Nadere regelgeving:
- Besluit aanwijzing categorieën zendinrichtingen en vaststelling
toelatingscriteria
- Besluit aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten
- Besluit beveiliging gegevens aftappen telecommunicatie
- Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2007
- Besluit elektronische handtekeningen
- Besluit nummerportabiliteit
- Besluit randapparaten en radioapparaten 2007
- Besluit technische hulpmiddelen strafvordering
- Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen
- Besluit verstrekking gegevens telecommunicatie
- Frequentiebesluit
- Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten
- Regeling
aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten'
- Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning 2008
- Regeling universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen
WET van 19 oktober 1998, houdende regels
inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de
algehele liberalisering van de telecommunicatie-infrastructuur en de
telecommunicatiediensten wenselijk is regels te stellen ter waarborging
van een samenhangende infrastructuur en ter bevordering van de
daadwerkelijke mededinging;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw
en Innovatie;
b. college: college, genoemd in artikel 2 van de Wet
Onafhankelijke post-en telecommunicatieautoriteit;
c. raad van bestuur van de mededingingsautoriteit: raad van
bestuur van de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in
artikel 2 van de Mededingingswet;
d. nationale regelgevende instantie: instantie in een andere
lidstaat van de Europese Unie die krachtens het recht van die
lidstaat is belast met een of meer regelgevende of daarmee verband
houdende uitvoerende taken die zijn toegekend in de richtlijnen nrs.
2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/21/EG,2002/22/EG of 2002/58/EG;
e. elektronisch communicatienetwerk: transmissiesystemen,
waaronder mede begrepen de schakel- of routeringsapparatuur,
netwerkelementen die niet actief zijn en andere middelen, die het
mogelijk maken signalen over te brengen via kabels, radiogolven,
optische of andere elektromagnetische middelen, waaronder
satellietnetwerken, vaste en mobiele terrestrische netwerken,
elektriciteitsnetten, voor zover deze voor overdracht van signalen
worden gebruikt en netwerken voor radio- en televisieomroep en
kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte
informatie;
f. elektronische communicatiedienst: gewoonlijk tegen vergoeding
aangeboden dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat in het
overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken,
waaronder telecommunicatiediensten en transmissiediensten op
netwerken die voor omroep worden gebruikt, doch niet de dienst
waarbij met behulp van elektronische communicatienetwerken en
-diensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of redactioneel wordt
gecontroleerd. Het omvat niet de diensten van de
informatiemaatschappij zoals omschreven in artikel 1 van de
notificatierichtlijn die niet geheel of hoofdzakelijk bestaan uit
het overbrengen van signalen via elektronische
communicatienetwerken;
g. openbare elektronische communicatiedienst: elektronische
communicatiedienst die beschikbaar is voor het publiek;
h. openbaar elektronisch communicatienetwerk: elektronisch
communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om
openbare elektronische communicatiediensten aan te bieden, waaronder
mede wordt begrepen een netwerk, bestemd voor het verspreiden van
programma's voor zover dit aan het publiek geschiedt;
i. aanbieden van een elektronisch communicatienetwerk: het
bouwen, exploiteren, beheren of beschikbaar stellen van een
elektronisch communicatienetwerk;
j. bijbehorende faciliteiten: de bij een elektronisch
communicatienetwerk of een elektronische communicatiedienst
behorende diensten, fysieke infrastructuren en andere faciliteiten
of elementen die het aanbieden van diensten via dat netwerk of die
dienst mogelijk maken of ondersteunen of het potentieel hiertoe
bezitten;
k. netwerkaansluitpunt: fysiek punt waarop een abonnee de toegang
tot een openbaar elektronisch communicatienetwerk wordt geboden; in
het geval van netwerken met schakelings- of routeringsfuncties wordt
het netwerkaansluitpunt bepaald door middel van een specifiek
netwerkadres, dat met een abonneenummer of -naam kan zijn verbonden;
l. toegang: het aan een andere onderneming beschikbaar stellen
van netwerkonderdelen, bijbehorende faciliteiten of diensten onder
uitdrukkelijke voorwaarden, al dan niet op exclusieve basis, ten
behoeve van het aanbieden van elektronische communicatiediensten,
het aanbieden van diensten voor de informatiemaatschappij of het
verspreiden van programma’s aan het publiek, door die onderneming;
m. interconnectie: specifiek type toegang dat wordt gerealiseerd
tussen exploitanten van openbare netwerken, inhoudende het fysiek en
logisch verbinden van openbare communicatienetwerken die door
dezelfde of een andere onderneming worden gebruikt om het de
gebruikers van een onderneming mogelijk te maken te communiceren met
die van dezelfde of van een andere onderneming of toegang te hebben
tot diensten die door een andere onderneming worden aangeboden;
n. gebruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon die gebruik
maakt van of verzoekt om een openbare elektronische
communicatiedienst;
o. eindgebruiker: natuurlijke persoon of rechtspersoon die van
een openbare elektronische communicatiedienst gebruik maakt of wil
gaan maken en die niet tevens openbare elektronische
communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten
aanbiedt;
p. abonnee: natuurlijke persoon of rechtspersoon die partij is
bij een overeenkomst met een aanbieder van openbare elektronische
communicatiediensten voor de levering van dergelijke diensten;
q. consument: natuurlijke persoon die gebruik maakt van of
verzoekt om een openbare elektronische communicatiedienst voor
andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden;
r. onderneming: onderneming in de zin van artikel 81, eerste lid,
van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
s. onderneming die beschikt over een aanmerkelijke marktmacht:
onderneming die alleen of tezamen met andere ondernemingen over een
economische kracht beschikt die haar in staat stelt zich in
belangrijke mate onafhankelijk van haar concurrenten, klanten en
uiteindelijk consumenten te gedragen;
t. transnationale markt: bij beschikking, bedoeld in artikel 15,
vierde lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG, gedefinieerde markt die de
Europese Unie of een aanzienlijk, zich over meer dan één lidstaat
uitstrekkend, deel daarvan beslaat;
u. [vervallen;]
v. [vervallen;]
w. [vervallen;]
x. openbare telefoondienst: dienst die voor het publiek
beschikbaar is voor direct of indirect uitgaande en binnenkomende
nationale of internationale gesprekken, met behulp van een nummer of
een aantal nummers in een nationaal of internationaal nummerplan;
y. programma: programma als bedoeld in artikel 1.1 van de
Mediawet 2008;
z. kabels: fysieke geleidingsdraden bestemd voor de rechtstreekse
overdracht van signalen tussen punten en de bij deze fysieke
geleidingsdraden behorende ondergrondse ondersteuningswerken,
beschermingswerken en signaalinrichtingen, alsmede inrichtingen,
bestemd om daarin verbinding tot stand te brengen tussen fysieke
geleidingsdraden in, op of boven openbare gronden enerzijds en
fysieke geleidingsdraden in gebouwen en daarmee één geheel
vormende gronden anderzijds dan wel tussen laatstgenoemde fysieke
geleidingsdraden onderling;
aa. openbare gronden:
1º. openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende
stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten,
tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken;
2º. wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen,
pleinen en andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn;
bb. nummer: cijfers, letters of andere symbolen, al dan niet in
combinatie, die bestemd zijn voor toegang tot of identificatie van
gebruikers, netwerkexploitanten, diensten, netwerkaansluitpunten of
andere netwerkelementen;
cc. nummeridentificatie:
1º. faciliteit om het nummer van het oproepende
netwerkaansluitpunt dan wel een nummer waarmee een individuele
gebruiker kan worden geïdentificeerd aan het opgeroepen
netwerkaansluitpunt te verstrekken, voordat de verbinding tot
stand wordt gebracht;
2º. faciliteit om het nummer van het opgeroepen
netwerkaansluitpunt dan wel het nummer waarmee een individuele
gebruiker kan worden geïdentificeerd aan het oproepende
netwerkaansluitpunt te verstrekken, voordat de verbinding tot
stand wordt gebracht;
dd. in de handel brengen: het voor de eerste maal afleveren na
vervaardiging in de Europese Economische Ruimte, het in gebruik
nemen na vervaardiging in de Europese Economische Ruimte, het
invoeren in de Europese Economische Ruimte uit een land daarbuiten,
of het in gebruik nemen na invoer uit een land buiten de Europese
Economische Ruimte in de Europese Economische Ruimte;
ee. openbaar telecommunicatienetwerk: elektronisch
communicatienetwerk dat geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt om
openbare telecommunicatiediensten aan te bieden, voor zover het
netwerk niet gebruikt wordt voor het verspreiden van programma's;
ff. openbare telecommunicatiedienst: voor het publiek beschikbare
dienst die geheel of gedeeltelijk bestaat in het overbrengen van
signalen via een elektronisch communicatienetwerk, voor zover deze
dienst niet bestaat uit het verspreiden van programma's;
gg. uitrusting: elk apparaat of vaste installatie;
hh. apparaten: elektrische en elektronische apparaten;
ii. vaste installatie: een specifieke combinatie van
verschillende soorten apparaten en eventuele andere inrichtingen,
die samengebouwd, geïnstalleerd en bestemd zijn voor permanent
gebruik op een van te voren vastgestelde locatie;
jj. randapparaten:
1°. uitrusting die bestemd is om op een openbaar
telecommunicatienetwerk te worden aangesloten, zodanig dat zij:
rechtstreeks op netwerkaansluitpunten kan worden aangesloten, of
kan dienen voor interactie met een openbaar
telecommunicatienetwerk via directe of indirecte aansluiting op
netwerkaansluitpunten ten behoeve van overbrenging, verwerking
of ontvangst van informatie;
2°. Radiozendapparaten die geschikt zijn om op een openbaar
telecommunicatienetwerk te worden aangesloten;
3°. Uitrusting voor satellietgrondstations tenzij bij of
krachtens hoofdstuk 10 anders is bepaald, doch met uitsluiting
van speciaal geconstrueerde uitrusting die bedoeld is voor
gebruik als onderdeel van een openbaar telecommunicatienetwerk;
kk. radiozendapparaten: uitrusting die naar haar aard bestemd is
voor het zenden of het zenden en ontvangen van
radiocommunicatiesignalen;
ll. systeem voor voorwaardelijke toegang: elke technische
maatregel of regeling waarbij toegang tot een beschermde radio- of
televisie-omroepdienst in begrijpelijke vorm afhankelijk wordt
gemaakt van een abonnement of een andere vorm van voorafgaande
individuele machtiging;
mm. applicatieprogramma-interface: een software interface tussen
externe toepassingen, die beschikbaar is gesteld door omroepen,
dienstenleveranciers, alsmede de hulpmiddelen in de eindapparatuur;
nn. Internationaal Telecommunicatieverdrag: het op 22 december
1992 te Genève tot stand gekomen Statuut en Verdrag van de
Internationale Unie voor Telecommunicatie met de daarbij behorende
bijlagen en reglementen (Trb. 1993, 138), de op 14 oktober 1994 te
Kyoto tot stand gekomen Akten van wijziging van het Statuut en het
Verdrag van de Internationale Unie voor Telecommunicatie (Trb. 1995,
201) en de op 6 november 1998 te Minneapolis tot stand gekomen Akten
van wijziging van het Statuut en het Verdrag van de Internationale
Unie voor Telecommunicatie (Trb. 2001, 90);
oo. richtlijn nr. 2002/19/EG: Richtlijn nr. 2002/19/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002
inzake de toegang tot en interconnectie van
elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten
(Toegangsrichtlijn) (PbEG L 108);
pp. richtlijn nr. 2002/20/EG: Richtlijn nr. 2002/20/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002
betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken
en -diensten (Machtigingsrichtlijn) (PbEG L 108);
qq. richtlijn nr. 2002/21/EG: Richtlijn nr. 2002/21/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002
inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor
elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn) (PbEG
L 108);
rr. richtlijn nr. 2002/22/EG: Richtlijn nr. 2002/22/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002
inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot
elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn)
(PbEG L 108);
ss. certificaat: elektronische bevestiging die gegevens voor het
verifiëren van een elektronische handtekening met een bepaalde
persoon verbindt en de identiteit van die persoon bevestigt;
tt. gekwalificeerd certificaat: certificaat dat voldoet aan de
eisen, gesteld krachtens artikel 18.15, tweede lid, en is afgegeven
door een certificatiedienstverlener die voldoet aan de eisen,
gesteld krachtens artikel 18.15, eerste lid;
uu. certificatiedienstverlener: een natuurlijke persoon of
rechtspersoon die certificaten afgeeft of andere diensten in verband
met elektronische handtekeningen verleent;
vv. middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen:
geconfigureerde software of hardware die wordt gebruikt om de
gegevens voor het aanmaken van elektronische handtekeningen te
implementeren;
ww. veilig middel voor het aanmaken van elektronische
handtekeningen: een middel voor het aanmaken van elektronische
handtekeningen dat voldoet aan de eisen gesteld krachtens artikel
18.17, eerste lid;
xx. elektronische handtekening: elektronische handtekening als
bedoeld in artikel 15a, vierde lid, van Titel 1, afdeling 1A van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;
yy. ondertekenaar: voor de toepassing van deze wet geldt de
definitiebepaling van artikel 15a, vijfde lid, van Titel 1, afdeling
1A van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;
zz. openbare betaaltelefoon: voor het publiek toegankelijk
telefoontoestel waarmee uitgaande gesprekken gevoerd kunnen worden
en waarvan de betaling voor het gebruik kan geschieden door middel
van munten, krediet- of debetkaarten of vooruitbetaalde
telefoonkaarten;
aaa. notificatierichtlijn: richtlijn nr. 98/34/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998
betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en
technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de
informatiemaatschappij (PbEG L 204);
bbb. programmadienst: dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat
uit het aanbieden van programma’s aan het algemene publiek of een
deel daarvan;
ccc. conformiteitsrichtlijn: richtlijn van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie, die geheel of gedeeltelijk berust
op artikel 95 van het EG-Verdrag en regels stelt over het op de
markt brengen of het gebruik van apparaten;
ddd. nummerhouder: degene aan wie het college op aanvraag een
nummer heeft toegekend;
eee. nummergebruiker: degene die een nummer gebruikt;
fff. roamingverordening: op grond van artikel 114 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde verordening
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
betreffende roaming op openbare mobiele-communicatienetwerken binnen
de Unie, en de op grond van die verordening door de Europese
Commissie vastgestelde uitvoeringshandelingen;
ggg. bijbehorende diensten: de bij een elektronisch
communicatienetwerk of een elektronische communicatiedienst
behorende diensten die het aanbieden van diensten via dat netwerk of
die dienst mogelijk maken of ondersteunen of het potentieel hiertoe
bezitten;
hhh. schadelijke interferentie: interferentie die het
functioneren van een radionavigatiedienst of van andere
veiligheidsvoorzieningen in gevaar brengt, of die een overeenkomstig
de geldende internationale, communautaire of nationale voorschriften
werkende radiocommunicatiedienst op een andere wijze ernstig
verslechtert, hindert of herhaaldelijk onderbreekt;
iii. BEREC: het orgaan van Europese regelgevende instanties voor
elektronische communicatie, opgericht bij Verordening (EG) nr.
1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009
tot oprichting van het Orgaan van Europese regelgevende instanties
voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau;
jjj. Het Bureau: het Bureau als bedoeld in artikel 6 van
Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad
van 25 november 2009 tot oprichting van het Orgaan van Europese
regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en
het Bureau;
kkk. ITU: Internationale Unie voor Telecommunicatie.
Artikel 1.2
De bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze wet gelden mede op en
met betrekking tot installaties ter zee in de zin van de Wet
installaties Noordzee.
Artikel 1.3
1. Het college draagt er zorg voor dat zijn besluiten bijdragen aan
het verwezenlijken van de doelstellingen als bedoeld in artikel 8,
tweede tot en met vijfde lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG in elk
geval door:
a. het bevorderen van concurrentie bij het leveren van
elektronische communicatienetwerken, elektronische
communicatiediensten, of bijbehorende faciliteiten, onder meer
door efficiënte investeringen op het gebied van infrastructuur
aan te moedigen en innovaties te steunen;
b. de ontwikkeling van de interne markt;
c. het bevorderen van belangen van eindgebruikers wat betreft
keuze, prijs en kwaliteit.
2. Het college houdt bij de uitoefening van zijn taken en
bevoegdheden zoveel mogelijk rekening met aanbevelingen van de
Europese Commissie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van
richtlijn nr. 2002/21/EG, en met door BEREC gegeven adviezen en
gemeenschappelijke standpunten, voor zover die aanbevelingen, adviezen
en standpunten betrekking hebben op de bij of krachtens deze wet aan
het college opgedragen taken of verleende bevoegdheden.
3. Indien het college geen toepassing geeft aan een aanbeveling van
de Europese Commissie als bedoeld in het tweede lid, informeert hij,
onder vermelding van de redenen, de Commissie van de Europese
Gemeenschappen en Onze Minister.
Hoofdstuk 2. Mededeling en registratie
Artikel 2.1
1. Degene die een openbaar elektronisch communicatienetwerk of een
openbare elektronische communicatiedienst aanbiedt dan wel
bijbehorende faciliteiten aanlegt of aanbiedt, met uitzondering van
degene die een elektronische programmagids aanbiedt, doet daarvan
mededeling aan het college.
2. Het college stelt vast welke gegevens bij de mededeling aan het
college worden overgelegd, alsmede de wijze waarop de mededeling wordt
gedaan. Die gegevens betreffen in ieder geval de naam, het adres, de
vestigingsplaats, respectievelijk de woonplaats en een beschrijving
van de in het eerste lid bedoelde netwerken, diensten of faciliteiten.
Het college doet hiervan mededeling in de Staatscourant.
3. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden slechts verzameld
ten behoeve van de goede uitvoering van deze wet en zijn beperkt tot
hetgeen strikt noodzakelijk is voor het vaststellen van de identiteit
en de hoedanigheid van degene, bedoeld in het eerste lid.
4. Het college registreert degene, bedoeld in het eerste lid, na
ontvangst van de in dat lid bedoelde mededeling en de daarbij
behorende gegevens.
5. Voor het aanbieden of afgeven van gekwalificeerde certificaten
aan het publiek is een registratie door het college vereist van de
certificatiedienstverlener die in Nederland een vestiging heeft. Bij
de aanvraag van een registratie legt de certificatiedienstverlener
over:
a. documenten, waaruit de overeenstemming met de bij en
krachtens artikel 18.15, eerste en tweede lid, bedoelde eisen
blijkt, en
b. de gegevens waarvoor krachtens artikel 2.4, vierde lid, bij
ministeriële regeling is bepaald, dat die aan het college
verstrekt dienen te worden.
6. Een certificatiedienstverlener waarvan door een organisatie als
bedoeld in artikel 18.16, eerste lid, is vastgesteld dat wordt voldaan
aan de eisen, gesteld bij of krachtens artikel 18.15, eerste en tweede
lid, kan om te voldoen aan het bepaalde krachtens de tweede volzin van
het vijfde lid onder a, volstaan met het overleggen van een geldig
bewijs van die vaststelling.
7. Het college is bevoegd te bepalen welke andere gegevens bij de
aanvraag van een registratie dienen te worden overgelegd.
Artikel 2.2
1. Het college gaat niet over tot registratie als bedoeld in
artikel 2.1, vierde lid, indien:
a. de mededeling geen betrekking heeft op een openbaar
elektronisch communicatienetwerk, een openbare elektronische
communicatiedienst, of bijbehorende faciliteiten, of
b. de op grond van artikel 2.1, tweede lid, te overleggen
gegevens niet, onvolledig, of niet juist zijn verstrekt.
2. Het college weigert een registratie als bedoeld in artikel 2.1,
vijfde lid, indien de gevraagde registratie geen betrekking heeft op
het aanbieden of afgeven van gekwalificeerde certificaten aan het
publiek.
3. Het college kan de registratie van een
certificatiedienstverlener weigeren indien de door hem op grond van
artikel 2.1, vijfde, zesde of zevende lid, te overleggen gegevens
niet, onvolledig of niet juist zijn verstrekt.
4. Het college beëindigt of wijzigt de registratie:
a. indien de grond voor registratie is vervallen;
b. indien een certificatiedienstverlener activiteiten of
diensten verricht in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze
wet,
c. indien het college heeft vastgesteld dat de
certificatiedienstverlener niet of niet geheel voldoet aan de
eisen bedoeld in artikel 18.15, eerste en tweede lid, en de
certificatiedienstverlener niet binnen de door het college
gestelde termijn heeft aangetoond aan deze eisen te voldoen.
Indien de certificatiedienstverlener aantoont redelijkerwijs niet
binnen de gestelde termijn aan de eisen te kunnen voldoen, kan het
college de termijn verlengen; of
d. indien het college heeft vastgesteld dat de
certificatiedienstverlener de gegevens, bedoeld in artikel 2.1,
vijfde lid, onder b, of wijzigingen daarin niet, onvolledig of
niet juist heeft verstrekt, en de certificatiedienstverlener niet
binnen de door het college gestelde termijn de volledige of juiste
gegevens alsnog verstrekt.
5. Indien de certificatiedienstverlener aantoont redelijkerwijs
niet binnen de gestelde termijn, bedoeld in het vierde lid, onder c,
aan de eisen, bedoeld in dat onderdeel, te kunnen voldoen, of binnen
de gestelde termijn, bedoeld in het vierde lid, onder d, alsnog de
juiste gegevens, bedoeld in dat onderdeel, te kunnen verstrekken, kan
het college de termijn verlengen.
Artikel 2.3
1. In het belang van de goede uitvoering van deze wet wordt door
het college een register van de registraties bijgehouden. In het
register worden in ieder geval de naam, het adres en de
vestigingsplaats, respectievelijk de woonplaats van de geregistreerde
vermeld.
2. Het register ligt voor eenieder kosteloos ter inzage op een door
het college te bepalen plaats. De gegevens uit het register zijn
kosteloos op elektronische wijze te raadplegen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
over:
a. de door het college in het register te vermelden gegevens
anders dan die, bedoeld in het eerste lid;
b. de opzet, structuur en elektronische wijze van raadpleging
van het register.
4. Indien de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid,
nadere regels stelt over de in het register te vermelden gegevens, kan
daarbij tevens worden bepaald welke van die gegevens door een
certificatiedienstverlener aan het college verstrekt dienen te worden
tot opname in het register.
5. De geregistreerde geeft aan het college onverwijld alle
wijzigingen door die van invloed zijn op de registratie of op de in
het register opgenomen gegevens die krachtens het vierde lid zijn
verstrekt.
6. Het college brengt het register in overeenstemming met de
wijzigingen die voortvloeien uit artikel 2.2, vierde lid, of met de
wijzigingen die het college op grond van het vijfde lid heeft
ontvangen.
7. Onverminderd het zesde lid, kan het college de gegevens met
betrekking tot de registratie wijzigen indien dit noodzakelijk is om
feitelijke onjuistheden van eenvoudige aard weg te nemen.
Artikel 2.4
1. Het college verstrekt zo spoedig mogelijk na de registratie,
bedoeld inartikel 2.1, vierde lid, aan de desbetreffende
geregistreerde een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de
mededeling, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aan het college is
gedaan. Bij de verklaring worden tevens vermeld de geldende wettelijke
bepalingen inzake het medegebruik van antenne-opstelpunten,
antennesystemen of antennes, de gedoogplicht voor de aanleg,
instandhouding en opruiming van kabels, eind- tot eindverbindingen,
alsmede toegang met betrekking tot aanbieders met aanmerkelijke
marktmacht.
2. Het college verstrekt de verklaring, bedoeld in het eerste lid,
in afwijking van dat lid, binnen een week na ontvangst van een daartoe
strekkend schriftelijk verzoek van een geregistreerde als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 2.5
Het college is verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel
d, van de Wet bescherming persoonsgegevens voor de gegevensverzameling,
bedoeld in artikel 2.1 en voor het register, bedoeld in artikel 2.3.
Hoofdstuk 3. Frequentiebeleid en frequentiebeheer
§ 3.1. Frequentieplan en frequentieregister
Artikel 3.1
1. Onze Minister stelt na overleg met Onze Minister wie het mede
aangaat, een frequentieplan en wijzigingen daarvan vast.
2. Het frequentieplan bevat in ieder geval:
a. de bestemmingen van te onderscheiden frequentiebanden,
b. de aanwijzing van frequentiebanden waarbinnen onder
verantwoordelijkheid van Onze Minister wie het mede aangaat bij
regeling van Onze Minister aan te wijzen publieke taken worden
uitgevoerd op het gebied van defensie, veiligheid van de staat,
handhaving van de rechtsorde, wetenschap, veiligheid van het
verkeer en hulpverlening,
c. de aanwijzing van frequentiebanden waarbinnen de
vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte ten behoeve van
het verzorgen van taken op het gebied van de publieke mediadienst
bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008, worden verleend
zonder toepassing van een van de procedures, bedoeld in artikel
3.3, vierde lid,
d. de aanwijzing van frequentiebanden waarbinnen voor bepaalde
bestemmingen frequentieruimte al dan niet tezamen met categorieën
van radiozendapparaten als bedoeld in artikel 3.4 en al dan niet
met een meldingsplicht, zonder vergunning mag worden gebruikt,
e. de aanwijzing van frequentiebanden waarbinnen
frequentieruimte voor bepaalde bestemmingen niet zonder vergunning
mag worden gebruikt, alsmede de aanduiding of vergunningen worden
verleend met toepassing van de procedure, bedoeld in artikel 3.3,
vierde lid,
f. de aanwijzing van frequentiebanden waarbinnen in bij besluit
van Onze Minister nader aan te wijzen geografische gebieden
frequentieruimte uitsluitend mag worden gebruikt voor het
ontvangen van signalen, en
g. de aanwijzing van frequentiebanden binnen welke voor
bepaalde bestemmingen medegebruik kan worden opgelegd,
met dien verstande dat de aanwijzing, bedoeld in onderdeel e,
uitsluitend wordt gedaan voor zover dat nodig is om:
1°. te voldoen aan een bindende internationale
overeenkomst betreffende het gebruik van frequentieruimte;
2°. in die frequentiebanden:
– schadelijke interferentie te vermijden,
– de technische kwaliteit van elektronische
communicatienetwerken en -diensten te verzekeren,
– een doelmatig gebruik van frequentieruimte te
waarborgen, of
– andere doelstellingen van algemeen belang te vervullen.
3. Bij de bestemming en de aanwijzing van frequentiebanden, bedoeld
in het tweede lid, onderdelen a en e, kunnen ten behoeve van
elektronische communicatienetwerken en -diensten in het frequentieplan
proportionele en niet-discriminerende beperkingen worden opgelegd met
betrekking tot de te gebruiken technologie indien dat nodig is om:
a. schadelijke interferentie te vermijden;
b. de volksgezondheid te beschermen tegen elektromagnetische
velden;
c. de technische kwaliteit van de dienst te garanderen;
d. te zorgen voor zoveel mogelijk gedeeld gebruik van de
radiofrequenties;
e. een doelmatig gebruik van frequentieruimte te waarborgen;
f. een doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken;
g. te voldoen aan een bindende internationale overeenkomst
betreffende het gebruik van frequentieruimte.
4. Bij de bestemming en de aanwijzing van frequentiebanden, bedoeld
in het tweede lid, onderdelen a en e, kunnen in het frequentieplan
proportionele en niet-discriminerende beperkingen worden opgelegd met
betrekking tot de soorten elektronische communicatiediensten die
worden aangeboden indien dat nodig is om te voldoen aan een bindende
internationale overeenkomst betreffende het gebruik van
frequentieruimte of om een doelstelling van algemeen belang te
verwezenlijken.
5. Als een doelstelling van algemeen belang als bedoeld in het
derde lid, onderdeel f, en het vierde lid, worden in ieder geval
aangemerkt:
a. de veiligheid van het menselijk leven;
b. de bevordering van sociale, regionale of territoriale
samenhang;
c. het doelmatig gebruik van frequentieruimte;
d. het bevorderen van de culturele en taalkundige diversiteit
en het pluralisme van de media.
6. Indien een beperking als bedoeld in het vierde en vijfde lid
wordt opgelegd, onderzoekt Onze Minister uiterlijk vijf jaar na het
opleggen van de beperking, en vervolgens iedere vijf jaar, of de
beperking kan worden opgeheven. Indien een beperking niet meer nodig
is voor de verwezenlijking van een van de in het vierde en vijfde lid
genoemde doelstellingen, wordt het frequentieplan hierop aangepast.
7. Op de voorbereiding van het frequentieplan en wijzigingen
daarvan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing, met dien verstande dat in aanvulling op artikel 3:15,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ook een gebruiker en
een consument zijn zienswijze over het ontwerp naar voren kan brengen.
8. Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regels
stellen ten aanzien van de inrichting van het frequentieplan.
Artikel 3.2
1. Door Onze Minister wordt een frequentieregister bijgehouden, dat
een overzicht bevat van frequentieruimtes waarvoor krachtens dit
hoofdstuk vergunningen zijn verleend, alsmede van de duur waarvoor
deze vergunningen gelden.
2. Het register ligt voor eenieder kosteloos ter inzage op een door
Onze Minister te bepalen plaats.
§ 3.2. Vergunningverlening voor het gebruik van frequentieruimte
Artikel 3.3
1. Voor het gebruik van frequentieruimte is een vergunning vereist
van Onze Minister welke op aanvraag kan worden verleend.
2. Vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte ten behoeve
van de uitvoering van vitale overheidstaken, van het verzorgen van
taken ter uitvoering van de publieke mediaopdracht, bedoeld in artikel
2.1 van de Mediawet 2008, of ter uitvoering van een wettelijk
voorschrift worden bij voorrang verleend. Voor zover een vergunning
niet krachtens het derde lid dient te worden verleend, bepaalt Onze
Minister in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, in
welke omvang ter uitvoering van de publieke mediaopdracht, bedoeld in
artikel 2.1 van de Mediawet 2008, vergunningen voor het gebruik van
frequentieruimte bij voorrang worden verleend. Bij regeling van Onze
Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap, wordt bij de vaststelling van de omvang van de
frequentieruimte die aan de publieke media-instellingen bij voorrang
bij vergunning wordt verleend, bepaald welke technische eigenschappen
de uitzendingen van de programma’s van de publieke
media-instellingen dienen te hebben.
3. Bij het verlenen van vergunningen voor het gebruik van
frequentieruimte op het terrein van de publieke mediaopdracht wordt
het navolgende in acht genomen:
a. voor de algemene programmakanalen van de landelijke publieke
mediadienst, bedoeld in artikel 2.50 van de Mediawet 2008, wordt
ten minste een vergunning verleend op zodanige wijze dat een
landelijk bereik mogelijk is;
b. voor iedere provincie wordt aan de media-instelling die voor
de desbetreffende provincie op grond van hoofdstuk 2, titel 2.3,
van de Mediawet 2008 is aangewezen voor de verzorging van de
regionale publieke mediadienst voor ten minste één omroepnet
voor radio, een vergunning verleend op zodanige wijze, dat een
provinciaal bereik mogelijk is;
c. als in een provincie twee of meer regionale publieke
media-instellingen op grond van hoofdstuk 2, titel 2.3, van de
Mediawet 2008 zijn aangewezen zal, onverminderd artikel 3.6, aan
elk van die media-instellingen vergunning worden verleend voor een
bereik dat ten minste gelijk is aan de onderscheidene
verzorgingsgebieden, voor zover dit technisch mogelijk is;
d. aan iedere lokale publieke media-instelling die op grond van
hoofdstuk 2, titel 2.3, van de Mediawet 2008 is aangewezen, wordt,
onverminderd artikel 3.6, voor ten minste één omroepnet voor
radio vergunning verleend voor een bereik dat ten minste gelijk is
aan het verzorgingsgebied, voor zover dit technisch mogelijk is,
en een doelmatig gebruik van het frequentiespectrum zich daartegen
niet verzet.
4. De verlening van vergunningen in andere gevallen dan bedoeld in
het tweede lid geschiedt:
a. op volgorde van binnenkomst van de aanvragen;
b. door middel van een vergelijkende toets, al dan niet met
inbegrip van een financieel bod, of
c. door middel van een veiling.
5. De keuze voor toepassing van een van de procedures, bedoeld in
het vierde lid, geschiedt door Onze Minister, met dien verstande dat
voorzover het de verlening van vergunningen voor het gebruik van
frequentieruimte door of ten behoeve van commerciële
omroepinstellingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008
betreft, de keuze geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Daarbij kan,
met inachtneming van het frequentieplan, tevens nader de bestemming
van de frequentieruimte worden bepaald waarop de keuze betrekking
heeft.
6. Voorzover de in het vijfde lid bedoelde keuze betrekking heeft
op het al dan niet toepassen van het financiële bod bij de toepassing
van de vergelijkende toets, geschiedt deze tevens in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën.
7. Nadat op grond van een op basis van het vijfde en zesde lid
gemaakte keuze een vergunning voor een bepaalde bestemming is
verleend, wordt, zolang er in die bestemming nog houders van
vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte zijn, bij elke
volgende uitgifte van frequentieruimte voor die bestemming een
vergelijkbare procedure toegepast, tenzij dit ten gevolge van
gewijzigde omstandigheden betreffende het gebruik van die
frequentieruimte niet langer leidt tot een optimaal gebruik van
frequentieruimte.
8. De uitvoering van de procedure, bedoeld in het vierde lid, onder
b, geschiedt indien het de verlening van vergunningen voor het gebruik
van frequentieruimte door of ten behoeve van commerciële
omroepinstellingen betreft, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschappen in overeenstemming met Onze Minister.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden, met
inachtneming van richtlijn nr. 2002/20/EG (PbEG L 117), regels gesteld
terzake van de verlening, wijziging en verlenging van vergunningen.
Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. de eisen die, voorafgaande aan een van de procedures,
bedoeld in het vierde lid, aan een aanvrager worden gesteld om in
aanmerking te komen voor een vergunning,
b. de toepassing en uitvoering van de procedures, bedoeld in
het vierde lid, en
c. de criteria die worden toegepast bij een vergelijkende toets
als bedoeld in het vierde lid, onder b.
10. Onze Minister kan besluiten dat een of meer aanbieders van
openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten worden uitgesloten van het verkrijgen van een
vergunning voor het gebruik van bij dat besluit te bepalen
frequentieruimte indien die vergunning wordt verleend volgens een
procedure als bedoeld in het vierde lid, onder b, of onder c, met dien
verstande dat dit slechts kan geschieden indien dat met het oog op de
totstandbrenging of instandhouding van daadwerkelijke mededinging
noodzakelijk is.
11. Vergunningen worden verleend voor een bij die vergunning te
bepalen termijn die gerelateerd is aan de betrokken dienstverlening,
het met de vergunningverlening nagestreefde doel en die rekening houdt
met een passende periode die nodig is voor de afschrijving van
investeringen. De vergunning kan worden verlengd met een door Onze
Minister te bepalen termijn.
Artikel 3.3a
1. Teneinde een optimaal gebruik van frequentieruimte te waarborgen
kan, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, en waar het
betreft het gebruik van frequentieruimte door commerciële
omroepinstellingen mede in overeenstemming met Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, met inachtneming van richtlijn
nr. 2002/20/EG, bij ministeriële regeling worden bepaald dat de
verkrijger of houder van een vergunning, de houder van een vergunning
van wie de vergunning wordt of is verlengd hieronder begrepen, anders
dan een vergunning als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, voor het
gebruik van frequentieruimte voor een op grond van artikel 3.3, vijfde
lid, bepaalde bestemming een eenmalig of periodiek bedrag verschuldigd
is.
2. De hoogte van het te betalen bedrag is bij:
a. een eenmalig bedrag gelijk aan een bij de in het eerste lid
bedoelde ministeriële regeling vast te stellen bedrag gerelateerd
aan de in het jaar van vergunningverlening bepaalde contante
waarde van de gedurende de looptijd van de vergunning uit de
exploitatie van de vergunning te verwachten voordelen, dan wel de
gedurende de looptijd van de vergunning uit de exploitatie van de
vergunning te verwachten omzet,
b. een periodiek bedrag gelijk aan een bij de in het eerste lid
bedoelde ministeriële regeling te bepalen percentage van de in
een boekjaar behaalde voordelen die, onder welke naam dan ook,
worden verkregen uit de exploitatie van de toegekende vergunning,
dan wel een bij de ministeriële regeling te bepalen percentage
van de in een boekjaar aan de exploitatie van de vergunning toe te
rekenen omzet.
3. De in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling kan nadere
regels bevatten over de wijze waarop de in het tweede lid, onder a en
b, bedoelde voordelen uit de exploitatie van de vergunning of de uit
de exploitatie van de vergunning te verwachten omzet worden bepaald.
4. De verplichting tot het betalen van een eenmalig of periodiek
bedrag bestaat slechts indien de in het eerste lid bedoelde
ministeriële regeling in werking is getreden voor het tijdstip dat in
de aanvraagprocedure is vastgesteld als het tijdstip waarop de
aanvraag voor de vergunning kan worden ingediend, dan wel, indien het
een vergunning betreft die wordt verleend op de in artikel 3.3, vierde
lid, onder a, bedoelde wijze, in werking is getreden op het moment dat
de aanvraag is ingediend.
