Nadere regelgeving:
- Algemeen Reglement Vervoer (ARV)
- Besluit
aanwijzing hoofdspoorwegen
- Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur
- Besluit spoorverkeer
- Besluit
spoorweginfrastructuur
- Besluit spoorwegpersoneel
- Regeling hoofdspoorweginfrastructuur
- Regeling
spoorverkeer'
WET van 23 april 2003, houdende nieuwe
algemene regels over de aanleg, het beheer, de toegankelijkheid en het
gebruik van spoorwegen alsmede over het verkeer over spoorwegen (Spoorwegwet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op richtlijnen
91/440/EEG, 95/18/EG, 96/48/EG, 2001/12/EG, 2001/13/EG, 2001/14/EG en
2001/16/EG en mede gelet op het belang van de bescherming van het milieu
noodzakelijk is wettelijke bepalingen vast te stellen inzake de aanleg,
het beheer en het gebruik van spoorwegen en dat het ter bevordering van
een maatschappelijk gewenste benutting van spoorwegen wenselijk is, de
verantwoordelijkheid van de overheid voor de aanleg van
spoorweginfrastructuur vast te leggen, de verantwoordelijkheid voor
vervoer en spoorweginfrastructuur te scheiden en de publieke belangen
die gemoeid zijn met het beheer van spoorweginfrastructuur te verzekeren
door de invoering van een concessiestelsel voor het beheer, het gebruik
van spoorwegen te bevorderen door het stellen van transparante en
niet-discriminerende voorschriften en dat het voorts wenselijk is de
wetgeving inzake de spoorwegen overigens te moderniseren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. spoorweg: weg bestemd voor verkeer over spoorstaven of geleiderails;
c. spoorweginfrastructuur: spoorwegen en daarbij behorende
spoorweginfrastructuur als bedoeld in bijlage 1, onderdeel A, van
Verordening (EEG) nr. 2598/70 van de Europese Commissie van 18 december
1970 (PbEG L 278);
d. rechthebbende: eigenaar, bezitter of degene die een recht van
erfpacht, opstal, vruchtgebruik, gebruik, huur of pacht heeft;
e. spoorvoertuig: voertuig, bestemd voor het verkeer over spoorwegen;
f. spoorwegonderneming: spoorwegonderneming als bedoeld in richtlijn
95/18/EG alsmede iedere andere onderneming die gebruik maakt of beoogt
te maken van de spoorweg en daarvoor de beschikking heeft over tractie;
g. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte;
h. beheerder: houder van een concessie als bedoeld in artikel 16, eerste
lid;
i. keuringsinstantie: instantie aangewezen op grond van artikel 93;
j. veiligheidsfunctie: functie van bestuurder van een spoorvoertuig of
een andere, bij algemene maatregel van bestuur omschreven, functie
binnen het spoorwegverkeerssysteem die van aanmerkelijke invloed is op
de veiligheid van het spoorverkeer;
k. richtlijn 91/440/EEG: richtlijn nr. 91/440/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van
de spoorwegen in de Gemeenschap (PbEG L 237);
l. richtlijn 95/18/EG: richtlijn nr. 95/18/EG van de Raad van de
Europese Unie van 19 juni 1995 betreffende de verlening van vergunningen
aan spoorwegondernemingen (PbEG L 143);
m. richtlijn 2001/14/EG: richtlijn nr. 2001/14/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 februari 2001 inzake de
toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van
rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake
veiligheidscertificering (PbEG L 75);
n. richtlijn 96/48/EG: richtlijn nr. 96/48/EG van de Raad van de
Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het
transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem (PbEG L 235);
o. richtlijn 2001/16/EG: richtlijn nr. 2001/16/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 maart 2001 betreffende
de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese
spoorwegsysteem (PbEG L 110);
p. Verdrag: Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (Trb.
1980, 160), zoals gewijzigd ingevolge het op 20 december 1990 te Bern
tot stand gekomen Protocol 1990 houdende wijziging van het Verdrag
betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980 (Trb.
1997, 19) en het op 3 juni 1999 te Vilnius tot stand gekomen Protocol
1999 inzake de herziening van het Verdrag betreffende het Internationale
spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980 (Trb. 2000, 70);
q. raad van bestuur NMa: raad van bestuur van de mededingingsautoriteit,
bedoeld in artikel 2 van de Mededingingswet.
Artikel 2
1.Deze wet is van toepassing op de als zodanig bij koninklijk besluit
aangewezen hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen alsmede op bijzondere
spoorwegen.
2.Een spoorweg wordt als hoofdspoorweg aangewezen, indien:
a. de spoorweg uitsluitend of overwegend bestemd is voor het verrichten
van openbaar personenvervoer of goederenvervoer ten behoeve van
internationale, nationale of regionale verbindingen en
b. de Staat rechthebbende is ten aanzien van de spoorweg.
3.[Dit lid is nog niet in werking getreden]
4.[Dit lid is nog niet in werking getreden]
5.[Dit lid is nog niet in werking getreden]
6.Een besluit op grond van het eerste lid of vijfde lid wordt in het
Staatsblad geplaatst.
Artikel 3
Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de
spoorweg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer
op de spoorweg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.
Artikel 4
1.Het is een ieder verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan
wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden terwijl
hij verkeert onder zodanige invloed van een stof waarvan hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden dat het gebruik daarvan, al dan niet in
combinatie met een andere stof, de vaardigheid tot het uitoefenen van
die functie of tot het houden van toezicht op de uitoefening van die
functie kan verminderen, dat hij niet tot het behoorlijk uitoefenen van
die functie of tot het behoorlijk uitoefenen van toezicht op de
uitoefening van die functie in staat moet worden geacht.
2.Het is een ieder verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan
wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden na zodanig
gebruik van alcoholhoudende drank dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te
zijn dan tweehonderdtwintig microgram alcohol per liter uitgeademde
lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te
zijn dan een halve milligram alcohol per milliliter bloed.
3.Het is verboden een veiligheidsfunctie te doen uitoefenen dan wel op
de uitoefening van zodanige functie toezicht te doen houden door een
persoon waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat deze verkeert
in een toestand als in het eerste of tweede lid is omschreven.
4.Op de eerste vordering van bij of krachtens artikel 86 van deze wet of
artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van
strafbare feiten belaste ambtenaren zijn personen die een
veiligheidsfunctie uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige
functie toezicht houden, of daartoe aanstalten maken, verplicht hun
medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde
lucht en daartoe volgens door die ambtenaar te geven aanwijzingen
ademlucht te blazen in een door die ambtenaar aangewezen apparaat.
5.Dit artikel is niet van toepassing voorzover artikel 8 van de
Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.
Hoofdstuk 2. Hoofdspoorweginfrastructuur
§ 1. Algemeen
Artikel 5
Onze Minister draagt zorg voor de aanleg, het beheer en het onderhoud
van hoofdspoorweginfrastructuur.
§ 2. De eigenschappen van hoofdspoorweginfrastructuur
Artikel 6
1.Hoofdspoorweginfrastructuur voldoet aan de bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels en nadere regels ten aanzien van
basiskwaliteit, te weten inrichting, uitrusting en technische
eigenschappen, waaronder regels over:
a. algemene kenmerken van de infrastructuur;
b. aanleg en onderhoud;
c. beveiliging;
d. bouwwerken;
e. telecommunicatievoorzieningen;
f. kunstwerken;
g. spoorwegovergangen;
h. afstandsbediening;
i. energievoorziening.
2.De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 7
1.Onverminderd de krachtens artikel 6 gestelde regels zijn
hoofdspoorwegen waar een snelheid van meer dan 40 kilometer per uur is
toegestaan, voorzien van een bij ministeriële regeling te omschrijven
systeem van beveiliging.
2.Onverminderd de krachtens artikel 6 gestelde regels zijn gedeelten van
een hoofdspoorweg die niet zijn gelegen in een gelijkvloerse kruising
met een weg of in een voor het openbaar verkeer openstaande weg, zodanig
afgesloten van de omgeving dat het publiek zich niet of slechts met
bijzondere moeite op de spoorweg kan begeven.
3.Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid.
§ 3. De interoperabiliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur
Artikel 8
1.Onverminderd de krachtens artikel 6 gestelde regels voldoet
hoofdspoorweginfrastructuur waarover internationaal verkeer plaatsvindt
aan de toepasselijke voorschriften van de richtlijnen 2001/16/EG en
96/48/EG of van het Verdrag.
2.De in het eerste lid bedoelde infrastructuur wordt vermoed te voldoen
aan de voorschriften:
a. van richtlijn 2001/16/EG, indien ter zake een geldige
EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 16 van die richtlijn is
afgegeven;
b. van richtlijn 96/48/EG, indien ter zake een geldige
EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 16 van die richtlijn is
afgegeven;
c. van het Verdrag, indien ter zake een geldig goedkeuringscertificaat
als bedoeld in bijlage G van het Verdrag is afgegeven.
Artikel 9
1.Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 8, tweede lid,
onderdelen a of b, wordt afgegeven indien:
a. de spoorweginfrastructuur voldoet aan de toepasselijke technische
specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel
g, van richtlijn 2001/16/EG, respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van
richtlijn 96/48/EG;
b. ten aanzien van de spoorweginfrastructuur een conformiteitsverklaring
als bedoeld in richtlijn 2001/16/EG, bijlage VI, punt 3, respectievelijk
in richtlijn 96/48/EG, bijlage VI, punt 3, is afgegeven door een
keuringsinstantie.
2.Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 8, tweede lid,
onderdeel c, wordt afgegeven indien de spoorweginfrastructuur voldoet
aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
Artikel 10
1.Het is verboden de ingevolge richtlijnen 2001/16/EG of 96/48/EG dan
wel het Verdrag als zodanig aangemerkte onderdelen van
hoofdspoorweginfrastructuur als zodanig in de handel te brengen indien
ten aanzien daarvan niet zijn afgegeven:
a. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik
als bedoeld in artikel 10 van richtlijn 2001/16/EG;
b. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik
als bedoeld in artikel 10 van richtlijn 96/48/EG of
c. geldige goedkeuringscertificaten als bedoeld in bijlage G van het
Verdrag.
2.Het in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, bedoelde verbod
geldt niet ten aanzien van niet door de desbetreffende richtlijnen
bestreken toepassing van deze onderdelen.
3.Degene die deze onderdelen gebruikt, zorgt dat deze onderdelen binnen
hun toepassingsgebied worden gebruikt overeenkomstig hun bestemming, en
dat zij naar behoren worden geïnstalleerd en onderhouden.
Artikel 11
1.Een EG-verklaring als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a
of b, wordt afgegeven indien:
a. de desbetreffende onderdelen voldoen aan de toepasselijke technische
specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel
g, van richtlijn 2001/16/EG, respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van
richtlijn 96/48/EG;
b. de toetsing van onderdeel a is uitgevoerd door een keuringsinstantie,
respectievelijk door een keuringsinstantie voorzover de technische
specificaties dat vereisen.
