Nadere regelgeving:
- Besluit
personenvervoer 2000 (Bp 2000)
- Besluit
spoorwegbruggen
- Metroreglement
- Reglement
dienst hoofd- en lokaalspoorwegen (RDHL)
WET van 9 april 1875 tot regeling van de
dienst en het gebruik der spoorwegen, en zulks met intrekking der wet
van 21 augustus 1859 (Staatsblad n°. 98)
WIJ WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van
Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat de wijziging en
aanvulling, welke de wet van 21 Augustus 1859 (Staatsblad n°.
98), omtrent de spoorwegdiensten en het gebruik der spoorwegen behoeft,
het raadzaam maken haar door eene nieuwe wet te doen vervangen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen
Artikel 1
Onder voorbehoud van afdeling 5 van titel 2 van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek zijn de ondernemers eener Spoorwegdienst
verantwoordelijk voor de schade, door personen of goederen bij de
uitoefening der dienst geleden, ten ware de schade buiten hunne schuld
of die hunner beambten of bedienden zij ontstaan.
Artikel 2 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 3
Ondernemers van spoorwegdiensten zijn niet bevoegd hunne
verantwoordelijkheid voor verlies, vertraagde bezorging van of schade
aan koopmanschappen en goederen, noch den omvang en duur hunner
verpligtingen en den bewijslast door eenig beding van den vrachtbrief,
of door bijzondere dienstreglementen uit te sluiten of te beperken, dan
met inachtneming der regels, door Ons bij algemeenen maatregel van
inwendig bestuur vast te stellen.
Artikel 4
1.De ondernemers zijn verpligt te gedoogen, dat aan den spoorweg,
waarover hunne dienst loopt, spoorwegen, door andere aan te leggen,
zich aansluiten, en dat die weg door zoodanige wegen worde doorsneden.
2.Zoo, ten behoeve der aansluiting of doorsnijding, op den
eerstgenoemden spoorweg werken te verrigten zijn, of de dienst moet
worden gestaakt, wordt deswege door de ondernemers der aan te leggen
spoorwegen schadeloosstelling verleend.
3.Indien Wij den aanleg van wegen, kanalen, waterleidingen of
andere werken gebieden of toestaan, die den spoorweg doorsnijden of
daarmede in aanraking komen, kunnen de ondernemers dit niet beletten,
noch uit dien hoofde andere schadevergoeding vorderen dan teruggave
van de vermeerdering der kosten van onderhoud en dienst, die uit den
aanleg dier werken mogt voortvloeijen.
4.In zoodanig geval zorgt de Minister van Verkeer en Waterstaat,
dat, zonder kosten voor de ondernemers, alle definitieve of
voorloopige werken worden uitgevoerd, die vereischt worden om te
beletten, dat de exploitatie van den spoorweg gestoord of gestaakt
worde.
Artikel 5
1.De ondernemers zijn insgelijks verpligt te gedoogen, dat de weg,
waarover hunne dienst loopt, en de daartoe behoorende stations ten
behoeve van andere spoorwegdiensten worden gebruikt.
2.Dit geschiedt krachtens een door Ons daartoe te nemen besluit,
tegen schadeloosstelling, door de ondernemers der spoorwegdienst, ten
wier behoeve het gemeenschappelijk gebruik van den weg of van een
station wordt gegund, te voldoen.
3.Het gemeenschappelijk gebruik van den weg heeft plaats
overeenkomstig een reglement, door Ons, de bestuurders der betrokken
spoorwegdiensten gehoord, vast te stellen.
4.De bepalingen voor het gebruik van stations tot
gemeenschappelijke dienst en de uitvoering der daarvoor noodige werken
worden door de ondernemers der betrokken spoorwegdiensten, met
instemming van Onzen Minister van Verkeer en Waterstaat, onderling bij
overeenkomst geregeld.
