Nadere regelgeving:
- Besluit aanwijzing categorieën zendinrichtingen en vaststelling
toelatingscriteria
- Besluit aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten
- Besluit beveiliging gegevens aftappen telecommunicatie
- Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2007
- Besluit elektronische handtekeningen
- Besluit nummerportabiliteit
- Besluit randapparaten en radioapparaten 2007
- Besluit technische hulpmiddelen strafvordering
- Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen
- Besluit verstrekking gegevens telecommunicatie
- Frequentiebesluit
- Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten
- Regeling
aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten'
- Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning 2008
- Regeling universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen
WET van 19 oktober 1998, houdende regels
inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de
algehele liberalisering van de telecommunicatie-infrastructuur en de
telecommunicatiediensten wenselijk is regels te stellen ter waarborging
van een samenhangende infrastructuur en ter bevordering van de
daadwerkelijke mededinging;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;
b. college: college, genoemd in artikel 2 van de Wet Onafhankelijke
post- en telecommunicatieautoriteit;
c. raad van bestuur van de mededingingsautoriteit: raad van bestuur van
de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 2 van de
Mededingingswet;
d. nationale regelgevende instantie: instantie in een andere lidstaat
van de Europese Unie die krachtens het recht van die lidstaat is belast
met een of meer regelgevende of daarmee verband houdende uitvoerende
taken die zijn toegekend in de richtlijnen nrs. 2002/19/EG, 2002/20/EG,
2002/21/EG, 2002/22/EG of 2002/58/EG;
e. elektronisch communicatienetwerk: transmissiesystemen, waaronder mede
begrepen de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, die het
mogelijk maken signalen over te brengen via kabels, radiogolven,
optische of andere elektromagnetische middelen, waaronder
satellietnetwerken, vaste en mobiele terrestrische netwerken,
elektriciteitsnetten, voor zover deze voor overdracht van signalen
worden gebruikt en netwerken voor radio- en televisieomroep en
kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte
informatie;
f. elektronische communicatiedienst: gewoonlijk tegen vergoeding
aangeboden dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat in het overbrengen
van signalen via elektronische communicatienetwerken, waaronder
telecommunicatiediensten en transmissiediensten op netwerken die voor
omroep worden gebruikt, doch niet de dienst waarbij met behulp van
elektronische communicatienetwerken en -diensten overgebrachte inhoud
wordt geleverd of redactioneel wordt gecontroleerd. Het omvat niet de
diensten van de informatiemaatschappij zoals omschreven in artikel 1 van
de notificatierichtlijn die niet geheel of hoofdzakelijk bestaan uit het
overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken;
g. openbare elektronische communicatiedienst: elektronische
communicatiedienst die beschikbaar is voor het publiek;
h. openbaar elektronisch communicatienetwerk: elektronisch
communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om
openbare elektronische communicatiediensten aan te bieden, waaronder
mede wordt begrepen een netwerk, bestemd voor het verspreiden van
programma's voor zover dit aan het publiek geschiedt;
i. aanbieden van een elektronisch communicatienetwerk: het bouwen,
exploiteren, beheren of beschikbaar stellen van een elektronisch
communicatienetwerk;
j. bijbehorende faciliteiten: bij een elektronisch communicatienetwerk
of een elektronische communicatiedienst behorende faciliteiten die het
aanbieden van diensten via dat netwerk of die dienst mogelijk maken of
ondersteunen, alsmede systemen voor voorwaardelijke toegang en
elektronische programmagidsen;
k. netwerkaansluitpunt: fysiek punt waarop een abonnee de toegang tot
een openbaar communicatienetwerk wordt geboden; in het geval van
netwerken met schakelings- of routeringsfuncties wordt het
netwerkaansluitpunt bepaald door middel van een specifiek netwerkadres,
dat met een abonneenummer of -naam kan zijn verbonden;
l. toegang: het aan een andere onderneming beschikbaar stellen van
netwerkonderdelen, bijbehorende faciliteiten of diensten onder
uitdrukkelijke voorwaarden al dan niet op exclusieve basis ten behoeve
van het aanbieden van elektronische communicatiediensten of het
verspreiden van programma's aan het publiek door die onderneming;
m. interconnectie: specifiek type toegang dat wordt gerealiseerd tussen
exploitanten van openbare netwerken, inhoudende het fysiek en logisch
verbinden van openbare communicatienetwerken die door dezelfde of een
andere onderneming worden gebruikt om het de gebruikers van een
onderneming mogelijk te maken te communiceren met die van dezelfde of
van een andere onderneming of toegang te hebben tot diensten die door
een andere onderneming worden aangeboden;
n. gebruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon die gebruik maakt van
of verzoekt om een openbare elektronische communicatiedienst;
o. eindgebruiker: natuurlijke persoon of rechtspersoon die van een
openbare elektronische communicatiedienst gebruik maakt of wil gaan
maken en die niet tevens openbare elektronische communicatienetwerken of
openbare elektronische communicatiediensten aanbiedt;
p. abonnee: natuurlijke persoon of rechtspersoon die partij is bij een
overeenkomst met een aanbieder van openbare elektronische
communicatiediensten voor de levering van dergelijke diensten;
q. consument: natuurlijke persoon die gebruik maakt van of verzoekt om
een openbare elektronische communicatiedienst voor andere dan bedrijfs-
of beroepsdoeleinden;
r. onderneming: onderneming in de zin van artikel 81, eerste lid, van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
s. onderneming die beschikt over een aanmerkelijke marktmacht:
onderneming die alleen of tezamen met andere ondernemingen over een
economische kracht beschikt die haar in staat stelt zich in belangrijke
mate onafhankelijk van haar concurrenten, klanten en uiteindelijk
consumenten te gedragen;
t. transnationale markt: bij beschikking, bedoeld in artikel 15, vierde
lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG, gedefinieerde markt die ten minste
een gedeelte van Nederland beslaat;
u. huurlijn: publiekelijk ter beschikking gestelde transparante
transmissiecapaciteit tussen twee netwerkaansluitpunten van een of meer
elektronische communicatienetwerken, zonder routeringsfuncties waarover
gebruikers kunnen beschikken als onderdeel van de geleverde huurlijn;
v. minimumpakket van huurlijnen: door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen op grond van de artikelen 17 en 22 van richtlijn nr.
2002/21/EG of de artikelen 18 en 37 van richtlijn nr. 2002/22/EG
vastgesteld minimumpakket van huurlijnen, zoals vermeld in een lijst van
in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen gepubliceerde
normen;
w. openbaar telefoonnetwerk: elektronisch communicatienetwerk dat wordt
gebruikt om openbare telefoondiensten aan te bieden; het ondersteunt de
overdracht tussen netwerkaansluitpunten van spraakcommunicatie en ook
andere vormen van communicatie, zoals fax en data;
x. openbare telefoondienst: dienst die voor het publiek beschikbaar is
voor uitgaande en binnenkomende gesprekken;
y. programma: programma als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008;
z. kabels: fysieke geleidingsdraden bestemd voor de rechtstreekse
overdracht van signalen tussen punten en de bij deze fysieke
geleidingsdraden behorende ondergrondse ondersteuningswerken,
beschermingswerken en signaalinrichtingen, alsmede inrichtingen, bestemd
om daarin verbinding tot stand te brengen tussen fysieke
geleidingsdraden in, op of boven openbare gronden enerzijds en fysieke
geleidingsdraden in gebouwen en daarmee één geheel vormende gronden
anderzijds dan wel tussen laatstgenoemde fysieke geleidingsdraden
onderling;
aa. openbare gronden:
1º. openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen,
glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers,
beschoeiingen en andere werken;
2º. wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en
andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn;
bb. nummer: cijfers, letters of andere symbolen, al dan niet in
combinatie, die bestemd zijn voor toegang tot of identificatie van
gebruikers, netwerkexploitanten, diensten, netwerkaansluitpunten of
andere netwerkelementen;
cc. nummeridentificatie:
1º. faciliteit om het nummer van het oproepende netwerkaansluitpunt dan
wel een nummer waarmee een individuele gebruiker kan worden
geïdentificeerd aan het opgeroepen netwerkaansluitpunt te verstrekken,
voordat de verbinding tot stand wordt gebracht;
2º. faciliteit om het nummer van het opgeroepen netwerkaansluitpunt dan
wel het nummer waarmee een individuele gebruiker kan worden
geïdentificeerd aan het oproepende netwerkaansluitpunt te verstrekken,
voordat de verbinding tot stand wordt gebracht;
dd. in de handel brengen: het voor de eerste maal afleveren na
vervaardiging in de Europese Economische Ruimte, het in gebruik nemen na
vervaardiging in de Europese Economische Ruimte, het invoeren in de
Europese Economische Ruimte uit een land daarbuiten, of het in gebruik
nemen na invoer uit een land buiten de Europese Economische Ruimte in de
Europese Economische Ruimte;
ee. openbaar telecommunicatienetwerk: elektronisch communicatienetwerk
dat geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt om openbare
telecommunicatiediensten aan te bieden, voor zover het netwerk niet
gebruikt wordt voor het verspreiden van programma's;
ff. openbare telecommunicatiedienst: voor het publiek beschikbare dienst
die geheel of gedeeltelijk bestaat in het overbrengen van signalen via
een elektronisch communicatienetwerk, voor zover deze dienst niet
bestaat uit het verspreiden van programma's;
gg. uitrusting: elk apparaat of vaste installatie;
hh. apparaten: elektrische en elektronische apparaten;
ii. vaste installatie: een specifieke combinatie van verschillende
soorten apparaten en eventuele andere inrichtingen, die samengebouwd,
geïnstalleerd en bestemd zijn voor permanent gebruik op een van te
voren vastgestelde locatie;
jj. randapparaten:
1°. uitrusting die bestemd is om op een openbaar
telecommunicatienetwerk te worden aangesloten, zodanig dat zij:
rechtstreeks op netwerkaansluitpunten kan worden aangesloten, of kan
dienen voor interactie met een openbaar telecommunicatienetwerk via
directe of indirecte aansluiting op netwerkaansluitpunten ten behoeve
van overbrenging, verwerking of ontvangst van informatie;
2°. Radiozendapparaten die geschikt zijn om op een openbaar
telecommunicatienetwerk te worden aangesloten;
3°. Uitrusting voor satellietgrondstations tenzij bij of krachtens
hoofdstuk 10 anders is bepaald, doch met uitsluiting van speciaal
geconstrueerde uitrusting die bedoeld is voor gebruik als onderdeel van
een openbaar telecommunicatienetwerk;
kk. radiozendapparaten: uitrusting die naar haar aard bestemd is voor
het zenden of het zenden en ontvangen van radiocommunicatiesignalen;
ll. systeem voor voorwaardelijke toegang: elke technische maatregel of
regeling waarbij toegang tot een beschermde radio- of
televisie-omroepdienst in begrijpelijke vorm afhankelijk wordt gemaakt
van een abonnement of een andere vorm van voorafgaande individuele
machtiging;
mm. applicatieprogramma-interface: een software interface tussen externe
toepassingen, die beschikbaar is gesteld door omroepen,
dienstenleveranciers, alsmede de hulpmiddelen in de eindapparatuur;
nn. Internationaal Telecommunicatieverdrag: het op 22 december 1992 te
Genève tot stand gekomen Statuut en Verdrag van de Internationale Unie
voor Telecommunicatie met de daarbij behorende bijlagen en reglementen (Trb.
1993, 138), de op 14 oktober 1994 te Kyoto tot stand gekomen Akten van
wijziging van het Statuut en het Verdrag van de Internationale Unie voor
Telecommunicatie (Trb. 1995, 201) en de op 6 november 1998 te
Minneapolis tot stand gekomen Akten van wijziging van het Statuut en het
Verdrag van de Internationale Unie voor Telecommunicatie (Trb. 2001,
90);
oo. richtlijn nr. 2002/19/EG: Richtlijn nr. 2002/19/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 inzake de
toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en
bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn) (PbEG L 108);
pp. richtlijn nr. 2002/20/EG: Richtlijn nr. 2002/20/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 betreffende
de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten
(Machtigingsrichtlijn) (PbEG L 108);
qq. richtlijn nr. 2002/21/EG: Richtlijn nr. 2002/21/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 inzake een
gemeenschappelijk regelgevingskader voor
elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn) (PbEG
L 108);
rr. richtlijn nr. 2002/22/EG: Richtlijn nr. 2002/22/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 inzake de
universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot
elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn)
(PbEG L 108);
ss. certificaat: elektronische bevestiging die gegevens voor het
verifiëren van een elektronische handtekening met een bepaalde persoon
verbindt en de identiteit van die persoon bevestigt;
tt. gekwalificeerd certificaat: certificaat dat voldoet aan de eisen,
gesteld krachtens artikel 18.15, tweede lid, en is afgegeven door een
certificatiedienstverlener die voldoet aan de eisen, gesteld krachtens
artikel 18.15, eerste lid;
uu. certificatiedienstverlener: een natuurlijke persoon of rechtspersoon
die certificaten afgeeft of andere diensten in verband met elektronische
handtekeningen verleent;
vv. middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen:
geconfigureerde software of hardware die wordt gebruikt om de gegevens
voor het aanmaken van elektronische handtekeningen te implementeren;
ww. veilig middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen:
een middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen dat
voldoet aan de eisen gesteld krachtens artikel 18.17, eerste lid;
xx. elektronische handtekening: elektronische handtekening als bedoeld
in artikel 15a, vierde lid, van Titel 1, afdeling 1A van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek;
yy. ondertekenaar: voor de toepassing van deze wet geldt de
definitiebepaling van artikel 15a, vijfde lid, van Titel 1, afdeling 1A
van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;
zz. openbare betaaltelefoon: voor het publiek toegankelijk
telefoontoestel waarmee uitgaande gesprekken gevoerd kunnen worden en
waarvan de betaling voor het gebruik kan geschieden door middel van
munten, krediet- of debetkaarten of vooruitbetaalde telefoonkaarten;
aaa. notificatierichtlijn: richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende
een informatieprocedure op het gebied van normen en technische
voorschriften en regels betreffende de diensten van de
informatiemaatschappij (PbEG L 204);
ccc. programmadienst: dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat uit het
aanbieden van programma’s aan het algemene publiek of een deel
daarvan;
bbb. conformiteitsrichtlijn: richtlijn van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie, die geheel of gedeeltelijk berust op artikel
95 van het EG-Verdrag en regels stelt over het op de markt brengen of
het gebruik van apparaten;
ccc. nummerhouder: degene aan wie het college op aanvraag een nummer
heeft toegekend;
ddd. nummergebruiker: degene die een nummer gebruikt;
eee. roamingverordening: verordening nr. 717/2007 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2007 betreffende
roaming op openbare mobiele telefoonnetwerken binnen de Gemeenschap en
tot wijziging van Richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk
regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten
(PbEU L 171).
Artikel 1.2
De bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze wet gelden mede op en
met betrekking tot installaties ter zee in de zin van de Wet
installaties Noordzee.
Artikel 1.3
1.Het college draagt er zorg voor dat zijn besluiten bijdragen aan het
verwezenlijken van de doelstellingen als bedoeld in artikel 8, tweede,
derde en vierde lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG in elk geval door:
a. het bevorderen van concurrentie bij het leveren van elektronische
communicatienetwerken, elektronische communicatiediensten, of
bijbehorende faciliteiten, onder meer door efficiënte investeringen op
het gebied van infrastructuur aan te moedigen en innovaties te steunen;
b. de ontwikkeling van de interne markt;
c. het bevorderen van belangen van eindgebruikers wat betreft keuze,
prijs en kwaliteit.
2.Het college houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden
rekening met aanbevelingen van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van richtlijn nr.
2002/21/EG, voor zover die aanbevelingen betrekking hebben op de bij of
krachtens deze wet aan het college opgedragen taken of verleende
bevoegdheden.
3.Indien het college geen toepassing geeft aan een aanbeveling als
bedoeld in het tweede lid, informeert hij, onder vermelding van de
redenen, de Commissie van de Europese Gemeenschappen en Onze Minister.
4.Indien het college een besluit neemt, dat aanzienlijke gevolgen voor
de desbetreffende markt heeft, onderbouwt het college, onder andere op
basis van een verantwoording van de voorzienbare relevante gevolgen,
zowel in kwalitatieve, als voor zover redelijkerwijs mogelijk in
kwantitatieve zin dat de maatregel noodzakelijk is voor het bereiken van
de in het eerste lid genoemde doelstellingen en dat een andere minder
ingrijpende maatregel niet effectief is.
Hoofdstuk 2. Mededeling en registratie
Artikel 2.1
1. Degene die een openbaar elektronisch communicatienetwerk of een
openbare elektronische communicatiedienst aanbiedt dan wel bijbehorende
faciliteiten aanlegt of aanbiedt, met uitzondering van degene die een
elektronische programmagids aanbiedt, doet daarvan mededeling aan het
college.
2. Het college stelt vast welke gegevens bij de mededeling aan het
college worden overgelegd, alsmede de wijze waarop de mededeling wordt
gedaan. Die gegevens betreffen in ieder geval de naam, het adres, de
vestigingsplaats, respectievelijk de woonplaats en een beschrijving van
de in het eerste lid bedoelde netwerken, diensten of faciliteiten. Het
college doet hiervan mededeling in de Staatscourant.
3. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden slechts verzameld ten
behoeve van de goede uitvoering van deze wet en zijn beperkt tot hetgeen
strikt noodzakelijk is voor het vaststellen van de identiteit en de
hoedanigheid van degene, bedoeld in het eerste lid.
4. Het college registreert degene, bedoeld in het eerste lid, na
ontvangst van de in dat lid bedoelde mededeling en de daarbij behorende
gegevens.
5. Voor het aanbieden of afgeven van gekwalificeerde certificaten aan
het publiek is een registratie door het college vereist van de
certificatiedienstverlener die in Nederland een vestiging heeft. Bij de
aanvraag van een registratie legt de certificatiedienstverlener over:
a. documenten, waaruit de overeenstemming met de bij en krachtens
artikel 18.15, eerste en tweede lid, bedoelde eisen blijkt, en
b. de gegevens waarvoor krachtens artikel 2.4, vierde lid, bij
ministeriële regeling is bepaald, dat die aan het college verstrekt
dienen te worden.
6. Een certificatiedienstverlener waarvan door een organisatie als
bedoeld in artikel 18.16, eerste lid, is vastgesteld dat wordt voldaan
aan de eisen, gesteld bij of krachtens artikel 18.15, eerste en tweede
lid, kan om te voldoen aan het bepaalde krachtens de tweede volzin van
het vijfde lid onder a, volstaan met het overleggen van een geldig
bewijs van die vaststelling.
7. Het college is bevoegd te bepalen welke andere gegevens bij de
aanvraag van een registratie dienen te worden overgelegd.
Artikel 2.2
1. Het college gaat niet over tot registratie als bedoeld in artikel
2.1, vierde lid, indien:
a. de mededeling geen betrekking heeft op een openbaar elektronisch
communicatienetwerk, een openbare elektronische communicatiedienst, of
bijbehorende faciliteiten, of
b. de op grond van artikel 2.1, tweede lid, te overleggen gegevens niet,
onvolledig, of niet juist zijn verstrekt.
2. Het college weigert een registratie als bedoeld in artikel 2.1,
vijfde lid, indien de gevraagde registratie geen betrekking heeft op het
aanbieden of afgeven van gekwalificeerde certificaten aan het publiek.
3. Het college kan de registratie van een certificatiedienstverlener
weigeren indien de door hem op grond van artikel 2.1, vijfde, zesde of
zevende lid, te overleggen gegevens niet, onvolledig of niet juist zijn
verstrekt.
4. Het college beëindigt of wijzigt de registratie:
a. indien de grond voor registratie is vervallen;
b. indien een certificatiedienstverlener activiteiten of diensten
verricht in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet,
c. indien het college heeft vastgesteld dat de
certificatiedienstverlener niet of niet geheel voldoet aan de eisen
bedoeld in artikel 18.15, eerste en tweede lid, en de
certificatiedienstverlener niet binnen de door het college gestelde
termijn heeft aangetoond aan deze eisen te voldoen. Indien de
certificatiedienstverlener aantoont redelijkerwijs niet binnen de
gestelde termijn aan de eisen te kunnen voldoen, kan het college de
termijn verlengen; of
d. indien het college heeft vastgesteld dat de
certificatiedienstverlener de gegevens, bedoeld in artikel 2.1, vijfde
lid, onder b, of wijzigingen daarin niet, onvolledig of niet juist heeft
verstrekt, en de certificatiedienstverlener niet binnen de door het
college gestelde termijn de volledige of juiste gegevens alsnog
verstrekt.
5. Indien de certificatiedienstverlener aantoont redelijkerwijs niet
binnen de gestelde termijn, bedoeld in het vierde lid, onder c, aan de
eisen, bedoeld in dat onderdeel, te kunnen voldoen, of binnen de
gestelde termijn, bedoeld in het vierde lid, onder d, alsnog de juiste
gegevens, bedoeld in dat onderdeel, te kunnen verstrekken, kan het
college de termijn verlengen.
Artikel 2.3
1. In het belang van de goede uitvoering van deze wet wordt door het
college een register van de registraties bijgehouden. In het register
worden in ieder geval de naam, het adres en de vestigingsplaats,
respectievelijk de woonplaats van de geregistreerde vermeld.
2. Het register ligt voor eenieder kosteloos ter inzage op een door het
college te bepalen plaats. De gegevens uit het register zijn kosteloos
op elektronische wijze te raadplegen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:
a. de door het college in het register te vermelden gegevens anders dan
die, bedoeld in het eerste lid;
b. de opzet, structuur en elektronische wijze van raadpleging van het
register.
4. Indien de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, nadere
regels stelt over de in het register te vermelden gegevens, kan daarbij
tevens worden bepaald welke van die gegevens door een
certificatiedienstverlener aan het college verstrekt dienen te worden
tot opname in het register.
5. De geregistreerde geeft aan het college onverwijld alle wijzigingen
door die van invloed zijn op de registratie of op de in het register
opgenomen gegevens die krachtens het vierde lid zijn verstrekt.
6. Het college brengt het register in overeenstemming met de wijzigingen
die voortvloeien uit artikel 2.2, vierde lid, of met de wijzigingen die
het college op grond van het vijfde lid heeft ontvangen.
7. Onverminderd het zesde lid, kan het college de gegevens met
betrekking tot de registratie wijzigen indien dit noodzakelijk is om
feitelijke onjuistheden van eenvoudige aard weg te nemen.
Artikel 2.4
1.Het college verstrekt zo spoedig mogelijk na de registratie, bedoeld
in artikel 2.1, vierde lid, aan de desbetreffende geregistreerde een
schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de mededeling, bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, aan het college is gedaan. Bij de verklaring
worden tevens vermeld de geldende wettelijke bepalingen inzake het
medegebruik van antenne-opstelpunten, antennesystemen of antennes, de
gedoogplicht voor de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels,
eind- tot eindverbindingen, alsmede toegang met betrekking tot
aanbieders met aanmerkelijke marktmacht.
2.Het college verstrekt de verklaring, bedoeld in het eerste lid, in
afwijking van dat lid, binnen een week na ontvangst van een daartoe
strekkend schriftelijk verzoek van een geregistreerde als bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 2.5
Het college is verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel d,
van de Wet bescherming persoonsgegevens voor de gegevensverzameling,
bedoeld in artikel 2.1 en voor het register, bedoeld in artikel 2.3.
Hoofdstuk 3. Frequentiebeleid en frequentiebeheer
§ 3.1. Frequentieplan en frequentieregister
Artikel 3.1
1.Onze Minister stelt, in overeenstemming met het gevoelen van de
ministerraad een frequentieplan vast, dat in ieder geval de verdeling
van frequentieruimte over te onderscheiden bestemmingen alsmede over
categorieën van gebruik bevat. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de inrichting van
het frequentieplan.
2.Op de voorbereiding van het frequentieplan is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 3.2
1.Door Onze Minister wordt een frequentieregister bijgehouden, dat een
overzicht bevat van frequentieruimtes waarvoor krachtens dit hoofdstuk
vergunningen zijn verleend, alsmede van de duur waarvoor deze
vergunningen gelden.
2.Het register ligt voor eenieder kosteloos ter inzage op een door Onze
Minister te bepalen plaats.