2.Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdeel c, wordt afgegeven indien de desbetreffende onderdelen voldoen
aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
3.Indien met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen
andere EG-richtlijnen bestaan ten aanzien van andere aspecten dan
geregeld in bedoelde technische specificaties, vermelden de
verklaringen, bedoeld in dat lid, tevens of de onderdelen aan die andere
EG-richtlijnen voldoen.
Artikel 12
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
over de aanvraag, afgifte, vorm en inhoud van EG-keuringsverklaringen
als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdelen a en b, EG-verklaringen
als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, en
goedkeuringscertificaten als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid,
onderdeel c, en 10, eerste lid, onderdeel c, alsmede over het
registreren of bewaren van gegevens of documenten over de aanvraag en
afgifte.
2.Met de in het eerste lid bedoelde EG-keuringsverklaringen en
EG-verklaringen worden gelijkgesteld zodanige verklaringen afgegeven met
inachtneming van de richtlijnen 2001/16/EG of 96/48/EG door de bevoegde
instantie van een andere lidstaat.
3.Met de in het eerste lid bedoelde goedkeuringscertificaten worden
gelijkgesteld zodanige certificaten afgegeven met inachtneming van het
Verdrag door de bevoegde instantie van een andere staat die partij is
bij het Verdrag.
Artikel 13
1.Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 8,
tweede lid, onderdelen a of b, af te geven indien niet is voldaan aan
artikel 9, eerste lid.
2.Het is verboden een EG-verklaring als bedoeld in artikel 10, eerste
lid, onderdelen a of b, af te geven indien niet is voldaan aan artikel
11, eerste of derde lid.
Artikel 14
1.De fabrikant van onderdelen van hoofdspoorweginfrastructuur als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, en zijn in Nederland gevestigde
gemachtigde, die in strijd met artikel 13, tweede lid, een EG-verklaring
als daar bedoeld hebben afgegeven, zijn verplicht op eerste vordering
van Onze Minister en binnen een door deze te stellen termijn het verzuim
te herstellen. Zij zijn verplicht de daarbij door Onze Minister gegeven
aanwijzingen op te volgen.
2.Indien de fabrikant of zijn in Nederland gevestigde gemachtigde niet
voldoet aan het eerste lid, neemt Onze Minister met toepassing van
artikel 12 van richtlijn 2001/16/EG of van richtlijn 96/48/EG
maatregelen om het in de handel brengen van het betrokken onderdeel te
beperken, te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
Artikel 15
Indien Onze Minister vaststelt dat een onderdeel van
hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
ondanks het feit dat ten aanzien daarvan een EG-verklaring als bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onderdelen a of b, is afgegeven en ondanks
het feit dat dit onderdeel overeenkomstig zijn bestemming wordt
gebruikt, de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorwegen of
interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn
96/48/EG of van richtlijn 2001/16/EG in gevaar brengt, neemt hij met
toepassing van de artikelen 12 van deze richtlijnen maatregelen om het
toepassingsgebied van dit onderdeel te beperken, het gebruik ervan te
verbieden of het uit de handel te doen nemen.
§ 4. Beheer van hoofdspoorwegen
Artikel 16
1.Onze Minister verleent een of meer concessies voor het beheer van de
hoofdspoorweginfrastructuur. Het beheer omvat de zorg voor:
a. de kwaliteit, betrouwbaarheid en beschikbaarheid van de
infrastructuur;
b. een eerlijke, niet-discriminerende verdeling van de capaciteit van de
infrastructuur zowel ten behoeve van de beheerder als ten behoeve van
spoorwegondernemingen;
c. het leiden van het verkeer over de infrastructuur.
2.Een concessie bevat een beschrijving van de werkzaamheden waarvoor de
concessie wordt verleend.
3.Een concessie wordt verleend voor ten minste drie jaar.
4.Een concessie wordt niet verleend aan een spoorwegonderneming dan met
inachtneming van artikel 6, derde lid, van richtlijn 91/440/EEG en de
artikelen 4, tweede lid, en 14, tweede lid, van richtlijn 2001/14/EG.
Artikel 17
1.Aan de concessie worden in elk geval voorschriften, onder meer
houdende prestatie-indicatoren, verbonden om te waarborgen dat:
a. de infrastructuur in goede staat verkeert en geschikt is voor het
verkeer of ander gebruik waarvoor zij bestemd is;
b. de infrastructuur veilig en doelmatig bereden kan worden zonder
overmatige slijtage aan spoorvoertuigen;
c. de risico's van het gebruik en beheer voor de veiligheid van
hoofdspoorwegen worden geanalyseerd en dat passende maatregelen worden
genomen, waaronder het zo nodig buiten dienst stellen van een gedeelte
van de hoofdspoorweg, om deze risico's afdoende te beheersen, waarbij
rekening wordt gehouden met de specifieke vereisten van de te verwachten
bedrijfsvoering en de stand der techniek;
d. voldaan wordt aan de richtlijnen 91/440/EEG en 2001/14/EG;
e. de beheerder financieel draagkrachtig en beroepsbekwaam is.
2.Aan de concessie worden voorts in elk geval voorschriften verbonden
ten aanzien van:
a. door de beheerder te berekenen tarieven voor diensten aan derden;
b. het verstrekken van gegevens aan Onze Minister ten behoeve van:
1°. het toezicht op de naleving van de concessie;
2°. het voldoen aan de verplichtingen die Onze Minister met betrekking
tot de hoofdspoorwegen heeft ingevolge de artikelen 116, 118 en 122 van
de Wet geluidhinder ter uitvoering van richtlijn nr. 2002/49/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002
inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189);
3°. het voldoen aan de verplichtingen die Onze Minister met betrekking
tot de hoofdspoorwegen heeft ingevolge artikel 12.13, eerste lid, van de
Wet milieubeheer.
3.Een wijziging van de technische of functionele eigenschappen van de
hoofdspoorweginfrastructuur die de gebruiksmogelijkheden van de
hoofdspoorwegen aanmerkelijk verandert, behoeft de voorafgaande
instemming van Onze Minister. De beheerder vermeldt in zijn verzoek om
instemming de zienswijzen van betrokken gerechtigden als bedoeld in
artikel 57 en, voorzover de wijziging afwijkt van die zienswijzen, een
deugdelijke motivering van die afwijking.
Artikel 18
1.Onze Minister kan een concessie geheel of gedeeltelijk intrekken
indien de beheerder de concessie of een voor de beheerder geldend
wettelijk voorschrift niet naleeft.
2.Onze Minister gaat niet tot intrekking over dan nadat hij de beheerder
de gelegenheid heeft geboden om binnen een daartoe te bepalen termijn
zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de concessie, dan
wel het wettelijk voorschrift.
3.Voordat Onze Minister een concessie verleent, wijzigt of geheel of
gedeeltelijk intrekt, stelt hij betrokken gerechtigden als bedoeld in
artikel 57 in de gelegenheid om gedurende een door Onze Minister daarbij
te bepalen termijn van ten hoogste drie weken hun zienswijze naar voren
te brengen.
4.Een concessie wordt niet eerder verleend dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
5.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
over het verlenen of wijzigen van een concessie en over de aan een
concessie te verbinden voorschriften.
Artikel 19
1.Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister gebruik te maken
van hoofdspoorwegen en de daarnaast gelegen gronden door anders dan
waartoe deze zijn bestemd:
a. binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg aan, op, in, onder, boven
of naast de hoofdspoorweg, bouwwerken of andere opstallen op te richten
of werken, inrichtingen, kabels, leidingen of beplantingen aan te
brengen, te doen aanbrengen of te hebben, dan wel daarmee verband
houdende werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren;
b. binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg, op, in, onder of naast de
hoofdspoorweg vaste stoffen of vloeistoffen te storten of te doen
storten, met uitzondering van vaste stoffen of vloeistoffen die
vrijkomen bij de normale bedrijfsvoering van spoorvoertuigen;
c. binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg, op, in, onder, boven of
naast de hoofdspoorweg, voorwerpen te plaatsen of neer te leggen of
graafwerk te verrichten of deze activiteiten te doen uitvoeren;
d. binnen 14 meter van de begrenzing van de hoofdspoorweg licht
ontvlambare stoffen te hebben of op te slaan.
2.Een vergunning op grond van het eerste lid kan onder beperkingen
worden verleend. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden
verbonden, onder meer ter bescherming van de hoofdspoorweg, in het
belang van een veilig en doelmatig gebruik ervan of het financieel
belang van de Staat.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van het beheer
van de hoofdspoorweginfrastructuur.
Artikel 20
1. Bij een hoofdspoorweg wordt de begrenzing van de hoofdspoorweg,
bedoeld in artikel 19, aan weerszijden gevormd door een lijn liggend op
een afstand:
a. van elf meter bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau gemeten vanaf
het hart van het buitenste spoor, zijnde een denkbeeldige lijn in de
lengterichting van het spoor midden tussen beide spoorstaven;
b. van zes meter bij een hoofdspoorweg in ingraving gemeten uit de
bovenzijde van de ingraving;
c. van zes meter bij een hoofdspoorweg in ophoging gemeten uit de teen
van het talud;
d. die gelijk is aan de afstand tussen de bovenkant van de spoorstaaf en
het maaiveld horizontaal gemeten vanaf de buitenste wand van de tunnel,
in een verticale lijn tot het maaiveld, waarbij deze grenzen ten minste
gelegen zijn op elf meter uit het hart van het spoor, indien het betreft
een geboorde, ingegraven of afgezonken tunnel bij een hoofdspoorweg;
e. bij een hoofdspoorweg op of in een vaste constructie anders dan
bedoeld in de onderdelen a tot en met d, van zes meter gemeten vanaf een
horizontale lijn die ligt op tweemaal de afstand tussen de bovenkant van
de spoorstaaf en het maaiveld vanaf de buitenste rand van de
constructie, waarbij deze grenzen ten minste gelegen zijn op 11 meter
uit het hart van het buitenste spoor.
2. Indien bij een hoofdspoorweg in ingraving of in ophoging de afstand
tussen het hart van het buitenste spoor en de bovenkant van de ingraving
of teen van het talud minder bedraagt dan vijf meter, wordt de
begrenzing vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a.
3. Indien de bodemgesteldheid daartoe aanleiding geeft, kan bij besluit
van Onze Minister, gehoord de beheerder, een begrenzing worden
vastgesteld die afwijkt van het eerste of tweede lid.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt de begrenzing van
een deel van de hoofdspoorwegen die uitsluitend of overwegend bestemd
zijn voor het verrichten van goederenvervoer ten behoeve van de lokale
ontsluiting van haven- en industriegebieden, gevormd door een lijn
liggend op een afstand van drie meter op maaiveldniveau, gemeten vanaf
het hart van het buitenste spoor. Wanneer ingevolge artikel 2 of 124 een
spoorweg wordt aangewezen als hoofdspoorweg, wordt daarbij bepaald of de
hoofdspoorweg onder het bereik van dit lid valt.
