over spoorstaven of
geleiderails;
c. spoorweginfrastructuur: spoorwegen en daarbij behorende
spoorweginfrastructuur als bedoeld in bijlage 1, onderdeel A, van
Verordening (EEG) nr. 2598/70 van de Europese Commissie van 18
december 1970 (PbEG L 278);
d. rechthebbende: eigenaar, bezitter of degene die een recht van
erfpacht, opstal, vruchtgebruik, gebruik, huur of pacht heeft;
e. spoorvoertuig: voertuig, bestemd voor het verkeer over
spoorwegen;
f. spoorwegonderneming: spoorwegonderneming als bedoeld in
richtlijn 95/18/EG alsmede iedere andere onderneming die gebruik
maakt of beoogt te maken van de spoorweg en daarvoor de beschikking
heeft over tractie;
g. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie of een andere staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte;
h. beheerder: houder van een concessie als bedoeld in artikel 16,
eerste lid;
i. keuringsinstantie: instantie aangewezen op grond van artikel
93;
j. veiligheidsfunctie: functie van bestuurder van een
spoorvoertuig of een andere, bij algemene maatregel van bestuur
omschreven, functie binnen het spoorwegverkeerssysteem die van
aanmerkelijke invloed is op de veiligheid van het spoorverkeer;
k. richtlijn 91/440/EEG: richtlijn nr. 91/440/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende de
ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap (PbEG L 237);
l. richtlijn 95/18/EG: richtlijn nr. 95/18/EG van de Raad van de
Europese Unie van 19 juni 1995 betreffende de verlening van
vergunningen aan spoorwegondernemingen (PbEG L 143);
m. richtlijn 2001/14/EG: richtlijn nr. 2001/14/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 februari
2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de
heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur
alsmede inzake veiligheidscertificering (PbEG L 75);
n. richtlijn 96/48/EG: richtlijn nr. 96/48/EG van de Raad van de
Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van
het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem (PbEG L 235);
o. richtlijn 2001/16/EG: richtlijn nr. 2001/16/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 maart 2001
betreffende de interoperabiliteit van het conventionele
trans-Europese spoorwegsysteem (PbEG L 110);
p. Verdrag: Verdrag betreffende het internationale
spoorwegvervoer (Trb. 1980, 160), zoals gewijzigd ingevolge het op
20 december 1990 te Bern tot stand gekomen Protocol 1990 houdende
wijziging van het Verdrag betreffende het internationale
spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980 (Trb. 1997, 19) en het op 3
juni 1999 te Vilnius tot stand gekomen Protocol 1999 inzake de
herziening van het Verdrag betreffende het Internationale
spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980 (Trb. 2000, 70);
q. raad van bestuur NMa: raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit, bedoeld in artikel 2 van de Mededingingswet.
Artikel 2
1.Deze wet is van toepassing op de als zodanig bij koninklijk
besluit aangewezen hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen alsmede op
bijzondere spoorwegen.
2.Een spoorweg wordt als hoofdspoorweg aangewezen, indien:
a. de spoorweg uitsluitend of overwegend bestemd is voor het
verrichten van openbaar personenvervoer of goederenvervoer ten
behoeve van internationale, nationale of regionale verbindingen en
b. de Staat rechthebbende is ten aanzien van de spoorweg.
3.[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
4.[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
5.[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
6.Een besluit op grond van het eerste lid of vijfde lid wordt in
het Staatsblad geplaatst.
Artikel 3
Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de
spoorweg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer
op de spoorweg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.
Artikel 4
1.Het is een ieder verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen
dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden
terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof waarvan hij
weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het gebruik daarvan, al dan
niet in combinatie met een andere stof, de vaardigheid tot het
uitoefenen van die functie of tot het houden van toezicht op de
uitoefening van die functie kan verminderen, dat hij niet tot het
behoorlijk uitoefenen van die functie of tot het behoorlijk uitoefenen
van toezicht op de uitoefening van die functie in staat moet worden
geacht.
2.Het is een ieder verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen
dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden na
zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger
blijkt te zijn dan tweehonderdtwintig microgram alcohol per liter
uitgeademde lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger
blijkt te zijn dan een halve milligram alcohol per milliliter
bloed.
3.Het is verboden een veiligheidsfunctie te doen uitoefenen dan wel
op de uitoefening van zodanige functie toezicht te doen houden door
een persoon waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat deze
verkeert in een toestand als in het eerste of tweede lid is
omschreven.
4.Op de eerste vordering van bij of krachtens artikel 86 van deze
wet of artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing
van strafbare feiten belaste ambtenaren zijn personen die een
veiligheidsfunctie uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige
functie toezicht houden, of daartoe aanstalten maken, verplicht hun
medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde
lucht en daartoe volgens door die ambtenaar te geven aanwijzingen
ademlucht te blazen in een door die ambtenaar aangewezen apparaat.
5.Dit artikel is niet van toepassing voorzover artikel 8 van de
Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.
Hoofdstuk 2. Hoofdspoorweginfrastructuur
§ 1. Algemeen
Artikel 5
Onze Minister draagt zorg voor de aanleg, het beheer en het onderhoud
van hoofdspoorweginfrastructuur.
§ 2. De eigenschappen van hoofdspoorweginfrastructuur
Artikel 6
1.Hoofdspoorweginfrastructuur voldoet aan de bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen regels en nadere regels ten
aanzien van basiskwaliteit, te weten inrichting, uitrusting en
technische eigenschappen, waaronder regels over:
a. algemene kenmerken van de infrastructuur;
b. aanleg en onderhoud;
c. beveiliging;
d. bouwwerken;
e. telecommunicatievoorzieningen;
f. kunstwerken;
g. spoorwegovergangen;
h. afstandsbediening;
i. energievoorziening.
2.De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 7
1.Onverminderd de krachtens artikel 6 gestelde regels zijn
hoofdspoorwegen waar een snelheid van meer dan 40 kilometer per uur is
toegestaan, voorzien van een bij ministeriële regeling te omschrijven
systeem van beveiliging.
2.Onverminderd de krachtens artikel 6 gestelde regels zijn
gedeelten van een hoofdspoorweg die niet zijn gelegen in een
gelijkvloerse kruising met een weg of in een voor het openbaar verkeer
openstaande weg, zodanig afgesloten van de omgeving dat het publiek
zich niet of slechts met bijzondere moeite op de spoorweg kan begeven.
3.Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste en tweede
lid.
§ 3. De interoperabiliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur
Artikel 8
1.Onverminderd de krachtens artikel 6 gestelde regels voldoet
hoofdspoorweginfrastructuur waarover internationaal verkeer
plaatsvindt aan de toepasselijke voorschriften van de richtlijnen
2001/16/EG en 96/48/EG of van het Verdrag.
2.De in het eerste lid bedoelde infrastructuur wordt vermoed te
voldoen aan de voorschriften:
a. van richtlijn 2001/16/EG, indien ter zake een geldige
EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 16 van die richtlijn
is afgegeven;
b. van richtlijn 96/48/EG, indien ter zake een geldige
EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 16 van die richtlijn
is afgegeven;
c. van het Verdrag, indien ter zake een geldig
goedkeuringscertificaat als bedoeld in bijlage G van het Verdrag
is afgegeven.
Artikel 9
1.Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 8, tweede lid,
onderdelen a of b, wordt afgegeven indien:
a. de spoorweginfrastructuur voldoet aan de toepasselijke
technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in
artikel 2, onderdeel g, van richtlijn 2001/16/EG, respectievelijk
artikel 2, onderdeel g, van richtlijn 96/48/EG;
b. ten aanzien van de spoorweginfrastructuur een
conformiteitsverklaring als bedoeld in richtlijn 2001/16/EG,
bijlage VI, punt 3, respectievelijk in richtlijn 96/48/EG, bijlage
VI, punt 3, is afgegeven door een keuringsinstantie.
2.Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 8, tweede lid,
onderdeel c, wordt afgegeven indien de spoorweginfrastructuur voldoet
aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
Artikel 10
1.Het is verboden de ingevolge richtlijnen 2001/16/EG of 96/48/EG
dan wel het Verdrag als zodanig aangemerkte onderdelen van
hoofdspoorweginfrastructuur als zodanig in de handel te brengen indien
ten aanzien daarvan niet zijn afgegeven:
a. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid
voor gebruik als bedoeld in artikel 10 van richtlijn 2001/16/EG;
b. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid
voor gebruik als bedoeld in artikel 10 van richtlijn 96/48/EG of
c. geldige goedkeuringscertificaten als bedoeld in bijlage G
van het Verdrag.
2.Het in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, bedoelde
verbod geldt niet ten aanzien van niet door de desbetreffende
richtlijnen bestreken toepassing van deze onderdelen.
3.Degene die deze onderdelen gebruikt, zorgt dat deze onderdelen
binnen hun toepassingsgebied worden gebruikt overeenkomstig hun
bestemming, en dat zij naar behoren worden geïnstalleerd en
onderhouden.
Artikel 11
1.Een EG-verklaring als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdelen a of b, wordt afgegeven indien:
a. de desbetreffende onderdelen voldoen aan de toepasselijke
technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in
artikel 2, onderdeel g, van richtlijn 2001/16/EG, respectievelijk
artikel 2, onderdeel g, van richtlijn 96/48/EG;
b. de toetsing van onderdeel a is uitgevoerd door een
keuringsinstantie, respectievelijk door een keuringsinstantie
voorzover de technische specificaties dat vereisen.
2.Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 10, eerste
lid, onderdeel c, wordt afgegeven indien de desbetreffende onderdelen
voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
gestelde eisen.
3.Indien met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
onderdelen andere EG-richtlijnen bestaan ten aanzien van andere
aspecten dan geregeld in bedoelde technische specificaties, vermelden
de verklaringen, bedoeld in dat lid, tevens of de onderdelen aan die
andere EG-richtlijnen voldoen.
Artikel 12
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de aanvraag, afgifte, vorm en inhoud van
EG-keuringsverklaringen als bedoeld in artikel 8, tweede lid,
onderdelen a en b, EG-verklaringen als bedoeld in artikel 10, eerste
lid, onderdelen a en b, en goedkeuringscertificaten als bedoeld in de
artikelen 8, eerste lid, onderdeel c, en 10, eerste lid, onderdeel c,
alsmede over het registreren of bewaren van gegevens of documenten
over de aanvraag en afgifte.
2.Met de in het eerste lid bedoelde EG-keuringsverklaringen en
EG-verklaringen worden gelijkgesteld zodanige verklaringen afgegeven
met inachtneming van de richtlijnen 2001/16/EG of 96/48/EG door de
bevoegde instantie van een andere lidstaat.
3.Met de in het eerste lid bedoelde goedkeuringscertificaten worden
gelijkgesteld zodanige certificaten afgegeven met inachtneming van het
Verdrag door de bevoegde instantie van een andere staat die partij is
bij het Verdrag.
Artikel 13
1.Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel
8, tweede lid, onderdelen a of b, af te geven indien niet is voldaan
aan artikel 9, eerste lid.
2.Het is verboden een EG-verklaring als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onderdelen a of b, af te geven indien niet is voldaan aan
artikel 11, eerste of derde lid.
Artikel 14
1.De fabrikant van onderdelen van hoofdspoorweginfrastructuur als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, en zijn in Nederland gevestigde
gemachtigde, die in strijd met artikel 13, tweede lid, een
EG-verklaring als daar bedoeld hebben afgegeven, zijn verplicht op
eerste vordering van Onze Minister en binnen een door deze te stellen
termijn het verzuim te herstellen. Zij zijn verplicht de daarbij door
Onze Minister gegeven aanwijzingen op te volgen.