5.Indien het deswege te houden overleg niet binnen den door Onzen
Minister van Verkeer en Waterstaat te bepalen tijd tot overeenstemming
heeft geleid, worden die bepalingen door Ons, bestuurders der
betrokken spoorwegdiensten gehoord, vastgesteld.
6.De schadeloosstellingen, in dit en in het vorig artikel bedoeld,
worden, bij gebreke van minnelijke schikking, door den regter bepaald.
Artikel 6
1.De bestuurders eener spoorwegdienst stellen een reglement voor
hunne dienst vast, en onderwerpen dat aan de instemming van den
Minister van Verkeer en Waterstaat.
2.Voordat met dit reglement is ingestemd, wordt de dienst niet
geopend.
3.Geene veranderingen worden zonder instemming van den Minister van
Verkeer en Waterstaat in het reglement gebragt, die noodige
veranderingen, ook nadat ermee ingestemd is, de ondernemers gehoord,
bevelen kan.
4.De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
1.De dienst wordt niet geopend, noch na eene staking hervat, dan
nadat de Minister van Verkeer en Waterstaat daartoe machtiging heeft
verleend.
2.Alvorens die machtiging wordt verleend, heeft eene opneming van
den weg en van de daartoe behoorende werken van regeringswege plaats.
3.Gelijke opneming gaat het in gebruik nemen van nieuwe of
herstelde locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens vooraf.
Artikel 8 [Vervallen per 03-12-1997]
Artikel 9
1.Voor bestuurders van spoorwegdiensten worden gehouden zij, die,
hetzij als ondernemers, hetzij namens de ondernemers, het opperbestuur
over de dienst uitoefenen.
Artikel 9a
De artikelen 75, eerste lid, en 186, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek gelden niet voor ondernemers van een spoorwegdienst
ten aanzien van door hen uitgegeven documenten voor het goederenvervoer.
Hoofdstuk II. Van het toezigt op de spoorwegen
Artikel 10
1.Vanwege de Minister van Verkeer en Waterstaat wordt inspectie op
de spoorwegen uitgeoefend door een onder eenhoofdige leiding te
stellen dienst. Bij algemene maatregel van bestuur worden terzake
regels gesteld.
2.De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
in het eerste lid bedoelde ambtenaren, met dien verstande dat zij niet
bevoegd zijn:
a. rijtuigen van treinen voor autoriteiten of bestuurders van
de spoorwegdienst aangewezen of door bijzondere personen gehuurd
te betreden; en
b. inlichtingen te vragen dan wel inzage te vorderen van
zakelijke gegevens en bescheiden met betrekking tot het geldelijk
beheer van de spoorwegdienst.
3.De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn tevens belast met
het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
wet.
4.De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in
de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
5.De toezichthouder is niet bevoegd:
a. rijtuigen van treinen voor autoriteiten of bestuurders van
de spoorwegdienst aangewezen of door bijzondere personen gehuurd
te betreden; en
b. inlichtingen te vragen dan wel inzage te vorderen van
zakelijke gegevens en bescheiden met betrekking tot het geldelijk
beheer van de spoorwegdienst.
Artikel 11
De in artikel 10 bedoelde ambtenaren hebben recht op gratis vervoer
in alle treinen.
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 13
1.De in artikel 10 bedoelde ambtenaren geven schriftelijk kennis
aan de bestuurders der spoorwegdienst van hetgeen naar hun oordeel tot
instandhouding van den spoorweg en tot behoorlijke uitoefening van de
dienst behoort te worden gedaan.
2.Zij roepen, zoo de bestuurders daaraan geen behoorlijk gevolg
geven, de beslissing van den Minister van Verkeer en Waterstaat in.
3.De bestuurders kunnen tegen hetgeen hun aanbevolen werd,
administratief beroep instellen bij de Minister.