§ 3.2. Vergunningverlening voor het gebruik van frequentieruimte
Artikel 3.3
1. Voor het gebruik van frequentieruimte is een vergunning vereist van
Onze Minister welke op aanvraag kan worden verleend.
2. Vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte ten behoeve van de
uitvoering van vitale overheidstaken, van het verzorgen van taken ter
uitvoering van de publieke mediaopdracht, bedoeld in artikel 2.1 van de
Mediawet 2008, of ter uitvoering van een wettelijk voorschrift worden
bij voorrang verleend. Voor zover een vergunning niet krachtens het
derde lid dient te worden verleend, bepaalt Onze Minister in
overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, in welke omvang
ter uitvoering van de publieke mediaopdracht, bedoeld in artikel 2.1 van
de Mediawet 2008, vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte bij
voorrang worden verleend. Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
wordt bij de vaststelling van de omvang van de frequentieruimte die aan
de publieke media-instellingen bij voorrang bij vergunning wordt
verleend, bepaald welke technische eigenschappen de uitzendingen van de
programma’s van de publieke media-instellingen dienen te hebben.
3. Bij het verlenen van vergunningen voor het gebruik van
frequentieruimte op het terrein van de publieke mediaopdracht wordt het
navolgende in acht genomen:
a. voor de algemene programmakanalen van de landelijke publieke
mediadienst, bedoeld in artikel 2.50 van de Mediawet 2008, wordt ten
minste een vergunning verleend op zodanige wijze dat een landelijk
bereik mogelijk is;
b. voor iedere provincie wordt aan de media-instelling die voor de
desbetreffende provincie op grond van hoofdstuk 2, titel 2.3, van de
Mediawet 2008 is aangewezen voor de verzorging van de regionale publieke
mediadienst voor ten minste één omroepnet voor radio, een vergunning
verleend op zodanige wijze, dat een provinciaal bereik mogelijk is;
c. als in een provincie twee of meer regionale publieke
media-instellingen op grond van hoofdstuk 2, titel 2.3, van de Mediawet
2008 zijn aangewezen zal, onverminderd artikel 3.6, aan elk van die
media-instellingen vergunning worden verleend voor een bereik dat ten
minste gelijk is aan de onderscheidene verzorgingsgebieden, voor zover
dit technisch mogelijk is;
d. aan iedere lokale publieke media-instelling die op grond van
hoofdstuk 2, titel 2.3, van de Mediawet 2008 is aangewezen, wordt,
onverminderd artikel 3.6, voor ten minste één omroepnet voor radio
vergunning verleend voor een bereik dat ten minste gelijk is aan het
verzorgingsgebied, voor zover dit technisch mogelijk is, en een
doelmatig gebruik van het frequentiespectrum zich daartegen niet verzet.
4. De verlening van vergunningen in andere gevallen dan bedoeld in het
tweede lid geschiedt:
a. op volgorde van binnenkomst van de aanvragen;
b. door middel van een vergelijkende toets, al dan niet met inbegrip van
een financieel bod, of
c. door middel van een veiling.
5. De keuze voor toepassing van een van de procedures, bedoeld in het
vierde lid, geschiedt door Onze Minister, met dien verstande dat
voorzover het de verlening van vergunningen voor het gebruik van
frequentieruimte door of ten behoeve van commerciële omroepinstellingen
als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008 betreft, de keuze
geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Daarbij kan, met inachtneming van
het frequentieplan, tevens nader de bestemming van de frequentieruimte
worden bepaald waarop de keuze betrekking heeft.
6. Voorzover de in het vijfde lid bedoelde keuze betrekking heeft op het
al dan niet toepassen van het financiële bod bij de toepassing van de
vergelijkende toets, geschiedt deze tevens in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën.
7. Nadat op grond van een op basis van het vijfde en zesde lid gemaakte
keuze een vergunning voor een bepaalde bestemming is verleend, wordt,
zolang er in die bestemming nog houders van vergunningen voor het
gebruik van frequentieruimte zijn, bij elke volgende uitgifte van
frequentieruimte voor die bestemming een vergelijkbare procedure
toegepast, tenzij dit ten gevolge van gewijzigde omstandigheden
betreffende het gebruik van die frequentieruimte niet langer leidt tot
een optimaal gebruik van frequentieruimte.
8. De uitvoering van de procedure, bedoeld in het vierde lid, onder b,
geschiedt indien het de verlening van vergunningen voor het gebruik van
frequentieruimte door of ten behoeve van commerciële omroepinstellingen
betreft, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in
overeenstemming met Onze Minister.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden, met
inachtneming van richtlijn nr. 2002/20/EG (PbEG L 117), regels gesteld
terzake van de verlening, wijziging en verlenging van vergunningen.
Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. de eisen die, voorafgaande aan een van de procedures, bedoeld in het
vierde lid, aan een aanvrager worden gesteld om in aanmerking te komen
voor een vergunning,
b. de toepassing en uitvoering van de procedures, bedoeld in het vierde
lid, en
c. de criteria die worden toegepast bij een vergelijkende toets als
bedoeld in het vierde lid, onder b.
10. Onze Minister kan besluiten dat een of meer aanbieders van openbare
elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten worden uitgesloten van het verkrijgen van een
vergunning voor het gebruik van bij dat besluit te bepalen
frequentieruimte indien die vergunning wordt verleend volgens een
procedure als bedoeld in het vierde lid, onder b, of onder c, met dien
verstande dat dit slechts kan geschieden indien dat met het oog op de
totstandbrenging of instandhouding van daadwerkelijke mededinging
noodzakelijk is.
11. De vergunning wordt verleend voor een bij die vergunning te bepalen
termijn. De vergunning kan worden verlengd met een door Onze Minister te
bepalen termijn.
Artikel 3.3a
1.Teneinde een optimaal gebruik van frequentieruimte te waarborgen kan,
in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, en waar het betreft
het gebruik van frequentieruimte door commerciële omroepinstellingen
mede in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, met inachtneming van richtlijn nr. 2002/20/EG, bij
ministeriële regeling worden bepaald dat de verkrijger of houder van
een vergunning, de houder van een vergunning van wie de vergunning wordt
of is verlengd hieronder begrepen, anders dan een vergunning als bedoeld
in artikel 3.3, tweede lid, voor het gebruik van frequentieruimte voor
een op grond van artikel 3.3, vijfde lid, bepaalde bestemming een
eenmalig of periodiek bedrag verschuldigd is.
2.De hoogte van het te betalen bedrag is bij:
a. een eenmalig bedrag gelijk aan een bij de in het eerste lid bedoelde
ministeriële regeling vast te stellen bedrag gerelateerd aan de in het
jaar van vergunningverlening bepaalde contante waarde van de gedurende
de looptijd van de vergunning uit de exploitatie van de vergunning te
verwachten voordelen, dan wel de gedurende de looptijd van de vergunning
uit de exploitatie van de vergunning te verwachten omzet,
b. een periodiek bedrag gelijk aan een bij de in het eerste lid bedoelde
ministeriële regeling te bepalen percentage van de in een boekjaar
behaalde voordelen die, onder welke naam dan ook, worden verkregen uit
de exploitatie van de toegekende vergunning, dan wel een bij de
ministeriële regeling te bepalen percentage van de in een boekjaar aan
de exploitatie van de vergunning toe te rekenen omzet.
3.De in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling kan nadere regels
bevatten over de wijze waarop de in het tweede lid, onder a en b,
bedoelde voordelen uit de exploitatie van de vergunning of de uit de
exploitatie van de vergunning te verwachten omzet worden bepaald.
4.De verplichting tot het betalen van een eenmalig of periodiek bedrag
bestaat slechts indien de in het eerste lid bedoelde ministeriële
regeling in werking is getreden voor het tijdstip dat in de
aanvraagprocedure is vastgesteld als het tijdstip waarop de aanvraag
voor de vergunning kan worden ingediend, dan wel, indien het een
vergunning betreft die wordt verleend op de in artikel 3.3, vierde lid,
onder a, bedoelde wijze, in werking is getreden op het moment dat de
aanvraag is ingediend.
5.Bij een verlenging van een vergunning voor het gebruik van
frequentieruimte kan, in afwijking van het vierde lid, in het geval de
aanvraag tot verlenging wordt gedaan op een tijdstip waarop Onze
Minister het voornemen heeft binnen dezelfde bestemming vergunningen te
gaan verlenen door middel van een veiling dan wel een vergelijkende
toets met een financieel bod, de verplichting tot het betalen van een
eenmalig of periodiek bedrag ook bestaan indien de in het eerste lid
bedoelde ministeriële regeling in werking is getreden op een tijdstip
gelegen na het tijdstip waarop de aanvraag tot verlenging is gedaan,
mits:
a. de aanvrager alvorens het besluit tot verlenging wordt genomen wordt
gewezen op het bestaan van het bedoelde voornemen tot
vergunningverlening,
b. het tijdstip van inwerkingtreding van bedoelde ministeriële regeling
ligt binnen vier weken na de dag waarop de verlening van vergunningen
ten gevolge van de veiling dan wel de vergelijkende toets, heeft
plaatsgevonden, en
c. de verlening van vergunningen ten gevolge van de veiling dan wel de
vergelijkende toets, heeft plaatsgevonden binnen een jaar nadat de
vergunning is verlengd.
6.In het geval bedoeld in het vijfde lid kan in de in het eerste lid
bedoelde ministeriële regeling een onderscheid gemaakt worden tussen de
houders van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte van wie
de vergunning reeds een of meerdere malen is verlengd en de houders van
een vergunning waarbij dit niet het geval is. Een dergelijk onderscheid
kan slechts gemaakt worden indien dit nodig is om beide categorieën
vergunninghouders voor wat betreft de op hen bij of krachtens deze wet
voor het gebruik van de frequentieruimte rustende financiële
verplichtingen in een vergelijkbare positie te brengen.
7.Een verplichting tot betaling van een eenmalig of periodiek bedrag
voortvloeiend uit een ministeriële regeling die, met gebruikmaking van
het vijfde lid, inwerking treedt nadat de vergunning is verlengd bestaat
niet indien de verlengde vergunning op verzoek wordt ingetrokken, mits
het verzoek gedaan is binnen vier weken na inwerkingtreding van
voornoemde ministeriële regeling.
8.In het geval dat:
a. op grond van het eerste lid bij ministeriële regeling is bepaald dat
voor het gebruik van frequentieruimte met een op grond van artikel 3.3,
vijfde lid, bepaalde bestemming een eenmalig of periodiek bedrag
verschuldigd is, zal, zolang er in die bestemming nog houders van
vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte zijn, houders van
vergunningen van wie de vergunning is verlengd uitgezonderd, bij elke
volgende uitgifte van frequentieruimte met die bestemming op een
vergelijkbare wijze voor het gebruik van de frequentieruimte een bedrag
verschuldigd zijn, tenzij dit ten gevolge van gewijzigde omstandigheden
betreffende het gebruik van die frequentieruimte niet langer leidt tot
een optimaal gebruik van frequentieruimte;
b. voor het gebruik van frequentieruimte met een op grond van artikel
3.3, vijfde lid, bepaalde bestemming geen gebruik wordt gemaakt van de
in het eerste lid geboden mogelijkheid om voor het gebruik van die
frequentieruimte een eenmalig of periodiek bedrag te vragen wordt,
zolang er in die bestemming nog houders van vergunningen voor het
gebruik van frequentieruimte zijn, houders van vergunningen van wie de
vergunning is verlengd uitgezonderd, ook bij elke volgende uitgifte met
die bestemming van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt, tenzij dit ten
gevolge van gewijzigde omstandigheden betreffende het gebruik van die
frequentieruimte niet langer leidt tot een optimaal gebruik van
frequentieruimte.
9.Bij de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling kan worden
bepaald dat het bedrag verschuldigd uit hoofde van een veiling of een
vergelijkende toets met de mogelijkheid tot een financieel bod,
vermeerderd met een op grond van die regeling verschuldigd eenmalig of
periodiek bedrag een bepaalde hoogte niet te boven zal gaan.
10.In geval toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het negende lid
en de verlening van een vergunning plaatsvindt door middel van een
veiling, wordt, indien meer dan één geldig bod wordt uitgebracht dat
bij verlening van de vergunning zou leiden tot financiële
verplichtingen gelijk aan of groter dan de op grond van het negende lid
bij ministeriële regeling bepaalde hoogte, het tot vergunningverlening
leidende bod uit deze biedingen bepaald door middel van het lot.
Artikel 3.4
1.In afwijking van artikel 3.3 is geen vergunning vereist voor gebruik
van in het frequentieplan aangewezen frequentieruimte die:
a. al dan niet tezamen met bij ministeriële regeling aan te wijzen
categorieën van radiozendapparaten voor een in het frequentieplan
aangegeven bestemming door eenieder mag worden gebruikt;
b. tot gebruik strekt van door Onze Minister aan te wijzen
overheidsorganen, belast met de zorg voor de veiligheid van de staat, de
defensie alsmede de handhaving van de rechtsorde;
c. voor een in het frequentieplan aangegeven bestemming vergunningvrij
mag worden gebruikt.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot:
a. het gebruik van aangewezen frequentieruimte, bedoeld in het eerste
lid;
b. de aanwijzing bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
c. eisen voor gebruikers van frequentieruimte;
d. een meldings- en registratieplicht voor het gebruik van
frequentieruimte als bedoeld in het eerste lid, onder c.
Artikel 3.4a
1.Indien vergunningen als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, worden
verleend volgens de procedure bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onder
b, of onder c, kan in het belang van een evenwichtige verdeling van
schaarse frequentieruimte, voor bij ministeriële regeling aan te wijzen
diensten, bij die regeling de maximale hoeveelheid frequentieruimte
worden vastgesteld die een aanvrager bij verlening van bedoelde
vergunningen kan verkrijgen.
2.Indien een aanvrager een onderneming is die rechtstreeks of middellijk
een dominerende invloed kan uitoefenen op een andere aanvrager worden
zij als één aanvrager aangemerkt.
3.Indien de andere aanvrager bedoeld in het tweede lid de rechtsvorm van
een privaatrechtelijke rechtspersoon heeft, wordt dominerende invloed
als bedoeld in het tweede lid vermoed te kunnen worden uitgeoefend
wanneer de onderneming rechtstreeks of middellijk:
a. over de meerderheid van de stemrechten, verbonden aan de door de
rechtspersoon uitgegeven aandelen beschikt, of
b. meer dan de helft van de leden van het bestuur of het toezichthoudend
orgaan benoemt.
4.Dit artikel blijft buiten toepassing als artikel 6.24 van de Mediawet
2008 van toepassing is.
Artikel 3.5
1.Een vergunning kan in het belang van een goede verdeling van
frequentieruimte, alsmede in het belang van een ordelijk en doelmatig
gebruik van frequentieruimte onder beperkingen worden verleend. In die
belangen kunnen aan een vergunning voorschriften worden verbonden.
2.Onverminderd het eerste lid kan bij een vergunning worden
voorgeschreven dat de frequentieruimte waarop de vergunning ziet moet
worden gebruikt voor de verzorging voor het publiek van bij de
vergunning aan te wijzen diensten. In dat geval kunnen de in het eerste
lid bedoelde beperkingen en voorschriften tevens zien op het belang van
een goede dienstverlening.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld terzake van de beperkingen waaronder een vergunning kan worden
verleend en de voorschriften die op grond van het eerste of tweede lid
aan een vergunning kunnen worden verbonden.
4.In het geval frequentieruimte moet worden gebruikt voor de verzorging
voor het publiek van diensten als bedoeld in het tweede lid, kunnen bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur in het belang van een goede
dienstverlening regels worden gesteld voor aanbieders van die diensten.
Artikel 3.6
1.Een vergunning wordt door Onze Minister geweigerd indien:
a. verlening daarvan in strijd is met het frequentieplan;
b. een doelmatig gebruik van het frequentiespectrum dit vordert;
c. reeds een vergunning voor het gebruik van de in de aanvraag gevraagde
frequentieruimte is verleend, tenzij gedeeld gebruik van
frequentieruimte mogelijk is;
d. deze is gevraagd voor het verspreiden van programma-aanbod anders dan
ter uitvoering van de publieke mediaopdracht, bedoeld in artikel 2.1 van
de Mediawet 2008, en de vergunning anders dan bij voorrang wordt
verleend;
e. feiten of omstandigheden er naar het oordeel van Onze Minister op
duiden dat de veiligheid van de staat of de openbare orde door het
verlenen van de vergunning in gevaar kan worden gebracht, of
f. verlening daarvan in strijd zou zijn met de bij of krachtens deze
wet, dan wel bij of krachtens de artikelen 6.23 of 6.24 van de Mediawet
2008, gestelde regels.
2.Een vergunning kan door Onze Minister worden geweigerd, indien:
a. een eerder verleende vergunning is ingetrokken wegens overtreding van
bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel van de aan de
vergunning verbonden voorschriften;
b. de aanvrager niet heeft voldaan aan op hem rustende verplichtingen,
voortvloeiend uit een eerder aan hem verleende vergunning;
c. de aanvraag of de aanvrager niet voldoet aan de daarvoor bij of
krachtens deze wet gestelde regels, of
d. door het verlenen van de vergunning aan de aanvrager de
daadwerkelijke mededinging op de relevante markt in aanzienlijke mate
zou worden beperkt, met dien verstande dat naar redelijkheid rekening
wordt gehouden met gerechtvaardigde belangen bij het gebruik van nieuwe
technologie, of
e. de vrees is gewettigd dat door het verlenen van een vergunning
ontoelaatbare belemmeringen worden veroorzaakt door het gewenste signaal
van radiozendapparaten in andere radiozendapparaten, ontvanginrichtingen
of elektrische of elektronische inrichtingen.
Artikel 3.7
1.Een vergunning wordt door Onze Minister ingetrokken indien:
a. de houder van de vergunning hierom verzoekt;
b. de naleving van een bindend besluit van een instelling van de
Europese Unie of de nakoming van Nederland bindende verdragen en
besluiten van volkenrechtelijke organisaties dit vordert.
2.Een vergunning kan door Onze Minister voorts slechts worden
ingetrokken indien:
a. de houder van de vergunning niet meer voldoet aan de aan hem gestelde
eisen om in aanmerking te komen voor een vergunning;
b. de houder van de vergunning de bij of krachtens deze wet, dan wel bij
of krachtens de artikelen 6.10, 6.23 of 6.24 van de Mediawet 2008
gestelde regels dan wel de aan de vergunning verbonden voorschriften
niet nakomt;
c. een doelmatig gebruik van het frequentiespectrum dit vordert;
d. de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de vergunning
ernstig gevaar zal opleveren voor de veiligheid van de staat of de
openbare orde;
e. de gronden waarop de vergunning is verleend zijn vervallen, of
f. de instandhouding van de vergunning de daadwerkelijke mededinging op
de relevante markt in aanzienlijke mate zou beperken.
g. de vergunning met toepassing van artikel 3.4a is verleend en de
zeggenschap over het gebruik van de vergunning is overgegaan naar een
andere vergunninghouder aan wie eveneens met toepassing van dat artikel
een vergunning is verleend voor frequentieruimte met een zelfde
bestemming, en daardoor de maximale hoeveelheid te verkrijgen
frequentieruimte wordt overschreden en rekeninghoudend met de dan
geldende omstandigheden een evenwichtige verdeling van schaarse
frequentieruimte het in stand laten van de vergunning niet langer
rechtvaardigt.
3.Op de gronden, genoemd in het tweede lid, kan Onze Minister in plaats
van de vergunning intrekken deze ook wijzigen.
Artikel 3.8
1.Een vergunning kan op aanvraag van de houder van die vergunning geheel
of gedeeltelijk aan een ander worden overgedragen met toestemming van
Onze Minister onverminderd hetgeen is bepaald in het derde lid.
2.De voorschriften en beperkingen die aan een geheel of gedeeltelijk
over te dragen vergunning zijn verbonden kunnen met het oog op het
waarborgen van bestaande belangen worden gewijzigd dan wel aangevuld met
nieuwe voorschriften of beperkingen.
3.De artikelen 3.3, tiende lid, en 3.6 zijn van overeenkomstige
toepassing.
4.Indien de toestemming betrekking heeft op de overdracht van een
vergunning voor het gebruik van frequentieruimte die bestemd is voor het
aanbieden van openbare elektronische communicatienetwerken of openbare
elektronische communicatiediensten, doet Onze Minister mededeling in de
Staatscourant van het besluit tot die toestemming, van het al dan niet
gewijzigd zijn van de aan de vergunning verbonden voorschriften alsmede
van het besluit nieuwe voorschriften aan de vergunning te verbinden.
§ 3.3. Bijzonder gebruik van frequentieruimte
Artikel 3.9
In de gevallen waarin samenwerking tussen vergunninghouders van
frequentieruimte noodzakelijk is voor het kunnen gebruiken van de aan
hen toegewezen frequentieruimte, sluiten de betreffende
vergunninghouders binnen een periode van ten hoogste zes weken na
verlening van de vergunning een overeenkomst betreffende de voorwaarden
tot gezamenlijk gebruik van dat deel van de frequentieruimte.
Artikel 3.10
1.Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie,
toestemming geven tot een gebruik van de frequentieruimte dat afwijkt
van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk, wanneer dit
noodzakelijk is:
a. ter voorkoming, beëindiging of opsporing van een misdrijf als
omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere
strafbare feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert;
b. ter vaststelling van de verblijfplaats van een aan te houden persoon
op de voet van het bepaalde in artikel 565, tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering;
c. ter vaststelling van de plaats waar zich een persoon bevindt van wie
moet worden gevreesd dat deze in acuut levensgevaar verkeert of ter
beëindiging van een zodanig acuut levensgevaar;
d. ten behoeve van oefendoeleinden.
2.Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderscheidenlijk Onze
Minister van Defensie, toestemming geven tot een gebruik van de
frequentieruimte dat afwijkt van het bepaalde bij of krachtens dit
hoofdstuk, wanneer dit noodzakelijk is ter uitvoering van de aan de
Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst onderscheidenlijk Militaire
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst opgedragen taken in de Wet op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
3.In overeenstemming met Onze Minister van Justitie onderscheidenlijk
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of Onze
Minister van Defensie, kan bij ministeriële regeling van het
toestemmingsvereiste, bedoeld in het eerste of tweede lid, vrijstelling
worden verleend onder bij die regeling te stellen voorschriften.
4.In afwijking van het eerste lid is gebruik van frequentieruimte dat
afwijkt van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk eveneens
mogelijk wanneer dit nodig is teneinde toepassing te kunnen geven aan de
strafvorderlijke bevoegdheden tot het onderzoek van telecommunicatie,
mits:
a. dit gebruik plaatsvindt met behulp van apparatuur die voldoet aan bij
algemene maatregel van bestuur te stellen eisen en door bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen ambtenaren;
b. daartoe een last wordt verstrekt door een tot het onderzoek van
telecommunicatie bevoegde autoriteit, en
c. dit plaatsvindt met het doel de gegevens, bedoeld in artikel 13.4,
eerste lid, onderscheidenlijk artikel 13.4, tweede lid, te achterhalen
en het door de aanbieder voldoen aan de vordering van deze gegevens
onvoldoende het belang van de strafvordering dient.
5.De Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de
voorbereiding, totstandkoming en tenuitvoerlegging van een besluit,
genomen bij of krachtens het eerste tot en met derde lid.
§ 3.4. Antenne-opstelpunten, antennesystemen en antennes
Artikel 3.11
1.De houders van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte
die bestemd is voor het aanbieden van openbare telecommunicatienetwerken
of openbare telecommunicatiediensten, zijn over en weer verplicht te
voldoen aan redelijke verzoeken tot het medegebruik van
antenne-opstelpunten. Hierbij worden in ieder geval de technische
mogelijkheden in acht genomen.
2.In het geval dat voor het verlenen van medegebruik toestemming van een
derde is vereist, is deze daartoe slechts gehouden indien het een
redelijk verzoek betreft en hij:
a. direct of indirect een relevant economisch belang heeft in de houder,
bedoeld in het eerste lid, tot wie het verzoek is gericht;
b. deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek waartoe een andere groepsmaatschappij als bedoeld
in dat artikel behoort, die een direct of indirect relevant economisch
belang heeft in de houder van een vergunning.