Artikel 21
1. Het is verboden zaken te bouwen, neer te leggen, op te richten of aan
te leggen die een meter of hoger reiken dan het maaiveld aan weerszijden
van de hoofdspoorweg bij voor het openbaar verkeer openstaande overwegen
buiten de bebouwde kom, binnen een vlak dat wordt gevormd door
hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op vijfhonderd meter aan
weerszijden van de as van de weg en op elf meter uit het hart van het
spoor in de as van de weg.
2. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
vervatte verbod. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.
Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden in het belang
van een veilig en doelmatig gebruik van de spoorweg of het financieel
belang van de Staat.
3. In afwijking van het eerste lid wordt bij een voor het openbaar
verkeer openstaande overweg buiten de bebouwde kom die onderdeel
uitmaakt van een hoofdspoorweg, als bedoeld in artikel 20, vierde lid,
het vlak, bedoeld in het eerste lid, gevormd door hoekpunten in het hart
van het buitenste spoor op 50 meter aan weerszijden van de as van de weg
en op elf meter uit het hart van het spoor in de as van de weg.
Artikel 22
1.Het is verboden:
a. anders dan als rechtmatige gebruiker in te grijpen in de bediening of
de werking van installaties van de hoofdspoorweginfrastructuur;
b. de hoofdspoorweginfrastructuur of delen daarvan te beschadigen, te
vernielen, te verwijderen, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of
in enig opzicht te wijzigen;
c. zich op of langs gedeelten van een hoofdspoorweg, met uitzondering
van een perron, die niet zijn gelegen in een gelijkvloerse kruising met
een weg of in een voor het openbaar verkeer openstaande weg, te bevinden
of daarop of daarlangs dieren te drijven of te laten lopen;
d. enige handeling op of nabij de hoofdspoorweg te verrichten waardoor
het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur kan worden gehinderd of
belemmerd.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. het uitvoeren van het beheer;
b. de uitoefening van een veiligheidsfunctie;
c. de uitoefening van een wettelijke taak;
d. het uitvoeren van werkzaamheden in opdracht van een
spoorwegonderneming die beschikt over een veiligheidsattest als bedoeld
in artikel 32, eerste lid, of een proefattest als bedoeld in artikel 34.
3.Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
vervatte verbod. Artikel 21, tweede lid, tweede en derde volzin, zijn
van toepassing.
Artikel 23
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
ter uitvoering van de artikelen 19 tot en met 22.
Artikel 24
1.Onverminderd de bij of krachtens andere wetten ter zake gegeven
voorschriften wordt aanraking, doorsnijding of overbrugging van andere
infrastructuur van openbaar nut door hoofdspoorwegen waarvan de aanleg
vanwege het Rijk is opgedragen of toegestaan, gedoogd door de
rechthebbende ten aanzien van die andere infrastructuur. Onder
infrastructuur van openbaar nut wordt in ieder geval begrepen
infrastructuur waarvan het beheer bij of krachtens wet is opgedragen en
infrastructuur in beheer bij een openbaar lichaam.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over financiering, onderhoud, instandhouding, aanleg,
uitbreiding, gedeeld gebruik en verdeling van de gebruiksmogelijkheden
van kunstwerken voorzover deze dienen tot aanraking, doorsnijding of
overbrugging als bedoeld in het eerste lid.
3.Een hoofdspoorweg die is of wordt aangelegd, hersteld, vernieuwd of
uitgebreid, wordt voor de toepassing van de Belemmeringenwet
Verordeningen en de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als
openbaar werk van algemeen nut.
Artikel 25
Deze paragraaf geldt onverkort voor de rechthebbende ten aanzien van de
onder of naast de hoofdspoorweginfrastructuur gelegen grond, de daarin
gelegen werken en daarop gelegen opstallen.
§ 5. Bepalingen inzake stations en laad- en losplaatsen
Artikel 26
1.De rechthebbende ten aanzien van een rechtstreeks aan de hoofdspoorweg
gelegen station draagt ervoor zorg dat reizigers, gehandicapten
daaronder begrepen, via de in het station aanwezige hallen, tunnels,
trappen en liften, met logische en overzichtelijke routes, een veilige
en adequate toegang hebben tot perrons en spoorvoertuigen.
2.Onder station wordt in het eerste lid verstaan: een gebouw of werk dat
blijkens zijn constructie en inrichting geheel of gedeeltelijk is
bestemd voor aankomst en vertrek van spoorvoertuigen met het oog op het
in-, uit- of overstappen van reizigers.
3.Indien de veilige en adequate toegang tot perrons, laad- of
losplaatsen of spoorvoertuigen in het gedrang komt of dreigt te komen,
geeft Onze Minister aan de betrokken rechthebbende een bindende
aanwijzing ter waarborging van die toegang. Tevens kan Onze Minister aan
de betrokken rechthebbende een bindende aanwijzing geven met betrekking
tot fysieke voorzieningen ter bevordering van de sociale veiligheid op
de stations.
4.Desgevraagd adviseert de beheerder Onze Minister over de toepassing
van het derde lid.
Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf
§ 1. Algemeen
Artikel 27
1.Een spoorwegonderneming heeft op niet-discriminerende grondslag recht
op toegang tot hoofdspoorwegen.
2.Geen toegang tot hoofdspoorwegen heeft een spoorwegonderneming:
a. die niet beschikt over een geldige bedrijfsvergunning;
b. die niet beschikt over een geldig veiligheidsattest of proefattest;
c. die niet voldoet aan de voor haar ingevolge artikel 55 geldende
verzekeringsplicht;
d. indien het recht op die toegang niet rechtstreeks voortvloeit uit een
toegangsovereenkomst als bedoeld in artikel 59;
e. die anderszins niet gerechtigd is van de hoofdspoorweg gebruik te
maken.
§ 2. De bedrijfsvergunning voor spoorwegondernemingen
Artikel 28
1.Onze Minister verleent op aanvraag een bedrijfsvergunning aan een in
Nederland gevestigde spoorwegonderneming, indien deze voldoet aan de
vereisten van goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid
alsmede de uit artikel 55 voortvloeiende verzekeringsplicht.
2.Onze Minister kan voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
omschreven soorten van gebruik van de hoofdspoorweg, bij de verlening
van een bedrijfsvergunning een of meer van de bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aangewezen, in het eerste lid bedoelde eisen
geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten. Alsdan is een zodanige
beperkte bedrijfsvergunning slechts geldig voor het gebruik waarvoor
deze is verleend.
3.Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag.
4.Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De vergunning
wordt verleend voor onbepaalde tijd.
5.Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag van de vergunninghouder de
vergunning wijzigen, alsnog voorschriften aan de vergunning verbinden en
de aan de vergunning verbonden voorschriften aanvullen dan wel wijzigen.
Artikel 29
Onze Minister schorst de bedrijfsvergunning of trekt deze in, indien:
a. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens artikel
28 toepasselijke eisen of voorschriften;
b. de veiligheid van het spoorverkeer door wijziging van de
rechtspositie van de vergunninghouder ingeval van fusie of
bedrijfsovername naar het oordeel van Onze Minister niet langer is
gewaarborgd of
c. bij herhaling bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is vastgesteld
dat de vergunninghouder of zijn bestuurders het bepaalde bij of
krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften inzake
arbeidsomstandigheden of arbeidstijden hebben overtreden, dan wel bij
onherroepelijk vonnis is vastgesteld dat deze het bepaalde bij of
krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften inzake
arbeidsomstandigheden of arbeidstijden in ernstige mate hebben
overtreden.
Artikel 30
1.Een vergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn
95/18/EG die is verleend door een bevoegde instantie van een andere
lidstaat aan een aldaar gevestigde spoorwegonderneming, wordt voor de
toepassing van deze wet gelijkgesteld met een bedrijfsvergunning,
verleend op grond van artikel 28, eerste lid.
2.Met een bedrijfsvergunning verleend op grond van artikel 28, eerste
lid, worden voorts voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld:
a. de bij ministeriële regeling omschreven documenten die in het
buitenland door het aldaar bevoegde gezag zijn afgegeven en die in
voldoende mate kunnen gelden als bewijs dat ten minste wordt voldaan aan
de in artikel 28, eerste lid, bedoelde eisen;
b. een besluit van Onze Minister waarin ten aanzien van een in het
buitenland gevestigde spoorwegonderneming is verklaard dat ten minste
wordt voldaan aan de in artikel 28, eerste lid, vermelde eisen.
3.Artikel 29 is van overeenkomstige toepassing op de gelijkstelling
krachtens het tweede lid.
Artikel 31
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels over:
a. de toepassing van de in artikel 28, eerste lid, bedoelde eisen;
b. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een
bedrijfsvergunning;
c. de aan de bedrijfsvergunning te verbinden voorschriften en
beperkingen.
§ 3. Het veiligheidsattest
Artikel 32
1.Onze Minister verleent op aanvraag een veiligheidsattest aan de houder
of de aanvrager van een bedrijfsvergunning, indien deze aantoont:
a. bij het voorgenomen gebruik van de spoorweg te kunnen voldoen aan de
bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde voorschriften en
b. door toepassing van een adequaat veiligheidszorgsysteem veilig
gebruik te kunnen maken van de spoorweg.
2.Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag. Indien de
beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze
Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke
termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 33
1.Het veiligheidsattest is ten hoogste drie jaar geldig.
2.De attesthouder past een adequaat veiligheidszorgsysteem toe, met
behulp waarvan wordt gewaarborgd dat de spoorwegonderneming:
a. bij de normale bedrijfsvoering en bij voorzienbare afwijkingen
daarvan geen schade berokkent en niemand onnodig hindert of in gevaar
brengt en zorgt dat het spoorverkeer zo veel mogelijk zonder
verstoringen kan worden afgewikkeld;
b. rekening houdt met de specifieke vereisten wanneer de normale
bedrijfsvoering raakt aan die van andere gebruikers van de spoorweg of
van de beheerder;
c. de aan de bedrijfsvoering verbonden risico's onderkent en passende
maatregelen neemt om deze afdoende te beheersen en daarbij rekening
houdt met de stand der techniek en de binnen de bedrijfstak aanwezige
kennis en richtsnoeren voor een veilige bedrijfsvoering;
d. procedures vaststelt en hanteert voor het nemen van corrigerende
maatregelen bij afwijkingen en incidenten, alsmede voor het voortdurend
verbeteren van het veiligheidsniveau met het oog op zich wijzigende
omstandigheden en op grond van opgedane ervaringen;
e. ervoor zorg draagt dat werknemers met een veiligheidsfunctie met het
oog op het behouden van hun geschiktheid, kennis en bekwaamheid voor de
desbetreffende functie de noodzakelijke oefening hebben en de
noodzakelijke nadere of aanvullende scholing, opleiding en studie
volgen.
3.Het veiligheidszorgsysteem is passend voor de aard en de omvang van de
spoorwegonderneming.
4.Aan het veiligheidsattest kunnen beperkingen en voorschriften worden
verbonden in het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid
van de spoorweg.