5. Bij een verlenging van een vergunning voor het gebruik van
frequentieruimte kan, in afwijking van het vierde lid, in het geval de
aanvraag tot verlenging wordt gedaan op een tijdstip waarop Onze
Minister het voornemen heeft binnen dezelfde bestemming vergunningen
te gaan verlenen door middel van een veiling dan wel een vergelijkende
toets met een financieel bod, de verplichting tot het betalen van een
eenmalig of periodiek bedrag ook bestaan indien de in het eerste lid
bedoelde ministeriële regeling in werking is getreden op een tijdstip
gelegen na het tijdstip waarop de aanvraag tot verlenging is gedaan,
mits:
a. de aanvrager alvorens het besluit tot verlenging wordt
genomen wordt gewezen op het bestaan van het bedoelde voornemen
tot vergunningverlening,
b. het tijdstip van inwerkingtreding van bedoelde ministeriële
regeling ligt binnen vier weken na de dag waarop de verlening van
vergunningen ten gevolge van de veiling dan wel de vergelijkende
toets, heeft plaatsgevonden, en
c. de verlening van vergunningen ten gevolge van de veiling dan
wel de vergelijkende toets, heeft plaatsgevonden binnen een jaar
nadat de vergunning is verlengd.
6. In het geval bedoeld in het vijfde lid kan in de in het eerste
lid bedoelde ministeriële regeling een onderscheid gemaakt worden
tussen de houders van een vergunning voor het gebruik van
frequentieruimte van wie de vergunning reeds een of meerdere malen is
verlengd en de houders van een vergunning waarbij dit niet het geval
is. Een dergelijk onderscheid kan slechts gemaakt worden indien dit
nodig is om beide categorieën vergunninghouders voor wat betreft de
op hen bij of krachtens deze wet voor het gebruik van de
frequentieruimte rustende financiële verplichtingen in een
vergelijkbare positie te brengen.
7. Een verplichting tot betaling van een eenmalig of periodiek
bedrag voortvloeiend uit een ministeriële regeling die, met
gebruikmaking van het vijfde lid, inwerking treedt nadat de vergunning
is verlengd bestaat niet indien de verlengde vergunning op verzoek
wordt ingetrokken, mits het verzoek gedaan is binnen vier weken na
inwerkingtreding van voornoemde ministeriële regeling.
8. In het geval dat:
a. op grond van het eerste lid bij ministeriële regeling is
bepaald dat voor het gebruik van frequentieruimte met een op grond
van artikel 3.3, vijfde lid, bepaalde bestemming een eenmalig of
periodiek bedrag verschuldigd is, zal, zolang er in die bestemming
nog houders van vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte
zijn, houders van vergunningen van wie de vergunning is verlengd
uitgezonderd, bij elke volgende uitgifte van frequentieruimte met
die bestemming op een vergelijkbare wijze voor het gebruik van de
frequentieruimte een bedrag verschuldigd zijn, tenzij dit ten
gevolge van gewijzigde omstandigheden betreffende het gebruik van
die frequentieruimte niet langer leidt tot een optimaal gebruik
van frequentieruimte;
b. voor het gebruik van frequentieruimte met een op grond van
artikel 3.3, vijfde lid, bepaalde bestemming geen gebruik wordt
gemaakt van de in het eerste lid geboden mogelijkheid om voor het
gebruik van die frequentieruimte een eenmalig of periodiek bedrag
te vragen wordt, zolang er in die bestemming nog houders van
vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte zijn, houders
van vergunningen van wie de vergunning is verlengd uitgezonderd,
ook bij elke volgende uitgifte met die bestemming van die
mogelijkheid geen gebruik gemaakt, tenzij dit ten gevolge van
gewijzigde omstandigheden betreffende het gebruik van die
frequentieruimte niet langer leidt tot een optimaal gebruik van
frequentieruimte.
9. Bij de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling kan
worden bepaald dat het bedrag verschuldigd uit hoofde van een veiling
of een vergelijkende toets met de mogelijkheid tot een financieel bod,
vermeerderd met een op grond van die regeling verschuldigd eenmalig of
periodiek bedrag een bepaalde hoogte niet te boven zal gaan.
10. In geval toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het
negende lid en de verlening van een vergunning plaatsvindt door middel
van een veiling, wordt, indien meer dan één geldig bod wordt
uitgebracht dat bij verlening van de vergunning zou leiden tot
financiële verplichtingen gelijk aan of groter dan de op grond van
het negende lid bij ministeriële regeling bepaalde hoogte, het tot
vergunningverlening leidende bod uit deze biedingen bepaald door
middel van het lot.
Artikel 3.4
1. In afwijking van artikel 3.3 is geen vergunning vereist voor
gebruik van in het frequentieplan aangewezen frequentieruimte die:
a. al dan niet tezamen met bij ministeriële regeling aan te
wijzen categorieën van radiozendapparaten voor een in het
frequentieplan aangegeven bestemming door eenieder mag worden
gebruikt;
b. tot gebruik strekt van door Onze Minister aan te wijzen
overheidsorganen, belast met de zorg voor de veiligheid van de
staat, de defensie alsmede de handhaving van de rechtsorde;
c. voor een in het frequentieplan aangegeven bestemming
vergunningvrij mag worden gebruikt.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot:
a. het gebruik van aangewezen frequentieruimte, bedoeld in het
eerste lid;
b. de aanwijzing bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
c. eisen voor gebruikers van frequentieruimte;
d. een meldings- en registratieplicht voor het gebruik van
frequentieruimte als bedoeld in het eerste lid, onder c.
Artikel 3.4a
1. Indien vergunningen als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid,
worden verleend volgens de procedure bedoeld inartikel 3.3, vierde
lid, onder b, of onder c, kan in het belang van een evenwichtige
verdeling van schaarse frequentieruimte, voor bij ministeriële
regeling aan te wijzen diensten, bij die regeling de maximale
hoeveelheid frequentieruimte worden vastgesteld die een aanvrager bij
verlening van bedoelde vergunningen kan verkrijgen.
2. Indien een aanvrager een onderneming is die rechtstreeks of
middellijk een dominerende invloed kan uitoefenen op een andere
aanvrager worden zij als één aanvrager aangemerkt.
3. Indien de andere aanvrager bedoeld in het tweede lid de
rechtsvorm van een privaatrechtelijke rechtspersoon heeft, wordt
dominerende invloed als bedoeld in het tweede lid vermoed te kunnen
worden uitgeoefend wanneer de onderneming rechtstreeks of middellijk:
a. over de meerderheid van de stemrechten, verbonden aan de
door de rechtspersoon uitgegeven aandelen beschikt, of
b. meer dan de helft van de leden van het bestuur of het
toezichthoudend orgaan benoemt.
4. Dit artikel blijft buiten toepassing als artikel 6.24 van de
Mediawet 2008 van toepassing is.
Artikel 3.5
1. Een vergunning kan in het belang van een goede verdeling van
frequentieruimte, alsmede in het belang van een ordelijk en doelmatig
gebruik van frequentieruimte onder beperkingen worden verleend. In die
belangen kunnen aan een vergunning voorschriften worden verbonden.
2. Onverminderd het eerste lid kan aan een vergunning het
voorschrift worden verbonden dat de frequentieruimte waarop de
vergunning betrekking heeft, moet worden gebruikt voor de verzorging
van bij de vergunning aan te wijzen diensten, voor zover dat nodig is
voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. In
dat geval kunnen de in het eerste lid bedoelde beperkingen en
voorschriften tevens betrekking hebben op het belang van een goede
dienstverlening.
3. Als redenen van algemeen belang als bedoeld in het tweede lid,
worden in ieder geval aangemerkt:
a. de veiligheid van het menselijk leven;
b. het bevorderen van de sociale, regionale of territoriale
samenhang;
c. het doelmatig gebruik van frequentieruimte;
d. de bevordering van culturele en taalkundige diversiteit en
pluralisme van de media.
4. Onverminderd het eerste lid kan aan een vergunning het
voorschrift worden verbonden dat de frequentieruimte waarop de
vergunning betrekking heeft moet worden gebruikt voor de toepassing
van bij de vergunning aan te wijzen technologieën, indien dat nodig
is om:
a. schadelijke interferentie te vermijden;
b. de volksgezondheid te beschermen tegen elektromagnetische
velden;
c. de technische kwaliteit van de dienst te garanderen;
d. te zorgen voor zoveel mogelijk gedeeld gebruik van de
radiofrequenties;
e. een doelmatige gebruik van frequentieruimte te waarborgen;
f. een doelstelling van algemeen belang zoals bedoeld in het
derde lid, te verwezenlijken.
5. Indien een voorschrift als bedoeld in het tweede en vierde lid
wordt opgelegd, onderzoekt Onze Minister uiterlijk vijf jaar nadat het
voorschrift aan de vergunning is verbonden, en vervolgens iedere vijf
jaar, of het voorschrift kan worden geschrapt. Indien een voorschrift
niet meer nodig is voor de verwezenlijking van een van de in het
tweede en vierde lid genoemde doelstellingen, wordt de vergunning
hierop aangepast.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld terzake van de beperkingen waaronder een vergunning kan
worden verleend en de voorschriften die op grond van het eerste of
tweede lid aan een vergunning kunnen worden verbonden.
7. In het geval frequentieruimte moet worden gebruikt voor de
verzorging voor het publiek van diensten als bedoeld in het tweede
lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in het
belang van een goede dienstverlening regels worden gesteld voor
aanbieders van die diensten.
8. Indien een vergunning wordt verleend met toepassing van een van
de procedures, bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onder b of c, wordt
een voornemen om een vergunning onder beperkingen te verlenen en een
voornemen om aan een vergunning voorschriften te verbinden, op
passende wijze bekendgemaakt. Belanghebbenden, gebruikers en
consumenten kunnen tot vier weken na bekendmaking van een voornemen
hun zienswijze over het voornemen naar voren brengen.
Artikel 3.6
1. Een vergunning wordt door Onze Minister geweigerd indien:
a. verlening daarvan in strijd is met het frequentieplan;
b. een doelmatig gebruik van het frequentiespectrum dit
vordert;
c. reeds een vergunning voor het gebruik van de in de aanvraag
gevraagde frequentieruimte is verleend, tenzij gedeeld gebruik van
frequentieruimte mogelijk is;
d. deze is gevraagd voor het verspreiden van programma-aanbod
anders dan ter uitvoering van de publieke mediaopdracht, bedoeld
in artikel 2.1 van de Mediawet 2008, en de vergunning anders dan
bij voorrang wordt verleend;
e. feiten of omstandigheden er naar het oordeel van Onze
Minister op duiden dat de veiligheid van de staat of de openbare
orde door het verlenen van de vergunning in gevaar kan worden
gebracht, of
f. verlening daarvan in strijd zou zijn met de bij of krachtens
deze wet, dan wel bij of krachtens de artikelen 6.23 of 6.24 van
de Mediawet 2008, gestelde regels.
2. Een vergunning kan door Onze Minister worden geweigerd, indien:
a. een eerder verleende vergunning is ingetrokken wegens
overtreding van bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel
van de aan de vergunning verbonden voorschriften;
b. de aanvrager niet heeft voldaan aan op hem rustende
verplichtingen, voortvloeiend uit een eerder aan hem verleende
vergunning;
c. de aanvraag of de aanvrager niet voldoet aan de daarvoor bij
of krachtens deze wet gestelde regels, of
d. door het verlenen van de vergunning aan de aanvrager de
daadwerkelijke mededinging op de relevante markt in aanzienlijke
mate zou worden beperkt, met dien verstande dat naar redelijkheid
rekening wordt gehouden met gerechtvaardigde belangen bij het
gebruik van nieuwe technologie, of
e. de vrees is gewettigd dat door het verlenen van een
vergunning ontoelaatbare belemmeringen worden veroorzaakt door het
gewenste signaal van radiozendapparaten in andere
radiozendapparaten, ontvanginrichtingen of elektrische of
elektronische inrichtingen.
Artikel 3.7
1. Een vergunning wordt door Onze Minister ingetrokken indien:
a. de houder van de vergunning hierom verzoekt;
b. de naleving van een bindend besluit van een instelling van
de Europese Unie of de nakoming van Nederland bindende verdragen
en besluiten van volkenrechtelijke organisaties dit vordert.
2. Een vergunning kan door Onze Minister voorts slechts worden
ingetrokken indien:
a. de houder van de vergunning niet meer voldoet aan de aan hem
gestelde eisen om in aanmerking te komen voor een vergunning;
b. de houder van de vergunning de bij of krachtens deze wet,
dan wel bij of krachtens de artikelen 6.10, 6.23 of 6.24 van de
Mediawet 2008 gestelde regels dan wel de aan de vergunning
verbonden voorschriften niet nakomt;
c. een doelmatig gebruik van het frequentiespectrum dit
vordert;
d. de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de
vergunning ernstig gevaar zal opleveren voor de veiligheid van de
staat of de openbare orde;
e. de gronden waarop de vergunning is verleend zijn vervallen,
of
f. de instandhouding van de vergunning de daadwerkelijke
mededinging op de relevante markt in aanzienlijke mate zou
beperken.
g. de vergunning met toepassing van artikel 3.4a is verleend en
de zeggenschap over het gebruik van de vergunning is overgegaan
naar een andere vergunninghouder aan wie eveneens met toepassing
van dat artikel een vergunning is verleend voor frequentieruimte
met een zelfde bestemming, en daardoor de maximale hoeveelheid te
verkrijgen frequentieruimte wordt overschreden en rekeninghoudend
met de dan geldende omstandigheden een evenwichtige verdeling van
schaarse frequentieruimte het in stand laten van de vergunning
niet langer rechtvaardigt.
3. Op de gronden, genoemd in het tweede lid, kan Onze Minister in
plaats van de vergunning intrekken deze ook wijzigen.
Artikel 3.7a
1. Indien een van de gronden, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid,
van toepassing is, kan Onze Minister in plaats van intrekken of
wijzigen van een vergunning, de houder van een vergunning verplichten
om die vergunning overeenkomstig de in het zevende lid, onderdeel a,
bedoelde procedure binnen een bij ministeriële regeling te bepalen
termijn geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een natuurlijke of
rechtspersoon die een toestemming heeft verkregen van Onze Minister.
De houder van de vergunning deelt Onze Minister binnen zeven dagen na
afloop van de in de eerste volzin bedoelde periode mede aan wie de
vergunning is overgedragen.
2. Indien na afloop van de in het eerste lid, bedoelde periode
overdracht van de vergunning uitblijft, neemt Onze Minister de in het
zevende lid, onderdeel a, bedoelde procedure tot overdracht ter hand
en draagt Onze Minister die vergunning geheel of gedeeltelijk over aan
de natuurlijke of rechtspersoon die overeenkomstig die bedoelde
procedure, de hoogste prijs of de minimumprijs heeft geboden voor die
vergunning. In het geval meerdere natuurlijke of rechtspersonen de
hoogste of de minimumprijs hebben geboden, wordt door middel van
loting bepaald aan wie van die personen de vergunning wordt
overgedragen.
3. Aan de in het zevende lid, onderdeel a, bedoelde procedure
kunnen uitsluitend natuurlijke of rechtspersonen deelnemen die op
grond van het bepaalde op grond van het zevende lid, onderdeel b, een
toestemming als bedoeld in het eerste lid, hebben verkregen.
4. Artikel 3.8, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
5. De houder van een vergunning aan wie Onze minister kenbaar heeft
gemaakt dat hij voornemens is om de in het eerste lid, bedoelde
verplichting op te leggen, kan uiterlijk binnen een bij ministeriële
regeling gestelde periode na de datum van kennisgeving van het
ontwerpbesluit verzoeken om:
a. intrekking van de vergunning op grond van artikel 3.7,
eerste lid, onderdeel a,
b. wijziging van de vergunning op grond van artikel 3.7, derde
lid, of
c. toestemming voor overdracht op grond van artikel 3.8, eerste
lid.
Onze minister wijst een verzoek dat wordt ingediend na afloop van
deze periode af.
6. Gedurende de procedure, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a,
en gedurende acht weken na het tijdstip waarop de procedure is
afgerond, zijn artikel 3:7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, tweede
en derde lid, en artikel 3.8, eerste lid, eerste volzin, niet van
toepassing op de vergunning waarop het ontwerpbesluit, bedoeld in het
eerste lid, betrekking heeft.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van:
a. de door de houder van de vergunning, bedoeld in het eerste
lid, of door Onze Minister te volgen procedure om te bepalen aan
welke natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in het derde lid,
de vergunning wordt overgedragen;
b. de eisen die worden gesteld aan natuurlijke personen of
rechtspersonen, de aanvraag en de procedure om een toestemming als
bedoeld in het eerste lid te verkrijgen;
c. de wijze waarop bepaald wordt welke natuurlijke of
rechtspersoon die een toestemming heeft verkregen de vergunning
verkrijgt;
d. de bepaling en betaling van de prijs voor de vergunning.
Artikel 3.8
1. Een vergunning kan op aanvraag van de houder van die vergunning
geheel of gedeeltelijk aan een ander worden overgedragen met
toestemming van Onze Minister onverminderd hetgeen is bepaald in het
derde lid.
2. De voorschriften en beperkingen die aan een geheel of
gedeeltelijk over te dragen vergunning zijn verbonden kunnen met het
oog op het waarborgen van bestaande belangen worden gewijzigd dan wel
aangevuld met nieuwe voorschriften of beperkingen.
3. Deartikelen 3.3, tiende lid, en 3.6 zijn van overeenkomstige
toepassing.
4. Indien de toestemming betrekking heeft op de overdracht van een
vergunning voor het gebruik van frequentieruimte die bestemd is voor
het aanbieden van openbare elektronische communicatienetwerken of
openbare elektronische communicatiediensten, doet Onze Minister
mededeling in de Staatscourant van het besluit tot die toestemming,
van het al dan niet gewijzigd zijn van de aan de vergunning verbonden
voorschriften alsmede van het besluit nieuwe voorschriften aan de
vergunning te verbinden.
§ 3.3. Bijzonder gebruik van frequentieruimte
Artikel 3.9
In de gevallen waarin samenwerking tussen vergunninghouders van
frequentieruimte noodzakelijk is voor het kunnen gebruiken van de aan
hen toegewezen frequentieruimte, sluiten de betreffende
vergunninghouders binnen een periode van ten hoogste zes weken na
verlening van de vergunning een overeenkomst betreffende de voorwaarden
tot gezamenlijk gebruik van dat deel van de frequentieruimte.
Artikel 3.10
1. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, toestemming geven tot een gebruik van de frequentieruimte
dat afwijkt van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk, wanneer
dit noodzakelijk is:
a. ter voorkoming, beëindiging of opsporing van een misdrijf
als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere
strafbare feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert;
b. ter vaststelling van de verblijfplaats van een aan te houden
persoon op de voet van het bepaalde in artikel 565, tweede lid,
van het Wetboek van Strafvordering;
c. ter vaststelling van de plaats waar zich een persoon bevindt
van wie moet worden gevreesd dat deze in acuut levensgevaar
verkeert of ter beëindiging van een zodanig acuut levensgevaar;
d. ten behoeve van oefendoeleinden.
2. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderscheidenlijk Onze
Minister van Defensie, toestemming geven tot een gebruik van de
frequentieruimte dat afwijkt van het bepaalde bij of krachtens dit
hoofdstuk, wanneer dit noodzakelijk is ter uitvoering van de aan de
Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst onderscheidenlijk
Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst opgedragen taken in de
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
3. In overeenstemming met Onze Minister van Justitie
onderscheidenlijk Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties of Onze Minister van Defensie, kan bij
ministeriële regeling van het toestemmingsvereiste, bedoeld in het
eerste of tweede lid, vrijstelling worden verleend onder bij die
regeling te stellen voorschriften.
4. In afwijking van het eerste lid is gebruik van frequentieruimte
dat afwijkt van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk eveneens
mogelijk wanneer dit nodig is teneinde toepassing te kunnen geven aan
de strafvorderlijke bevoegdheden tot het onderzoek van
telecommunicatie, mits:
a. dit gebruik plaatsvindt met behulp van apparatuur die
voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen en
door bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ambtenaren;
b. daartoe een last wordt verstrekt door een tot het onderzoek
van telecommunicatie bevoegde autoriteit, en
c. dit plaatsvindt met het doel de gegevens, bedoeld in artikel
13.4, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 13.4, tweede lid, te
achterhalen en het door de aanbieder voldoen aan de vordering van
deze gegevens onvoldoende het belang van de strafvordering dient.
5. De Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de
voorbereiding, totstandkoming en tenuitvoerlegging van een besluit,
genomen bij of krachtens het eerste tot en met derde lid.
§ 3.4. Antenne-opstelpunten, antennesystemen en antennes
Artikel 3.11
1. De houders van een vergunning voor het gebruik van
frequentieruimte die bestemd is voor het aanbieden van openbare
telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten, zijn
over en weer verplicht te voldoen aan redelijke verzoeken tot het
medegebruik van antenne-opstelpunten. Hierbij worden in ieder geval de
technische mogelijkheden in acht genomen.
2. In het geval dat voor het verlenen van medegebruik toestemming
van een derde is vereist, is deze daartoe slechts gehouden indien het
een redelijk verzoek betreft en hij:
a. direct of indirect een relevant economisch belang heeft in
de houder, bedoeld in het eerste lid, tot wie het verzoek is
gericht;
b. deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van
boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe een andere
groepsmaatschappij als bedoeld in dat artikel behoort, die een
direct of indirect relevant economisch belang heeft in de houder
van een vergunning.
3. De houder, bedoeld in het eerste lid, en de derde die op grond
van het tweede lid gehouden is toestemming te verlenen, stellen het
medegebruik ter beschikking tegen een redelijke vergoeding.
4. Aanbieders van elektronische communicatienetwerken die bestaan
uit radiozendapparaten die geschikt zijn voor het verspreiden van
programma’s, alsmede aanbieders van antenne-opstelpunten welke
bestemd zijn om genoemde genoemde netwerken te ondersteunen, voldoen
aan redelijke verzoeken tot medegebruik van antenne-opstelpunten,
antennesystemen of antennes. Het tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.12
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels gesteld worden met betrekking tot het bepaalde in artikel 3.11.
Hierbij kunnen aan het college taken worden opgedragen en bevoegdheden
worden verleend.
2. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen in ieder geval
betrekking hebben op:
a. de door degene, bedoeld in artikel 3.11, eerste of vierde
lid, te verstrekken informatie over de antenne-opstelpunten
waarover zij beschikken;
b. het reserveren van ruimte op antenne-opstelpunten voor eigen
gebruik of voor medegebruik;
c. de termijnen waarbinnen op een verzoek als bedoeld in
artikel 3.11, eerste lid, tot medegebruik van een
antenne-opstelpunt moet worden beslist;
d. de vergoeding, bedoeld in artikel 3.11, derde lid.
Artikel 3.13
Onverminderd artikel 3.12 is het college bevoegd om op eigen
initiatief in concrete gevallen maatregelen te nemen die gericht zijn op
de verwezenlijking van de in artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van
richtlijn nr. 2002/21/EG genoemde doelstellingen. Op de voorbereiding
van een besluit van het college en op het besluit van het college is de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het college handelt bij
gebruikmaking van zijn bevoegdheid als bedoeld in de eerste volzin, met
inachtneming van bij ministeriële regeling te geven voorschriften.
Artikel 3.14
1. Onze Minister houdt een openbaar antenneregister met gegevens
betreffende antenne-opstelpunten, antennesystemen en antennes.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de soorten gegevens die in het register worden
opgenomen en degenen die worden verplicht tot het verstrekken van
gegevens ten behoeve van het register.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de inrichting van het register, het tijdstip en de wijze
waarop de gegevens voor opneming in het register dienen te worden
aangeleverd, alsmede de wijze waarop van de gegevens kan worden kennis
genomen.
Hoofdstuk 4. Nummerbeleid en nummerbeheer
Artikel 4.1
1. Onze Minister stelt, na overleg met het college, nummerplannen
vast waarin in ieder geval de bestemming van de daarin opgenomen
nummers wordt aangegeven. In een nummerplan kan voorts:
a. worden bepaald dat eenzelfde nummer aan meerdere aanvragers
kan worden toegekend;
b. ter bescherming van de consument een maximum worden gesteld
aan het tarief van een in het nummerplan opgenomen nummer.
2. Op de voorbereiding van een nummerplan is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
3. Het tweede lid is niet van toepassing indien het vast te stellen
nummerplan slechts betrekking heeft op:
a. het uitbreiden van nummercapaciteit, welke het gevolg is van
een toewijzing van nummers aan Nederland door een internationale
organisatie,
b. de implementatie van een besluit van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie, van de Raad van de Europese Unie
of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, of
c. overige wijzigingen die van ondergeschikte aard zijn en
waarvan in het nummerplan is opgenomen dat op een dergelijke
wijziging artikel 4.1, tweede lid, niet van toepassing is.
4. Het is verboden voor een bestemming die voorkomt in een
nummerplan andere nummers te gebruiken dan de nummers die in dat plan
voor die bestemming zijn opgenomen, en om een nummer dat voorkomt in
een nummerplan voor een andere bestemming te gebruiken dan de
bestemming waarvoor dat nummer in dat plan is opgenomen.
Artikel 4.1a
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter
uitvoering van overeenkomstig artikel 19, eerste en derde lid, onderdeel
b, van richtlijn nr. 2002/21/EG vastgestelde technische
uitvoeringsmaatregelen inzake de harmonisatie van nummervoorraden in de
Europese Unie teneinde de ontwikkeling van pan-Europese diensten te
ondersteunen.
Artikel 4.2
1. Nummers die in een nummerplan of in een op grond van het vijfde
lid vastgestelde aanwijzing zijn opgenomen kunnen op aanvraag door het
college worden toegekend aan:
a. een aanbieder van een elektronisch communicatienetwerk ten
behoeve van het verzorgen van elektronische communicatiediensten
over zijn elektronisch communicatienetwerk;
b. een aanbieder van een elektronische communicatiedienst ten
behoeve van het verzorgen van zijn elektronische
communicatiedienst, of
c. een natuurlijke persoon of rechtspersoon ten behoeve van het
gebruik van een elektronische communicatiedienst.
2. Een besluit over een aanvraag om toekenning van nummers wordt
binnen drie weken na ontvangst van de aanvraag genomen en
bekendgemaakt. Indien de aanvraag betrekking heeft op een nummer,
waarvan in een nummerplan is vastgelegd dat dit wordt toegekend door
middel van een procedure van veiling:
a. wordt de termijn verlengd met drie weken, en
b. is artikel 4:14, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
3. In het belang van een doelmatige toekenning van nummers kan bij
ministeriële regeling worden bepaald dat nummers voor een bij die
regeling aangewezen bestemming of categorie van gevallen, slechts
kunnen worden toegekend aan één, onderscheidenlijk twee, van de in
het eerste lid, onder a tot en met c, bedoelde categorieën van
aanvragers.
4. Een toekenning van nummers kan in het belang van een doelmatig
gebruik van nummers onder beperkingen worden verleend. In dat belang
kunnen aan een toekenning voorschriften worden verbonden.
5. Gedurende de voorbereiding van een nummerplan kan het college,
in overeenstemming met door Onze Minister aan te wijzen bestemmingen
en de daarbij behorende nummers, nummers toekennen gedurende een bij
dat besluit vast te stellen termijn. Het verbod van artikel 4.1,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de door Onze Minister
aangewezen nummers.
6. Indien meer aanvragen met een gelijke voorkeur om toekenning van
een bepaald nummer, dan wel bepaalde nummers op dezelfde dag bij het
college ter behandeling zijn ingediend, besluit het college op die
aanvragen door middel van het lot. Van deze procedure zijn uitgesloten
nummers als bedoeld in het zevende lid en nummers als bedoeld in
artikel 4.2b.
7. Nummers van uitzonderlijke economische waarde worden toegekend
door middel van een procedure van veiling, indien dit met betrekking
tot die nummers in een nummerplan is vastgelegd. De opbrengst van de
veiling komt toe aan de Staat.
8. In afwijking van het bepaalde in het zesde en het zevende lid
kan het college:
a. besluiten een nummer, niet zijnde een nummer van
uitzonderlijke economische waarde, op de dag van aanvraag toe te
kennen, mits de aanvrager geen specifiek nummer aanvraagt, en
b. in uitzonderlijke omstandigheden besluiten een nummer van
uitzonderlijke economische waarde op de dag van aanvraag toe te
kennen voor een door het college vast te stellen termijn die niet
langer is dan drie maanden.
9. Indien voor de toekenning van een nummer als bedoeld in het
zevende lid slechts één aanvrager overeenkomstig de bij of krachtens
deze wet gestelde regels in aanmerking komt, wordt aan deze aanvrager
het nummer toegekend zonder toepassing van een veiling.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de aanvraagprocedures van nummers
als bedoeld in het zevende en achtste lid, met betrekking tot de
veilingprocedure en met betrekking tot de lotingprocedure.
11. Het is verboden nummers door Onze Minister aangewezen
overeenkomstig het vijfde lid, alsmede nummers voorkomende in een
nummerplan te gebruiken voor de in de aanwijzing onderscheidenlijk in
een nummerplan opgenomen bestemming zonder of in afwijking van een
toekenning.
Artikel 4.2a
1. Nummers die worden toegekend door middel van een procedure van
veiling worden voor onbepaalde tijd toegekend, tenzij Onze Minister in
het betreffende nummerplan een maximumduur van de toekenning heeft
vastgelegd.
2. Een nummer waarvoor een maximumduur is opgenomen in een
nummerplan wordt niet eerder dan een jaar nadat de maximumtermijn van
de toekenning is verstreken of de toekenning is ingetrokken in gebruik
genomen, indien het nummer door de daarop volgende toekenning van
nummerhouder verandert.
Artikel 4.2b
In de gevallen waarin samenwerking tussen nummerhouders noodzakelijk
is voor het kunnen gebruiken van een nummer dat aan twee of meer
nummerhouders is toegekend, sluiten de nummerhouders binnen een periode
van ten hoogste zes weken nadat het nummer aan hen is toegekend een
overeenkomst betreffende de voorwaarden tot gezamenlijk gebruik van dat
nummer.
Artikel 4.3
1. Een toekenning wordt geweigerd, indien:
a. de toekenning in strijd is met het desbetreffende nummerplan
of een op grond van artikel 4.2, vijfde lid, vastgestelde
aanwijzing;
b. redelijkerwijs is te verwachten dat door de aanvrager niet
zal of kan worden voldaan aan het bij of krachtens deze wet met
betrekking tot nummers bepaalde;
c. de toekenning in strijd zou zijn met de bij of krachtens
deze wet gestelde regels.
2. Een toekenning kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd,
indien:
a. op grond van de aanvraag redelijkerwijs niet is te
verwachten dat het voorgenomen gebruik binnen een jaar, of binnen
een bij ministeriële regeling voor bij die regeling aan te wijzen
categorieën van nummers te bepalen kortere termijn, wordt
verwezenlijkt;
b. het in de aanvraag omschreven voorgenomen gebruik de
toekenning van de gevraagde hoeveelheid nummers niet
rechtvaardigt;
c. het college eerder een aanvraag heeft geweigerd of een
eerdere toekenning heeft opgeschort of ingetrokken op grond van
artikel 4.7, derde, vierde of vijfde lid;
d. uit de aanvraag blijkt dat deze wordt gedaan met de
kennelijke bedoeling de bij de aanvraag gevraagde nummers te
verhandelen;
e. het in de aanvraag omschreven voorgenomen gebruik de
toekenning van de gevraagde nummers niet noodzakelijk maakt.
3. Met betrekking tot bij ministeriële regeling aangewezen
categorieën van nummers kan een toekenning geheel of gedeeltelijk
worden geweigerd indien:
a. de aanvrager gevestigd is buiten de Europese Economische
Ruimte;
b. wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3 van de Wet
bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
4. Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, onderdeel b,
kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, door het college
om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Artikel 4.4
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke
gedragingen van een nummergebruiker voor het college aanleiding kunnen
zijn om:
a. de toekenning van een nummer te weigeren, op te schorten of
in te trekken,
b. de aanbieder van een openbare elektronische
communicatiedienst een aanwijzing te geven de betaling die
gerelateerd is aan het betreffende nummer op te schorten
overeenkomstig artikel 7.3a, of
c. de aanbieder van een openbare elektronische
communicatiedienst een aanwijzing te geven de aankiesbaarheid van
het desbetreffende nummer op te schorten overeenkomstig artikel
7.3b, eerste lid.
2. De gedragingen hebben betrekking op het kennelijk misbruik maken
van de tarifering van een nummer.
Artikel 4.5
1. Het college kan op aanvraag van de nummerhouder een toekenning
wijzigen of intrekken.
2. Op een aanvraag tot wijziging is artikel 4.3 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4.6
Het college kan op gezamenlijke aanvraag van de desbetreffende
nummerhouder en een derde toestaan dat de toekenning overgaat op de
derde. Artikel 4.2, vierde lid, en artikel 4.3 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4.7
1. Een toekenning wordt door het college gewijzigd of ingetrokken,
indien:
a. een wijziging van het desbetreffende nummerplan daartoe
noodzaakt, voor zover de nummerhouder aanspraak behoudt op
toekenning van hetzelfde aantal nummers;
b. het doelmatig gebruik van nummers in het algemeen
maatschappelijk en economisch belang dit vordert.
2. Een toekenning wordt voorts door het college gewijzigd indien
dit noodzakelijk is om feitelijke onjuistheden van eenvoudige aard weg
te nemen.
3. Een toekenning wordt voorts door het college ingetrokken op
aanwijzing van Onze Minister in het belang van de veiligheid van de
staat.
4. Een toekenning kan door het college worden opgeschort voor een
door het college te bepalen termijn of worden ingetrokken, indien:
a. de nummerhouder of de nummergebruiker de bij of krachtens
deze wet met betrekking tot nummers gestelde regels of de aan het
toekenningsbesluit verbonden voorschriften niet nakomt;
b. na de toekenning blijkt dat de aanvraag is gedaan met de
kennelijke bedoeling de toegekende nummers te verhandelen;
c. de nummerhouder niet meer voldoet aan de voorwaarden om in
aanmerking te komen voor toekenning van dat nummer.
5. Met betrekking tot bij ministeriële regeling aangewezen
categorieën van nummers kan een toekenning door het college worden
opgeschort voor een door het college te bepalen termijn die niet
langer duurt dan twee weken, indien het college een aanwijzing heeft
dat de nummergebruiker de bij of krachtens deze wet met betrekking tot
nummers gestelde regels niet nakomt of de aan het toekenningsbesluit
verbonden voorschriften of een gedraging als bedoeld in artikel 4.4
verricht. Het college kan de in de vorige volzin genoemde periode
eenmalig met maximaal twee weken verlengen.
Artikel 4.8
1. In het belang van de goede uitvoering van de bij of krachtens de
wet aan het college opgedragen taken en toegekende bevoegdheden wordt
door het college een nummerregister bijgehouden dat een overzicht
bevat van toekenningen. Het register bevat de vermelding van de naam,
het adres en de vestigingsplaats, respectievelijk de woonplaats van
degene aan wie nummers zijn toegekend. Tevens wordt de duur van de
toekenning vermeld. Het college is verantwoordelijke in de zin van
artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens voor
het register.
2. Onverminderd het derde lid ligt het register voor eenieder
kosteloos ter inzage op een door het college te bepalen plaats.
3. Op verzoek van de nummerhouder wordt, indien het een natuurlijk
persoon betreft en het nummer niet uitsluitend bedrijfsmatig wordt
gebruikt, zijn naam, adres en woonplaats niet opgenomen in het deel
van het register dat ter inzage ligt.
Artikel 4.9
1. Indien de nummerhouder de aan hem toegekende nummers in gebruik
geeft aan een ander, doet hij dit op een niet-discriminerende en
transparante wijze met gebruikmaking van objectieve criteria.
2. De nummerhouder draagt er zorg voor dat het gebruik van de aan
hem toegekende nummers in overeenstemming is met het bij of krachtens
deze wet bepaalde.
3. Met betrekking tot bij ministeriële regeling aangewezen
categorieën van nummers:
a. geeft de nummergebruiker een aan hem in gebruik gegeven
nummer niet in gebruik aan een ander;
b. registreert de nummerhouder de bij ministeriële regeling
vastgestelde gegevens over de nummergebruiker en over het gebruik
van het nummer.
Artikel 4.10
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een
aanbieder van een bij die maatregel aan te wijzen categorie van
openbare elektronische communicatiediensten verplicht is degene die op
grond van een met hem gesloten overeenkomst die elektronische
communicatiedienst afneemt:
a. de mogelijkheid te bieden het in het kader van de afgenomen
elektronische communicatiedienst bij hem in gebruik zijnde nummer
te blijven gebruiken na beëindiging van de levering van de dienst
in het geval de beëindiging van de levering plaatsvindt ten
gevolge van een rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst;
b. de mogelijkheid te bieden het in het kader van de afgenomen
elektronische communicatiedienst bij hem in gebruik zijnde nummer
te blijven gebruiken indien hij binnen een bepaald gebied van
adres verandert, of
c. de mogelijkheid te bieden het in het kader van de afgenomen
elektronische communicatiedienst bij hem in gebruik zijnde nummer
te blijven gebruiken indien hij er voor kiest een andere bij die
maatregel aan te wijzen elektronische communicatiedienst af te
nemen.