4.Bij onmiddellijk gevaar kan degene, die ingevolge de bij artikel
10, eerste lid, bedoelde regelen als hoofd van het toezicht is
aangewezen, of de Minister last geven tot onverwijlde voorziening
niettegenstaande het administratief beroep.
Artikel 14
1. Aan de beslissing van den Minister van Verkeer en Waterstaat
wordt binnen den daarbij te stellen tijd door de bestuurders der
dienst voldaan.
2. Geschiedt dit niet, dan is de Minister van Verkeer en Waterstaat
bevoegd:
zoo er nalatigheid bestaat met opzigt tot het herstellen of
vernieuwen van den spoorweg of van de daartoe behoorende werken en
gebouwen, of met opzigt tot de aanvulling van behoeften voor de dienst
en van het getal beambten of bedienden, staking van de dienst te
bevelen;
zoo die bestaat met opzigt tot het herstellen of vernieuwen van de
voor de spoorwegdienst bestemde locomotieven, tenders, rijtuigen of
wagens, het gebruik van zoodanige locomotieven, tenders, rijtuigen of
wagens te verbieden en, zoo noodig, tot oplegging van een last onder
bestuursdwang.
Artikel 15
De Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van
een last onder bestuursdwang ter handhaving van zijn beslissing, indien
de bestuurders van de spoorwegdienst de bevolen herstellingen of
vernieuwingen aan de spoorweg of aan de daartoe behorende werken en
gebouwen niet uitvoeren, of niet tot de door hem nodig geachte
aanvulling van behoeften voor de dienst of van het getal beambten of
bedienden overgaan.
Artikel 16
1.Vordert de openbare veiligheid dadelijke staking van de dienst,
hetzij over den geheelen weg, hetzij over een gedeelte daarvan, dan
kan die staking worden bevolen door een in artikel 10 bedoelde
ambtenaar.
2.Dit bevel wordt gegeven door hem, die daartoe, volgens de door
Ons voor te schrijven regelen, bevoegd is, en zooveel mogelijk
schriftelijk gerigt aan de hoofdbeambten van de meest nabij zijnde
stations, die daarvan terstond aan alle hoofdbeambten van de stations
langs den weg kennis geven.
Artikel 17
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 17a , 18, 19, 23,
24 en 50, tweede alinea, in werking worden gesteld.
2.Wanneer het in de eerste alinea bedoelde besluit is genomen,
wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden
omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in
werking gestelde bepalingen.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepalingen die ingevolge de eerste alinea in
werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
worden bepalingen die ingevolge de eerste alinea in werking zijn
gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons
oordeel toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in de eerste, derde en vierde alinea, wordt
op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking..
6.Het besluit, bedoeld in de eerste, derde en vierde alinea, wordt
in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 17a
Wegens redenen van staatsbelang kan staking van de dienst door de
Minister van Verkeer en Waterstaat worden bevolen.
Artikel 18
In het geval, bij het vorige artikel bedoeld zorgt de Minister van
Verkeer en Waterstaat, dat zooveel mogelijk worde voorzien in de
behoeften van het verkeer in de rigting van den spoorweg.
Artikel 19
Staking der dienst in het geval, bij artikel 17a bedoeld, wordt in de
Staatscourant vermeld, en in de provincien, door welke de weg loopt, zoo
spoedig mogelijk, algemeen bekend gemaakt.
Artikel 20
Eene krachtens deze wet gestaakte dienst wordt niet hervat dan na
bekomen toestemming van den Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 21
De Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van
een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bevel tot staking
dan wel ter voorkoming van het hervatten van de dienst zonder de in
artikel 20 bedoelde toestemming.
Artikel 22
De in artikel 10 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd locomotieven,
tenders, rijtuigen of wagens onverwijld uit een trein te doen
verwijderen en het vertrek van een trein te verbieden, indien de
toestand van het materieel of de zamenstelling van den trein, naar hun
oordeel, voor den trein gevaar kan doen ontstaan.