5.Onze Minister kan het veiligheidsattest schorsen of intrekken:
a. wegens handelen in strijd met dit hoofdstuk;
b. in het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de
spoorweg;
c. indien de bedrijfsvergunning van de attesthouder is geschorst of
ingetrokken.
6.Onze Minister kan het veiligheidsattest of de daaraan verbonden
beperkingen en voorschriften ambtshalve of op aanvraag wijzigen, met
inachtneming van het belang van de veiligheid op en in de directe
nabijheid van de spoorweg.
7.Overtreding van de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, is
verboden.
Artikel 34
1.Onze Minister kan aan degene die een veiligheidsattest heeft
aangevraagd of aan de attesthouder die een wijziging van het
veiligheidsattest heeft aangevraagd een proefattest verlenen.
2.Het proefattest wordt verleend met het oog op het opdoen van ervaring
of het testen van procedures of spoorvoertuigen ten behoeve van
verlening of wijziging van een veiligheidsattest.
3.Het proefattest is ten hoogste dertien weken geldig en vervalt van
rechtswege bij de verlening of de wijziging, bedoeld in het tweede lid.
Indien toepassing is gegeven aan artikel 32, tweede lid, tweede volzin,
vervalt het proefattest met ingang van de dag na de laatste dag van de
krachtens die bepaling gestelde termijn.
4.Artikel 33, vierde en vijfde lid, is op het proefattest van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 35
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels ten
aanzien van:
a. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een
veiligheidsattest en van een proefattest;
b. de aan een veiligheidsattest en een proefattest te verbinden
voorschriften en beperkingen;
c. de bedrijfsprocessen die ten minste in het veiligheidszorgsysteem
zijn opgenomen.
§ 4. Gebruik, compatibiliteit en interoperabiliteit van spoorvoertuigen
Artikel 36
1.Het is verboden over een hoofdspoorweg te rijden met een
spoorvoertuig:
a. waarvoor geen geldige EG-keuringsverklaring of geldig
goedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 37 is afgegeven;
b. dat niet voldoet aan de toepasselijke technische specificaties of
eisen, bedoeld in artikel 47;
c. dat storingen, buitensporige slijtage of schade aan de desbetreffende
spoorweginfrastructuur kan veroorzaken;
d. dat niet beschikt over de eigenschappen die noodzakelijk zijn om
veilig gebruik te kunnen maken van de desbetreffende
spoorweginfrastructuur.
2.Met een EG-keuringsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt
gelijkgesteld een zodanige verklaring afgegeven met inachtneming van
richtlijn 2001/16/EG onderscheidenlijk 96/48/EG door de bevoegde
instantie van een andere lidstaat.
3.Met een goedkeuringscertificaat als bedoeld in het eerste lid,
voorzover afgegeven op basis van het Verdrag wordt gelijkgesteld een
zodanig certificaat afgegeven met inachtneming van het Verdrag door de
bevoegde instantie van een andere staat die partij is bij het Verdrag.
4.Tot het bewijs dat een spoorvoertuig is gecontroleerd op het voldoen
aan de regels, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a, is een
geldig inzetcertificaat vereist, afgegeven door Onze Minister, de
beheerder gehoord.
5.Onze Minister, de beheerder gehoord, kan het certificaat, bedoeld in
het vierde lid, wijzigen of intrekken indien niet langer aan de regels,
bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a, wordt voldaan.
6.Het certificaat, bedoeld in het vierde lid, kan onder voorschriften of
beperkingen worden afgegeven.
7.Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van spoorvoertuigen
worden aangewezen, waarop het vierde lid niet van toepassing is.
Artikel 37
1.Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 36, eerste lid, wordt
afgegeven indien:
a. het spoorvoertuig dan wel de uitrusting daarvan voldoet aan de
toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit,
bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van richtlijn 2001/16/EG,
respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van richtlijn 96/48/EG en
b. ten aanzien van het spoorvoertuig of de uitrusting daarvan een
conformiteitsverklaring als bedoeld in richtlijn 2001/16/EG, bijlage VI,
punt 3, respectievelijk in richtlijn 96/48/EG, bijlage VI, punt 3, is
afgegeven door een keuringsinstantie.
2.Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 36, eerste lid,
wordt afgegeven, indien het spoorvoertuig of de uitrusting daarvan
voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde
eisen.
Artikel 38
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels of
nadere regels gesteld over:
a. de compatibiliteit van spoorvoertuigen met de spoorweginfrastructuur,
bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdelen c en d;
b. de aanvraag, afgifte, wijziging, intrekking, vorm of inhoud van de
EG-keuringsverklaringen, de goedkeuringscertificaten en de
inzetcertificaten, bedoeld in artikel 36, en de aan die certificaten te
verbinden voorschriften of beperkingen, alsmede over het registreren of
bewaren van gegevens of documenten over de aanvraag, afgifte, wijziging
of intrekking;
c. het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van
spoorvoertuigen of uitrusting daarvan, waarvoor een goedkeuring van het
type is verleend, met het goedgekeurde type.
2.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
eerste lid, kunnen in het belang van de veiligheid of de
interoperabiliteit van het verkeer over hoofdspoorwegen aanvullende
technische specificaties worden gesteld op de technische specificaties,
bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdelen a en b.
Artikel 39
1.Het is verboden de ingevolge richtlijnen 2001/16/EG of 96/48/EG dan
wel het Verdrag dan wel krachtens deze wet als zodanig aangewezen
onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan als zodanig in de
handel te brengen of te gebruiken, indien ten aanzien daarvan niet zijn
afgegeven:
a. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik
als bedoeld in artikel 10 van richtlijn 2001/16/EG;
b. geldige EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik
als bedoeld in artikel 10 van richtlijn 96/48/EG of
c. geldige goedkeuringscertificaten.
2.Met een EG-verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of
b, wordt gelijkgesteld een zodanige verklaring afgegeven met
inachtneming van richtlijn 2001/16/EG onderscheidenlijk 96/48/EG door de
bevoegde instantie van een andere lidstaat.
3.Met een goedkeuringscertificaat als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, voorzover afgegeven op basis van het Verdrag wordt
gelijkgesteld een zodanig certificaat afgegeven met inachtneming van het
Verdrag door de bevoegde instantie van een andere staat die partij is
bij het Verdrag.
Artikel 40
1.Een EG-verklaring als bedoeld in artikel 39, eerste lid, onderdelen a
of b, wordt afgegeven indien:
a. de desbetreffende onderdelen voldoen aan de toepasselijke technische
specificaties inzake interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2,
onderdeel g, van richtlijn 2001/16/EG, respectievelijk artikel 2,
onderdeel g, van richtlijn 96/48/EG;
b. de toetsing van onderdeel a is uitgevoerd door een keuringsinstantie,
respectievelijk door een keuringsinstantie voorzover de technische
specificaties dit vereisen.
2.Een goedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 39, eerste lid,
onderdeel c, wordt afgegeven indien de desbetreffende onderdelen voldoen
aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
3.Indien met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen,
andere EG-richtlijnen bestaan ten aanzien van andere aspecten dan
geregeld in bedoelde technische specificaties, vermelden de
verklaringen, bedoeld in dat lid, tevens of deze onderdelen aan die
andere EG-richtlijnen voldoen.
Artikel 41
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels of
nadere regels gesteld over:
a. de aanvraag, afgifte, vorm en inhoud van de EG-verklaringen en de
goedkeuringscertificaten, bedoeld in artikel 39, alsmede over het
registreren of bewaren van gegevens of documenten over de aanvraag en
afgifte;
b. het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van als
zodanig aangewezen onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan,
waarvoor een goedkeuring van het type is verleend, met het goedgekeurde
type.
2.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
eerste lid, kunnen in het belang van de veiligheid of de
interoperabiliteit van het verkeer over de hoofdspoorwegen aanvullende
technische specificaties worden gesteld op de technische specificaties,
bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdelen a en b.
Artikel 42
1.Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 36,
eerste lid, af te geven indien niet is voldaan aan artikel 37.
2.Het is verboden een EG-verklaring als bedoeld in artikel 39, eerste
lid, onderdelen a of b, af te geven indien niet is voldaan aan artikel
40, eerste en derde lid.
Artikel 43
1.De fabrikant van onderdelen van spoorvoertuigen of uitrusting daarvan
als bedoeld in artikel 39, eerste lid, onderdelen a of b, en zijn in
Nederland gevestigde gemachtigde die in strijd met artikel 42, tweede
lid, een EG-verklaring als daar bedoeld voor die onderdelen hebben
afgegeven, zijn verplicht op eerste vordering van Onze Minister en
binnen een door deze te stellen termijn het verzuim te herstellen. Zij
zijn verplicht de daarbij door Onze Minister gegeven aanwijzingen op te
volgen.
2.Indien de fabrikant of zijn in Nederland gevestigde gemachtigde niet
voldoet aan het eerste lid, neemt Onze Minister met toepassing van
artikel 12 van richtlijn 2001/16/EG of van richtlijn 96/48/EG
maatregelen om het in de handel brengen van het betrokken onderdeel te
beperken, te verbieden of het uit de handel te doen nemen.
Artikel 44
Indien Onze Minister vaststelt dat een onderdeel van een spoorvoertuig
of uitrusting daarvan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, ondanks het
feit dat ten aanzien daarvan een EG-verklaring als bedoeld in artikel
39, eerste lid, onderdelen a of b, is afgegeven en ondanks het feit dat
dit onderdeel overeenkomstig zijn bestemming wordt gebruikt, de
veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorwegen of interoperabiliteit
als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 96/48/EG of van
richtlijn 2001/16/EG in gevaar brengt, neemt hij met toepassing van de
artikelen 12 van deze richtlijnen maatregelen om het toepassingsgebied
van dit onderdeel te beperken, het gebruik ervan te verbieden of het uit
de handel te doen nemen.
Artikel 45
De spoorwegonderneming die een krachtens deze wet goedgekeurd
spoorvoertuig gebruikt, doet overeenkomstig bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels onverwijld mededeling van:
a. een ernstige beschadiging van het spoorvoertuig, zodanig dat het
spoorvoertuig niet op eenvoudige wijze in een toestand kan worden
gebracht, dat het rijdend vervoerd kan worden zonder de veiligheid van
het verkeer op de hoofdspoorweg in gevaar te brengen;
b. wijzigingen in constructie, inrichting of uitrusting van het
spoorvoertuig ten opzichte van de feitelijke situatie bij de
goedkeuring;
c. de wijziging van eigenaar of houder van dat voertuig of de
definitieve buitengebruikstelling daarvan.
Artikel 46
1.Onze Minister, de beheerder gehoord, kan ontheffing verlenen van het
verbod, bedoeld in artikel 36, eerste lid.
2.Aan een ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden
verbonden in het belang van een veilig en ongestoord gebruik van
hoofdspoorwegen.
3.Overtreding van de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, is
verboden.