2. Een aanbieder van een krachtens het eerste lid aangewezen
categorie van openbare elektronische communicatiediensten op wie een
verplichting als bedoeld in dat lid, onderdeel a, rust, is tevens
verplicht:
a. aan degene met wie hij overeenkomt de desbetreffende
openbare elektronische communicatiedienst te leveren de
mogelijkheid te bieden het voorheen in het kader van die dienst
bij diegene in gebruik zijnde nummer te blijven gebruiken, en
b. indien de abonnee tijdig met de aanbieder de levering van de
desbetreffende openbare elektronische communicatiedienst
overeenkomt en daarbij laat weten gebruik te maken van de
mogelijkheid bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de levering
van de dienst via het bij de abonnee in gebruik zijnde nummer zo
spoedig mogelijk aan te vangen, doch niet later dan de werkdag
volgend op de dag waarop de levering van de dienst door de vorige
aanbieder wordt beëindigd.
3. Bij een verplichting opgelegd, krachtens het eerste lid,
onderdeel a, gaat:
a. in het geval het betreffende nummer is toegekend aan een
aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk en
voor de betreffende openbare elektronische communicatiedienst
voortaan het openbare elektronisch communicatienetwerk van een
andere aanbieder wordt gebruikt, de toekenning van het betreffende
nummer over op die andere aanbieder van dat netwerk;
b. in het geval het betreffende nummer is toegekend aan de
aanbieder van de betreffende openbare elektronische
communicatiedienst, de toekenning van het betreffende nummer over
op degene van wie de betreffende elektronische communicatiedienst
voortaan wordt afgenomen.
4. Het college kan categorieën van nummers aanwijzen waarvoor
geldt dat, in het geval een nummer uit die categorie na een overgang
op grond van het derde lid niet langer in gebruik is, de toekenning
van het nummer teruggaat naar de aanbieder aan wie het nummer op basis
van een aanvraag was toegekend.
5. Een aanbieder die een nummer behorende tot een door het college
op grond van het vierde lid aangewezen categorie niet heeft toegekend
gekregen op grond van een aanvraag doet, indien hij het nummer niet
langer in gebruik heeft, hiervan mededeling aan het college. Na
ontvangst van de in de vorige zin bedoelde mededeling stelt het
college de aanbieder naar wie de toekenning van het nummer op grond
van het vierde lid is teruggegaan hiervan op de hoogte.
6. De in het derde lid bedoelde aanbieders stellen het college
binnen een door het college te bepalen termijn en op een door het
college te bepalen wijze op de hoogte van de toekenningen van nummers
die in een door het college te bepalen periode op grond van het derde
lid van hen op andere aanbieders zijn overgegaan, alsmede van de
toekenningen van nummers die op grond van het derde lid van andere
aanbieders op hen zijn overgegaan. Het college maakt de door hem
bepaalde termijn, wijze en periode, bedoeld in de eerste volzin,
bekend in de Staatscourant.
7. Een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
waarover een krachtens het eerste lid aangewezen categorie van
openbare elektronische communicatiediensten wordt verzorgd:
a. zorgt ervoor dat zijn netwerk zodanig is ingericht dat een
aanbieder van die dienst een krachtens het eerste lid opgelegde
verplichting kan nakomen, en
b. stelt voor interconnectie verband houdende met een krachtens
het eerste lid opgelegde verplichting een kostengeoriënteerd
tarief vast.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de doorberekening van kosten van een
krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verplichting aan
eindgebruikers.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot een krachtens het eerste lid opgelegde
verplichting.
Artikel 4.11 [Vervallen per 01-07-2008]
Hoofdstuk 5. Aanleg, instandhouding en opruiming van kabels
§ 5.1. De gedoogplicht
§ 5.1.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.1
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk mede
verstaan degene die in eigen naam en voor eigen rekening kabels ten
dienste van een dergelijk netwerk aanlegt, instandhoudt en opruimt.
Artikel 5.2
1. De rechthebbende op of de beheerder van openbare gronden is
verplicht te gedogen dat ten dienste van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk kabels in en op deze gronden worden aangelegd,
instandgehouden of opgeruimd.
2. Voor zover het de aanleg, instandhouding of opruiming van andere
dan lokale kabels betreft strekt de gedoogplicht zich tevens uit tot
niet-openbare gronden, uitgezonderd tuinen en erven die met bewoonde
percelen één geheel vormen.
3. Voor zover het voor het aansluiten van gebruikers op een
openbaar elektronisch communicatienetwerk nodig is, strekt de
gedoogplicht zich wat lokale kabels betreft tevens uit tot
niet-openbare gronden, met inbegrip van tuinen en erven die met
bewoonde percelen één geheel vormen.
4. Voor zover het voor het aansluiten van gebruikers op een
openbaar elektronisch communicatienetwerk nodig is, is bovendien de
rechthebbende op een gebouw verplicht de aanleg, instandhouding of
opruiming van netwerkaansluitpunten en kabels in en aan dit gebouw te
gedogen.
5. Indien ten behoeve van een andere toepassing dan elektronische
communicatie bovengrondse ondersteuningswerken zijn of worden
aangelegd waarmee ten behoeve van die toepassing bovengronds fysieke
draden zijn of worden aangelegd, is de rechthebbende op of de
beheerder van openbare of niet-openbare grond waarboven deze draden
zijn of worden aangelegd, verplicht te gedogen dat met de uitsluitende
gebruikmaking van deze bovengrondse ondersteuningswerken tevens kabels
ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk boven de
desbetreffende grond worden aangelegd, instandgehouden of opgeruimd.
Voor de rechthebbende op of de beheerder van de genoemde bovengrondse
ondersteuningswerken bestaat geen gedoogplicht voor het gebruik laten
maken van deze werken.
6. Door de aanleg, de instandhouding en de opruiming van kabels
wordt:
a. geen verandering teweeggebracht in de bestemming van hetgeen
waarin, waarop, waarboven of waaraan de kabels zijn of worden
aangelegd, en
b. zo min mogelijk verandering in de uiterlijke gedaante en zo
min mogelijk belemmering in het gebruik ervan teweeggebracht.
7. Op verzoek van degene op wie de gedoogplicht rust, maakt de
aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk ter
uitvoering van het zesde lid, onder b, gebruik van ondergrondse
voorzieningen, die door degene op wie de gedoogplicht rust of een
derde tegen een marktconforme prijs ter beschikking wordt gesteld,
tenzij de aanbieder ingeval artikel 5.15 van toepassing is,
aannemelijk kan maken dat medegebruik als bedoeld in artikel 5.12 op
technische of economische gronden niet haalbaar is. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld
met betrekking tot de aanleg en vorm van aan te leggen netwerken
ingeval van gebruik van voorzieningen als bedoeld in de eerste volzin.
8. Aan de in het eerste tot en met het vijfde lid opgenomen
verplichting om de instandhouding van kabels ten dienste van een
openbaar elektronisch communicatienetwerk te gedogen komt een einde
wanneer de aangelegde kabels gedurende een aaneengesloten periode van
tien jaar geen deel uitmaken van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk. In dat geval is de aanbieder van een openbaar
elektronisch communicatienetwerk verplicht op verzoek van degene op
wie de gedoogplicht rustte de kabels op te ruimen.
9. Het in of uit gebruik nemen van kabels ten dienste van een
openbaar elektronisch communicatienetwerk wordt door de aanbieder van
het desbetreffende netwerk schriftelijk gemeld aan degene op wie de
gedoogplicht rust. De bewijslast voor de ingebruikneming ligt bij de
aanbieder.
10. Onverminderd dit artikel gelden de gegeven voorschriften bij of
krachtens andere wetten terzake van het gebruik van deze gronden,
gebouwen of wateren.
Artikel 5.3
1. De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
die het voornemen heeft werkzaamheden uit te voeren in verband met de
aanleg, instandhouding of opruiming van kabels, stelt degene op wie de
gedoogplicht rust schriftelijk in kennis van dit voornemen en streeft
vervolgens naar overeenstemming over de plaats, het tijdstip en de
wijze van uitvoering van de werkzaamheden.
2. Indien binnen vier weken na de datum van verzending van de
schriftelijke kennisgeving geen overeenstemming is bereikt, geeft de
aanbieder een tweede schriftelijke kennisgeving aan degene op wie de
gedoogplicht rust waarin een omschrijving van de plaats, het tijdstip,
dat niet eerder kan zijn gelegen dan drie weken na verzending van de
tweede kennisgeving, en de wijze van de uit te voeren werkzaamheden
wordt gegeven.
3. Indien degene op wie de gedoogplicht rust tegen deze tweede
kennisgeving bedenkingen heeft, kan hij binnen twee weken na ontvangst
daarvan het college verzoeken een beschikking te geven over de plaats,
het tijdstip en de wijze van de uit te voeren werkzaamheden.
4. Het college geeft de beschikking binnen acht weken na ontvangst
van het verzoek.
5. Het verzoek schorst het recht op uitvoering van de
werkzaamheden.
6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de schriftelijke kennisgeving.
§ 5.1.2. Openbare gronden
Artikel 5.4
1. De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
die het voornemen heeft werkzaamheden uit te voeren in of op openbare
gronden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van
kabels, gaat slechts over tot het verrichten van deze werkzaamheden
indien deze:
a. het voornemen daartoe schriftelijk heeft gemeld bij
burgemeester en wethouders van de gemeente binnen wier grondgebied
de uit te voeren werkzaamheden plaats zullen vinden, en
b. van burgemeester en wethouders instemming heeft verkregen
omtrent de plaats, het tijdstip, en de wijze van uitvoering van de
werkzaamheden.
2. Burgemeester en wethouders kunnen om redenen van openbare orde,
veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, de bereikbaarheid
van gronden of gebouwen, dan wel ondergrondse ordening in het
instemmingsbesluit voorschriften opnemen.
3. De voorschriften kunnen slechts betrekking hebben op:
a. de plaats van de werkzaamheden;
b. het tijdstip van de werkzaamheden, met dien verstande dat
het toegestane tijdstip van aanvang, behoudens zwaarwichtige
redenen van publiek belang als genoemd in het tweede lid, niet
later mag liggen dan 12 maanden na de datum van afgifte van het
instemmingsbesluit;
c. de wijze van uitvoering van de werkzaamheden;
d. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen;
e. het afstemmen van de voorgenomen werkzaamheden met
beheerders van overige in de grond aanwezige werken.
4. De gemeenteraad stelt met betrekking tot het verrichten van de
werkzaamheden bij verordening regels vast die in ieder geval
betrekking hebben op:
a. het tijdstip, voorafgaand aan het verrichten van de
werkzaamheden, waarop de melding uiterlijk moet zijn gedaan;
b. de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt,
waaronder het uitvoeringsplan;
c. de wijze van uitvoering van de werkzaamheden bij aanleg,
instandhouding en opruiming;
d. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen;
e. het afstemmen van de voorgenomen werkzaamheden met
beheerders van overige in de grond aanwezige werken;
f. de wijze van melding en uitvoering van spoedeisende
werkzaamheden in verband
met ernstige belemmering of storing van de communicatie.
5. In de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden
van al dan niet ingrijpende aard.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de verordening.
7. Indien een gemeente gedoogplichtig is, vindtartikel 5.3 geen
toepassing voor zover de belangen van de gemeente kunnen worden
behartigd in het door burgemeester en wethouders te verlenen
instemmingsbesluit.
Artikel 5.5
1. Indien voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels
ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk zowel
een aanvraag voor een besluit als bedoeld inartikel 5.4, eerste lid,
onder b, bij burgemeester en wethouders van de gemeente binnen wiens
grondgebied de uit te voeren werkzaamheden plaats zullen vinden, als
een aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander
bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de
aanvrager burgemeester en wethouders hiervan op de hoogte.
2. Burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente
bevorderen op verzoek van de aanvrager een inhoudelijke afstemming bij
de beoordeling van de aanvragen. De overige betrokken bestuursorganen
verlenen de daarvoor benodigde medewerking.
3. Artikel 5.4, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing in
het geval van vergunningverlening als bedoeld in het eerste lid.
§ 5.1.3. Ernstige belemmeringen en storingen
Artikel 5.6
1. In geval van spoedeisende werkzaamheden ten gevolge van een
ernstige belemmering of storing van de communicatie is het bepaalde
bij of krachtens de artikelen 5.3 en 5.4, eerste tot en met vierde
lid, onder e, niet van toepassing op de instandhouding van kabels ten
dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk en kan door
de aanbieder van het openbaar elektronische communicatienetwerk worden
volstaan met een melding voorafgaand aan de uit te voeren
werkzaamheden aan degene op wie de gedoogplicht rust.
2. Ingeval de werkzaamheden in verband met de instandhouding van
kabels worden verricht in of op openbare gronden, wordt hiervan door
de aanbieder tevens voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden
melding gedaan bij de burgemeester van de gemeente binnen wiens
grondgebied de werkzaamheden zullen plaatsvinden, of bij een daartoe
door hem gemachtigd ambtenaar. Ingeval de melding bij de gemachtigde
heeft plaatsgevonden stelt de gemachtigde de burgemeester zo spoedig
mogelijk daarvan in kennis.
3. Ingeval de openbare orde of gevaar dan wel de vrees voor het
ontstaan van gevaar zich verzet tegen de uitvoering van de voorgenomen
werkzaamheden kan de burgemeester besluiten dat de werkzaamheden op
een ander dan het voorgenomen tijdstip plaatsvinden.
4. Het besluit wordt onverwijld na het tijdstip van ontvangst van
de melding genomen.
5. In de verordening, bedoeld in artikel 5.4, vierde lid, kan de
gemeenteraad om redenen van veiligheid delen van een grondgebied
aanwijzen waarvoor dit artikel niet van toepassing is.
§ 5.2. Schadevergoeding in verband met gedoogplicht
Artikel 5.7
1. De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
vergoedt aan degene op wie de gedoogplicht rust de schade
voortvloeiend uit de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels.
2. Het recht op schadevergoeding beperkt zich voor rechthebbenden
op en beheerders van openbare gronden tot vergoeding van de
marktconforme kosten van de voorzieningen en van de meerdere
marktconforme kosten van onderhoud.
3. Na het beëindigen van de werkzaamheden in verband met de
aanleg, instandhouding of opruiming van kabels brengt de aanbieder van
een openbaar elektronisch communicatienetwerk de grond terug in de
oude staat, tenzij degene op wie de gedoogplicht rust, heeft
aangegeven hier zelf voor te willen zorgdragen. De aanbieder draagt de
marktconforme kosten die nodig zijn voor het terugbrengen van de grond
in de oude staat.
4. Onder marktconforme kosten wordt in dit verband verstaan kosten
zoals deze door een onderneming onder normale omstandigheden in een
markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt.
§ 5.3. Overige bepalingen
Artikel 5.8
1. De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
is verplicht op verzoek van degene op wie de gedoogplicht rust op
eigen kosten over te gaan tot het nemen van maatregelen ten aanzien
van kabels ten dienste van zijn netwerk, waaronder het verplaatsen van
kabels, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de oprichting van
gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege degene op wie de
gedoogplicht rust.
2. Indien degene op wie de gedoogplicht rust jegens een derde
gehouden is grond, die door degene op wie de gedoogplicht rust is
bestemd voor het oprichten van een of meer gebouwen, zodanig te
leveren dat die derde na verkrijging van de grond bij het door of
vanwege hem oprichten van een of meer gebouwen niet gehinderd wordt
door de in de grond aanwezige kabels ten dienste van een openbaar
elektronisch communicatienetwerk, is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing. De oprichting van een of meer gebouwen
dient op het moment dat een verzoek wordt gedaan voldoende bepaalbaar
te zijn.
3. Indien de aanbieder kabels heeft verplaatst op grond van het
eerste en tweede lid, en naderhand blijkt dat de door gedoogplichtige
aangekondigde werkzaamheden, waarvoor deze verplaatsing nodig was,
niet hebben plaatsgevonden, heeft de aanbieder recht op vergoeding van
de door hem gemaakte kosten.
4. Indien binnen vijf jaar na een verzoek tot het nemen van
maatregelen op grond van het eerste of tweede lid opnieuw een verzoek
wordt gedaan door degene op wie de gedoogplicht rust, komen de daarmee
verbonden kosten voor rekening van degene op wie de gedoogplicht rust.
5. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste of tweede lid, is
de aanbieder slechts verplicht over te gaan tot maatregelen, waaronder
het verplaatsen van de kabels, indien degene op wie de gedoogplicht
rust hem de kosten daarvan vergoedt.
6. Ingeval een verzoek tot het nemen van maatregelen is gedaan,
gaat de aanbieder zo snel mogelijk over tot de gevraagde maatregelen,
doch niet later dan zestien weken na de datum van ontvangst van het
verzoek. Indien het verzoek het verplaatsen van kabels betreft gaat de
aanbieder zo snel mogelijk over tot de gevraagde verplaatsing, doch
niet later dan twaalf weken nadat een plaats waar de kabels kunnen
worden gelegd beschikbaar is gekomen. Het verzoek bevat een
omschrijving van de op te richten gebouwen dan wel de uit te voeren
werken en in geval het verzoek een verplaatsing van kabels betreft
voor zover mogelijk een voorstel voor de plaats waar de kabels kunnen
worden aangelegd.
7. Bij gebrek aan overeenstemming over de vraag wie de kosten van
de te nemen maatregelen dient te dragen, kan degene op wie de
gedoogplicht rust dan wel de aanbieder het college verzoeken een
beschikking te geven.
8. Het college geeft de beschikking binnen zeventien weken na
ontvangst van het verzoek.
Artikel 5.9 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 5.10
De aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten dienste van een
openbaar elektronisch communicatienetwerk geschiedt op zodanige wijze
dat bomen en beplantingen zoveel mogelijk worden beschermd en de
mogelijkheid tot groei niet wordt ontnomen.
Artikel 5.11
1. Rechthebbenden op bomen of beplantingen of de beheerders van de
grond waarop de bomen of beplantingen zich bevinden zijn verplicht op
schriftelijk verzoek van de aanbieder van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk binnen twee weken de wortels daarvan in te korten,
voor zover deze redelijkerwijs hinderlijk zijn of worden voor de
instandhouding van kabels ten dienste van het netwerk waardoor de
exploitatie van het netwerk in gevaar komt.
2. In geval van ernstige belemmering of storing van de communicatie
kan een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
onmiddellijk tot het inkorten van wortels overgaan, waarna deze zo
spoedig mogelijk hiervan schriftelijk aan de rechthebbende of
beheerder kennis geeft, doch niet later dan de dag volgend op de
werkzaamheden.
3. De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
vergoedt aan de rechthebbende of beheerder de schade voortvloeiend uit
het inkorten van wortels.
Artikel 5.12
1. Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken zijn
over en weer verplicht te voldoen aan redelijke verzoeken tot het
medegebruik van de voorzieningen waarop de gedoogplicht van toepassing
is. Hierbij worden in ieder geval de technische mogelijkheden in acht
genomen.
2. In het geval dat voor het verlenen van medegebruik toestemming
van een derde is vereist, is deze daartoe slechts gehouden indien het
een redelijk verzoek betreft en hij:
a. direct of indirect een relevant economisch belang heeft in
de aanbieder, bedoeld in het eerste lid, tot wie het verzoek is
gericht;
b. deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van
boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe een andere
groepsmaatschappij als bedoeld in dat artikel behoort, die een
direct of indirect relevant economisch belang heeft in de
aanbieder.
3. De aanbieder, bedoeld in het eerste lid, en de derde die op
grond van het tweede lid gehouden is toestemming te verlenen, stellen
het medegebruik ter beschikking tegen een redelijke vergoeding.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels gesteld worden met betrekking tot het in het eerste lid
bedoelde medegebruik van voorzieningen en de in het derde lid bedoelde
vergoeding.
Artikel 5.13
1. De kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement, waarin
de onroerende zaak waarin, waarop of waarboven de kabels ten dienste
van een openbaar elektronisch communicatienetwerk worden aangelegd,
instandgehouden of opgeruimd, zich geheel of grotendeels bevindt, is,
ongeacht de hoogte van de vordering, bevoegd geschillen inzake een eis
tot schadevergoeding op grond van dit hoofdstuk te beslissen, alsmede
geschillen inzake de hoogte van de kosten van het nemen van
maatregelen, bedoeld in de artikelen 5.8 en5.9.
2. Van de uitspraak van de kantonrechter is hoger beroep
toegelaten.
3. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
zijn van toepassing op de geschillen, bedoeld in het eerste lid, voor
zover daarvan in de voorgaande leden van dit artikel niet is
afgeweken.
4. Ook voordat omtrent de schadevergoeding of de hoogte van de
kosten overeenstemming verkregen of uitspraak gedaan is, kan tot
uitvoering van de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 5.2, 5.8 en
5.11, worden overgegaan.
Artikel 5.14
1. Indien een gemeente openbare elektronische communicatienetwerken
of openbare elektronische communicatiediensten aanbiedt, of een belang
of zeggenschap heeft in een onderneming die dit doet, zijn de personen
die besluiten voorbereiden als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid,
onder b, daarbij niet betrokken.
2. Het voornemen om direct of indirect betrokken te zijn bij het
aanbieden van openbare elektronische communicatienetwerken of openbare
elektronische communicatiediensten wordt bekend gemaakt. Artikel 3:42
van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Bij de
bekendmaking van het voornemen wordt de redengeving ervan vermeld.
Tevens wordt bekendgemaakt waar en wanneer nadere informatie over het
voornemen van de te nemen beslissing kan worden verkregen.
3. Bij de toepassing van artikel 5.4, tweede lid, bevoordelen
burgemeester en wethouders geen ondernemingen die openbare
elektronische communicatienetwerken aanbieden waarin de gemeente
direct of indirect bij betrokken is.
4. Een gemeente die direct of indirect betrokken is bij het
aanbieden van een openbaar elektronisch communicatienetwerk bevordert
open en non-discriminatoire toegang tot dit netwerk.
Artikel 5.15
Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op de aanleg,
instandhouding en opruiming van ondergrondse ondersteuningswerken en
beschermingswerken waarin of waarop geen fysieke geleidingsdraden
bestemd voor de rechtstreekse overdracht van signalen tussen punten zijn
aangebracht, en die aangelegd worden of zijn met het oogmerk deel uit te
gaan maken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk van degene
in wiens naam wordt aangelegd of een derde.
Artikel 5.16
Voor de toepassing van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel
5.12, wordt gelijkgesteld met een openbaar elektronisch
communicatienetwerk een door Onze Minister aangewezen elektronisch
communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk gebruikt wordt voor
vitale overheidstaken.
Artikel 5.17
De artikelen 17, eerste lid, onder k, van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek, 20, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, 36,
vierde lid, Kadasterwet en 78, derde en vierde lid, en 155 van de
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige
toepassing op ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken
als bedoeld in artikel 5.15.
Hoofdstuk 6. Interoperabiliteit van diensten en vertrouwelijkheid van
informatie
Artikel 6.1
1. Een aanbieder van openbare elektronische communicatienetwerken
of openbare elektronische communicatiediensten, die daarbij de toegang
tot eindgebruikers controleert, treedt op verzoek van een aanbieder
van openbare elektronische communicatienetwerken of openbare
elektronische communicatiediensten met die aanbieder in onderhandeling
met het oog op het sluiten van een overeenkomst op basis waarvan de
nodige maatregelen worden genomen, waaronder zo nodig door middel van
interconnectie van de betrokken netwerken, opdat eind- tot
eindverbindingen tot stand worden gebracht.
2. Aanbieders van elektronische communicatienetwerken of aanbieders
van elektronische communicatiediensten mogen informatie die voor of
tijdens onderhandelingen over interoperabiliteitovereenkomsten aan hen
is verstrekt, alsmede informatie die bij de uitvoering van de
overeenkomst is of kan worden verkregen uitsluitend gebruiken voor het
doel waarvoor deze informatie is verstrekt, respectievelijk
uitsluitend gebruiken voor de uitvoering van de overeenkomst. De
verkregen of opgeslagen informatie wordt vertrouwelijk behandeld en
wordt niet doorgegeven aan enige andere partij, in het bijzonder
andere afdelingen, dochterondernemingen of partners, die door die
informatie concurrentievoordeel zouden kunnen behalen.
3. Het college kan op aanvraag van een aanbieder van openbare
elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten die van mening is dat een andere aanbieder jegens
hem de verplichting tot onderhandelen niet nakomt, voorschriften geven
met betrekking tot de wijze waarop de onderhandelingen gevoerd moeten
worden, onverminderd het recht van aanbieders gezamenlijk de
onderhandelingen te beëindigen. De betrokken aanbieders houden zich
bij hun onderhandelingen aan de door het college gegeven
voorschriften.
Artikel 6.2
1. Indien de onderhandelingen, bedoeld in artikel 6.1, niet
resulteren in een overeenkomst tussen de in dat artikel bedoelde
aanbieders, kan het college op aanvraag van een van hen, voor zover
naar het oordeel van het college verdere onderhandelingen
redelijkerwijs niet meer zullen leiden tot een overeenkomst, de andere
betrokken aanbieder, voor zover deze daarbij de toegang tot
eindgebruikers controleert, verplichten de door de aanvrager gewenste
eind- tot eindverbindingen tot stand te brengen en te waarborgen onder
door het college te bepalen voorwaarden, indien het college van
oordeel is dat de belangen van de andere aanbieder die ertoe geleid
hebben dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen redelijkerwijs
niet opwegen tegen de belangen van de indiener van het verzoek.
2. Het college kan voorts ambtshalve, al dan niet in het kader van
een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanbieders van openbare
elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten, die daarbij de toegang tot eindgebruikers
controleren, verplichtingen opleggen met betrekking tot het tot stand
brengen en waarborgen van eind- tot eindverbindingen, indien dit in
het voorliggende geval in het licht van de doelstellingen, bedoeld in
artikel 1.3 gerechtvaardigd is.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant. Van gegevens als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van
bestuur wordt geen mededeling gedaan.
Artikel 6.3 [Vervallen per 05-06-2012]
Artikel 6.4
Voorschriften als bedoeld in artikel 6.1, derde lid, of
verplichtingen als bedoeld in artikel 6.2, eerste of tweede lid, zijn
objectief, transparant, proportioneel en niet-discriminerend.
Artikel 6.5
1. Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of
openbare elektronische communicatiediensten die daarbij de toegang tot
eindgebruikers controleren zorgen ervoor dat zich in de Europese Unie
bevindende eindgebruikers toegang hebben tot alle:
a. in de Europese Unie toegekende nummers van een nationaal
nummerplan,
b. nummers van de Europese telefoonnnummerruimte, en
c. door ITU toegekende nummers,
en gebruik kunnen maken van diensten met gebruikmaking van de in de
onderdelen a tot en met c bedoelde nummers, tenzij dat technisch of
economisch niet haalbaar is, of een opgeroepen abonnee heeft besloten
de toegang van oproepende gebruikers die zich in specifieke
geografische gebieden bevinden, te beperken.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regel worden gesteld ter waarborging van de verplichting, bedoeld in
het eerste lid. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de
vergoedingen voor de toegang tot de in het eerste lid, bedoelde
nummers.
3. De regels, bedoeld in het tweede lid, kunnen voor bij die regels
te bepalen categorieën van aanbieders, als bedoeld in het eerste lid,
verschillen. Bij die regels kunnen taken worden opgedragen en
bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 6.6
Artikel 6.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op
onderhandelingen tot het verkrijgen van toegang tot het netwerk van een
aanbieder van elektronische communicatienetwerken.
Hoofdstuk 6a. Verplichtingen voor ondernemingen die beschikken over
een aanmerkelijke marktmacht
§ 6a.1. Vaststellen van aanmerkelijke marktmacht
Artikel 6a.1
1. Het college bepaalt in overeenstemming met de beginselen van het
algemene Europese mededingingsrecht de relevante markten in de
elektronische communicatiesector waarvan de product- of dienstenmarkt
overeenkomt met een in een aanbeveling als bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG vermelde product- of
dienstenmarkt. Het college bepaalt in elk geval zo spoedig mogelijk
nadat een aanbeveling als bedoeld in de eerste volzin in werking is
getreden, de in die volzin bedoelde relevante markten.
2. Het college bepaalt in overeenstemming met de beginselen van het
algemene Europese mededingingsrecht andere dan de in het eerste lid
bedoelde relevante markten in de elektronische communicatiesector
indien hier naar zijn oordeel aanleiding toe is, of indien dit
voortvloeit uit artikel 6a.4.
3. Het college onderzoekt de overeenkomstig het eerste en tweede
lid, bepaalde relevante markten zo spoedig mogelijk, doch voor markten
waarvoor nog niet eerder een kennisgeving bij de Europese Commissie is
gedaan uiterlijk binnen twee jaar, nadat een aanbeveling als bedoeld
in artikel 15, eerste lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG in werking is
getreden. De termijn van twee jaar kan door het college worden
verlengd met zes maanden indien het college met bijstand van BEREC de
relevante markten onderzoekt.
4. Het college onderzoekt een transnationale markt zo spoedig
mogelijk nadat een beschikking van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen die hieraan ten grondslag ligt in werking is getreden
en vervolgens op gezette tijden.
5. Het in het derde en vierde lid bedoelde onderzoek is er in ieder
geval op gericht om vast te stellen:
a. of de desbetreffende markt al dan niet daadwerkelijk
concurrerend is en of hierop ondernemingen die openbare
elektronische communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten of
openbare elektronische communicatiediensten aanbieden actief zijn
die beschikken over een aanmerkelijke marktmacht, en
b. welke verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en
met 6a.10 en 6a.12 tot en met 6a.15 passend zijn voor de onder a
bedoelde ondernemingen die beschikken over een aanmerkelijke
marktmacht.
6. Nadat het onderzoek als bedoeld in het derde of vierde lid is
afgerond, geeft het college zo spoedig mogelijk uitvoering aan de
artikelen 6a.2, eerste lid, of 6a.3, doch voor relevante markten
waarvoor nog niet eerder een kennisgeving bij de Europese Commissie is
gedaan uiterlijk binnen de in het derde lid, bedoelde termijn van twee
jaar. De termijn van twee jaar kan door het college worden verlengd
met zes maanden indien het college met bijstand van BEREC de relevante
markten onderzoekt.
7. Het college houdt bij de uitoefening van zijn taken en
bevoegdheden op grond van dit hoofdstuk rekening met door de Commissie
van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 15, tweede lid, van
richtlijn nr. 2002/21/EG vastgestelde richtsnoeren.
8. Bij het beoordelen of twee of meer ondernemingen tezamen
beschikken over een economische kracht als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel s, hanteert het college in elk geval de criteria bedoeld in
bijlage II van richtlijn nr. 2002/21/EG.
9. Het college oefent bij transnationale markten zijn taken en
bevoegdheden op grond van dit hoofdstuk uit in samenspraak met de
betrokken nationale regelgevende instanties.
Artikel 6a.2
1. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 6a.1, derde of
vierde lid, blijkt dat een relevante markt onderscheidenlijk een
transnationale markt niet daadwerkelijk concurrerend is, stelt het
college vast welke ondernemingen die openbare elektronische
communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten of openbare
elektronische communicatiediensten aanbieden, beschikken over een
aanmerkelijke marktmacht, en:
a. legt hij ieder van hen, voor zover passend, verplichtingen
als bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.10 of 6a.12 tot en
met 6a.15 op;
b. houdt hij eerder opgelegde of in stand gehouden
verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op deze markt, in
stand indien zij nog steeds passend zijn, of
c. trekt hij eerder opgelegde of in stand gehouden
verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op deze markt, in
indien zij niet langer passend zijn.
2. Het college legt op grond van het eerste lid, onderdeel a:
a. verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met
6a.10 alleen op aan ondernemingen die openbare elektronische
communicatienetwerken of bijbehorende faciliteiten aanbieden;
b. verplichtingen als bedoeld in artikel 6a.12 tot en met 6a.15
alleen op, indien de relevante markt onderscheidenlijk
transnationale markt een eindgebruikersmarkt is en de
verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.11
ontoereikend zijn om daadwerkelijke concurrentie te verwezenlijken
of de belangen van eindgebruikers te beschermen.
3. Een verplichting als bedoeld in het eerste lid, is passend
indien deze gebaseerd is op de aard van het op de desbetreffende markt
geconstateerde probleem en in het licht van de doelstellingen van
artikel 1.3 proportioneel en gerechtvaardigd is.
4. Bij de beoordeling of het opleggen van een verplichting om te
voldoen aan redelijke verzoeken tot toegang als bedoeld in artikel
6a.6 passend is, houdt het college met name rekening met de factoren,
bedoeld in artikel 12, tweede lid, van richtlijn nr. 2002/19/EG.
Artikel 6a.3
1. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 6a.1, derde of
vierde lid, blijkt dat een relevante markt onderscheidenlijk een
transnationale markt daadwerkelijk concurrerend is, bepaalt het
college dit en trekt hij eerder krachtens artikel 6a.2, eerste lid,
opgelegde of in stand gehouden verplichtingen, voor zover zij
betrekking hebben op die markt, in.
2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 6a.1, derde of
vierde lid, blijkt dat een onderneming op een niet daadwerkelijk
concurrerende relevante markt onderscheidenlijk transnationale markt
moet voldoen aan eerder krachtensartikel 6a.2, eerste lid, opgelegde
of in stand gehouden verplichtingen, trekt het college deze
verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op die markt, in,
indien de onderneming op die relevante markt onderscheidenlijk
transnationale markt niet beschikt over een aanmerkelijke marktmacht.
3. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 6a.1, derde of
vierde lid, blijkt dat een relevante markt onderscheidenlijk
transnationale markt niet daadwerkelijk concurrerend is en de
verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.11,
toereikend zijn om daadwerkelijke concurrentie te verwezenlijken of de
belangen van eindgebruikers te beschermen, trekt het college eerder
krachtens artikel 6a.2, eerste lid, opgelegde of in stand gehouden
verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.12 tot en met 6a.15,
voor zover zij betrekking hebben op die markt, in.
Artikel 6a.4
1. Uiterlijk binnen drie jaar nadat een besluit als bedoeld in
artikel 6a.2, eerste lid, inzake het opleggen of in stand houden van
verplichtingen met betrekking tot een onderneming die beschikt over
een aanmerkelijke macht op een relevante markt in werking is getreden,
besluit het college op grond van:
a. artikel 6a.2, eerste lid, onderdeel b, om deze
verplichtingen in stand te houden, of
b. de artikelen 6a.2, eerste lid, onderdeel c, of 6a.3 om deze
verplichtingen in te trekken.
2. De termijn van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, kan in
uitzonderlijke gevallen door het college worden verlengd met ten
hoogste drie jaar indien het college daartoe bij de Europese Commissie
een gemotiveerd verzoek heeft ingediend en de Europese Commissie niet
binnen een maand na ontvangst van dat verzoek bezwaar heeft gemaakt
tegen de verlenging. Voorts wordt deze termijn verlengd met zes
maanden indien het college met bijstand van BEREC de relevante markten
en de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderzoekt.
Artikel 6a.4a
1. Indien naar het oordeel van het college na het opleggen van een
verplichting als bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.10, voor
zover deze passend zijn, die verplichtingen ontoereikend zijn gebleken
om daadwerkelijke en duurzame op infrastructuur gegronde concurrentie
te verwezenlijken op een relevante markt onderscheidenlijk een
transnationale markt, kan het college die onderneming de verplichting
opleggen om de activiteiten die verband houden met het aanbieden van
door het college te bepalen vormen van toegang in een zelfstandig
opererende bedrijfseenheid te plaatsen en deze activiteiten te leveren
aan alle ondernemingen onder dezelfde voorwaarden en prijzen en door
middel van dezelfde systemen en processen.
2. Het college gaat in het besluit, bedoeld in het eerste lid, in
ieder geval in op de volgende elementen:
a. de exacte aard en het niveau van de scheiding, waarbij met
name de rechtsstatus van de zelfstandig opererende bedrijfseenheid
wordt vermeld;
b. de identificatie van de activa van de zelfstandig opererende
bedrijfseenheid en de producten of diensten die door deze
bedrijfseenheid worden geleverd;
c. bestuursregelingen om te zorgen voor de onafhankelijkheid
van het personeel dat in dienst is bij de afzonderlijke
bedrijfseenheid, en de dienovereenkomstige stimulerende structuur;
d. de voorschriften om te zorgen voor naleving van de
wetgeving;
e. de voorschriften om te zorgen voor transparantie van de
operationele procedures;
f. een instrument om de mate van naleving van het besluit,
bedoeld in het eerste lid, jaarlijks te meten, en
g. publicatie in het jaarverslag van de resultaten van de
meting, bedoeld in onderdeel f.
3. Het college kan in het besluit, bedoeld in het eerste lid,
verplichtingen opleggen ten aanzien van de elementen, bedoeld in het
tweede lid, voor zover dat nodig is om te waarborgen dat de
zelfstandige bedrijfseenheid de activiteiten die verband houden met
het aanbieden van door het college te bepalen vormen van toegang aan
alle ondernemingen onder dezelfde voorwaarden en prijzen levert.
4. Het college legt het ontwerp van het besluit, bedoeld in het
eerste lid, en de gronden die aan het ontwerpbesluit ten grondslag
liggen voor aan de Europese Commissie, en voegt het volgende bij:
a. het bewijs dat het ontwerpbesluit is gerechtvaardigd;
b. een gemotiveerde evaluatie waaruit blijkt dat er binnen een
redelijke termijn weinig of geen kans is op daadwerkelijke en
duurzame op infrastructuur gegronde concurrentie;
c. een analyse van de verwachte impact van het ontwerpbesluit
op het college, de onderneming, de werknemers van de onderneming,
de elektronische communicatiesector als geheel en de stimuli om in
deze sector als een geheel te investeren, de sociale en
territoriale cohesie, en op andere belanghebbenden alsmede de
verwachte impact op de mededinging op het gebied van
infrastructuur en gevolgen voor de consument, en
d. een analyse van de redenen waarom deze verplichting het
efficiëntste middel zou zijn om de geïdentificeerde
mededingingsproblematiek of markttekortkomingen op te lossen.