Artikel 23
1.De Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd bevel te geven
tot gehele of gedeeltelijke onbruikbaarmaking van de baan en de daarop
aanwezige bruggen, telegraaflijnen en seintoestellen.
2.Indien op grond van de eerste alinea onbruikbaarmaking heeft
plaatsgevonden, wordt de spoorweg, zo spoedig als het staatsbelang
zulks gedoogt, op bevel van de Minister van Verkeer en Waterstaat en
op kosten van het Rijk in de vorige toestand hersteld.
Artikel 24
1.Indien de Minister van Verkeer en Waterstaat staking van de
dienst beveelt vanuit het oogpunt van belangen van ’s lands
verdediging, kan hij tevens bepalen dat alle locomotieven, tenders,
rijtuigen, wagens en ander materieel van de spoorweg worden
verwijderd.
2.In het geval, bedoeld in de eerste alinea, wijst de Minister van
Defensie de plaats of plaatsen aan waarheen dat materieel moet worden
vervoerd.
Artikel 25 [Vervallen per 03-12-1997]
Artikel 26 [Vervallen per 03-12-1997]
Artikel 27
Bij algemene maatregel van bestuur worden - met uitzondering van
arbeids- en rusttijden van het personeel in dienst van een
spoorwegonderneming - geregeld:
de dienst op de stations;
het toezigt over de baan en de bediening der seinen;
de inrigting van en het toezigt over de locomotieven, tenders,
rijtuigen en wagens;
de zamenstelling der treinen;
de snelheid waarmede de treinen zijn te vervoeren;
het getal beambten en bedienden, op elken trein noodig;
hetgeen in het belang der orde op elken trein is in acht te nemen;
de voorwaarden voor het vervoer van goederen;
het afhalen en bestellen der goederen, en het loon daarvoor te
genieten;
de behandeling der onafgehaalde of onbestelbare goederen;
de tijd waarna die goederen kunnen verkocht worden, en de wijze
waarop die verkoop zal kunnen geschieden;
de beëediging van de beambten en bedienden van den spoorweg;
en hetgeen verder ter verzekering van de behoorlijke uitoefening der
spoorwegdiensten en het veilig verkeer over de spoorwegen, krachtens
deze wet, is voor te schrijven.
Artikel 27a [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 27b [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 27c [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 27d [Vervallen per 01-07-1999]
Hoofdstuk III [Vervallen per 01-01-2005]
§ 1 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2005]
§ 2 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2005]
§ 3 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 29a [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 29b [Vervallen per 01-01-2005]
§ 4 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 29c [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 29d [Vervallen per 01-01-2005]
§ 5 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 29e [Vervallen per 01-01-2005]
§ 6 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 29f [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 29g [Vervallen per 01-01-2005]
§ 7 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 30 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2005]
§ 8 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 31a [Vervallen per 01-01-2005]
§ 9 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 31b [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 31c [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 31d [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 31e [Vervallen per 01-01-2005]
§ 10 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 31f [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 31g [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 31h [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2005]
Hoofdstuk IIIA [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 32a [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 32b [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 32c [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 32d [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 32e [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 32f [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 32g [Vervallen per 01-01-2005]
Hoofdstuk IV. Van de zorg voor en het verkeer over de spoorwegen
§ 1. Van de zorg voor de spoorwegen
Artikel 33
1.Elke spoorweg wordt, op de bij algemeenen maatregel van bestuur
te bepalen wijze en behoudens daarbij te omschrijven uitzonderingen,
afgesloten.
2.De kosten dier afsluiting worden gedragen door de ondernemers der
over den spoorweg loopende dienst.