3.De houder, bedoeld in het eerste lid, en de derde die op grond van het
tweede lid gehouden is toestemming te verlenen, stellen het medegebruik
ter beschikking tegen een redelijke vergoeding.
4.Aanbieders van elektronische communicatienetwerken die bestaan uit
radiozendapparaten die geschikt zijn voor het verspreiden van programma’s,
alsmede aanbieders van antenne-opstelpunten welke bestemd zijn om
genoemde genoemde netwerken te ondersteunen, voldoen aan redelijke
verzoeken tot medegebruik van antenne-opstelpunten, antennesystemen of
antennes. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.12
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
gesteld worden met betrekking tot het bepaalde in artikel 3.11. Hierbij
kunnen aan het college taken worden opgedragen en bevoegdheden worden
verleend.
2.De in het eerste lid bedoelde regels kunnen in ieder geval betrekking
hebben op:
a. de door degene, bedoeld in artikel 3.11, eerste of vierde lid, te
verstrekken informatie over de antenne-opstelpunten waarover zij
beschikken;
b. het reserveren van ruimte op antenne-opstelpunten voor eigen gebruik
of voor medegebruik;
c. de termijnen waarbinnen op een verzoek als bedoeld in artikel 3.11,
eerste lid, tot medegebruik van een antenne-opstelpunt moet worden
beslist;
d. de vergoeding, bedoeld in artikel 3.11, derde lid.
Artikel 3.13
Onverminderd artikel 3.12 is het college bevoegd om op eigen initiatief
in concrete gevallen maatregelen te nemen die gericht zijn op de
verwezenlijking van de in artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van
richtlijn nr. 2002/21/EG genoemde doelstellingen. Op de voorbereiding
van een besluit van het college en op het besluit van het college is de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het college handelt bij
gebruikmaking van zijn bevoegdheid als bedoeld in de eerste volzin, met
inachtneming van bij ministeriële regeling te geven voorschriften.
Artikel 3.14
1. Onze Minister houdt een openbaar antenneregister met gegevens
betreffende antenne-opstelpunten, antennesystemen en antennes.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de soorten gegevens die in het register worden opgenomen
en degenen die worden verplicht tot het verstrekken van gegevens ten
behoeve van het register.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
over de inrichting van het register, het tijdstip en de wijze waarop de
gegevens voor opneming in het register dienen te worden aangeleverd,
alsmede de wijze waarop van de gegevens kan worden kennis genomen.
Hoofdstuk 4. Nummerbeleid en nummerbeheer
Artikel 4.1
1.Onze Minister stelt, na overleg met het college, nummerplannen vast
waarin in ieder geval de bestemming van de daarin opgenomen nummers
wordt aangegeven. In een nummerplan kan worden bepaald dat eenzelfde
nummer aan meerdere aanvragers kan worden toegekend.
2.Op de voorbereiding van een nummerplan is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing.
3.Het tweede lid is niet van toepassing indien het vast te stellen
nummerplan slechts betrekking heeft op:
a. het uitbreiden van nummercapaciteit, welke het gevolg is van een
toewijzing van nummers aan Nederland door een internationale
organisatie,
b. de implementatie van een besluit van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie, van de Raad van de Europese Unie of van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen, of
c. overige wijzigingen die van ondergeschikte aard zijn en waarvan in
het nummerplan is opgenomen dat op een dergelijke wijziging artikel 4.1,
tweede lid, niet van toepassing is.
4.Het is verboden voor een bestemming die voorkomt in een nummerplan
andere nummers te gebruiken dan de nummers die in dat plan voor die
bestemming zijn opgenomen.
Artikel 4.1a
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering
van overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG
vastgestelde technische uitvoeringsmaatregelen inzake de harmonisatie
van nummervoorraden in de Europese Unie teneinde de ontwikkeling van
pan-Europese diensten te ondersteunen.
Artikel 4.2
1.Nummers die in een nummerplan of in een op grond van het vijfde lid
vastgestelde aanwijzing zijn opgenomen kunnen op aanvraag door het
college worden toegekend aan:
a. een aanbieder van een elektronisch communicatienetwerk ten behoeve
van het verzorgen van elektronische communicatiediensten over zijn
elektronisch communicatienetwerk;
b. een aanbieder van een elektronische communicatiedienst ten behoeve
van het verzorgen van zijn elektronische communicatiedienst, of
c. een natuurlijke persoon of rechtspersoon ten behoeve van het gebruik
van een elektronische communicatiedienst.
2.Een besluit over een aanvraag om toekenning van nummers wordt binnen
drie weken na ontvangst van de aanvraag genomen en bekendgemaakt. Indien
de aanvraag betrekking heeft op een nummer, waarvan in een nummerplan is
vastgelegd dat dit wordt toegekend door middel van een procedure van
veiling, wordt de termijn verlengd met drie weken.
3.In het belang van een doelmatige toekenning van nummers kan bij
ministeriële regeling worden bepaald dat nummers voor een bij die
regeling aangewezen bestemming of categorie van gevallen, slechts kunnen
worden toegekend aan één, onderscheidenlijk twee, van de in het eerste
lid, onder a tot en met c, bedoelde categorieën van aanvragers.
4.Een toekenning van nummers kan in het belang van een doelmatig gebruik
van nummers onder beperkingen worden verleend. In dat belang kunnen aan
een toekenning voorschriften worden verbonden.
5.Gedurende de voorbereiding van een nummerplan kan het college, in
overeenstemming met door Onze Minister aan te wijzen bestemmingen en de
daarbij behorende nummers, nummers toekennen gedurende een bij dat
besluit vast te stellen termijn. Het verbod van artikel 4.1, derde lid,
is van overeenkomstige toepassing op de door Onze Minister aangewezen
nummers.
6.Indien meer aanvragen met een gelijke voorkeur om toekenning van een
bepaald nummer, dan wel bepaalde nummers op dezelfde dag bij het college
ter behandeling zijn ingediend, besluit het college op die aanvragen
door middel van het lot. Van deze procedure zijn uitgesloten nummers als
bedoeld in het zevende lid en nummers als bedoeld in artikel 4.2b.
7.Nummers van uitzonderlijke economische waarde worden toegekend door
middel van een procedure van veiling, indien dit met betrekking tot die
nummers in een nummerplan is vastgelegd. De opbrengst van de veiling
komt toe aan de Staat.
8.In afwijking van het bepaalde in het zesde en het zevende lid kan het
college:
a. besluiten een nummer, niet zijnde een nummer van uitzonderlijke
economische waarde, op de dag van aanvraag toe te kennen, mits de
aanvrager geen specifiek nummer aanvraagt, en
b. in uitzonderlijke omstandigheden besluiten een nummer van
uitzonderlijke economische waarde op de dag van aanvraag toe te kennen
voor een door het college vast te stellen termijn die niet langer is dan
drie maanden.
9.Indien voor de toekenning van een nummer als bedoeld in het zevende
lid slechts één aanvrager overeenkomstig de bij of krachtens deze wet
gestelde regels in aanmerking komt, wordt aan deze aanvrager het nummer
toegekend zonder toepassing van een veiling.
10.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de aanvraagprocedures van nummers als bedoeld
in het zevende en achtste lid, met betrekking tot de veilingprocedure en
met betrekking tot de lotingprocedure.
11.Het is verboden nummers door Onze Minister aangewezen overeenkomstig
het vijfde lid, alsmede nummers voorkomende in een nummerplan te
gebruiken voor de in de aanwijzing onderscheidenlijk in een nummerplan
opgenomen bestemming zonder of in afwijking van een toekenning.
Artikel 4.2a
1.Nummers die worden toegekend door middel van een procedure van veiling
worden voor onbepaalde tijd toegekend, tenzij Onze Minister in het
betreffende nummerplan een maximumduur van de toekenning heeft
vastgelegd.
2.Een nummer waarvoor een maximumduur is opgenomen in een nummerplan
wordt niet eerder dan een jaar nadat de maximumtermijn van de toekenning
is verstreken in gebruik genomen, indien het nummer door de daarop
volgende toekenning van nummerhouder verandert.
Artikel 4.2b
In de gevallen waarin samenwerking tussen nummerhouders noodzakelijk is
voor het kunnen gebruiken van een nummer dat aan twee of meer
nummerhouders is toegekend, sluiten de nummerhouders binnen een periode
van ten hoogste zes weken nadat het nummer aan hen is toegekend een
overeenkomst betreffende de voorwaarden tot gezamenlijk gebruik van dat
nummer.
Artikel 4.3
1.Een toekenning wordt geweigerd, indien:
a. de aanvrager niet behoort tot een van de categorieën, genoemd in
artikel 4.2, eerste lid;
b. de toekenning in strijd is met het desbetreffende nummerplan of een
op grond van artikel 4.2, vijfde lid, vastgestelde aanwijzing;
c. redelijkerwijs is te verwachten dat door de aanvrager niet zal of kan
worden voldaan aan het bij of krachtens deze wet met betrekking tot
nummers bepaalde;
d. [vervallen;]
e. de toekenning in strijd zou zijn met de bij of krachtens deze wet
gestelde regels.
2.Een toekenning kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien:
a. op grond van de aanvraag redelijkerwijs niet is te verwachten dat het
voorgenomen gebruik binnen een jaar, of binnen een bij ministeriële
regeling voor bij die regeling aan te wijzen categorieën van nummers te
bepalen kortere termijn, wordt verwezenlijkt;
b. het in de aanvraag omschreven voorgenomen gebruik de toekenning van
de gevraagde hoeveelheid nummers niet rechtvaardigt;
c. het college eerder een aanvraag heeft geweigerd of een eerdere
toekenning heeft opgeschort of ingetrokken op grond van artikel 4.7,
derde, vierde of vijfde lid;
d. uit de aanvraag blijkt dat deze wordt gedaan met de kennelijke
bedoeling de bij de aanvraag gevraagde nummers te verhandelen;
e. het in de aanvraag omschreven voorgenomen gebruik de toekenning van
de gevraagde nummers niet noodzakelijk maakt.
3.Met betrekking tot bij ministeriële regeling aangewezen categorieën
van nummers kan een toekenning geheel of gedeeltelijk worden geweigerd
indien:
a. de aanvrager gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte;
b. wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
4.Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, onderdeel b, kan
het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, door het college om
een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Artikel 4.4
1.Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke gedragingen van
een nummergebruiker voor het college aanleiding kunnen zijn om:
a. de toekenning van een nummer te weigeren, op te schorten of in te
trekken,
b. de aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst een
aanwijzing te geven de betaling die gerelateerd is aan het betreffende
nummer op te schorten overeenkomstig artikel 7.3a, of
c. de aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst een
aanwijzing te geven de aankiesbaarheid van het desbetreffende nummer op
te schorten overeenkomstig artikel 7.3b, eerste lid.
2.De gedragingen hebben betrekking op het kennelijk misbruik maken van
de tarifering van een nummer.
Artikel 4.5
1.Het college kan op aanvraag van de nummerhouder een toekenning
wijzigen of intrekken.
2.Op een aanvraag tot wijziging is artikel 4.3 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4.6
Het college kan op gezamenlijke aanvraag van de desbetreffende
nummerhouder en een derde toestaan dat de toekenning overgaat op de
derde. Artikel 4.2, vierde lid, en artikel 4.3 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4.7
1.Een toekenning wordt door het college gewijzigd of ingetrokken,
indien:
a. een wijziging van het desbetreffende nummerplan daartoe noodzaakt,
voor zover de nummerhouder aanspraak behoudt op toekenning van hetzelfde
aantal nummers;
b. de redenen die ten grondslag lagen aan de toekenning zijn vervallen;
c. het doelmatig gebruik van nummers in het algemeen maatschappelijk en
economisch belang dit vordert.
2.Een toekenning wordt voorts door het college gewijzigd indien dit
noodzakelijk is om feitelijke onjuistheden van eenvoudige aard weg te
nemen.
3.Een toekenning wordt voorts door het college ingetrokken op aanwijzing
van Onze Minister in het belang van de veiligheid van de staat.
4.Een toekenning kan door het college worden opgeschort voor een door
het college te bepalen termijn of worden ingetrokken, indien:
a. de nummerhouder of de nummergebruiker de bij of krachtens deze wet
gestelde regels of de aan het toekenningsbesluit verbonden voorschriften
niet nakomt;
b. na de toekenning blijkt dat de aanvraag is gedaan met de kennelijke
bedoeling de toegekende nummers te verhandelen;
c. de nummerhouder niet meer voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking
te komen voor toekenning van dat nummer.
5.Met betrekking tot bij ministeriële regeling aangewezen categorieën
van nummers kan een toekenning door het college worden opgeschort voor
een door het college te bepalen termijn die niet langer duurt dan twee
weken, indien het college een aanwijzing heeft dat de nummergebruiker de
bij of krachtens deze wet gestelde regels niet nakomt of de aan het
toekenningsbesluit verbonden voorschriften of een gedraging als bedoeld
in artikel 4.4 verricht. Het college kan de in de vorige volzin genoemde
periode eenmalig met maximaal twee weken verlengen.
Artikel 4.8
1.In het belang van de goede uitvoering van de bij of krachtens de wet
aan het college opgedragen taken en toegekende bevoegdheden wordt door
het college een nummerregister bijgehouden dat een overzicht bevat van
toekenningen. Het register bevat de vermelding van de naam van degene
aan wie nummers zijn toegekend. Tevens wordt de duur van de toekenning
vermeld. Het college is verantwoordelijke in de zin van artikel 1,
onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens voor het register.
2.Onverminderd het derde lid ligt het register voor eenieder kosteloos
ter inzage op een door het college te bepalen plaats.
3.Op verzoek van de nummerhouder wordt, indien het een natuurlijk
persoon betreft en het nummer niet uitsluitend bedrijfsmatig wordt
gebruikt, zijn naam, adres en woonplaats niet opgenomen in het deel van
het register dat ter inzage ligt.
Artikel 4.9
1.Indien de nummerhouder de aan hem toegekende nummers in gebruik geeft
aan een ander, doet hij dit op een niet-discriminerende en transparante
wijze met gebruikmaking van objectieve criteria.
2.De nummerhouder draagt er zorg voor dat het gebruik van de aan hem
toegekende nummers in overeenstemming is met het bij of krachtens deze
wet bepaalde.
3.Met betrekking tot bij ministeriële regeling aangewezen categorieën
van nummers:
a. geeft de nummergebruiker een aan hem in gebruik gegeven nummer niet
in gebruik aan een ander;
b. registreert de nummerhouder de bij ministeriële regeling
vastgestelde gegevens over de nummergebruiker en over het gebruik van
het nummer.
Artikel 4.10
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een
aanbieder van een bij die maatregel aan te wijzen categorie van openbare
elektronische communicatiediensten verplicht is degene die op grond van
een met hem gesloten overeenkomst die elektronische communicatiedienst
afneemt:
a. de mogelijkheid te bieden het in het kader van de afgenomen
elektronische communicatiedienst bij hem in gebruik zijnde nummer te
blijven gebruiken na beëindiging van de levering van de dienst in het
geval de beëindiging van de levering plaatsvindt ten gevolge van een
rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst;
b. de mogelijkheid te bieden het in het kader van de afgenomen
elektronische communicatiedienst bij hem in gebruik zijnde nummer te
blijven gebruiken indien hij binnen een bepaald gebied van adres
verandert, of
c. de mogelijkheid te bieden het in het kader van de afgenomen
elektronische communicatiedienst bij hem in gebruik zijnde nummer te
blijven gebruiken indien hij er voor kiest een andere bij die maatregel
aan te wijzen elektronische communicatiedienst af te nemen.
2.Een aanbieder van krachtens het eerste lid aangewezen categorie van
elektronische communicatiediensten op wie een verplichting als bedoeld
in dat lid, onderdeel a, rust, is tevens verplicht aan degene met wie
hij overeenkomt de desbetreffende elektronische communicatiedienst te
leveren de mogelijkheid te bieden het voorheen in het kader van die
dienst bij diegene in gebruik zijnde nummer te blijven gebruiken.
3.Bij een verplichting opgelegd, krachtens het eerste lid, onderdeel a,
gaat:
a. in het geval het betreffende nummer is toegekend aan een aanbieder
van een openbaar elektronisch communicatienetwerk en voor de betreffende
openbare elektronische communicatiedienst voortaan het openbare
elektronisch communicatienetwerk van een andere aanbieder wordt
gebruikt, de toekenning van het betreffende nummer over op die andere
aanbieder van dat netwerk;
b. in het geval het betreffende nummer is toegekend aan de aanbieder van
de betreffende openbare elektronische communicatiedienst, de toekenning
van het betreffende nummer over op degene van wie de betreffende
elektronische communicatiedienst voortaan wordt afgenomen.
4.Het college kan categorieën van nummers aanwijzen waarvoor geldt dat,
in het geval een nummer uit die categorie na een overgang op grond van
het derde lid niet langer in gebruik is, de toekenning van het nummer
teruggaat naar de aanbieder aan wie het nummer op basis van een aanvraag
was toegekend.
5.Een aanbieder die een nummer behorende tot een door het college op
grond van het vierde lid aangewezen categorie niet heeft toegekend
gekregen op grond van een aanvraag doet, indien hij het nummer niet
langer in gebruik heeft, hiervan mededeling aan het college. Na
ontvangst van de in de vorige zin bedoelde mededeling stelt het college
de aanbieder naar wie de toekenning van het nummer op grond van het
vierde lid is teruggegaan hiervan op de hoogte.
6.De in het derde lid bedoelde aanbieders stellen het college binnen een
door het college te bepalen termijn en op een door het college te
bepalen wijze op de hoogte van de toekenningen van nummers die in een
door het college te bepalen periode op grond van het derde lid van hen
op andere aanbieders zijn overgegaan, alsmede van de toekenningen van
nummers die op grond van het derde lid van andere aanbieders op hen zijn
overgegaan. Het college maakt de door hem bepaalde termijn, wijze en
periode, bedoeld in de eerste volzin, bekend in de Staatscourant.
7.Een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
waarover een krachtens het eerste lid aangewezen categorie van openbare
elektronische communicatiediensten wordt verzorgd:
a. zorgt ervoor dat zijn netwerk zodanig is ingericht dat een aanbieder
van die dienst een krachtens het eerste lid opgelegde verplichting kan
nakomen, en
b. stelt voor interconnectie verband houdende met een krachtens het
eerste lid opgelegde verplichting een kostengeoriënteerd tarief vast.
8.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de doorberekening van kosten van een
krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verplichting aan
eindgebruikers.
9.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot een krachtens het eerste lid opgelegde verplichting.
Artikel 4.11 [Vervallen per 01-07-2008]
Hoofdstuk 5. Aanleg, instandhouding en opruiming van kabels
§ 5.1. De gedoogplicht
§ 5.1.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.1
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk mede
verstaan degene die in eigen naam en voor eigen rekening kabels ten
dienste van een dergelijk netwerk aanlegt, instandhoudt en opruimt.
Artikel 5.2
1.De rechthebbende op of de beheerder van openbare gronden is verplicht
te gedogen dat ten dienste van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk kabels in en op deze gronden worden aangelegd,
instandgehouden of opgeruimd.
2.Voor zover het de aanleg, instandhouding of opruiming van andere dan
lokale kabels betreft strekt de gedoogplicht zich tevens uit tot
niet-openbare gronden, uitgezonderd tuinen en erven die met bewoonde
percelen één geheel vormen.
3.Voor zover het voor het aansluiten van gebruikers op een openbaar
elektronisch communicatienetwerk nodig is, strekt de gedoogplicht zich
wat lokale kabels betreft tevens uit tot niet-openbare gronden, met
inbegrip van tuinen en erven die met bewoonde percelen één geheel
vormen.
4.Voor zover het voor het aansluiten van gebruikers op een openbaar
elektronisch communicatienetwerk nodig is, is bovendien de rechthebbende
op een gebouw verplicht de aanleg, instandhouding of opruiming van
netwerkaansluitpunten en kabels in en aan dit gebouw te gedogen.
5.Indien ten behoeve van een andere toepassing dan elektronische
communicatie bovengrondse ondersteuningswerken zijn of worden aangelegd
waarmee ten behoeve van die toepassing bovengronds fysieke draden zijn
of worden aangelegd, is de rechthebbende op of de beheerder van openbare
of niet-openbare grond waarboven deze draden zijn of worden aangelegd,
verplicht te gedogen dat met de uitsluitende gebruikmaking van deze
bovengrondse ondersteuningswerken tevens kabels ten behoeve van een
openbaar elektronisch communicatienetwerk boven de desbetreffende grond
worden aangelegd, instandgehouden of opgeruimd. Voor de rechthebbende op
of de beheerder van de genoemde bovengrondse ondersteuningswerken
bestaat geen gedoogplicht voor het gebruik laten maken van deze werken.
6.Door de aanleg, de instandhouding en de opruiming van kabels wordt:
a. geen verandering teweeggebracht in de bestemming van hetgeen waarin,
waarop, waarboven of waaraan de kabels zijn of worden aangelegd, en
b. zo min mogelijk verandering in de uiterlijke gedaante en zo min
mogelijk belemmering in het gebruik ervan teweeggebracht.
7.Op verzoek van degene op wie de gedoogplicht rust, maakt de aanbieder
van een openbaar elektronisch communicatienetwerk ter uitvoering van het
zesde lid, onder b, gebruik van ondergrondse voorzieningen, die door
degene op wie de gedoogplicht rust of een derde tegen een marktconforme
prijs ter beschikking wordt gesteld, tenzij de aanbieder ingeval artikel
5.15 van toepassing is, aannemelijk kan maken dat medegebruik als
bedoeld in artikel 5.12 op technische of economische gronden niet
haalbaar is. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aanvullende
voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de aanleg en vorm van aan
te leggen netwerken ingeval van gebruik van voorzieningen als bedoeld in
de eerste volzin.
8.Aan de in het eerste tot en met het vijfde lid opgenomen verplichting
om de instandhouding van kabels ten dienste van een openbaar
elektronisch communicatienetwerk te gedogen komt een einde wanneer de
aangelegde kabels gedurende een aaneengesloten periode van tien jaar
geen deel uitmaken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. In
dat geval is de aanbieder van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk verplicht op verzoek van degene op wie de
gedoogplicht rustte de kabels op te ruimen.
9.Het in of uit gebruik nemen van kabels ten dienste van een openbaar
elektronisch communicatienetwerk wordt door de aanbieder van het
desbetreffende netwerk schriftelijk gemeld aan degene op wie de
gedoogplicht rust. De bewijslast voor de ingebruikneming ligt bij de
aanbieder.
10.Onverminderd dit artikel gelden de gegeven voorschriften bij of
krachtens andere wetten terzake van het gebruik van deze gronden,
gebouwen of wateren.
Artikel 5.3
1.De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk die het
voornemen heeft werkzaamheden uit te voeren in verband met de aanleg,
instandhouding of opruiming van kabels, stelt degene op wie de
gedoogplicht rust schriftelijk in kennis van dit voornemen en streeft
vervolgens naar overeenstemming over de plaats, het tijdstip en de wijze
van uitvoering van de werkzaamheden.
2.Indien binnen vier weken na de datum van verzending van de
schriftelijke kennisgeving geen overeenstemming is bereikt, geeft de
aanbieder een tweede schriftelijke kennisgeving aan degene op wie de
gedoogplicht rust waarin een omschrijving van de plaats, het tijdstip,
dat niet eerder kan zijn gelegen dan drie weken na verzending van de
tweede kennisgeving, en de wijze van de uit te voeren werkzaamheden
wordt gegeven.
3.Indien degene op wie de gedoogplicht rust tegen deze tweede
kennisgeving bedenkingen heeft, kan hij binnen twee weken na ontvangst
daarvan het college verzoeken een beschikking te geven over de plaats,
het tijdstip en de wijze van de uit te voeren werkzaamheden.
4.Het college geeft de beschikking binnen acht weken na ontvangst van
het verzoek.
5.Het verzoek schorst het recht op uitvoering van de werkzaamheden.
6.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de schriftelijke kennisgeving.
§ 5.1.2. Openbare gronden
Artikel 5.4
1.De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk die het
voornemen heeft werkzaamheden uit te voeren in of op openbare gronden in
verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels, gaat
slechts over tot het verrichten van deze werkzaamheden indien deze:
a. het voornemen daartoe schriftelijk heeft gemeld bij burgemeester en
wethouders van de gemeente binnen wier grondgebied de uit te voeren
werkzaamheden plaats zullen vinden, en
b. van burgemeester en wethouders instemming heeft verkregen omtrent de
plaats, het tijdstip, en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden.