5. Het college kan de verplichting tot functionele scheiding pas
opleggen nadat de Europese Commissie ten aanzien van het
ontwerpbesluit, bedoeld in het eerste lid, een besluit heeft genomen
dat het college toestaat een verplichting tot functionele scheiding op
te leggen. Het college stelt in dit besluit tevens vast of ingevolge
de in het eerste lid bedoelde verplichting op de betrokken relevante
markt tevens verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en
met 6a.10, op grond van:
a. artikel 6a.2, eerste lid, onderdeel a, worden opgelegd,
b. artikel 6a.2, eerste lid, onderdeel b, in stand gehouden
worden, of
c. de artikelen 6a.2, eerste lid, onderdeel c, ingetrokken
worden.
6. Het college stelt voorts vast of ingevolge het in het eerste lid
bedoelde besluit tevens op aan het toegangsnetwerk verbonden markten
verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.10 en 6a.12
tot en met 6a.15, op grond van:
a. artikel 6a.2, eerste lid, onderdeel a, worden opgelegd,
b. artikel 6a.2, eerste lid, onderdeel b, in stand gehouden
worden, of
c. de artikelen 6a.2, eerste lid, onderdeel c, of 6a.3,
ingetrokken worden.
Artikel 6a.4b
1. Een onderneming waarvan het college overeenkomstig artikel 6a.2,
eerste lid, heeft vastgesteld dat die beschikt over een aanmerkelijke
marktmacht, informeert het college over de beslissing van het bestuur
van de onderneming om de activiteiten die verband houden met het
aanbieden van vormen van toegang op groothandelsniveau:
a. geheel of grotendeels over te dragen aan een onafhankelijke
juridische eenheid met een andere eigenaar, of
b. voor een belangrijk deel in een zelfstandig opererende
bedrijfseenheid te plaatsen, teneinde aan alle ondernemingen
gelijkwaardige vormen van toegang aan te bieden onder dezelfde
voorwaarden en prijzen.
Hierbij overlegt de onderneming de beslissing van het bestuur,
alsmede alle informatie die het college nodig heeft voor het besluit,
bedoeld in het tweede lid.
2. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaar na
ontvangst van een beslissing van het bestuur als bedoeld in het eerste
lid, stelt het college in een ontwerpbesluit vast of de verplichtingen
als bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.10 of 6a.12 tot en met
6a.15 op de betrokken markt en op de aan het toegangsnetwerk verbonden
markten op grond van:
a. artikel 6a.2, eerste lid, onderdeel a, worden opgelegd,
b. artikel 6a.2, eerste lid, onderdeel b, in stand gehouden
worden, of
c. de artikelen 6a.2, eerste lid, onderdeel c, of 6a.3,
ingetrokken worden.
3. De onderneming die het college heeft geïnformeerd over een
beslissing, bedoeld in het eerste lid, informeert het college tevens
zo spoedig mogelijk over wijzigingen van die beslissing en over het
tijdstip waarop de beslissing is uitgevoerd. Voorts verstrekt de
onderneming desgevraagd alle informatie die het college nodig heeft
voor het nemen van het besluit, bedoeld in het tweede lid.
4. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na
vaststelling van het ontwerpbesluit als bedoeld in het tweede lid,
beslist het college of de verplichtingen als bedoeld in de artikelen
6a.6 tot en met 6a.10 of 6a.12 tot en met 6a.15 op de betrokken markt
en op de aan het toegangsnetwerk verbonden markten op grond van:
a. artikel 6a.2, eerste lid, onderdeel a, worden opgelegd
b. artikel 6a.2, eerste lid, onderdeel b, in stand gehouden
worden, of
c. de artikelen 6a.2, eerste lid, onderdeel c, of 6a.3,
ingetrokken worden.
5. Indien de onderneming voor het einde van de in het vierde lid
genoemde termijn geen uitvoering heeft gegeven aan de beslissing van
het bestuur als bedoeld in het eerste lid, stelt het college het
besluit als bedoeld in het vierde lid eerst vast uiterlijk binnen vier
weken nadat de onderneming uitvoering heeft gegeven aan die beslissing
van het bestuur.
Artikel 6a.5
Van een besluit als bedoeld in de artikelen 6a.2, eerste lid, 6a.3,
6a.4a, eerste lid en 6a.4b, vierde lid wordt door het college mededeling
gedaan in de Staatscourant. Van gegevens als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur wordt geen
mededeling gedaan.
§ 6a.2. Met toegang verband houdende verplichtingen
Artikel 6a.6
1. Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, de
verplichting opleggen om te voldoen aan redelijke verzoeken tot door
het college te bepalen vormen van toegang, onder andere indien het
college van oordeel is dat het weigeren van toegang of het stellen van
onredelijke voorwaarden met eenzelfde effect, de ontwikkeling van een
door duurzame concurrentie gekenmerkte eindgebruikersmarkt zou
belemmeren of niet in het belang van de eindgebruiker zou zijn.
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, kan onder meer
inhouden dat de desbetreffende onderneming:
a. aanbieders van elektronische communicatiediensten toegang
verleent tot bepaalde netwerkelementen of faciliteiten, met
inbegrip van ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk;
b. te goeder trouw onderhandelt met aanbieders van
elektronische communicatiediensten die verzoeken om toegang;
c. reeds verleende toegang tot faciliteiten niet intrekt;
d. op groothandelsbasis bepaalde diensten aanbiedt voor
wederverkoop door aanbieders van elektronische
communicatiediensten;
e. open toegang verleent tot technische interfaces, protocollen
of andere kerntechnologieën die onmisbaar zijn voor de
interoperabiliteit van openbare elektronische communicatiediensten
of virtuele netwerkdiensten;
f. collocatie of andere vormen van gedeeld gebruik van
bijbehorende faciliteiten aanbiedt;
g. bepaalde diensten aanbiedt die nodig zijn voor de
interoperabiliteit van de aan gebruikers geleverde eind- tot
einddiensten, inclusief faciliteiten voor intelligente
netwerkdiensten of roaming binnen mobiele elektronische
communicatienetwerken;
h. toegang verleent tot operationele ondersteuningssystemen of
vergelijkbare softwaresystemen die nodig zijn om eerlijke
concurrentie bij het aanbieden van elektronische
communicatiediensten te waarborgen;
i. zorgt voor interconnectie van openbare elektronische
communicatienetwerken of netwerkfaciliteiten;
j. toegang verschaffen tot bijbehorende diensten.
3. Het college kan aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid,
voorschriften verbinden betreffende billijkheid, redelijkheid en
opportuniteit.
4. Indien dit nodig is om de normale werking van het betrokken
openbare elektronische communicatienetwerk te garanderen, kan het
college technische of operationele voorschriften vaststellen die:
a. een onderneming waarvoor een verplichting geldt als bedoeld
in het eerste lid bij het verlenen van toegang in acht neemt, of
b. een onderneming die toegang heeft gekregen op basis van een
verzoek als bedoeld in het eerste lid, in acht neemt.
5. Artikel 6.4 is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
voorschriften als bedoeld in het vierde lid.
6. Voor zover dat op grond van de notificatierichtlijn noodzakelijk
is, stelt het college de voorschriften niet vast dan nadat de
voorschriften aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen in
ontwerp zijn medegedeeld en de van toepassing zijnde termijnen,
bedoeld in artikel 9 van de notificatierichtlijn, zijn verstreken.
7. Voor zover de voorschriften technische normen of specificaties
bevatten, stroken deze met de normen, bedoeld in artikel 17, eerste of
tweede lid, vanrichtlijn nr. 2002/21/EG.
Artikel 6a.7
1. Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, voor door
het college te bepalen vormen van toegang een verplichting opleggen
betreffende het beheersen van de hiervoor te rekenen tarieven of
kostentoerekening indien uit een marktanalyse blijkt dat de betrokken
exploitant de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie
op een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan
uithollen, in beide gevallen ten nadele van de eindgebruikers. Aan de
verplichting kunnen door het college voorschriften worden verbonden
die nodig zijn voor een goede uitvoering van de verplichting.
2. Een verplichting als bedoeld in het eerste lid kan inhouden dat
voor toegang een kostengeoriënteerd tarief moet worden gerekend of
dat een door het college te bepalen of goed te keuren
kostentoerekeningssysteem moet worden gehanteerd.
3. Indien het college een onderneming heeft verplicht om voor
toegang een kostengeoriënteerd tarief te rekenen, toont de
onderneming aan dat haar tarieven werkelijk kostengeoriënteerd zijn.
4. Onverminderd het eerste lid, tweede volzin, kan het college aan
een verplichting tot het opstellen van een kostentoerekeningssysteem
voorschriften verbinden met betrekking tot het overleggen van de
resultaten van de toepassing van het systeem door de onderneming
waarop de verplichting rust.
5. Indien een verplichting tot het opstellen van een
kostentoerekeningssysteem is opgelegd:
a. maakt de desbetreffende onderneming, met inachtneming van de
door het college gegeven voorschriften, op genoegzame wijze bekend
een beschrijving van het systeem die ten minste de
hoofdcategorieën bevat waarin de kosten worden ingedeeld en de
voor de toerekening van de kosten toegepaste regels;
b. onderzoekt het college dan wel een door het college aan te
wijzen onafhankelijke deskundige derde jaarlijks of er in
overeenstemming met het systeem is gehandeld.
6. Van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het vijfde lid,
onderdeel b, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 6a.8
Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, voor door het
college te bepalen vormen van toegang de verplichting opleggen om deze
toegang onder gelijke omstandigheden onder gelijke voorwaarden te
verlenen. Deze verplichting houdt tevens in dat de onderneming gelijke
voorwaarden toepast als die welke onder gelijke omstandigheden gelden
voor haarzelf, haar dochterondernemingen of haar partnerondernemingen.
Artikel 6a.9
1. Het college kan op grond artikel 6a.2, eerste lid, de
verplichting opleggen om door het college nader te bepalen informatie
met betrekking tot door het college te bepalen vormen van toegang
bekend te maken. Deze informatie kan onder meer betrekking hebben op:
a. tarieven en andere voorwaarden die bij het verlenen van
toegang worden gehanteerd;
b. technische kenmerken en andere eigenschappen van het
netwerk.
2. Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, de
verplichting opleggen om een referentieaanbod bekend te maken waarin
een omschrijving is opgenomen van door het college te bepalen vormen
van toegang. Het referentieaanbod is opgesplitst naar de onderscheiden
vormen van toegang en de daarbij gehanteerde tarieven en andere
voorwaarden.
3. Indien aan een onderneming waaraan een verplichting als bedoeld
in het tweede lid is opgelegd tevens een verplichting is opgelegd als
bedoeld inartikel 6a.6 die betrekking heeft op ontbundelde toegang tot
het aansluitnetwerk, voldoet het referentieaanbod van de onderneming
in elk geval aan bijlage II van richtlijn nr. 2002/19/EG.
4. Indien het college van oordeel is dat het referentieaanbod niet
in overeenstemming is met de op grond van dit hoofdstuk opgelegde
verplichtingen, geeft het de onderneming aanwijzingen met betrekking
tot de aan te brengen wijzigingen.
5. Aan een verplichting als bedoeld in het eerste en tweede lid kan
het college voorschriften verbinden met betrekking tot de mate van
detaillering en de wijze van bekendmaking.
Artikel 6a.10
1. Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, de
verplichting opleggen om een gescheiden boekhouding te voeren waarin
de opbrengsten en de kosten van de door het college te bepalen vormen
van toegang, aan de onderneming zelf of aan andere ondernemingen,
gescheiden zijn van die van de door de ondernemingen verrichte overige
activiteiten.
2. Aan de verplichting tot het voeren van een gescheiden
boekhouding kan het college voorschriften verbinden met betrekking tot
de methode van inrichting van de boekhouding en het aan het college
verstrekken van boekhoudkundige documenten met inbegrip van gegevens
over van derden ontvangen inkomsten.
Artikel 6a.11
1. In uitzonderlijke omstandigheden kan het college aan een
onderneming waarvan door het college op grond van artikel 6a.2, eerste
lid, is vastgesteld dat zij beschikt over een aanmerkelijke marktmacht
bij de aanbieding van openbare elektronische communicatienetwerken of
bijbehorende faciliteiten, andere bij ministeriële regeling aan te
wijzen verplichtingen die verband houden met toegang opleggen, voor
zover deze passend zijn.
2. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot het opleggen door het college
van bij die regeling aangewezen verplichtingen. Deze regels hebben in
elk geval betrekking op:
a. de omstandigheden die zich moeten voordoen alvorens deze
verplichtingen kunnen worden opgelegd, en
b. de aard van de verplichtingen.
3. Het college trekt een besluit als bedoeld in het eerste lid in,
indien:
a. het op grond van artikel 6a.3, eerste lid, heeft bepaald dat
de desbetreffende relevante onderscheidenlijk transnationale markt
daadwerkelijk concurrerend is;
b. op grond artikel 6a.3, tweede lid, is gebleken dat de
onderneming als bedoeld in het eerste lid geen aanmerkelijke
marktmacht meer heeft.
4. Het college trekt een besluit als bedoeld in het eerste lid
tevens in, indien:
a. er geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden meer is, of
b. de opgelegde of in stand gehouden verplichting niet langer
passend is.
5. Uiterlijk binnen achttien maanden nadat een besluit als bedoeld
in het eerste lid in werking is getreden, onderzoekt het college of er
nog sprake is van uitzonderlijke omstandigheden en of de opgelegde of
in stand gehouden verplichting nog passend is en besluit het college
op grond van:
a. het eerste lid om het besluit in stand te houden, of
b. het vierde lid om het besluit in te trekken.
6. Artikel 6a.2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 6a.3. Verplichtingen op eindgebruikersniveau
Artikel 6a.12
Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, de
verplichting opleggen om:
a. bij de levering van door het college te bepalen
eindgebruikersdiensten, de eindgebruikers van die diensten in
gelijke gevallen gelijk te behandelen;
b. door het college te bepalen eindgebruikersdiensten te
ontbundelen van andere diensten, en
c. door het college te bepalen informatie aan door het college te
bepalen categorieën van eindgebruikers op een door het college te
bepalen wijze bekend te maken.
Artikel 6a.13
1. Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid,
verplichtingen met betrekking tot de hoogte van eindgebruikerstarieven
opleggen.
2. Indien het college een verplichting als bedoeld in het eerste
lid oplegt, legt het college op grond van artikel 6a.2, eerste lid,
tevens de verplichting op om een door het college te bepalen of goed
te keuren kostentoerekeningssysteem te hanteren. Het college kan op
grond van artikel 6a.2, eerste lid, de in de vorige volzin bedoelde
verplichting ook afzonderlijk van een verplichting als bedoeld in het
eerste lid opleggen.
3. Een onderneming aan wie een verplichting als bedoeld in het
tweede lid is opgelegd, legt vanaf een door het college te bepalen
datum elk jaar in de maand mei, over het voorafgaande kalenderjaar het
resultaat van de toepassing van het desbetreffende
kostentoerekeningssysteem over aan het college.
4. Indien een verplichting als bedoeld in het tweede lid is
opgelegd, onderzoekt het college of een door het college aan te wijzen
onafhankelijke deskundige derde jaarlijks nadat het in het derde lid
bedoelde resultaat is overgelegd of er in overeenstemming met het
desbetreffende kostentoerekeningssysteem is gehandeld. Van het
resultaat van het onderzoek wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
5. Aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid,
kunnen door het college nadere voorschriften worden verbonden die
nodig zijn voor een goede uitvoering van die verplichtingen.
Artikel 6a.14
1. Indien het college op grond van artikel 6a.2, eerste lid, een
verplichting als bedoeld in artikel 6a.13, eerste lid, oplegt of in
stand houdt, kan het college op grond van artikel 6a.2, eerste lid,
tevens de verplichting opleggen om invoering van nieuwe of gewijzigde
eindgebruikerstarieven niet plaats te laten vinden dan nadat het
college deze tarieven heeft goedgekeurd.
2. Het college beoordeelt binnen drie weken na ontvangst van een
verzoek tot goedkeuring, of het nieuwe of gewijzigde
eindgebruikerstarief in overeenstemming is met de opgelegde of in
stand gehouden verplichting, bedoeld in artikel 6a.13, eerste lid.
Indien gegevens als bedoeld in het zevende lid ontbreken wordt de
onderneming die het verzoek heeft ingediend binnen drie dagen na
ontvangst van het verzoek, hiervan op de hoogte gesteld.
3. Het college kan de termijn, bedoeld in het tweede lid, eerste
volzin, eenmaal met drie weken verlengen. Het college doet hiervan
schriftelijk mededeling aan de onderneming die het verzoek heeft
ingediend.
4. Indien het college van oordeel is dat het nieuwe of gewijzigde
eindgebruikerstarief in overeenstemming is met de opgelegde of in
stand gehouden verplichting, bedoeld in artikel 6a.13, eerste lid,
keurt het college de invoering hiervan goed.
5. Indien het college van oordeel is dat het nieuwe of gewijzigde
eindgebruikerstarief niet in overeenstemming is met de opgelegde of in
stand gehouden verplichting, bedoeld in artikel 6a.13, eerste lid,
doet het college hiervan mededeling aan de onderneming die het verzoek
heeft ingediend. Binnen vier weken na deze mededeling, deelt het
college aan de in de eerste volzin bedoelde onderneming schriftelijk
mede op welke punten niet voldaan is aan de in de eerste volzin
bedoelde verplichting.
6. Het college beoordeelt een verzoek tot goedkeuring volgend op
een schriftelijke mededeling als bedoeld in het vijfde lid, tweede
volzin, binnen twee weken na ontvangst van dit verzoek.
7. Uiterlijk op het tijdstip waarop een besluit als bedoeld in
artikel 6a.2, eerste lid, houdende de oplegging of instandhouding van
de verplichting om de invoering van nieuwe of gewijzigde
eindgebruikerstarieven niet plaats te laten vinden dan nadat het
college deze tarieven heeft goedgekeurd, in werking treedt, stelt het
college vast welke gegevens door de desbetreffende onderneming bij een
verzoek als bedoeld in het tweede lid overgelegd moeten worden, en in
welke vorm deze gegevens worden ingediend. Het college doet hiervan
mededeling aan de desbetreffende onderneming.
Artikel 6a.15
Ter uitvoering van artikel 17 van richtlijn nr. 2002/22/EG kunnen bij
algemene maatregel van bestuur andere verplichtingen dan de
verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6a.12 tot en met 6a.14 worden
aangewezen die het college op grond van artikel 6a.2, eerste lid, kan
opleggen aan ondernemingen die een aanmerkelijke marktmacht hebben op
een relevante eindgebruikersmarkt onderscheidenlijk een transnationale
eindgebruikersmarkt.
§ 6a.4 [Vervallen per 05-06-2012]
Artikel 6a.16 [Vervallen per 05-06-2012]
Artikel 6a.17 [Vervallen per 05-06-2012]
§ 6a.5 [Vervallen per 05-06-2012]
Artikel 6a.18 [Vervallen per 05-06-2012]
Artikel 6a.19 [Vervallen per 05-06-2012]
§ 6a.6. Verticaal geïntegreerde openbare ondernemingen die
beschikken over een economische machtspositie als bedoeld in artikel 82
van het EG-verdrag
Artikel 6a.20
1. In dit artikel wordt verstaan onder openbare onderneming:
onderneming waarop een krachtens het publiekrecht ingestelde
rechtspersoon rechtstreeks of middellijk een dominerende invloed kan
uitoefenen.
2. Indien een onderneming de rechtsvorm van een privaatrechtelijke
rechtspersoon heeft, wordt dominerende invloed als bedoeld in het
eerste lid vermoed te kunnen worden uitgeoefend, wanneer een krachtens
het publiekrecht ingestelde rechtspersoon rechtstreeks of middellijk:
a. over de meerderheid van de stemrechten, verbonden aan de
door de rechtspersoon uitgegeven aandelen beschikt, of
b. meer dan de helft van de leden van het bestuur of het
toezichthoudend orgaan benoemt.
3. Een verticaal geïntegreerde openbare onderneming die
elektronische communicatienetwerken aanbiedt en daarbij beschikt over
een economische machtspositie op de gemeenschappelijke markt of op een
wezenlijk onderdeel daarvan als bedoeld in artikel 82 van het
EG-verdrag, verleent aan andere ondernemingen op hun verzoek onder
gelijke voorwaarden toegang als die welke onder gelijke omstandigheden
gelden voor haarzelf of haar dochterondernemingen.
4. De verplichting, bedoeld in het derde lid, blijft voor een
verticaal geïntegreerde openbare onderneming buiten toepassing voor
zover deze verplichting reeds voortvloeit uit een krachtens artikel
6a.2, eerste lid, jo. artikel 6a.8 door het college opgelegde of
instandgehouden verplichting.
§ 6a.7. Verplichtingen voor aanbieders van programmadiensten die
beschikken over een aanmerkelijke marktmacht
Artikel 6a.21
1. Het college bepaalt in overeenstemming met de beginselen van het
algemene Europese mededingingsrecht relevante markten voor het
aanbieden van programmadiensten waarvan de kenmerken zodanig zijn dat
het opleggen van de in de artikelen 6a.12, 6a.13, eerste en tweede
lid, 6a.14, eerste lid, en 6a.22 bedoelde verplichtingen passend kan
zijn.
2. Het college onderzoekt de overeenkomstig het eerste lid bedoelde
markten zo spoedig mogelijk. Het onderzoek is er in ieder geval op
gericht om vast te stellen:
a. of de desbetreffende markt al dan niet daadwerkelijk
concurrerend is en of hierop ondernemingen die programmadiensten
aanbieden actief zijn die beschikken over een aanmerkelijke
marktmacht, en
b. welke verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.12,
6a.13, eerste en tweede lid, 6a.14, eerste lid, en 6a.22passend
zijn voor de onder a bedoelde ondernemingen.
3. Indien uit een onderzoek, bedoeld in tweede lid, blijkt dat een
relevante markt niet daadwerkelijk concurrerend is, stelt het college
vast welke ondernemingen die programmadiensten aanbieden, beschikken
over een aanmerkelijke marktmacht, en:
a. legt hij ieder van hen, voor zover passend, verplichtingen
als bedoeld in de artikelen 6a.12, 6a.13, eerste en tweede lid,
6a.14, eerste lid, en 6a.22op;
b. houdt hij eerder opgelegde verplichtingen, voor zover zij
betrekking hebben op deze markt, in stand indien zij nog steeds
passend zijn, of
c. trekt hij eerder opgelegde verplichtingen, voor zover zij
betrekking hebben op deze markt, in, indien zij niet langer
passend zijn.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
«eindgebruiker»,bedoeld in de artikelen 6a.12 tot en met 6a.14,
verstaan: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die gebruik maakt of
verzoekt om een programmadienst.
5. De artikelen 6a.1, zesde, zevende en achtste lid, 6a.2, derde
lid, 6a.3, eerste en tweede lid, 6a.4, 6a.5, 6a.13, derde, vierde en
vijfde lid,6a.14, tweede tot en met zevende lid, 6b.1, 6b.3 en 6b.6
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6a.21a
1. Het college kan aan een onderneming die een aanmerkelijke
marktmacht heeft bij het aanbieden van programmadiensten, op grond van
artikel 6a.21, derde lid, mede verplichtingen in verband met toegang
opleggen als bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.10.
2. Het college legt aan een onderneming die een aanmerkelijke
marktmacht heeft bij het aanbieden van programmadiensten, op grond van
artikel 6a.21, derde lid, de verplichting op om op groothandelsniveau
programmadiensten en bijbehorende faciliteiten aan te bieden voor de
wederverkoop aan eindgebruikers tegen een door het college vastgesteld
tarief, tenzij de geringe omvang van het omroepnetwerk of de geringe
potentiële vraag naar wederverkoop zulks niet rechtvaardigt.
Artikel 6a.22
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere verplichtingen dan
de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6a.12 tot en met 6a.14,
worden aangewezen die het college op grond van artikel 6a.21, derde lid,
kan opleggen aan ondernemingen die een aanmerkelijke marktmacht hebben
bij het aanbieden van programmadiensten.
Hoofdstuk 6b. Consultatie
Artikel 6b.1
1. Op de voorbereiding van een besluit van het college als bedoeld
in de artikelen 6.2, 6a.2, 6a.3, 6a.4a en 6b.2, vijfde lid, onderdeel
a, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten om de
in het eerste lid bedoelde procedure niet toe te passen indien het
besluit geen aanzienlijke gevolgen heeft voor de desbetreffende markt.
3. Indien het een besluit op aanvraag betreft, is artikel 3:18 van
de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 6b.2
1. Indien een besluit als bedoeld in artikel 6b.1, eerste lid, van
invloed is op de handel tussen de lidstaten, legt het college het
ontwerp van het desbetreffende besluit en de gronden die aan het
ontwerpbesluit ten grondslag liggen, voor aan:
a. de Europese Commissie,
b. de nationale regelgevende instanties, bedoeld in artikel 7
van richtlijn nr. 2002/21/EG, en
c. BEREC,
en stelt het college hen gedurende een maand in de gelegenheid
daarover opmerkingen te maken.
2. Het college neemt het besluit niet dan nadat de in het eerste
lid bedoelde termijn van een maand is verstreken.
3. Het college houdt bij het nemen van het besluit zoveel mogelijk
rekening met de opmerkingen die de Europese Commissie, de nationale
regelgevende instanties en BEREC met betrekking tot het ontwerp aan
het college hebben medegedeeld.
4. Indien de Europese Commissie binnen de termijn, bedoeld in het
tweede lid, heeft medegedeeld dat zij van mening is dat de bepaling
van een relevante markt op grond van artikel 6a.1, tweede lid, of de
aanwijzing van een onderneming met aanmerkelijke marktmacht, bedoeld
in artikel 6a.2, eerste lid, aanhef, een belemmering vormt voor de
interne Europese markt of dat zij ernstige twijfels heeft omtrent de
verenigbaarheid van het ontwerpbesluit met het Gemeenschapsrecht,
wacht het college tenminste twee maanden vanaf de datum van die
mededeling met het vaststellen van het besluit.
5. Uiterlijk zes maanden na de dag waarop de Europese Commissie
overeenkomstig artikel 7, vijfde lid, onderdeel a, van richtlijn nr.
2002/21/EG een beschikking heeft gegeven omtrent een ontwerpbesluit
als bedoeld in het vierde lid:
a. brengt het college het ontwerp met betrekking tot de door de
Europese Commissie in de beschikking aangegeven voorstellen in
overeenstemming met het Gemeenschapsrecht, of
b. besluit het college het desbetreffende ontwerpbesluit niet
vast te stellen.
6. Van het besluit, bedoeld in het vijfde lid, onder b, doet het
college mededeling in de Staatscourant.
7. Indien de Europese Commissie binnen de termijn, bedoeld in het
tweede lid, heeft medegedeeld dat zij van mening is dat een in het
ontwerpbesluit voorgestelde verplichting als bedoeld in de artikelen
6.2, 6a.2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of 6a.4a, vijfde of
zesde lid, een belemmering vormt voor de interne Europese markt of dat
zij ernstige twijfels heeft omtrent de verenigbaarheid daarvan met het
Gemeenschapsrecht, neemt het college het besluit niet dan nadat de
termijn van vier maanden vanaf de datum van die mededeling is
verstreken. In afwijking van deze termijn kan het college het besluit
nemen zodra de aanbeveling is gedaan of het voorbehoud is ingetrokken.
8. Indien het college een verplichting als bedoeld in het zevende
lid in overeenstemming brengt met een advies van BEREC als bedoeld in
artikel 7bis, derde lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG, of een
aanbeveling van de Europese Commissie als bedoeld in artikel 7bis,
vijfde lid, onder a, met betrekking tot die verplichting, is artikel
6b.1 van overeenkomstige toepassing.
9. Indien het college een verplichting als bedoeld in het zevende
lid, niet in overeenstemming brengt met:
a. een advies van BEREC als bedoeld in artikel 7bis, derde lid,
van richtlijn nr. 2002/21/EG, of
b. een aanbeveling van de Europese Commissie als bedoeld in
artikel 7bis, vijfde lid, onder a, met betrekking tot die
verplichting, motiveert het college waarom zij de verplichting in
het ontwerpbesluit niet wijzigt of intrekt.
10. Het college stuurt een overeenkomstig dit artikel voorbereid
besluit in afschrift aan de Europese Commissie en BEREC. In het geval
van een aanbeveling of een voorbehoud als bedoeld in het zevende lid,
verstuurt het college het afschrift binnen een maand nadat de
aanbeveling is gedaan of het voorbehoud is ingetrokken. De termijn van
een maand kan door het college worden verlengd indien het college de
wijziging van het ontwerpbesluit voorbereidt overeenkomstig artikel
6b.1, eerste lid.
Artikel 6b.3
1. Het college kan in uitzonderlijke omstandigheden indien de
vereiste spoed zich verzet tegen de toepassing van de procedures,
bedoeld in de artikelen 6b.1, eerste lid, of 6b.2, die procedure
buiten toepassing laten bij het nemen van een besluit als bedoeld in
de artikelen 6.2 en 6a.2, eerste lid, onder a, teneinde de
concurrentie te waarborgen of de belangen van de gebruikers te
beschermen.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid geldt voor een periode
van maximaal 26 weken.
3. Het college stuurt een afschrift van een besluit als bedoeld in
het eerste lid aan de Europese Commissie, de nationale regelgevende
instanties, bedoeld in artikel 7 van richtlijn nr. 2002/21/EG, en
BEREC.
Artikel 6b.4
Indien een nationale regelgevende instantie, bedoeld in artikel 6b.2,
eerste lid, ingevolge artikel 7, derde lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG
een ontwerp van een besluit aan het college voorlegt, doet het college
zijn opmerkingen aan die nationale regelgevende instantie binnen de door
die instantie gestelde termijn toekomen.
Artikel 6b.5
1. Op de voorbereiding van een besluit van het college tot het
opleggen, instandhouden of intrekken van een verplichting als bedoeld
in een op basis van artikel 6a.11 tot stand gekomen ministeriële
regeling is de procedure, bedoeld in artikel 6b.1 van toepassing.
2. Het college legt een ontwerp van een besluit als bedoeld in het
eerste lid voor aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de
nationale regelgevende instanties die overeenkomstig artikel 3, zesde
lid, van richtlijn nr. 2002/21/EGzijn aangemeld.
3. Het college gaat niet over tot het nemen van een besluit als
bedoeld in het eerste lid dan nadat de Commissie van de Europese
Gemeenschappen daartoe overeenkomstig artikel 14, tweede lid, van
richtlijn nr. 2002/19/EG toestemming heeft gegeven. Het college houdt
daarbij rekening met de door de nationale regelgevende instanties
gemaakte opmerkingen.
Artikel 6b.6
Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene
wet bestuursrecht worden als één besluit aangemerkt:
a. een besluit als bedoeld in artikel 6a.2, eerste lid, en de aan
een dergelijk besluit ten grondslag liggende bepaling van de
relevante markt, bedoeld in artikel 6a.1, eerste of tweede lid, en
het onderzoek van die markt, bedoeld in artikel 6a.1, derde lid,
respectievelijk het onderzoek van een transnationale markt, bedoeld
in artikel 6a.1, vierde lid;
b. een besluit als bedoeld in artikel 6a.3, eerste, tweede of
derde lid, en de aan een dergelijk besluit ten grondslag liggende
bepaling van de relevante markt, bedoeld in artikel 6a.1, eerste of
tweede lid, en het onderzoek van die markt als bedoeld in artikel
6a.1, derde lid, respectievelijk het onderzoek van een
transnationale markt als bedoeld in artikel 6a.1, vierde lid.
Hoofdstuk 7. Eindgebruikersbelangen
Artikel 7.1
1. Een aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst
of een openbaar elektronisch communicatienetwerk verstrekt voor of bij
het sluiten van een overeenkomst met een consument of een andere
hierom verzoekende eindgebruiker aan hem de volgende gegevens in een
heldere, begrijpelijke vorm op schrift of op een andere te zijner
beschikking staande en voor hem gemakkelijk toegankelijke duurzame
gegevensdrager:
a. de naam en het adres van vestiging van de aanbieder;
b. de te verstrekken diensten;
c. de geldende tariefstructuur, de belangrijkste tarieven, de
wijze waarop informatie verkregen kan worden over de geldende
tarieven en onderhoudskosten, de wijze waarop betaald kan worden
en de kosten die aan deze betalingswijzen zijn verbonden;
d de duur van de overeenkomst alsmede de voorwaarden waaronder
de overeenkomst of onderdelen daarvan, kan worden verlengd of
beëindigd;
e. de schadevergoedingsregeling of terugbetalingsregeling die
geldt indien de overeenkomst, voor zover het het kwaliteitsniveau
van de geleverde dienst betreft, niet wordt nagekomen, en
f. de wijze waarop gebruik kan worden gemaakt van de
geschillencommissie, bedoeld in artikel 12.1 of van de procedure,
bedoeld in artikel 12.9;
g. de in artikel 11.6, tweede lid, genoemde keuzemogelijkheden
van de abonnee met betrekking tot de vraag of zijn
persoonsgegevens al dan niet zullen worden opgenomen in een
abonneelijst en in voor abonnee-informatiediensten gebruikte
abonneebestanden, en de op te nemen gegevens;
h. de maatregelen die de onderneming neemt of kan nemen in
reactie op beveiligings- en integriteitsincidenten of bedreigingen
en kwetsbaarheden.
2. Een aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst
zorgt ervoor dat de gegevens die hij voor of bij het sluiten van de
overeenkomst verstrekt, opgenomen worden in de tussen hem en de
desbetreffende consument te sluiten overeenkomst.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op
aanbieders van programmadiensten.
4. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van openbare
elektronische communicatiediensten of programmadiensten worden
aangewezen met betrekking waartoe voor de desbetreffende aanbieder de
in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting geheel of
gedeeltelijk buiten toepassing blijft.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten
aanzien van de in het eerste lid genoemde gegevens nadere regels
worden gesteld.
Artikel 7.2
1. Ten minste een maand voordat een voorgenomen wijziging van een
beding dat is opgenomen in een overeenkomst van kracht wordt:
a. biedt een aanbieder van een openbare elektronische
communicatiedienst of een openbaar elektronisch
communicatienetwerk de abonnee de mogelijkheid om de overeenkomst
kosteloos te beëindigen, en
b. stelt de aanbieder de abonnee op genoegzame wijze op de
hoogte van de inhoud van de voorgenomen wijziging en van de
mogelijkheid om de overeenkomst kosteloos te beëindigen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op aanbieders
van programmadiensten. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën
van programmadiensten worden aangewezen met betrekking waartoe voor de
desbetreffende aanbieder de in de vorige volzin bedoelde verplichting
geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot de opmaak van de mededeling
waarmee de abonnee op de hoogte wordt gesteld van een voorgenomen
wijziging, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7.2a
1. De overeenkomst tussen een aanbieder en een consument met
betrekking tot de levering van een elektronische communicatiedienst of
programmadienst die is aangegaan voor een onbepaalde duur, kan door de
consument te allen tijde kosteloos worden opgezegd.
2. Een aanbieder biedt een eindgebruiker de mogelijkheid een
overeenkomst voor een bepaalde duur met een looptijd van ten hoogste
twaalf maanden aan te gaan. De overeenkomst tussen een aanbieder en
een consument met betrekking tot de levering van een openbare
elektronische communicatiedienst of programmadienst kan worden
aangegaan voor een bepaalde duur, waarbij de looptijd ten hoogste 24
maanden bedraagt. De overeenkomst tussen een aanbieder en een
consument met betrekking tot de levering van een elektronische
communicatiedienst of programmadienst die is aangegaan voor een
bepaalde duur, kan na verloop van die duur stilzwijgend worden
verlengd of vernieuwd, mits de consument de overeenkomst hierna te
allen tijde kosteloos kan opzeggen.
3. De bij de opzegging door de consument in acht te nemen termijn
is in alle gevallen niet langer dan een maand.
4. Een aanbieder van een openbare telefoondienst biedt een
consument de mogelijkheid een overeenkomst aan te gaan:
a. waarbij geen starttarief in rekening wordt gebracht;
b. waarbij de gespreksduur in seconden in rekening wordt
gebracht, en
c. waarbij, indien de aanbieder ook abonnementen aanbiedt
waarbij de gespreksduur niet in seconden in rekening wordt
gebracht, het tarief, gezien de overige voorwaarden van de
overeenkomst, vergelijkbaar is met het tarief bij de andere door
de aanbieder aangeboden abonnementen.
Artikel 7.3
1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aanbieders van
openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten transparante, vergelijkbare, toereikende,
actuele, duidelijke en volledige informatie bekendmaken over:
a. de geldende tarieven,
b. eventuele in rekening gebrachte kosten bij beëindiging van
een overeenkomst,
c. de algemene voorwaarden met betrekking tot de toegang tot en
het gebruik van de diensten als bedoeld in bijlage II van
richtlijn nr. 2002/22/EG die door hen aan eindgebruikers worden
aangeboden, of
d. eventuele beperkingen van de toegang tot of het gebruik van
diensten en toepassingen.