Artikel 47
1.De spoorwegonderneming of de houder van een spoorvoertuig draagt er
zorg voor dat de door hen gebruikte spoorvoertuigen, de uitrusting en de
als zodanig aangewezen onderdelen daarvan tijdens het gebruik in het
verkeer over de hoofdspoorwegen bij voortduring blijven voldoen aan:
a. de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit,
bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van richtlijn 2000/16/EG,
respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van richtlijn 96/48/EG;
b. de eisen, bedoeld in de artikelen 37, tweede lid, 38, eerste lid,
onderdeel a, of tweede lid, 40, tweede lid, of 41, tweede lid.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder houder van een
spoorvoertuig verstaan degene die als eigenaar of anderszins
beschikkingsbevoegde dit voertuig duurzaam als transportmiddel
exploiteert.
Artikel 48
1.Het is verboden onderhoud en herstel van spoorvoertuigen die van
hoofdspoorwegen gebruik maken te laten uitvoeren door anderen dan
daartoe door Onze Minister erkende natuurlijke personen of
rechtspersonen.
2.Een erkenning wordt op aanvraag verleend indien:
a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van de rechtspersoon
beschikken over een met het oog op de erkenning verleende verklaring
omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens dan wel voldoen aan gelijkwaardige eisen van
betrouwbaarheid;
b. de natuurlijke persoon of de bestuurders van de rechtspersoon
aantonen dat de onderhouds- en herstelwerkzaamheden met de grootste
beroepsintegriteit en vakbekwaamheid worden uitgevoerd en
c. wordt voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen
of nadere eisen.
3.De eisen of nadere eisen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c,
kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de voor het onderhoud of herstel beschikbare ruimte en de gebruikte
apparatuur;
b. de deskundigheid van de met het onderhoud of herstel belaste personen
en
c. het proces dat bij het onderhoud of herstel wordt toegepast.
4.Onze Minister kan de erkenning, bedoeld in het tweede lid, onder
beperkingen verlenen en daaraan voorschriften verbinden met betrekking
tot de uit te voeren werkzaamheden.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld over het onderhoud alsmede over de aanvraag en het verlenen van
een erkenning.
6.Onze Minister trekt een erkenning in:
a. op verzoek van degene aan wie deze is verleend;
b. indien degene, aan wie deze is verleend, niet langer voldoet aan de
eisen, bedoeld in het tweede lid.
§ 5. Personeel
Artikel 49
1.Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een
veiligheidsfunctie uitoefenen dienen, behoudens bij algemene maatregel
van bestuur vastgestelde uitzonderingen, te voldoen aan de bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitoefening van die
functie gestelde eisen inzake:
a. minimumleeftijd;
b. medische en psychologische geschiktheid;
c. algemene kennis, bekwaamheid en ervaring;
d. beheersing van de Nederlandse taal.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
over de wijze waarop dient te worden aangetoond dat aan de in het eerste
lid bedoelde eisen wordt voldaan.
Artikel 50
1.Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een
veiligheidsfunctie uitoefenen, beschikken, behoudens bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, over:
a. een certificaat van bekwaamheid, afgegeven door een door Onze
Minister aangewezen exameninstituut, waaruit blijkt dat zij voldoen aan
de in artikel 49, eerste lid, onderdeel c, bedoelde eisen alsmede over
een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige
verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze
Minister aangewezen keuringsinstituut, waaruit blijkt dat zij voldoen
aan de in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, bedoelde eisen; of
b. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van
de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld over de afgifte, de inhoud en de geldigheid van de in het eerste
lid bedoelde documenten alsmede over de aanwijzing van exameninstituten
en keuringsinstituten.
Artikel 51
1.Degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een
veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend verschaft, behoudens bij algemene
maatregel van bestuur omschreven uitzonderingen, aan degene die de
betrokken functie uitoefent, die beschikt over de in artikel 50, eerste
lid, bedoelde documenten en die naar zijn oordeel beschikt over de voor
de uitoefening van die functie vereiste specifieke, taakgebonden en
bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid, een bedrijfspas.
2.De bedrijfspas voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur gestelde eisen.
3.De houder van de bedrijfspas is verplicht die pas op eerste vordering
te tonen aan de krachtens de artikelen 69 en 86 met het toezicht op de
naleving onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten belaste
personen.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld over:
a. de voor de uitoefening van veiligheidsfuncties vereiste specifieke,
taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid;
b. de geldigheidsduur van bedrijfspassen.
Artikel 52
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met het oog op
de veiligheid, regels worden gesteld over de bedrijfsvoering en de
organisatiestructuur van degene onder wiens gezag binnen het
hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend.
Artikel 53
Het is verboden een veiligheidsfunctie binnen het
hoofdspoorwegverkeerssysteem te doen uitoefenen door een persoon:
a. die niet beschikt over de in artikel 50, eerste lid, bedoelde
documenten;
b. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet voldoet
aan de voor de uitoefening van de functie gestelde eisen als bedoeld in
artikel 49.
Artikel 54
Degene onder wiens gezag een persoon die binnen het
hoofdspoorwegverkeerssysteem een functie, niet zijnde een
veiligheidsfunctie, uitoefent die van invloed kan zijn op de veiligheid
van het verkeer over hoofdspoorwegen, draagt er zorg voor dat die
persoon daartoe geschikt is en de nodige kennis en bekwaamheid bezit.
§ 6. De verzekeringsplicht
Artikel 55
1.De spoorwegonderneming die van de hoofdspoorweg gebruik maakt, is
verplicht ter zake van dat gebruik een verzekering te sluiten en in
stand te houden, waarmee haar uit wettelijke aansprakelijkheid
voortvloeiende financiële risico's voldoende zijn gedekt.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld
waarboven de verzekeringsplicht zich niet uitstrekt. Afzonderlijke
bedragen kunnen worden bepaald naar gelang van onder meer de aard van de
gebeurtenis, de aard van de schade, de grond van de aansprakelijkheid en
de aard van de onderneming.
3.Artikel 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is
van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorwegen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 56
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. gerechtigde: gerechtigde als bedoeld in artikel 57;
b. toegangsovereenkomst: toegangsovereenkomst als bedoeld in artikel 59;
c. kaderovereenkomst: kaderovereenkomst als bedoeld in artikel 17 van
richtlijn 2001/14/EG;
d. gebruik van een hoofdspoorweg: het met een spoorvoertuig rijden over
of stilstaan op een hoofdspoorweg;
e. capaciteit: capaciteit van de hoofdspoorweginfrastructuur;
f. netverklaring: netverklaring als bedoeld in richtlijn 2001/14/EG;
g. gebruiksvergoeding: vergoeding als bedoeld in artikel 8 van richtlijn
91/440/EEG en artikel 4 van richtlijn 2001/14/EG.
Artikel 57
Gerechtigd tot het sluiten van een toegangsovereenkomst en een
kaderovereenkomst met de beheerder zijn:
a. spoorwegondernemingen en hun internationale samenwerkingsverbanden
als bedoeld in artikel 3 van richtlijn 91/440/EEG die in het bezit zijn
van een bedrijfsvergunning of deze hebben aangevraagd, voorzover zij
daarmee gerechtigd zijn van de hoofdspoorwegen gebruik te maken op de
wijze waarvoor zij de overeenkomst willen sluiten;
b. concessieverleners als bedoeld in artikel 20 van de Wet
personenvervoer 2000 ten behoeve van openbaar vervoer per trein;
c. andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
bestuursorganen, personen of rechtspersonen.
§ 2. Netverklaring
Artikel 58
1.De beheerder stelt jaarlijks, na overleg met betrokken gerechtigden,
een netverklaring op.
2.De netverklaring bevat de gegevens, bedoeld in artikel 3 en bijlage I
van richtlijn 2001/14/EG, en voorts ten minste:
a. informatie over voor bepaalde soorten van gebruik voorbehouden
capaciteit;
b. een zakelijke weergave van de inhoud van de geldende
kaderovereenkomsten;
c. een prognose omtrent de ontwikkeling van de capaciteit;
d. alle overige relevante informatie voor het gebruik van de capaciteit.
3.Met inachtneming van artikel 3, vierde lid, van richtlijn 2001/14/EG
stelt de beheerder de netverklaring tegen vergoeding van ten hoogste de
kostprijs algemeen verkrijgbaar en zendt haar aan de betrokken
spoorwegondernemingen en de raad van bestuur NMa.
4.De beheerder brengt in de netverklaring zo nodig wijzigingen aan. Met
inachtneming van artikel 8, vierde lid, van richtlijn 2001/14/EG en
tegen vergoeding van ten hoogste de kostprijs stelt hij de gewijzigde
netverklaring algemeen verkrijgbaar en doet hij van de wijzigingen
mededeling aan de betrokken spoorwegondernemingen en aan de raad van
bestuur NMa.
§ 3. Toegangsovereenkomst
Artikel 59
1.Een tussen de beheerder en een gerechtigde gesloten overeenkomst over
het gebruik van capaciteit bevat in elk geval bedingen over:
a. de door de beheerder te bieden kwaliteit van de
hoofdspoorweginfrastructuur;
b. de gebruiksvergoeding.
2.In de overeenkomst wordt uitgesloten dat overeengekomen capaciteit kan
worden overgedragen aan of gebruikt door een ander dan een gerechtigde.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de
overeenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 231 van Boek 6
van het Burgerlijk Wetboek worden vastgesteld. In dat geval wordt in de
overeenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.
§ 4. Kaderovereenkomst
Artikel 60
1.Een tussen de beheerder en een gerechtigde gesloten kaderovereenkomst
voldoet aan artikel 10, vijfde lid, van richtlijn 91/440/EEG en artikel
17 van richtlijn 2001/14/EG.
2.In een kaderovereenkomst wordt uitgesloten dat overeengekomen
capaciteit kan worden overgedragen aan of gebruikt door een ander dan
een gerechtigde.
3.Een kaderovereenkomst met een geldigheidsduur van meer dan vijf jaar
behoeft de voorafgaande instemming van de raad van bestuur NMa.
4.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de
kaderovereenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 231 van
Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden vastgesteld. In dat geval wordt
in de kaderovereenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.
§ 5. Algemene regels over de verdeling van capaciteit
Artikel 61
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
over de verdeling van capaciteit. Die regels kunnen strekken ter
bescherming van het milieu.
2.Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
worden minimale niveaus van capaciteit vastgesteld voor daarbij
aangegeven deelmarkten van het goederenvervoer en het personenvervoer en
worden regels gesteld over de prioriteitscriteria, bedoeld in artikel
22, derde tot en met vijfde lid, van richtlijn 2001/14/EG.
3.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
eerste lid, wordt bepaald in welke gevallen capaciteit tot een bepaald
tijdstip is voorbehouden voor bepaalde soorten gebruik van de
hoofdspoorwegen en vanaf welk tijdstip deze capaciteit beschikbaar is
voor ander gebruik.