2.Indien de fabrikant of zijn in Nederland gevestigde gemachtigde
niet voldoet aan het eerste lid, neemt Onze Minister met toepassing
van artikel 12 van richtlijn 2001/16/EG of van richtlijn 96/48/EG
maatregelen om het in de handel brengen van het betrokken onderdeel te
beperken, te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
Artikel 15
Indien Onze Minister vaststelt dat een onderdeel van
hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
ondanks het feit dat ten aanzien daarvan een EG-verklaring als bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onderdelen a of b, is afgegeven en ondanks
het feit dat dit onderdeel overeenkomstig zijn bestemming wordt
gebruikt, de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorwegen of
interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn
96/48/EG of van richtlijn 2001/16/EG in gevaar brengt, neemt hij met
toepassing van de artikelen 12 van deze richtlijnen maatregelen om het
toepassingsgebied van dit onderdeel te beperken, het gebruik ervan te
verbieden of het uit de handel te doen nemen.
§ 4. Beheer van hoofdspoorwegen
Artikel 16
1.Onze Minister verleent een of meer concessies voor het beheer van
de hoofdspoorweginfrastructuur. Het beheer omvat de zorg voor:
a. de kwaliteit, betrouwbaarheid en beschikbaarheid van de
infrastructuur;
b. een eerlijke, niet-discriminerende verdeling van de
capaciteit van de infrastructuur zowel ten behoeve van de
beheerder als ten behoeve van spoorwegondernemingen;
c. het leiden van het verkeer over de infrastructuur.
2.Een concessie bevat een beschrijving van de werkzaamheden
waarvoor de concessie wordt verleend.
3.Een concessie wordt verleend voor ten minste drie jaar.
4.Een concessie wordt niet verleend aan een spoorwegonderneming dan
met inachtneming van artikel 6, derde lid, van richtlijn 91/440/EEG en
de artikelen 4, tweede lid, en 14, tweede lid, van richtlijn
2001/14/EG.
Artikel 16a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Een beheerder beschikt bij de uitvoering van de taken, bedoeld
in artikel 16, eerste lid, anders dan ten behoeve van de aanleg van
hoofdspoorweginfrastructuur over een geldige veiligheidsvergunning als
bedoeld in artikel 11 van richtlijn 2004/49/EG.
2. Onze Minister verleent op aanvraag een veiligheidsvergunning aan
de beheerder, indien hij beschikt over een veiligheidszorgsysteem dat:
a. voldoet aan artikel 9, tweede lid, en bijlage III van
richtlijn 2004/49/EG,
en
b. op zodanige wijze is geoperationaliseerd dat het een veilig
beheer en gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur mogelijk maakt.
3. Een veiligheidsvergunning is ten hoogste vijf jaar geldig.
4. Onze Minister trekt een veiligheidsvergunning in, indien het
veiligheidszorgsysteem van de beheerder niet meer voldoet aan het
tweede lid.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gegeven over de uitvoering van dit artikel, waaronder:
a. regels ten aanzien van de aanvraag van een
veiligheidsvergunning, en
b. nadere regels ten aanzien het veiligheidszorgsysteem.
Artikel 16b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Een beheerder houdt een register van infrastructuurvoorzieningen
dat voldoet aan artikel 35 van richtlijn 2008/57/EG.
2. Een beheerder stelt jaarlijks een verslag op met betrekking tot
de spoorwegveiligheid dat voldoet aan artikel 9, vierde lid, van
richtlijn 2004/49/EG en zendt dat verslag voor 1 juli aan Onze
Minister.
Artikel 17
1.Aan de concessie worden in elk geval voorschriften, onder meer
houdende prestatie-indicatoren, verbonden om te waarborgen dat:
a. de infrastructuur in goede staat verkeert en geschikt is
voor het verkeer of ander gebruik waarvoor zij bestemd is;
b. de infrastructuur veilig en doelmatig bereden kan worden
zonder overmatige slijtage aan spoorvoertuigen;
c. de risico's van het gebruik en beheer voor de veiligheid van
hoofdspoorwegen worden geanalyseerd en dat passende maatregelen
worden genomen, waaronder het zo nodig buiten dienst stellen van
een gedeelte van de hoofdspoorweg, om deze risico's afdoende te
beheersen, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke
vereisten van de te verwachten bedrijfsvoering en de stand der
techniek;
d. voldaan wordt aan de richtlijnen 91/440/EEG en 2001/14/EG;
e. de beheerder financieel draagkrachtig en beroepsbekwaam is.
2.Aan de concessie worden voorts in elk geval voorschriften
verbonden ten aanzien van:
a. door de beheerder te berekenen tarieven voor diensten aan
derden;
b. het verstrekken van gegevens aan Onze Minister ten behoeve
van:
1°. het toezicht op de naleving van de concessie;
2°. het voldoen aan de verplichtingen die Onze Minister
met betrekking tot de hoofdspoorwegen heeft ingevolge de
artikelen 116, 118 en 122 van de Wet geluidhinder ter
uitvoering van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002
inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG
L 189);
3°. het voldoen aan de verplichtingen die Onze Minister
met betrekking tot de hoofdspoorwegen heeft ingevolge artikel
12.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
3.Een wijziging van de technische of functionele eigenschappen van
de hoofdspoorweginfrastructuur die de gebruiksmogelijkheden van de
hoofdspoorwegen aanmerkelijk verandert, behoeft de voorafgaande
instemming van Onze Minister. De beheerder vermeldt in zijn verzoek om
instemming de zienswijzen van betrokken gerechtigden als bedoeld in
artikel 57 en, voorzover de wijziging afwijkt van die zienswijzen, een
deugdelijke motivering van die afwijking.
Artikel 18
1.Onze Minister kan een concessie geheel of gedeeltelijk intrekken
indien de beheerder de concessie of een voor de beheerder geldend
wettelijk voorschrift niet naleeft.
2.Onze Minister gaat niet tot intrekking over dan nadat hij de
beheerder de gelegenheid heeft geboden om binnen een daartoe te
bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met
de concessie, dan wel het wettelijk voorschrift.
3.Voordat Onze Minister een concessie verleent, wijzigt of geheel
of gedeeltelijk intrekt, stelt hij betrokken gerechtigden als bedoeld
in artikel 57 in de gelegenheid om gedurende een door Onze Minister
daarbij te bepalen termijn van ten hoogste drie weken hun zienswijze
naar voren te brengen.
4.Een concessie wordt niet eerder verleend dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
5.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over het verlenen of wijzigen van een concessie en over de aan
een concessie te verbinden voorschriften.
Artikel 19
1.Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister gebruik te
maken van hoofdspoorwegen en de daarnaast gelegen gronden door anders
dan waartoe deze zijn bestemd:
a. binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg aan, op, in,
onder, boven of naast de hoofdspoorweg, bouwwerken of andere
opstallen op te richten of werken, inrichtingen, kabels, leidingen
of beplantingen aan te brengen, te doen aanbrengen of te hebben,
dan wel daarmee verband houdende werkzaamheden uit te voeren of te
doen uitvoeren;
b. binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg, op, in, onder of
naast de hoofdspoorweg vaste stoffen of vloeistoffen te storten of
te doen storten, met uitzondering van vaste stoffen of
vloeistoffen die vrijkomen bij de normale bedrijfsvoering van
spoorvoertuigen;
c. binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg, op, in, onder,
boven of naast de hoofdspoorweg, voorwerpen te plaatsen of neer te
leggen of graafwerk te verrichten of deze activiteiten te doen
uitvoeren;
d. binnen 14 meter van de begrenzing van de hoofdspoorweg licht
ontvlambare stoffen te hebben of op te slaan.
2.Een vergunning op grond van het eerste lid kan onder beperkingen
worden verleend. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden
verbonden, onder meer ter bescherming van de hoofdspoorweg, in het
belang van een veilig en doelmatig gebruik ervan of het financieel
belang van de Staat.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van het
beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur.
Artikel 20
1. Bij een hoofdspoorweg wordt de begrenzing van de hoofdspoorweg,
bedoeld in artikel 19, aan weerszijden gevormd door een lijn liggend
op een afstand:
a. van elf meter bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau
gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor, zijnde een
denkbeeldige lijn in de lengterichting van het spoor midden tussen
beide spoorstaven;
b. van zes meter bij een hoofdspoorweg in ingraving gemeten uit
de bovenzijde van de ingraving;
c. van zes meter bij een hoofdspoorweg in ophoging gemeten uit
de teen van het talud;
d. die gelijk is aan de afstand tussen de bovenkant van de
spoorstaaf en het maaiveld horizontaal gemeten vanaf de buitenste
wand van de tunnel, in een verticale lijn tot het maaiveld,
waarbij deze grenzen ten minste gelegen zijn op elf meter uit het
hart van het spoor, indien het betreft een geboorde, ingegraven of
afgezonken tunnel bij een hoofdspoorweg;
e. bij een hoofdspoorweg op of in een vaste constructie anders
dan bedoeld in de onderdelen a tot en met d, van zes meter gemeten
vanaf een horizontale lijn die ligt op tweemaal de afstand tussen
de bovenkant van de spoorstaaf en het maaiveld vanaf de buitenste
rand van de constructie, waarbij deze grenzen ten minste gelegen
zijn op 11 meter uit het hart van het buitenste spoor.
2. Indien bij een hoofdspoorweg in ingraving of in ophoging de
afstand tussen het hart van het buitenste spoor en de bovenkant van de
ingraving of teen van het talud minder bedraagt dan vijf meter, wordt
de begrenzing vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a.
3. Indien de bodemgesteldheid daartoe aanleiding geeft, kan bij
besluit van Onze Minister, gehoord de beheerder, een begrenzing worden
vastgesteld die afwijkt van het eerste of tweede lid.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt de
begrenzing van een deel van de hoofdspoorwegen die uitsluitend of
overwegend bestemd zijn voor het verrichten van goederenvervoer ten
behoeve van de lokale ontsluiting van haven- en industriegebieden,
gevormd door een lijn liggend op een afstand van drie meter op
maaiveldniveau, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor.
Wanneer ingevolge artikel 2 of 124een spoorweg wordt aangewezen als
hoofdspoorweg, wordt daarbij bepaald of de hoofdspoorweg onder het
bereik van dit lid valt.
Artikel 21
1. Het is verboden zaken te bouwen, neer te leggen, op te richten
of aan te leggen die een meter of hoger reiken dan het maaiveld aan
weerszijden van de hoofdspoorweg bij voor het openbaar verkeer
openstaande overwegen buiten de bebouwde kom, binnen een vlak dat
wordt gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op
vijfhonderd meter aan weerszijden van de as van de weg en op elf meter
uit het hart van het spoor in de as van de weg.
2. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
vervatte verbod. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.
Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden in het belang
van een veilig en doelmatig gebruik van de spoorweg of het financieel
belang van de Staat.
3. In afwijking van het eerste lid wordt bij een voor het openbaar
verkeer openstaande overweg buiten de bebouwde kom die onderdeel
uitmaakt van een hoofdspoorweg, als bedoeld in artikel 20, vierde lid,
het vlak, bedoeld in het eerste lid, gevormd door hoekpunten in het
hart van het buitenste spoor op 50 meter aan weerszijden van de as van
de weg en op elf meter uit het hart van het spoor in de as van de weg.
Artikel 22
1.Het is verboden:
a. anders dan als rechtmatige gebruiker in te grijpen in de
bediening of de werking van installaties van de
hoofdspoorweginfrastructuur;
b. de hoofdspoorweginfrastructuur of delen daarvan te
beschadigen, te vernielen, te verwijderen, af te breken, te
verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
c. zich op of langs gedeelten van een hoofdspoorweg, met
uitzondering van een perron, die niet zijn gelegen in een
gelijkvloerse kruising met een weg of in een voor het openbaar
verkeer openstaande weg, te bevinden of daarop of daarlangs dieren
te drijven of te laten lopen;
d. enige handeling op of nabij de hoofdspoorweg te verrichten
waardoor het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur kan worden
gehinderd of belemmerd.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. het uitvoeren van het beheer;
b. de uitoefening van een veiligheidsfunctie;
c. de uitoefening van een wettelijke taak;
d. het uitvoeren van werkzaamheden in opdracht van een
spoorwegonderneming die beschikt over een veiligheidsattest als
bedoeld in artikel 32, eerste lid, of een proefattest als bedoeld
in artikel 34.