2.Burgemeester en wethouders kunnen om redenen van openbare orde,
veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, de bereikbaarheid
van gronden of gebouwen, dan wel ondergrondse ordening in het
instemmingsbesluit voorschriften opnemen.
3.De voorschriften kunnen slechts betrekking hebben op:
a. de plaats van de werkzaamheden;
b. het tijdstip van de werkzaamheden, met dien verstande dat het
toegestane tijdstip van aanvang, behoudens zwaarwichtige redenen van
publiek belang als genoemd in het tweede lid, niet later mag liggen dan
12 maanden na de datum van afgifte van het instemmingsbesluit;
c. de wijze van uitvoering van de werkzaamheden;
d. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen;
e. het afstemmen van de voorgenomen werkzaamheden met beheerders van
overige in de grond aanwezige werken.
4.De gemeenteraad stelt met betrekking tot het verrichten van de
werkzaamheden bij verordening regels vast die in ieder geval betrekking
hebben op:
a. het tijdstip, voorafgaand aan het verrichten van de werkzaamheden,
waarop de melding uiterlijk moet zijn gedaan;
b. de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt, waaronder het
uitvoeringsplan;
c. de wijze van uitvoering van de werkzaamheden bij aanleg,
instandhouding en opruiming;
d. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen;
e. het afstemmen van de voorgenomen werkzaamheden met beheerders van
overige in de grond aanwezige werken;
f. de wijze van melding en uitvoering van spoedeisende werkzaamheden in
verband
met ernstige belemmering of storing van de communicatie.
5.In de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden van
al dan niet ingrijpende aard.
6.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de verordening.
7.Indien een gemeente gedoogplichtig is, vindt artikel 5.3 geen
toepassing voor zover de belangen van de gemeente kunnen worden
behartigd in het door burgemeester en wethouders te verlenen
instemmingsbesluit.
Artikel 5.5
1.Indien voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels ten
dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk zowel een
aanvraag voor een besluit als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder
b, bij burgemeester en wethouders van de gemeente binnen wiens
grondgebied de uit te voeren werkzaamheden plaats zullen vinden, als een
aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op
grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager
burgemeester en wethouders hiervan op de hoogte.
2.Burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente bevorderen
op verzoek van de aanvrager een inhoudelijke afstemming bij de
beoordeling van de aanvragen. De overige betrokken bestuursorganen
verlenen de daarvoor benodigde medewerking.
3.Artikel 5.4, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing in het
geval van vergunningverlening als bedoeld in het eerste lid.
§ 5.1.3. Ernstige belemmeringen en storingen
Artikel 5.6
1.In geval van spoedeisende werkzaamheden ten gevolge van een ernstige
belemmering of storing van de communicatie is het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 5.3 en 5.4, eerste tot en met vierde lid, onder
e, niet van toepassing op de instandhouding van kabels ten dienste van
een openbaar elektronisch communicatienetwerk en kan door de aanbieder
van het openbaar elektronische communicatienetwerk worden volstaan met
een melding voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden aan degene op
wie de gedoogplicht rust.
2.Ingeval de werkzaamheden in verband met de instandhouding van kabels
worden verricht in of op openbare gronden, wordt hiervan door de
aanbieder tevens voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden melding
gedaan bij de burgemeester van de gemeente binnen wiens grondgebied de
werkzaamheden zullen plaatsvinden, of bij een daartoe door hem
gemachtigd ambtenaar. Ingeval de melding bij de gemachtigde heeft
plaatsgevonden stelt de gemachtigde de burgemeester zo spoedig mogelijk
daarvan in kennis.
3.Ingeval de openbare orde of gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan
van gevaar zich verzet tegen de uitvoering van de voorgenomen
werkzaamheden kan de burgemeester besluiten dat de werkzaamheden op een
ander dan het voorgenomen tijdstip plaatsvinden.
4.Het besluit wordt onverwijld na het tijdstip van ontvangst van de
melding genomen.
5.In de verordening, bedoeld in artikel 5.4, vierde lid, kan de
gemeenteraad om redenen van veiligheid delen van een grondgebied
aanwijzen waarvoor dit artikel niet van toepassing is.
§ 5.2. Schadevergoeding in verband met gedoogplicht
Artikel 5.7
1.De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
vergoedt aan degene op wie de gedoogplicht rust de schade voortvloeiend
uit de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels.
2.Het recht op schadevergoeding beperkt zich voor rechthebbenden op en
beheerders van openbare gronden tot vergoeding van de marktconforme
kosten van de voorzieningen en van de meerdere marktconforme kosten van
onderhoud.
3.Na het beëindigen van de werkzaamheden in verband met de aanleg,
instandhouding of opruiming van kabels brengt de aanbieder van een
openbaar elektronisch communicatienetwerk de grond terug in de oude
staat, tenzij degene op wie de gedoogplicht rust, heeft aangegeven hier
zelf voor te willen zorgdragen. De aanbieder draagt de marktconforme
kosten die nodig zijn voor het terugbrengen van de grond in de oude
staat.
4.Onder marktconforme kosten wordt in dit verband verstaan kosten zoals
deze door een onderneming onder normale omstandigheden in een
markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt.
§ 5.3. Overige bepalingen
Artikel 5.8
1.De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk is
verplicht op verzoek van degene op wie de gedoogplicht rust op eigen
kosten over te gaan tot het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels
ten dienste van zijn netwerk, waaronder het verplaatsen van kabels, voor
zover deze noodzakelijk zijn voor de oprichting van gebouwen of de
uitvoering van werken door of vanwege degene op wie de gedoogplicht
rust.
2.Indien degene op wie de gedoogplicht rust jegens een derde gehouden is
grond, die door degene op wie de gedoogplicht rust is bestemd voor het
oprichten van een of meer gebouwen, zodanig te leveren dat die derde na
verkrijging van de grond bij het door of vanwege hem oprichten van een
of meer gebouwen niet gehinderd wordt door de in de grond aanwezige
kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, is
het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De oprichting van een of
meer gebouwen dient op het moment dat een verzoek wordt gedaan voldoende
bepaalbaar te zijn.
3.Indien de aanbieder kabels heeft verplaatst op grond van het eerste en
tweede lid, en naderhand blijkt dat de door gedoogplichtige
aangekondigde werkzaamheden, waarvoor deze verplaatsing nodig was, niet
hebben plaatsgevonden, heeft de aanbieder recht op vergoeding van de
door hem gemaakte kosten.
4.Indien binnen vijf jaar na een verzoek tot het nemen van maatregelen
op grond van het eerste of tweede lid opnieuw een verzoek wordt gedaan
door degene op wie de gedoogplicht rust, komen de daarmee verbonden
kosten voor rekening van degene op wie de gedoogplicht rust.
5.In andere gevallen dan bedoeld in het eerste of tweede lid, is de
aanbieder slechts verplicht over te gaan tot maatregelen, waaronder het
verplaatsen van de kabels, indien degene op wie de gedoogplicht rust hem
de kosten daarvan vergoedt.
6.Ingeval een verzoek tot het nemen van maatregelen is gedaan, gaat de
aanbieder zo snel mogelijk over tot de gevraagde maatregelen, doch niet
later dan zestien weken na de datum van ontvangst van het verzoek.
Indien het verzoek het verplaatsen van kabels betreft gaat de aanbieder
zo snel mogelijk over tot de gevraagde verplaatsing, doch niet later dan
twaalf weken nadat een plaats waar de kabels kunnen worden gelegd
beschikbaar is gekomen. Het verzoek bevat een omschrijving van de op te
richten gebouwen dan wel de uit te voeren werken en in geval het verzoek
een verplaatsing van kabels betreft voor zover mogelijk een voorstel
voor de plaats waar de kabels kunnen worden aangelegd.
7.Bij gebrek aan overeenstemming over de vraag wie de kosten van de te
nemen maatregelen dient te dragen, kan degene op wie de gedoogplicht
rust dan wel de aanbieder het college verzoeken een beschikking te
geven.
8.Het college geeft de beschikking binnen acht weken na ontvangst van
het verzoek.
Artikel 5.9 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 5.10
De aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten dienste van een
openbaar elektronisch communicatienetwerk geschiedt op zodanige wijze
dat bomen en beplantingen zoveel mogelijk worden beschermd en de
mogelijkheid tot groei niet wordt ontnomen.
Artikel 5.11
1.Rechthebbenden op bomen of beplantingen of de beheerders van de grond
waarop de bomen of beplantingen zich bevinden zijn verplicht op
schriftelijk verzoek van de aanbieder van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk binnen twee weken de wortels daarvan in te korten,
voor zover deze redelijkerwijs hinderlijk zijn of worden voor de
instandhouding van kabels ten dienste van het netwerk waardoor de
exploitatie van het netwerk in gevaar komt.
2.In geval van ernstige belemmering of storing van de communicatie kan
een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
onmiddellijk tot het inkorten van wortels overgaan, waarna deze zo
spoedig mogelijk hiervan schriftelijk aan de rechthebbende of beheerder
kennis geeft, doch niet later dan de dag volgend op de werkzaamheden.
3.De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
vergoedt aan de rechthebbende of beheerder de schade voortvloeiend uit
het inkorten van wortels.
Artikel 5.12
1.Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken zijn over
en weer verplicht te voldoen aan redelijke verzoeken tot het medegebruik
van de voorzieningen waarop de gedoogplicht van toepassing is. Hierbij
worden in ieder geval de technische mogelijkheden in acht genomen.
2.In het geval dat voor het verlenen van medegebruik toestemming van een
derde is vereist, is deze daartoe slechts gehouden indien het een
redelijk verzoek betreft en hij:
a. direct of indirect een relevant economisch belang heeft in de
aanbieder, bedoeld in het eerste lid, tot wie het verzoek is gericht;
b. deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek waartoe een andere groepsmaatschappij als bedoeld
in dat artikel behoort, die een direct of indirect relevant economisch
belang heeft in de aanbieder.
3.De aanbieder, bedoeld in het eerste lid, en de derde die op grond van
het tweede lid gehouden is toestemming te verlenen, stellen het
medegebruik ter beschikking tegen een redelijke vergoeding.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
gesteld worden met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde
medegebruik van voorzieningen en de in het derde lid bedoelde
vergoeding.
Artikel 5.13
1.De kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement, waarin de
onroerende zaak waarin, waarop of waarboven de kabels ten dienste van
een openbaar elektronisch communicatienetwerk worden aangelegd,
instandgehouden of opgeruimd, zich geheel of grotendeels bevindt, is,
ongeacht de hoogte van de vordering, bevoegd geschillen inzake een eis
tot schadevergoeding op grond van dit hoofdstuk te beslissen, alsmede
geschillen inzake de hoogte van de kosten van het nemen van maatregelen,
bedoeld in de artikelen 5.8 en 5.9.
2.Van de uitspraak van de kantonrechter is hoger beroep toegelaten.
3.De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van
toepassing op de geschillen, bedoeld in het eerste lid, voor zover
daarvan in de voorgaande leden van dit artikel niet is afgeweken.
4.Ook voordat omtrent de schadevergoeding of de hoogte van de kosten
overeenstemming verkregen of uitspraak gedaan is, kan tot uitvoering van
de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 5.2, 5.8 en 5.11, worden
overgegaan.
Artikel 5.14
1. Indien een gemeente openbare elektronische communicatienetwerken of
openbare elektronische communicatiediensten aanbiedt, of een belang of
zeggenschap heeft in een onderneming die dit doet, zijn de personen die
besluiten voorbereiden als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder b,
daarbij niet betrokken.
2. Het voornemen om direct of indirect betrokken te zijn bij het
aanbieden van openbare elektronische communicatienetwerken of openbare
elektronische communicatiediensten wordt bekend gemaakt. Artikel 3:42
van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Bij de bekendmaking
van het voornemen wordt de redengeving ervan vermeld. Tevens wordt
bekendgemaakt waar en wanneer nadere informatie over het voornemen van
de te nemen beslissing kan worden verkregen.
3. Bij de toepassing van artikel 5.4, tweede lid, bevoordelen
burgemeester en wethouders geen ondernemingen die openbare elektronische
communicatienetwerken aanbieden waarin de gemeente direct of indirect
bij betrokken is.
4. Een gemeente die direct of indirect betrokken is bij het aanbieden
van een openbaar elektronisch communicatienetwerk bevordert open en
non-discriminatoire toegang tot dit netwerk.
Artikel 5.15
Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op de aanleg,
instandhouding en opruiming van ondergrondse ondersteuningswerken en
beschermingswerken waarin of waarop geen fysieke geleidingsdraden
bestemd voor de rechtstreekse overdracht van signalen tussen punten zijn
aangebracht, en die aangelegd worden of zijn met het oogmerk deel uit te
gaan maken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk van degene
in wiens naam wordt aangelegd of een derde.
Artikel 5.16
Voor de toepassing van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 5.12,
wordt gelijkgesteld met een openbaar elektronisch communicatienetwerk
een door Onze Minister aangewezen elektronisch communicatienetwerk dat
geheel of hoofdzakelijk gebruikt wordt voor vitale overheidstaken.
Artikel 5.17
De artikelen 17, eerste lid, onder k, van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek, 20, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, 36,
vierde lid, Kadasterwet en 78, derde en vierde lid, en 155 van de
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige
toepassing op ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken
als bedoeld in artikel 5.15.
Hoofdstuk 6. Interoperabiliteit van diensten en vertrouwelijkheid van
informatie
Artikel 6.1
1.Een aanbieder van openbare elektronische communicatienetwerken of
openbare elektronische communicatiediensten, die daarbij de toegang tot
eindgebruikers controleert, treedt op verzoek van een aanbieder van
openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten met die aanbieder in onderhandeling met het oog op
het sluiten van een overeenkomst op basis waarvan de nodige maatregelen
worden genomen, waaronder zo nodig door middel van interconnectie van de
betrokken netwerken, opdat eind- tot eindverbindingen tot stand worden
gebracht.
2.Aanbieders van elektronische communicatienetwerken of aanbieders van
elektronische communicatiediensten mogen informatie die voor of tijdens
onderhandelingen over interoperabiliteitovereenkomsten aan hen is
verstrekt, alsmede informatie die bij de uitvoering van de overeenkomst
is of kan worden verkregen uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor
deze informatie is verstrekt, respectievelijk uitsluitend gebruiken voor
de uitvoering van de overeenkomst. De verkregen of opgeslagen informatie
wordt vertrouwelijk behandeld en wordt niet doorgegeven aan enige andere
partij, in het bijzonder andere afdelingen, dochterondernemingen of
partners, die door die informatie concurrentievoordeel zouden kunnen
behalen.
3.Het college kan op aanvraag van een aanbieder van openbare
elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten die van mening is dat een andere aanbieder jegens
hem de verplichting tot onderhandelen niet nakomt, voorschriften geven
met betrekking tot de wijze waarop de onderhandelingen gevoerd moeten
worden, onverminderd het recht van aanbieders gezamenlijk de
onderhandelingen te beëindigen. De betrokken aanbieders houden zich bij
hun onderhandelingen aan de door het college gegeven voorschriften.
Artikel 6.2
1.Indien de onderhandelingen, bedoeld in artikel 6.1, niet resulteren in
een overeenkomst tussen de in dat artikel bedoelde aanbieders, kan het
college op aanvraag van een van hen, voor zover naar het oordeel van het
college verdere onderhandelingen redelijkerwijs niet meer zullen leiden
tot een overeenkomst, de andere betrokken aanbieder, voor zover deze
daarbij de toegang tot eindgebruikers controleert, verplichten de door
de aanvrager gewenste eind- tot eindverbindingen tot stand te brengen en
te waarborgen onder door het college te bepalen voorwaarden, indien het
college van oordeel is dat de belangen van de andere aanbieder die ertoe
geleid hebben dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen
redelijkerwijs niet opwegen tegen de belangen van de indiener van het
verzoek.
2.Het college kan voorts ambtshalve, al dan niet in het kader van een
aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanbieders van openbare
elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten, die daarbij de toegang tot eindgebruikers
controleren, verplichtingen opleggen met betrekking tot het tot stand
brengen en waarborgen van eind- tot eindverbindingen, indien dit in het
voorliggende geval in het licht van de doelstellingen, bedoeld in
artikel 1.3 gerechtvaardigd is.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant. Van gegevens als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur
wordt geen mededeling gedaan.
Artikel 6.3
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien dit in het licht van
de doelstellingen, bedoeld in artikel 1.3 gerechtvaardigd is,
categorieën van openbare elektronische communicatiediensten worden
aangewezen waarvan de aanbieders van de tot een aangewezen categorie
behorende diensten en de aanbieders van de daarbij betrokken netwerken,
voor zover zij de toegang tot eindgebruikers controleren, in Nederland
eind- tot eindverbindingen tot stand moeten brengen en waarborgen.
2.Op verzoek van aanbieders die buiten Nederland elektronische
communicatiediensten aanbieden die behoren tot een krachtens het eerste
lid aangewezen categorie van diensten, nemen de aanbieders, bedoeld in
het eerste lid, de nodige maatregelen voor het tot stand brengen en
waarborgen van eind- tot eindverbindingen met betrekking tot de in het
buitenland aangeboden diensten.
3.Indien het tot stand brengen van eind- tot eindverbindingen technisch
niet uitvoerbaar dan wel economisch niet haalbaar is of anderszins het
nemen van de vereiste maatregelen redelijkerwijs niet kan worden
verlangd in het licht van de middelen die beschikbaar zijn, kan het
college aan een aanbieder ontheffing verlenen van de verplichting,
bedoeld in het eerste of tweede lid, tot het tot stand brengen en het
waarborgen van eind- tot eindverbindingen.
4.Onverminderd het derde lid, treedt ter uitvoering van het eerste of,
ingeval van een verzoek, tweede lid iedere daar bedoelde aanbieder met
andere daar bedoelde aanbieders in onderhandeling om overeenkomsten te
sluiten op basis waarvan maatregelen worden genomen opdat eind- tot
eindverbindingen tot stand komen en zijn gewaarborgd.
Artikel 6.4
Voorschriften als bedoeld in artikel 6.1, derde lid, of verplichtingen
als bedoeld in artikel 6.2, eerste of tweede lid, zijn objectief,
transparant, proportioneel en niet-discriminerend.
Artikel 6.5
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor aanbieders
van openbare telefoonnetwerken of openbare telefoondiensten regels
gesteld:
a. met betrekking tot het behandelen van oproepen van de Europese
telefoonnummeringsruimte;
b. die er op gericht zijn dat zich in Nederland bevindende abonnees die
gebruik maken van een door het college krachtens artikel 4.2, eerste
lid, toegekend niet-geografisch nummer op dit nummer kunnen worden
opgeroepen door zich in andere lidstaten van de Europese Unie bevindende
eindgebruikers;
c. die er op gericht zijn dat zich in andere lidstaten van de Europese
Unie bevindende abonnees die gebruik maken van een niet-geografisch
nummer dat is toegekend door een nationale regelgevende instantie op dit
nummer kunnen worden opgeroepen door zich in Nederland bevindende
eindgebruikers.
2.Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken worden
opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 6.6
Artikel 6.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op
onderhandelingen tot het verkrijgen van toegang tot het netwerk van een
aanbieder van elektronische communicatienetwerken.
Hoofdstuk 6a. Verplichtingen voor ondernemingen die beschikken over een
aanmerkelijke marktmacht
§ 6a.1. Vaststellen van aanmerkelijke marktmacht
Artikel 6a.1
1.Het college bepaalt in overeenstemming met de beginselen van het
algemene Europese mededingingsrecht de relevante markten in de
elektronische communicatiesector waarvan de product- of dienstenmarkt
overeenkomt met een in een aanbeveling als bedoeld in artikel 15, eerste
lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG vermelde product- of dienstenmarkt.
Het college bepaalt in elk geval zo spoedig mogelijk nadat een
aanbeveling als bedoeld in de eerste volzin in werking is getreden, de
in die volzin bedoelde relevante markten.
2.Het college bepaalt in overeenstemming met de beginselen van het
algemene Europese mededingingsrecht andere dan de in het eerste lid
bedoelde relevante markten in de elektronische communicatiesector indien
hier naar zijn oordeel aanleiding toe is, of indien dit voortvloeit uit
artikel 6a.4 of uit artikel 27 van richtlijn nr. 2002/21/EG.
3.Het college onderzoekt de overeenkomstig het eerste en tweede lid
bepaalde relevante markten zo spoedig mogelijk.
4.Het college onderzoekt een transnationale markt zo spoedig mogelijk
nadat een beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen
die hieraan ten grondslag ligt in werking is getreden en vervolgens op
gezette tijden.
5.Het in het derde en vierde lid bedoelde onderzoek is er in ieder geval
op gericht om vast te stellen:
a. of de desbetreffende markt al dan niet daadwerkelijk concurrerend is
en of hierop ondernemingen die openbare elektronische
communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten of openbare
elektronische communicatiediensten aanbieden actief zijn die beschikken
over een aanmerkelijke marktmacht, en
b. welke verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met
6a.10 en 6a.12 tot en met 6a.15 passend zijn voor de onder a bedoelde
ondernemingen die beschikken over een aanmerkelijke marktmacht.
6.Nadat het onderzoek als bedoeld in het derde of vierde lid is
afgerond, geeft het college zo spoedig mogelijk uitvoering aan de
artikelen 6a.2, eerste lid, of 6a.3.
7.Het college houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op
grond van dit hoofdstuk rekening met door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen krachtens artikel 15, tweede lid, van richtlijn nr.
2002/21/EG vastgestelde richtsnoeren.
8.Bij het beoordelen of twee of meer ondernemingen tezamen beschikken
over een economische kracht als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s,
hanteert het college in elk geval de criteria bedoeld in bijlage II van
richtlijn nr. 2002/21/EG.
9.Het college oefent bij transnationale markten zijn taken en
bevoegdheden op grond van dit hoofdstuk uit in samenspraak met de
betrokken nationale regelgevende instanties.
Artikel 6a.2
1.Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 6a.1, derde of vierde
lid, blijkt dat een relevante markt onderscheidenlijk een transnationale
markt niet daadwerkelijk concurrerend is, stelt het college vast welke
ondernemingen die openbare elektronische communicatienetwerken,
bijbehorende faciliteiten of openbare elektronische communicatiediensten
aanbieden, beschikken over een aanmerkelijke marktmacht, en:
a. legt hij ieder van hen, voor zover passend, verplichtingen als
bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.10 of 6a.12 tot en met 6a.15
op;
b. houdt hij eerder opgelegde of in stand gehouden verplichtingen, voor
zover zij betrekking hebben op deze markt, in stand indien zij nog
steeds passend zijn, of
c. trekt hij eerder opgelegde of in stand gehouden verplichtingen, voor
zover zij betrekking hebben op deze markt, in indien zij niet langer
passend zijn.
2.Het college legt op grond van het eerste lid, onderdeel a:
a. verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.10
alleen op aan ondernemingen die openbare elektronische
communicatienetwerken of bijbehorende faciliteiten aanbieden;
b. verplichtingen als bedoeld in artikel 6a.12 tot en met 6a.15 alleen
op, indien de relevante markt onderscheidenlijk transnationale markt een
eindgebruikersmarkt is en de verplichtingen, bedoeld in de artikelen
6a.6 tot en met 6a.11 en 6a.17 ontoereikend zijn om daadwerkelijke
concurrentie te verwezenlijken of de belangen van eindgebruikers te
beschermen.
3.Een verplichting als bedoeld in het eerste lid, is passend indien deze
gebaseerd is op de aard van het op de desbetreffende markt
geconstateerde probleem en in het licht van de doelstellingen van
artikel 1.3 proportioneel en gerechtvaardigd is.
4.Bij de beoordeling of het opleggen van een verplichting om te voldoen
aan redelijke verzoeken tot toegang als bedoeld in artikel 6a.6 passend
is, houdt het college met name rekening met de factoren, bedoeld in
artikel 12, tweede lid, van richtlijn nr. 2002/19/EG.
Artikel 6a.3
1.Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 6a.1, derde of vierde
lid, blijkt dat een relevante markt onderscheidenlijk een transnationale
markt daadwerkelijk concurrerend is, bepaalt het college dit en trekt
hij eerder krachtens artikel 6a.2, eerste lid, opgelegde of in stand
gehouden verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op die markt,
in.