4.De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
§ 6. Gebruiksvergoeding
Artikel 62
1.Behoudens het tweede, derde en vijfde lid bedragen de begrote
opbrengsten van de gebruiksvergoeding niet meer dan de begrote kosten
ter zake van de desbetreffende hoofdspoorweginfrastructuur in dat jaar
voor de beheerder.
2.Met betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
hoofdspoorweginfrastructuur kan een gebruiksvergoeding worden
overeengekomen die mede strekt ter dekking van door een ander dan de
beheerder gedane uitgaven voor de aanleg van die infrastructuur.
3.Er kan een verhoging worden overeengekomen voor het gebruik van
overbelaste hoofdspoorweginfrastructuur gedurende periodes van
overbelasting en voor de kosten van milieueffecten van het gebruik van
hoofdspoorweginfrastructuur die niet in de begrote kosten van de
beheerder zijn opgenomen.
4.Er kan een korting als bedoeld in artikel 9 van richtlijn 2001/14/EG
worden overeengekomen.
5.Er kan een aftrek dan wel bijtelling worden overeengekomen in verband
met optredende verstoringen en met het oog op verbetering van de
prestaties van het spoorwegnet.
6.Er kan worden overeengekomen dat de gebruiksvergoeding ook
verschuldigd is voor overeengekomen capaciteit die niet wordt gebruikt.
7.De overeengekomen gebruiksvergoeding voldoet aan de artikelen 4,
vierde en vijfde lid, 7 tot en met 12 en 26, derde lid, van richtlijn
2001/14/EG.
8.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over de maatstaven en nadere regels over de hoogte van de
gebruiksvergoeding.
9.De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 63
1. Onderhandelingen tussen een gerechtigde en de beheerder betreffende
de hoogte van de gebruiksvergoeding zijn niet toegestaan dan na een
melding aan en onder toezicht van de raad van bestuur NMa.
2. De raad van bestuur NMa legt, indien de onderhandelingen naar zijn
oordeel in strijd zijn met richtlijn 2001/14/EG, aan de overtreder zo
nodig een last onder dwangsom op. Aan de last kunnen voorschriften
worden verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de raad van
bestuur NMa. De artikelen 54a, 62 en 65 van de Mededingingswet zijn van
overeenkomstige toepassing.
§ 7. Nadere bepalingen inzake het gebruik van hoofdspoorwegen
Artikel 64
1.De beheerder bevordert dat werkzaamheden aan en nabij de hoofdspoorweg
veilig plaatsvinden. Werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg,
waardoor veilig en ongestoord rijden of stilstaan met spoorvoertuigen
niet mogelijk is, worden slechts uitgevoerd, indien het betrokken
gedeelte van de hoofdspoorweg door de beheerder buiten dienst is
gesteld.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld over het verrichten van werkzaamheden aan of nabij de
hoofdspoorweg.
Artikel 65
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met het oog op
een veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen regels gesteld.
Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. aard, uitvoering, plaatsing, bediening en betekenis van seinen;
b. bewegingen met spoorvoertuigen;
c. het rijden met spoorvoertuigen op de openbare weg;
d. het gebruik van overwegen en overpaden;
e. verplichtingen – in verband met storingen, ongevallen, incidenten
en andere onregelmatigheden – van spoorwegondernemingen, bestuurders
van een spoorvoertuig en andere personen die deelnemen aan het verkeer
over de hoofdspoorweg.
2.Een ieder die zich op de hoofdspoorweg bevindt, neemt de voor hem
bestemde seinen in acht.
§ 8. Onderzoek van ongevallen, incidenten en onregelmatigheden op
hoofdspoorwegen
Artikel 66
1.Onze Minister kan onderzoek verrichten naar de oorzaken van ongevallen
en incidenten op hoofdspoorwegen en naar andere onregelmatigheden in de
afwikkeling van het spoorverkeer waardoor de veiligheid van het
spoorverkeer of van daarbij betrokken personen in gevaar is gebracht of
in gevaar gebracht had kunnen worden, indien hij dit onderzoek nodig
acht ter evaluatie van de wettelijke voorschriften en het beleid op het
terrein van de veiligheid van het spoorverkeer.
2.Ten behoeve van het onderzoek hebben de door Onze Minister aangewezen
ambtenaren jegens spoorwegondernemingen en de beheerder de bevoegdheden,
bedoeld in de artikelen 5:15 tot en met 5:19 van de Algemene wet
bestuursrecht. De artikelen 5:12, 5:13 en 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Onze Minister onthoudt zich van het onderzoek naar de oorzaken van
ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen voorzover de Onderzoeksraad
voor veiligheid naar het betreffende voorval een onderzoek instelt.
Hoofdstuk 5. Toegang tot bijkomende diensten en voorzieningen
Artikel 67
1.Een rechthebbende ten aanzien van een dienst als bedoeld in artikel
10, zesde lid, van richtlijn 91/440/EEG ten behoeve van
spoorwegactiviteiten als bedoeld in dat lid, ten aanzien van een
voorziening of dienst als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage II bij
richtlijn 2001/14/EG of ten aanzien van een bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen, voor het verrichten van vervoer via spoorwegen
noodzakelijke voorziening of dienst doet een spoorwegonderneming die
daarom verzoekt een redelijk aanbod voor het ter beschikking stellen van
die dienst of voorziening tegen kostengeoriënteerde tarieven en onder
voorwaarden die de mededinging niet beperken.
2.De rechthebbende onthoudt zich van iedere vorm van discriminatie
tussen degenen jegens wie de in het eerste lid bedoelde verplichting
geldt.
3.Op de grondslag van hetgeen ingevolge het eerste lid is
overeengekomen, stelt de rechthebbende de dienst of voorziening ter
beschikking. De rechthebbende mag slechts weigeren om de voorziening ter
beschikking te stellen, indien de spoorwegonderneming onder
marktvoorwaarden op een voor haar haalbare andere wijze kan voorzien in
de behoefte die ten grondslag ligt aan haar verzoek.
4.Indien de beheerder rechthebbende is ten aanzien van een dienst als
bedoeld in onderdeel 3 van bijlage II bij richtlijn 2001/14/EG, zijn het
eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing op een
zodanige dienst.
5.Indien er in Nederland slechts één rechthebbende is ten aanzien van
een dienst als bedoeld in onderdeel 3 of 4 van bijlage II bij richtlijn
2001/14/EG, zijn, onverminderd het vierde lid, het eerste en tweede lid
en het derde lid, eerste volzin, van overeenkomstige toepassing op een
zodanige dienst.
Artikel 68
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de
kostenoriëntatie, bedoeld in artikel 67, eerste lid, en nadere regels
ter waarborging van de toegang, op een niet-discriminerende grondslag,
tot diensten en voorzieningen als bedoeld in dat artikel. Die nadere
regels kunnen in elk geval inhouden dat de rechthebbende:
a. jaarlijks bekendmaakt:
1°. een indicatie van de tarieven en voorwaarden die hij voornemens is
te hanteren voor het ter beschikking stellen van de dienst of
voorziening aan spoorwegondernemingen;
2°. een overzicht van de verwachte beschikbaarheid in het volgende
kalenderjaar van de dienst of voorziening;
b. voor de dienst of voorziening een afzonderlijke boekhouding voert en
deze ter inzage legt.
Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen
§ 1. Toezicht
Artikel 69
1.Behoudens artikel 70, tweede lid, aanhef en onder a, zijn met het
toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet
belast de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen personen.
2.Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat een aanduiding van de
voorschriften op naleving waarvan toezicht wordt gehouden.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan
door plaatsing in de Staatscourant.
§ 2. De Nederlandse Mededingingsautoriteit
Artikel 70
1.De raad van bestuur NMa is de toezichthoudende instantie, bedoeld in
artikel 10, zevende lid, van richtlijn 91/440/EEG en de artikelen 30 en
31 van richtlijn 2001/14/EG.
2.De bij besluit van de raad van bestuur NMa aangewezen ambtenaren van
deze autoriteit zijn belast met:
a. voor de toepassing van het eerste lid: het toezicht op de naleving
van het bepaalde krachtens artikel 17, eerste lid, onderdeel d, en het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 27, eerste lid, 57 tot en met 63,
67, 68 en 95, eerste volzin;
b. voor de toepassing van het eerste lid en artikel 71: het onderzoek,
bedoeld in artikel 1 van de Mededingingswet.
3.Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan
door plaatsing in de Staatscourant.
4.Op het tweede lid, onderdeel a, is artikel 51 van de Mededingingswet
van toepassing. Op het tweede lid, onderdeel b, zijn de artikelen 52,
tweede lid, en 53 tot en met 55 van de Mededingingswet van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 71
1. Een gerechtigde als bedoeld in artikel 57 of een andere
belanghebbende kan de raad van bestuur NMa schriftelijk verzoeken om te
onderzoeken of de beheerder, een spoorwegonderneming of een
rechthebbende als bedoeld in artikel 67 of 95 de verzoeker oneerlijk
heeft behandeld, heeft gediscrimineerd of anderszins heeft benadeeld als
bedoeld in artikel 10, zevende lid, van richtlijn 91/440/EEG of artikel
30, tweede lid, van richtlijn 2001/14/EG.
2. Een partij bij een toegangsovereenkomst of een kaderovereenkomst als
bedoeld in hoofdstuk 4 kan de raad van bestuur NMa schriftelijk
verzoeken om een oordeel over het gedrag van de wederpartij.
3. De raad van bestuur NMa geeft zijn oordeel over de klacht uiterlijk
twee maanden na ontvangst van de gegevens en bescheiden die voor zijn
oordeel nodig zijn.
4. Indien de raad van bestuur NMa van oordeel is dat de klacht gegrond
is, legt hij zo nodig een last onder dwangsom op.
5. Aan een last als bedoeld in het vierde lid kunnen voorschriften
worden verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de raad van
bestuur NMa. De artikelen 54a en 65 van de Mededingingswet zijn van
overeenkomstige toepassing.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot ten behoeve van het onderzoek te verstrekken gegevens en
bescheiden, alsmede met betrekking tot de termijnen voor het verstrekken
van de gegevens en bescheiden.
Artikel 72
1.De raad van bestuur NMa en de krachtens artikel 70, tweede lid,
aangewezen ambtenaren gebruiken de gegevens of inlichtingen die zij
hebben verkregen bij de uitoefening van hun in dat artikel bedoelde
taken, uitsluitend voor de uitoefening van die taken of van de bij of
krachtens de Mededingingswet aan hen opgedragen taken of toegekende
bevoegdheden.
2.De raad van bestuur NMa kan desgevraagd aan Onze Minister de voor de
uitoefening van diens taak benodigde gegevens of inlichtingen
verstrekken.
3.Onze Minister kan desgevraagd aan de raad van bestuur NMa de voor de
uitoefening van diens taak benodigde gegevens of inlichtingen
verstrekken.
Artikel 73
De raad van bestuur NMa stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op van
zijn werkzaamheden ingevolge deze wet in het voorafgaande kalenderjaar.