Artikel 33a
1.Met betrekking tot door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
aangewezen spoorwegen of gedeelten daarvan, aangelegd door of langs
bos-, veen- of heidegronden of gronden met andere licht brandbare
gewassen begroeid, zorgen bestuurders van de spoorwegdienst dat het
terrein van de spoorweg, door het graven van sloten, het omspitten of
het bedekken met onbrandbare stoffen van een doorgaande strook gronds
of door enig ander middel, van de aangrenzende eigendommen wordt
afgescheiden, aldus, dat bij het ontstaan van brand op het terrein van
de spoorweg, de brand zich niet op de aangrenzende eigendommen
uitbreidt.
2.Op het maken en instandhouden van deze voorzieningen zijn artikel
13, het eerste lid van artikel 14 en artikel 15 van toepassing.
Artikel 34
1.Zij, wier landen of erven door den spoorweg van den gemeenen weg
of de gemeene vaart worden gescheiden, hebben over den spoorweg een
regt van uitweg.
2.Met betrekking tot zoodanige uitwegen geldt artikel 57 van Boek 5
van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering der verpligting tot
schadevergoeding.
3.Uitweg over den spoorweg kan ook in andere gevallen, voor zoover
met de veiligheid van het verkeer bestaanbaar is, bij overeenkomst,
onder goedkeuring van Onzen Minister van Verkeer en Waterstaat, worden
toegestaan.
Artikel 35
1.De sluiting der hekken langs den spoorweg geschiedt door of van
wege de ondernemers der spoorwegdienst.
2.Waar de hekken tot afsluiting van uit- of overwegen dienen,
geschiedt de sluiting door of van wege hen, die, hetzij als eigenaars,
huurders of pachters of krachtens eenigen anderen titel, bruikers van
landen of erven zijnde, genot van die wegen hebben.
Artikel 36
1.Binnen den afstand van acht meter van een spoorweg en waar die in
gebogen rigting is aangelegd, langs de binnenzijde van den boog,
binnen den afstand van twintig meter, wordt geen gebouw, muur,
schutting, aarden wal of ander verheven voorwerp opgerigt en worden
geen boomen of houtgewas geplant of aangelegd.
2.Ter plaatse van openbare overwegen buiten bebouwde kommen is het
vorig lid, met uitbreiding van den daar genoemden afstand van acht
meter, mede van toepassing op het terrein begrensd door vier lijnen,
getrokken uit punten aan weerskanten van den spoorweg gelegen op den
openbaren weg op een afstand van twintig meter van den spoorweg, naar
punten, gelegen op den spoorweg op een afstand van vijfhonderd meter
aan weerskanten van den overweg.
Artikel 37
Binnen den afstand van zes meter van een spoorweg geschiedt geenerlei
uitgraving.
Artikel 38
Binnen den afstand van twintig meter van een spoorweg worden geene
riet- of stroodaken geplaatst, noch ligt ontvlambare stoffen nedergelegd.
Artikel 39
Van de bepalingen in de artt. 36, 37 en 38 kan door Onzen Minister
van Waterstaat, waar het zonder nadeel voor de openbare veiligheid en
voor den spoorweg kan geschieden, ontheffing worden verleend.
Artikel 40
1.De afstand, in de artikelen 36, eerste lid, 37 en 38 bedoeld,
wordt gemeten uit den teen der glooiing van den spoorweg, waar deze in
ophooging, uit de bovenlijn der glooiing, waar de spoorweg in
ingraving, en uit een lijn, gelegen op een afstand van drie meter uit
de as van het naastbijgelegen spoor, waar de spoorweg noch in
ophooging noch in ingraving ligt.
2.Op stations en halten wordt de bedoelde afstand gemeten uit de
afsluiting van den spoorweg of, waar deze door een sloot wordt
gevormd, uit de bovenlijn van den buitensten boord.
3.De afstand van twintig meter, bedoeld in artikel 36, tweede lid,
wordt gemeten in de as van den openbaren weg uit de as van het
naastbijgelegen spoor, de afstand van vijfhonderd meter in de as van
den spoorweg uit de as van den overweg.
