WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de wijzigingen en
aanvullingen, welke de Wet van 15 April 1896 (Stb. 1896, 69) regelende
het toezicht op het gebruik van stoomtoestellen behoeft, het raadzaam
maken, haar door een nieuwe wet te vervangen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften wordt
verstaan onder:
toestellen: technische voortbrengselen, die worden gebruikt of zijn
bestemd tot gebruik op een zodanige wijze, dat daarin aanwezig kan zijn
damp onder een hogere druk dan die van de dampkring of vloeistof bij een
temperatuur, waarbij de dampspanning van deze stof hoger is dan die van
de dampkring;
stoomketels: toestellen, waarin water wordt verhit door toevoer van
warmte, welke niet is onttrokken aan een ander toestel, waarop deze wet
van toepassing is;
stoomtoestellen: stoomketels alsmede toestellen, welke met deze
zodanig worden verbonden, dat tussen het toestel en de stoomketel
overdracht van warmte door middel van damp of vloeistof plaats vindt;
dampketels: toestellen, waarin een andere vloeistof dan water wordt
verhit door toevoer van warmte welke niet is onttrokken aan een ander
toestel, waarop deze wet van toepassing is;
damptoestellen: dampketels alsmede toestellen, welke met deze zodanig
worden verbonden, dat tussen het toestel en de dampketel overdracht van
warmte door middel van damp of vloeistof plaats vindt;
toebehoren: technische voortbrengselen, strekkende om het veilig
gebruik van stoomtoestellen of damptoestellen te bevorderen;
Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel 1a
Het bij of krachtens deze wet bepaalde is mede van toepassing op
stoomtoestellen en damptoestellen, alsmede het toebehoren van deze, die
op het continentaal plat gebruikt worden bij een verkenningsonderzoek,
het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte dan wel het opslaan
van stoffen als bedoeld in de Mijnbouwwet. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze wet en de daarop
berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn op
stoomtoestellen en damptoestellen, alsmede het toebehoren van deze, die
gebruikt worden bij een verkenningsonderzoek, het opsporen of winnen van
delfstoffen of aardwarmte dan wel het opslaan van stoffen als bedoeld in
de Mijnbouwwet. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
ten aanzien van de in de vorige zin bedoelde stoomtoestellen en
damptoestellen, alsmede het toebehoren van deze, voorts regels worden
gesteld die afwijken van of strekken ter aanvulling van deze wet en de
daarop berustende bepalingen.
§ 2. Voorschriften met betrekking tot stoomtoestellen en
damptoestellen
Artikel 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften
vastgesteld, waaraan stoomtoestellen en damptoestellen, alsmede het
toebehoren van deze moeten voldoen of welke met betrekking tot deze
toestellen en dit toebehoren moeten worden in acht genomen.
Artikel 3
Stoomtoestellen en damptoestellen, alsmede het toebehoren van deze
zijn, naar regelen vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur, aan een voortdurend toezicht van door Onze Minister aangewezen
onder hem ressorterende ambtenaren of door Onze Minister aangewezen
diensten, instellingen, onderzoekingsbureaus of ondernemingen
onderworpen.
Artikel 4
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt
vastgesteld, welke stoomtoestellen en damptoestellen, alsmede het
toebehoren van deze aan keuring door door Onze Minister aangewezen
onder hem ressorterende ambtenaren of door Onze Minister aangewezen
diensten, instellingen, onderzoekingsbureaus of ondernemingen moeten
worden onderworpen. Deze keuring vindt plaats zowel vóór het in
gebruik nemen van het toestel, als op regelmatig opvolgende
tijdstippen daarna.
2. Ongeacht het bepaalde in het voorgaande lid kan een daartoe
door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar of een
door Onze Minister aangewezen dienst, instelling, onderzoekingsbureau of
onderneming elk stoomtoestel of damptoestel aan een keuring onderwerpen
of doen onderwerpen, indien en zodra hij hiertoe in het belang van de
veiligheid termen aanwezig acht.