Het verslag wordt toegezonden aan Onze Minister en Onze Minister van
Economische Zaken en algemeen verkrijgbaar gesteld.
Artikel 74
1.Onze Minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de
uitoefening van in deze wet aan de raad van bestuur NMa toegekende
bevoegdheden.
2.De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de
Staatscourant.
3.Indien beleidsregels als bedoeld in het eerste lid betrekking hebben
op de interpretatie van mededingingsbegrippen, stelt Onze Minister die
beleidsregels vast in overeenstemming met Onze Minister van Economische
Zaken.
§ 3. Bestuursrechtelijke handhaving
Artikel 75
De raad van bestuur NMa kan aan degene die jegens een krachtens artikel
70, tweede lid, aangewezen ambtenaar in strijd handelt met artikel 5:20
van de Algemene wet bestuursrecht, een bestuurlijke boete opleggen van
ten hoogste € 450 000 of, indien het een onderneming of
ondernemingsvereniging als bedoeld in artikel 1 van de Mededingingswet
betreft en indien dat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van de
onderneming, onderscheidenlijk van de gezamenlijke omzet van de
ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar
voorafgaande aan de beschikking. De artikelen 69, tweede lid, 70, 75a,
77, 80 en 82 van de Mededingingswet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 76
1. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde
verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen als bedoeld in
het tweede lid.
2. In geval van overtreding van het bepaalde krachtens artikel 17,
eerste lid, onderdeel d, of het bepaalde bij of krachtens de artikelen
27, eerste lid, 57 tot en met 62, 63, eerste lid, 67, 68 en 95, eerste
volzin, kan de raad van bestuur NMa de overtreder:
a. een bestuurlijke boete opleggen;
b. een last onder dwangsom opleggen.
3. Op het tweede lid zijn de artikelen 54a, 57, 58, 59a, 62 en 64 tot en
met 68 van de Mededingingswet van overeenkomstige toepassing.
4. Artikel 70b van de Mededingingswet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 77
1.Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van
overtreding van de artikelen 33, zevende lid, 36, eerste lid, 53, en 96,
tweede lid.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 78 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 79 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 80
1. Voor de overtredingen gelden de volgende vaste bedragen van de
bestuurlijke boete:
a. voor overtreding van de artikelen 36, eerste lid, en 53: € 10 000;
b. voor overtreding van artikel 96, eerste lid: € 50 000.
2. Indien de boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling
vermeld in het eerste lid is bij de vaststelling van de hoogte van deze
boete de onderstaande categorie-indeling naar omzet van toepassing met
de daarbij behorende factor. De omzet is de omzet in het kalenderjaar
voorafgaand aan de datum van overtreding. De boete wordt vastgesteld
door het in het eerste lid vermelde bedrag te vermenigvuldigen met de
factor behorende bij de onderstaande omzet-categorie:
– Categorie I: ondernemingen met een omzet van minder dan € 100 000:
factor 0,25.
– Categorie II: ondernemingen met een omzet van ten minste € 100 000
maar minder dan € 200 000: factor 0,5.
– Categorie III: ondernemingen met een omzet van ten minste € 200
000 maar minder dan € 500 000: factor 1.
– Categorie IV: ondernemingen met een omzet van ten minste € 500 000
maar minder dan € 1 000 000: factor 2.
– Categorie V: ondernemingen met een omzet van meer dan € 1 000 000:
factor 3.
3. Indien de gegevens omtrent de omzet niet aan Onze Minister
beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister aan degene aan wie de
boetewordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te
stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de
gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de
hoogte van de in het tweede lid bedoelde boete categorie V van
toepassing.
4. De in het eerste en tweede lid vermelde bedragen en factoren kunnen
bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.
Artikel 81 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 82 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 83 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 84 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 85 [Vervallen per 01-07-2009]
§ 4. Strafrechtelijke handhaving
Artikel 86
1.Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde
feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, belast de met betrekking tot deze wet krachtens artikel
17, eerste lid, onderdeel 2°, van de Wet op de economische delicten
aangewezen ambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de
opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en
met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voorzover deze feiten
betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of
ondernomen door henzelf.
2.Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde
feiten zijn voorts belast de bij besluit van Onze Minister en Onze
Minister van Justitie tezamen aangewezen personen.
3.Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan
door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 87
1.Overtreding van de artikelen 4, vierde lid, 19, 21, 22, eerste lid,
onderdelen c en d, en 51, derde lid, alsmede overtreding van de
krachtens hoofdstuk 2 en de artikelen 64, tweede lid, 65, eerste lid, en
94 vastgestelde voorschriften, voorzover die overtreding daarbij
uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede
categorie.
2.Overtreding van de artikelen 3, 22, eerste lid, onderdelen a en b, en
65, tweede lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de derde categorie.
3.Overtreding van artikel 4, eerste, tweede en derde lid, artikel 88,
derde lid, artikel 89, tweede, zesde, achtste en negende lid, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van
de vierde categorie.
4.Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent,
wegens overtreding van artikel 4, eerste of tweede lid, kan hem de
bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste vijf
jaren worden ontzegd.
5.Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent,
wegens overtreding van het bepaalde krachtens deze wet, kan hem in die
gevallen waarin dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald, de
bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste twee
jaar worden ontzegd.
6.De feiten strafbaar gesteld bij dan wel krachtens de in het eerste en
tweede lid bedoelde bepalingen zijn overtredingen. De in het derde lid
strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 88
1.Een van de bij of krachtens artikel 86 van deze wet of artikel 141 van
het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van strafbare feiten
belaste ambtenaren, kan een in artikel 4, eerste lid, bedoelde persoon
van wie, uit het in artikel 4, vierde lid, bedoelde onderzoek of op
andere wijze, naar het oordeel van die ambtenaar gebleken is dat hij
onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een
veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige
functie toezicht te houden, een verbod opleggen tot het uitoefenen van
die functie of tot het houden van toezicht daarop, voor de tijd
gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal
voortduren tot ten hoogste vierentwintig uur. De eerste volzin is van
overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een
veiligheidsfunctie te gaan uitoefenen dan wel op de uitoefening van
zodanige functie toezicht te houden.
2.De ambtenaar die een verbod als bedoeld in het eerste lid oplegt, legt
dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van
het verbod bevat.
3.Het is degene aan wie een verbod als bedoeld in het eerste lid is
opgelegd, verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de
uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, gedurende de tijd
waarvoor dat verbod geldt.
Artikel 89
1.Bij verdenking dat een persoon heeft gehandeld in strijd met artikel
4, eerste, tweede of derde lid, kan de in artikel 88, eerste lid,
bedoelde ambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een
onderzoek als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a.
2.Degene aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is
verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat
en gevolg te geven aan alle door de betrokken ambtenaar ten dienste van
het onderzoek gegeven aanwijzingen.
3.De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de
verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan
een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen
onwenselijk is.
4.In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking
van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan
de betrokken ambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft
tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 4, tweede
lid, onderdeel b. Gelijke bevoegdheid heeft de betrokken ambtenaar,
indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een
andere in artikel 4, eerste lid, bedoelde stof dan alcoholhoudende drank
verkeert.
5.Indien de verdachte zijn op grond van het vierde lid gevraagde
toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een
hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze
Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de
uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een
bloedonderzoek.
6.Degene wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is
verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen.
Hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek
noodzakelijk is.
7.De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de
verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om
bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
8.De krachtens het zevende lid van de in het zesde lid genoemde
verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan
een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of
door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie
aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak,
bevolen onderzoek ten einde op andere wijze dan door bloed- of
ademonderzoek het gebruik van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde
stoffen of het in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, genoemde gehalte
vast te stellen.
9.Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan
hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van
justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van
Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid
bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om
bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het
bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is
gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem
overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te
verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is
verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn
medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.
10.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de wijze van uitvoering van artikel 4, vierde lid, en van dit artikel.
Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het
doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister
van Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur
aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels
vastgesteld.
§ 5. Beroep
Artikel 90
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor
beroepen tegen besluiten op grond van deze wet, met uitzondering van
besluiten op grond van de artikelen 19 en 21, de rechtbank te Rotterdam
bevoegd.
§ 6. Heffingen
Artikel 91
1.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aan het betrokken
bestuursorgaan een vergoeding verschuldigd is volgens de daarbij vast te
stellen tarieven ter zake van het overeenkomstig deze wet aanvragen of
verstrekken van een bij of krachtens deze wet te nemen besluit, te
verstrekken certificaat of ander document.
2.De hoogte van de krachtens het eerste lid vastgestelde tarieven wordt
zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de vergoedingen voor het
betrokken bestuursorgaan niet uitgaan boven de geraamde lasten van het
betrokken bestuursorgaan ter zake van de behandelingen van de aanvragen
en het verstrekken van de besluiten en documenten, bedoeld in het eerste
lid.
§ 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving
Artikel 92
1.Een wijziging van richtlijn 91/440/EEG, richtlijn 95/18/EG, richtlijn
2001/14/EG, richtlijn 96/48/EG en richtlijn 2001/16/EG gaat voor de
toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de
betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
2.Onze Minister kan met inachtneming van artikel 7 van richtlijn
96/48/EG dan wel van richtlijn 2001/16/EG een technische specificatie
inzake interoperabiliteit geheel of gedeeltelijk buiten toepassing
verklaren.
§ 8. Aanwijzing van keuringsinstanties
Artikel 93
1.Onze Minister wijst de instanties aan die zijn belast met:
a. de beoordeling van de conformiteit of van de geschiktheid voor
gebruik als bedoeld in de artikelen 13 van de richtlijnen 96/48/EG en
2001/16/EG en de afgifte van de bijbehorende EG-verklaringen van
conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in de artikelen 10
van deze richtlijnen;
b. de goedkeuring als bedoeld in de artikelen 18 van de richtlijnen
96/48/EG en 2001/16/EG en de afgifte van de bijbehorende
EG-keuringsverklaringen als bedoeld in de artikelen 16 van deze
richtlijnen;
c. de afgifte van goedkeuringscertificaten als bedoeld in artikel 8,
tweede lid, onderdeel c;
d. de afgifte van goedkeuringscertificaten als bedoeld in artikel 36,
eerste lid;
e. het onderzoek, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel c.
2.De instanties, de directeur en het personeel daarvan voldoen ten
minste aan de toepasselijke eisen, neergelegd in bijlage VII van
richtlijn 96/48/EG, respectievelijk richtlijn 2001/16/EG, en aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen.
3.Aan de aanwijzing kunnen voorschriften en beperkingen worden
verbonden.
4.De instanties verrichten hun werkzaamheden met inachtneming van de
toepasselijke bepalingen in bijlage VI van richtlijn 96/48/EG
respectievelijk richtlijn 2001/16/EG en het Besluit nr. 93/465/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 betreffende de
modules voor de verschillende fasen van de
overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het
aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming (PbEG
L 220).
5.De instanties stellen na elk onderzoek een onderzoekscertificaat op,
in voorkomend geval met vermelding van de geldigheidsduur en van de
voorwaarden waaronder het geldig is.