2.Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 6a.1, derde of vierde
lid, blijkt dat een onderneming op een niet daadwerkelijk concurrerende
relevante markt onderscheidenlijk transnationale markt moet voldoen aan
eerder krachtens artikel 6a.2, eerste lid, opgelegde of in stand
gehouden verplichtingen, trekt het college deze verplichtingen, voor
zover zij betrekking hebben op die markt, in, indien de onderneming op
die relevante markt onderscheidenlijk transnationale markt niet beschikt
over een aanmerkelijke marktmacht.
3.Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 6a.1, derde of vierde
lid, blijkt dat een relevante markt onderscheidenlijk transnationale
markt niet daadwerkelijk concurrerend is en de verplichtingen, bedoeld
in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.11, toereikend zijn om daadwerkelijke
concurrentie te verwezenlijken of de belangen van eindgebruikers te
beschermen, trekt het college eerder krachtens artikel 6a.2, eerste lid,
opgelegde of in stand gehouden verplichtingen als bedoeld in de
artikelen 6a.12 tot en met 6a.15, voor zover zij betrekking hebben op
die markt, in.
Artikel 6a.4
Uiterlijk binnen drie jaar nadat een besluit als bedoeld in artikel
6a.2, eerste lid, inzake het opleggen of in stand houden van
verplichtingen met betrekking tot een onderneming die beschikt over een
aanmerkelijke macht op een relevante markt in werking is getreden,
besluit het college op grond van:
a. artikel 6a.2, eerste lid, onderdeel b, om deze verplichtingen in
stand te houden, of
b. de artikelen 6a.2, eerste lid, onderdeel c, of 6a.3 om deze
verplichtingen in te trekken.
Artikel 6a.5
Van een besluit als bedoeld in de artikelen 6a.2, eerste lid, of 6a.3
wordt door het college mededeling gedaan in de Staatscourant. Van
gegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
openbaarheid van bestuur wordt geen mededeling gedaan.
§ 6a.2. Met toegang verband houdende verplichtingen
Artikel 6a.6
1.Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, de verplichting
opleggen om te voldoen aan redelijke verzoeken tot door het college te
bepalen vormen van toegang, onder andere indien het college van oordeel
is dat het weigeren van toegang of het stellen van onredelijke
voorwaarden met eenzelfde effect, de ontwikkeling van een door duurzame
concurrentie gekenmerkte eindgebruikersmarkt zou belemmeren of niet in
het belang van de eindgebruiker zou zijn.
2.De verplichting, bedoeld in het eerste lid, kan onder meer inhouden
dat de desbetreffende onderneming:
a. aanbieders van elektronische communicatiediensten toegang verleent
tot bepaalde netwerkelementen of faciliteiten, met inbegrip van
ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk;
b. te goeder trouw onderhandelt met aanbieders van elektronische
communicatiediensten die verzoeken om toegang;
c. reeds verleende toegang tot faciliteiten niet intrekt;
d. op groothandelsbasis bepaalde diensten aanbiedt voor wederverkoop
door aanbieders van elektronische communicatiediensten;
e. open toegang verleent tot technische interfaces, protocollen of
andere kerntechnologieën die onmisbaar zijn voor de interoperabiliteit
van openbare elektronische communicatiediensten of virtuele
netwerkdiensten;
f. co-locatie of andere vormen van gedeeld gebruik van faciliteiten
aanbiedt, inclusief gedeeld gebruik van kabelgoten, gebouwen of masten;
g. bepaalde diensten aanbiedt die nodig zijn voor de interoperabiliteit
van de aan gebruikers geleverde eind- tot einddiensten, inclusief
faciliteiten voor intelligente netwerkdiensten of roaming binnen mobiele
elektronische communicatienetwerken;
h. toegang verleent tot operationele ondersteuningssystemen of
vergelijkbare softwaresystemen die nodig zijn om eerlijke concurrentie
bij het aanbieden van elektronische communicatiediensten te waarborgen;
i. zorgt voor interconnectie van openbare elektronische
communicatienetwerken of netwerkfaciliteiten.
3.Het college kan aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid,
voorschriften verbinden betreffende billijkheid, redelijkheid en
opportuniteit.
4.Indien dit nodig is om de normale werking van het betrokken openbare
elektronische communicatienetwerk te garanderen, kan het college
technische of operationele voorschriften vaststellen die:
a. een onderneming waarvoor een verplichting geldt als bedoeld in het
eerste lid bij het verlenen van toegang in acht neemt, of
b. een onderneming die toegang heeft gekregen op basis van een verzoek
als bedoeld in het eerste lid, in acht neemt.
5.Artikel 6.4 is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
voorschriften als bedoeld in het vierde lid.
6.Voor zover dat op grond van de notificatierichtlijn noodzakelijk is,
stelt het college de voorschriften niet vast dan nadat de voorschriften
aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen in ontwerp zijn
medegedeeld en de van toepassing zijnde termijnen, bedoeld in artikel 9
van de notificatierichtlijn, zijn verstreken.
7.Voor zover de voorschriften technische normen of specificaties
bevatten, stroken deze met de normen, bedoeld in artikel 17, eerste of
tweede lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG.
Artikel 6a.7
1.Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, voor door het
college te bepalen vormen van toegang een verplichting opleggen
betreffende het beheersen van de hiervoor te rekenen tarieven of
kostentoerekening indien uit een marktanalyse blijkt dat de betrokken
exploitant de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie op
een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan uithollen, in
beide gevallen ten nadele van de eindgebruikers. Aan de verplichting
kunnen door het college voorschriften worden verbonden die nodig zijn
voor een goede uitvoering van de verplichting.
2.Een verplichting als bedoeld in het eerste lid kan inhouden dat voor
toegang een kostengeoriënteerd tarief moet worden gerekend of dat een
door het college te bepalen of goed te keuren kostentoerekeningssysteem
moet worden gehanteerd.
3.Indien het college een onderneming heeft verplicht om voor toegang een
kostengeoriënteerd tarief te rekenen, toont de onderneming aan dat haar
tarieven werkelijk kostengeoriënteerd zijn.
4.Onverminderd het eerste lid, tweede volzin, kan het college aan een
verplichting tot het opstellen van een kostentoerekeningssysteem
voorschriften verbinden met betrekking tot het overleggen van de
resultaten van de toepassing van het systeem door de onderneming waarop
de verplichting rust.
5.Indien een verplichting tot het opstellen van een
kostentoerekeningssysteem is opgelegd:
a. maakt de desbetreffende onderneming, met inachtneming van de door het
college gegeven voorschriften, op genoegzame wijze bekend een
beschrijving van het systeem die ten minste de hoofdcategorieën bevat
waarin de kosten worden ingedeeld en de voor de toerekening van de
kosten toegepaste regels;
b. onderzoekt het college dan wel een door het college aan te wijzen
onafhankelijke deskundige derde jaarlijks of er in overeenstemming met
het systeem is gehandeld.
6.Van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het vijfde lid,
onderdeel b, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 6a.8
Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, voor door het
college te bepalen vormen van toegang de verplichting opleggen om deze
toegang onder gelijke omstandigheden onder gelijke voorwaarden te
verlenen. Deze verplichting houdt tevens in dat de onderneming gelijke
voorwaarden toepast als die welke onder gelijke omstandigheden gelden
voor haarzelf, haar dochterondernemingen of haar partnerondernemingen.
Artikel 6a.9
1.Het college kan op grond artikel 6a.2, eerste lid, de verplichting
opleggen om door het college nader te bepalen informatie met betrekking
tot door het college te bepalen vormen van toegang bekend te maken. Deze
informatie kan onder meer betrekking hebben op:
a. tarieven en andere voorwaarden die bij het verlenen van toegang
worden gehanteerd;
b. technische kenmerken en andere eigenschappen van het netwerk.
2.Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, de verplichting
opleggen om een referentieaanbod bekend te maken waarin een omschrijving
is opgenomen van door het college te bepalen vormen van toegang. Het
referentieaanbod is opgesplitst naar de onderscheiden vormen van toegang
en de daarbij gehanteerde tarieven en andere voorwaarden.
3.Indien aan een onderneming waaraan een verplichting als bedoeld in het
tweede lid is opgelegd tevens een verplichting is opgelegd als bedoeld
in artikel 6a.6 die betrekking heeft op ontbundelde toegang tot het
aansluitnetwerk, voldoet het referentieaanbod van de onderneming in elk
geval aan bijlage II van richtlijn nr. 2002/19/EG.
4.Indien het college van oordeel is dat het referentieaanbod niet in
overeenstemming is met de op grond van dit hoofdstuk opgelegde
verplichtingen, geeft het de onderneming aanwijzingen met betrekking tot
de aan te brengen wijzigingen.
5.Aan een verplichting als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het
college voorschriften verbinden met betrekking tot de mate van
detaillering en de wijze van bekendmaking.
Artikel 6a.10
1.Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, de verplichting
opleggen om een gescheiden boekhouding te voeren waarin de opbrengsten
en de kosten van de door het college te bepalen vormen van toegang, aan
de onderneming zelf of aan andere ondernemingen, gescheiden zijn van die
van de door de ondernemingen verrichte overige activiteiten.
2.Aan de verplichting tot het voeren van een gescheiden boekhouding kan
het college voorschriften verbinden met betrekking tot de methode van
inrichting van de boekhouding en het aan het college verstrekken van
boekhoudkundige documenten met inbegrip van gegevens over van derden
ontvangen inkomsten.
Artikel 6a.11
1.In uitzonderlijke omstandigheden kan het college aan een onderneming
waarvan door het college op grond van artikel 6a.2, eerste lid, is
vastgesteld dat zij beschikt over een aanmerkelijke marktmacht bij de
aanbieding van openbare elektronische communicatienetwerken of
bijbehorende faciliteiten, andere bij ministeriële regeling aan te
wijzen verplichtingen die verband houden met toegang opleggen, voor
zover deze passend zijn.
2.Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot het opleggen door het college
van bij die regeling aangewezen verplichtingen. Deze regels hebben in
elk geval betrekking op:
a. de omstandigheden die zich moeten voordoen alvorens deze
verplichtingen kunnen worden opgelegd, en
b. de aard van de verplichtingen.
3.Het college trekt een besluit als bedoeld in het eerste lid in,
indien:
a. het op grond van artikel 6a.3, eerste lid, heeft bepaald dat de
desbetreffende relevante onderscheidenlijk transnationale markt
daadwerkelijk concurrerend is;
b. op grond artikel 6a.3, tweede lid, is gebleken dat de onderneming als
bedoeld in het eerste lid geen aanmerkelijke marktmacht meer heeft.
4.Het college trekt een besluit als bedoeld in het eerste lid tevens in,
indien:
a. er geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden meer is, of
b. de opgelegde of in stand gehouden verplichting niet langer passend
is.
5.Uiterlijk binnen achttien maanden nadat een besluit als bedoeld in het
eerste lid in werking is getreden, onderzoekt het college of er nog
sprake is van uitzonderlijke omstandigheden en of de opgelegde of in
stand gehouden verplichting nog passend is en besluit het college op
grond van:
a. het eerste lid om het besluit in stand te houden, of
b. het vierde lid om het besluit in te trekken.
6.Artikel 6a.2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 6a.3. Verplichtingen op eindgebruikersniveau
Artikel 6a.12
Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, de verplichting
opleggen om:
a. bij de levering van door het college te bepalen
eindgebruikersdiensten, de eindgebruikers van die diensten in gelijke
gevallen gelijk te behandelen;
b. door het college te bepalen eindgebruikersdiensten te ontbundelen van
andere diensten, en
c. door het college te bepalen informatie aan door het college te
bepalen categorieën van eindgebruikers op een door het college te
bepalen wijze bekend te maken.
Artikel 6a.13
1.Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, verplichtingen
met betrekking tot de hoogte van eindgebruikerstarieven opleggen.
2.Indien het college een verplichting als bedoeld in het eerste lid
oplegt, legt het college op grond van artikel 6a.2, eerste lid, tevens
de verplichting op om een door het college te bepalen of goed te keuren
kostentoerekeningssysteem te hanteren. Het college kan op grond van
artikel 6a.2, eerste lid, de in de vorige volzin bedoelde verplichting
ook afzonderlijk van een verplichting als bedoeld in het eerste lid
opleggen.
3.Een onderneming aan wie een verplichting als bedoeld in het tweede lid
is opgelegd, legt vanaf een door het college te bepalen datum elk jaar
in de maand mei, over het voorafgaande kalenderjaar het resultaat van de
toepassing van het desbetreffende kostentoerekeningssysteem over aan het
college.
4.Indien een verplichting als bedoeld in het tweede lid is opgelegd,
onderzoekt het college of een door het college aan te wijzen
onafhankelijke deskundige derde jaarlijks nadat het in het derde lid
bedoelde resultaat is overgelegd of er in overeenstemming met het
desbetreffende kostentoerekeningssysteem is gehandeld. Van het resultaat
van het onderzoek wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
5.Aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen
door het college nadere voorschriften worden verbonden die nodig zijn
voor een goede uitvoering van die verplichtingen.
Artikel 6a.14
1.Indien het college op grond van artikel 6a.2, eerste lid, een
verplichting als bedoeld in artikel 6a.13, eerste lid, oplegt of in
stand houdt, kan het college op grond van artikel 6a.2, eerste lid,
tevens de verplichting opleggen om invoering van nieuwe of gewijzigde
eindgebruikerstarieven niet plaats te laten vinden dan nadat het college
deze tarieven heeft goedgekeurd.
2.Het college beoordeelt binnen drie weken na ontvangst van een verzoek
tot goedkeuring, of het nieuwe of gewijzigde eindgebruikerstarief in
overeenstemming is met de opgelegde of in stand gehouden verplichting,
bedoeld in artikel 6a.13, eerste lid. Indien gegevens als bedoeld in het
zevende lid ontbreken wordt de onderneming die het verzoek heeft
ingediend binnen drie dagen na ontvangst van het verzoek, hiervan op de
hoogte gesteld.
3.Het college kan de termijn, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin,
eenmaal met drie weken verlengen. Het college doet hiervan schriftelijk
mededeling aan de onderneming die het verzoek heeft ingediend.
4.Indien het college van oordeel is dat het nieuwe of gewijzigde
eindgebruikerstarief in overeenstemming is met de opgelegde of in stand
gehouden verplichting, bedoeld in artikel 6a.13, eerste lid, keurt het
college de invoering hiervan goed.
5.Indien het college van oordeel is dat het nieuwe of gewijzigde
eindgebruikerstarief niet in overeenstemming is met de opgelegde of in
stand gehouden verplichting, bedoeld in artikel 6a.13, eerste lid, doet
het college hiervan mededeling aan de onderneming die het verzoek heeft
ingediend. Binnen vier weken na deze mededeling, deelt het college aan
de in de eerste volzin bedoelde onderneming schriftelijk mede op welke
punten niet voldaan is aan de in de eerste volzin bedoelde verplichting.
6.Het college beoordeelt een verzoek tot goedkeuring volgend op een
schriftelijke mededeling als bedoeld in het vijfde lid, tweede volzin,
binnen twee weken na ontvangst van dit verzoek.
7.Uiterlijk op het tijdstip waarop een besluit als bedoeld in artikel
6a.2, eerste lid, houdende de oplegging of instandhouding van de
verplichting om de invoering van nieuwe of gewijzigde
eindgebruikerstarieven niet plaats te laten vinden dan nadat het college
deze tarieven heeft goedgekeurd, in werking treedt, stelt het college
vast welke gegevens door de desbetreffende onderneming bij een verzoek
als bedoeld in het tweede lid overgelegd moeten worden, en in welke vorm
deze gegevens worden ingediend. Het college doet hiervan mededeling aan
de desbetreffende onderneming.
Artikel 6a.15
Ter uitvoering van artikel 17 van richtlijn nr. 2002/22/EG kunnen bij
algemene maatregel van bestuur andere verplichtingen dan de
verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6a.12 tot en met 6a.14 worden
aangewezen die het college op grond van artikel 6a.2, eerste lid, kan
opleggen aan ondernemingen die een aanmerkelijke marktmacht hebben op
een relevante eindgebruikersmarkt onderscheidenlijk een transnationale
eindgebruikersmarkt.
§ 6a.4. Carrierkeuze en carriervoorkeuze op openbare telefoonnetwerken
op een vaste locatie
Artikel 6a.16
1.Een onderneming ten aanzien waarvan op grond van artikel 6a.2, eerste
lid, is vastgesteld dat zij op één relevante markt onderscheidenlijk
transnationale markt of op meer relevante markten of transnationale
markten tezamen, beschikt over een aanmerkelijke marktmacht bij de
aanbieding van toegang tot en het gebruik van openbare telefoonnetwerken
op een vaste locatie, wordt als zodanig aangewezen door het college.
2.Het college trekt een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid in voor
zover uit een onderzoek als bedoeld in artikel 6a.1, derde of vierde
lid, blijkt dat:
a. een relevante markt of transnationale markt die betrekking heeft op
de aanbieding van toegang tot en het gebruik van openbare
telefoonnetwerken op een vaste locatie daadwerkelijk concurrerend is
geworden, of
b. de desbetreffende onderneming niet langer beschikt over een
aanmerkelijke marktmacht bij de aanbieding van toegang tot en het
gebruik van openbare telefoonnetwerken op een vaste locatie.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt door het
college mededeling gedaan in de Staatscourant. Van gegevens als bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van
bestuur wordt geen mededeling gedaan.
Artikel 6a.17
1.Een onderneming die krachtens artikel 6a.16, eerste lid, is aangewezen
draagt, voor zover zij is aangewezen, er zorg voor dat voor haar
abonnees de voorzieningen beschikbaar zijn die het hen mogelijk maken om
per oproep door middel van een keuzecode of standaard door middel van
een voorkeuze de diensten af te nemen van aanbieders die toegang hebben
tot haar openbare telefoonnetwerk op een vaste locatie en de openbare
telefoondienst, of een substantieel onderdeel daarvan, op een vaste
locatie aanbieden.
2.De in het eerste lid bedoelde voorkeuze moet door de abonnee op
individuele basis kunnen worden gewijzigd door middel van het kiezen van
een daartoe bestemd nummer uit een door Onze Minister op grond van
artikel 4.1 vastgesteld nummerplan.
3.Het college kan een krachtens artikel 6a.16, eerste lid, aangewezen
onderneming voorschriften geven met betrekking tot de functionaliteit
van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid.
4.Een onderneming die krachtens artikel 6a.16, eerste lid, is aangewezen
voldoet, voor zover zij is aangewezen, aan redelijke verzoeken tot
toegang tot haar openbare telefoonnetwerken op een vaste locatie van
aanbieders die ten minste een substantieel onderdeel van de openbare
telefoondienst op een vaste locatie door middel van de in het tweede lid
bedoelde keuze of voorkeuze willen aanbieden. De tarieven voor de in de
eerste volzin bedoelde toegang zijn op kosten georiënteerd.
5.Teneinde te voorkomen dat de abonnees worden ontmoedigd in het gebruik
van de in het eerste lid bedoelde voorzieningen kunnen bij ministeriële
regeling regels worden gesteld met betrekking tot de maximale hoogte van
het tarief dat voor deze voorzieningen door een krachtens artikel 6a.16,
eerste lid, aangewezen onderneming aan haar abonnees in rekening mag
worden gebracht.
§ 6a.5. Het minimumpakket van huurlijnen
Artikel 6a.18
1.Een onderneming ten aanzien waarvan op grond van artikel 6a.2, eerste
lid, is vastgesteld dat zij op een relevante markt onderscheidenlijk een
transnationale markt beschikt over een aanmerkelijke marktmacht bij de
aanbieding van een type huurlijn uit het minimumpakket van huurlijnen
wordt als zodanig aangewezen door het college.
2.Het college trekt een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid in voor
zover uit een onderzoek als bedoeld in artikel 6a.1, derde of vierde
lid, blijkt dat:
a. een relevante markt of transnationale markt waartoe het
desbetreffende type huurlijn uit het minimumpakket van huurlijnen deel
uitmaakt daadwerkelijk concurrerend is geworden, of
b. de desbetreffende onderneming niet langer beschikt over een
aanmerkelijke marktmacht bij de aanbieding van het type huurlijn uit het
minimumpakket van huurlijnen waarvoor zij is aangewezen.
3.Een aanwijzing als bedoeld in eerste lid vervalt op het tijdstip
waarop het desbetreffende type huurlijn uit het minimumpakket van
huurlijnen geen deel meer uitmaakt van het minimumpakket van huurlijnen.
4.Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt door
het college mededeling gedaan in de Staatscourant. Van gegevens als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid
van bestuur wordt geen mededeling gedaan.
Artikel 6a.19
1.Een onderneming die krachtens artikel 6a.18, eerste lid, is
aangewezen, levert op verzoek en binnen een redelijke termijn de typen
huurlijnen uit het minimumpakket van huurlijnen waarvoor zij is
aangewezen.
2.Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van bijlage VII van
richtlijn nr. 2002/22/EG regels gesteld ten aanzien van ondernemingen
die krachtens artikel 6a.18, eerste lid, zijn aangewezen. Daarbij kunnen
aan het college taken worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend.
§ 6a.6. Verticaal geïntegreerde openbare ondernemingen die beschikken
over een economische machtspositie als bedoeld in artikel 82 van het
EG-verdrag
Artikel 6a.20
1.In dit artikel wordt verstaan onder openbare onderneming: onderneming
waarop een krachtens het publiekrecht ingestelde rechtspersoon
rechtstreeks of middellijk een dominerende invloed kan uitoefenen.
2.Indien een onderneming de rechtsvorm van een privaatrechtelijke
rechtspersoon heeft, wordt dominerende invloed als bedoeld in het eerste
lid vermoed te kunnen worden uitgeoefend, wanneer een krachtens het
publiekrecht ingestelde rechtspersoon rechtstreeks of middellijk:
a. over de meerderheid van de stemrechten, verbonden aan de door de
rechtspersoon uitgegeven aandelen beschikt, of
b. meer dan de helft van de leden van het bestuur of het toezichthoudend
orgaan benoemt.
3.Een verticaal geïntegreerde openbare onderneming die elektronische
communicatienetwerken aanbiedt en daarbij beschikt over een economische
machtspositie op de gemeenschappelijke markt of op een wezenlijk
onderdeel daarvan als bedoeld in artikel 82 van het EG-verdrag, verleent
aan andere ondernemingen op hun verzoek onder gelijke voorwaarden
toegang als die welke onder gelijke omstandigheden gelden voor haarzelf
of haar dochterondernemingen.
4.De verplichting, bedoeld in het derde lid, blijft voor een verticaal
geïntegreerde openbare onderneming buiten toepassing voor zover deze
verplichting reeds voortvloeit uit een krachtens artikel 6a.2, eerste
lid, jo. artikel 6a.8 door het college opgelegde of instandgehouden
verplichting.
§ 6a.7. Verplichtingen voor aanbieders van programmadiensten die
beschikken over een aanmerkelijke marktmacht
Artikel 6a.21
1.Het college bepaalt in overeenstemming met de beginselen van het
algemene Europese mededingingsrecht relevante markten voor het aanbieden
van programmadiensten waarvan de kenmerken zodanig zijn dat het opleggen
van de in de artikelen 6a.12, 6a.13, eerste en tweede lid, 6a.14, eerste
lid, en 6a.22 bedoelde verplichtingen passend kan zijn.
2.Het college onderzoekt de overeenkomstig het eerste lid bedoelde
markten zo spoedig mogelijk. Het onderzoek is er in ieder geval op
gericht om vast te stellen:
a. of de desbetreffende markt al dan niet daadwerkelijk concurrerend is
en of hierop ondernemingen die programmadiensten aanbieden actief zijn
die beschikken over een aanmerkelijke marktmacht, en
b. welke verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.12, 6a.13, eerste
en tweede lid, 6a.14, eerste lid, en 6a.22 passend zijn voor de onder a
bedoelde ondernemingen.