Artikel 5
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen
keuringswerkzaamheden die met betrekking tot een stoomtoestel of
damptoestel buiten Nederland in een Lid-Staat van de Europese
Economische Gemeenschap of in een andere Staat, die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijn verricht
door een aldaar gevestigde instantie of persoon, voor de toepassing van
artikel 4, eerste lid, en artikel 11, eerste lid, eerste volzin, worden
gelijkgesteld met keuringswerkzaamheden die door Onze Minister
aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren of door Onze Minister
aangewezen diensten, instellingen, onderzoekingsbureaus of ondernemingen
hebben verricht.
Artikel 6
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald op
welke wijze keuringen, als bedoeld in artikel 4, moeten plaats vinden,
welke regelen daarbij moeten worden in acht genomen en, zo nodig, op
welke regelmatig opvolgende tijdstippen zij moeten geschieden.
Artikel 7
Op schriftelijk verzoek van de eigenaar of gebruiker van een
stoomtoestel of damptoestel kan dat toestel door een daartoe door Onze
Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar of een door Onze
Minister aangewezen dienst, instelling, onderzoekingsbureau of
onderneming aan een keuring, welke niet, ingevolge de bepalingen bij of
krachtens deze wet vastgesteld, is vereist, worden onderworpen.
Artikel 8
De eigenaar of de gebruiker van een stoomtoestel of damptoestel is
verplicht de werklieden en de werktuigen, die voor de keuring nodig
zijn, ter beschikking van een daartoe door Onze Minister aangewezen
onder hem ressorterende ambtenaar of een door Onze Minister aangewezen
dienst, instelling, onderzoekingsbureau of onderneming te stellen en ook
overigens alle door hem verlangde medewerking met betrekking tot die
keuring te verlenen.
Artikel 9
Voor de bij of krachtens deze wet voorgeschreven of verzochte
keuringen, alsmede voor het uitreiken van een vergunningsbewijs zijn
vergoedingen verschuldigd overeenkomstig door Onze Minister te stellen
regelen. Deze kan tevens regelen stellen met betrekking tot de wijze van
heffing en de invordering.
§ 3. Vergunning
Artikel 10
1. Het is verboden een stoomtoestel of een damptoestel, welke
ingevolge artikel 4, lid 1, aan keuring is onderworpen, in werking te
brengen of in werking te hebben zonder in het bezit te zijn van een
geldige vergunning.
2. Het is verboden een stoomtoestel of damptoestel in werking te
brengen of in werking te hebben onder andere omstandigheden of op andere
wijze, dan in het vergunningsbewijs is aangegeven.
3. Het is verboden een stoomtoestel of damptoestel in werking te
hebben, wanneer een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem
ressorterende ambtenaar namens hem of een door Onze Minister aangewezen
dienst, instelling, onderzoekingsbureau of onderneming aan de gebruiker
schriftelijk heeft medegedeeld, dat het gebruik van het toestel gevaar
oplevert, zelfs indien voor dit toestel een vergunning is verleend.
Artikel 11
1. Een vergunning, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, wordt
verleend wanneer de keuring een gunstig resultaat heeft opgeleverd.
Bevoegd tot verlening van de vergunning zijn de daartoe door Onze
Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren namens hem of
door Onze Minister aangewezen diensten, instellingen,
onderzoekingsbureaus of ondernemingen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gevallen
aangegeven waarin een vergunning kan worden ingetrokken.
§ 4. Beroep
De gebruiker is verplicht
van elk ongeval bij het gebruik van een stoomtoestel of een damptoestel
onverwijld kennis te geven aan een daartoe door Onze Minister aangewezen
onder hem ressorterende ambtenaar.
2. Door deze ambtenaar wordt ten spoedigste een onderzoek ter
plaatse ingesteld. Van dit onderzoek wordt een proces-verbaal opgemaakt,
hetwelk zo mogelijk een verklaring omtrent de oorzaak van het ongeval
bevat; afschrift hiervan is voor iedere belanghebbende, tegen betaling
der kosten, verkrijgbaar.
3. Tenzij het ter voorkoming van ernstig gevaar onvermijdelijk
is, is het verboden wijziging te brengen in de toestand waarin zich het
toestel, de delen van het toestel of het toebehoren na het ongeval
bevinden of deze te verplaatsen, alvorens de ambtenaar verklaard heeft,
dat zijn onderzoek geeindigd is.