2. De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt in
een gemakkelijk toegankelijke vorm. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld ten aanzien van de vorm waarin de informatie
bekend wordt gemaakt.
3. Een ieder kan de informatie, bedoeld in het eerste lid,
kosteloos gebruiken voor het aanbieden van interactieve gidsen of
soortgelijke technieken die de eindgebruiker in staat stelt zich een
onafhankelijk oordeel te vormen over de kosten van een alternatief
gebruikspatroon.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het
door de aanbieder van openbare elektronische communicatienetwerken of
openbare elektronische communicatiediensten aan de eindgebruiker en
Onze Minister te verstrekken informatie met betrekking tot:
a. wijzigingen betreffende de toegang tot noodhulpdiensten of
de nauwkeurigheid van de op grond van artikel 11.10 te verstrekken
gegevens;
b. wijzigingen in de voorwaarden voor beperking van de toegang
tot of het gebruik van diensten en toepassingen;
c. de door de aanbieder ingestelde maatregelen bij congestie en
de gevolgen daarvan voor de kwaliteit van de dienstverlening;
d. de in artikel 11.6, tweede lid, genoemde keuzemogelijkheden
van de abonnee met betrekking tot de vraag of zijn
persoonsgegevens in een gids al dan niet zullen worden opgenomen,
en de gegevens in kwestie; en
e. producten en diensten voor eindgebruikers met een fysieke
beperking.
Artikel 7.3a
1. Het college kan aanbieders van openbare elektronische
communicatiediensten een aanwijzing geven de betaling die gerelateerd
is aan het gebruik van bij ministeriële regeling aan te wijzen
categorieën van nummers op te schorten voor een door het college te
bepalen periode, indien het college een aanwijzing heeft dat de
nummergebruiker niet voldoet aan het gestelde bij of krachtens deze
wet of een gedraging verricht als bedoeld in artikel 4.4.
2. De aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst
die een aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, van het college heeft
ontvangen, schort de betaling onverwijld op.
3. De in het eerste lid genoemde periode is maximaal vier weken en
kan door het college eenmalig met maximaal vier weken worden verlengd.
4. Het college stelt de nummergebruiker, voorzover deze bij het
college bekend is, van de aanwijzing op de hoogte.
Artikel 7.3b
1. Het college kan aanbieders van openbare elektronische
communicatiediensten een aanwijzing geven de aankiesbaarheid van een
nummer uit bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van
nummers op te schorten voor een door het college te bepalen periode,
indien het college een aanwijzing heeft dat de nummergebruiker niet
voldoet aan het gestelde bij of krachtens deze wet of een gedraging
verricht als bedoeld in artikel 4.4.
2. De aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst
die een aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, van het college heeft
ontvangen, schort de aankiesbaarheid onverwijld op.
3. De in het eerste lid genoemde periode is maximaal vier weken en
kan door het college eenmalig met maximaal vier weken worden verlengd.
4. Het college stelt de nummergebruiker, voorzover deze bij het
college bekend is, van de aanwijzing op de hoogte.
Artikel 7.3c
1. Indien het college heeft vastgesteld dat de nummergebruiker met
betrekking tot een nummer gedurende een bepaalde periode niet heeft
voldaan aan het gestelde bij of krachtens deze wet of een gedraging
heeft verricht als bedoeld in artikel 4.4, kan het college hiervan
mededeling doen in de Staatscourant.
2. De aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst
verlangt geen betaling van consumenten voor oproepen naar nummers
indien:
a. de nummers zijn genoemd in een mededeling als bedoeld in het
eerste lid, en
b. de oproepen hebben plaatsgevonden gedurende de periode
waarop die mededeling betrekking heeft.
3. Indien de consument reeds heeft betaald voor oproepen naar
nummers als bedoeld in het tweede lid, betaalt de aanbieder de
bedragen binnen twee maanden na publicatie van de mededeling als
bedoeld in het eerste lid, terug.
Artikel 7.3d
1. In aanvulling op de artikelen 7.3a tot en met 7.3c kunnen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor
aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of
openbare elektronische communicatiediensten inzake het blokkeren van
de toegang tot een nummer of dienst en het opschorten van de aan dat
nummer of die dienst gerelateerde betaling indien niet voldaan is aan
het gestelde bij of krachtens deze wet of een gedraging als bedoeld in
artikel 4.4 verricht is.
2. Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken worden
opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 7.4
1. Aanbieders van openbare telefoondiensten op een vaste locatie of
van openbare betaaltelefoons die krachtens artikel 9.2 zijn aangewezen
en aanbieders van vaste openbare telefoondiensten of van openbare
betaaltelefoons die langer dan tweeënvijftig weken dergelijke
diensten leveren, maken jaarlijks voor 1 april op genoegzame wijze een
overzicht over het voorafgaande kalenderjaar bekend van de kwaliteit
van de door hen aangeboden diensten op basis van de in bijlage III van
richtlijn nr. 2002/22/EG gespecificeerde parameters, definities en
meetmethoden. Het in de eerste volzin bedoelde overzicht bevat een
beschrijving van de door de aanbieder genomen maatregelen om
gelijkwaardige toegang voor eindgebruikers met een fysieke beperking
te waarborgen. Het in de eerste volzin bedoelde overzicht wordt voor
bekendmaking aan het college ter beschikking gesteld.
2. Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van de in het
eerste lid genoemde verplichtingen nadere regels worden gesteld.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, voor
zover niet voorzien op grond van het eerste lid, regels worden gesteld
inzake het:
a. door aanbieders van openbare elektronische
communicatiediensten, aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken of programmadiensten maken van een periodiek
overzicht van de kwaliteit van de door hen aangeboden diensten aan
de hand van bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur te
bepalen parameters, definities en meetmethoden;
b. door het college, of een door het college aan te wijzen
onafhankelijke deskundige derde, onderzoeken of het overzicht in
overeenstemming is met de desbetreffende regels, en
c. bekendmaken van het overzicht en het ter beschikking stellen
daarvan aan het college.
4. De regels, bedoeld in het derde lid, kunnen verschillen voor bij
die regels te bepalen categorieën van openbare elektronische
communicatiediensten of programmadiensten.
5. Bij de regels, bedoeld in het tweede en derde lid, kunnen taken
worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 7.4a
1. Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken
waarover internettoegangsdiensten worden geleverd en aanbieders van
internettoegangsdiensten belemmeren of vertragen geen diensten of
toepassingen op het internet, tenzij en voor zover de betreffende
maatregel waarmee diensten of toepassingen worden belemmerd of
vertraagd noodzakelijk is:
a. om de gevolgen van congestie te beperken, waarbij gelijke
soorten verkeer gelijk worden behandeld;
b. ten behoeve van de integriteit en de veiligheid van het
netwerk en de dienst van de betrokken aanbieder of het
randapparaat van de eindgebruiker;
c. om de doorgifte van ongevraagde communicatie als bedoeld in
artikel 11.7, eerste lid, aan een eindgebruiker te beperken, mits
de eindgebruiker daarvoor voorafgaand toestemming heeft verleend,
of
d. ter uitvoering van een wettelijk voorschrift of rechterlijk
bevel.
2. Indien een inbreuk op de integriteit of veiligheid van het
netwerk of de dienst of een randapparaat van een eindgebruiker,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt veroorzaakt door verkeer
afkomstig van een randapparaat van een eindgebruiker, doet de
aanbieder voorafgaand aan het nemen van een maatregel waarmee het
verkeer wordt belemmerd of vertraagd, melding aan de betrokken
eindgebruiker, zodat de eindgebruiker de gelegenheid heeft de inbreuk
te staken. Wanneer dit wegens de vereiste spoed niet voorafgaand aan
het nemen van de maatregel mogelijk is, doet de aanbieder zo snel
mogelijk melding van de maatregel. Wanneer het een eindgebruiker van
een andere aanbieder betreft is de eerste volzin niet van toepassing.
3. Aanbieders van internettoegangsdiensten stellen de hoogte van
tarieven voor internettoegangsdiensten niet afhankelijk van de
diensten en toepassingen die via deze diensten worden aangeboden of
gebruikt.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het eerste
tot en met derde lid. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te
stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan
vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
voorkoming van een achteruitgang van de dienstverlening en een
belemmering of vertraging van het verkeer over openbare elektronische
communicatienetwerken, nadere minimumvoorschriften inzake de kwaliteit
van openbare elektronische communicatiediensten worden gesteld aan
aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken.
Artikel 7.5
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake het,
met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 11, aan
derden ter beschikking stellen van bij die regels aan te wijzen
categorieën van nummers met bijbehorende gegevens ten behoeve van de
beschikbaarheid van telefoongidsen en van een abonnee-informatiedienst.
Artikel 7.6
1. Aanbieders van openbare telefoondiensten of openbare
elektronische communicatienetwerken voor zover die worden gebruikt om
openbare telefoondiensten aan te bieden zorgen ervoor dat de
eindgebruikers van dat netwerk en van die diensten toegang hebben tot
de diensten van een telefonist en tot een abonnee-informatiedienst.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld waaraan
de in het eerste lid bedoelde abonnee-informatiedienst moet voldoen.
Artikel 7.6a
1. Een aanbieder van een internettoegangsdienst aan een
eindgebruiker kan de levering van deze dienst slechts geheel of
gedeeltelijk beëindigen of opschorten:
a. op verzoek van de abonnee;
b. bij een tekortkoming in de nakoming van de
betalingsverplichting door de abonnee of faillissement van de
abonnee;
c. bij bedrog in de zin van artikel 3:44 van het Burgerlijk
Wetboek door de abonnee;
d. wanneer de looptijd van de overeenkomst van bepaalde duur
tot levering van de internettoegangsdienst afloopt en de
overeenkomst met instemming van de abonnee niet wordt verlengd of
vernieuwd;
e. ter uitvoering van een wettelijk voorschrift of rechterlijk
bevel; en
f. bij overmacht en onvoorziene omstandigheden in de zin van
artikel 6:258 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De aanbieder gaat niet over tot een maatregel als bedoeld in het
eerste lid, aanhef en onderdeel c, dan nadat hij de abonnee
schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van het voornemen om tot deze
maatregel over te gaan, voorzien van een schriftelijke motivering
omtrent het gestelde bedrog, en hij de abonnee een redelijke termijn
heeft geboden om op het voornemen en het gestelde bedrog te reageren.
Artikel 7.7
1. Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken die
worden gebruikt om uitgaande gesprekken naar een nummer in het
nummerplan aan te bieden, openbare betaaltelefoons en openbare
telefoondiensten stellen het gebruik van alarmnummers kosteloos en
zonder toegangsbelemmeringen ter beschikking aan alle gebruikers van
hun dienst.
2. Onder een alarmnummer als bedoeld in het eerste lid, wordt
verstaan een nummer dat in een nummerplan als bedoeld in artikel 4.1,
eerste lid, bestemd is als alarmnummer.
3. Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken die
worden gebruikt om uitgaande gesprekken naar een nummer in het
nummerplan aan te bieden, openbare betaaltelefoons en openbare
telefoondiensten treffen de voorzieningen die noodzakelijk zijn om de
ononderbroken toegang tot alarmnummers te waarborgen.
4. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het
derde lid, indien het technisch niet uitvoerbaar dan wel economisch
niet haalbaar is de in dat lid bedoelde voorzieningen te treffen. Een
ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Onze Minister kan
voorschriften verbinden aan een ontheffing.
Artikel 7.7a
1. Onverminderd artikel 11.9, kunnen bij ministeriële regeling
regels worden gesteld ter uitvoering van bijlage I van richtlijn nr.
2002/22/EG. Deze regels hebben betrekking op het door aanbieders van
openbare elektronische communicatienetwerken of openbare
telefoondiensten aan hun eindgebruikers beschikbaar stellen van
faciliteiten als bedoeld in de in de eerste volzin bedoelde bijlage I.
2. Een krachtens het eerste lid opgelegde verplichting die strekt
tot uitvoering van bijlage I, deel B, van richtlijn nr. 2002/22/EG,
geldt niet indien deze technisch niet uitvoerbaar dan wel economisch
niet haalbaar is.
Artikel 7.8
1. Voor zover de andere artikelen van dit hoofdstuk hierin niet
voorzien, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
regels worden gesteld voor aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken, openbare elektronische communicatiediensten,
nummergebruikers of programmadiensten inzake de bescherming van
natuurlijke personen die gebruik maken van of verzoeken om openbare
elektronische communicatiediensten, nummergebruikers of
programmadiensten voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden. De
regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. het bekendmaken van informatie over de geldende tarieven;
b. de tarifering van bij ministeriële regeling aangewezen
categorieën van nummers;
c. de omstandigheden waaronder een aanbieder de levering van
een openbare elektronische communicatiedienst mag opschorten of
beëindigen.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen voor bij die regels
te bepalen categorieën van openbare elektronische
communicatienetwerken, openbare elektronische communicatiediensten,
nummergebruikers of programmadiensten verschillen. Bij die regels
kunnen taken worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het
college.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld voor aanbieders van openbare elektronische
communicatiediensten en -netwerken waardoor eindgebruikers met een
fysieke beperking:
a. toegang tot openbare elektronische communicatiediensten
hebben die gelijkwaardig is aan die van de meerderheid van de
eindgebruikers, en
b. profiteren van de keuze tussen ondernemingen en diensten die
ter beschikking staan van de meerderheid van de eindgebruikers.
Hoofdstuk 8. Regels met betrekking tot het verspreiden van
programma's, systemen voor voorwaardelijke toegang,
applicatieprogramma-interfaces en elektronische programmagidsen
§ 8.1. Verplichtingen in verband met het uitzenden van programma's
Artikel 8.1 [Vervallen per 19-05-2004]
Artikel 8.2 [Vervallen per 19-05-2004]
Artikel 8.3
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken die bestaan uit radiozendapparaten die geschikt
zijn voor het verspreiden van programma-aanbod, verplichten om
programma-aanbod uit te zenden dat hem in overeenstemming met de
Mediawet ter verspreiding wordt aangeboden door instellingen die belast
zijn met de verzorging van de publieke mediadiensten, bedoeld in
hoofdstuk 2 van de Mediawet 2008.
Artikel 8.4a
1. Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van een bindend
besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement
en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen, technische voorschriften gegeven voor het uitzenden
van een televisieprogramma als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet
2008, dat bedoeld is om te worden uitgezonden in een aspectverhouding
groter dan 4:3, of dat bedoeld is om volledig digitaal te worden
uitgezonden door middel van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk.
2. Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van een bindend
besluit als bedoeld in het eerste lid voorts technische eisen gesteld
aan openbare elektronische communicatienetwerken met behulp waarvan de
uitzending van televisieprogramma's op een volledig digitale wijze
plaatsvindt.
§ 8.2. Systemen voor voorwaardelijke toegang,
applicatieprogramma-interfaces, elektronische programmagidsen en toegang
tot programma-aanbod
Artikel 8.5
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van een
bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees
Parlement en de Raad gezamenlijk, of van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen regels gegeven met betrekking tot het door aanbieders
verlenen van toegang tot systemen voor voorwaardelijke toegang die
geschikt en bestemd zijn voor de uitzending van diensten die kunnen
worden ontvangen met behulp van digitale televisie-of radiosystemen.
2. De in het eerste lid bedoelde regels hebben in elk geval
betrekking op:
a. de technische mogelijkheden van de systemen voor
voorwaardelijke toegang ten behoeve van controleoverdracht;
b. het verlenen van toegang tot systemen voor voorwaardelijke
toegang en de voorwaarden waaronder dit geschiedt, en
c. het voeren van een gescheiden boekhouding voor de
activiteiten in verband met het aanbod van systemen voor
voorwaardelijke toegang en voor overige activiteiten.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van een
bindend besluit als bedoeld in het eerste lid regels worden gegeven
met betrekking tot het verlenen van licenties door houders van
industriële eigendomsrechten aan fabrikanten van consumentenapparaten
waarin gebruik wordt gemaakt van voorwaardelijke toegangsystemen.
4. Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken worden
opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 8.6
1. Met het oog op het waarborgen van de toegang van eindgebruikers
en eindgebruikers met een fysieke beperking tot bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen diensten die op digitale wijze worden
uitgezonden en die kunnen worden ontvangen met behulp van televisie-of
radiosystemen, kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden
gegeven met betrekking tot het verlenen van toegang tot
applicatieprogramma-interfaces of elektronische programmagidsen door
aanbieders.
2. De in het eerste lid bedoelde regels hebben ten aanzien van
aanbieders van applicatieprogramma-interfaces dan wel elektronische
programmagidsen in elk geval betrekking op:
a. het verlenen van toegang tot applicatieprogramma-interfaces
dan wel elektronische programmagidsen, alsmede de voorwaarden
waaronder dit geschiedt;
b. het verstrekken van informatie met betrekking tot toegang en
de wijze van gebruik van de verstrekte informatie, en
c. het voeren van een gescheiden boekhouding voor de
activiteiten in verband met het aanbod van
applicatieprogramma-interfaces onderscheidenlijk elektronische
programmagidsen en voor de overige activiteiten.
3. Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken worden
opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 8.7
Wanneer door het college de in artikel 6a.6 bedoelde verplichting
wordt opgelegd aan een onderneming die openbare elektronische
communicatienetwerken aanbiedt die gebruikt worden voor het verspreiden
van programma's, is deze onderneming tevens verplicht toegang te
verlenen tot het door haar samengestelde programma-aanbod voor zover dat
programma-aanbod niet versleuteld naar alle aangeslotenen op
desbetreffende netwerken wordt verspreid, met dien verstande dat de
gevraagde toegang alleen behoeft te worden verleend:
a. in het geval een aanbieder van een programma wenst dat degenen
naar wie het programma wordt verspreid, bijdragen in de kosten van
dat programma, de kosten van de verspreiding hieronder begrepen, en
deze aanbieder door de wijze van verspreiding hiervoor feitelijk is
aangewezen op de onderneming die de openbare elektronische
communicatienetwerken aanbiedt, en
b. de onderneming die de openbare elektronische
communicatienetwerken aanbiedt geen transparante of objectieve
gronden heeft om de toegang te weigeren.
§ 8.3 [Vervallen per 19-05-2004]
§ 8.4 [Vervallen per 19-05-2004]
Hoofdstuk 9. Universele dienstverlening
Artikel 9.1
1. De volgende diensten en voorzieningen zijn voor iedere
eindgebruiker, onafhankelijk van diens geografische locatie, tegen een
betaalbare prijs en met een bepaalde kwaliteit beschikbaar:
a. het naar aanleiding van een redelijk verzoek aansluiten op
een openbaar elektronisch communicatienetwerk op een vaste
locatie;
b. het leveren van een openbare telefoondienst over de in
onderdeel a bedoelde netwerkaansluiting;
c. openbare betaaltelefoons;
d. gedrukte en elektronische telefoongidsen;
e. een abonnee-informatiedienst, en
f. diensten of voorzieningen waardoor eindgebruikers met een
fysieke beperking toegang hebben tot de in onderdeel b, d en e
genoemde diensten en voorzieningen op een niveau gelijkwaardig aan
dat van andere eindgebruikers.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de kwaliteit en de aard van de in het eerste lid bedoelde
diensten en voorzieningen.
3. Ter uitvoering van hoofdstuk II van richtlijn nr. 2002/22/EG,
kunnen bij algemene maatregel van bestuur andere dan de in het eerste
lid bedoelde openbare elektronische communicatiediensten of daarmee
samenhangende voorzieningen worden aangewezen die voor in die
maatregel te bepalen categorieën van eindgebruikers, onafhankelijk
van hun geografische locatie, beschikbaar moeten zijn tegen een
betaalbare prijs en met een bij of krachtens die maatregel te bepalen
kwaliteit.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de in het eerste of derde lid bedoelde prijs. Bij
de in de eerste volzin bedoelde regels over de prijs kan onderscheid
gemaakt worden tussen groepen eindgebruikers.
Artikel 9.2
1. Indien naar het oordeel van Onze Minister de beschikbaarheid, de
betaalbaarheid of de kwaliteit van een of meer van de openbare
elektronische communicatiediensten of voorzieningen, bedoeld in
artikel 9.1, eerste of derde lid, niet door het normale functioneren
van de markt wordt of zal kunnen worden gegarandeerd, kan Onze
Minister bij besluit overeenkomstig de in artikel 9.3 geregelde
procedure een onderneming aanwijzen die de universele dienst in een
bij dat besluit te bepalen verzorgingsgebied voor ten hoogste tien
jaar verzorgt. Onze Minister kan verschillende ondernemingen aanwijzen
die verschillende diensten of voorzieningen, bedoeld in artikel 9.1,
eerste of derde lid, aanbieden of verschillende verzorgingsgebieden
bestrijken.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter
uitvoering van hoofdstuk II van richtlijn nr. 2002/22/EG nadere regels
gesteld die van toepassing zijn in het geval een aanwijzing tot
verzorging van een of meer tot de universele dienst behorende diensten
of voorzieningen is gegeven. Hierbij kunnen ter uitvoering van het in
de eerste volzin genoemde hoofdstuk taken worden opgedragen en
bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 9.3
1. Indien Onze Minister voornemens is over te gaan tot een
aanwijzing als bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, stelt Onze Minister
vast of de aanwijzing een onredelijke last in de zin van artikel 12,
eerste lid, van richtlijn nr. 2002/22/EG kan vormen voor degene die
wordt aangewezen als universeledienstverlener. Onze Minister kan
voorafgaand aan die vaststelling het college vragen om advies.
2. Indien Onze Minister vaststelt dat het aanwijzen van een
universeledienstverlener geen onredelijke last kan vormen voor degene
die wordt aangewezen, wordt de aanbieder, bedoeld in het vierde lid,
aangewezen als universeledienstverlener. Het derde tot en met negende
lid en de artikelen 9.4 en 9.5 zijn niet van toepassing.
3. Indien Onze Minister vaststelt dat de aanwijzing een onredelijke
last kan vormen voor degene die wordt aangewezen als
universeledienstverlener maakt Onze Minister het voornemen over te
gaan tot een aanwijzing bekend in de Staatscourant. In die
bekendmaking worden de te verzorgen dienst of voorziening, het
verzorgingsgebied en de periode waarvoor de aanwijzing zal gelden
vermeld en wordt gewezen op de in het vijfde lid geregelde
mogelijkheid een bod uit te brengen op de aanwijzing.
4. Onze Minister maakt op de datum van de in het derde lid bedoelde
bekendmaking het voornemen voorts bekend aan:
a. in het geval van een te verzorgen dienst, bedoeld in artikel
9.1, eerste lid, onderdeel a: de aanbieder van het openbare
elektronische communicatienetwerk waarop in het verzorgingsgebied
de meeste eindgebruikers zijn aangesloten;
b. in het geval van een te verzorgen dienst, bedoeld in artikel
9.1, eerste lid, onderdeel b tot en met f: de aanbieder van de te
verzorgen openbare elektronische communicatiedienst, of, bij het
ontbreken daarvan, een daarmee samenhangende dienst, waarvan in
het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers gebruik maken; of
c. in het geval van een te verzorgen voorziening: de aanbieder
van de met de te verzorgen voorziening samenhangende openbare
elektronische communicatiedienst waarvan in het verzorgingsgebied
de meeste eindgebruikers gebruik maken.
Daarbij wordt gewezen op de in het vijfde lid geregelde
verplichting voor deze aanbieder een bod uit te brengen op de
aanwijzing.
5. Binnen acht weken na de datum van de in het derde lid, bedoelde
bekendmaking kan bij Onze Minister een bod worden uitgebracht op de
aanwijzing en brengt de aanbieder, bedoeld in het vierde lid, in ieder
geval zijn bod uit.
6. Bij ministeriële regeling wordt bepaald of een bod wordt
uitgebracht door:
a. het opgeven van een bedrag per jaar, of
b. het opgeven van een bedrag per in de ministeriële regeling
aangewezen eenheid van het gebruik of de af te nemen voorziening.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aanvullend op het
bod een van het gebruik onafhankelijk bedrag wordt vergoed, en wat de
hoogte is van dat bedrag.
7. Een bod wordt geweigerd indien de bieder naar verwachting de
universele dienst niet naar behoren zal kunnen verzorgen.
8. Degene die het laagste bod heeft uitgebracht, dat niet op grond
van het zevende lid is geweigerd, wordt aangewezen als
universeledienstverlener.
9. Indien uit de in het achtste lid bedoelde vergelijking blijkt
dat meer dan een bieder het laagste bod hebben uitgebracht, wordt door
middel van het lot beslist wie van hen wordt aangewezen als
universeledienstverlener.
Artikel 9.4
1. Indien het bod op de in artikel 9.3, zesde lid, onderdeel a,
bedoelde wijze is uitgebracht, bestaat de vergoeding uit het bod,
uitgebracht door degene die op grond van artikel 9.3, achtste of
negende lid, is aangewezen.
2. Indien het bod op de in artikel 9.3, zesde lid, onderdeel b,
bedoelde wijze is uitgebracht, bestaat de vergoeding uit het bod,
uitgebracht door degene die op grond van artikel 9.3, achtste of
negende lid, is aangewezen als universeledienstverlener,
vermenigvuldigd met het aantal daadwerkelijk gebruikte eenheden in het
betreffende kalenderjaar, vermeerderd met het eventueel in de
ministeriële regeling op grond van artikel 9.3, zesde lid,
vastgestelde van het gebruik onafhankelijke bedrag.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid, kan
het in het bod genoemde bedrag door Onze Minister gematigd worden voor
zover het bod bestaat uit onevenredig meer dan de door Onze Minister
verwachte werkelijke kosten die de aanbieder maakt als gevolg van de
aanwijzing en waartegenover als gevolg van de bij of krachtens artikel
9.1, vierde lid, gestelde regels omtrent de betaalbaarheid geen
vergoeding door eindgebruikers staat, met inbegrip van een redelijke
winstopslag.
4. De hoogte van de vergoeding wordt bekendgemaakt in de
Staatscourant.
5. Indien het bod op de in artikel 9.3, zesde lid, onderdeel b,
bedoelde wijze werd uitgebracht verstrekt degene die op grond van
artikel 9.3, achtste of negende lid, is aangewezen als
universeledienstverlener het aantal daadwerkelijk in het betreffende
kalenderjaar gebruikte eenheden binnen vier weken na het eind van het
kalenderjaar aan Onze Minister. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld over de wijze waarop de gegevens worden
verstrekt. Onze Minister publiceert de vergoeding voor het betreffende
kalenderjaar in de Staatscourant.
6. Onze Minister betaalt de vergoeding voor het betreffende
kalenderjaar uit binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar.
Deze termijn kan worden verlengd met het aantal dagen waarmee de in
het vijfde lid bedoelde termijn wordt overschreden.
Artikel 9.5
1. Indien ingevolge artikel 9.4 aan degene die is aangewezen als
universeledienstverlener, een vergoeding wordt toegekend, is eenieder
die openbare elektronische communicatiediensten, openbare
elektronische communicatienetwerken of bijbehorende faciliteiten
aanbiedt, en die in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar
waarop de te betalen vergoeding betrekking heeft, daaruit in Nederland
een hogere omzet realiseert dan een bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te bepalen bedrag, aan het college een bijdrage
verschuldigd.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald hoe de
bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend en wanneer deze
verschuldigd is.
Artikel 9.6
Degene die op grond van een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.2,
eerste lid, openbare elektronische communicatiediensten of voorzieningen
verzorgt, draagt gedurende de looptijd van de aanwijzing niet een
belangrijk deel of het geheel van zijn aansluitnetwerk over aan een
afzonderlijke rechtspersoon met een andere eigenaar dan nadat daartoe
toestemming van Onze Minister is verkregen. Onze Minister verleent
toestemming tenzij hij verwacht dat een dergelijke overdracht een
nadelige invloed heeft op de levering van de in artikel 9.1, eerste lid,
onderdelen a en b, genoemde diensten. Onze Minister kan voorwaarden
opleggen overeenkomstig artikel 6, tweede lid, van de
Machtigingsrichtlijn.
Hoofdstuk 10. Uitrusting
§ 10.1. Europese bepalingen voor uitrusting
§ 10.1.1. Conformiteiteisen en wederzijdse erkenning van
conformiteit
Artikel 10.1
1. Het is verboden uitrusting die niet voldoet aan de krachtens
artikel 10.3, onderdeel a, b, c en e gestelde voorschriften, in de
handel te brengen of te verhandelen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld over uitzonderingen op het in het eerste lid
bedoelde verbod.
Artikel 10.2
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over speciale maatregelen betreffende de
ingebruikneming of het gebruik van uitrusting die voldoet aan de bij
of krachtens dit hoofdstuk gestelde voorschriften. Deze regels
betreffen:
a. maatregelen om een bestaand of te verwachten probleem in
verband met de eisen waar uitrusting aan moet voldoen op een
bepaalde locatie te verhelpen;
b. maatregelen die om veiligheidsredenen genomen worden om
openbare elektronische communicatienetwerken of apparaten die naar
hun aard bestemd zijn voor het zenden of ontvangen van
radiocommunicatiesignalen te beschermen, indien deze worden
gebruikt voor veiligheidsdoeleinden in duidelijk gedefinieerde
spectrumsituaties.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de middelen die Onze Minister kan gebruiken om het
in de handel brengen of verhandelen van radiozendapparaten of
categorieën van radiozendapparaten te beëindigen of te beperken,
indien de vrees is gewettigd dat door de betrokken radiozendapparaten
ontoelaatbare belemmeringen worden veroorzaakt in het etherverkeer, in
andere radiozendapparaten of in ontvangapparaten.
Artikel 10.3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
implementatie van conformiteitsrichtlijnen en bijlage II van de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte regels worden
gesteld, inzake:
a. eisen waar uitrusting aan moet voldoen;
b. de conformiteitsbeoordeling van uitrusting;
c. het aanbrengen van markeringen;
d. de aanwijzing, accreditatie en bevoegdheden van instanties die
betrokken kunnen worden bij de conformiteitsbeoordeling, alsmede de
intrekking van de aanwijzing;
e. informatieverplichtingen met betrekking tot uitrusting;
f. de aansluiting van uitrusting op openbare elektronische
communicatienetwerken, alsmede het afsluiten of buiten
gebruikstellen van die uitrusting;
g. de door een aanbieder van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk te verstrekken informatie over de technische
specificaties van netwerkaansluitpunten.
Artikel 10.4
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld
worden ter uitvoering van tussen de Europese Gemeenschap en derde landen
gesloten overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning van
conformiteitsbeoordelingen van uitrusting, ondermeer over de aanwijzing
van instanties die betrokken kunnen worden bij de
conformiteitsbeoordeling, alsmede de intrekking van de aanwijzing.
§ 10.1.2. Digitale televisie
Artikel 10.5
1. Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van een bindend
besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement
en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen regels gesteld ter zake van apparaten bestemd voor de
ontvangst en weergave van televisieprogramma’s als bedoeld in
artikel 1.1 van de Mediawet 2008, en van apparaten bestemd voor het
ontsleutelen van versleutelde digitale televisiesignalen.
2. Het is verboden apparaten als bedoeld in het eerste lid te
verkopen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen indien
niet wordt voldaan aan de krachtens het eerste lid gestelde regels.
§ 10.2. Bepalingen van nationale oorsprong
Artikel 10.6
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld inzake het maken van reclame voor uitrusting waarvan het in de
handel brengen of het verhandelen op grond van artikel 10.1 of artikel
10.5 is verboden.
Artikel 10.7
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld inzake de behandeling van klachten over elektromagnetische
storingen, ondervonden van het gebruik van uitrusting, of over
belemmeringen, welke bij het gebruik van radiozendapparaten of
randapparaten worden ondervonden.
Artikel 10.8
Voor de toepassing van de artikelen 10.9 tot en met 10.11 worden met
radiozendapparaten gelijk gesteld:
a. elke samenvoeging van onderdelen geschikt om een
radiozendapparaat dan wel een ingevolge het bepaalde onder b daarmee
gelijkgesteld apparaat te vormen;
b. de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
omschrijven elektrische of elektronische apparaten die geschikt zijn
om door gebruik tezamen met een radiozendapparaat een
radiozendapparaat te vormen met andere technische eigenschappen.
Artikel 10.9
1. Het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig
hebben, of het gebruik van radiozendapparaten is slechts toegestaan
indien voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten
op grond van hoofdstuk 3 een vergunning voor het gebruik van
frequentieruimte is verleend.
2. In afwijking van het eerste lid, is het aanleggen, het geheel of
gedeeltelijk aanwezig hebben, of het gebruik van radiozendapparaten
zonder dat aan de houder een vergunning is verleend voor het gebruik
van frequentieruimte, toegestaan, indien:
a. krachtens hoofdstuk 3 geen vergunning is vereist voor het
gebruik van frequentieruimte en, indien voor het gebruik melding
en registratie verplicht zijn krachtensartikel 3.4, tweede lid,
onder d, indien melding en registratie heeft plaatsgevonden;
b. de houder van het radiozendappararaat met de houder van een
vergunning voor het gebruik van frequentieruimte een overeenkomst
heeft gesloten voor de aanleg en het instandhouden van een
radiozendapparaat ten behoeve van het verzorgen van diensten van
de opdrachtgever waarbij gebruik wordt gemaakt van de aan de
opdrachtgever toegewezen frequentieruimte;
c. deze apparaten worden gebruikt aan boord van andere dan
Nederlandse schepen of luchtvaartuigen en daarvoor een vergunning
is afgegeven in overeenstemming met het Internationaal
Telecommunicatieverdrag, of
d. deze apparaten worden gebruikt door niet-ingezetenen van
Nederland die tijdelijk hier te lande verblijven en daartoe voor
Nederland bindende afspraken zijn gemaakt.
Artikel 10.10
1. Onze Minister kan, in afwijking van artikel 10.9, eerste lid,
een vergunning verlenen voor het aanleggen van radiozendapparaten
zonder dat aan de houder een vergunning is verleend voor gebruik van
frequentieruimte. Een vergunning kan onder beperkingen worden
verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
2. De vergunning kan worden geweigerd, indien:
a. het ernstige vermoeden bestaat dat de vergunning zal worden
misbruikt;
b. een eerder verleende vergunning is ingetrokken wegens
overtreding van de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan
wel van de aan de vergunning verbonden voorschriften;
c. de aanvraag niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet
gestelde regels, of
d. de aanvrager naar het oordeel van Onze Minister geen
gerechtvaardigd belang heeft bij verlening van de vergunning.
3. De vergunning kan worden ingetrokken, indien:
a. de houder van de vergunning de bij of krachtens deze wet
gestelde regels dan wel de aan de vergunning verbonden
voorschriften of beperkingen niet nakomt, of
b. de gronden waarop de vergunning is verleend zijn vervallen.
Artikel 10.11
1. Het is verboden:
a. een radiozendapparaat te gebruiken om aan boord van een
schip of luchtvaartuig buiten elk nationaal gebied programma's uit
te zenden;
b. een radiozendapparaat, bestemd voor een gebruik als onder a
bedoeld, te exploiteren;
c. een radiozendapparaat ter beschikking te stellen of aan te
leggen in de wetenschap, dat het is bestemd voor een gebruik als
bedoeld onder a;
d. een schip of luchtvaartuig ter beschikking te stellen in de
wetenschap, dat dit is bestemd om aan boord daarvan uitzendingen
te doen als onder a bedoeld.
2. Het is verboden aan overtreding van een der in het eerste lid
bedoelde verboden opzettelijk mee te werken door daarbij behulpzaam te
zijn dan wel daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te
verschaffen. Als handelingen van medewerking worden in elk geval
beschouwd:
a. het ter beschikking stellen van materiaal ten behoeve van
het schip of luchtvaartuig dan wel van het radiozendapparaat;
b. het onderhouden of herstellen van het schip of luchtvaartuig
dan wel van het radiozendapparaat;
c. het bevoorraden van het schip of luchtvaartuig;
d. het vervoeren van personen of goederen naar of van het schip
of luchtvaartuig dan wel het ter beschikking stellen van middelen
tot dat vervoer;
e. het vervaardigen van programma's of onderdelen daarvan,
bestemd om te worden uitgezonden;
f. het geven van opdrachten tot het uitzenden van programma's
of onderdelen daarvan dan wel het verlenen van bemiddeling bij het
verkrijgen van zodanige opdrachten.
3. Het tweede lid blijft buiten toepassing, indien de aldaar
bedoelde handelingen worden verricht teneinde in geval van nood het
schip of luchtvaartuig bij te staan of mensenlevens te beschermen.
4. Onder schip of luchtvaartuig wordt in dit artikel mede begrepen
elk ander drijvend of door de lucht gedragen voorwerp.