3.Indien uit een onderzoek, bedoeld in tweede lid, blijkt dat een
relevante markt niet daadwerkelijk concurrerend is, stelt het college
vast welke ondernemingen die programmadiensten aanbieden, beschikken
over een aanmerkelijke marktmacht, en:
a. legt hij ieder van hen, voor zover passend, verplichtingen als
bedoeld in de artikelen 6a.12, 6a.13, eerste en tweede lid, 6a.14,
eerste lid, en 6a.22 op;
b. houdt hij eerder opgelegde verplichtingen, voor zover zij betrekking
hebben op deze markt, in stand indien zij nog steeds passend zijn, of
c. trekt hij eerder opgelegde verplichtingen, voor zover zij betrekking
hebben op deze markt, in, indien zij niet langer passend zijn.
4.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «eindgebruiker»,
bedoeld in de artikelen 6a.12 tot en met 6a.14, verstaan: een natuurlijk
persoon of rechtspersoon die gebruik maakt of verzoekt om een
programmadienst.
5.De artikelen 6a.1, zesde, zevende en achtste lid, 6a.2, derde lid,
6a.3, eerste en tweede lid, 6a.4, 6a.5, 6a.13, derde, vierde en vijfde
lid, 6a.14, tweede tot en met zevende lid, 6b.1, 6b.3 en 6b.6 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 6a.22
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere verplichtingen dan de
verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6a.12 tot en met 6a.14, worden
aangewezen die het college op grond van artikel 6a.21, derde lid, kan
opleggen aan ondernemingen die een aanmerkelijke marktmacht hebben bij
het aanbieden van programmadiensten.
Hoofdstuk 6b. Consultatie
Artikel 6b.1
1.Op de voorbereiding van een besluit van het college als bedoeld in de
artikelen 6.2, 6a.2, 6a.3, 6a.16 en 6a.18, is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2.In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten om de in het
eerste lid bedoelde procedure niet toe te passen indien het besluit geen
aanzienlijke gevolgen heeft voor de desbetreffende markt.
3.Indien het een besluit op aanvraag betreft, is artikel 3:18 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 6b.2
1.Indien een besluit als bedoeld in artikel 6b.1, eerste lid, van
invloed is op de handel tussen de lidstaten, legt het college het
ontwerp van het desbetreffende besluit en de gronden die aan het
ontwerpbesluit ten grondslag liggen, voor aan de Commissie van de
Europese Gemeenschappen en aan de nationale regelgevende instanties,
bedoeld in artikel 7 van richtlijn nr. 2002/21/EG en stelt het college
hen gedurende een maand in de gelegenheid daarover opmerkingen te maken.
2.Het college neemt het besluit niet dan nadat de in het eerste lid
bedoelde termijn van een maand is verstreken.
3.Het college houdt bij het nemen van het besluit zoveel mogelijk
rekening met de opmerkingen die de Commissie van de Europese
Gemeenschappen en de nationale regelgevende instanties met betrekking
tot het ontwerp aan het college hebben medegedeeld.
4.Indien de Commissie van de Europese Gemeenschappen binnen de termijn,
bedoeld in het tweede lid, heeft medegedeeld dat zij van mening is dat
het voorgelegde ontwerpbesluit een belemmering vormt voor de interne
Europese markt of dat zij ernstige twijfels heeft omtrent de
verenigbaarheid van het ontwerpbesluit met het Gemeenschapsrecht, wacht
het college tenminste twee maanden vanaf de datum van die mededeling met
het vaststellen van zijn besluit.
5.Indien de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig
artikel 7, vierde lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG een beschikking
heeft gegeven:
a. brengt het college het ontwerp met betrekking tot de door de
Commissie in de beschikking aangegeven voorstellen in overeenstemming
met het Gemeenschapsrecht, of
b. besluit het college het desbetreffende ontwerpbesluit niet vast te
stellen. Van dit besluit wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
6.Het college stuurt een overeenkomstig dit artikel voorbereid besluit
in afschrift aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 6b.3
1.Het college kan in uitzonderlijke omstandigheden indien de vereiste
spoed zich verzet tegen de toepassing van de procedures, bedoeld in de
artikelen 6b.1, eerste lid, of 6b.2, die procedures buiten toepassing
laten bij het nemen van een besluit als bedoeld in de artikelen 6.2,
6a.2, eerste lid, onder a, 6a.16, eerste lid, of 6a.18, eerste lid, ten
einde de concurrentie te waarborgen of de belangen van de gebruikers te
beschermen.
2.Een besluit als bedoeld in het eerste lid geldt voor een periode van
maximaal 26 weken.
Artikel 6b.4
Indien een nationale regelgevende instantie, bedoeld in artikel 6b.2,
eerste lid, ingevolge artikel 7, derde lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG
een ontwerp van een besluit aan het college voorlegt, doet het college
zijn opmerkingen aan die nationale regelgevende instantie binnen de door
die instantie gestelde termijn toekomen.
Artikel 6b.5
1.Op de voorbereiding van een besluit van het college tot het opleggen,
instandhouden of intrekken van een verplichting als bedoeld in een op
basis van artikel 6a.11 tot stand gekomen ministeriële regeling is de
procedure, bedoeld in artikel 6b.1 van toepassing.
2.Het college legt een ontwerp van een besluit als bedoeld in het eerste
lid voor aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de nationale
regelgevende instanties die overeenkomstig artikel 3, zesde lid, van
richtlijn nr. 2002/21/EG zijn aangemeld.
3.Het college gaat niet over tot het nemen van een besluit als bedoeld
in het eerste lid dan nadat de Commissie van de Europese Gemeenschappen
daartoe overeenkomstig artikel 14, tweede lid, van richtlijn nr.
2002/19/EG toestemming heeft gegeven. Het college houdt daarbij rekening
met de door de nationale regelgevende instanties gemaakte opmerkingen.
Artikel 6b.6
Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene
wet bestuursrecht worden als één besluit aangemerkt:
a. een besluit als bedoeld in artikel 6a.2, eerste lid, en de aan een
dergelijk besluit ten grondslag liggende bepaling van de relevante
markt, bedoeld in artikel 6a.1, eerste of tweede lid, en het onderzoek
van die markt, bedoeld in artikel 6a.1, derde lid, respectievelijk het
onderzoek van een transnationale markt, bedoeld in artikel 6a.1, vierde
lid;
b. een besluit als bedoeld in artikel 6a.3, eerste, tweede of derde lid,
en de aan een dergelijk besluit ten grondslag liggende bepaling van de
relevante markt, bedoeld in artikel 6a.1, eerste of tweede lid, en het
onderzoek van die markt als bedoeld in artikel 6a.1, derde lid,
respectievelijk het onderzoek van een transnationale markt als bedoeld
in artikel 6a.1, vierde lid;
c. een besluit als bedoeld in artikel 6a.16, eerste of tweede lid, en de
aan een dergelijk besluit ten grondslag liggende bepaling van de
relevante markten, bedoeld in artikel 6a.1, eerste of tweede lid, en het
onderzoek van die markten, bedoeld in artikel 6a.1, derde lid,
respectievelijk het onderzoek van de transnationale markten, bedoeld in
artikel 6a.1, vierde lid;
d. een besluit als bedoeld in artikel 6a.18, eerste of tweede lid, en de
aan een dergelijk besluit ten grondslag liggende bepaling van de
relevante markt, bedoeld in artikel 6a.1, eerste of tweede lid, het
onderzoek van die markt, bedoeld in artikel 6a.1, derde lid,
respectievelijk het onderzoek van een transnationale markt als bedoeld
in artikel 6a.1, vierde lid.
Hoofdstuk 7. Eindgebruikersbelangen
Artikel 7.1
1.Een aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst
verstrekt voor of bij het sluiten van een overeenkomst met een consument
aan hem de volgende gegevens op schrift of op een andere te zijner
beschikking staande en voor hem toegankelijke duurzame gegevensdrager:
a. de naam en het adres van vestiging van de aanbieder;
b. de te verstrekken diensten en de wachttijd bij eerste aansluiting op
een openbare elektronische communicatiedienst;
c. het kwaliteitsniveau van de te verstrekken diensten;
d. de soorten onderhoudsdiensten;
e. de geldende tariefstructuur, de belangrijkste tarieven en de wijze
waarop informatie verkregen kan worden over de geldende tarieven en
onderhoudskosten;
f. de duur van de overeenkomst alsmede de voorwaarden waaronder de
overeenkomst of onderdelen daarvan, kan worden verlengd of beëindigd;
g. de schadevergoedingsregeling of terugbetalingsregeling die geldt
indien de overeenkomst, voor zover het het kwaliteitsniveau van de
geleverde dienst betreft, niet wordt nagekomen, en
h. de wijze waarop gebruik kan worden gemaakt van de
geschillencommissie, bedoeld in artikel 12.1 of van de procedure,
bedoeld in artikel 12.9.
2.Een aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst zorgt
ervoor dat de gegevens die hij voor of bij het sluiten van de
overeenkomst verstrekt, opgenomen worden in de tussen hem en de
desbetreffende consument te sluiten overeenkomst.
3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op
aanbieders van programmadiensten.
4.Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van openbare
elektronische communicatiediensten of programmadiensten worden
aangewezen met betrekking waartoe voor de desbetreffende aanbieder de in
het eerste en tweede lid bedoelde verplichting geheel of gedeeltelijk
buiten toepassing blijft.
Artikel 7.2
1.Ten minste vier weken voordat een voorgenomen wijziging van een beding
dat is opgenomen in een overeenkomst van kracht wordt:
a. biedt een aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst
de abonnee de mogelijkheid om de overeenkomst kosteloos te beëindigen,
en
b. stelt de aanbieder de abonnee op genoegzame wijze op de hoogte van de
inhoud van de voorgenomen wijziging en van de mogelijkheid om de
overeenkomst kosteloos te beëindigen.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op aanbieders van
programmadiensten. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van
programmadiensten worden aangewezen met betrekking waartoe voor de
desbetreffende aanbieder de in de vorige volzin bedoelde verplichting
geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft.
Artikel 7.2a
1. De overeenkomst tussen een aanbieder en een consument met betrekking
tot de levering van een elektronische communicatiedienst of
programmadienst die is aangegaan voor een onbepaalde duur, kan door de
consument te allen tijde kosteloos worden opgezegd.
2. De overeenkomst tussen een aanbieder en een consument met betrekking
tot de levering van een elektronische communicatiedienst of
programmadienst die is aangegaan voor een bepaalde duur, kan na verloop
van die duur stilzwijgend worden verlengd of vernieuwd, mits de
consument de overeenkomst hierna te allen tijde kosteloos kan opzeggen.
3. De bij de opzegging door de consument in acht te nemen termijn is in
alle gevallen niet langer dan een maand.
Artikel 7.3
1.Onverminderd artikel 11.9, worden bij ministeriële regeling regels
gesteld ter uitvoering van de bijlagen I, deel B, en II van richtlijn
nr. 2002/22/EG. Deze regels hebben in elk geval betrekking op het door
aanbieders van openbare telefoonnetwerken aan hun eindgebruikers
beschikbaar stellen van faciliteiten als bedoeld in de in de eerste
volzin bedoelde bijlage I, deel B, en het door aanbieders van openbare
telefoondiensten bekendmaken van informatie over de geldende tarieven en
voorwaarden met betrekking tot de toegang tot en het gebruik van die
telefoondiensten.
2.Het college kan ontheffing verlenen van een krachtens het eerste lid
opgelegde verplichting die strekt tot uitvoering van bijlage I, deel B,
van richtlijn nr. 2002/22/EG, indien deze technisch niet uitvoerbaar dan
wel economisch niet haalbaar is. Een ontheffing kan onder beperkingen
worden verleend. Het college kan voorschriften verbinden aan een
ontheffing.
Artikel 7.3a
1.Het college kan aanbieders van openbare elektronische
communicatiediensten een aanwijzing geven de betaling die gerelateerd is
aan het gebruik van bij ministeriële regeling aan te wijzen
categorieën van nummers op te schorten voor een door het college te
bepalen periode, indien het college een aanwijzing heeft dat de
nummergebruiker niet voldoet aan het gestelde bij of krachtens deze wet
of een gedraging verricht als bedoeld in artikel 4.4.
2.De aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst die een
aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, van het college heeft ontvangen,
schort de betaling onverwijld op.
3.De in het eerste lid genoemde periode is maximaal vier weken en kan
door het college eenmalig met maximaal vier weken worden verlengd.
4.Het college stelt de nummergebruiker, voorzover deze bij het college
bekend is, van de aanwijzing op de hoogte.
Artikel 7.3b
1.Het college kan aanbieders van openbare elektronische
communicatiediensten een aanwijzing geven de aankiesbaarheid van een
nummer uit bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van
nummers op te schorten voor een door het college te bepalen periode,
indien het college een aanwijzing heeft dat de nummergebruiker niet
voldoet aan het gestelde bij of krachtens deze wet of een gedraging
verricht als bedoeld in artikel 4.4.
2.De aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst die een
aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, van het college heeft ontvangen,
schort de aankiesbaarheid onverwijld op.
3.De in het eerste lid genoemde periode is maximaal vier weken en kan
door het college eenmalig met maximaal vier weken worden verlengd.
4.Het college stelt de nummergebruiker, voorzover deze bij het college
bekend is, van de aanwijzing op de hoogte.
Artikel 7.3c
1.Indien het college heeft vastgesteld dat de nummergebruiker met
betrekking tot een nummer gedurende een bepaalde periode niet heeft
voldaan aan het gestelde bij of krachtens deze wet of een gedraging
heeft verricht als bedoeld in artikel 4.4, kan het college hiervan
mededeling doen in de Staatscourant.
2.De aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst
verlangt geen betaling van consumenten voor oproepen naar nummers
indien:
a. de nummers zijn genoemd in een mededeling als bedoeld in het eerste
lid, en
b. de oproepen hebben plaatsgevonden gedurende de periode waarop die
mededeling betrekking heeft.
3.Indien de consument reeds heeft betaald voor oproepen naar nummers als
bedoeld in het tweede lid, betaalt de aanbieder de bedragen binnen twee
maanden na publicatie van de mededeling als bedoeld in het eerste lid,
terug.
Artikel 7.4
1.Aanbieders van openbare telefoondiensten op een vaste locatie of van
openbare betaaltelefoons die krachtens artikel 9.2 zijn aangewezen en
aanbieders van vaste openbare telefoondiensten of van openbare
betaaltelefoons die langer dan tweeënvijftig weken dergelijke diensten
leveren, maken jaarlijks voor 1 april op genoegzame wijze een overzicht
over het voorafgaande kalenderjaar bekend van de kwaliteit van de door
hen aangeboden diensten op basis van de in bijlage III van richtlijn nr.
2002/22/EG gespecificeerde parameters, definities en meetmethoden. Het
in de eerste volzin bedoelde overzicht wordt voor bekendmaking aan het
college ter beschikking gesteld.
2.Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van de in het eerste lid
genoemde verplichtingen nadere regels worden gesteld.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, voor zover
niet voorzien op grond van het eerste lid, regels worden gesteld inzake
het:
a. door aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten of
programmadiensten maken van een periodiek overzicht van de kwaliteit van
de door hen aangeboden diensten aan de hand van bij of krachtens die
algemene maatregel van bestuur te bepalen parameters, definities en
meetmethoden;
b. door het college, of een door het college aan te wijzen
onafhankelijke deskundige derde, onderzoeken of het overzicht in
overeenstemming is met de desbetreffende regels, en
c. bekendmaken van het overzicht en het ter beschikking stellen daarvan
aan het college.
4.De regels, bedoeld in het derde lid, kunnen verschillen voor bij die
regels te bepalen categorieën van openbare elektronische
communicatiediensten of programmadiensten.
5.Bij de regels, bedoeld in het tweede en derde lid, kunnen taken worden
opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 7.5
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake het, met
inachtneming van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 11, aan derden
ter beschikking stellen van bij die regels aan te wijzen categorieën
van nummers met bijbehorende gegevens ten behoeve van de beschikbaarheid
van telefoongidsen en van een abonnee-informatiedienst.
Artikel 7.6
1.Aanbieders van openbare telefoonnetwerken en openbare telefoondiensten
zorgen ervoor dat de eindgebruikers van dat netwerk en van die diensten
toegang hebben tot de diensten van een telefonist en tot een
abonnee-informatiedienst.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld waaraan de in
het eerste lid bedoelde abonnee-informatiedienst moet voldoen.
Artikel 7.7
1.Aanbieders van openbare telefoonnetwerken, openbare betaaltelefoons en
openbare telefoondiensten stellen het gebruik van alarmnummers kosteloos
en zonder toegangsbelemmeringen ter beschikking aan alle gebruikers van
hun dienst.
2.Onder een alarmnummer als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan
een nummer dat in een nummerplan als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid,
bestemd is als alarmnummer.
3.Aanbieders van openbare telefoonnetwerken, openbare betaaltelefoons en
openbare telefoondiensten treffen de voorzieningen die noodzakelijk zijn
om de toegang tot alarmnummers te waarborgen in het geval van congestie
in het desbetreffende openbare telefoonnetwerk.
4.Onze Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het derde
lid, indien het technisch niet uitvoerbaar dan wel economisch niet
haalbaar is de in dat lid bedoelde voorzieningen te treffen. Een
ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Onze Minister kan
voorschriften verbinden aan een ontheffing.
Artikel 7.8
1.Voor zover de andere artikelen van dit hoofdstuk hierin niet voorzien,
kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden
gesteld voor aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken, openbare elektronische communicatiediensten,
nummergebruikers of programmadiensten inzake de bescherming van
natuurlijke personen die gebruik maken van of verzoeken om openbare
elektronische communicatiediensten, nummergebruikers of
programmadiensten voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden. De
regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. het bekendmaken van informatie over de geldende tarieven;
b. de tarifering van bij ministeriële regeling aangewezen categorieën
van nummers;
c. de omstandigheden waaronder een aanbieder de levering van een
openbare elektronische communicatiedienst mag opschorten of beëindigen.
2.De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen voor bij die regels te
bepalen categorieën van openbare elektronische communicatienetwerken,
openbare elektronische communicatiediensten, nummergebruikers of
programmadiensten verschillen. Bij die regels kunnen taken worden
opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.
Hoofdstuk 8. Regels met betrekking tot het verspreiden van programma's,
systemen voor voorwaardelijke toegang, applicatieprogramma-interfaces en
elektronische programmagidsen
§ 8.1. Verplichtingen in verband met het uitzenden van programma's
Artikel 8.1 [Vervallen per 19-05-2004]
Artikel 8.2 [Vervallen per 19-05-2004]
Artikel 8.3
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap, aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken die bestaan uit radiozendapparaten die geschikt
zijn voor het verspreiden van programma-aanbod, verplichten om
programma-aanbod uit te zenden dat hem in overeenstemming met de
Mediawet ter verspreiding wordt aangeboden door instellingen die belast
zijn met de verzorging van de publieke mediadiensten, bedoeld in
hoofdstuk 2 van de Mediawet 2008.
Artikel 8.4a
1.Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van een bindend
besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en
de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen,
technische voorschriften gegeven voor het uitzenden van een
televisieprogramma als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008, dat
bedoeld is om te worden uitgezonden in een aspectverhouding groter dan
4:3, of dat bedoeld is om volledig digitaal te worden uitgezonden door
middel van een openbaar elektronisch communicatienetwerk.
2.Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van een bindend
besluit als bedoeld in het eerste lid voorts technische eisen gesteld
aan openbare elektronische communicatienetwerken met behulp waarvan de
uitzending van televisieprogramma's op een volledig digitale wijze
plaatsvindt.
§ 8.2. Systemen voor voorwaardelijke toegang,
applicatieprogramma-interfaces, elektronische programmagidsen en toegang
tot programma-aanbod
Artikel 8.5
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van een
bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees
Parlement en de Raad gezamenlijk, of van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen regels gegeven met betrekking tot het door aanbieders
verlenen van toegang tot systemen voor voorwaardelijke toegang die
geschikt en bestemd zijn voor de uitzending van diensten die kunnen
worden ontvangen met behulp van digitale televisie- of radiosystemen.
2.De in het eerste lid bedoelde regels hebben in elk geval betrekking
op:
a. de technische mogelijkheden van de systemen voor voorwaardelijke
toegang ten behoeve van controleoverdracht;
b. het verlenen van toegang tot systemen voor voorwaardelijke toegang en
de voorwaarden waaronder dit geschiedt, en
c. het voeren van een gescheiden boekhouding voor de activiteiten in
verband met het aanbod van systemen voor voorwaardelijke toegang en voor
overige activiteiten.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van een
bindend besluit als bedoeld in het eerste lid regels worden gegeven met
betrekking tot het verlenen van licenties door houders van industriële
eigendomsrechten aan fabrikanten van consumentenapparaten waarin gebruik
wordt gemaakt van voorwaardelijke toegangsystemen.
4.Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken worden
opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 8.6
1.Met het oog op het waarborgen van de toegang van eindgebruikers tot
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen diensten die op
digitale wijze worden uitgezonden en die kunnen worden ontvangen met
behulp van televisie- of radiosystemen, kunnen bij algemene maatregel
van bestuur regels worden gegeven met betrekking tot het verlenen van
toegang tot applicatieprogramma-interfaces of elektronische
programmagidsen door aanbieders.
2.De in het eerste lid bedoelde regels hebben ten aanzien van aanbieders
van applicatieprogramma-interfaces dan wel elektronische programmagidsen
in elk geval betrekking op:
a. het verlenen van toegang tot applicatieprogramma-interfaces dan wel
elektronische programmagidsen, alsmede de voorwaarden waaronder dit
geschiedt;
b. het verstrekken van informatie met betrekking tot toegang en de wijze
van gebruik van de verstrekte informatie, en
c. het voeren van een gescheiden boekhouding voor de activiteiten in
verband met het aanbod van applicatieprogramma-interfaces
onderscheidenlijk elektronische programmagidsen en voor de overige
activiteiten.
3.Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken worden
opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 8.7
Wanneer door het college de in artikel 6a.6 bedoelde verplichting wordt
opgelegd aan een onderneming die openbare elektronische
communicatienetwerken aanbiedt die gebruikt worden voor het verspreiden
van programma's, is deze onderneming tevens verplicht toegang te
verlenen tot het door haar samengestelde programma-aanbod voor zover dat
programma-aanbod niet versleuteld naar alle aangeslotenen op
desbetreffende netwerken wordt verspreid, met dien verstande dat de
gevraagde toegang alleen behoeft te worden verleend:
a. in het geval een aanbieder van een programma wenst dat degenen naar
wie het programma wordt verspreid, bijdragen in de kosten van dat
programma, de kosten van de verspreiding hieronder begrepen, en deze
aanbieder door de wijze van verspreiding hiervoor feitelijk is
aangewezen op de onderneming die de openbare elektronische
communicatienetwerken aanbiedt, en
b. de onderneming die de openbare elektronische communicatienetwerken
aanbiedt geen transparante of objectieve gronden heeft om de toegang te
weigeren.
§ 8.3 [Vervallen per 19-05-2004]
§ 8.4 [Vervallen per 19-05-2004]
Hoofdstuk 9. Universele dienstverlening
Artikel 9.1
1.De volgende diensten zijn voor iedere eindgebruiker, onafhankelijk van
diens geografische locatie, tegen een betaalbare prijs en met een
bepaalde kwaliteit beschikbaar:
a. het naar aanleiding van een redelijk verzoek aansluiten op het
openbare telefoonnetwerk op een vaste locatie en het bieden van toegang
tot de openbare telefoondienst op een vaste locatie;
b. openbare betaaltelefoons;
c. gedrukte telefoongidsen;
d. elektronische telefoongidsen, en
e. een abonnee-informatiedienst.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
over de kwaliteit van de in het eerste lid bedoelde diensten.
3.Ter uitvoering van hoofdstuk II van richtlijn nr. 2002/22/EG, kunnen
bij algemene maatregel van bestuur andere dan de in het eerste lid
bedoelde openbare elektronische communicatiediensten of daarmee
samenhangende voorzieningen worden aangewezen die voor in die maatregel
te bepalen categorieën van eindgebruikers, onafhankelijk van hun
geografische locatie, beschikbaar moeten zijn tegen een betaalbare prijs
en met een bij of krachtens die maatregel te bepalen kwaliteit.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over de in het eerste of derde lid bedoelde prijs. Bij de in de
eerste volzin bedoelde regels over de prijs kan onderscheid gemaakt
worden tussen groepen eindgebruikers.