Artikel 41
De Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van
een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde in de
artikelen 36, 37 en 38. Hij kan hiertoe mandaat verlenen aan de
bestuurders der spoorwegdienst.
§ 2. Van het verkeer over de spoorwegen
Artikel 42
Het is verboden op de spoorwegen eenig voorwerp, dat het verkeer
belemmeren kan, neder te leggen.
Artikel 43
Het is aan elk, wien het uit den aard zijner betrekking niet vrij
staat, verboden, buiten toestemming van de bestuurders der dienst, of
van hem, wien dit door de bestuurders is opgedragen, langs of op den
spoorweg te loopen of te rijden.
Artikel 44
Het is verboden, buiten de toestemming in het vorig artikel bedoeld,
paarden, vee of andere dieren langs of op den spoorweg te drijven of te
laten loopen.
Hoofdstuk V. Van het beschikken over de spoorwegen in het belang van
’s Rijks dienst
Artikel 45 [Vervallen per 03-12-1997]
Artikel 46 [Vervallen per 03-12-1997]
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-1989]
Artikel 48 [Vervallen per 01-07-1998]
Artikel 49 [Vervallen per 01-07-1998]
Artikel 50
1.Het geheel of gedeeltelijk gebruik van elken spoorweg en van het
aan eene spoorwegonderneming toebehoorende materieel kan ten allen
tijde door Ons, in het belang van ’s Rijks dienst, tegen
schadeloosstelling worden gevorderd.
2.Indien het gebruik voor ’s Rijks dienst, als bedoeld in de
eerste alinea, nodig is in het belang van ’s lands verdediging, kan
de bedoelde vordering geschieden door de Minister van Defensie.
3.De schadeloosstelling wordt, bij gebreke van minnelijke
schikking, door den regter bepaald.
Artikel 51
Regelen omtrent de aanwending van spoorwegen en spoorwegmaterieel in
de gevallen, bedoeld in art. 24 en de 2de alinea van art. 50, worden
door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur gesteld.
Artikel 52
Kan in het geval, bij art. 50 bedoeld, het vervoer van reizigers of
goederen niet langs den spoorweg plaats hebben, dan wordt in dat vervoer
voorzien op de bij art. 18 bepaalde wijze.
Hoofdstuk VI. Strafbepalingen
Artikel 53
De bestuurders eener spoorwegdienst worden gestraft:
zoo zij de voorwaarden, waarop de vergunning tot uitoefening der
dienst is verleend, niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen
handelen, met geldboete van de derde categorie;
zoo zij de bepalingen van deze wet niet naleven of daarmede in strijd
handelen of doen handelen, voor zoover daaromtrent niet in het bijzonder
is voorzien, met geldboete van de derde categorie;
zoo zij de dienst op den spoorweg openen, alvorens het
dienstreglement, in art. 6 bedoeld, is goedgekeurd, of die hetzij openen
hetzij hervatten, alvorens de in het 1ste lid van art. 7 bedoelde
magtiging verleend is, met geldboete van de derde categorie bij de
openstelling of hervatting van de dienst, en van de tweede categorie
voor elke dag, dien de geopende of hervatte dienst heeft geduurd;
zoo zij de dienst voortzetten na bevel tot staking, of die hervatten
zonder de toestemming, in art. 20 bedoeld, met geldboete van de derde
categorie bij de voortzetting of hervatting van de dienst, en van de
tweede categorie voor elke dag, dien de voortzetting of hervatting heeft
geduurd;
zoo zij nieuwe of herstelde locomotieven, tenders, rijtuigen of
wagens in gebruik nemen, alvorens zij daartoe, ten gevolge der opneming
in het laatste lid van art. 7 voorgeschreven, zijn gemagtigd, met
geldboete van de tweede categorie voor elke locomotief, tender, rijtuig
of wagen;
zoo zij in gebreke blijven te voldoen aan de beslissing van den
Minister van Verkeer en Waterstaat, in art 14 bedoeld, of aan den in de
voorlaatste alinea van art. 13 bedoelden last, met geldboete van de
eerste categorie voor elke dag verzuim;
zoo zij het in art. 5 bedoeld reglement op het gemeenschappelijk
gebruik van een spoorweg, de aldaar en in art. 32 bedoelde regeling voor
het gemeenschappelijk gebruik van stations en voor het doorgaand vervoer
van reizigers en goederen, of een krachtens een der artikelen 27, 27c ,
27d of 33 uitgevaardigden algemeenen maatregel van inwendig bestuur niet
naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, met geldboete
van de derde categorie.