Hoofdstuk 11. Bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke
levenssfeer
§ 11.1. Algemene bepalingen
Artikel 11.1
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. gebruiker: een natuurlijke persoon die gebruik maakt van een
openbare elektronische communicatiedienst voor particuliere of
zakelijke doeleinden zonder noodzakelijkerwijze op die dienst te
zijn geabonneerd;
b. verkeersgegevens: gegevens die worden verwerkt voor het
overbrengen van communicatie over een elektronisch
communicatienetwerk of voor de facturering ervan;
c. verwerking van verkeersgegevens: verwerking als bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, van de Wet bescherming persoonsgegevens, met
dien verstande dat de desbetreffende handelingen mede betrekking
hebben op verkeersgegevens van abonnees die geen natuurlijke
personen zijn;
d. locatiegegevens: gegevens die worden verwerkt in een openbaar
elektronisch communicatienetwerk of een openbare elektronische
communicatiedienst waarmee de geografische positie van de
randapparatuur van een gebruiker van een openbare elektronische
communicatiedienst wordt aangegeven;
e. communicatie: informatie die wordt uitgewisseld of
overgebracht tussen een eindig aantal partijen door middel van een
openbare elektronische communicatiedienst; dit omvat niet de
informatie die via een omroepdienst over een elektronisch
communicatienetwerk wordt overgebracht, behalve wanneer de
informatie kan worden gerelateerd aan de identificeerbare abonnee of
gebruiker die de informatie ontvangt;
f. oproep: een door middel van een openbare elektronische
communicatiedienst tot stand gebrachte verbinding die
spraakcommunicatie tussen gebruikers of abonnees over en weer
mogelijk maakt;
g. toestemming van een gebruiker of abonnee: toestemming van een
betrokkene als bedoeld in artikel 1, onder i, van de Wet bescherming
persoonsgegevens, met dien verstande dat de toestemming mede
betrekking kan hebben op gegevens van abonnees die geen natuurlijke
personen zijn;
h. dienst met toegevoegde waarde: dienst die de verwerking
vereist van verkeersgegevens of locatiegegevens, niet zijnde
verkeersgegevens, en die verder gaat dan hetgeen noodzakelijk is
voor de overbrenging van een communicatie of de facturering daarvan;
i. elektronisch bericht: tekst-, spraak-, geluids- of
beeldbericht dat over een openbaar elektronisch communicatienetwerk
wordt verzonden en in het netwerk of in de randapparatuur van de
ontvanger kan worden opgeslagen tot het door de ontvanger wordt
opgehaald;
j. inbreuk in verband met persoonsgegevens: een inbreuk op de
beveiliging die resulteert in een onbedoelde of onwettige
vernietiging, verlies of wijziging van, of een niet geautoriseerde
toegang tot persoonsgegevens die zijn verstuurd, opgeslagen of
anderszins verwerkt in verband met de levering van een openbare
elektronische communicatiedienst in de Europese Unie.
Artikel 11.2
Onverminderd de Wet bescherming persoonsgegevens en het overigens bij
of krachtens deze wet bepaalde dragen de aanbieder van een openbaar
elektronisch communicatienetwerk en de aanbieder van een openbare
elektronische communicatiedienst zorg voor de bescherming van
persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van
abonnees en gebruikers van zijn netwerk, onderscheidenlijk zijn dienst.
Artikel 11.2a
1. Onverminderd het Wetboek van Strafrecht en het overigens bij of
krachtens deze wet bepaalde, dragen de aanbieder van een openbaar
elektronisch communicatienetwerk en de aanbieder van een openbare
elektronische communicatiedienst zorg voor het vertrouwelijke karakter
van de communicatie en de daarmee verband houdende gegevens via hun
netwerken onderscheidenlijk hun diensten.
2. De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
en de aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst
onthouden zich van het aftappen, afluisteren of anderszins
onderscheppen of controleren van de communicatie via een openbaar
elektronisch communicatienetwerk of openbare elektronische
communicatiedienst en de daarmee verband houdende gegevens tenzij en
voor zover:
a. de betrokken abonnee voor deze handelingen zijn
uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven;
b. deze handelingen noodzakelijk zijn om de integriteit en de
veiligheid van de netwerken en diensten van de betrokken aanbieder
te waarborgen;
c. deze handelingen noodzakelijk zijn voor het overbrengen van
informatie via de netwerken en diensten van de betrokken
aanbieder, of
d. deze handelingen noodzakelijk zijn ter uitvoering van een
wettelijk voorschrift of rechterlijk bevel.
3. Voorafgaand aan het verkrijgen van toestemming als bedoeld in
het tweede lid, onderdeel a, verstrekt de aanbieder aan de abonnee de
volgende informatie:
a. de soort gegevens die wordt afgetapt, afgeluisterd,
onderschept of gecontroleerd;
b. de doeleinden waarvoor de gegevens worden afgetapt,
afgeluisterd, onderschept of gecontroleerd, en
c. de duur van het aftappen, afluisteren, onderscheppen of
controleren van de gegevens.
4. Een abonnee kan de verleende toestemming, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel a, op elk moment intrekken.
Artikel 11.3
1. De in artikel 11.2 bedoelde aanbieders treffen in het belang van
de bescherming van persoonsgegevens en de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van abonnees en gebruikers passende
technische en organisatorische maatregelen ten behoeve van de
veiligheid en beveiliging van de door hen aangeboden netwerken en
diensten. De maatregelen garanderen, rekening houdend met de stand van
de techniek en de kosten van de tenuitvoerlegging, een passend
beveiligingsniveau dat in verhouding staat tot het desbetreffende
risico.
2. De maatregelen als bedoeld in het eerste lid omvatten in elk
geval:
a. waarborgen dat slechts daartoe gemachtigd personeel voor
wettelijk toegestane doeleinden toegang heeft tot de
persoonsgegevens,
b. de bescherming van opgeslagen of verzonden persoonsgegevens
tegen onbedoelde of niet toegestane opslag, verwerking, toegang,
verstrekking, wijziging, verlies, vernietiging, en
c. de invoering van een veiligheidsbeleid met betrekking tot de
verwerking van persoonsgegevens.
3. De in artikel 11.2 bedoelde aanbieders dragen er zorg voor dat
de abonnees worden geïnformeerd over:
a. bijzondere risico's voor de doorbreking van de veiligheid of
de beveiliging van het aangeboden netwerk of de aangeboden dienst;
b. de eventuele middelen waarmee de onder a bedoelde risico's
kunnen worden tegengegaan, voor zover het andere maatregelen
betreft dan die welke de aanbieder op grond van het eerste lid
gehouden is te treffen, alsmede een indicatie van de verwachte
kosten.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen de in
artikel 11.2 bedoelde aanbieders in het belang van de bescherming van
persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van
abonnees en gebruikers nadere verplichtingen en beperkingen worden
opgelegd ten behoeve van de veiligheid en beveiliging van de door hen
aangeboden netwerken en diensten.
Artikel 11.3a
1. De aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst
stelt het college onverwijld in kennis van een inbreuk op de
beveiliging, bedoeld in artikel 11.3, die nadelige gevolgen heeft voor
de bescherming van persoonsgegevens die zijn verwerkt in verband met
de levering van een openbare elektronische communicatiedienst in de
Europese Unie.
2. De aanbieder, bedoeld in het eerste lid, stelt degene wiens
persoonsgegevens het betreft onverwijld in kennis van een inbreuk in
verband met persoonsgegevens indien de inbreuk waarschijnlijk
ongunstige gevolgen zal hebben voor diens persoonlijke levenssfeer.
3. De kennisgeving aan het college en de persoon wiens
persoonsgegevens het betreft, omvat in ieder geval de aard van de
inbreuk in verband met persoonsgegevens, de instanties waar meer
informatie over de inbreuk kan worden verkregen en de aanbevolen
maatregelen om de negatieve gevolgen van de inbreuk te beperken.
De kennisgeving aan het college omvat tevens de gevolgen van de
inbreuk op de persoonsgegevens en de maatregelen die de aanbieder
voorstelt of heeft getroffen om de inbreuk aan te pakken.
4. Indien de aanbieder van een openbare elektronische
communicatiedienst geen kennisgeving als bedoeld in het tweede lid
doet, kan het college, indien het van oordeel is dat de inbreuk in
verband met persoonsgegevens waarschijnlijk ongunstige gevolgen zal
hebben voor de persoonlijke levenssfeer van de persoon wiens
persoonsgegevens het betreft, van de aanbieder verlangen dat hij die
persoon alsnog in kennis stelt van de inbreuk.
5. De kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, is niet vereist
indien de aanbieder naar het oordeel van het college gepaste
technische beschermingsmaatregelen heeft genomen waardoor de
persoonsgegevens die het betreft, versleuteld of anderszins
onbegrijpelijk zijn voor een ieder die geen recht heeft op toegang tot
die gegevens.
6. De aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst
houdt een overzicht bij van alle inbreuken in verband met
persoonsgegevens. Dit overzicht bevat in elk geval de feiten en de in
het derde lid bedoelde gegevens.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gegeven met betrekking tot de in dit artikel bedoelde
eisen met betrekking tot het verstrekken van informatie en de
kennisgeving.
Artikel 11.4
1. De aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst
is verplicht de abonnee op diens verzoek:
a. geleverde elektronische communicatiediensten door middel van
geheel of gedeeltelijk niet-gespecificeerde nota's in rekening te
brengen;
b. de mogelijkheid te bieden kosteloos en op eenvoudige wijze
de doorschakeling van oproepen van derden naar het bij hem in
gebruik zijnde netwerkaansluitpunt ongedaan te maken.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de
bescherming van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van oproepende gebruikers en opgeroepen abonnees regels
worden gesteld met betrekking tot het specificeren van nota's voor
geleverde elektronische communicatiediensten. Deze regels kunnen onder
meer betrekking hebben op de toekenning van rechten aan abonnees, de
behandeling van klachten, de verstrekking van informatie en de
vergoeding van kosten. Bij de algemene maatregel van bestuur kunnen
aan het college taken worden opgedragen en bevoegdheden verleend.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
ten aanzien van de keuzemogelijkheden voor de wijze van betaling van
geleverde elektronische communicatiediensten.
Artikel 11.5
1. De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
en de aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst
verwijderen dan wel anonimiseren de door hen verwerkte en opgeslagen
verkeersgegevens met betrekking tot abonnees of gebruikers, zodra deze
verkeersgegevens niet langer nodig zijn ten behoeve van de
overbrenging van communicatie, onverminderd het tweede, derde en
vijfde lid.
2. De aanbieder mag verkeersgegevens verwerken die noodzakelijk
zijn voor facturering, waaronder het opstellen van een factuur voor
een abonnee of voor degene die zich tegenover de aanbieder rechtens
verbonden heeft die factuur te voldoen, dan wel ten behoeve van een
betaling van verleende toegang. De verkeersgegevens mogen worden
verwerkt tot het einde van de wettelijke termijn waarbinnen de factuur
in rechte kan worden betwist of de betaling in rechte kan worden
afgedwongen.
3. De aanbieder van elektronische communicatiediensten mag voorts
de in het eerste lid bedoelde verkeersgegevens verwerken, voor zover
en voor zolang dat noodzakelijk is voor:
a. marktonderzoek of verkoopactiviteiten met betrekking tot
elektronische communicatiediensten, of
b. de levering van diensten met toegevoegde waarde,
mits de abonnee of de gebruiker waarop de verkeersgegevens
betrekking hebben daarvoor voorafgaand aan de verwerking zijn
toestemming heeft gegeven. De abonnee of gebruiker kan de gegeven
toestemming voor de verwerking van verkeersgegevens te allen tijde
intrekken.
4. De aanbieder stelt de abonnee of gebruiker in kennis van de
soorten verkeersgegevens die worden verwerkt voor de in het tweede en
derde lid bedoelde doeleinden alsmede omtrent de duur van de
verwerking. Voor zover het de verwerking van verkeersgegevens ten
behoeve van de doeleinden, bedoeld in het derde lid betreft, wordt de
desbetreffende informatie verstrekt voorafgaand aan het verkrijgen van
de in dat lid bedoelde toestemming van de abonnee of gebruiker.
5. De verwerking van verkeersgegevens in overeenstemming met het
eerste tot en met vierde lid mag alleen geschieden door personen die
werkzaam zijn onder het gezag van de aanbieder voor facturering,
verkeersbeheer, behandeling van verzoeken om inlichtingen van klanten,
opsporing van fraude alsmede marktonderzoek of verkoopactiviteiten met
betrekking tot elektronische communicatiediensten of de levering van
diensten met toegevoegde waarde en moet beperkt blijven tot hetgeen
noodzakelijk is om die activiteiten te kunnen uitvoeren.
6. De aanbieder mag de verkeersgegevens verstrekken aan personen en
instanties die zijn belast met de berechting van enig geschil dan wel
de beslissing van een geschil als bedoeld in de artikelen 12.1, 12.2
voor zover van toepassing, of 12.9.
Artikel 11.5a
1. De verwerking van locatiegegevens, niet zijnde verkeersgegevens,
betreffende abonnees of gebruikers van openbare elektronische
communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten,
is slechts geoorloofd, indien:
a. deze gegevens zijn geanonimiseerd, of
b. de desbetreffende abonnee of gebruiker voor de verwerking
van deze gegevens toestemming heeft gegeven ten behoeve van de
levering van een dienst met toegevoegde waarde.
2. Voorafgaand aan het verkrijgen van toestemming als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b, verstrekt de aanbieder van de toegevoegde
waardedienst aan de abonnee of gebruiker de volgende informatie:
a. de soort locatiegegevens die zullen worden verwerkt;
b. de doeleinden waarvoor de locatiegegevens worden verwerkt;
c. de duur van de verwerking, en
d. of de gegevens aan een derde zullen worden verstrekt ten
behoeve van de levering van de dienst met toegevoegde waarde.
3. De verwerking van de gegevens ten behoeve van de levering van
een dienst met toegevoegde waarde als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, is slechts toegestaan voor zover en voor zolang dat
noodzakelijk is voor de levering van de desbetreffende dienst. In
afwijking van de eerste volzin mag de aanbieder van de dienst met
toegevoegde waarde die gegevens verwerken die noodzakelijk zijn voor
het opstellen van een factuur. Artikel 11.5, tweede lid, laatste
volzin, is van overeenkomstige toepassing.
4. Een abonnee of gebruiker kan de verleende toestemming voor de
verwerking van de hem betreffende gegevens op elk moment intrekken.
5. De aanbieder van een dienst met toegevoegde waarde biedt aan de
abonnee of gebruiker wiens gegevens worden verwerkt de mogelijkheid om
kosteloos en op eenvoudige wijze de verwerking van diens gegevens
tijdelijk te beletten voor elke overbrenging van communicatie of elke
verbinding met het openbare elektronische communicatienetwerk dat
gebruikt wordt voor de levering van de desbetreffende dienst.
6. De verwerking van de gegevens mag slechts plaatsvinden door
personen die werkzaam zijn onder het gezag van de aanbieder of de
derde, bedoeld in het tweede lid, onder d, en is beperkt tot die
gegevens die noodzakelijk zijn om de dienst met toegevoegde waarde te
kunnen aanbieden.
Artikel 11.5b
1. Certificatiedienstverleners die certificaten aan het publiek
afgeven, verwerken alleen persoonsgegevens die van de betrokkene zelf
of met diens uitdrukkelijke toestemming zijn verkregen, en voor zover
de verwerking van deze persoonsgegevens voor de afgifte en het beheer
van het certificaat is vereist.
2. De in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens worden niet voor
andere doeleinden verzameld of verwerkt, tenzij de betrokkene daarvoor
zijn uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven.
3. In afwijking van het tweede lid is de uitdrukkelijke toestemming
van de betrokkene niet vereist, indien de verwerking van de in het
eerste lid bedoelde persoonsgegevens noodzakelijk is ten behoeve van
de opsporing van fraude, of indien de verwerking overigens bij of
krachtens de wet wordt gevorderd.
Artikel 11.6
1. Eenieder die een algemeen beschikbare abonneelijst uitgeeft of
een algemeen beschikbare abonnee-informatiedienst verzorgt, stelt de
abonnee voorafgaand aan opneming van hem betreffende persoonsgegevens
in de abonneelijst of in het voor de abonnee-informatiedienst
gebruikte abonneebestand kosteloos op de hoogte van:
a. de doeleinden van de desbetreffende abonneelijst en de
desbetreffende abonnee-informatiedienst en, voor zover het een
elektronische versie van de abonneelijst betreft, van de
gebruiksmogelijkheden op basis van daarin opgenomen zoekfuncties,
en
b. de soorten persoonsgegevens die, gelet op de vastgestelde
doeleinden van de desbetreffende abonneelijst en desbetreffende
abonnee-informatiedienst, daarin kunnen worden opgenomen.
2. In een algemeen beschikbare abonneelijst en in het voor een
abonnee-informatiedienst gebruikte abonneebestand worden uitsluitend
persoonsgegevens van een abonnee opgenomen, indien de abonnee daarvoor
toestemming heeft verleend en blijft deze beperkt tot de door hem
daarbij aangegeven persoonsgegevens. Aan het niet opgenomen zijn in
een abonneelijst of het voor een abonnee-informatiedienst gebruikte
abonneebestand mogen geen kosten worden verbonden.
3. Voor zover de verwerking van persoonsgegevens in een algemeen
beschikbare abonneelijst en in het voor een abonnee-informatiedienst
gebruikte abonneebestand betrekking heeft op andere doeleinden dan het
bieden van de mogelijkheid tot het zoeken van nummers aan de hand van
gegevens betreffende de naam in combinatie met gegevens betreffende
het adres en huisnummer, postcode en woonplaats van de abonnee, is met
betrekking tot elk van die andere doeleinden afzonderlijke toestemming
van de abonnee vereist.
4. De abonnee heeft het recht om kosteloos hem betreffende
persoonsgegevens in een algemeen beschikbare abonneelijst of in het
voor een abonnee-informatiedienst gebruikte abonneebestand te
verifiëren, te laten verbeteren of te laten verwijderen.
Artikel 11.7
1. Het gebruik van automatische oproep- en communicatiesystemen
zonder menselijke tussenkomst, faxen en elektronische berichten voor
het overbrengen van ongevraagde communicatie voor commerciële,
ideële of charitatieve doeleinden aan abonnees of gebruikers is
uitsluitend toegestaan, mits de verzender kan aantonen dat de
desbetreffende abonnee of gebruiker daarvoor voorafgaand toestemming
heeft verleend, onverminderd hetgeen is bepaald in het tweede en derde
lid.
2. Indien de gebruiker, bedoeld in het eerste lid, een
rechtspersoon is dan wel een natuurlijke persoon die handelt in de
uitoefening van zijn beroep of bedrijf, geldt met betrekking tot het
door middel van elektronische berichten overbrengen van ongevraagde
communicatie voor commerciële, ideële of charitatieve doeleinden dat
geen voorafgaande toestemming is vereist:
a. indien de verzender bij het overbrengen van de communicatie
gebruik maakt van elektronische contactgegevens die door de
gebruiker daarvoor zijn bestemd en bekendgemaakt, en deze zijn
gebruikt in overeenstemming met de door de gebruiker aan die
contactgegevens verbonden doeleinden, of
b. indien de gebruiker is gevestigd buiten de Europese
Economische Ruimte en voldaan is aan de in het desbetreffende land
geldende voorschriften met betrekking tot het verzenden van
ongevraagde communicatie.
3. Een ieder die elektronische contactgegevens voor elektronische
berichten heeft verkregen in het kader van de verkoop van zijn product
of dienst mag deze gegevens gebruiken voor het overbrengen van
communicatie voor commerciële, ideële of charitatieve doeleinden met
betrekking tot eigen gelijksoortige producten of diensten, mits bij de
verkrijging van de contactgegevens aan de klant duidelijk en
uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden om kosteloos en op
gemakkelijke wijze verzet aan te tekenen tegen het gebruik van die
elektronische contactgegevens, en, indien de klant hiervan geen
gebruik heeft gemaakt, hem bij elke overgebrachte communicatie de
mogelijkheid wordt geboden om onder dezelfde voorwaarden verzet aan te
tekenen tegen het verder gebruik van zijn elektronische
contactgegevens. Artikel 41, tweede lid, van de Wet bescherming
persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing.
4. Op het gebruik van elektronische berichten voor de in het eerste
lid genoemde doeleinden zijn de vereisten van artikel 15e, eerste lid,
onderdelen a tot en met c, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van
overeenkomstige toepassing en bedoeld gebruik bevat geen
aanmoedigingen informatie op het internet te raadplegen die in strijd
is met dat artikel. Bij dat gebruik dienen te allen tijde de volgende
gegevens te worden vermeld:
a. de werkelijke identiteit van degene namens wie de
communicatie wordt overgebracht, en
b. een geldig postadres of nummer waaraan de ontvanger een
verzoek tot beëindiging van dergelijke communicatie kan richten.
5. Het gebruik van andere dan de in het eerste lid bedoelde
middelen voor het overbrengen van ongevraagde communicatie voor
commerciële, ideële of charitatieve doeleinden is toegestaan met
inachtneming van het bepaalde in het zesde tot en met twaalfde lid,
tenzij de abonnee op de in het zesde lid bedoelde wijze dan wel
anderszins te kennen heeft gegeven dat hij de ongevraagde communicatie
niet wenst te ontvangen.
6. Er is een register waarin de contactgegevens van de abonnee
worden opgenomen die daarmee te kennen geeft dat hij ongevraagde
communicatie als bedoeld in het vijfde lid niet wenst te ontvangen. De
inschrijving in het register is voor onbepaalde tijd totdat de abonnee
te kennen geeft dat zijn contactgegevens uit het register verwijderd
kunnen worden. Het register wordt gehouden door een door Onze Minister
aan te wijzen beheerder. De beheerder is verantwoordelijke als bedoeld
in artikel 1, onder d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
7. Het register heeft als doel de abonnee te vrijwaren van de
ongevraagde communicatie waarvan hij heeft aangegeven dat hij die niet
wenst te ontvangen. De contactgegevens van de abonnee die zijn
opgenomen in dit register worden niet voor enig ander doel gebruikt.
8. De beheerder blokkeert of verwijdert op verzoek van degene die
communicatie als bedoeld in het vijfde lid wil overbrengen
contactgegevens van abonnees die in het register zijn opgenomen uit
aan hem aangeboden bestanden met contactgegevens van abonnees, of
stelt op verzoek de contactgegevens van abonnees uit het register voor
dat doel beschikbaar aan degene die ongevraagde communicatie als
bedoeld in het vijfde lid wil overbrengen.
9. Het is verboden om communicatie als bedoeld in het vijfde lid
over te brengen aan een abonnee die door opname van zijn
contactgegevens in het register te kennen heeft gegeven deze
ongevraagde communicatie niet te willen ontvangen.
10. Degene die communicatie als bedoeld in het vijfde lid
overbrengt, gebruikt voor het overbrengen van ongevraagde communicatie
uitsluitend bestanden waaruit de contactgegevens die in het register
zijn opgenomen, zijn geblokkeerd of verwijderd.
11. Het negende en tiende lid zijn niet van toepassing op het
overbrengen van communicatie als bedoeld in het vijfde lid voor zover
de contactgegevens zijn verkregen in het kader van de verkoop van een
product of dienst of in het kader van schenking aan een ideële of
charitatieve organisatie en deze worden gebruikt voor het overbrengen
van communicatie als bedoeld in het vijfde lid met betrekking tot
eigen gelijksoortige producten of diensten of schenkingen aan de
ideële of charitatieve organisatie.
12. Tijdens elke overgebrachte communicatie wordt tijdens het
gesprek gewezen op het register en op de mogelijkheid voor de abonnee
verzet aan te tekenen tegen het verdere gebruik van zijn elektronische
contactgegevens en wordt de abonnee de mogelijkheid geboden tot
onmiddellijke opname in het register, bedoeld in het zesde lid. Aan de
abonnee worden in dat geval geen kosten in rekening gebracht van
voorzieningen waarmee wordt voorkomen dat hem ongevraagde communicatie
wordt overgebracht. Artikel 41, tweede lid, van de Wet bescherming
persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing.
13. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld ten aanzien van:
a. het blokkeren of verwijderen van contactgegevens van
abonnees uit bestanden die gebruikt worden om communicatie over te
brengen als bedoeld in het vijfde lid, het beschikbaar stellen van
contactgegevens van abonnees uit het register en de periode
gedurende welke de bestanden bewaard blijven en gebruikt kunnen
worden;
b. de taken, inrichting en verantwoording van de beheerder van
het register;
c. de toegang tot het register alsmede de inrichting en het
gebruik van het register;
d. de mogelijkheid van verzet als bedoeld in het twaalfde lid;
e. de mogelijkheid van onmiddellijke opname in het register als
bedoeld in het twaalfde lid.
Artikel 11.7a
1. Onverminderd de Wet bescherming persoonsgegevens dient een ieder
die door middel van elektronische communicatienetwerken toegang wenst
te verkrijgen tot gegevens die zijn opgeslagen in de randapparatuur
van een gebruiker dan wel gegevens wenst op te slaan in de
randapparatuur van de gebruiker:
a. de gebruiker duidelijke en volledige informatie te
verstrekken overeenkomstig de Wet bescherming persoonsgegevens, en
in ieder geval omtrent de doeleinden waarvoor men toegang wenst te
verkrijgen tot de desbetreffende gegevens dan wel waarvoor men
gegevens wenst op te slaan, en
b. van de gebruiker toestemming te hebben verkregen voor de
desbetreffende handeling.
Een handeling als bedoeld in de aanhef, die tot doel heeft gegevens
over het gebruik van verschillende diensten van de
informatiemaatschappij door de gebruiker of de abonnee te verzamelen,
combineren of analyseren voor commerciële, charitatieve of ideële
doeleinden, wordt vermoed een verwerking van persoonsgegevens te zijn,
als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet bescherming
persoonsgegevens.
2. De in het eerste lid, onder a en b, genoemde vereisten zijn ook
van toepassing in het geval op een andere wijze dan door middel van
een elektronisch communicatienetwerk wordt bewerkstelligd dat via een
elektronisch communicatienetwerk gegevens worden opgeslagen of toegang
wordt verleend tot op het randapparaat opgeslagen gegevens.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing,
voor zover het de technische opslag of toegang tot gegevens betreft
met als uitsluitend doel:
a. de communicatie over een elektronisch communicatienetwerk
uit te voeren, of
b. de door de abonnee of gebruiker gevraagde dienst van de
informatiemaatschappij te leveren en de opslag of toegang tot
gegevens daarvoor strikt noodzakelijk is.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in overeenstemming met
Onze Minister van Veiligheid en Justitie nadere regels worden gegeven
met betrekking tot de in het eerste lid, onder a en b, genoemde
vereisten. Het College bescherming persoonsgegevens wordt om advies
gevraagd over een ontwerp van bedoelde algemene maatregel van bestuur.
Artikel 11.8
De toepassing van de artikelen 11.6 en 11.7, vijfde tot en met
twaalfde lid, is beperkt tot abonnees die natuurlijke personen zijn.
Artikel 11.8a
1. Indien het college met bevoegde nationale instanties in andere
lidstaten maatregelen overeen komt aangaande grensoverschrijdende
samenwerking bij de handhaving van hoofdstuk 11 waarbij
grensoverschrijdende gegevensstromen betrokken zijn, verstrekt het
college de Europese Commissie ruime tijd voordat die maatregelen
worden vastgelegd een samenvatting van de redenen voor optreden, de
geplande afspraken en de voorgestelde aanpak.
2. Bij het vastleggen van de maatregelen houdt het college zoveel
mogelijk rekening met de door de Europese Commissie gemaakte
opmerkingen en aanbevelingen.
§ 11.2. Nummeridentificatie
Artikel 11.9
1. De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
en de aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst die
door middel van dat netwerk of als onderdeel van die dienst
nummeridentificatie aanbiedt, biedt:
a. aan iedere oproepende gebruiker onderscheidenlijk abonnee
mogelijkheden aan om kosteloos de verstrekking van het nummer van
het oproepende netwerkaansluitpunt dan wel een nummer waarmee een
individuele gebruiker kan worden geïdentificeerd te blokkeren
onderscheidenlijk de verstrekking van nummers van oproepende
netwerkaansluitpunten dan wel nummers waarmee individuele
gebruikers kunnen worden geïdentificeerd voor elke afzonderlijke
abonneelijn te blokkeren;
b. aan iedere opgeroepen abonnee mogelijkheden aan om:
1°. de verstrekking van het nummer van het oproepende
netwerkaansluitpunt dan wel een nummer waarmee een individuele
gebruiker kan worden geïdentificeerd te verhinderen;
2°. oproepen waarbij de verstrekking van het nummer van
het oproepende netwerkaansluitpunt dan wel een nummer waarmee
een individuele gebruiker kan worden geïdentificeerd is
geblokkeerd, te weigeren;
3°. indien nummeridentificatie als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel cc, onder 2°, wordt aangeboden, kosteloos de
verstrekking van het nummer van het opgeroepen
netwerkaansluitpunt dan wel een nummer waarmee een individuele
gebruiker kan worden geïdentificeerd aan het oproepende
netwerkaansluitpunt te blokkeren.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot:
a. mogelijkheden tot blokkering en weigering;
b. de voorwaarden waaronder de abonnee de identificatie van het
nummer van oproepende netwerkaansluitpunten dan wel een nummer
waarmee een individuele gebruiker kan worden geïdentificeerd kan
doen verhinderen;
c. de wijze waarop uitvoering aan nummeridentificatie in het
internationale elektronische communicatieverkeer kan worden
gegeven, en
d. de wijze waarop de aanbieders, gebruikers en abonnees
voorlichten over het gebruik van nummeridentificatie.
Artikel 11.10
1. De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
en de aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst die
nummeridentificatie aanbiedt, is verplicht aan de door Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met
Onze Minister, aangewezen beheerders van een alarmnummer voor publieke
diensten, indien er elektronische communicatie met een alarmnummer
wordt afgewikkeld, gelijktijdig:
a. het nummer van het oproepende netwerkaansluitpunt te
verstrekken, ook indien bij dat netwerkaansluitpunt gebruik wordt
gemaakt van een in artikel 11.9, tweede lid, onder a, bedoelde
blokkeringsmogelijkheid;
b. de naam, en de beschikbare adres-, postcode- en
woonplaatsgegevens van de abonnee, dan wel de locatie van de
openbare betaaltelefoon, die onder het desbetreffende nummer is
aangesloten, te verstrekken.
2. De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
en de aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst, die
locatiegegevens kan verwerken omtrent abonnees of gebruikers, is
verplicht aan de aangewezen beheerders van een alarmnummer voor
publieke diensten, bedoeld in het eerste lid, indien er communicatie
over een dergelijk alarmnummer wordt afgewikkeld, gelijktijdig de
daarop betrekking hebbende locatiegegevens te verstrekken, ook indien
de abonnee of gebruiker, voor zover het betreft de locatiegegevens als
bedoeld in artikel 11.5a, op de voet van het vijfde lid van dat
artikel, gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om tijdelijk de
verwerking van de hem betreffende locatiegegevens te beletten.
3. De verstrekte nummers, alsmede de in het eerste lid, onder b, en
de in het tweede lid, bedoelde gegevens worden door de beheerders,
bedoeld in het eerste lid, vastgelegd met het oog op de hulpverlening
in noodsituaties of de bestrijding van het misbruik van een
alarmnummer voor publieke diensten. De beheerders zijn
verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel d, van de Wet
bescherming persoonsgegevens voor deze vastlegging.
4. Verstrekking van nummers en gegevens door de beheerder vindt
slechts plaats met het oog op de hulpverlening in noodsituaties of de
bestrijding van het misbruik van een alarmnummer voor publieke
diensten. De beheerder is verantwoordelijke in de zin van artikel 1,
onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens voor deze
verstrekkingen.
5. Verstrekking van nummers en gegevens met het oog op de
hulpverlening in noodsituaties vindt slechts plaats aan de door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in
overeenstemming met Onze Minister, aangewezen publieke diensten belast
met hulpverleningstaken.
6. Verstrekking van nummers en gegevens met het oog op de
bestrijding van het misbruik van een alarmnummer voor publieke
diensten vindt slechts plaats aan degene die op grond van artikel 141
of 142 van het Wetboek van Strafvordering is belast met de opsporing
van strafbare feiten.
7. De termijn gedurende welke de nummers en gegevens door de
beheerder worden bewaard bedraagt ten hoogste:
a. twee maanden indien de nummers en gegevens betrekking hebben
op gevallen waarin kennelijk sprake is van een verzoek om
hulpverlening in een noodsituatie;
b. zes maanden indien de nummers en gegevens betrekking hebben
op gevallen waarin kennelijk sprake is van misbruik van een
alarmnummer voor publieke diensten;
c. 24 uur in alle overige gevallen.
8. De op grond van het eerste lid aangewezen beheerder vergoedt de
kosten die zijn gemoeid met het verstrekken van de in het eerste lid,
onder a en b, en de in het tweede lid bedoelde gegevens.
9. De bekendmaking van het besluit tot aanwijzing van de
beheerders, bedoeld in het eerste lid, en de publieke diensten,
bedoeld in het vierde lid, geschiedt door plaatsing in de
Staatscourant door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
10. De beheerders, bedoeld in het eerste lid, zijn bevoegd om ten
behoeve van de controle op de effectiviteit van de hulpverlening in
noodsituaties de bij het alarmnummer voor publieke diensten ingekomen
oproepen vast te leggen en voor ten hoogste twee maanden te bewaren.
Bij de vastlegging worden de datum en het tijdstip van de oproep
geregistreerd.
11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de
te verstrekken gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 11.11
1. Een abonnee die last heeft van hinderlijke of kwaadwillige
oproepen, waarbij de verstrekking van het nummer van het oproepende
netwerkaansluitpunt is geblokkeerd, kan aan de aanbieder van een
openbaar elektronisch communicatienetwerk of van een openbare
elektronische communicatiedienst verzoeken om het nummer van de
oproepende abonnee en de beschikbare daarop betrekking hebbende naam-,adres-,
postcode- en woonplaatsgegevens, te verstrekken.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de
volgende vereisten:
a. het verzoek is schriftelijk en bevat de naam-, adres-,
postcode- en woonplaatsgegevens van de verzoeker alsmede het
nummer waarop de oproepen betrekking hebben, en
b. het verzoek bevat een indicatie van de data en tijdstippen
waarop de desbetreffende oproepen hebben plaatsgevonden.
3. De verzoeker informeert de aanbieder onverwijld omtrent
hinderlijke of kwaadwillige oproepen, die plaats hebben gevonden na
indiening van het verzoek, bedoeld in het eerste lid.
4. De aanbieder stelt naar aanleiding van het verzoek een onderzoek
in, teneinde vast te stellen of tot verstrekking van de gegevens,
bedoeld in het eerste lid, dient te worden overgegaan.
5. Indien bij het onderzoek blijkt dat het oproepende nummer
toebehoort aan een abonnee van een andere aanbieder, verleent de
desbetreffende aanbieder op een daartoe strekkend verzoek van de met
het onderzoek belaste aanbieder medewerking aan het onderzoek en
verstrekt, indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, de
beschikbare op het oproepende nummer betrekking hebbende naam-,adres-,
postcode- en woonplaatsgegevens aan de aanbieder die met het onderzoek
belast is.
6. Van de gegevensverstrekking aan een verzoeker wordt door de
aanbieder mededeling gedaan aan de abonnee, wiens gegevens het
betreft.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot:
a. het onderzoek, bedoeld in het vierde lid;
b. de gegevensverstrekking, bedoeld in het vierde lid;
c. de medewerkingsverplichting, bedoeld in het vijfde lid;
d. de kennisgeving van de verstrekking van de gegevens, bedoeld
in het zesde lid.
§ 11.3. Ontheffing
Artikel 11.12
1. Aan een aanbieder van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk en een aanbieder van een openbare elektronische
communicatiedienst kan door het college ontheffing worden verleend van
de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 11.4, eerste lid,
onderdeel b, en 11.9 tot en met 11.11.
2. Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend
worden verleend, indien:
a. deze betrekking heeft op abonneelijnen verbonden met analoge
centrales, en
b. nakoming van de desbetreffende verplichtingen technisch niet
haalbaar is of onevenredig veel financiële lasten voor de
aanbieder met zich meebrengt.
3. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
§ 11.4. Uitzonderingen
Artikel 11.13
1. Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en
openbare elektronische communicatiediensten kunnen de artikelen 11.5,
11.5a en 11.9, eerste lid, buiten toepassing laten, indien dit
noodzakelijk is in het belang van:
a. de nationale veiligheid;
b. de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten.
2. De verkeers- en locatiegegevens die de aanbieders van openbare
elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten bewaren op grond van artikel 13.2a, tweede lid,
worden door de aanbieders niet voor andere doelen verwerkt, tenzij het
gegevens betreft waarvan de verwerking op grond van de artikelen
11.5en 11.5a is toegestaan en de verwerking plaatsvindt met
inachtneming van die artikelen.
3. Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en
openbare elektronische communicatiediensten mogen, in afwijking van
artikel 11.5, eerste lid, verkeersgegevens verwerken, indien en voor
zolang dat noodzakelijk is voor een onderzoek als bedoeld in artikel
11.11, vierde en vijfde lid. De verkeersgegevens mogen voor een
periode van ten hoogste drie maanden na beëindiging van een onderzoek
als bedoeld in artikel 11.11, vierde lid, door de desbetreffende
aanbieders worden bewaard. Na afloop van deze periode worden de
verkeersgegevens verwijderd.
Hoofdstuk 11a. Continuïteit
Artikel 11a.1
1. Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en
openbare elektronische communicatiediensten nemen passende technische
en organisatorische maatregelen om de risico’s voor de veiligheid en
de integriteit van hun netwerken en diensten te beheersen.