Artikel 9.2
1.Indien naar het oordeel van Onze Minister de beschikbaarheid, de
betaalbaarheid of de kwaliteit van een of meer van de openbare
elektronische communicatiediensten of voorzieningen, bedoeld in artikel
9.1, eerste of derde lid, niet door het normale functioneren van de
markt wordt of zal kunnen worden gegarandeerd, kan Onze Minister bij
besluit de verzorging van de desbetreffende diensten of voorzieningen in
een bij dat besluit te bepalen verzorgingsgebied voor ten hoogste vijf
jaar opdragen aan degene die overeenkomstig de in dit artikel geregelde
procedure wordt aangewezen als degene die de laagste totale nettokosten
verwacht.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering
van hoofdstuk II van richtlijn nr. 2002/22/EG nadere regels gesteld die
van toepassing zijn in het geval een opdracht tot verzorging van een of
meer tot de universele dienst behorende diensten of voorzieningen is
gegeven. Hierbij kunnen ter uitvoering van het in de eerste volzin
genoemde hoofdstuk taken worden opgedragen en bevoegdheden worden
verleend aan het college.
3.Onze Minister maakt het voornemen over te gaan tot een opdracht bekend
aan de aanbieder van het openbare elektronische communicatienetwerk
waarop in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers zijn
aangesloten die reeds gebruik maken van de openbare elektronische
communicatiedienst die wordt opgedragen of, indien er sprake is van een
op te dragen voorziening, de aanbieder van het openbare elektronische
communicatienetwerk waarop in het verzorgingsgebied de meeste
eindgebruikers zijn aangesloten die gebruik maken van de openbare
elektronische communicatiedienst waarmee de op te dragen voorziening
samenhangt. In het voornemen worden de te verzorgen openbare
elektronische communicatiedienst of voorziening, het verzorgingsgebied
en de periode waarvoor de opdracht zal worden gegeven neergelegd.
4.Van het voornemen wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant. Daarbij wordt gewezen op de in het zesde lid geregelde
mogelijkheid een aanvraag in te dienen om een opdracht.
5.Binnen acht weken na de datum van de in het derde lid, eerste volzin,
bedoelde bekendmaking wordt door de in het derde lid bedoelde aanbieder
aan Onze Minister meegedeeld of hij verwacht in aanmerking te komen voor
een vergoeding op grond van artikel 9.3 indien aan hem een opdracht zou
worden gegeven. Verwacht de in de vorige zin bedoelde aanbieder in
aanmerking te komen voor een vergoeding dan deelt hij Onze Minister
tevens mee wat per kalenderjaar naar zijn verwachting de hoogte van de
in artikel 9.3, tweede lid, bedoelde nettokosten zullen zijn.
6.Binnen acht weken na de datum van de in het vierde lid bedoelde
bekendmaking kan bij Onze Minister door anderen dan de in het derde lid
bedoelde aanbieder, een aanvraag worden ingediend om een opdracht.
7.De aanvraag bevat in ieder geval een verklaring van de aanvrager of
hij verwacht in aanmerking te komen voor een vergoeding op grond van
artikel 9.3, indien aan hem een opdracht zou worden gegeven. Verwacht de
aanvrager in aanmerking te komen voor een vergoeding dan deelt hij Onze
Minister tevens mee wat per kalenderjaar naar zijn verwachting de hoogte
van de in artikel 9.3, tweede lid, bedoelde nettokosten zullen zijn.
8.Een opdracht wordt geweigerd indien de aanvrager naar verwachting de
opdracht niet naar behoren zal kunnen verzorgen.
9.De opdracht wordt, na een onderlinge vergelijking van de hoogte van de
door aanvragers aan wie de opdracht op grond van het achtste lid niet is
geweigerd, verwachte totale nettokosten en door de in het derde lid
bedoelde aanbieders verwachte totale nettokosten, opgedragen aan degene
die de laagste totale nettokosten verwacht.
10.Indien op grond van de in het negende lid bedoelde vergelijking
meerdere opdrachten kunnen worden gegeven wordt door middel van het lot
beslist aan wie de opdracht wordt gegeven.
Artikel 9.3
1.Degene die op grond van een opdracht als bedoeld in artikel 9.2,
eerste lid, openbare elektronische communicatiediensten of voorzieningen
verzorgt kan binnen een half jaar na afloop van een kalenderjaar waarin
hij die diensten of voorzieningen heeft verzorgd bij het college een
aanvraag indienen om vergoeding van de in het afgelopen kalenderjaar bij
de verzorging gemaakte nettokosten.
2.De nettokosten zijn de kosten die een aanbieder als gevolg van een
opdracht voor een bepaalde dienst of voorziening maakt en waartegenover
als gevolg van de bij of krachtens artikel 9.1 gestelde regels omtrent
de betaalbaarheid geen vergoeding door eindgebruikers staat, verminderd
met andere op geld waardeerbare voordelen die verband houden met de
opdracht, waaronder begrepen immateriële voordelen. Bij ministeriële
regeling kunnen ter uitvoering van bijlage IV, deel A, van richtlijn nr.
2002/22/EG nadere regels worden gesteld omtrent de berekening van de
nettokosten.
3.Een vergoeding wordt slechts toegekend voorzover naar het oordeel van
het college het bestaan en de hoogte van de nettokosten op grond van de
verstrekte gegevens voldoende is aangetoond. De vergoeding is niet hoger
dan de door de aanvrager op grond van artikel 9.2, vijfde of zevende
lid, voor het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft verwachte
nettokosten.
4.Indien een vergoeding wordt toegekend wordt dit onder vermelding van
het te vergoeden bedrag bekend gemaakt in de Staatscourant.
5.Een vergoeding wordt uitbetaald binnen een week nadat de in artikel
9.4, vijfde lid, bedoelde termijn is verstreken.
Artikel 9.4
1.Indien ingevolge artikel 9.3 aan degene die op grond van een opdracht
een openbare elektronische communicatiedienst of voorziening verzorgt,
een vergoeding wordt toegekend, is eenieder die een openbare
elektronische communicatiedienst aanbiedt die behoort tot een voor de
desbetreffende opgedragen dienst of voorziening bij algemene maatregel
van bestuur bepaalde categorie van openbare elektronische
communicatiediensten, en die in het kalenderjaar waarop de te betalen
vergoeding betrekking heeft, voor die dienst in Nederland een hogere
omzet heeft dan een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag, aan
het college een bijdrage verschuldigd.
2.De verschuldigde bijdrage wordt door het college binnen een half jaar
na toekenning van de vergoeding vastgesteld en aan degene die de
bijdrage is verschuldigd, meegedeeld.
3.De bijdrage wordt berekend door de te betalen vergoeding te
vermenigvuldigen met de in het vierde lid bedoelde breuk.
4.De teller van de breuk bestaat uit de jaaromzet in Nederland van de
bijdrageverschuldigde aanbieder in de in het eerste lid bedoelde
openbare elektronische communicatiediensten in het jaar waarop de te
betalen vergoeding betrekking heeft. De noemer van de breuk bestaat uit
de som van de jaaromzetten in Nederland van de bijdrageverschuldigde
aanbieders in de desbetreffende diensten in het jaar waarop de te
betalen vergoeding betrekking heeft.
5.De bijdrage wordt betaald binnen vier weken na ontvangst van de
beschikking waarin de bijdrage is vastgesteld.
6.Op verzoek van degene die op grond van artikel 9.3 een vergoeding
krijgt toegekend, wordt een door hem te betalen bijdrage verrekend met
de door hem te ontvangen vergoeding.
Hoofdstuk 10. Uitrusting
§ 10.1. Europese bepalingen voor uitrusting
§ 10.1.1. Conformiteiteisen en wederzijdse erkenning van conformiteit
Artikel 10.1
1.Het is verboden uitrusting die niet voldoet aan de krachtens artikel
10.3, onderdeel a, b, c en e gestelde voorschriften, in de handel te
brengen of te verhandelen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld over uitzonderingen op het in het eerste lid bedoelde
verbod.
Artikel 10.2
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over speciale maatregelen betreffende de ingebruikneming of het
gebruik van uitrusting die voldoet aan de bij of krachtens dit hoofdstuk
gestelde voorschriften. Deze regels betreffen:
a. maatregelen om een bestaand of te verwachten probleem in verband met
de eisen waar uitrusting aan moet voldoen op een bepaalde locatie te
verhelpen;
b. maatregelen die om veiligheidsredenen genomen worden om openbare
elektronische communicatienetwerken of apparaten die naar hun aard
bestemd zijn voor het zenden of ontvangen van radiocommunicatiesignalen
te beschermen, indien deze worden gebruikt voor veiligheidsdoeleinden in
duidelijk gedefinieerde spectrumsituaties.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over de middelen die Onze Minister kan gebruiken om het in de
handel brengen of verhandelen van radiozendapparaten of categorieën van
radiozendapparaten te beëindigen of te beperken, indien de vrees is
gewettigd dat door de betrokken radiozendapparaten ontoelaatbare
belemmeringen worden veroorzaakt in het etherverkeer, in andere
radiozendapparaten of in ontvangapparaten.
Artikel 10.3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter implementatie
van conformiteitsrichtlijnen en bijlage II van de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte regels worden gesteld,
inzake:
a. eisen waar uitrusting aan moet voldoen;
b. de conformiteitsbeoordeling van uitrusting;
c. het aanbrengen van markeringen;
d. de aanwijzing, accreditatie en bevoegdheden van instanties die
betrokken kunnen worden bij de conformiteitsbeoordeling, alsmede de
intrekking van de aanwijzing;
e. informatieverplichtingen met betrekking tot uitrusting;
f. de aansluiting van uitrusting op openbare elektronische
communicatienetwerken, alsmede het afsluiten of buiten gebruikstellen
van die uitrusting;
g. de door een aanbieder van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk te verstrekken informatie over de technische
specificaties van netwerkaansluitpunten.
Artikel 10.4
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld
worden ter uitvoering van tussen de Europese Gemeenschap en derde landen
gesloten overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning van
conformiteitsbeoordelingen van uitrusting, ondermeer over de aanwijzing
van instanties die betrokken kunnen worden bij de
conformiteitsbeoordeling, alsmede de intrekking van de aanwijzing.
§ 10.1.2. Digitale televisie
Artikel 10.5
1.Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van een bindend
besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en
de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen
regels gesteld ter zake van apparaten bestemd voor de ontvangst en
weergave van televisieprogramma’s als bedoeld in artikel 1.1 van de
Mediawet 2008, en van apparaten bestemd voor het ontsleutelen van
versleutelde digitale televisiesignalen.
2.Het is verboden apparaten als bedoeld in het eerste lid te verkopen,
te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen indien niet wordt
voldaan aan de krachtens het eerste lid gestelde regels.
§ 10.2. Bepalingen van nationale oorsprong
Artikel 10.6
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld inzake het maken van reclame voor uitrusting waarvan het in de
handel brengen of het verhandelen op grond van artikel 10.1 of artikel
10.5 is verboden.
Artikel 10.7
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld inzake de behandeling van klachten over elektromagnetische
storingen, ondervonden van het gebruik van uitrusting, of over
belemmeringen, welke bij het gebruik van radiozendapparaten of
randapparaten worden ondervonden.
Artikel 10.8
Voor de toepassing van de artikelen 10.9 tot en met 10.11 worden met
radiozendapparaten gelijk gesteld:
a. elke samenvoeging van onderdelen geschikt om een radiozendapparaat
dan wel een ingevolge het bepaalde onder b daarmee gelijkgesteld
apparaat te vormen;
b. de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te omschrijven
elektrische of elektronische apparaten die geschikt zijn om door gebruik
tezamen met een radiozendapparaat een radiozendapparaat te vormen met
andere technische eigenschappen.
Artikel 10.9
1.Het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben,
of het gebruik van radiozendapparaten is slechts toegestaan indien voor
het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten op grond van
hoofdstuk 3 een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte is
verleend.
2.In afwijking van het eerste lid, is het aanleggen, het geheel of
gedeeltelijk aanwezig hebben, of het gebruik van radiozendapparaten
zonder dat aan de houder een vergunning is verleend voor het gebruik van
frequentieruimte, toegestaan, indien:
a. krachtens hoofdstuk 3 geen vergunning is vereist voor het gebruik van
frequentieruimte en, indien voor het gebruik melding en registratie
verplicht zijn krachtens artikel 3.4, tweede lid, onder d, indien
melding en registratie heeft plaatsgevonden;
b. de houder van het radiozendappararaat met de houder van een
vergunning voor het gebruik van frequentieruimte een overeenkomst heeft
gesloten voor de aanleg en het instandhouden van een radiozendapparaat
ten behoeve van het verzorgen van diensten van de opdrachtgever waarbij
gebruik wordt gemaakt van de aan de opdrachtgever toegewezen
frequentieruimte;
c. deze apparaten worden gebruikt aan boord van andere dan Nederlandse
schepen of luchtvaartuigen en daarvoor een vergunning is afgegeven in
overeenstemming met het Internationaal Telecommunicatieverdrag, of
d. deze apparaten worden gebruikt door niet-ingezetenen van Nederland
die tijdelijk hier te lande verblijven en daartoe voor Nederland
bindende afspraken zijn gemaakt.
Artikel 10.10
1.Onze Minister kan, in afwijking van artikel 10.9, eerste lid, een
vergunning verlenen voor het aanleggen van radiozendapparaten zonder dat
aan de houder een vergunning is verleend voor gebruik van
frequentieruimte. Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend.
Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
2.De vergunning kan worden geweigerd, indien:
a. het ernstige vermoeden bestaat dat de vergunning zal worden
misbruikt;
b. een eerder verleende vergunning is ingetrokken wegens overtreding van
de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel van de aan de
vergunning verbonden voorschriften;
c. de aanvraag niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde
regels, of
d. de aanvrager naar het oordeel van Onze Minister geen gerechtvaardigd
belang heeft bij verlening van de vergunning.
3.De vergunning kan worden ingetrokken, indien:
a. de houder van de vergunning de bij of krachtens deze wet gestelde
regels dan wel de aan de vergunning verbonden voorschriften of
beperkingen niet nakomt, of
b. de gronden waarop de vergunning is verleend zijn vervallen.
Artikel 10.11
1.Het is verboden:
a. een radiozendapparaat te gebruiken om aan boord van een schip of
luchtvaartuig buiten elk nationaal gebied programma's uit te zenden;
b. een radiozendapparaat, bestemd voor een gebruik als onder a bedoeld,
te exploiteren;
c. een radiozendapparaat ter beschikking te stellen of aan te leggen in
de wetenschap, dat het is bestemd voor een gebruik als bedoeld onder a;
d. een schip of luchtvaartuig ter beschikking te stellen in de
wetenschap, dat dit is bestemd om aan boord daarvan uitzendingen te doen
als onder a bedoeld.
2.Het is verboden aan overtreding van een der in het eerste lid bedoelde
verboden opzettelijk mee te werken door daarbij behulpzaam te zijn dan
wel daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen. Als
handelingen van medewerking worden in elk geval beschouwd:
a. het ter beschikking stellen van materiaal ten behoeve van het schip
of luchtvaartuig dan wel van het radiozendapparaat;
b. het onderhouden of herstellen van het schip of luchtvaartuig dan wel
van het radiozendapparaat;
c. het bevoorraden van het schip of luchtvaartuig;
d. het vervoeren van personen of goederen naar of van het schip of
luchtvaartuig dan wel het ter beschikking stellen van middelen tot dat
vervoer;
e. het vervaardigen van programma's of onderdelen daarvan, bestemd om te
worden uitgezonden;
f. het geven van opdrachten tot het uitzenden van programma's of
onderdelen daarvan dan wel het verlenen van bemiddeling bij het
verkrijgen van zodanige opdrachten.
3.Het tweede lid blijft buiten toepassing, indien de aldaar bedoelde
handelingen worden verricht teneinde in geval van nood het schip of
luchtvaartuig bij te staan of mensenlevens te beschermen.
4.Onder schip of luchtvaartuig wordt in dit artikel mede begrepen elk
ander drijvend of door de lucht gedragen voorwerp.
Hoofdstuk 11. Bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke
levenssfeer
§ 11.1. Algemene bepalingen
Artikel 11.1
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. gebruiker: een natuurlijke persoon die gebruik maakt van een openbare
elektronische communicatiedienst voor particuliere of zakelijke
doeleinden zonder noodzakelijkerwijze op die dienst te zijn geabonneerd;
b. verkeersgegevens: gegevens die worden verwerkt voor het overbrengen
van communicatie over een elektronisch communicatienetwerk of voor de
facturering ervan;
c. verwerking van verkeersgegevens: verwerking als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Wet bescherming persoonsgegevens, met dien verstande
dat de desbetreffende handelingen mede betrekking hebben op
verkeersgegevens van abonnees die geen natuurlijke personen zijn;
d. locatiegegevens: gegevens die worden verwerkt in een elektronisch
communicatienetwerk waarmee de geografische positie van de
randapparatuur van een gebruiker van een openbare elektronische
communicatiedienst wordt aangegeven;
e. communicatie: informatie die wordt uitgewisseld of overgebracht
tussen een eindig aantal partijen door middel van een openbare
elektronische communicatiedienst; dit omvat niet de informatie die via
een omroepdienst over een elektronisch communicatienetwerk wordt
overgebracht, behalve wanneer de informatie kan worden gerelateerd aan
de identificeerbare abonnee of gebruiker die de informatie ontvangt;
f. oproep: een door middel van een openbare telefoondienst tot stand
gebrachte verbinding die zonder noemenswaardige vertraging communicatie
tussen gebruikers of abonnees over en weer mogelijk maakt;
g. toestemming van een gebruiker of abonnee: toestemming van een
betrokkene als bedoeld in artikel 1, onder i, van de Wet bescherming
persoonsgegevens, met dien verstande dat de toestemming mede betrekking
kan hebben op gegevens van abonnees die geen natuurlijke personen zijn;
h. dienst met toegevoegde waarde: dienst die de verwerking vereist van
verkeersgegevens of locatiegegevens, niet zijnde verkeersgegevens, en
die verder gaat dan hetgeen noodzakelijk is voor de overbrenging van een
communicatie of de facturering daarvan;
i. elektronisch bericht: tekst-, spraak-, geluids- of beeldbericht dat
over een openbaar elektronisch communicatienetwerk wordt verzonden en in
het netwerk of in de randapparatuur van de ontvanger kan worden
opgeslagen tot het door de ontvanger wordt opgehaald.
Artikel 11.2
Onverminderd de Wet bescherming persoonsgegevens en het overigens bij of
krachtens deze wet bepaalde dragen de aanbieder van een openbaar
elektronisch communicatienetwerk en de aanbieder van een openbare
elektronische communicatiedienst zorg voor de bescherming van
persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van
abonnees en gebruikers van zijn netwerk, onderscheidenlijk zijn dienst.
Artikel 11.3
1.De in artikel 11.2 bedoelde aanbieders treffen in het belang van de
bescherming van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van abonnees en gebruikers passende technische en
organisatorische maatregelen ten behoeve van de veiligheid en
beveiliging van de door hen aangeboden netwerken en diensten. De
maatregelen garanderen, rekening houdend met de stand van de techniek en
de kosten van de tenuitvoerlegging, een passend beveiligingsniveau dat
in verhouding staat tot het desbetreffende risico.
2.De in artikel 11.2 bedoelde aanbieders dragen er zorg voor dat de
abonnees worden geïnformeerd over:
a. bijzondere risico's voor de doorbreking van de veiligheid of de
beveiliging van het aangeboden netwerk of de aangeboden dienst;
b. de eventuele middelen waarmee de onder a bedoelde risico's kunnen
worden tegengegaan, voor zover het andere maatregelen betreft dan die
welke de aanbieder op grond van het eerste lid gehouden is te treffen,
alsmede een indicatie van de verwachte kosten.
Artikel 11.4
1.De aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst is
verplicht de abonnee op diens verzoek:
a. geleverde elektronische communicatiediensten door middel van geheel
of gedeeltelijk niet-gespecificeerde nota's in rekening te brengen;
b. de mogelijkheid te bieden kosteloos en op eenvoudige wijze de
doorschakeling van oproepen van derden naar het bij hem in gebruik
zijnde netwerkaansluitpunt ongedaan te maken.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de
bescherming van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van oproepende gebruikers en opgeroepen abonnees regels
worden gesteld met betrekking tot het specificeren van nota's voor
geleverde elektronische communicatiediensten. Deze regels kunnen onder
meer betrekking hebben op de toekenning van rechten aan abonnees, de
behandeling van klachten, de verstrekking van informatie en de
vergoeding van kosten. Bij de algemene maatregel van bestuur kunnen aan
het college taken worden opgedragen en bevoegdheden verleend.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten
aanzien van de keuzemogelijkheden voor de wijze van betaling van
geleverde elektronische communicatiediensten.
Artikel 11.5
1.De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk en de
aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst verwijderen
dan wel anonimiseren de door hen verwerkte en opgeslagen
verkeersgegevens met betrekking tot abonnees of gebruikers, zodra deze
verkeersgegevens niet langer nodig zijn ten behoeve van de overbrenging
van communicatie, onverminderd het tweede, derde en vijfde lid.
2.De aanbieder mag verkeersgegevens verwerken die noodzakelijk zijn voor
facturering, waaronder het opstellen van een factuur voor een abonnee of
voor degene die zich tegenover de aanbieder rechtens verbonden heeft die
factuur te voldoen, dan wel ten behoeve van een betaling van verleende
toegang. De verkeersgegevens mogen worden verwerkt tot het einde van de
wettelijke termijn waarbinnen de factuur in rechte kan worden betwist of
de betaling in rechte kan worden afgedwongen.
3.De aanbieder van elektronische communicatiediensten mag voorts de in
het eerste lid bedoelde verkeersgegevens verwerken, voor zover en voor
zolang dat noodzakelijk is voor:
a. marktonderzoek of verkoopactiviteiten met betrekking tot
elektronische communicatiediensten, of
b. de levering van diensten met toegevoegde waarde,
mits de abonnee of de gebruiker waarop de verkeersgegevens betrekking
hebben daarvoor zijn toestemming heeft gegeven. De abonnee of gebruiker
kan de gegeven toestemming voor de verwerking van verkeersgegevens te
allen tijde intrekken.
4.De aanbieder stelt de abonnee of gebruiker in kennis van de soorten
verkeersgegevens die worden verwerkt voor de in het tweede en derde lid
bedoelde doeleinden alsmede omtrent de duur van de verwerking. Voor
zover het de verwerking van verkeersgegevens ten behoeve van de
doeleinden, bedoeld in het derde lid betreft, wordt de desbetreffende
informatie verstrekt voorafgaand aan het verkrijgen van de in dat lid
bedoelde toestemming van de abonnee of gebruiker.
5.De verwerking van verkeersgegevens in overeenstemming met het eerste
tot en met vierde lid mag alleen geschieden door personen die werkzaam
zijn onder het gezag van de aanbieder voor facturering, verkeersbeheer,
behandeling van verzoeken om inlichtingen van klanten, opsporing van
fraude alsmede marktonderzoek of verkoopactiviteiten met betrekking tot
elektronische communicatiediensten of de levering van diensten met
toegevoegde waarde en moet beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk is
om die activiteiten te kunnen uitvoeren.
6.De aanbieder mag de verkeersgegevens verstrekken aan personen en
instanties die zijn belast met de berechting van enig geschil dan wel de
beslissing van een geschil als bedoeld in de artikelen 12.1, 12.2 voor
zover van toepassing, of 12.9.
Artikel 11.5a
1.De verwerking van locatiegegevens, niet zijnde verkeersgegevens,
betreffende abonnees of gebruikers van openbare elektronische
communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten, is
slechts geoorloofd, indien:
a. deze gegevens zijn geanonimiseerd, of
b. de desbetreffende abonnee of gebruiker voor de verwerking van deze
gegevens toestemming heeft gegeven ten behoeve van de levering van een
dienst met toegevoegde waarde.
2.Voorafgaand aan het verkrijgen van toestemming als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, verstrekt de aanbieder van de toegevoegde
waardedienst aan de abonnee of gebruiker de volgende informatie:
a. de soort locatiegegevens die zullen worden verwerkt;
b. de doeleinden waarvoor de locatiegegevens worden verwerkt;
c. de duur van de verwerking, en
d. of de gegevens aan een derde zullen worden verstrekt ten behoeve van
de levering van de dienst met toegevoegde waarde.