§ 6. Toezicht
Artikel 13a
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen onder
hem ressorterende ambtenaren. Van het besluit wordt mededeling gedaan
door plaatsing in de Staatscourant.
§ 7. Straf- en slotbepalingen
Artikel 14
1. Overtreding van de regels, bedoeld in artikel 1a, de
voorschriften, bedoeld in artikel 2, alsmede overtreding van het
bepaalde in de artikelen 8, 10, 13 eerste en derde lid en 18 wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van
de tweede categorie.
2. De feiten zijn overtredingen.
Artikel 15
Met het opsporen van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn -
behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
personen - daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende
ambtenaren belast, alsmede andere door Onze Minister zonodig aan te
wijzen ambtenaren.
Artikel 16
Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld feit hebben
de in artikel 15 bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover
dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn
bevoegd zich van bepaalde door hen aan te wijzen personen doen te
vergezellen.
Artikel 17
1. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd een stoomtoestel of een
damptoestel te verzegelen, indien naar hun oordeel:
a. het gebruik van het toestel gevaar oplevert;
b. een toestel waarvoor een vergunning is vereist, in werking is of
in werking is geweest zonder dat hun het desbetreffende
vergunningsbewijs kan worden getoond, dan wel in werking is of in
werking is geweest onder andere omstandigheden of op andere wijze, dan
in het vergunningsbewijs is aangegeven.
2. Opheffing van de verzegeling vindt plaats zodra de reden,
waartoe de verzegeling aanleiding gaf, is opgeheven of ongegrond is
gebleken.
Artikel 18
Een ieder is verplicht aan de daartoe door Onze Minister aangewezen
onder hem ressorterende ambtenaren alle inlichtingen te verstrekken,
welke deze voor de goede vervulling van hun taak ter uitvoering van deze
wet behoeven, alsmede inzage te verlenen van alle bescheiden, waarvan
bedoelde ambtenaren voor de goede vervulling van hun taak inzage nodig
oordelen.
Artikel 19
De in artikel 15 bedoelde ambtenaren zijn, behoudens tegenover hen
aan wier gezag zij uit kracht van hun ambt zijn onderworpen, verplicht
tot geheimhouding van de namen der personen door wie een klacht is
ingediend of aangifte is gedaan van een overtreding van het bij of
krachtens deze wet bepaalde, behoudens wanneer deze personen hun
schriftelijk hebben verklaard tegen de mededeling van hun namen geen
bedenkingen te hebben.
Artikel 20
Deze wet is niet van toepassing op stoomtoestellen en damptoestellen
aan boord van oorlogsschepen alsmede op stoomtoestellen van locomotieven
van spoorwegen, waarvan het gebruik geregeld blijft door de wet van 9
April 1875 (Stb. 67) en artikel 1 der wet van 9 Juli 1900 (Stb.
118).
Artikel 21
Met uitzondering van artikel 13 en de ten aanzien van het bepaalde in
het eerste en derde lid van dat artikel geldende strafbepalingen is deze
wet niet van toepassing op:
a. stoomtoestellen en damptoestellen uitsluitend dienende tot
wetenschappelijk onderzoek;
b. stoomtoestellen en damptoestellen aan boord van vreemde
vaartuigen of opgesteld op verplaatsbare inrichtingen, indien deze
toebehoren aan in het buitenland gevestigde eigenaren en de
gebruikers bewijzen, dat zij deze toestellen in het land, waaruit
zij zijn aangevoerd, mogen gebruiken en dat deze niet meer dan drie
maanden geleden hier te lande zijn ingevoerd;
c. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen toestellen.
Artikel 22
De wet van 15 April 1896 (Stb. 69) wordt ingetrokken.
Artikel 23
1. Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Stoomwet.
2. Zij treedt in werking met ingang van een door Ons te bepalen
datum.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 25 Maart 1953
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
J.G. Suurhoff
Uitgegeven de eerste Mei 1953
De Minister van Justitie,
L.A. Donker