3.Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
vervatte verbod.Artikel 21, tweede lid, tweede en derde volzin, zijn
van toepassing.
Artikel 23
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld ter uitvoering van de artikelen 19 tot en met 22.
Artikel 24
1.Onverminderd de bij of krachtens andere wetten ter zake gegeven
voorschriften wordt aanraking, doorsnijding of overbrugging van andere
infrastructuur van openbaar nut door hoofdspoorwegen waarvan de aanleg
vanwege het Rijk is opgedragen of toegestaan, gedoogd door de
rechthebbende ten aanzien van die andere infrastructuur. Onder
infrastructuur van openbaar nut wordt in ieder geval begrepen
infrastructuur waarvan het beheer bij of krachtens wet is opgedragen
en infrastructuur in beheer bij een openbaar lichaam.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over financiering, onderhoud, instandhouding, aanleg,
uitbreiding, gedeeld gebruik en verdeling van de gebruiksmogelijkheden
van kunstwerken voorzover deze dienen tot aanraking, doorsnijding of
overbrugging als bedoeld in het eerste lid.
3.Een hoofdspoorweg die is of wordt aangelegd, hersteld, vernieuwd
of uitgebreid, wordt voor de toepassing van de Belemmeringenwet
Verordeningen en de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als
openbaar werk van algemeen nut.
Artikel 25
Deze paragraaf geldt onverkort voor de rechthebbende ten aanzien van
de onder of naast de hoofdspoorweginfrastructuur gelegen grond, de
daarin gelegen werken en daarop gelegen opstallen.
§ 5. Bepalingen inzake stations en laad- en losplaatsen
Artikel 26
1.De rechthebbende ten aanzien van een rechtstreeks aan de
hoofdspoorweg gelegen station draagt ervoor zorg dat reizigers,
gehandicapten daaronder begrepen, via de in het station aanwezige
hallen, tunnels, trappen en liften, met logische en overzichtelijke
routes, een veilige en adequate toegang hebben tot perrons en
spoorvoertuigen.
2.Onder station wordt in het eerste lid verstaan: een gebouw of
werk dat blijkens zijn constructie en inrichting geheel of
gedeeltelijk is bestemd voor aankomst en vertrek van spoorvoertuigen
met het oog op het in-, uit- of overstappen van reizigers.
3.Indien de veilige en adequate toegang tot perrons, laad- of
losplaatsen of spoorvoertuigen in het gedrang komt of dreigt te komen,
geeft Onze Minister aan de betrokken rechthebbende een bindende
aanwijzing ter waarborging van die toegang. Tevens kan Onze Minister
aan de betrokken rechthebbende een bindende aanwijzing geven met
betrekking tot fysieke voorzieningen ter bevordering van de sociale
veiligheid op de stations.
4.Desgevraagd adviseert de beheerder Onze Minister over de
toepassing van het derde lid.
Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf
§ 1. Algemeen
Artikel 27
1.Een spoorwegonderneming heeft op niet-discriminerende grondslag
recht op toegang tot hoofdspoorwegen.
2.Geen toegang tot hoofdspoorwegen heeft een spoorwegonderneming:
a. die niet beschikt over een geldige bedrijfsvergunning;
b. die niet beschikt over een geldig veiligheidsattest of
proefattest;
c. die niet voldoet aan de voor haar ingevolge artikel 55
geldende verzekeringsplicht;
d. indien het recht op die toegang niet rechtstreeks
voortvloeit uit een toegangsovereenkomst als bedoeld in artikel
59;
e. die anderszins niet gerechtigd is van de hoofdspoorweg
gebruik te maken.
§ 2. De bedrijfsvergunning voor spoorwegondernemingen
Artikel 28
1.Onze Minister verleent op aanvraag een bedrijfsvergunning aan een
in Nederland gevestigde spoorwegonderneming, indien deze voldoet aan
de vereisten van goede naam, financiële draagkracht en
beroepsbekwaamheid alsmede de uit artikel 55 voortvloeiende
verzekeringsplicht.
2.Onze Minister kan voor bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur omschreven soorten van gebruik van de hoofdspoorweg, bij de
verlening van een bedrijfsvergunning een of meer van de bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen, in het eerste lid
bedoelde eisen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten. Alsdan
is een zodanige beperkte bedrijfsvergunning slechts geldig voor het
gebruik waarvoor deze is verleend.
3.Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag.
4.Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De
vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.
5.Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag van de
vergunninghouder de vergunning wijzigen, alsnog voorschriften aan de
vergunning verbinden en de aan de vergunning verbonden voorschriften
aanvullen dan wel wijzigen.
Artikel 29
Onze Minister schorst de bedrijfsvergunning of trekt deze in, indien:
a. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens
artikel 28 toepasselijke eisen of voorschriften;
b. de veiligheid van het spoorverkeer door wijziging van de
rechtspositie van de vergunninghouder ingeval van fusie of
bedrijfsovername naar het oordeel van Onze Minister niet langer is
gewaarborgd of
c. bij herhaling bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is
vastgesteld dat de vergunninghouder of zijn bestuurders het bepaalde
bij of krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften
inzake arbeidsomstandigheden of arbeidstijden hebben overtreden, dan
wel bij onherroepelijk vonnis is vastgesteld dat deze het bepaalde
bij of krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften
inzake arbeidsomstandigheden of arbeidstijden in ernstige mate
hebben overtreden.
Artikel 30
1.Een vergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van
richtlijn 95/18/EG die is verleend door een bevoegde instantie van een
andere lidstaat aan een aldaar gevestigde spoorwegonderneming, wordt
voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een
bedrijfsvergunning, verleend op grond van artikel 28, eerste lid.
2.Met een bedrijfsvergunning verleend op grond van artikel 28,
eerste lid, worden voorts voor de toepassing van deze wet
gelijkgesteld:
a. de bij ministeriële regeling omschreven documenten die in
het buitenland door het aldaar bevoegde gezag zijn afgegeven en
die in voldoende mate kunnen gelden als bewijs dat ten minste
wordt voldaan aan de in artikel 28, eerste lid, bedoelde eisen;
b. een besluit van Onze Minister waarin ten aanzien van een in
het buitenland gevestigde spoorwegonderneming is verklaard dat ten
minste wordt voldaan aan de in artikel 28, eerste lid, vermelde
eisen.
3.Artikel 29 is van overeenkomstige toepassing op de gelijkstelling
krachtens het tweede lid.
Artikel 31
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels over:
a. de toepassing van de in artikel 28, eerste lid, bedoelde
eisen;
b. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking
van een bedrijfsvergunning;
c. de aan de bedrijfsvergunning te verbinden voorschriften en
beperkingen.
§ 3. Het veiligheidsattest
Artikel 32
1.Onze Minister verleent op aanvraag een veiligheidsattest aan de
houder of de aanvrager van een bedrijfsvergunning, indien deze
aantoont:
a. bij het voorgenomen gebruik van de spoorweg te kunnen
voldoen aan de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde
voorschriften en
b. door toepassing van een adequaat veiligheidszorgsysteem
veilig gebruik te kunnen maken van de spoorweg.
2.Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag. Indien
de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt
Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een
redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
gezien.
Artikel 33
1. Het veiligheidsattest is ten hoogste vijf jaar geldig.
2. De attesthouder past een adequaat veiligheidszorgsysteem toe,
met behulp waarvan wordt gewaarborgd dat de spoorwegonderneming:
a. bij de normale bedrijfsvoering en bij voorzienbare
afwijkingen daarvan geen schade berokkent en niemand onnodig
hindert of in gevaar brengt en zorgt dat het spoorverkeer zo veel
mogelijk zonder verstoringen kan worden afgewikkeld;
b. rekening houdt met de specifieke vereisten wanneer de
normale bedrijfsvoering raakt aan die van andere gebruikers van de
spoorweg of van de beheerder;
c. de aan de bedrijfsvoering verbonden risico's onderkent en
passende maatregelen neemt om deze afdoende te beheersen en
daarbij rekening houdt met de stand der techniek en de binnen de
bedrijfstak aanwezige kennis en richtsnoeren voor een veilige
bedrijfsvoering;
d. procedures vaststelt en hanteert voor het nemen van
corrigerende maatregelen bij afwijkingen en incidenten, alsmede
voor het voortdurend verbeteren van het veiligheidsniveau met het
oog op zich wijzigende omstandigheden en op grond van opgedane
ervaringen;
e. ervoor zorg draagt dat werknemers met een veiligheidsfunctie
met het oog op het behouden van hun geschiktheid, kennis en
bekwaamheid voor de desbetreffende functie de noodzakelijke
oefening hebben en de noodzakelijke nadere of aanvullende
scholing, opleiding en studie volgen.
3. Het veiligheidszorgsysteem is passend voor de aard en de omvang
van de spoorwegonderneming.
4. Aan het veiligheidsattest kunnen beperkingen en voorschriften
worden verbonden in het belang van de veiligheid op en in de directe
nabijheid van de spoorweg.
5. Onze Minister kan het veiligheidsattest schorsen of intrekken:
a. wegens handelen in strijd met dit hoofdstuk;
b. in het belang van de veiligheid op en in de directe
nabijheid van de spoorweg;
c. indien de bedrijfsvergunning van de attesthouder is
geschorst of ingetrokken.
6. Onze Minister kan het veiligheidsattest of de daaraan verbonden
beperkingen en voorschriften ambtshalve of op aanvraag wijzigen, met
inachtneming van het belang van de veiligheid op en in de directe
nabijheid van de spoorweg.
7. Overtreding van de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, is
verboden.
Artikel 34
1.Onze Minister kan aan degene die een veiligheidsattest heeft
aangevraagd of aan de attesthouder die een wijziging van het
veiligheidsattest heeft aangevraagd een proefattest verlenen.
2.Het proefattest wordt verleend met het oog op het opdoen van
ervaring of het testen van procedures of spoorvoertuigen ten behoeve
van verlening of wijziging van een veiligheidsattest.
3.Het proefattest is ten hoogste dertien weken geldig en vervalt
van rechtswege bij de verlening of de wijziging, bedoeld in het tweede
lid. Indien toepassing is gegeven aan artikel 32, tweede lid, tweede
volzin, vervalt het proefattest met ingang van de dag na de laatste
dag van de krachtens die bepaling gestelde termijn.
4.Artikel 33, vierde en vijfde lid, is op het proefattest van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 35
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels ten
aanzien van:
a. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking
van een veiligheidsattest en van een proefattest;
b. de aan een veiligheidsattest en een proefattest te verbinden
voorschriften en beperkingen;
c. de bedrijfsprocessen die ten minste in het
veiligheidszorgsysteem zijn opgenomen.
§ 4. Gebruik, compatibiliteit en interoperabiliteit van
spoorvoertuigen
Artikel 36
1.Het is verboden over een hoofdspoorweg te rijden met een
spoorvoertuig:
a. waarvoor geen geldige EG-keuringsverklaring of geldig
goedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 37 is afgegeven;
b. dat niet voldoet aan de toepasselijke technische
specificaties of eisen, bedoeld in artikel 47;
c. dat storingen, buitensporige slijtage of schade aan de
desbetreffende spoorweginfrastructuur kan veroorzaken;
d. dat niet beschikt over de eigenschappen die noodzakelijk
zijn om veilig gebruik te kunnen maken van de desbetreffende
spoorweginfrastructuur.
2.Met een EG-keuringsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt
gelijkgesteld een zodanige verklaring afgegeven met inachtneming van
richtlijn 2001/16/EG onderscheidenlijk 96/48/EG door de bevoegde
instantie van een andere lidstaat.
3.Met een goedkeuringscertificaat als bedoeld in het eerste lid,
voorzover afgegeven op basis van het Verdrag wordt gelijkgesteld een
zodanig certificaat afgegeven met inachtneming van het Verdrag door de
bevoegde instantie van een andere staat die partij is bij het Verdrag.