2. Onverminderd het eerste lid nemen aanbieders van openbare
telefoondiensten en aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken waarover openbare telefoondiensten worden
aangeboden alle noodzakelijke maatregelen om de beschikbaarheid van de
openbare telefoondiensten over de openbare elektronische
communicatienetwerken zo volledig mogelijk te waarborgen in geval van
een technische storing of uitval van het elektriciteitsnetwerk.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter
uitvoering van de technische uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in
artikel 13bis, vierde lid, Kaderrichtlijn.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gegeven met betrekking tot de in dit artikel bedoelde
technische en organisatorische maatregelen en kunnen technische en
organisatorische eisen worden gesteld aan aanbieders van openbare
elektronische communicatienetwerken en openbare elektronische
communicatiediensten.
5. Onze Minister kan een aanbieder van openbare elektronische
communicatienetwerken en openbare elektronische communicatiediensten
de verplichting opleggen om binnen een bepaalde termijn een technische
of organisatorische maatregel te treffen met betrekking tot de
veiligheid en integriteit van openbare elektronische
communicatienetwerken en openbare elektronische communicatiediensten.
6. Onze Minister kan een aanbieder van openbare elektronische
communicatienetwerken en openbare elektronische communicatiediensten
de verplichting opleggen om binnen een bepaalde termijn een
veiligheidscontrole te laten uitvoeren door een onafhankelijke
deskundige. De aanbieder van openbare elektronische
communicatienetwerken en openbare elektronische communicatiediensten
draagt de kosten van deze controle.
Artikel 11a.2
1. Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en
openbare elektronische communicatiediensten stellen Onze Minister
onverwijld in kennis van:
a. een inbreuk op de veiligheid,
b. een verlies van integriteit,
waardoor de continuïteit van openbare elektronische
communicatienetwerken en openbare elektronische communicatiediensten
in belangrijke mate werd onderbroken.
2. Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en
openbare elektronische communicatiediensten verstrekken onze Minister
op zijn verzoek alle informatie die nodig is om de veiligheid en
integriteit van hun netwerken en diensten te beoordelen.
3. Indien openbaarmaking in het algemeen belang is, kan Onze
Minister een inbreuk op de veiligheid en een verlies van integriteit,
bedoeld in het eerste lid, openbaar maken of de aanbieder verplichten
tot openbaarmaking.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gegeven met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
kennisgeving, het verstrekken van de in het tweede lid bedoelde
informatie, en de in het derde lid bedoelde openbaarmaking, en kunnen
inbreuken of verliezen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en
b, worden aangewezen waarvan Onze Minister in ieder geval in kennis
gesteld moet worden.
Hoofdstuk 12. Geschillen
§ 12.1. Geschilbeslechting door geschillencommissie
Artikel 12.1
1. Aanbieders van een openbare telefoondienst, andere bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen openbare elektronische
communicatiediensten of bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen programmadiensten sluiten zich aan bij een door Onze Minister
van Veiligheid en Justitie erkende geschillencommissie welke
geschillen behandelt over een overeenkomst met betrekking tot de
levering van een openbare elektronische communicatiedienst of een
programmadienst tussen een hiervoor bedoelde aanbieder en een
natuurlijk persoon die voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden
handelt.
2. Gebruikers van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
categorieën van nummers sluiten zich gedurende een bij die algemene
maatregel van bestuur te bepalen periode aan bij een door Onze
Minister van Veiligheid en Justitie erkende geschillencommissie welke
geschillen behandelt over de levering van een dienst door een hiervoor
bedoelde nummergebruiker aan een consument voor zover het geschil
verplichtingen betreft die bij of krachtens deze wet zijn opgelegd.
§ 12.2. Geschilbeslechting door het college
§ 12.2.1. Geschillen tussen marktpartijen
Artikel 12.2
1. Indien er tussen houders van een vergunning, tussen aanbieders,
tussen aanbieders en ondernemingen, onderscheidenlijk tussen
ondernemingen een geschil is ontstaan inzake de nakoming van een op
een houder van een vergunning, een aanbieder of een onderneming die
openbare elektronische communicatienetwerken, bijbehorende
faciliteiten, openbare elektronische communicatiediensten of
programmadiensten aanbiedt op grond van een bij of krachtens deze wet
of bij de roamingverordening rustende verplichting, kan het college op
aanvraag van een bij dat geschil betrokken partij het geschil
beslechten, tenzij de beslechting van dat geschil op grond van deze
wet aan een andere instantie is opgedragen.
2. Onder een geschil als bedoeld in het eerste lid, wordt mede
verstaan een geschil inzake de vraag of, indien de in dat lid bedoelde
houders van een vergunning, aanbieders, aanbieders en ondernemingen,
onderscheidenlijk ondernemingen een overeenkomst hebben gesloten op
basis van een bij of krachtens deze wet op een of meer van hen
rustende verplichting, de ter zake daarvan tussen hen bestaande
verbintenissen, of de wijze waarop die verbintenissen worden nagekomen
strijdig zijn, onderscheidenlijk strijdig is met het bij of krachtens
deze wet bepaalde.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
indien een geschil is gerezen tussen degenen, bedoeld in artikel 3.11,
vierde lid, dan wel tussen een aanbieder en een derde als bedoeld in
artikel 5.12, tweede lid.
4. Met uitzondering van geschillen op grond van artikel 5.12 is het
eerste lid niet van toepassing op geschillen voortvloeiend uit
hoofdstuk 5 van deze wet.
4. Met uitzondering van geschillen op grond van artikel 5.12 is het
eerste lid niet van toepassing op geschillen voortvloeiend uit
hoofdstuk 5 van deze wet.
5. Indien nummerhouders als bedoeld in artikel 4.2b geen
overeenstemming kunnen bereiken over de voorwaarden waaronder de aan
hen in gebruik gegeven nummers gezamenlijk in gebruik zullen worden
genomen, kan het college op aanvraag van een of meer van hen,
voorschriften geven inzake het tot stand brengen van een overeenkomst
als bedoeld in artikel 4.2b.
6. Op aanvraag van de gezamenlijke nummerhouders kan het college
een besluit als bedoeld in het vierde lid intrekken.
Artikel 12.3
Het college is onbevoegd tot het beslechten van een op grond van
artikel 12.2 voorgelegd geschil, indien de bij dat geschil betrokken
partijen het college verzoeken het geschil niet langer te behandelen.
Artikel 12.4
1. Op vordering van het college verstrekken de bij een geschil
betrokken partijen binnen twee weken dan wel binnen een andere door
het college te bepalen redelijke termijn, aan het college alle
gegevens die relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.
2. De bij het geschil betrokken partijen zijn verplicht onverwijld,
maar in elk geval binnen de door het college gestelde redelijke
termijn, alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan
vorderen ten behoeve van de beoordeling van het geschil.
Artikel 12.5
1. Het college beslist op een aanvraag als bedoeld in artikel 12.2
binnen zeventien weken na ontvangst van die aanvraag.
2. Onverminderd het eerste lid, kan het college in spoedeisende
gevallen een voorlopig besluit nemen dat tussen de betrokken
aanbieders geldt tot het definitieve besluit van het college.
3. In uitzonderlijke gevallen kan het college de termijn, bedoeld
in het eerste lid, verlengen. Het college stelt de desbetreffende
aanbieders daarvan in kennis en geeft de termijn aan waarbinnen het
college het geschil zal beslechten, met dien verstande dat die termijn
niet langer is dan acht weken na afloop van de termijn, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 12.6
Een bij een geschil betrokken partij volgt de door het college op
grond van artikel 12.2 genomen besluit op. Het college kan daarbij
termijnen stellen.
Artikel 12.7
Van een besluit als bedoeld in artikel 12.2 wordt mededeling gedaan
in de Staatscourant. Van gegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur wordt geen mededeling
gedaan.
Artikel 12.8
1. Het college overlegt met de desbetreffende nationale
regelgevende instantie aan wie de bevoegdheid tot het beslechten van
geschillen is opgedragen, over de beslechting van een geschil dat
landsgrensoverschrijdende aspecten heeft en dat overeenkomstig deze
paragraaf aan het college is voorgelegd, dan wel aan de desbetreffende
nationale regelgevende instantie is voorgelegd en door die instantie
aan het college is voorgelegd.
2. In afwijking van artikel 12.5, eerste lid, beslist het college
op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, binnen 24 weken na
ontvangst van die aanvraag.
3. Indien het college of de desbetreffende nationale regelgevende
instantie, bedoeld in het eerste lid, advies van BEREC heeft gevraagd
over de beslechting van een geschil als bedoeld in het eerste lid,
neemt het college het besluit niet dan nadat BEREC het advies heeft
gegeven. In afwachting van het advies van BEREC schorst het college de
termijn van 24 weken, bedoeld in het tweede lid, op.
§ 12.2.2. Geschillen tussen consumenten en aanbieders of
ondernemingen
Artikel 12.9
1. Indien tussen een consument en een aanbieder of een onderneming
die openbare elektronische communicatienetwerken of openbare
elektronische communicatiediensten aanbiedt een geschil is gerezen
inzake de schending door die aanbieder of onderneming van bij of
krachtens deze wet gestelde regels ter uitvoering vanrichtlijn nr.
2002/22/EG, niet zijnde een geschil als bedoeld in artikel 12.1, of
inzake de schending door die aanbieder of onderneming van de
roamingverordening kan het college op aanvraag van de desbetreffende
consument, het geschil beslechten.
2. Indien een consument door het college in het gelijk wordt
gesteld en hij voor het beslechten van een geschil bij of krachtens
artikel 16.1 een vergoeding aan het college verschuldigd is, kan het
college bepalen dat die vergoeding door een aanbieder of onderneming
als bedoeld in het eerste lid wordt vergoed.
3. Een bij een geschil betrokken aanbieder of onderneming volgt de
door het college op grond van het eerste lid gegeven voorschriften op.
Het college kan daarbij termijnen stellen.
4. De artikelen 12.3 tot en met 12.5, 12.7 en 12.8 zijn van
overeenkomstige toepassing.
§ 12.3. Geschilbeslechting door minister
Artikel 12.10
1. Indien houders van een vergunning als bedoeld in artikel 3.9,
eerste lid, geen overeenstemming kunnen bereiken over de voorwaarden
waaronder de aan hen toegewezen frequentieruimte gezamenlijk in
gebruik zal worden genomen, kan Onze Minister op aanvraag van een of
meer van hen, voorschriften geven inzake het tot stand brengen van een
overeenkomst als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid.
2. Op aanvraag van de gezamenlijke vergunninghouders kan Onze
Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid intrekken.
3. De artikelen 12.4, 12.5, eerste lid, 12.6 en 12.7 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 13. Bevoegd aftappen en toepassing van andere bevoegdheden
op grond van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 in verband met
telecommunicatie
Artikel 13.1
1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten stellen hun telecommunicatienetwerken en
telecommunicatiediensten uitsluitend beschikbaar aan gebruikers indien
deze aftapbaar zijn.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de technische aftapbaarheid van
openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten.
Artikel 13.2
1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken zijn verplicht
medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bevel op grond van
het Wetboek van Strafvordering dan wel een toestemming op grond van de
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het aftappen
of opnemen van telecommunicatie die over hun telecommunicatienetwerken
wordt afgewikkeld.
2. Aanbieders van openbare telecommunicatiediensten zijn verplicht
medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bevel op grond van
het Wetboek van Strafvordering dan wel een toestemming op grond van de
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het aftappen
of opnemen van door hen verzorgde telecommunicatie.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de te nemen organisatorische en
personele maatregelen en te treffen voorzieningen met betrekking tot
aftappen.
Artikel 13.2a
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. gegevens: de verkeers- en locatiegegevens, bedoeld in
artikel 11.1, onderdeel b respectievelijk onderdeel d, alsmede de
daarmee verband houdende gegevens die nodig zijn om de abonnee of
gebruiker te identificeren;
b. oproeppoging zonder resultaat: een communicatie waarbij een
telefoonoproep wel tot een verbinding heeft geleid, maar
onbeantwoord is gebleven of via het netwerkbeheer is beantwoord.
2. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of openbare
telecommunicatiediensten bewaren de in de bij deze wet
behorendebijlage aangewezen gegevens, voorzover deze in het kader van
de aangeboden netwerken of diensten worden gegenereerd of verwerkt,
ten behoeve van het onderzoeken, opsporen en vervolgen van ernstige
misdrijven.
3. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden door de
aanbieders bewaard gedurende een periode van:
a. twaalf maanden voor gegevens in verband met telefonie over
een vast of mobiel netwerk, bedoeld in de bij deze wet behorende
bijlage, onder A, of
b. zes maanden voor gegevens in verband met internettoegang,
e-mail over het internet en internettelefonie, bedoeld in de bij
deze wet behorende bijlage, onder B, gerekend vanaf de datum van
de communicatie.
4. De verplichting, bedoeld in het tweede lid, heeft betrekking op
gegevens van oproeppogingen zonder resultaat, voorzover deze gegevens
door de aanbieders bij het aanbieden van openbare
telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten worden
gegenereerd, verwerkt en opgeslagen of gelogd.
Artikel 13.2b
Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten voldoen aan een vordering op grond van de
artikelen 126hh, 126ii, 126nc tot en met 126ni en 126uc tot en met 126ui
van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 13.3
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het beslechten van geschillen tussen aanbieders en de
bevoegde autoriteiten over de voorzieningen door middel van welke de
door een tap te verkrijgen telecommunicatie door aanbieders wordt
doorgegeven.
Artikel 13.4
1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten voldoen onverwijld aan een vordering op grond
van artikel 126n of artikel 126na, dan wel artikel 126u of artikel
126ua, van het Wetboek van Strafvordering dan wel een verzoek op grond
van artikel 28 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
2002 tot het verstrekken van gegevens over een gebruiker van een
openbaar telecommunicatienetwerk dan wel een openbare
telecommunicatiedienst en het telecommunicatieverkeer met betrekking
tot die gebruiker.
2. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten voldoen aan een vordering op grond van
artikel 126na, eerste lid, 126ua, eerste lid, of 126zi van het Wetboek
van Strafvordering dan wel een verzoek op grond van artikel 29 van de
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het
verstrekken van gegevens terzake van naam, adres, postcode,
woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een openbaar
telecommunicatienetwerk dan wel een openbare telecommunicatiedienst.
3. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten voldoen aan een vordering op grond van
artikel 126na, tweede lid, 126ua, tweede lid, of 126zi van het Wetboek
van Strafvordering dan wel een verzoek op grond van artikel 29 van de
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het op bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze achterhalen en
verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.Teneinde aan
deze verplichtingen te kunnen voldoen bewaren de aanbieders de bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens voor een periode
van twaalf maanden, vanaf het tijdstip waarop deze gegevens voor de
eerste maal zijn verwerkt.
4. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze
Minister van Veiligheid en Justitie, Onze Minister, Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van
Defensie kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze
waarop de aanbieders aan een vordering of een verzoek, bedoeld in het
eerste, tweede en derde lid, voldoen, de registratie van statistische
gegevens en de termijnen waarbinnen die gegevens beschikbaar worden
gesteld en de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het tweede en derde
lid, beschikbaar worden gehouden. De voordracht voor een krachtens de
eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt
niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers
der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 13.5
1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten zijn verplicht gegevens met betrekking tot
een bijzondere last dan wel toestemming op grond van de Wet op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 als bedoeld in artikel
13.2dan wel een vordering of een verzoek als bedoeld in artikel 13.2b
ofartikel 13.4, eerste, tweede of derde lid, te beveiligen tegen
kennisneming door onbevoegden alsmede geheimhouding te betrachten met
betrekking tot deze gegevens.
2. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten nemen met betrekking tot de gegevens die
ingevolge artikel 13.2a, tweede lid, worden bewaard passende
technische en organisatorische maatregelen teneinde:
a. de gegevens te beveiligen tegen vernietiging, tegen verlies
of wijziging en niet toegelaten opslag, verwerking, toegang of
openbaarmaking;
b. te waarborgen dat toegang tot de gegevens, bedoeld in
onderdeel a, slechts geschiedt door speciaal daartoe bevoegde
personen;
c. de gegevens te kunnen vernietigen na afloop van de periode,
bedoeld inartikel 13.2a, derde lid.
3. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten dragen er zorg voor dat de gegevens, die
ingevolge artikel 13.2a, tweede lid, worden bewaard:
a. dezelfde kwaliteit hebben en worden onderworpen aan dezelfde
beveiligings- en beschermingsmaatregelen als de gegevens in het
netwerk;
b. onverwijld worden vernietigd na afloop van de periode,
bedoeld in artikel 13.2a, derde lid.
4. Op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, Onze
Minister, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en Onze Minister van Defensie kunnen bij algemene maatregel van
bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de te nemen
maatregelen in verband met de beveiliging en de waarborging bedoeld in
het eerste, tweede en derde lid. De voordracht voor een krachtens de
eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt
niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers
der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 13.6
1. De investerings-, exploitatie- en onderhoudskosten voor de
technische voorzieningen die door aanbieders van openbare
telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten zijn of
worden gemaakt teneinde te kunnen voldoen aan de artikelen 13.1,
13.2a, 13.4 en 13.5 komen te hunnen laste.
2. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten hebben aanspraak op vergoeding uit 's Rijks
kas van de door hen gemaakte administratiekosten en personeelskosten
rechtstreeks voortvloeiend uit het voldoen aan een bijzondere last dan
wel een toestemming op grond van de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002 als bedoeld in artikel 13.2, eerste en tweede
lid, of artikel 13.2a dan wel een vordering of een verzoek als bedoeld
in artikel 13.2a, artikel 13.2b of artikel 13.4, eerste, tweede of
derde lid.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de vaststelling en vergoeding van de kosten, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 13.7 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Onze Minister kan in het belang van de veiligheid van de staat
of de handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde bij beschikking
bepalen dat een of meer artikelen van dit hoofdstuk, met uitzondering
van artikel 13.6, van overeenkomstige toepassing zijn op aanbieders
van een niet-openbaar telecommunicatienetwerk, een niet-openbare
telecommunicatiedienst of aanbieders van huurlijnen indien het
netwerk, de dienst of een huurlijn feitelijk openstaat voor derden.
2. In het geval toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het
eerste lid geldt dat de betreffende aanbieders aanspraak hebben op een
vergoeding uit 's Rijks kas voor de in artikel 13.6, eerste lid,
bedoelde investerings-, exploitatie- en onderhoudskosten voor
technische voorzieningen die zijn of worden gemaakt tengevolge van de
toepassing van het eerste lid. Artikel 13.6, tweede en derde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13.8
Van de verplichtingen die voortvloeien uit dit hoofdstuk kan Onze
Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van
Veiligheid en Justitie in bijzondere gevallen ontheffing verlenen. Een
ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing
kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 13.9
Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt in overeenstemming met
Onze Minister binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet en
vervolgens telkens na drie jaar aan de Staten-Generaal een verslag over
de doeltreffendheid en de effecten van de wijziging van de artikelen
13.2a, 13.4 en 13.5 in de praktijk, voor zover die wijzigingen
betrekking hebben op de implementatie van Richtlijn nr 2006/24/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie.
Artikel 13.10
Na de ondertekening van deze wet wordt de Bijlage behorende bij
artikel 13.2a van de Telecommunicatiewetopgenomen.
Hoofdstuk 14. Buitengewone omstandigheden
Artikel 14.1
1. In bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving van de
internationale rechtsorde of met de internationale betrekkingen is
Onze Minister bevoegd in overeenstemming met Onze Minister van
Buitenlandse Zaken aan aanbieders van openbare
telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten
aanwijzingen te geven met betrekking tot de verzorging van
telecommunicatie van en naar het buitenland.
2. Onze Minister is bevoegd in overeenstemming met Onze Minister
van Veiligheid en Justitie aan aanbieders van openbare
telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten
aanwijzingen te geven betreffende:
a. het gebruik van mededelingen van overheidsinstanties om het
publiek te waarschuwen voor dreigende rampen of noodsituaties en
om de gevolgen van rampen of noodsituaties te verzachten;
b. het waarborgen van de communicatie tussen en met
hulpdiensten en overheidsinstanties tijdens rampen of
noodsituaties.
Artikel 14.2
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van
de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, voor het gehele land of een
deel daarvan artikel 14.4, eerste tot en met derde lid, in werking
worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal gezonden omtrent het voortduren van de werking van de
bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen,
dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, worden de bepalingen die ingevolge het eerste lid
in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de
omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 14.3
Ingeval voor Nederland of een gedeelte daarvan, op grond van de
artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden, bepalingen uit de Oorlogswet voor Nederland in
werking zijn gesteld, oefent Onze Minister de in artikel 14.4, eerste
lid, bedoelde bevoegdheden uit in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie.
Artikel 14.4
1. [Red: Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking
treden.]
Onze Minister is bevoegd aan aanbieders van openbare
telecommunicatienetwerken, openbare telecommunicatiediensten en aan
gebruikers van de frequentieruimte aanwijzingen te geven met
betrekking tot:
a. de instandhouding en exploitatie van hun openbare
telecommunicatienetwerken;
b. het verzorgen en het gebruiken van hun openbare
telecommunicatiediensten;
c. de instandhouding en exploitatie dan wel beperking of
beëindiging van het gebruik van hun radiozendapparaten.
2. Onze Minister kan bij toepassing van het eerste lid afwijken van
de verplichtingen die ingevolge deze wet op aanbieders van openbare
telecommunicatienetwerken, openbare telecommunicatiediensten en op
gebruikers van de frequentieruimte rusten.
3. De aanwijzingen die ingevolge het eerste lid aan aanbieders van
openbare telecommunicatienetwerken, openbare telecommunicatiediensten
en aan gebruikers van de frequentieruimte zijn gegeven, zijn voor deze
verbindend.
4. Indien aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken,
openbare telecommunicatiediensten en gebruikers van de
frequentieruimte als gevolg van aanwijzingen gegeven op grond van het
eerste lid onevenredig financieel nadeel ondervinden, kent Onze
Minister hen een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe.
Artikel 14.5
1. Bij toepassing van artikel 14 van de Wet buitengewone
bevoegdheden burgerlijk gezag zijn aanbieders van openbare
telecommunicatienetwerken, openbare telecommunicatiediensten en
gebruikers van de frequentieruimte verplicht de op grond van het
eerste lid van genoemd artikel aangewezen autoriteiten alle
medewerking te verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van door die
autoriteiten gegeven opdrachten.
2. Bij toepassing van artikel 31 van de Oorlogswet voor Nederland
zijn aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken, openbare
telecommunicatiediensten en gebruikers van de frequentieruimte
verplicht het militair gezag alle medewerking te verlenen, daaronder
begrepen het uitvoeren van door dat gezag gegeven opdrachten.
Artikel 14.6
1. Onze Minister kan na overleg met Onze Ministers van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie regels stellen ten
aanzien van de te nemen organisatorische en personele maatregelen en
de te treffen bijzondere voorzieningen met betrekking tot de
voorbereiding van het verzorgen van elektronisch transport van
gegevens in buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 14.2,
alsmede omtrent de aan Onze Minister daaromtrent te verstrekken
informatie.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, zijn uitsluitend van
toepassing op door Onze Minister na overleg met Onze Ministers van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie aan te
wijzen aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken, openbare
telecommunicatiediensten en gebruikers van de frequentieruimte.
3. Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald welke
kosten van de uitvoering redelijkerwijze ten laste van de aangewezen
aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken, openbare
telecommunicatiediensten en van gebruikers van de frequentieruimte
dienen te komen.
4. De in het eerste lid bedoelde bijzondere voorzieningen hebben
betrekking op:
a. de beschikbaarheid van openbare telecommunicatienetwerken
dan wel delen daarvan, openbare telecommunicatiediensten en
radiozendapparaten;
b. de beveiliging van bepaalde onderdelen van een openbaar
telecommunicatienetwerk of van radiozendapparaten;
c. de afwikkeling van het elektronisch transport van gegevens
over een openbaar telecommunicatienetwerk, en
d. aanvullende infrastructurele voorzieningen voor het
elektronisch transport van gegevens en de beveiliging daarvan.
Hoofdstuk 15. Handhaving
§ 15.1. Algemeen
Artikel 15.1
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaren, voor zover het betreft de bepalingen die
betrekking hebben op:
a. het gebruik van frequentieruimte;
b. de verstrekking van gegevens ten behoeve van het
antenneregister, genoemd in artikel 3.14;
c. prioritering van alarmnummers als bedoeld inartikel 7.7,
derde of vierde lid;
d. technische regelingen als bedoeld in artikel 8.4a;
e. openbare elektronische communicatienetwerken als bedoeld in
artikel 8.3;
f. [vervallen;]
g. ter zake van uitrusting gestelde voorschriften als geregeld
in hoofdstuk 10 en hoofdstuk 20;
h. het gebruik van verkeersgegevens en locatiegegevens als
geregeld in artikel 11.5, artikel 11.5a onderscheidenlijk artikel
11.13;
i. bevoegd aftappen en het bewaren van gegevens als geregeld
inhoofdstuk 13;
j. buitengewone omstandigheden als geregeld in hoofdstuk 14;
k. verdere onderwerpen als bedoeld in de artikelen 11a.1,
11a.2, 12.4, voor zover het bevoegdheden betreft van Onze
Minister, 18.1, voor zover het bevoegdheden betreft van Onze
Minister, 18.2, voor zover het bevoegdheden betreft van Onze
Minister, 18.4, tweede lid, 18.7, voor zover het bevoegdheden
betreft van Onze Minister, 18.9, 18.12, voor zover het
bevoegdheden betreft van Onze Minister, 18.16, 18.17, 18.17a,20.2,
voor zover het bevoegdheden betreft van Onze Minister, en20.14.
2. Met het toezicht op de naleving van artikel 6a.20, derde lid,
zijn belast de bij besluit van de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit aangewezen ambtenaren.
3. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens andere bepalingen van deze wet dan bedoeld in het eerste en
tweede lid en met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de
roamingverordening zijn belast de bij besluit van het college
aangewezen ambtenaren. De vorige volzin is niet van toepassing op het
bepaalde bij of krachtens deartikelen 5.1, 5.4, 5.5, 5.6, tweede,
derde lid, vierde en vijfde lid,5.7, 5.13 en 5.14 van deze wet en voor
zover Onze Minister de geadresseerde is.
4. Van een besluit als bedoeld in het eerste, tweede, en derde lid
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 15.2
1. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen, gesteld bij of
krachtens de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde bepalingen.
2. Het college is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen, gesteld bij of
krachtens de in artikel 15.1, derde lid, bedoelde bepalingen.
3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is bevoegd tot
oplegging van een last onder dwangsom ter zake van overtreding van
artikel 6a.20, derde lid. Artikel 58 van de Mededingingswet is van
overeenkomstige toepassing.
4. Voor de toepassing van het eerste lid, is van een spoedeisend
geval als bedoeld in artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht in elk geval sprake indien het niet naleven van de in
het eerste lid bedoelde bepalingen een ernstige en directe bedreiging
vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de
volksgezondheid.
5. Voor de toepassing van het tweede lid, is van een spoedeisend
geval als bedoeld in artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht in elk geval sprake indien het niet naleven van de in
het tweede lid bedoelde bepalingen ernstige economische of
bedrijfstechnische problemen tot gevolg zal hebben voor andere
aanbieders van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, een
openbare elektronische communicatiedienst of bijbehorende faciliteiten
of voor gebruikers van een openbaar elektronisch communicatienetwerk,
of een openbare elektronische communicatiedienst.
Artikel 15.2a
1. Onze Minister is bevoegd een aanbieder van openbare
elektronische communicatienetwerken of -diensten bij ernstig en
herhaaldelijk niet-nakomen van de verplichtingen gesteld bij of
krachtens de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde bepalingen, wanneer
de krachtens artikel 15.2 of 15.4 opgelegde maatregelen tot naleving
van de bedoelde verplichtingen hebben gefaald, voor een door Onze
Minister te bepalen redelijke termijn te verbieden nog langer
elektronische communicatienetwerken of -diensten aan te bieden.
2. Het college is bevoegd een aanbieder van openbare elektronische
communicatienetwerken of -diensten bij ernstig en herhaaldelijk
niet-nakomen van de verplichtingen gesteld bij of krachtens de in
artikel 15.1, derde lid, bedoelde bepalingen, wanneer de krachtens
artikel 15.2 of 15.4 opgelegde maatregelen tot naleving van de
bedoelde verplichtingen hebben gefaald, voor een door het college te
bepalen redelijke termijn te verbieden nog langer elektronische
communicatienetwerken of -diensten aan te bieden.
3. Een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, inhoudende
een verbod tot het aanbieden van elektronische communicatienetwerken
of -diensten voldoet in elk geval aan de volgende eisen:
a. het verbod is niet in strijd met een of meer doelstellingen
als bedoeld in artikel 1.3;
b. het verbod leidt niet tot het niet na kunnen komen door de
onderneming van een bij of krachtens de wet opgelegde
leveringsplicht;
c. het verbod heeft slechts betrekking op het netwerk of de
dienst ten aanzien waarvan de in het eerste of tweede lid bedoelde
verplichtingen niet zijn nagekomen;
d. het verbod heeft geen ernstige economische of
maatschappelijke problemen tot gevolg voor andere aanbieders van
een openbaar elektronisch communicatienetwerk, een openbare
elektronische communicatiedienst of bijbehorende faciliteiten, of
voor gebruikers van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
of een openbare elektronische communicatiedienst.
4. Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt
door Onze Minister, onderscheidenlijk het college, mededeling gedaan
in de Staatscourant. Het treedt niet eerder in werking dan twee weken
na die mededeling.
Artikel 15.3
Indien niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze wet gestelde
regels ten aanzien van de aanleg of het gebruik van radiozendapparaten,
is Onze Minister bevoegd om aan de houder van een desbetreffend
radiozendapparaat een geheel of gedeeltelijk zendverbod op te leggen.
§ 15.2. Bestuurlijke boete en last onder dwangsom
Artikel 15.4
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen van ten
hoogste€ 450 000 ter zake van overtreding van de bij of krachtens de
in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde regels, alsmede van artikel 5:20
van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Het college kan aan een onderneming een bestuurlijke boete
opleggen van ten hoogste € 450 000, of, indien dat meer is, 10% van
de relevante omzet van de onderneming in Nederland, ter zake van:
a. overtreding van de bij of krachtens hoofdstuk 6a gestelde
voorschriften, met uitzondering van artikel 6a.20, of van de bij
de roamingverordening gestelde voorschriften;
b. overtreding van een op grond van artikel 12.2 genomen
besluit, voor zover de overtreding geschiedt door een onderneming
die beschikt over een aanmerkelijke marktmacht en betrekking heeft
op een bij of krachtens hoofdstuk 6a gesteld voorschrift, met
uitzondering van artikel 6a.20.
3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan aan een
onderneming een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450
000, of, indien dat meer is, 10% van de relevante omzet van de
onderneming in Nederland, ter zake van overtreding van artikel 6a.20.
4. Het college kan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste€
450 000 ter zake van overtreding van de bij of krachtens de in artikel
15.1, derde lid, bedoelde regels, niet zijnde regels bedoeld in het
tweede lid, alsmede van artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht.
5. Indien op grond van artikel 5:1, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht toepassing is gegeven aan artikel 51, tweede lid, onder
2°, van het Wetboek van Strafrecht, bedraagt voor de daar bedoelde
overtreder de bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede en derde lid,
ten hoogste€ 450 000.
6. Als relevante omzet als bedoeld in het tweede en derde lid wordt
aangemerkt de omzet van de onderneming:
a. in het boekjaar voorafgaand aan de beschikking waarbij de
bestuurlijke boete wordt opgelegd;
b. berekend op de voet van artikel 377, zesde lid, van boek 2
van het Burgerlijk Wetboek voor de netto-omzet en
c. voor zover betrekking hebbend op de omzet die de
desbetreffende onderneming had bij het aanbieden van openbare
elektronische communicatienetwerken, openbare elektronische
communicatiediensten en bijbehorende faciliteiten.
Artikel 15.5
1. Met het onderzoek zijn belast de ambtenaren, bedoeld in artikel
15.1, eerste, tweede, onderscheidenlijk derde lid.
2. Ten dienste van het onderzoek beschikken zij over de
bevoegdheden die hun in deze paragraaf worden toegekend, alsmede, met
inachtneming van de daaraan in deze paragraaf gestelde beperkingen,
over de bevoegdheden die hun zijn toegekend ter uitoefening van het
toezicht, bedoeld in artikel 15.1, eerste lid, onderscheidenlijk derde
lid.
Artikel 15.6 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 15.7
1. De ambtenaren, bedoeld in artikel 15.1, eerste, tweede,
onderscheidenlijk derde lid, zijn bevoegd om bedrijfsruimten en
voorwerpen te verzegelen, voorzover dat voor de uitoefening van de in
artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde bevoegdheden
redelijkerwijs noodzakelijk is.
2. De ambtenaren, bedoeld in artikel 15.1, eerste, tweede,
onderscheidenlijk derde lid, oefenen de hun in artikel 5:17 van de
Algemene wet bestuursrecht toegekende bevoegdheid zo nodig uit met
behulp van de sterke arm.
Artikel 15.8 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 15.9 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 15.10 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 15.11 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 15.12
De werking van een beschikking waarmee een bestuurlijke boete is
opgelegd, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of,
indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
Artikel 15.13 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 15.14
Verzet schorst de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat strekt tot
invordering van de bestuurlijke boete.
Artikel 15.15
De te betalen geldsom van de opgelegde bestuurlijke boete, de
verbeurde dwangsommen en de wettelijke rente komen toe aan de Staat.
Artikel 15.16 [Vervallen per 01-07-2009]
§ 15.3. Uit de handel nemen van uitrusting
Artikel 15.17
In afwijking van de artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet
bestuursrecht worden voorafgaand aan de beslissing tot toepassing van
bestuursdwang waarbij uitrusting uit de handel wordt genomen die niet
voldoet aan de bij of krachtens artikel 10.3 onderdeel a, b, c en e
gestelde eisen, belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun
zienswijzen naar voren te brengen.
Hoofdstuk 16. Vergoedingen
Artikel 16.1
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de vergoeding van de kosten die is verschuldigd door
degene ten behoeve van wie werkzaamheden of diensten zijn verricht
ingevolge het bepaalde bij of krachtens deze wet of bij de
roamingverordening voorzover de vergoeding verband houdt met deze
werkzaamheden of diensten.
2. Bij het vaststellen van de vergoeding kunnen mede worden
betrokken kosten, verband houdend met het toezicht op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens deze wet of bij de roamingverordening
ten aanzien van de desbetreffende werkzaamheden of diensten.
3. Voorzover de regels, bedoeld in het eerste lid, betrekking
hebben op de vaststelling van de hoogte van de vergoeding van de
kosten van door het college te verrichten werkzaamheden of diensten,
betrekt Onze Minister het college bij die vaststelling. De betreffende
vergoeding wordt opgelegd door het college en voldaan aan het college.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld betreffende de jaarlijkse bijdrage die is verschuldigd door
gebruikers van radiozendapparaten ter dekking van de kosten die voor
de overheid voortvloeien uit de toepassing van het bij of krachtens
deze wet terzake van de elektromagnetische compatibiliteit bepaalde.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld betreffende de jaarlijkse bijdrage die is verschuldigd door
een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk ter dekking van
de kosten die voor de overheid voortvloeien uit de toepassing van het
bij of krachtens deze wet terzake van randapparatuur bepaalde.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot bijdragen ter financiering van het
register bedoeld in artikel 11.7, zesde lid, die zijn verschuldigd
door degene die communicatie als bedoeld in artikel 11.7, vijfde lid,
overbrengt.
Hoofdstuk 17. Beroep
Artikel 17.1 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 18. Verdere bepalingen
Artikel 18.1
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld om te kunnen onderzoeken of bepaalde ontwikkelingen in
belangrijke mate kunnen bijdragen aan het bereiken van de
doelstellingen van deze wet. Deze regels kunnen afwijken van het bij
of krachtens deze wet bepaalde.
2. Bij de voorbereiding van de regels worden de bij de in de regels
te behandelen onderwerpen meest betrokken personen of instanties
betrokken.
3. Het ontwerp van een regeling krachtens het eerste lid wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant. Aan eenieder wordt de gelegenheid
geboden binnen een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van
ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter
kennis te brengen van Onze Minister.
4. De regels vervallen uiterlijk binnen twee jaar na het tijdstip
van inwerkingtreding van die regels. Een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het eerste lid kan bij koninklijk besluit
worden ingetrokken op een bij dat besluit te bepalen tijdstip, dat
ligt binnen de in de eerste volzin bedoelde termijn.
5. Indien Onze Minister tot het oordeel komt dat een definitieve
voorziening terzake wenselijk is, zorgt deze voor vervanging van de
regels. Indien voor de vervanging een wet nodig is, wordt binnen twee
jaar na inwerkingtreding van de regels een voorstel van wet ingediend
bij de Staten-Generaal. Indien voor de vervanging een algemene
maatregel van bestuur nodig is, wordt binnen twee jaar na
inwerkingtreding van de regels aan Ons een voordracht daartoe gedaan.
6. Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken worden
opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 18.2
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld die
noodzakelijk zijn voor uitvoering van:
a. richtlijn nr. 2002/21/EG of daarmee verband houdende
richtlijnen van de Raad van de Europese Unie of van het Europees
Parlement en de Raad gezamenlijk;
b. richtlijnen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen
die hun grondslag vinden in artikel 86, derde lid, van het Verdrag
tot oprichting van de Europese Gemeenschap en die betrekking hebben
op de elektronische communicatiesector.