Artikel 54
1.[Vervallen.]
2.De boete, in het voorlaatste lid van art. 53 bedreigd, kan niet
hooger gaan dan ten hoogste € 4 500. De aldaar bedoelde tijd houdt
op te loopen, zoodra art. 15 wordt toegepast.
Artikel 55 [Vervallen per 01-09-1886]
Artikel 56
1.De beambten en bedienden van den spoorweg worden gestraft:
zoo zij het in art. 5 bedoeld reglement op het gemeenschappelijk
gebruik van een spoorweg, de aldaar bedoelde regeling voor het
gemeenschappelijk gebruik van stations, een krachtens een der
artikelen 27, 27c, 27d of 33 uitgevaardigden algemeenen maatregel van
bestuur overtreden met geldboete van de tweede categorie;
zoo zij de bepalingen van deze wet niet naleven of daarmede in
strijd handelen of doen handelen, voor zoover daaromtrent niet in het
bijzonder is voorzien, met geldboete van de tweede categorie.
2.Zij zijn niet strafbaar, zoo hunne weigering of overtreding een
gevolg is van den last, door de bestuurders van de spoorwegdienst
gegeven.
Artikel 57 [Vervallen per 01-09-1886]
Artikel 58
1.Overtreding van de artt. 36, 37 en 38, of van de voorwaarden
gesteld bij de besluiten, naar aanleiding van art. 39 genomen, wordt
gestraft met geldboete van de eerste categorie.
2.De overtreders worden daarenboven, op de vordering van het
openbaar ministerie, veroordeeld om binnen een bij het vonnis te
bepalen termijn, de zaken in den vorigen stand te herstellen.
3.Bij gebreke van voldoening aan die uitspraak, wordt, na verloop
van den gestelden termijn, het vonnis van regeringswege ten koste van
den overtreder ten uitvoer gelegd.
4.De kosten worden op den overtreder verhaald door den ontvanger
der registratie, naar een staat, opgemaakt door dengene, die met de
uitvoering van het vonnis is belast.
Artikel 59 [Vervallen per 01-09-1886]
Artikel 60 [Vervallen per 01-09-1886]
Artikel 61 [Vervallen per 01-09-1886]
Artikel 62 [Vervallen per 01-09-1886]
Artikel 63
1.Overtreding van de artt. 42, 43 en 44 wordt gestraft met
geldboete van de tweede categorie of met gevangenis van ten hoogste
ééne maand.
2.Gelijke straf wordt uitgesproken tegen de personen, in het tweede
lid van art. 35 bedoeld, of die hen, volgens de wet,
vertegenwoordigen, wanneer zij de sluiting der hekken geplaatst aan
uit- of overwegen, waarvan zij genot hebben, verzuimen. Zijn door hen
personen met de sluiting belast, dan zijn deze wegens het verzuim
strafschuldig.
Artikel 64
1.Overtreding van de bepalingen van een algemeenen maatregel van
bestuur in een der artikelen 27, 27c of 27d bedoeld, door anderen dan
de in artikel 53 en 56 genoemden, wordt gestraft met geldboete van de
eerste categorie.
2.De beambten en bedienden van den spoorweg kunnen hen, die zich
aan die overtreding schuldig maken, uit de rijtuigen weren of
verwijderen.