4.Tot het bewijs dat een spoorvoertuig is gecontroleerd op het
voldoen aan de regels, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a,
is een geldig inzetcertificaat vereist, afgegeven door Onze Minister,
de beheerder gehoord.
5.Onze Minister, de beheerder gehoord, kan het certificaat, bedoeld
in het vierde lid, wijzigen of intrekken indien niet langer aan de
regels, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a, wordt voldaan.
6.Het certificaat, bedoeld in het vierde lid, kan onder
voorschriften of beperkingen worden afgegeven.
7.Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van
spoorvoertuigen worden aangewezen, waarop het vierde lid niet van
toepassing is.
Artikel 37
1.Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 36, eerste lid,
wordt afgegeven indien:
a. het spoorvoertuig dan wel de uitrusting daarvan voldoet aan
de toepasselijke technische specificaties inzake
interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van
richtlijn 2001/16/EG, respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van
richtlijn 96/48/EG en
b. ten aanzien van het spoorvoertuig of de uitrusting daarvan
een conformiteitsverklaring als bedoeld in richtlijn 2001/16/EG,
bijlage VI, punt 3, respectievelijk in richtlijn 96/48/EG, bijlage
VI, punt 3, is afgegeven door een keuringsinstantie.
2.Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 36, eerste
lid, wordt afgegeven, indien het spoorvoertuig of de uitrusting
daarvan voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
gestelde eisen.
Artikel 37a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Onze Minister verleent op aanvraag een vergunning voor
indienststelling of een aanvullende vergunning voor indienststelling
voor een type indien hij voor een spoorvoertuig van dat type een
dergelijke vergunning heeft verleend.
2. Onze Minister verleent in afwijking van artikel 36, derde en
vijfde lid, een vergunning voor indienststelling respectievelijk een
aanvullende vergunning voor indienststelling, indien het spoorvoertuig
overeenstemt met een type dat voorzien is van een geldige dergelijke
vergunning.
3. Onze Minister kan de vergunning voor indienststelling voor een
type respectievelijk de aanvullende vergunning voor indienststelling
voor een type intrekken,indien het type niet langer voldoet aan de
krachtensartikel 36 geldende eisen.
4. De overeenstemming met een type blijkt uit een verklaring van
overeenstemming die voldoet aan de daartoe bij regeling van Onze
Minister gestelde voorschriften.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over het onderzoek naar de overeenstemming van de productie
van het spoorvoertuig waarvoor een vergunning voor indienststelling
respectievelijk aanvullende vergunning voor indienststelling van het
type is verleend, met dat type.
Artikel 37b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Het is een spoorwegonderneming verboden om met een verbeterd of
vernieuwd spoorvoertuig dat volledig in het register, bedoeld in
artikel 37, tweede lid, is ingeschreven, van
hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken zonder:
a. voorafgaande indiening van een informatiedossier als bedoeld
in het tweede lid, en
b. een vergunning dan wel nieuwe vergunning voor
indienststelling, indien Onze Minister die krachtens het derde
lid, heeft geëist.
2. Degene die de verbetering of vernieuwing bij een spoorvoertuig
aanbesteedt dient bij Onze Minister een informatiedossier in, waarin
het project beschreven wordt.
3. Onze Minister eist op basis van het informatiedossier, bedoeld
in het tweede lid, een vergunning voor indienststelling
respectievelijk een nieuwe vergunning voor indienststelling indien de
omvang van de voorgenomen verbetering of vernieuwing, de mogelijke
gevolgen voor de veiligheid van een betrokken subsysteem of de
gevolgen voor de verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de
hoofdspoorweginfrastructuur dat noodzakelijk maakt of maken.
4. Artikel 36, derde, vierde en tiende lid, en het krachtens tiende
lid van dat artikel bepaalde zijn van toepassing, met dien verstande
dat die leden van dat artikel toepassing vinden op de verbetering of
vernieuwing.
5. Onze Minister kan op aanvraag, op andere gronden dan genoemd in
artikel 9, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG en met inachtneming
van artikel 20 van die richtlijn, een of meer voor het betrokken
subsysteem vastgestelde technische specificaties inzake
interoperabiliteit buiten toepassing laten.
6. Onze Minister eist op basis van het informatiedossier, bedoeld
in het tweede lid, indien het spoorvoertuig niet volledig in het
register, bedoeld inartikel 37, tweede lid, is ingeschreven, een
aanvullende vergunning voor indienststelling respectievelijk nieuwe
aanvullende vergunning voor indienststelling, indien de gevolgen van
de de verbetering of vernieuwing voor de verenigbaarheid van het
spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur dat noodzakelijk
maken.
7. Artikel 36, vijfde lid, is van toepassing, met dien verstande
dat het slechts toepassing vindt op de verbetering of vernieuwing.
8. Het is verboden van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken
met een verbeterd of vernieuwd spoorvoertuig dat niet volledig in het
register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven, zonder:
a. zonder voorafgaande indiening van een informatiedossier als
bedoeld in het tweede lid, en
b. een aanvullende vergunning voor indienststelling of nieuwe
aanvullende vergunning voor indienststelling, indien Onze Minister
die krachtens het zesde lid heeft geëist.
9. Het voldoen van de verbetering of vernieuwing bij een
spoorvoertuig aan artikel 36, derde lid, onderdelen a tot en met c en
e, blijkt uit een geldige verklaring van een aangemelde instantie of
van een keuringsinstantie.
Artikel 38
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels of
nadere regels gesteld over:
a. de compatibiliteit van spoorvoertuigen met de
spoorweginfrastructuur, bedoeld in artikel 36, eerste lid,
onderdelen c en d;
b. de aanvraag, afgifte, wijziging, intrekking, vorm of inhoud
van de EG-keuringsverklaringen, de goedkeuringscertificaten en de
inzetcertificaten, bedoeld in artikel 36, en de aan die
certificaten te verbinden voorschriften of beperkingen, alsmede
over het registreren of bewaren van gegevens of documenten over de
aanvraag, afgifte, wijziging of intrekking;
c. het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van
spoorvoertuigen of uitrusting daarvan, waarvoor een goedkeuring
van het type is verleend, met het goedgekeurde type.
2.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het eerste lid, kunnen in het belang van de veiligheid of de
interoperabiliteit van het verkeer over hoofdspoorwegen aanvullende
technische specificaties worden gesteld op de technische
specificaties, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdelen a en b.
Artikel 39
1.Het is verboden de ingevolge richtlijnen 2001/16/EG of 96/48/EG
dan wel het Verdrag dan wel krachtens deze wet als zodanig aangewezen
onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan als zodanig in de
handel te brengen of te gebruiken, indien ten aanzien daarvan niet
zijn afgegeven:
a. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid
voor gebruik als bedoeld in artikel 10 van richtlijn 2001/16/EG;
b. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid
voor gebruik als bedoeld in artikel 10 van richtlijn 96/48/EG of
c. geldige goedkeuringscertificaten.
2.Met een EG-verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a
of b, wordt gelijkgesteld een zodanige verklaring afgegeven met
inachtneming van richtlijn 2001/16/EG onderscheidenlijk 96/48/EG door
de bevoegde instantie van een andere lidstaat.
3.Met een goedkeuringscertificaat als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, voorzover afgegeven op basis van het Verdrag wordt
gelijkgesteld een zodanig certificaat afgegeven met inachtneming van
het Verdrag door de bevoegde instantie van een andere staat die partij
is bij het Verdrag.
Artikel 40
1.Een EG-verklaring als bedoeld in artikel 39, eerste lid,
onderdelen a of b, wordt afgegeven indien:
a. de desbetreffende onderdelen voldoen aan de toepasselijke
technische specificaties inzake interoperabiliteit als bedoeld in
artikel 2, onderdeel g, van richtlijn 2001/16/EG, respectievelijk
artikel 2, onderdeel g, van richtlijn 96/48/EG;
b. de toetsing van onderdeel a is uitgevoerd door een
keuringsinstantie, respectievelijk door een keuringsinstantie
voorzover de technische specificaties dit vereisen.
2.Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 39, eerste
lid, onderdeel c, wordt afgegeven indien de desbetreffende onderdelen
voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
gestelde eisen.
3.Indien met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
onderdelen, andere EG-richtlijnen bestaan ten aanzien van andere
aspecten dan geregeld in bedoelde technische specificaties, vermelden
de verklaringen, bedoeld in dat lid, tevens of deze onderdelen aan die
andere EG-richtlijnen voldoen.
Artikel 41
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels of
nadere regels gesteld over:
a. de aanvraag, afgifte, vorm en inhoud van de EG-verklaringen
en de goedkeuringscertificaten, bedoeld in artikel 39, alsmede
over het registreren of bewaren van gegevens of documenten over de
aanvraag en afgifte;
b. het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van
als zodanig aangewezen onderdelen van spoorvoertuigen of
uitrusting daarvan, waarvoor een goedkeuring van het type is
verleend, met het goedgekeurde type.
2.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het eerste lid, kunnen in het belang van de veiligheid of de
interoperabiliteit van het verkeer over de hoofdspoorwegen aanvullende
technische specificaties worden gesteld op de technische
specificaties, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdelen a en b.
Artikel 42
1.Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel
36, eerste lid, af te geven indien niet is voldaan aan artikel 37.
2.Het is verboden een EG-verklaring als bedoeld in artikel 39,
eerste lid, onderdelen a of b, af te geven indien niet is voldaan aan
artikel 40, eerste en derde lid.
Artikel 43
1.De fabrikant van onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting
daarvan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b, en
zijn in Nederland gevestigde gemachtigde die in strijd met artikel 42,
tweede lid, een EG-verklaring als daar bedoeld voor die onderdelen
hebben afgegeven, zijn verplicht op eerste vordering van Onze Minister
en binnen een door deze te stellen termijn het verzuim te herstellen.
Zij zijn verplicht de daarbij door Onze Minister gegeven aanwijzingen
op te volgen.
2.Indien de fabrikant of zijn in Nederland gevestigde gemachtigde
niet voldoet aan het eerste lid, neemt Onze Minister met toepassing
van artikel 12 van richtlijn 2001/16/EG of van richtlijn 96/48/EG
maatregelen om het in de handel brengen van het betrokken onderdeel te
beperken, te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
Artikel 44
Indien Onze Minister vaststelt dat een onderdeel van een
spoorvoertuig of uitrusting daarvan als bedoeld in artikel 39, eerste
lid, ondanks het feit dat ten aanzien daarvan een EG-verklaring als
bedoeld in artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b, is afgegeven en
ondanks het feit dat dit onderdeel overeenkomstig zijn bestemming wordt
gebruikt, de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorwegen of
interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn
96/48/EG of van richtlijn 2001/16/EG in gevaar brengt, neemt hij met
toepassing van de artikelen 12 van deze richtlijnen maatregelen om het
toepassingsgebied van dit onderdeel te beperken, het gebruik ervan te
verbieden of het uit de handel te doen nemen.
Artikel 45
De spoorwegonderneming die een krachtens deze wet goedgekeurd
spoorvoertuig gebruikt, doet overeenkomstig bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels onverwijld mededeling van:
a. een ernstige beschadiging van het spoorvoertuig, zodanig dat
het spoorvoertuig niet op eenvoudige wijze in een toestand kan
worden gebracht, dat het rijdend vervoerd kan worden zonder de
veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorweg in gevaar te brengen;
b. wijzigingen in constructie, inrichting of uitrusting van het
spoorvoertuig ten opzichte van de feitelijke situatie bij de
goedkeuring;
c. de wijziging van eigenaar of houder van dat voertuig of de
definitieve buitengebruikstelling daarvan.
Artikel 46
1.Onze Minister, de beheerder gehoord, kan ontheffing verlenen van
het verbod, bedoeld in artikel 36, eerste lid.
2.Aan een ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden
verbonden in het belang van een veilig en ongestoord gebruik van
hoofdspoorwegen.
3.Overtreding van de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, is
verboden.