6.Onze Minister trekt de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, in
indien de betrokken instantie niet langer voldoet aan de toepasselijke
eisen van bijlage VII van de desbetreffende richtlijn. Onze Minister kan
de aanwijzing intrekken, indien de betrokken instantie niet langer
voldoet aan bijlage VI van de desbetreffende richtlijn of de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen, bedoeld in het tweede lid.
7.Onze Minister doet mededeling van een aanwijzing of van een intrekking
van een aanwijzing door kennisgeving in de Staatscourant.
§ 9. Bepalingen inzake bijzondere en lokale spoorwegen [Treedt in
werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 94 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op het veilig
gebruik van bijzondere en lokale spoorwegen, ten aanzien van die
spoorwegen regels worden gesteld over:
a. technische eigenschappen van de spoorweginfrastructuur;
b. veiligheidsvoorzieningen en -maatregelen;
c. seingeving;
d. opening van spoorwegbruggen;
e. technische eigenschappen alsmede goedkeuring en toelating tot het
verkeer van spoorvoertuigen;
f. verkeersgedrag en voorwaarden waaronder het gebruik van spoorwegen is
toegestaan;
g. rijvaardigheid en rijbevoegdheid.
Artikel 95 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De rechthebbende ten aanzien van een bijzondere of lokale spoorweg die
onder de werking van de richtlijnen 91/440/EEG, 95/18/EG of 2001/14/EG
valt, verleent aan spoorwegondernemingen recht op toegang of gebruik
overeenkomstig de in die richtlijnen opgenomen voorschriften en
overigens tegen eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden.
Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing. De vergunning, bedoeld in
artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 95/18/EG, wordt verleend door Onze
Minister met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 3, paragraaf 2.
§ 10. Informatieplicht van spoorwegondernemingen en de beheerder
Artikel 96
1.Spoorwegondernemingen en de beheerder zijn verplicht Onze Minister
mondeling, schriftelijk of op andere wijze – dit ter keuze van Onze
Minister na overleg met de betrokken spoorwegonderneming of betrokken
beheerder – alle bij hen berustende gegevens te verstrekken en inzage
te geven van boeken en bescheiden die betrekking hebben op het gebruik
of beheer van spoorwegen en het vervoer daarover, voorzover Onze
Minister dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig
heeft.
2.Degene van wie krachtens het eerste lid gegevens worden verlangd, is
op de door Onze Minister aan te geven wijze en binnen de door hem te
bepalen termijn verplicht deze volledig en naar waarheid te verstrekken
en degene van wie inzage wordt verlangd is verplicht deze ongestoord te
verlenen.
3.Onze Minister gebruikt gegevens of inlichtingen omtrent een
spoorwegonderneming die hij heeft verkregen in verband met enige
werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van een van zijn taken,
uitsluitend voor de uitvoering van die taak.
§ 11. De verwerking van persoonsgegevens
Artikel 97
Voorzover dit noodzakelijk is ter beoordeling van het voldoen aan de bij
of krachtens deze wet gestelde voorschriften kunnen gegevens betreffende
het gedrag van bestuurders, het gedrag van een vergunninghouder en de
gezondheid van personeel worden verwerkt. Onze Minister is
verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens als bedoeld in de
Wet bescherming persoonsgegevens.
Hoofdstuk 7 [Vervallen per 16-03-2005]
Artikel 98 [Vervallen per 16-03-2005]
Artikel 99 [Vervallen per 16-03-2005]
Artikel 100 [Vervallen per 16-03-2005]
Artikel 101 [Vervallen per 16-03-2005]
Artikel 102 [Vervallen per 16-03-2005]
Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten
Artikel 103
De volgende wetten worden ingetrokken op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld:
a. de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67);
b. de wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en
het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid
wordt vervoerd (Stb. 118);
c. de wet van 1 november 1924, houdende wettelijke maatregelen tegen
aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen,
afkomstig van spoorstaven van electrische spoor- en tramwegen (Stb.
498);
d. de wet van 15 december 1917, houdende voorschriften omtrent aanleg en
instandhouding van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid
wordt vervoerd, op wegen niet onder beheer van het Rijk (Stb. 703);
e. de wet van 26 mei 1937 tot reorganisatie van het spoorwegbedrijf
(Stb. 520);
f. de wet van 11 juni 1998, houdende wijziging van de Spoorwegwet ter
implementatie van richtlijn nr. 95/18/EG en richtlijn nr. 95/19/EG (Stb.
374).
Artikel 104
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie]
Artikel 105
[Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden]
Artikel 106
[Wijzigt de Vervoersnoodwet]
Artikel 107
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 108
[Wijzigt de Tracéwet]
Artikel 109
[Wijzigt de Wet geluidhinder]
Artikel 110
[Wijzigt de Wet Infrastructuurfonds]
Artikel 111
[Wijzigt de Vestigingswet Bedrijven 1954]
Artikel 112
[Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994]
Artikel 113
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht]
Artikel 114
[Wijzigt de Wegenwet]
Artikel 115
[Wijzigt de Wet Raad voor de Transportveiligheid]
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving
Artikel 116
Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de hierna genoemde algemene
maatregelen van bestuur, voorzover zij niet voordien zijn ingetrokken,
op de daarbij vermelde artikelen van deze wet:
a. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden]
b. het Algemeen Reglement Vervoer berust op dit artikel;
c. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden]
d. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden]
§ 2. Overige overgangsbepalingen
Artikel 117
De schadevergoedingsplicht, bedoeld in artikel 57, eerste en tweede lid,
van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, rust niet op de eigenaar van een
erf met een recht van uitweg over de hoofdspoorweg, indien dat recht van
kracht was op de dag voorafgaande aan de dag waarop artikel 103,
onderdeel a, in werking treedt.
Artikel 118
1.Tot en met de eerste dag van de vierde kalendermaand na de dag waarop
artikel 28 in werking treedt, worden houders van een vergunning voor
openbaar vervoer per trein, verleend ingevolge de Wet personenvervoer of
de Wet personenvervoer 2000, en houders van een erkenning als
spoorwegonderneming, afgegeven door Onze Minister, voor de toepassing
van deze wet aangemerkt als houders van een bedrijfsvergunning.
2.Het eerste lid geldt ook na de daarin bedoelde periode ten aanzien van
de in het eerste lid bedoelde houders, indien zij voor de afloop van die
periode een aanvraag hebben ingediend voor een vergunning als bedoeld in
artikel 28 en zolang als daarop niet onherroepelijk is beslist.
Artikel 119
1.Vergunningen die ingevolge artikel 29a van de Spoorwegwet (Stb. 1875,
67) zijn verleend en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet, worden vanaf de dag waarop artikel 28 in werking treedt,
aangemerkt als verleend op grond van artikel 28.
2.Vergunningaanvragen die ingevolge artikel 29a van de Spoorwegwet (Stb.
1875, 67) door Onze Minister in behandeling zijn genomen voor het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag waarop
artikel 28 in werking treedt, aangemerkt als vergunningaanvragen op
grond van artikel 28.
Artikel 120
1.Een geldende concessie ter uitoefening van de dienst verleend op grond
van artikel 2 van de Wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van
den dienst en het gebruik van spoorwegen waarop uitsluitend met beperkte
snelheid wordt vervoerd (Stb. 118) wordt tot en met de eerste dag van de
vierde kalendermaand na de dag waarop artikel 103, onderdeel b, in
werking treedt, aangemerkt als een veiligheidsattest als bedoeld in
artikel 32.
2.De in het eerste lid bedoelde concessie wordt ook na de daarin
bedoelde periode aangemerkt als een veiligheidsattest als bedoeld in
artikel 32, indien de houder voor die dag een aanvraag heeft ingediend
voor een veiligheidsattest als bedoeld in artikel 32 en zolang daarop
niet onherroepelijk is beslist.
Artikel 121
Hoofdspoorweginfrastructuur die in overeenstemming met de daarvoor
geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag
waarop artikel 6 in werking treedt, wordt gebruikt, wordt met ingang van
de dag waarop dat artikel in werking treedt, aangemerkt als in
overeenstemming met dat artikel.
Artikel 122
1.Een spoorvoertuig dat in overeenstemming met de daarvoor geldende
voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop
artikel 36 in werking treedt, kan worden gebruikt op de hoofdspoorweg,
wordt met ingang van de dag waarop dat artikel in werking treedt,
aangemerkt als in overeenstemming met de onderdelen a en b van dat
artikel.
2.Artikel 39, eerste lid, is niet van toepassing op spoorvoertuigen en
uitrusting daarvan die voor de datum van inwerkingtreding van dat
artikel in gebruik zijn genomen.
Artikel 123
Erkenningen op grond van artikel 32d, zevende lid, van de Spoorwegwet
(Stb. 1875, 67) berusten met ingang van de dag waarop artikel 93 in
werking treedt op artikel 93, eerste lid.
Artikel 124
1.In afwijking van artikel 2, tweede en vijfde lid, kunnen spoorwegen
als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien deze spoorwegen
rechtstreeks of middellijk in overwegende mate zijn aangelegd op kosten
van het Rijk en naar het oordeel van Onze Minister voldoende is komen
vast te staan dat gedurende de periode van twee jaar voorafgaand aan de
datum van inwerkingtreding van artikel 2, tweede lid deze spoorwegen
door Railinfrabeheer b.v., gevestigd te Utrecht, werden onderhouden.
2.Tot 1 januari 2010 kunnen in afwijking van artikel 2, tweede en vijfde
lid, spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien
Railinfrabeheer b.v., of Railinfratrust b.v., gevestigd te Utrecht, of
hun rechtsopvolger rechthebbende is ten aanzien van deze spoorwegen.
Artikel 125
1.Indien de Staat houder is van alle aandelen in het kapitaal van
Railinfratrust b.v., gevestigd te Utrecht, gaan op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip alle vermogensbestanddelen van deze
vennootschap om niet onder algemene titel over op de Staat.
2.De overgang van registergoederen ingevolge het eerste lid doet Onze
Minister van Financiën onverwijld inschrijven in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet
van toepassing.
3.Ter zake van de overgang, bedoeld in het eerste lid, is geen
overdrachtsbelasting of omzetbelasting verschuldigd. Ter zake van het in
ontvangst nemen en het in de openbare registers verwerken is geen tarief
verschuldigd.
4.In wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij de in het eerste
lid genoemde vennootschap is betrokken, treedt met ingang van de het in
het eerste lid bedoelde tijdstip de Staat in de plaats van die
vennootschap.
5.Met ingang van het in het eerste lid bedoelde tijdstip is de in het
eerste lid genoemde vennootschap ontbonden. Artikel 23 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 126
Onze Minister zendt in het jaar 2006 aan de Staten-Generaal een verslag
over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 127
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 128
Deze wet wordt aangehaald als: Spoorwegwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 april 2003
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
R.H. de Boer
Uitgegeven dertigste juni 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|