3.Ten aanzien van beschadiging van waterstaatswerken, in beheer of
onderhoud bij ondernemers van spoorwegdiensten, voor welke schippers,
reders, eigenaars of gebruikers van vaartuigen of vlotten volgens de
wet aansprakelijk zijn, vindt § 6a der Waterstaatswet 1900
overeenkomstige toepassing.
Artikel 65 [Vervallen per 01-09-1886]
Artikel 66 [Vervallen per 01-07-1998]
Artikel 67 [Vervallen per 01-07-1998]
Artikel 68 [Vervallen per 01-07-1998]
Slotbepalingen
Artikel 69
1.Deze wet is van toepassing op de dienst en het gebruik der
Staatsspoorwegen, zonder evenwel verandering te brengen in de
bepalingen der wet van 3 Julij 1863 (Staatsblad n°. 100) en in die
van de concessie, bij de wetten van 3 Junij 1863 (Staatsblad n°. 101)
en van 7 Augustus 1865 (Staatsblad n°. 99) bekrachtigd.
2.Deze wet is niet van toepassing op hoofdspoorwegen, aangewezen
krachtens artikel 2, eerste lid, van de Spoorwegwet.
Artikel 69a
Deze wet is niet van toepassing voor zover de Wet personenvervoer
2000 van toepassing is.
Artikel 70
1.Wegen door het Rijk of door eene spoorwegonderneming aangelegd
tot toegang naar een station worden, voor zoover dit nog niet mogt
zijn geschied, aan de gemeenten, op welker grondgebied zij liggen, in
behoorlijken staat overgedragen; daarna komt het onderhoud en de
verlichting ten haren laste.
2.Ligt een toegangsweg op het grondgebied van meer dan eene
gemeente, dan wordt door Ons, den Raad van State gehoord, beslist aan
welke gemeente die weg zal worden overgedragen.
3.Onderhoud van wegen aan het Rijk, aan gemeenten of anderen
toebehoorende, vóór den aanleg van een spoorweg aangelegd, die tot
toegang naar een station van den spoorweg dienen, blijft ten laste van
dengene, die daarmede vroeger was belast.
4.Volgens voorschriften door Ons bij algemeenen maatregel van
inwendig bestuur te geven, wordt een ligger opgemaakt en bijgehouden
van de toegangswegen tot stations, op welken ligger de
onderhoudpligtigen vermeld zijn.
Artikel 71
1.De artikelen 5:13, 5:15 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in artikel 72
bedoelde ambtenaren en politieambtenaren, met dien verstande dat zij
alleen bevoegd zijn de spoorweg en de daarbij behorende gronden en
gebouwen, die voor het gebruik van reizigers zijn bestemd, te
betreden.
2.De artikelen 5:13, 5:15 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing op bij besluit van Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat aangewezen Rijksbeambten en leden en
beambten van openbare besturen.
Artikel 72
1.Tot het opsporen der overtredingen van deze wet, van een
krachtens art. 27 uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur,
van het in art. 5 bedoeld reglement en van de aldaar zijn, behalve de
bij art. 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren,
de in artikel 10 bedoelde ambtenaren bevoegd.
2.Ook zijn daartoe bevoegd de beëedigde beambten en bedienden van
den spoorwegen over de geheele uitgestrektheid van den weg, waarop zij
dienst doen, en binnen den kring van honderd meter aan beide zijden
van dien weg.
Artikel 73
De Wet van 21 Augustus 1859 (Staatsblad n°. 98) wordt
ingetrokken.
Artikel 74
1.Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
2.Zij kan worden aangehaald onder den titel "Spoorwegwet
1875".
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Amsterdam, den 9den April 1875
WILLEM
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
Heemskerk
De Minister van Justitie,
Van Lynden van Sandenburg
Uitgegeven den zestienden April 1875
De Minister van Justitie,
Van Lynden van Sandenburg
|