Artikel 47
1.De spoorwegonderneming of de houder van een spoorvoertuig draagt
er zorg voor dat de door hen gebruikte spoorvoertuigen, de uitrusting
en de als zodanig aangewezen onderdelen daarvan tijdens het gebruik in
het verkeer over de hoofdspoorwegen bij voortduring blijven voldoen
aan:
a. de toepasselijke technische specificaties inzake
interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van
richtlijn 2000/16/EG, respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van
richtlijn 96/48/EG;
b. de eisen, bedoeld in de artikelen 37, tweede lid, 38, eerste
lid, onderdeel a, of tweede lid, 40, tweede lid, of 41, tweede
lid.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder houder van een
spoorvoertuig verstaan degene die als eigenaar of anderszins
beschikkingsbevoegde dit voertuig duurzaam als transportmiddel
exploiteert.
Artikel 48
1.Het is verboden onderhoud en herstel van spoorvoertuigen die van
hoofdspoorwegen gebruik maken te laten uitvoeren door anderen dan
daartoe door Onze Minister erkende natuurlijke personen of
rechtspersonen.
2.Een erkenning wordt op aanvraag verleend indien:
a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van de
rechtspersoon beschikken over een met het oog op de erkenning
verleende verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28
van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens dan wel
voldoen aan gelijkwaardige eisen van betrouwbaarheid;
b. de natuurlijke persoon of de bestuurders van de
rechtspersoon aantonen dat de onderhouds- en herstelwerkzaamheden
met de grootste beroepsintegriteit en vakbekwaamheid worden
uitgevoerd en
c. wordt voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur
gestelde eisen of nadere eisen.
3.De eisen of nadere eisen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c,
kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de voor het onderhoud of herstel beschikbare ruimte en de
gebruikte apparatuur;
b. de deskundigheid van de met het onderhoud of herstel belaste
personen en
c. het proces dat bij het onderhoud of herstel wordt toegepast.
4.Onze Minister kan de erkenning, bedoeld in het tweede lid, onder
beperkingen verlenen en daaraan voorschriften verbinden met betrekking
tot de uit te voeren werkzaamheden.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over het onderhoud alsmede over de aanvraag en het
verlenen van een erkenning.
6.Onze Minister trekt een erkenning in:
a. op verzoek van degene aan wie deze is verleend;
b. indien degene, aan wie deze is verleend, niet langer voldoet
aan de eisen, bedoeld in het tweede lid.
§ 5. Personeel
Artikel 49
1. Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een
veiligheidsfunctie anders dan die van machinist met volledige
bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefenen,
voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de
uitoefening van die functie gestelde eisen inzake:
a. minimumleeftijd;
b. medische en psychologische geschiktheid;
c. algemene kennis, bekwaamheid en ervaring, en
d. taalbeheersing.
2. Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de
veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van
machinist met beperkte bevoegdheid uitoefenen, voldoen aan de bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitoefening van die
functie gestelde eisen inzake:
a. minimumleeftijd;
b. medische en psychologische geschiktheid;
c. algemene kennis en vaardigheden;
d. specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de
hoofdspoorweginfrastructuur waarop een bevoegdheidsbewijs
betrekking kan hebben, en
e. taalbeheersing.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de in het eerste
lid en tweede lid bedoelde eisen wordt voldaan.
Artikel 50
1. Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een
veiligheidsfunctie anders dan die van machinist met volledige
bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent,
beschikt, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
uitzonderingen, over:
a. één of meer beoordelingen door Onze Minister waaruit
blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, eerste lid,
voor de desbetreffende veiligheidsfunctie vastgestelde eisen
inzake algemene kennis, bekwaamheid en ervaring en een geldige
verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van
psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister
erkend keuringsinstituut, of
b. een geldige erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld
in artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties.
2. Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de
veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van
machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent, beschikt over:
a. één of meer beoordelingen van Onze Minister waaruit blijkt
dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, voor de
desbetreffende veiligheidsfunctie vastgestelde eisen inzake
algemene kennis en vaardigheden en een geldige verklaring van
medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische
geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister erkend
keuringsinstituut, of
b. een geldige machinistenvergunning die in een andere lidstaat
van de Europese Unie is afgegeven.
3. Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de
veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van
machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent beschikt over een geldige
machinistenvergunning en een geldig bevoegdheidsbewijs dat betrekking
heeft op de spoorvoertuigen waarmee en op de
hoofdspoorweginfrastructuur waarvan gebruik wordt gemaakt.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over de afgifte, de inhoud en de geldigheid van de in
het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, onderdeel a bedoelde
beoordelingen en verklaringen alsmede over de erkenning van
keuringsinstituten.
Artikel 51
1. Degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem
een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend verschaft, behoudens bij
algemene maatregel van bestuur omschreven uitzonderingen, aan degene
die de betrokken functie uitoefent, die beschikt over de in artikel
50, eerste lid, bedoelde documenten en die naar zijn oordeel beschikt
over de voor de uitoefening van die functie vereiste specifieke,
taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid, een
bedrijfspas.
2. De bedrijfspas voldoet aan de bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur gestelde eisen.
3. Het eerste lid geldt niet voor een persoon die binnen het
hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met
volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid
uitoefent en aan wie degene onder wiens gezag die veiligheidsfunctie
wordt uitgeoefend een bevoegdheidsbewijs heeft verstrekt.
4. De houder van een bedrijfspas en de houder van een
bevoegdheidsbewijs als bedoeld in het derde lid zijn verplicht die pas
onderscheidenlijk dat bewijs op eerste vordering te tonen aan de
krachtens de artikelen 69 en 86 met het toezicht op de naleving
onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten belaste personen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over:
a. de voor de uitoefening van veiligheidsfuncties vereiste
specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en
bekwaamheid;
b. de geldigheidsduur van bedrijfspassen.
Artikel 51a
1. Onze Minister verleent op aanvraag een machinistenvergunning
indien de machinist:
a. voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid,
vastgestelde eisen inzake minimumleeftijd;
b. beschikt over een geldige verklaring van medische
geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische
geschiktheid als bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a,
en
c. beschikt over een geldige beoordeling van Onze Minister
waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede
lid, vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden
voor de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid
respectievelijk van machinist met beperkte bevoegdheid.
2. Onze Minister schorst of trekt de machinistenvergunning in,
indien de machinist niet langer beschikt over een geldige verklaring
van medische geschiktheid of een geldige verklaring van psychologische
geschiktheid.
3. Onze Minister houdt een register van machinistenvergunningen.
4. Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist met
volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt
uitgeoefend, verstrekt aan een machinist een bevoegdheidsbewijs indien
deze:
a. voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid,
vastgestelde eisen inzake taalbeheersing;
b. beschikt over een geldige beoordeling van Onze Minister
waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede
lid, vastgestelde eisen inzake specifieke vakkennis van de
spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop het
bevoegdheidsbewijs betrekking moet hebben, en
c. beschikt over de voor de uitoefening van die functie
vereiste bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid.
5. Degene die een of meer bevoegdheidsbewijzen heeft verstrekt
houdt een register van bevoegdheidsbewijzen.
6. Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist met
volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt
uitgeoefend onderzoekt periodiek of de machinist voldoet aan:
a. de voor die veiligheidsfunctie krachtens artikel 49, tweede
lid, vastgestelde eisen inzake taalbeheersing;
b. de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen
inzake de specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de
hoofdspoorweginfrastructuur waarop het bevoegdheidsbewijs
betrekking heeft, en
c. aan de voor die veiligheidsfunctie vereiste bedrijfsgebonden
kennis en bekwaamheid.
7. Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist
wordt uitgeoefend verstrekt bij de beëindiging van het dienstverband
van de machinist een gewaarmerkte kopie van het op dat moment geldige
bevoegdheidsbewijs.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gegeven voor:
a. de aanvraag, verlening, geldigheidsduur en verlenging van
een machinistenvergunning;
b. de verstrekking van een duplicaat van een
machinistenvergunning;
c. het register van machinistenvergunningen, bedoeld in het
derde lid;
d. de vorm, inhoud en geldigheidsduur van een
bevoegdheidsbewijs en de verstrekking van een gewaarmerkte kopie
daarvan;
e. het register van bevoegdheidsbewijzen, bedoeld in vijfde
lid;
f. de frequentie van het onderzoek, bedoeld in het zesde lid;
g. de verplichtingen van degene die de bevoegdheidsbewijzen
heeft verstrekt, en
h. de voor de veiligheidsfunctie van machinist met volledige
bevoegdheid en van machinist met beperkte bevoegdheid vereiste
bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid.
Artikel 51b
1. Opleidingactiviteiten met het oog op het verkrijgen van een of
meer beoordelingen waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de krachtens
artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake algemene kennis en
vaardigheden en specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de
hoofdspoorweginfrastructuur worden slechts verricht door daartoe door
Onze Minister erkende opleidingsinstituten.
2. Een krachtens het eerste lid, erkend opleidingsinstituut geeft
op billijke en non-discriminatoire wijze toegang tot de
opleidingsactiviteiten, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met
inachtneming van artikel 20 van richtlijn 2007/59/EG regels gegeven
voor de erkenning van de opleidingsinstituten, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 52
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met het oog
op de veiligheid, regels worden gesteld over de bedrijfsvoering en de
organisatiestructuur van degene onder wiens gezag binnen het
hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend.
Artikel 53
Het is verboden een veiligheidsfunctie binnen het
hoofdspoorwegverkeerssysteem te doen uitoefenen door een persoon:
a. die niet beschikt over de in artikel 50, eerste lid, bedoelde
documenten;
b. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet
voldoet aan de voor de uitoefening van de functie gestelde eisen als
bedoeld in artikel 49.
Artikel 54
Degene onder wiens gezag een persoon die binnen het
hoofdspoorwegverkeerssysteem een functie, niet zijnde een
veiligheidsfunctie, uitoefent die van invloed kan zijn op de veiligheid
van het verkeer over hoofdspoorwegen, draagt er zorg voor dat die
persoon daartoe geschikt is en de nodige kennis en bekwaamheid bezit.
§ 6. De verzekeringsplicht
Artikel 55
1.De spoorwegonderneming die van de hoofdspoorweg gebruik maakt, is
verplicht ter zake van dat gebruik een verzekering te sluiten en in
stand te houden, waarmee haar uit wettelijke aansprakelijkheid
voortvloeiende financiële risico's voldoende zijn gedekt.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld
waarboven de verzekeringsplicht zich niet uitstrekt. Afzonderlijke
bedragen kunnen worden bepaald naar gelang van onder meer de aard van
de gebeurtenis, de aard van de schade, de grond van de
aansprakelijkheid en de aard van de onderneming.
3.Artikel 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorwegen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 56
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. gerechtigde: gerechtigde als bedoeld in artikel 57;
b. toegangsovereenkomst: toegangsovereenkomst als bedoeld in
artikel 59;
c. kaderovereenkomst: kaderovereenkomst als bedoeld in artikel 17
van richtlijn 2001/14/EG;
d. gebruik van een hoofdspoorweg: het met een spoorvoertuig
rijden over of stilstaan op een hoofdspoorweg;
e. capaciteit: capaciteit van de hoofdspoorweginfrastructuur;
f. netverklaring: netverklaring als bedoeld in richtlijn
2001/14/EG;
g. gebruiksvergoeding: vergoeding als bedoeld in artikel 8 van
richtlijn 91/440/EEG en artikel 4 van richtlijn 2001/14/EG.
Artikel 57
Gerechtigd tot het sluiten van een toegangsovereenkomst en een
kaderovereenkomst met de beheerder zijn:
a. spoorwegondernemingen en hun internationale
samenwerkingsverbanden als bedoeld in artikel 3 van richtlijn
91/440/EEG die in het bezit zijn van een bedrijfsvergunning of deze
hebben aangevraagd, voorzover zij daarmee gerechtigd zijn van de
hoofdspoorwegen gebruik te maken op de wijze waarvoor zij de
overeenkomst willen sluiten;
b. concessieverleners als bedoeld in artikel 20 van de Wet
personenvervoer 2000 ten behoeve van openbaar vervoer per trein;
c. andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen bestuursorganen, personen of rechtspersonen.