Artikel 18.2a
Het college is de nationale regelgevende instantie, bedoeld in de
roamingverordening.
Artikel 18.3
1. Onze Minister stelt het college, in de gelegenheid hem advies
uit te brengen over het voornemen om op grond van artikel 3.3, tiende
lid, een of meer aanbieders van het verkrijgen van een vergunning uit
te sluiten, of over het ontwerp van een besluit tot weigering of
intrekking van een vergunning voorzover dit verband houdt met het in
aanzienlijke mate beperken van de daadwerkelijke mededinging op de
relevante markt, bedoeld in de artikelen 3.6, tweede lid, onder d, en
3.7, tweede lid, onder f.
2. Het college en de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
maken in het belang van een effectieve en efficiënte besluitvorming
gezamenlijk afspraken over de wijze van behandeling van
aangelegenheden van wederzijds belang. Daartoe stellen zij een
samenwerkingsprotocol op. Het samenwerkingsprotocol wordt gepubliceerd
in de Staatscourant.
3. Het samenwerkingsprotocol bevat afspraken over de uitleg van
begrippen die worden gehanteerd bij de toepassing van de artikelen 24
en 88 van de Mededingingswet, indien het college die begrippen
hanteert bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
4. Het college en het Commissariaat voor de Media, bedoeld in
artikel 7.1 van de Mediawet 2008, maken in het belang van een
effectieve en efficiënte besluitvorming afspraken over de wijze van
behandeling van aangelegenheden van wederzijds belang.
5. Onze Minister en het College bescherming persoonsgegevens,
bedoeld in artikel 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens,
onderscheidenlijk het college en het College bescherming
persoonsgegevens, maken in het belang van een effectief en efficiënt
toezicht op het verwerken van persoonsgegevens overeenkomstig de
hoofdstukken 11 en 13 van deze wet afspraken over de wijze van
behandeling van aangelegenheden van wederzijds belang. Daartoe stellen
zij een samenwerkingsprotocol vast. Het samenwerkingsprotocol wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 18.3a
1. Onze Minister, onderscheidenlijk het college, verstrekken elkaar
en andere bestuursorganen de gegevens betreffende aanbieders van
elektronische communicatiediensten en de door hen verwerkte
persoonsgegevens welke zij behoeven ter uitvoering van hun taak.
2. Andere bestuursorganen zijn bevoegd uit eigen beweging en
verplicht desgevraagd Onze Minister onderscheidenlijk het college de
gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering en
het toezicht op de naleving van deze wet.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde gegevensverstrekking
vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene
daardoor onevenredig wordt geschaad.
Artikel 18.4
1. De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
over wiens netwerk internationaal openbaar elektronisch
communicatieverkeer wordt verzorgd leeft de verplichtingen na die
voortvloeien uit het Internationaal Telecommunicatieverdrag en uit
andere Nederland bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke
organisaties terzake van de verzorging van dit verkeer.
2. Degene aan wie door Onze Minister een vergunning is verleend
voor het gebruik van frequentieruimte of degene die overeenkomstig
artikel 3.4, eerste lid, onderdeel c, vergunningvrij gebruik maakt van
frequentieruimte, leeft de verplichtingen na die voortvloeien uit het
Internationaal Telecommunicatieverdrag en uit andere Nederland
bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties
terzake van dit gebruik.
Artikel 18.5
Onverminderd het overigens bij of krachtens het Internationaal
Telecommunicatieverdrag bepaalde zijn erkende ondernemingen in de zin
van genoemd verdrag:
a. de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
over wiens netwerk internationaal openbaar elektronisch
communicatieverkeer wordt verzorgd, en
b. de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
die in het kader van zijn aanbod radiozendapparaten gebruikt of de
aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk dat
bestaat uit radiozendapparaten die geschikt zijn voor het
verspreiden van programma's, wiens uitzendingen schadelijke
storingen kunnen veroorzaken in de radiodiensten van andere landen.
Artikel 18.6
1. Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of
openbare elektronische communicatiediensten die in Nederland of in een
andere lid-staat van de Europese Unie bijzondere of uitsluitende
rechten hebben voor het verrichten van diensten in andere sectoren dan
elektronische communicatie voeren voor onderscheiden activiteiten
afzonderlijke boekhoudingen, op gelijke wijze als vereist zou zijn
wanneer de activiteiten door juridisch onafhankelijke ondernemingen
zouden worden verricht.
2. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid
niet van toepassing is op bij die regeling aangewezen aanbieders
waarvan de jaaromzet in elektronische communicatie-activiteiten binnen
de Europese Unie een bij die regeling te noemen bedrag niet te boven
gaat.
Artikel 18.7
1. Onze Minister, onderscheidenlijk het college, is bevoegd voor
een juiste uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet of
bij de roamingverordening van een ieder te allen tijde inlichtingen te
vorderen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn
taak nodig is.
2. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, strekt zich met
betrekking tot verkeers- en locatiegegevens als bedoeld in artikel
13.2a, eerste lid, niet verder uit dan de gegevens die de aanbieder
van openbare elektronische communicatienetwerken of de aanbieder van
openbare elektronische communicatiediensten op grond van de artikelen
11.5 en11.5a is toegestaan te verwerken.
3. Degene van wie krachtens het eerste lid inlichtingen zijn
gevorderd, is verplicht deze onverwijld te geven, maar in elk geval
binnen de daartoe door Onze Minister, onderscheidenlijk het college,
te stellen termijn.
4. In een vordering op grond van het eerste lid kan wat betreft de
te geven inlichtingen worden volstaan met:
a. het omschrijven van het onderwerp waarover inlichtingen
moeten worden gegeven en
b. de bij het verstrekken van de inlichtingen aan te houden
mate van detail.
5. Degene van wie de verstrekking van inlichtingen is gevorderd, is
verplicht binnen de door Onze Minister, onderscheidenlijk het college,
te bepalen redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze
redelijkerwijs kan vorderen bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden.
Artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing.
6. Met het oog op het bevorderen van een open en concurrerende
markt in de elektronische communicatiesector maakt het college
informatie met betrekking tot aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten of openbare
elektronische communicatiediensten op een door het college te bepalen
wijze bekend voor zover die informatie verband houdt met bij of
krachtens de hoofdstukken 4 tot en met 9 en 11 van deze wet opgelegde
verplichtingen. Van gegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur wordt geen mededeling
gedaan.
Artikel 18.8 [Vervallen per 05-06-2012]
Artikel 18.9
1. Onze Minister is bevoegd, in overeenstemming met Onze Minister
van Veiligheid en Justitie, aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten
aanwijzingen te geven met betrekking tot:
a. de instandhouding en de exploitatie van hun openbare
elektronische communicatienetwerken, of
b. het verzorgen en gebruiken van hun openbare elektronische
communicatiediensten, wanneer dit noodzakelijk is ter beëindiging
van strafbaar gedrag jegens een persoon.
2. Onze Minister is bevoegd, in overeenstemming met Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aanbieders van openbare
elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten aanwijzingen te geven met betrekking tot:
a. de instandhouding en de exploitatie van hun openbare
elektronische communicatienetwerken, of
b. het verzorgen en gebruiken van hun openbare elektronische
communicatiediensten, wanneer dit noodzakelijk is in het belang
van de veiligheid van de staat.
3. Onze Minister kan bij de toepassing van het eerste en tweede lid
afwijken van de verplichtingen die ingevolge deze wet op aanbieders
van openbare elektronische communicatienetwerken of openbare
elektronische communicatiediensten rusten.
4. Een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een
openbare telecommunicatiedienst is verplicht een aanwijzing als
bedoeld in het eerste of tweede lid op te volgen.
5. Indien aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten
als gevolg van aanwijzingen gegeven op grond van het eerste en tweede
lid onevenredig financieel nadeel ondervinden, kent Onze Minister aan
hen een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe.
Artikel 18.10
Degene die een telefoongids uitgeeft, neemt op verzoek van een
natuurlijke persoon of rechtspersoon die in die gids met een
telefoonnummer is vermeld, het elektronisch postadres van verzoeker in
die gids op tegen redelijke en niet discriminerende voorwaarden.
Artikel 18.11
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot het aan derden ter beschikking
stellen van adressen voor elektronische post met bijbehorende gegevens
ten behoeve van de samenstelling van boeken met elektronische
postadressen.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer
betrekking hebben op de bescherming van persoonsgegevens en de
persoonlijke levenssfeer.
Artikel 18.12
1. Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een
goede uitvoering van deze wet nadere regeling behoeven, kan deze
geschieden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
2. Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken worden
opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 18.13
1. Onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde
worden de bij of krachtens deze wet te nemen maatregelen en regels
genomen met inachtneming van het belang van de bescherming van
persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
alsmede de bescherming van het brief-, telefoon- en telegraafgeheim en
het geheim van daarmee vergelijkbare communicatietechnieken.
2. Onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde is
het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de bedrijfsvoering
door aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of
openbare elektronische communicatiediensten.
Artikel 18.14
1. Een krachtens artikel 9.1, tweede, derde, of vierde lid,
vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers
der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip
dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk
besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens
een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk
aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat
het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe
strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het
voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers
der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de
algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
2. Een krachtens de artikelen 3.1, eerste lid, vastgestelde
algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan vier
weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is
geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de
beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 18.15
1. Een certificatiedienstverlener die certificaten als
gekwalificeerde certificaten aanbiedt of afgeeft aan het publiek en in
Nederland een vestiging heeft, voldoet aan de eisen, gesteld bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur.
2. Certificaten die als gekwalificeerd certificaat aan het publiek
worden aangeboden of afgegeven, voldoen aan de eisen gesteld bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur.
3. Een certificatiedienstverlener stelt, alvorens een
gekwalificeerd certificaat af te geven, de identiteit van de persoon
die als ondertekenaar in dat gekwalificeerde certificaat wordt
aangeduid, vast aan de hand van de bij artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht aangewezen geldige documenten.
Artikel 18.16
1. Onze Minister kan een of meer organisaties aanwijzen die bevoegd
zijn certificatiedienstverleners te toetsen op overeenstemming met de
bij en krachtens deze wet gestelde eisen en daartoe een bewijs van
toetsing af te geven.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld inzake:
a. de indiening van een aanvraag voor een aanwijzing;
b. de eisen waaraan organisaties en de reglementen van
organisaties moeten voldoen om voor een aanwijzing in aanmerking
te komen;
c. voorschriften welke aan een aanwijzing kunnen worden
verbonden, waaronder de duur waarvoor de aanwijzing geldt.
3. Onze Minister kan een aanwijzing intrekken indien:
a. de aangewezen organisatie niet meer voldoet aan de haar
gestelde eisen om in aanmerking te komen voor een aanwijzing;
b. de aangewezen organisatie de bij of krachtens deze wet
gestelde regels, dan wel de aan de aanwijzing verbonden
voorschriften niet nakomt.
Artikel 18.16a
1. Een certificatiedienstverlener die in het bezit is van een
geldig bewijs van toetsing van een op grond vanartikel 18.16, eerste
lid, aangewezen organisatie, wordt vermoed te voldoen aan artikel
18.15, eerste lid.
2. De certificaten die als gekwalificeerd aan het publiek worden
aangeboden of afgegeven door een certificatiedienstverlener als
bedoeld in het eerste lid, worden vermoed te voldoen aan artikel
18.15, tweede lid.
Artikel 18.17
Degene die een veilig middel voor het aanmaken van elektronische
handtekeningen op de markt brengt, zorgt er voor dat het veilig middel
voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen eisen en, ten bewijze daarvan, dat het veilig middel is voorzien
van een verklaring van een door Onze Minister aangewezen instelling als
bedoeld in artikel 18.17a of van een verklaring van een instelling die
is aangewezen door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat van
de Europese Gemeenschap dan wel van een van de overige staten die partij
zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dat
het middel voldoet aan de eisen.
Artikel 18.17a
1. Onze Minister kan een of meer instellingen aanwijzen die zijn
belast met het beoordelen van de overeenstemming van een veilig middel
voor het aanmaken van elektronische handtekeningen met de eisen
bedoeld in artikel 18.17 en het daartoe afgeven van verklaringen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld inzake:
a. de indiening van een aanvraag voor een aanwijzing;
b. de eisen waaraan instellingen moeten voldoen om voor een
aanwijzing in aanmerking te komen;
c. voorschriften welke aan een aanwijzing kunnen worden
verbonden, waaronder de duur waarvoor de aanwijzing geldt.
3. Onze Minister trekt een aanwijzing in indien de aangewezen
instelling niet meer voldoet aan de haar gestelde eisen om voor een
aanwijzing in aanmerking te komen en de instelling niet binnen een
door Onze Minister gestelde termijn heeft aangetoond aan de eisen te
voldoen.
4. Indien de aangewezen instelling aantoont redelijkerwijs niet
binnen de gestelde termijn aan de gestelde eisen te kunnen voldoen,
kan Onze Minister op verzoek van de aangewezen instelling de termijn
bedoeld in het derde lid verlengen waarbinnen aan de criteria of
voorschriften moet zijn voldaan.
5. Onze Minister kan een aanwijzing intrekken indien de aangewezen
instelling de bij of krachtens deze wet gestelde regels, dan wel de
aan een aanwijzing verbonden voorschriften niet nakomt.
Artikel 18.18
Het is de certificatiedienstverlener waarvan de registratie op grond
van artikel 2.2, vierde lid, onderdeel b, c, of d, is beëindigd
verboden gekwalificeerde certificaten aan het publiek aan te bieden of
af te geven zolang hij niet opnieuw is geregistreerd.
Artikel 18.19
In afwijking van artikel 24 van de Wet Onafhankelijke post- en
telecommunicatieautoriteit, onderscheidenlijk artikel 91 van de
Mededingingswet, verstrekken het college en de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit elkaar op verzoek de gegevens of inlichtingen die
van betekenis zijn of kunnen zijn voor de uitoefening van de taken en
bevoegdheden die bij of krachtens de Telecommunicatiewet aan het college
zijn opgedragen, respectievelijk zijn verleend, mits:
a. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen in voldoende
mate is gewaarborgd, en
b. voldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet
zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden
verstrekt.
Artikel 18.20
1. Het college verstrekt na een daartoe strekkend verzoek van de
Europese Commissie, van BEREC dan wel van een nationale regelgevende
instantie, de gegevens of inlichtingen die de Europese Commissie,
respectievelijk BEREC en het Bureau, respectievelijk die nationale
regelgevende instantie nodig heeft voor de uitoefening van haar taken
uit hoofde van het recht van de Europese Unie mits:
a. de geheimhouding, voor zover er naar het oordeel van het
college sprake is van bedrijfsvertrouwelijke gegevens of
inlichtingen, van de gegevens of inlichtingen in voldoende mate is
gewaarborgd,
b. voldoende gewaarborgd is dat de gegevens of inlichtingen
niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze
zijn verstrekt, en
c. het verzoek gegevens of inlichtingen betreft die het college
uit hoofde van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet
heeft verkregen.
2. Indien het college van oordeel is dat er sprake is van
bedrijfsvertrouwelijke gegevens of inlichtingen, vermeldt het college
bij het verstrekken van die gegevens of inlichtingen aan de Commissie
van de Europese Gemeenschappen, BEREC en het Bureau onderscheidenlijk
de nationale regelgevende instantie, uitdrukkelijk en met redenen
omkleed dat die informatie niet aan derden ter beschikking mag worden
gesteld.
3. Indien het college aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen gegevens of inlichtingen verstrekt die het college
heeft verkregen van een aanbieder van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk, een openbare elektronische communicatiedienst of
bijbehorende faciliteiten, stelt het college de betreffende aanbieder
daarvan op de hoogte.
Artikel 18.21
1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de toepassing van overeenkomstig artikel 17, vierde lid, van
richtlijn nr. 2002/21/EG verplicht gestelde normen of specificaties,
die gepubliceerd zijn in het Publicatieblad van de Europese
Gemeenschappen.
2. Een wijziging van de normen of specificaties, bedoeld in het
eerste lid, gaat gelden met ingang van de dag waarop die wijziging in
het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen is gepubliceerd.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de toepassing van in het Publicatieblad van de Europese
Gemeenschappen gepubliceerde normen of specificaties als bedoeld in
artikel 17, eerste lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG met betrekking
tot:
a. bij die regeling aan te wijzen categorieën van
elektronische communicatienetwerken, elektronische
communicatiediensten, bijbehorende faciliteiten, of diensten
indien het toepassen van die normen of specificaties nodig is voor
het waarborgen van eind- tot eindverbindingen of het verbeteren
van de keuzevrijheid van gebruikers, of
b. het gebruik van applicatieprogramma-interfaces indien het
toepassen van die normen of specificaties nodig is voor het
bevorderen van de toepassing van open
applicatieprogramma-interfaces bij het leveren of aanbieden van
digitale interactieve televisiediensten.
Artikel 18.22
1. Een wijziging van richtlijn nr. 2002/19/EG, richtlijn nr.
2002/20/EG,richtlijn nr. 2002/21/EG, of richtlijn nr. 2002/22/EG gaat
voor de toepassing van de Telecommunicatiewet gelden met ingang van de
dag waarop aan de betrokken wijziging van de desbetreffende richtlijn
uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit dat in
de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt
vastgesteld.
2. Onze Minister doet in de Staatscourant mededeling van de titel,
de vindplaats en de datum van inwerkingtreding van de
roamingverordening.
Hoofdstuk 19. Overgangsrecht in verband met de implementatie van het
Europese geharmoniseerde regelgevende kader voor de elektronische
communicatiesector 2002
Artikel 19.1 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 19.2
1. De mededeling, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, behoeft niet
te worden gedaan door:
a. degene die voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie
Europees regelgevingskader voor de elektronische
communicatiesector 2002 door het college is geregistreerd;
b. de houder van een vergunning voor het gebruik van
frequentieruimte waarvoor geen registratie was vereist op grond
van artikel 2.1, tweede lid, onder a, zoals dat luidde voor de
inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees
regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002.
2. Een registratie die is gedaan op grond van artikel 2.1, eerste
lid, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Wet
implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische
communicatiesector 2002, wordt aangemerkt als een mededeling als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid.
3. Een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte die bestemd
is voor het aanbieden van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk of een openbare elektronische communicatiedienst,
wordt aangemerkt als een mededeling als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid. Onze Minister verstrekt het college de daarvoor benodigde
gegevens.
4. Een op grond van het tweede of derde lid geregistreerde
rechtspersoon kan tot uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van
de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische
communicatiesector 2002 het college verzoeken om een verklaring als
bedoeld in artikel 2.4, eerste lid.
Artikel 19.3
De in artikel 6a.1, tweede lid, bedoelde relevante markten die nodig
zijn voor de in de artikelen 27 van richtlijn nr. 2002/21/EG, 7, derde
lid, vanrichtlijn nr. 2002/19/EG of 16, derde lid, van richtlijn nr.
2002/22/EG, bedoelde marktanalyses, worden door het college zo spoedig
mogelijk na inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees
regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 bepaald.
Artikel 19.4 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 19.5 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 19.6 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 19.7
Een aanvraag als bedoeld in de artikelen 3.11, vierde lid, of 6.3,
eerste of tweede lid, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de
Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische
communicatiesector 2002, wordt vanaf dat tijdstip aangemerkt als een
aanvraag als bedoeld inartikel 12.2.
Artikel 19.8
Op een aanvraag om een oordeel als bedoeld in artikel 7.7, zoals dat
luidde voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees
regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002, blijven
de Telecommunicatiewet en de daarop berustende bepalingen van toepassing
zoals die luidden voor dat tijdstip.
Artikel 19.9
Na inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees
regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002, geldt:
a. ten aanzien van de verwerking van verkeersgegevens, bedoeld in
artikel 11.5, tweede lid, dat de aanbieder binnen zes maanden de
abonnee de gegevens verstrekt, bedoeld in artikel 11.5, vierde lid;
b. dat de toestemming, bedoeld in artikel 11.5, derde lid, niet
is vereist voor de verkeersgegevens die reeds in gebruik zijn voor
het doel dat is genoemd in artikel 11.5, derde lid, onderdeel a;
c. ten aanzien van de verkeersgegevens, bedoeld in onderdeel b,
dat de aanbieder binnen zes maanden aan de abonnee mededeling doet
van de informatie, bedoeld in artikel 11.5, vierde lid. De abonnee
wordt geacht met betrekking tot dit gebruik toestemming te hebben
verleend, tenzij hij binnen een termijn van twee maanden na
verzending van de mededeling schriftelijk aan de desbetreffende
aanbieder te kennen heeft gegeven dat voor het desbetreffende
gebruik geen toestemming wordt gegeven.
Artikel 19.10
Na inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees
regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 geldt:
a. dat artikel 11.6 niet van toepassing is op edities van
gedrukte algemeen beschikbare abonneelijsten en algemeen beschikbare
abonneelijsten die in elektronische vorm, anders dan met
gebruikmaking van een elektronisch communicatienetwerk of een
elektronische communicatiedienst, worden uitgegeven, indien deze
edities zijn uitgegeven dan wel gereed gemaakt zijn voor uitgifte,
voor de datum van inwerkingtreding van dat artikel;
b. dat een ieder die een algemeen beschikbare abonneelijst
uitgeeft of een algemeen beschikbare abonnee-informatiedienst
verzorgt, binnen zes maanden na inwerkingtreding van artikel 11.6 de
abonnee van een openbare telefoondienst wiens persoonsgegevens op
het moment van inwerkingtreding van dat artikel zijn opgenomen in de
abonneelijst dan wel in het voor de abonnee-informatiedienst
gebruikte abonneebestand, op de hoogte stelt van de informatie,
bedoeld inartikel 11.6, eerste lid. Daarbij wordt aan de abonnee de
mogelijkheid geboden om verzet aan te tekenen tegen het feit dat hem
betreffende persoonsgegevens in de abonneelijst of in het voor de
abonnee-informatiedienst gebruikte abonneebestand zijn opgenomen.
Indien de abonnee verzet aantekent, is artikel 41, tweede lid, van
de Wet bescherming persoonsgegevens van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19.11 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 20. Algemene overgangs- en slotbepalingen
Artikel 20.1
1. In afwijking van de in artikel 9.3 vervatte procedure geldt,
voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde voor elk
van de in artikel 9.1, eerste lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde
openbare elektronische communicatiediensten of voorzieningen KPN
Telecom B.V. als een krachtens artikel 9.2 aangewezen aanbieder.
2. Aan de uit het vorige lid voortvloeiende verplichting voor KPN
Telecom B.V. om de in artikel 9.1, eerste lid, onderdelen a tot en met
e, bedoelde openbare elektronische communicatiediensten en
voorzieningen te verzorgen komt een einde een jaar na het tijdstip
waarop:
a. KPN Telecom B.V. Onze Minister schriftelijk heeft
medegedeeld een verplichting tot verzorging van een bepaalde
dienst of voorziening niet langer te willen nakomen, of
b. Onze Minister schriftelijk aan KPN Telecom B.V. heeft
medegedeeld dat een verplichting tot verzorging van een bepaalde
dienst of voorziening niet langer bestaat.
Artikel 20.2
1. Een vergunning die is verleend krachtens artikel 13a, eerste
lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen wordt
gelijkgesteld met een vergunning, verleend krachtens artikel 3.3,
eerste lid.
2. Voor de houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid
blijft het bepaalde bij of krachtens de artikelen 13c, 13g, met dien
verstande dat in het eerste lid, onderdeel a, vervalt «waaronder
technische aftapbaarheid», 13j, 13k, met uitzondering van het zevende
lid, en met dien verstande dat de tweede volzin van het zesde lid komt
te luiden: De in de eerste volzin bedoelde besluiten van Onze Minister
zijn gelijk ten aanzien van alle vergunningen die voor hetzelfde
technische systeem op hetzelfde tijdstip zijn verleend., 13l, 13n,
13t, voorzover het betreft de verwijzing naar artikel 11, eerste tot
en met derde lid, en vijfde tot en met zevende lid, 13v, 13x en 13y
van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen van toepassing.
Artikel 20.3
1. Een machtiging die is verleend krachtens artikel 17, eerste lid,
van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen wordt gelijkgesteld met
een vergunning, verleend krachtens artikel 3.3, eerste lid.
2. De toekenning van radio-frequenties krachtens artikel 3, tweede
lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen aan de houder van
de concessie wordt gelijkgesteld met een vergunning voor het gebruik
van frequentieruimte als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid.
3. Voorzover bij een machtiging die is verleend krachtens artikel
21 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen radiofrequenties
zijn toegekend, wordt deze toekenning van radiofrequenties
gelijkgesteld met een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte
als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid.
4. Een vergunning als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid,
geldt voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
termijn, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt al naar gelang de
toepassing waarvoor de vergunning is verleend.
5. Het bepaalde in artikel 3.3, zevende lid, alsmede het bepaalde
in artikel 3.3a, achtste lid, is slechts van toepassing op de uitgifte
van vergunningen volgende op de verlening van vergunningen die heeft
plaatsgevonden na 27 juli 2001.
Artikel 20.4
Apparaten die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in
gebruik zijn bij de houder van de concessie, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, ten dienste
van de uitoefening van de aan de houder van de concessie opgedragen
taken, worden, voorzover deze niet voldoen aan het bepaalde bij of
krachtens hoofdstuk 10 van deze wet, geacht te voldoen aan het bepaalde
bij of krachtens hoofdstuk 10.
Artikel 20.4a
1. Uitrusting die voldoet aan de bij of krachtens de
Telecommunicatiewet vastgestelde regels met betrekking tot de
elektromagnetische compatibiliteit die van kracht waren op 19 juli
2007, mag in afwijking van artikel 10.1 van de Telecommunicatiewet,
tot 20 juli 2009 in de handel worden gebracht of worden verhandeld.
2. Het bepaalde in het eerste lid is slechts van toepassing
voorzover de daar bedoelde uitrusting voldoet aan bij of krachtens de
Telecommunicatiewet gestelde regels die niet zien op
elektromagnetische compatibiliteit.
Artikel 20.5
1. Met betrekking tot de instandhouding, de verplaatsing en de
opruiming van kabels en kabelwerken, voorzover de kabels en
kabelwerken zijn aangelegd met toepassing van hoofdstuk VI van de Wet
op de telecommunicatievoorzieningen is hoofdstuk 5 van deze wet van
toepassing met dien verstande, dat kabels en kabelwerken, aangelegd in
en op openbare gronden als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, onder
3°, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen worden
gelijkgesteld met kabels, aangelegd in en op openbare gronden als
bedoeld in artikel 1.1, onderdeel aa, van deze wet.
2. In afwijking van deartikelen 5.2, achtste lid, en 5.15 geldt
voor kabels, ondergrondse ondersteuningswerken of beschermingswerken
in of op openbare gronden, waarin of waarop geen fysieke
geleidingsdraden bestemd voor de rechtstreekse overdracht van signalen
tussen punten zijn aangebracht, die zijn aangelegd met het oogmerk
deel uit te maken van doch op het tijdstip van inwerkingtreding van de
wet houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met een
herziening van het nationale beleid ten aanzien van de aanleg van
kabels ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken
(Stb. 2007, 16) niet in gebruik zijn ten dienste van een openbaar
elektronisch communicatienetwerk, een gedoogplicht tot 1 januari 2018,
tenzij de instandhouding van deze voorzieningen de instandhouding van
andere reeds in de grond aanwezige werken in gevaar brengt of ernstig
hindert. De aanbieder meldt aan degene op wie de gedoogplicht rust
schriftelijk op welke netwerkvoorziening de gedoogplicht betrekking
heeft. Daarvan doet hij tevens mededeling aan burgemeester en
wethouders van de gemeente binnen wier grondgebied de
netwerkvoorziening is gelegen.
Artikel 20.6
1. Een nummerplan vastgesteld krachtens artikel 40d van de Wet op
de telecommunicatievoorzieningen wordt gelijkgesteld met een
nummerplan als bedoeld in deze wet.
2. De toekenning of reservering van nummers, bedoeld in artikel 17,
elfde lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, de
toekenning of reservering van nummers alsmede de wijziging daarvan,
bedoeld in artikel 40d van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen,
de toekenning van nummers als bedoeld in artikel 40e van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen, alsmede de toekenning van nummers,
bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur, worden gelijkgesteld met een
reservering, toekenning of wijziging als bedoeld in hoofdstuk 4 van
deze wet.
Artikel 20.7 [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 20.8 [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 20.9 [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 20.10 [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 20.11
1. De rechthebbende op of de beheerder van gronden is verplicht te
gedogen dat ten dienste van openbare elektronische
communicatienetwerken kabels, die voor de inwerkingtreding van de wet,
houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met een
herziening van het nationale beleid ten aanzien van de aanleg van
kabels ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken
(Stb. 2007, 16), boven deze gronden zijn aangelegd, worden
instandgehouden of opgeruimd. De eerste volzin is tevens van
toepassing op de bij de kabels behorende bovengrondse
ondersteuningswerken.
2. De artikelen 5.3 tot en met 5.8, 5.10, 5.13 en 5.14 van deze wet
zijn van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde
kabels en ondersteuningswerken.
3. Artikel 5.8van de Telecommunicatiewet, zoals dat luidde voor het
tijdstip van inwerkingtreding van de wet, houdende wijziging van de
Telecommunicatiewet in verband met een herziening van het nationale
beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste van openbare
elektronische communicatienetwerken, is van toepassing op de
instandhouding van de in het eerste lid bedoelde kabels en
ondersteuningswerken.
Artikel 20.12 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 20.13 [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 20.14 [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 20.15
1. Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in
te stellen tegen een besluit krachtens de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen dat is bekendgemaakt voor het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals het gold
voor dat tijdstip van toepassing.
2. Ten aanzien van de behandeling van bezwaar of beroep dat voor
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is gemaakt
onderscheidenlijk is ingesteld, blijft het recht zoals het gold voor
dat tijdstip van toepassing.
3. Ten aanzien van de behandeling van bezwaar of beroep dat op of
na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is gemaakt
onderscheidenlijk is ingesteld en dat is gericht tegen een besluit
waartegen voor dat tijdstip eveneens bezwaar is gemaakt
onderscheidenlijk beroep is ingesteld, blijft het recht zoals het gold
voor dat tijdstip van toepassing.
Artikel 20.16
1. Indien een certificatiedienstverlener voorafgaand aan het
tijdstip van inwerkingtreding van de ministeriële regeling, bedoeld
in artikel 2.3, derde lid, reeds geregistreerd is, vindt verstrekking
van de krachtens artikel 2.3, vierde lid, aan het college te
overleggen gegevens plaats binnen een door het college zo spoedig
mogelijk na inwerkingtreding van de regeling te bepalen redelijke
termijn.
2. Indien de certificatiedienstverlener aantoont redelijkerwijs
niet binnen de gestelde termijn, bedoeld in het eerste lid, alsnog de
gegevens, bedoeld in dat lid, aan het college te kunnen verstrekken,
kan het college de termijn verlengen.
3. Indien een certificatiedienstverlener waarop het eerste lid van
toepassing is, de krachtens artikel 2.3, vierde lid, te overleggen
gegevens, niet of niet volledig binnen de gestelde termijn, bedoeld in
het eerste of tweede lid, heeft verstrekt, wordt de registratie
beëindigd.
4. Indien een aanvraag van een certificatiedienstverlener tot
registratie voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de
ministeriële regeling, bedoeld in artikel 2.3, derde lid, is
ingediend, en die aanvraag op of na het tijdstip van inwerkingtreding
van die regeling tot een registratie leidt, vindt verstrekking van de
krachtens artikel 2.3, vierde lid, aan het college te overleggen
gegevens plaats binnen een door het college te bepalen redelijke
termijn, die zo spoedig mogelijk na die registratie aanvangt. Het
tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Indien een aanvraag van een certificatiedienstverlener tot
registratie na de inwerkingtreding van artikel 2.1, vijfde lid, onder
b, is ingediend, maar voorafgaand aan het tijdstip van de
inwerkingtreding van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel
2.3, derde lid, is, onverlet het vierde lid, artikel 2.1, vijfde lid,
onder b, op die aanvraag niet van toepassing.
6. De ministeriële regeling, bedoeld in artikel 2.3, derde lid,
heeft jegens het college geen werking ten aanzien van de verplichting
voor het college in het register gegevens op te nemen, die krachtens
artikel 2.3, vierde lid, door een certificaatdienstverlener verstrekt
dienen te worden binnen een termijn als bedoeld in het eerste, tweede
of vijfde lid, totdat die termijn verstreken is.
Artikel 20.15a
1. Op nummers die op het tijdstip van inwerkingtreding van de
Wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met het vaststellen
van nadere bepalingen over het gebruik van nummers ter bescherming van
de consument zijn gereserveerd blijven de artikelen 4.4, 4.5, 4.6, 4.7
en 4.8, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, zoals deze luidden
voor de inwerkingtreding van genoemde wet van toepassing tot het
tijdstip dat de reservering is beëindigd.
2. Nummerhouders registreren binnen zes maanden na de
inwerkingtreding van artikel 4.9, derde lid, onderdeel b, de
nummergebruikers. De nummergebruiker krijgt het nummer op de dag van
registratie door de nummerhouder van rechtswege in gebruik door de
nummerhouder.
3. Op klachten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de
Wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met het vaststellen
van nadere bepalingen over het gebruik van nummers ter bescherming van
de consument zijn ingediend bij een erkende instelling, bedoeld in
artikel 4.11 van de Telecommunicatiewet, blijven de regels van
toepassing die golden ten tijde van de indiening van de klacht.
Artikel 20.17 [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 20.18
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tot twee jaar na
inwerkingtreding van deze wet, in gevallen waarin deze wet niet
voorziet, regels worden gesteld met betrekking tot de invoering van
artikelen van deze wet of onderdelen daarvan.
Artikel 20.19
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 20.20
Deze wet wordt aangehaald als: Telecommunicatiewet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 19 oktober 1998
BEATRIX
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.M. de Vries
Uitgegeven de vijfde november 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage behorende bij artikel 13.2a van
de Telecommunicatiewet
In deze bijlage wordt verstaan onder:
a. telefoondienst: oproepen (met
inbegrip van spraak, voicemail, conference call of call-gegevens),
aanvullende diensten (met inbegrip van call forwarding en call
transfer), messaging- en multimediadiensten (met inbegrip van
short message service (SMS), enhanced media service (EMS) en
multimedia service (MMS);
b. gebruikersidentificatie: een
unieke identificatie die aan een persoon wordt toegewezen wanneer
deze zich abonneert op of registreert bij een
internettoegangsdienst of internetcommunicatiedienst;
c. celidentiteit (Cell ID): de
unieke code van een cel van waaruit een mobiele telefoonoproep
werd begonnen of beëindigd.
In deze bijlage worden als gegevens,
bedoeld in artikel 13.2a van de wet, aangewezen de volgende gegevens:
A. Bij telefonie over een mobiel of
een vast netwerk:
a. het telefoonnummer van de
oproeper en het telefoonnummer (de telefoonnummers) die werden
opgeroepen en, in het geval van aanvullende diensten zoals
call forwarding of call transfer, het nummer (de nummers)
waarnaar de verbinding is doorgeleid.
b. namen en adressen van de
betrokken abonnees of geregistreerde gebruikers;
c. datum en tijdstip van
aanvang en einde van de verbinding;
d. de gebruikte telefoondienst;
e. bij mobiele telefonie:
– de International Mobile
Subscriber Identity (IMSI) van de oproepende en van de
opgeroepen deelnemer;
– de International Mobile
Equipment Identity (IMEI) van de oproepende en de
opgeroepen deelnemer;
– in geval van vooraf
betaalde anonieme diensten, datum en tijdstip van de
eerste activering van de dienst en aanduiding (Cell ID)
van de locatie waaruit de dienst is geactiveerd;
– de locatieaanduiding
bij het begin van de verbinding;
– gegevens voor het
identificeren van de geografische locatie van cells
middels referentie aan hun locatieaanduidingen gedurende
de periode dat communicatiegegevens worden bewaard.
B. Bij internettoegang, e-mail over
het internet en internettelefonie:
a. de toegewezen
gebruikersidentificatie(s) en de gebruikersidentificatie of
telefoonnummer van de beoogde ontvanger(s) van een
internettelefoonoproep;
b. de gebruikersidentificatie
en het telefoonnummer toegewezen aan elke communicatie die het
publieke telefoonnetwerk binnenkomt;
c. naam en adres van de abonnee
of de geregistreerde gebruiker aan wie het IP-adres, de
gebruikersidentificatie of het telefoonnummer was toegewezen
op het tijdstip van de communicatie en naam (namen) en adres
(adressen) van de abonnee(s) of de geregistreerde gebruiker(s)
en de gebruikersidentificatie van de beoogde ontvanger van
communicatie;
d. datum en tijdstip van de
log-in en log-off van een internetsessie gebaseerd op een
bepaalde tijdzone, samen met het IP-adres, hetzij statisch,
hetzij dynamisch, dat door de aanbieder van een
internettoegangsdienst aan een communicatie is toegewezen, en
de gebruikersidentificatie van de abonnee of geregistreerde
gebruiker;
e. datum en tijdstip van de
log-in en log-off van een e-maildienst over het internet of
internettelefoniedienst gebaseerd op een bepaalde tijdzone;
f. de gebruikte internetdienst;
g. het inbellende nummer voor
een inbelverbinding;
h. de digital subscriber line (DSL)
of ander eindpunt van de initiatiefnemer van de communicatie.
|