§ 2. Netverklaring
Artikel 58
1.De beheerder stelt jaarlijks, na overleg met betrokken
gerechtigden, een netverklaring op.
2.De netverklaring bevat de gegevens, bedoeld in artikel 3 en
bijlage I van richtlijn 2001/14/EG, en voorts ten minste:
a. informatie over voor bepaalde soorten van gebruik
voorbehouden capaciteit;
b. een zakelijke weergave van de inhoud van de geldende
kaderovereenkomsten;
c. een prognose omtrent de ontwikkeling van de capaciteit;
d. alle overige relevante informatie voor het gebruik van de
capaciteit.
3.Met inachtneming van artikel 3, vierde lid, van richtlijn
2001/14/EG stelt de beheerder de netverklaring tegen vergoeding van
ten hoogste de kostprijs algemeen verkrijgbaar en zendt haar aan de
betrokken spoorwegondernemingen en de raad van bestuur NMa.
4.De beheerder brengt in de netverklaring zo nodig wijzigingen aan.
Met inachtneming van artikel 8, vierde lid, van richtlijn 2001/14/EG
en tegen vergoeding van ten hoogste de kostprijs stelt hij de
gewijzigde netverklaring algemeen verkrijgbaar en doet hij van de
wijzigingen mededeling aan de betrokken spoorwegondernemingen en aan
de raad van bestuur NMa.
§ 3. Toegangsovereenkomst
Artikel 59
1.Een tussen de beheerder en een gerechtigde gesloten overeenkomst
over het gebruik van capaciteit bevat in elk geval bedingen over:
a. de door de beheerder te bieden kwaliteit van de
hoofdspoorweginfrastructuur;
b. de gebruiksvergoeding.
2.In de overeenkomst wordt uitgesloten dat overeengekomen
capaciteit kan worden overgedragen aan of gebruikt door een ander dan
een gerechtigde.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de
overeenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 231 van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek worden vastgesteld. In dat geval wordt in
de overeenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.
§ 4. Kaderovereenkomst
Artikel 60
1.Een tussen de beheerder en een gerechtigde gesloten
kaderovereenkomst voldoet aan artikel 10, vijfde lid, van richtlijn
91/440/EEG en artikel 17 van richtlijn 2001/14/EG.
2.In een kaderovereenkomst wordt uitgesloten dat overeengekomen
capaciteit kan worden overgedragen aan of gebruikt door een ander dan
een gerechtigde.
3.Een kaderovereenkomst met een geldigheidsduur van meer dan vijf
jaar behoeft de voorafgaande instemming van de raad van bestuur NMa.
4.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de
kaderovereenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 231 van
Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden vastgesteld. In dat geval
wordt in de kaderovereenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.
§ 5. Algemene regels over de verdeling van capaciteit
Artikel 61
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de verdeling van capaciteit. Die regels kunnen strekken
ter bescherming van het milieu.
2.Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
worden minimale niveaus van capaciteit vastgesteld voor daarbij
aangegeven deelmarkten van het goederenvervoer en het personenvervoer
en worden regels gesteld over de prioriteitscriteria, bedoeld in
artikel 22, derde tot en met vijfde lid, van richtlijn 2001/14/EG.
3.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het eerste lid, wordt bepaald in welke gevallen capaciteit tot een
bepaald tijdstip is voorbehouden voor bepaalde soorten gebruik van de
hoofdspoorwegen en vanaf welk tijdstip deze capaciteit beschikbaar is
voor ander gebruik.
4.De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
§ 6. Gebruiksvergoeding
Artikel 62
1.Behoudens het tweede, derde en vijfde lid bedragen de begrote
opbrengsten van de gebruiksvergoeding niet meer dan de begrote kosten
ter zake van de desbetreffende hoofdspoorweginfrastructuur in dat jaar
voor de beheerder.
2.Met betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
hoofdspoorweginfrastructuur kan een gebruiksvergoeding worden
overeengekomen die mede strekt ter dekking van door een ander dan de
beheerder gedane uitgaven voor de aanleg van die infrastructuur.
3.Er kan een verhoging worden overeengekomen voor het gebruik van
overbelaste hoofdspoorweginfrastructuur gedurende periodes van
overbelasting en voor de kosten van milieueffecten van het gebruik van
hoofdspoorweginfrastructuur die niet in de begrote kosten van de
beheerder zijn opgenomen.
4.Er kan een korting als bedoeld in artikel 9 van richtlijn
2001/14/EG worden overeengekomen.
5.Er kan een aftrek dan wel bijtelling worden overeengekomen in
verband met optredende verstoringen en met het oog op verbetering van
de prestaties van het spoorwegnet.
6.Er kan worden overeengekomen dat de gebruiksvergoeding ook
verschuldigd is voor overeengekomen capaciteit die niet wordt
gebruikt.
7.De overeengekomen gebruiksvergoeding voldoet aan de artikelen 4,
vierde en vijfde lid, 7 tot en met 12 en 26, derde lid, van richtlijn
2001/14/EG.
8.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de maatstaven en nadere regels over de hoogte van
de gebruiksvergoeding.
9.De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 63
1. Onderhandelingen tussen een gerechtigde en de beheerder
betreffende de hoogte van de gebruiksvergoeding zijn niet toegestaan
dan na een melding aan en onder toezicht van de raad van bestuur NMa.
2. De raad van bestuur NMa legt, indien de onderhandelingen naar
zijn oordeel in strijd zijn met richtlijn 2001/14/EG, aan de
overtreder zo nodig een last onder dwangsom op. Aan de last kunnen
voorschriften worden verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan
de raad van bestuur NMa. De artikelen 54a, 62 en 65 van de
Mededingingswet zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 7. Nadere bepalingen inzake het gebruik van hoofdspoorwegen
Artikel 64
1.De beheerder bevordert dat werkzaamheden aan en nabij de
hoofdspoorweg veilig plaatsvinden. Werkzaamheden aan of nabij de
hoofdspoorweg, waardoor veilig en ongestoord rijden of stilstaan met
spoorvoertuigen niet mogelijk is, worden slechts uitgevoerd, indien
het betrokken gedeelte van de hoofdspoorweg door de beheerder buiten
dienst is gesteld.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over het verrichten van werkzaamheden aan of nabij de
hoofdspoorweg.
Artikel 65
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met het
oog op een veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen regels
gesteld. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. aard, uitvoering, plaatsing, bediening en betekenis van
seinen;
b. bewegingen met spoorvoertuigen;
c. het rijden met spoorvoertuigen op de openbare weg;
d. het gebruik van overwegen en overpaden;
e. verplichtingen – in verband met storingen, ongevallen,
incidenten en andere onregelmatigheden – van
spoorwegondernemingen, bestuurders van een spoorvoertuig en andere
personen die deelnemen aan het verkeer over de hoofdspoorweg.
2.Een ieder die zich op de hoofdspoorweg bevindt, neemt de voor hem
bestemde seinen in acht.
§ 8. Onderzoek van ongevallen, incidenten en onregelmatigheden op
hoofdspoorwegen
Artikel 66
1.Onze Minister kan onderzoek verrichten naar de oorzaken van
ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen en naar andere
onregelmatigheden in de afwikkeling van het spoorverkeer waardoor de
veiligheid van het spoorverkeer of van daarbij betrokken personen in
gevaar is gebracht of in gevaar gebracht had kunnen worden, indien hij
dit onderzoek nodig acht ter evaluatie van de wettelijke voorschriften
en het beleid op het terrein van de veiligheid van het spoorverkeer.
2.Ten behoeve van het onderzoek hebben de door Onze Minister
aangewezen ambtenaren jegens spoorwegondernemingen en de beheerder de
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:15 tot en met 5:19 van de
Algemene wet bestuursrecht. De artikelen 5:12, 5:13 en 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Onze Minister onthoudt zich van het onderzoek naar de oorzaken
van ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen voorzover de
Onderzoeksraad voor veiligheid naar het betreffende voorval een
onderzoek instelt.
Hoofdstuk 5. Toegang tot bijkomende diensten en voorzieningen
Artikel 67
1.Een rechthebbende ten aanzien van een dienst als bedoeld in
artikel 10, zesde lid, van richtlijn 91/440/EEG ten behoeve van
spoorwegactiviteiten als bedoeld in dat lid, ten aanzien van een
voorziening of dienst als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage II bij
richtlijn 2001/14/EG of ten aanzien van een bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen, voor het verrichten van vervoer via spoorwegen
noodzakelijke voorziening of dienst doet een spoorwegonderneming die
daarom verzoekt een redelijk aanbod voor het ter beschikking stellen
van die dienst of voorziening tegen kostengeoriënteerde tarieven en
onder voorwaarden die de mededinging niet beperken.
2.De rechthebbende onthoudt zich van iedere vorm van discriminatie
tussen degenen jegens wie de in het eerste lid bedoelde verplichting
geldt.
3.Op de grondslag van hetgeen ingevolge het eerste lid is
overeengekomen, stelt de rechthebbende de dienst of voorziening ter
beschikking. De rechthebbende mag slechts weigeren om de voorziening
ter beschikking te stellen, indien de spoorwegonderneming onder
marktvoorwaarden op een voor haar haalbare andere wijze kan voorzien
in de behoefte die ten grondslag ligt aan haar verzoek.
4.Indien de beheerder rechthebbende is ten aanzien van een dienst
als bedoeld in onderdeel 3 van bijlage II bij richtlijn 2001/14/EG,
zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing op
een zodanige dienst.
5.Indien er in Nederland slechts één rechthebbende is ten aanzien
van een dienst als bedoeld in onderdeel 3 of 4 van bijlage II bij
richtlijn 2001/14/EG, zijn, onverminderd het vierde lid, het eerste en
tweede lid en het derde lid, eerste volzin, van overeenkomstige
toepassing op een zodanige dienst.
Artikel 68
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over
de kostenoriëntatie, bedoeld in artikel 67, eerste lid, en nadere
regels ter waarborging van de toegang, op een niet-discriminerende
grondslag, tot diensten en voorzieningen als bedoeld in dat artikel. Die
nadere regels kunnen in elk geval inhouden dat de rechthebbende:
a. jaarlijks bekendmaakt:
1°. een indicatie van de tarieven en voorwaarden die hij
voornemens is te hanteren voor het ter beschikking stellen van
de dienst of voorziening aan spoorwegondernemingen;
2°. een overzicht van de verwachte beschikbaarheid in het
volgende kalenderjaar van de dienst of voorziening;
b. voor de dienst of voorziening een afzonderlijke boekhouding
voert en deze ter inzage legt.
Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen
§ 1. Toezicht
Artikel 69
1.Behoudens artikel 70, tweede lid, aanhef en onder a, zijn met het
toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet
belast de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen personen.
2.Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat een aanduiding
van de voorschriften op naleving waarvan toezicht wordt gehouden.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
§ 2. De Nederlandse Mededingingsautoriteit
Artikel 70
1.De raad van bestuur NMa is de toezichthoudende instantie, bedoeld
in artikel 10, zevende lid, van richtlijn 91/440/EEG en de artikelen
30 en 31 van richtlijn 2001/14/EG.
2.De bij besluit van de raad van bestuur NMa aangewezen ambtenaren
van deze autoriteit zijn belast met:
a. voor de toepassing van het eerste lid: het toezicht op de
naleving van het bepaalde krachtens artikel 17, eerste lid,
onderdeel d, en het bepaalde bij of krachtens de artikelen 27,
eerste lid, 57 tot en met 63, 67, 68 en 95, eerste volzin;
b. voor de toepassing van het eerste lid en artikel 71: het
onderzoek, bedoeld in artikel 1 van de Mededingingswet.
3.Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4.Op het tweede lid, onderdeel a, is artikel 51 van de
Mededingingswet van toepassing. Op het tweede lid, onderdeel b, zijn
de artikelen 52, tweede lid, en 53 tot en met 55 van de
Mededingingswet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 71
1. Een gerechtigde als bedoeld in artikel 57 of een andere
belanghebbende kan de raad van bestuur NMa schriftelijk verzoeken om
te onderzoeken of de beheerder, een spoorwegonderneming of een
rechthebbende als bedoeld in artikel 67 of 95 de verzoeker oneerlijk
heeft behandeld, heeft gediscrimineerd of anderszins heeft benadeeld
als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van richtlijn 91/440/EEG of
artikel 30, tweede lid, van richtlijn 2001/14/EG.
2. Een partij bij een toegangsovereenkomst of een kaderovereenkomst
als bedoeld in hoofdstuk 4 kan de raad van bestuur NMa schriftelijk
verzoeken om een oordeel over het gedrag van de wederpartij.
3. De raad van bestuur NMa geeft zijn oordeel over de klacht
uiterlijk twee maanden na ontvangst van de gegevens en bescheiden die
voor zijn oordeel nodig zijn.
4. Indien de raad van bestuur NMa van oordeel is dat de klacht
gegrond is, legt hij zo nodig een last onder dwangsom op.
5. Aan een last als bedoeld in het vierde lid kunnen voorschriften
worden verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de raad van
bestuur NMa. De artikelen 54a en 65 van de Mededingingswet zijn van
overeenkomstige toepassing.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot ten behoeve van het onderzoek te verstrekken
gegevens en bescheiden, alsmede met betrekking tot de termijnen voor
het verstrekken van de gegevens en bescheiden.
Artikel 72
1. De raad van bestuur NMa en de krachtens artikel 70, tweede lid,
aangewezen ambtenaren gebruiken de gegevens of inlichtingen die zij
hebben verkregen bij de uitoefening van hun in dat artikel bedoelde
taken, uitsluitend voor de uitoefening van die taken of van de bij of
krachtens de Mededingingswet aan hen opgedragen taken of toegekende
bevoegdheden.
2. Onze Minister kan desgevraagd aan de raad van bestuur NMa de
voor de uitoefening van diens taak benodigde gegevens of inlichtingen
verstrekken.
Artikel 73 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 74
Indien door Onze Minister vast te stellen beleidsregels betrekking
hebben op de interpretatie van mededingingsbegrippen stelt Onze Minister
die beleidsregels vast in overeenstemming met Onze Minister van
Economische Zaken.
§ 3. Bestuursrechtelijke handhaving
Artikel 75
De raad van bestuur NMa kan aan degene die jegens een krachtens
artikel 70, tweede lid, aangewezen ambtenaar in strijd handelt met
artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, een bestuurlijke boete
opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien het een onderneming of
ondernemingsvereniging als bedoeld in artikel 1 van de Mededingingswet
betreft en indien dat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van de
onderneming, onderscheidenlijk van de gezamenlijke omzet van de
ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar
voorafgaande aan de beschikking. De artikelen 69, tweede lid, 70, 75a,
77, 80 en 82 van de Mededingingswet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 76
1. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde
verplichtingen met uitzondering van de verplichtingen als bedoeld in
het tweede lid.
2. In geval van overtreding van het bepaalde krachtens artikel 17,
eerste lid, onderdeel d, of het bepaalde bij of krachtens de artikelen
27, eerste lid, 57 tot en met 62, 63, eerste lid, 67, 68 en 95, eerste
volzin, kan de raad van bestuur NMa de overtreder:
a. een bestuurlijke boete opleggen;
b. een last onder dwangsom opleggen.
3. Op het tweede lid zijn de artikelen 54a, 57, 58, 59a, 62 en 64
tot en met 68 van de Mededingingswet van overeenkomstige toepassing.
4. Artikel 70b van de Mededingingswet is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 77
1.Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van
overtreding van de artikelen 33, zevende lid, 36, eerste lid, 53, en
96, tweede lid.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 78 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 79 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 80
1. Voor de overtredingen gelden de volgende vaste bedragen van de
bestuurlijke boete:
a. voor overtreding van de artikelen 36, eerste lid, en 53: €
10 000;
b. voor overtreding van artikel 96, eerste lid: € 50 000.
2. Indien de boete wordt opgelegd voor het overtreden van een
bepaling vermeld in het eerste lid is bij de vaststelling van de
hoogte van deze boete de onderstaande categorie-indeling naar omzet
van toepassing met de daarbij behorende factor. De omzet is de omzet
in het kalenderjaar voorafgaand aan de datum van overtreding. De boete
wordt vastgesteld door het in het eerste lid vermelde bedrag te
vermenigvuldigen met de factor behorende bij de onderstaande
omzet-categorie:
– Categorie I: ondernemingen met een omzet van minder dan €
100 000: factor 0,25.
– Categorie II: ondernemingen met een omzet van ten minste
€ 100 000 maar minder dan € 200 000: factor 0,5.
– Categorie III: ondernemingen met een omzet van ten minste
€ 200 000 maar minder dan € 500 000: factor 1.
– Categorie IV: ondernemingen met een omzet van ten minste
€ 500 000 maar minder dan € 1 000 000: factor 2.
– Categorie V: ondernemingen met een omzet van meer dan € 1
000 000: factor 3.
3. Indien de gegevens omtrent de omzet niet aan Onze Minister
beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister aan degene aan wie de
boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te
stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de
gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van
de hoogte van de in het tweede lid bedoelde boete categorie V van
toepassing.
4. De in het eerste en tweede lid vermelde bedragen en factoren
kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.
Artikel 81 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 82 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 83 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 84 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 85 [Vervallen per 01-07-2009]
§ 4. Strafrechtelijke handhaving
Artikel 86
1.Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar
gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, belast de met betrekking tot deze wet krachtens
artikel 17, eerste lid, onderdeel 2°, van de Wet op de economische
delicten aangewezen ambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met
de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot
en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voorzover deze
feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan
of ondernomen door henzelf.
2.Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar
gestelde feiten zijn voorts belast de bij besluit van Onze Minister en
Onze Minister van Justitie tezamen aangewezen personen.
3.Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 87
1.Overtreding van de artikelen 4, vierde lid, 19, 21, 22, eerste
lid, onderdelen c en d, en 51, derde lid, alsmede overtreding van de
krachtens hoofdstuk 2 en de artikelen 64, tweede lid, 65, eerste lid,
en 94 vastgestelde voorschriften, voorzover die overtreding daarbij
uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede
categorie.
2.Overtreding van de artikelen 3, 22, eerste lid, onderdelen a en
b, en 65, tweede lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
drie maanden of geldboete van de derde categorie.
3.Overtreding van artikel 4, eerste, tweede en derde lid, artikel
88, derde lid, artikel 89, tweede, zesde, achtste en negende lid,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
geldboete van de vierde categorie.
4.Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie
uitoefent, wegens overtreding van artikel 4, eerste of tweede lid, kan
hem de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste
vijf jaren worden ontzegd.
5.Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie
uitoefent, wegens overtreding van het bepaalde krachtens deze wet, kan
hem in die gevallen waarin dit bij algemene maatregel van bestuur is
bepaald, de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten
hoogste twee jaar worden ontzegd.
6.De feiten strafbaar gesteld bij dan wel krachtens de in het
eerste en tweede lid bedoelde bepalingen zijn overtredingen. De in het
derde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 88
1.Een van de bij of krachtens artikel 86 van deze wet of artikel
141 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van strafbare
feiten belaste ambtenaren, kan een in artikel 4, eerste lid, bedoelde
persoon van wie, uit het in artikel 4, vierde lid, bedoelde onderzoek
of op andere wijze, naar het oordeel van die ambtenaar gebleken is dat
hij onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een
veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van
zodanige functie toezicht te houden, een verbod opleggen tot het
uitoefenen van die functie of tot het houden van toezicht daarop, voor
de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze
toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uur. De eerste
volzin is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten
maakt een veiligheidsfunctie te gaan uitoefenen dan wel op de
uitoefening van zodanige functie toezicht te houden.
2.De ambtenaar die een verbod als bedoeld in het eerste lid oplegt,
legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de
duur van het verbod bevat.
3.Het is degene aan wie een verbod als bedoeld in het eerste lid is
opgelegd, verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de
uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, gedurende de tijd
waarvoor dat verbod geldt.
Artikel 89
1.Bij verdenking dat een persoon heeft gehandeld in strijd met
artikel 4, eerste, tweede of derde lid, kan de in artikel 88, eerste
lid, bedoelde ambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan
een onderzoek als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a.
2.Degene aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven,
is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd
apparaat en gevolg te geven aan alle door de betrokken ambtenaar ten
dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
3.De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de
verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan
een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen
onwenselijk is.
4.In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de
medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid
ademonderzoek, kan de betrokken ambtenaar de verdachte vragen of hij
zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als
bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b. Gelijke bevoegdheid
heeft de betrokken ambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de
verdachte onder invloed van een andere in artikel 4, eerste lid,
bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.
5.Indien de verdachte zijn op grond van het vierde lid gevraagde
toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een
hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze
Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de
uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een
bloedonderzoek.
6.Degene wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen,
is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te
verlenen. Hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het
onderzoek noodzakelijk is.
7.De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de
verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om
bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
8.De krachtens het zevende lid van de in het zesde lid genoemde
verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan
een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie
of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie
aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, bevolen onderzoek ten einde op andere wijze dan door
bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in artikel 4, eerste lid,
bedoelde stoffen of het in artikel 4, tweede lid, onderdeel b,
genoemde gehalte vast te stellen.
9.Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken,
kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier
van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van
Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid
bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om
bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het
bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is
gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem
overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te
verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is
verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert
zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.
10.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
over de wijze van uitvoering van artikel 4, vierde lid, en van dit
artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid
tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze
Minister van Justitie worden in de bij die algemene maatregel van
bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die
regels vastgesteld.
§ 5. Beroep
Artikel 90
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet, met uitzondering
van besluiten op grond van de artikelen 19 en 21, de rechtbank te
Rotterdam bevoegd.
§ 6. Heffingen
Artikel 91
1.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aan het
betrokken bestuursorgaan een vergoeding verschuldigd is volgens de
daarbij vast te stellen tarieven ter zake van het overeenkomstig deze
wet aanvragen of verstrekken van een bij of krachtens deze wet te
nemen besluit, te verstrekken certificaat of ander document.
2.De hoogte van de krachtens het eerste lid vastgestelde tarieven
wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de vergoedingen
voor het betrokken bestuursorgaan niet uitgaan boven de geraamde
lasten van het betrokken bestuursorgaan ter zake van de behandelingen
van de aanvragen en het verstrekken van de besluiten en documenten,
bedoeld in het eerste lid.
§ 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving
Artikel 92
1.Een wijziging van richtlijn 91/440/EEG, richtlijn 95/18/EG,
richtlijn 2001/14/EG, richtlijn 96/48/EG en richtlijn 2001/16/EG gaat
voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop
aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven,
tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt
bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
2.Onze Minister kan met inachtneming van artikel 7 van richtlijn
96/48/EG dan wel van richtlijn 2001/16/EG een technische specificatie
inzake interoperabiliteit geheel of gedeeltelijk buiten toepassing
verklaren.
§ 8. Aanwijzing van keuringsinstanties
Artikel 93
1.Onze Minister wijst de instanties aan die zijn belast met:
a. de beoordeling van de conformiteit of van de geschiktheid
voor gebruik als bedoeld in de artikelen 13 van de richtlijnen
96/48/EG en 2001/16/EG en de afgifte van de bijbehorende
EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als
bedoeld in de artikelen 10 van deze richtlijnen;
b. de goedkeuring als bedoeld in de artikelen 18 van de
richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG en de afgifte van de
bijbehorende EG-keuringsverklaringen als bedoeld in de artikelen
16 van deze richtlijnen;
c. de afgifte van goedkeuringscertificaten als bedoeld in
artikel 8, tweede lid, onderdeel c;
d. de afgifte van goedkeuringscertificaten als bedoeld in
artikel 36, eerste lid;
e. het onderzoek, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel
c.
2.De instanties, de directeur en het personeel daarvan voldoen ten
minste aan de toepasselijke eisen, neergelegd in bijlage VII van
richtlijn 96/48/EG, respectievelijk richtlijn 2001/16/EG, en aan de
bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.
3.Aan de aanwijzing kunnen voorschriften en beperkingen worden
verbonden.
4.De instanties verrichten hun werkzaamheden met inachtneming van
de toepasselijke bepalingen in bijlage VI van richtlijn 96/48/EG
respectievelijk richtlijn 2001/16/EG en het Besluit nr. 93/465/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 betreffende de
modules voor de verschillende fasen van de
overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het
aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming (PbEG
L 220).
5.De instanties stellen na elk onderzoek een onderzoekscertificaat
op, in voorkomend geval met vermelding van de geldigheidsduur en van
de voorwaarden waaronder het geldig is.
6.Onze Minister trekt de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, in
indien de betrokken instantie niet langer voldoet aan de toepasselijke
eisen van bijlage VII van de desbetreffende richtlijn. Onze Minister
kan de aanwijzing intrekken, indien de betrokken instantie niet langer
voldoet aan bijlage VI van de desbetreffende richtlijn of de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen, bedoeld in het tweede lid.
7.Onze Minister doet mededeling van een aanwijzing of van een
intrekking van een aanwijzing door kennisgeving in de Staatscourant.
§ 9. Bepalingen inzake bijzondere en lokale spoorwegen [Treedt in
werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 94 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op het veilig
gebruik van bijzondere en lokale spoorwegen, ten aanzien van die
spoorwegen regels worden gesteld over:
a. technische eigenschappen van de spoorweginfrastructuur;
b. veiligheidsvoorzieningen en -maatregelen;
c. seingeving;
d. opening van spoorwegbruggen;
e. technische eigenschappen alsmede goedkeuring en toelating tot
het verkeer van spoorvoertuigen;
f. verkeersgedrag en voorwaarden waaronder het gebruik van
spoorwegen is toegestaan;
g. rijvaardigheid en rijbevoegdheid.
Artikel 95 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De rechthebbende ten aanzien van een bijzondere of lokale spoorweg
die onder de werking van de richtlijnen 91/440/EEG, 95/18/EG of
2001/14/EG valt, verleent aan spoorwegondernemingen recht op toegang of
gebruik overeenkomstig de in die richtlijnen opgenomen voorschriften en
overigens tegen eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden.
Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing. De vergunning, bedoeld in
artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 95/18/EG, wordt verleend door Onze
Minister met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 3, paragraaf 2.
§ 10. Informatieplicht van spoorwegondernemingen en de beheerder
Artikel 96
1.Spoorwegondernemingen en de beheerder zijn verplicht Onze
Minister mondeling, schriftelijk of op andere wijze – dit ter keuze
van Onze Minister na overleg met de betrokken spoorwegonderneming of
betrokken beheerder – alle bij hen berustende gegevens te
verstrekken en inzage te geven van boeken en bescheiden die betrekking
hebben op het gebruik of beheer van spoorwegen en het vervoer
daarover, voorzover Onze Minister dat redelijkerwijs voor de
vervulling van zijn taak nodig heeft.
2.Degene van wie krachtens het eerste lid gegevens worden verlangd,
is op de door Onze Minister aan te geven wijze en binnen de door hem
te bepalen termijn verplicht deze volledig en naar waarheid te
verstrekken en degene van wie inzage wordt verlangd is verplicht deze
ongestoord te verlenen.
3.Onze Minister gebruikt gegevens of inlichtingen omtrent een
spoorwegonderneming die hij heeft verkregen in verband met enige
werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van een van zijn taken,
uitsluitend voor de uitvoering van die taak.
§ 11. De verwerking van persoonsgegevens
Artikel 97
Voorzover dit noodzakelijk is ter beoordeling van het voldoen aan de
bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften kunnen gegevens
betreffende het gedrag van bestuurders, het gedrag van een
vergunninghouder en de gezondheid van personeel worden verwerkt. Onze
Minister is verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens als
bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens.
Hoofdstuk 7 [Vervallen per 16-03-2005]
Artikel 98 [Vervallen per 16-03-2005]
Artikel 99 [Vervallen per 16-03-2005]
Artikel 100 [Vervallen per 16-03-2005]
Artikel 101 [Vervallen per 16-03-2005]
Artikel 102 [Vervallen per 16-03-2005]
Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten
Artikel 103
De volgende wetten worden ingetrokken op een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld:
a. de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67);
b. de wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den
dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met
beperkte snelheid wordt vervoerd (Stb. 118);
c. de wet van 1 november 1924, houdende wettelijke maatregelen
tegen aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door
zwerfstroomen, afkomstig van spoorstaven van electrische spoor- en
tramwegen (Stb. 498);
d. de wet van 15 december 1917, houdende voorschriften omtrent
aanleg en instandhouding van spoorwegen, waarop uitsluitend met
beperkte snelheid wordt vervoerd, op wegen niet onder beheer van het
Rijk (Stb. 703);
e. de wet van 26 mei 1937 tot reorganisatie van het
spoorwegbedrijf (Stb. 520);
f. de wet van 11 juni 1998, houdende wijziging van de Spoorwegwet
ter implementatie van richtlijn nr. 95/18/EG en richtlijn nr.
95/19/EG (Stb. 374).
Artikel 104
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie]
Artikel 105
[Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden]
Artikel 106
[Wijzigt de Vervoersnoodwet]
Artikel 107
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 108
[Wijzigt de Tracéwet]
Artikel 109
[Wijzigt de Wet geluidhinder]
Artikel 110
[Wijzigt de Wet Infrastructuurfonds]
Artikel 111
[Wijzigt de Vestigingswet Bedrijven 1954]
Artikel 112
[Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994]
Artikel 113
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht]
Artikel 114
[Wijzigt de Wegenwet]
Artikel 115
[Wijzigt de Wet Raad voor de Transportveiligheid]
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
Artikel 116
Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de hierna genoemde
algemene maatregelen van bestuur, voorzover zij niet voordien zijn
ingetrokken, op de daarbij vermelde artikelen van deze wet:
a. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden]
b. het Algemeen Reglement Vervoer berust op dit artikel;
c. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden]
d. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden]
§ 2. Overige overgangsbepalingen
Artikel 117
De schadevergoedingsplicht, bedoeld in artikel 57, eerste en tweede
lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, rust niet op de eigenaar van
een erf met een recht van uitweg over de hoofdspoorweg, indien dat recht
van kracht was op de dag voorafgaande aan de dag waarop artikel 103,
onderdeel a, in werking treedt.
Artikel 118
1.Tot en met de eerste dag van de vierde kalendermaand na de dag
waarop artikel 28 in werking treedt, worden houders van een vergunning
voor openbaar vervoer per trein, verleend ingevolge de Wet
personenvervoer of de Wet personenvervoer 2000, en houders van een
erkenning als spoorwegonderneming, afgegeven door Onze Minister, voor
de toepassing van deze wet aangemerkt als houders van een
bedrijfsvergunning.
2.Het eerste lid geldt ook na de daarin bedoelde periode ten
aanzien van de in het eerste lid bedoelde houders, indien zij voor de
afloop van die periode een aanvraag hebben ingediend voor een
vergunning als bedoeld in artikel 28 en zolang als daarop niet
onherroepelijk is beslist.
Artikel 119
1.Vergunningen die ingevolge artikel 29a van de Spoorwegwet (Stb.
1875, 67) zijn verleend en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding
van deze wet, worden vanaf de dag waarop artikel 28 in werking treedt,
aangemerkt als verleend op grond van artikel 28.
2.Vergunningaanvragen die ingevolge artikel 29a van de Spoorwegwet
(Stb. 1875, 67) door Onze Minister in behandeling zijn genomen voor
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag
waarop artikel 28 in werking treedt, aangemerkt als
vergunningaanvragen op grond van artikel 28.
Artikel 120
1.Een geldende concessie ter uitoefening van de dienst verleend op
grond van artikel 2 van de Wet van 9 juli 1900, houdende nadere
regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen waarop
uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd (Stb. 118) wordt tot
en met de eerste dag van de vierde kalendermaand na de dag waarop
artikel 103, onderdeel b, in werking treedt, aangemerkt als een
veiligheidsattest als bedoeld in artikel 32.
2.De in het eerste lid bedoelde concessie wordt ook na de daarin
bedoelde periode aangemerkt als een veiligheidsattest als bedoeld in
artikel 32, indien de houder voor die dag een aanvraag heeft ingediend
voor een veiligheidsattest als bedoeld in artikel 32 en zolang daarop
niet onherroepelijk is beslist.
Artikel 121
Hoofdspoorweginfrastructuur die in overeenstemming met de daarvoor
geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag
waarop artikel 6 in werking treedt, wordt gebruikt, wordt met ingang van
de dag waarop dat artikel in werking treedt, aangemerkt als in
overeenstemming met dat artikel.
Artikel 122
1.Een spoorvoertuig dat in overeenstemming met de daarvoor geldende
voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop
artikel 36 in werking treedt, kan worden gebruikt op de hoofdspoorweg,
wordt met ingang van de dag waarop dat artikel in werking treedt,
aangemerkt als in overeenstemming met de onderdelen a en b van dat
artikel.
2.Artikel 39, eerste lid, is niet van toepassing op spoorvoertuigen
en uitrusting daarvan die voor de datum van inwerkingtreding van dat
artikel in gebruik zijn genomen.
Artikel 123
Erkenningen op grond van artikel 32d, zevende lid, van de Spoorwegwet
(Stb. 1875, 67) berusten met ingang van de dag waarop artikel 93 in
werking treedt op artikel 93, eerste lid.
Artikel 124
1.In afwijking van artikel 2, tweede en vijfde lid, kunnen
spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien deze
spoorwegen rechtstreeks of middellijk in overwegende mate zijn
aangelegd op kosten van het Rijk en naar het oordeel van Onze Minister
voldoende is komen vast te staan dat gedurende de periode van twee
jaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van artikel 2,
tweede lid deze spoorwegen door Railinfrabeheer b.v., gevestigd te
Utrecht, werden onderhouden.
2.Tot 1 januari 2010 kunnen in afwijking van artikel 2, tweede en
vijfde lid, spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien
Railinfrabeheer b.v., of Railinfratrust b.v., gevestigd te Utrecht, of
hun rechtsopvolger rechthebbende is ten aanzien van deze spoorwegen.
Artikel 125
1.Indien de Staat houder is van alle aandelen in het kapitaal van
Railinfratrust b.v., gevestigd te Utrecht, gaan op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip alle vermogensbestanddelen van deze
vennootschap om niet onder algemene titel over op de Staat.
2.De overgang van registergoederen ingevolge het eerste lid doet
Onze Minister van Financiën onverwijld inschrijven in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
3.Ter zake van de overgang, bedoeld in het eerste lid, is geen
overdrachtsbelasting of omzetbelasting verschuldigd. Ter zake van het
in ontvangst nemen en het in de openbare registers verwerken is geen
tarief verschuldigd.
4.In wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij de in het
eerste lid genoemde vennootschap is betrokken, treedt met ingang van
de het in het eerste lid bedoelde tijdstip de Staat in de plaats van
die vennootschap.
5.Met ingang van het in het eerste lid bedoelde tijdstip is de in
het eerste lid genoemde vennootschap ontbonden. Artikel 23 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 126
Onze Minister zendt in het jaar 2006 aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Artikel 127
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 128
Deze wet wordt aangehaald als: Spoorwegwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 april 2003
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
R.H. de Boer
Uitgegeven dertigste juni 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|