3.De verwerking van de gegevens ten behoeve van de levering van een
dienst met toegevoegde waarde als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b, is slechts toegestaan voor zover en voor zolang dat noodzakelijk is
voor de levering van de desbetreffende dienst. In afwijking van de
eerste volzin mag de aanbieder van de dienst met toegevoegde waarde die
gegevens verwerken die noodzakelijk zijn voor het opstellen van een
factuur. Artikel 11.5, tweede lid, laatste volzin, is van
overeenkomstige toepassing.
4.Een abonnee of gebruiker kan de verleende toestemming voor de
verwerking van de hem betreffende gegevens op elk moment intrekken.
5.De aanbieder van een dienst met toegevoegde waarde biedt aan de
abonnee of gebruiker wiens gegevens worden verwerkt de mogelijkheid om
kosteloos en op eenvoudige wijze de verwerking van diens gegevens
tijdelijk te beletten voor elke overbrenging van communicatie of elke
verbinding met het openbare elektronische communicatienetwerk dat
gebruikt wordt voor de levering van de desbetreffende dienst.
6.De verwerking van de gegevens mag slechts plaatsvinden door personen
die werkzaam zijn onder het gezag van de aanbieder of de derde, bedoeld
in het tweede lid, onder d, en is beperkt tot die gegevens die
noodzakelijk zijn om de dienst met toegevoegde waarde te kunnen
aanbieden.
Artikel 11.5b
1.Certificatiedienstverleners die certificaten aan het publiek afgeven,
verwerken alleen persoonsgegevens die van de betrokkene zelf of met
diens uitdrukkelijke toestemming zijn verkregen, en voor zover de
verwerking van deze persoonsgegevens voor de afgifte en het beheer van
het certificaat is vereist.
2.De in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens worden niet voor andere
doeleinden verzameld of verwerkt, tenzij de betrokkene daarvoor zijn
uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven.
3.In afwijking van het tweede lid is de uitdrukkelijke toestemming van
de betrokkene niet vereist, indien de verwerking van de in het eerste
lid bedoelde persoonsgegevens noodzakelijk is ten behoeve van de
opsporing van fraude, of indien de verwerking overigens bij of krachtens
de wet wordt gevorderd.
Artikel 11.6
1.Eenieder die een algemeen beschikbare abonneelijst uitgeeft of een
algemeen beschikbare abonnee-informatiedienst verzorgt, stelt de abonnee
voorafgaand aan opneming van hem betreffende persoonsgegevens in de
abonneelijst of in het voor de abonnee-informatiedienst gebruikte
abonneebestand kosteloos op de hoogte van:
a. de doeleinden van de desbetreffende abonneelijst en de desbetreffende
abonnee-informatiedienst en, voor zover het een elektronische versie van
de abonneelijst betreft, van de gebruiksmogelijkheden op basis van
daarin opgenomen zoekfuncties, en
b. de soorten persoonsgegevens die, gelet op de vastgestelde doeleinden
van de desbetreffende abonneelijst en desbetreffende
abonnee-informatiedienst, daarin kunnen worden opgenomen.
2.In een algemeen beschikbare abonneelijst en in het voor een
abonnee-informatiedienst gebruikte abonneebestand worden uitsluitend
persoonsgegevens van een abonnee opgenomen, indien de abonnee daarvoor
toestemming heeft verleend en blijft deze beperkt tot de door hem
daarbij aangegeven persoonsgegevens. Aan het niet opgenomen zijn in een
abonneelijst of het voor een abonnee-informatiedienst gebruikte
abonneebestand mogen geen kosten worden verbonden.
3.Voor zover de verwerking van persoonsgegevens in een algemeen
beschikbare abonneelijst en in het voor een abonnee-informatiedienst
gebruikte abonneebestand betrekking heeft op andere doeleinden dan het
bieden van de mogelijkheid tot het zoeken van nummers aan de hand van
gegevens betreffende de naam in combinatie met gegevens betreffende het
adres en huisnummer, postcode en woonplaats van de abonnee, is met
betrekking tot elk van die andere doeleinden afzonderlijke toestemming
van de abonnee vereist.
4.De abonnee heeft het recht om kosteloos hem betreffende
persoonsgegevens in een algemeen beschikbare abonneelijst of in het voor
een abonnee-informatiedienst gebruikte abonneebestand te verifiëren, te
laten verbeteren of te laten verwijderen.
Artikel 11.7
1. Het gebruik van automatische oproepsystemen zonder menselijke
tussenkomst, faxen en elektronische berichten voor het overbrengen van
ongevraagde communicatie voor commerciële, ideële of charitatieve
doeleinden aan abonnees is uitsluitend toegestaan, mits de verzender kan
aantonen dat de desbetreffende abonnee daarvoor voorafgaand toestemming
heeft verleend, onverminderd hetgeen is bepaald in het tweede en derde
lid.
2. Indien de abonnee, bedoeld in het eerste lid, een rechtspersoon is
dan wel een natuurlijke persoon die handelt in de uitoefening van zijn
beroep of bedrijf, geldt met betrekking tot het door middel van
elektronische berichten overbrengen van ongevraagde communicatie voor
commerciële, ideële of charitatieve doeleinden dat geen voorafgaande
toestemming is vereist:
a. indien de verzender bij het overbrengen van de communicatie gebruik
maakt van elektronische contactgegevens die door de abonnee daarvoor
zijn bestemd en bekendgemaakt, en deze zijn gebruikt in overeenstemming
met de door de abonnee aan die contactgegevens verbonden doeleinden, of
b. indien de abonnee is gevestigd buiten de Europese Economische Ruimte
en voldaan is aan de in het desbetreffende land geldende voorschriften
met betrekking tot het verzenden van ongevraagde communicatie.
3. Een ieder die elektronische contactgegevens voor elektronische
berichten heeft verkregen in het kader van de verkoop van zijn product
of dienst mag deze gegevens gebruiken voor het overbrengen van
communicatie voor commerciële, ideële of charitatieve doeleinden met
betrekking tot eigen gelijksoortige producten of diensten, mits bij de
verkrijging van de contactgegevens aan de klant duidelijk en
uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden om kosteloos en op gemakkelijke
wijze verzet aan te tekenen tegen het gebruik van die elektronische
contactgegevens, en, indien de klant hiervan geen gebruik heeft gemaakt,
hem bij elke overgebrachte communicatie de mogelijkheid wordt geboden om
onder dezelfde voorwaarden verzet aan te tekenen tegen het verder
gebruik van zijn elektronische contactgegevens. Artikel 41, tweede lid,
van de Wet bescherming persoonsgegevens is van overeenkomstige
toepassing.
4. Bij het gebruik van elektronische berichten voor de in het eerste lid
genoemde doeleinden dienen te allen tijde de volgende gegevens te worden
vermeld:
a. de werkelijke identiteit van degene namens wie de communicatie wordt
overgebracht, en
b. een geldig postadres of nummer waaraan de ontvanger een verzoek tot
beëindiging van dergelijke communicatie kan richten.
5. Het gebruik van andere dan de in het eerste lid bedoelde middelen
voor het overbrengen van ongevraagde communicatie voor commerciële,
ideële of charitatieve doeleinden aan abonnees is toegestaan met
inachtneming van het bepaalde in het zesde tot en met twaalfde lid,
tenzij de abonnee op de in het zesde lid bedoelde wijze dan wel
anderszins te kennen heeft gegeven dat hij de ongevraagde communicatie
niet wenst te ontvangen.
6. Er is een register waarin de contactgegevens van de abonnee worden
opgenomen die daarmee te kennen geeft dat hij ongevraagde communicatie
als bedoeld in het vijfde lid niet wenst te ontvangen. De inschrijving
in het register is voor onbepaalde tijd totdat de abonnee te kennen
geeft dat zijn contactgegevens uit het register verwijderd kunnen
worden. Het register wordt gehouden door een door Onze Minister aan te
wijzen beheerder. De beheerder is verantwoordelijke als bedoeld in
artikel 1, onder d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
7. Het register heeft als doel de abonnee te vrijwaren van de
ongevraagde communicatie waarvan hij heeft aangegeven dat hij die niet
wenst te ontvangen. De contactgegevens van de abonnee die zijn opgenomen
in dit register worden niet voor enig ander doel gebruikt.
8. De beheerder blokkeert of verwijdert op verzoek van degene die
communicatie als bedoeld in het vijfde lid wil overbrengen
contactgegevens van abonnees die in het register zijn opgenomen uit aan
hem aangeboden bestanden met contactgegevens van abonnees, of stelt op
verzoek de contactgegevens van abonnees uit het register voor dat doel
beschikbaar aan degene die ongevraagde communicatie als bedoeld in het
vijfde lid wil overbrengen.
9. Het is verboden om communicatie als bedoeld in het vijfde lid over te
brengen aan een abonnee die door opname van zijn contactgegevens in het
register te kennen heeft gegeven deze ongevraagde communicatie niet te
willen ontvangen.
10. Degene die communicatie als bedoeld in het vijfde lid overbrengt,
gebruikt voor het overbrengen van ongevraagde communicatie uitsluitend
bestanden waaruit de contactgegevens die in het register zijn opgenomen,
zijn geblokkeerd of verwijderd.
11. Het negende en tiende lid zijn niet van toepassing op het
overbrengen van communicatie als bedoeld in het vijfde lid voor zover de
contactgegevens zijn verkregen in het kader van de verkoop van een
product of dienst of in het kader van schenking aan een ideële of
charitatieve organisatie en deze worden gebruikt voor het overbrengen
van communicatie als bedoeld in het vijfde lid met betrekking tot eigen
gelijksoortige producten of diensten of schenkingen aan de ideële of
charitatieve organisatie.
12. Tijdens elke overgebrachte communicatie wordt de abonnee, tijdens
het gesprek, gewezen op het register, wordt hem de mogelijkheid geboden
verzet aan te tekenen tegen het verdere gebruik van zijn elektronische
contactgegevens en wordt hem de mogelijkheid geboden tot onmiddellijke
opname in het register, bedoeld in het zesde lid. Aan de abonnee worden
in dat geval geen kosten in rekening gebracht van voorzieningen waarmee
wordt voorkomen dat hem ongevraagde communicatie wordt overgebracht.
Artikel 41, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens is van
overeenkomstige toepassing.
13. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld ten aanzien van:
a. het blokkeren of verwijderen van contactgegevens van abonnees uit
bestanden die gebruikt worden om communicatie over te brengen als
bedoeld in het vijfde lid, het beschikbaar stellen van contactgegevens
van abonnees uit het register en de periode gedurende welke de bestanden
bewaard blijven en gebruikt kunnen worden;
b. de taken, inrichting en verantwoording van de beheerder van het
register;
c. de toegang tot het register alsmede de inrichting en het gebruik van
het register;
d. de mogelijkheid van verzet als bedoeld in het twaalfde lid;
e. de mogelijkheid van onmiddellijke opname in het register als bedoeld
in het twaalfde lid.
Artikel 11.8
De toepassing van de artikelen 11.6 en 11.7, vijfde tot en met twaalfde
lid, is beperkt tot abonnees die natuurlijke personen zijn.
§ 11.2. Nummeridentificatie
Artikel 11.9
1.De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk en de
aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst die door
middel van dat netwerk of als onderdeel van die dienst
nummeridentificatie aanbiedt, biedt:
a. aan iedere oproepende gebruiker onderscheidenlijk abonnee
mogelijkheden aan om kosteloos de verstrekking van het nummer van het
oproepende netwerkaansluitpunt dan wel een nummer waarmee een
individuele gebruiker kan worden geïdentificeerd te blokkeren
onderscheidenlijk de verstrekking van nummers van oproepende
netwerkaansluitpunten dan wel nummers waarmee individuele gebruikers
kunnen worden geïdentificeerd voor elke afzonderlijke abonneelijn te
blokkeren;
b. aan iedere opgeroepen abonnee mogelijkheden aan om:
1°. de verstrekking van het nummer van het oproepende
netwerkaansluitpunt dan wel een nummer waarmee een individuele gebruiker
kan worden geïdentificeerd te verhinderen;
2°. oproepen waarbij de verstrekking van het nummer van het oproepende
netwerkaansluitpunt dan wel een nummer waarmee een individuele gebruiker
kan worden geïdentificeerd is geblokkeerd, te weigeren;
3°. indien nummeridentificatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel
cc, onder 2°, wordt aangeboden, kosteloos de verstrekking van het
nummer van het opgeroepen netwerkaansluitpunt dan wel een nummer waarmee
een individuele gebruiker kan worden geïdentificeerd aan het oproepende
netwerkaansluitpunt te blokkeren.
2.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking
tot:
a. mogelijkheden tot blokkering en weigering;
b. de voorwaarden waaronder de abonnee de identificatie van het nummer
van oproepende netwerkaansluitpunten dan wel een nummer waarmee een
individuele gebruiker kan worden geïdentificeerd kan doen verhinderen;
c. de wijze waarop uitvoering aan nummeridentificatie in het
internationale elektronische communicatieverkeer kan worden gegeven, en
d. de wijze waarop de aanbieders, gebruikers en abonnees voorlichten
over het gebruik van nummeridentificatie.
Artikel 11.10
1.De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk en de
aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst die
nummeridentificatie aanbiedt, is verplicht aan de door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze
Minister, aangewezen beheerders van een alarmnummer voor publieke
diensten, indien er elektronische communicatie met een alarmnummer wordt
afgewikkeld, gelijktijdig:
a. het nummer van het oproepende netwerkaansluitpunt te verstrekken, ook
indien bij dat netwerkaansluitpunt gebruik wordt gemaakt van een in
artikel 11.9, tweede lid, onder a, bedoelde blokkeringsmogelijkheid;
b. de naam, en de beschikbare adres-, postcode- en woonplaatsgegevens
van de abonnee, dan wel de locatie van de openbare betaaltelefoon, die
onder het desbetreffende nummer is aangesloten, te verstrekken.
2.De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk en de
aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst, die
locatiegegevens kan verwerken omtrent abonnees of gebruikers, is
verplicht aan de aangewezen beheerders van een alarmnummer voor publieke
diensten, bedoeld in het eerste lid, indien er communicatie over een
dergelijk alarmnummer wordt afgewikkeld, gelijktijdig de daarop
betrekking hebbende locatiegegevens te verstrekken, ook indien de
abonnee of gebruiker, voor zover het betreft de locatiegegevens als
bedoeld in artikel 11.5a, op de voet van het vijfde lid van dat artikel,
gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om tijdelijk de verwerking van
de hem betreffende locatiegegevens te beletten.
3.De verstrekte nummers, alsmede de in het eerste lid, onder b, en de in
het tweede lid, bedoelde gegevens worden door de beheerders, bedoeld in
het eerste lid, vastgelegd met het oog op de hulpverlening in
noodsituaties of de bestrijding van het misbruik van een alarmnummer
voor publieke diensten. De beheerders zijn verantwoordelijke in de zin
van artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens voor
deze vastlegging.
4.Verstrekking van nummers en gegevens door de beheerder vindt slechts
plaats met het oog op de hulpverlening in noodsituaties of de
bestrijding van het misbruik van een alarmnummer voor publieke diensten.
De beheerder is verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel d,
van de Wet bescherming persoonsgegevens voor deze verstrekkingen.
5.Verstrekking van nummers en gegevens met het oog op de hulpverlening
in noodsituaties vindt slechts plaats aan de door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze
Minister, aangewezen publieke diensten belast met hulpverleningstaken.
6.Verstrekking van nummers en gegevens met het oog op de bestrijding van
het misbruik van een alarmnummer voor publieke diensten vindt slechts
plaats aan degene die op grond van artikel 141 of 142 van het Wetboek
van Strafvordering is belast met de opsporing van strafbare feiten.
7.De termijn gedurende welke de nummers en gegevens door de beheerder
worden bewaard bedraagt ten hoogste:
a. twee maanden indien de nummers en gegevens betrekking hebben op
gevallen waarin kennelijk sprake is van een verzoek om hulpverlening in
een noodsituatie;
b. zes maanden indien de nummers en gegevens betrekking hebben op
gevallen waarin kennelijk sprake is van misbruik van een alarmnummer
voor publieke diensten;
c. 24 uur in alle overige gevallen.
8.De op grond van het eerste lid aangewezen beheerder vergoedt de kosten
die zijn gemoeid met het verstrekken van de in het eerste lid, onder a
en b, en de in het tweede lid bedoelde gegevens.
9.De bekendmaking van het besluit tot aanwijzing van de beheerders,
bedoeld in het eerste lid, en de publieke diensten, bedoeld in het
vierde lid, geschiedt door plaatsing in de Staatscourant door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
10.De beheerders, bedoeld in het eerste lid, zijn bevoegd om ten behoeve
van de controle op de effectiviteit van de hulpverlening in
noodsituaties de bij het alarmnummer voor publieke diensten ingekomen
oproepen vast te leggen en voor ten hoogste twee maanden te bewaren. Bij
de vastlegging worden de datum en het tijdstip van de oproep
geregistreerd.
Artikel 11.11
1.Een abonnee die last heeft van hinderlijke of kwaadwillige oproepen,
waarbij de verstrekking van het nummer van het oproepende
netwerkaansluitpunt is geblokkeerd, kan aan de aanbieder van een
openbaar elektronisch communicatienetwerk of van een openbare
elektronische communicatiedienst verzoeken om het nummer van de
oproepende abonnee en de beschikbare daarop betrekking hebbende naam-,
adres-, postcode- en woonplaatsgegevens, te verstrekken.
2.Een verzoek als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende
vereisten:
a. het verzoek is schriftelijk en bevat de naam-, adres-, postcode- en
woonplaatsgegevens van de verzoeker alsmede het nummer waarop de
oproepen betrekking hebben, en
b. het verzoek bevat een indicatie van de data en tijdstippen waarop de
desbetreffende oproepen hebben plaatsgevonden.
3.De verzoeker informeert de aanbieder onverwijld omtrent hinderlijke of
kwaadwillige oproepen, die plaats hebben gevonden na indiening van het
verzoek, bedoeld in het eerste lid.
4.De aanbieder stelt naar aanleiding van het verzoek een onderzoek in,
teneinde vast te stellen of tot verstrekking van de gegevens, bedoeld in
het eerste lid, dient te worden overgegaan.
5.Indien bij het onderzoek blijkt dat het oproepende nummer toebehoort
aan een abonnee van een andere aanbieder, verleent de desbetreffende
aanbieder op een daartoe strekkend verzoek van de met het onderzoek
belaste aanbieder medewerking aan het onderzoek en verstrekt, indien het
onderzoek daartoe aanleiding geeft, de beschikbare op het oproepende
nummer betrekking hebbende naam-, adres-, postcode- en
woonplaatsgegevens aan de aanbieder die met het onderzoek belast is.
6.Van de gegevensverstrekking aan een verzoeker wordt door de aanbieder
mededeling gedaan aan de abonnee, wiens gegevens het betreft.
7.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot:
a. het onderzoek, bedoeld in het vierde lid;
b. de gegevensverstrekking, bedoeld in het vierde lid;
c. de medewerkingsverplichting, bedoeld in het vijfde lid;
d. de kennisgeving van de verstrekking van de gegevens, bedoeld in het
zesde lid.
§ 11.3. Ontheffing
Artikel 11.12
1.Aan een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk en
een aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst kan door
het college ontheffing worden verleend van de verplichtingen die
voortvloeien uit de artikelen 11.4, eerste lid, onderdeel b, en 11.9 tot
en met 11.11.
2.Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend worden
verleend, indien:
a. deze betrekking heeft op abonneelijnen verbonden met analoge
centrales, en
b. nakoming van de desbetreffende verplichtingen technisch niet haalbaar
is of onevenredig veel financiële lasten voor de aanbieder met zich
meebrengt.
3.Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
§ 11.4. Uitzonderingen
Artikel 11.13
1. Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en
openbare elektronische communicatiediensten kunnen de artikelen 11.5,
11.5a en 11.9, eerste lid, buiten toepassing laten, indien dit
noodzakelijk is in het belang van:
a. de nationale veiligheid;
b. de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten.
2. De verkeers- en locatiegegevens die de aanbieders van openbare
elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten bewaren op grond van artikel 13.2a, tweede lid,
worden door de aanbieders niet voor andere doelen verwerkt, tenzij het
gegevens betreft waarvan de verwerking op grond van de artikelen 11.5 en
11.5a is toegestaan en de verwerking plaatsvindt met inachtneming van
die artikelen.
3. Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en
openbare elektronische communicatiediensten mogen, in afwijking van
artikel 11.5, eerste lid, verkeersgegevens verwerken, indien en voor
zolang dat noodzakelijk is voor een onderzoek als bedoeld in artikel
11.11, vierde en vijfde lid. De verkeersgegevens mogen voor een periode
van ten hoogste drie maanden na beëindiging van een onderzoek als
bedoeld in artikel 11.11, vierde lid, door de desbetreffende aanbieders
worden bewaard. Na afloop van deze periode worden de verkeersgegevens
verwijderd.
Hoofdstuk 12. Geschillen
§ 12.1. Geschilbeslechting door geschillencommissie
Artikel 12.1
1. Aanbieders van een openbare telefoondienst, andere bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen openbare elektronische
communicatiediensten of bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
programmadiensten sluiten zich aan bij een door de Minister van Justitie
erkende geschillencommissie welke geschillen behandelt over een
overeenkomst met betrekking tot de levering van een openbare
elektronische communicatiedienst of een programmadienst tussen een
hiervoor bedoelde aanbieder en een natuurlijk persoon die voor andere
dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden handelt.
2. Gebruikers van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
categorieën van nummers sluiten zich gedurende een bij die algemene
maatregel van bestuur te bepalen periode aan bij een door de Minister
van Justitie erkende geschillencommissie welke geschillen behandelt over
de levering van een dienst door een hiervoor bedoelde nummergebruiker
aan een consument voor zover het geschil verplichtingen betreft die bij
of krachtens deze wet zijn opgelegd.
§ 12.2. Geschilbeslechting door het college
§ 12.2.1. Geschillen tussen marktpartijen
Artikel 12.2
1.Indien er tussen houders van een vergunning, tussen aanbieders, tussen
aanbieders en ondernemingen, onderscheidenlijk tussen ondernemingen een
geschil is ontstaan inzake de nakoming van een op een houder van een
vergunning, een aanbieder of een onderneming die openbare elektronische
communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten, openbare elektronische
communicatiediensten of programmadiensten aanbiedt op grond van een bij
of krachtens deze wet of bij de roamingverordening rustende
verplichting, kan het college op aanvraag van een bij dat geschil
betrokken partij het geschil beslechten, tenzij de beslechting van dat
geschil op grond van deze wet aan een andere instantie is opgedragen.
2.Onder een geschil als bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan
een geschil inzake de vraag of, indien de in dat lid bedoelde houders
van een vergunning, aanbieders, aanbieders en ondernemingen,
onderscheidenlijk ondernemingen een overeenkomst hebben gesloten op
basis van een bij of krachtens deze wet op een of meer van hen rustende
verplichting, de ter zake daarvan tussen hen bestaande verbintenissen,
of de wijze waarop die verbintenissen worden nagekomen strijdig zijn,
onderscheidenlijk strijdig is met het bij of krachtens deze wet
bepaalde.
3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien
een geschil is gerezen tussen degenen, bedoeld in artikel 3.11, vierde
lid, dan wel tussen een aanbieder en een derde als bedoeld in artikel
5.12, tweede lid.
4.Met uitzondering van geschillen op grond van artikel 5.12 is het
eerste lid niet van toepassing op geschillen voortvloeiend uit hoofdstuk
5 van deze wet.
4.Met uitzondering van geschillen op grond van artikel 5.12 is het
eerste lid niet van toepassing op geschillen voortvloeiend uit hoofdstuk
5 van deze wet.
5.Indien nummerhouders als bedoeld in artikel 4.2b geen overeenstemming
kunnen bereiken over de voorwaarden waaronder de aan hen in gebruik
gegeven nummers gezamenlijk in gebruik zullen worden genomen, kan het
college op aanvraag van een of meer van hen, voorschriften geven inzake
het tot stand brengen van een overeenkomst als bedoeld in artikel 4.2b.
6.Op aanvraag van de gezamenlijke nummerhouders kan het college een
besluit als bedoeld in het vierde lid intrekken.
Artikel 12.3
Het college is onbevoegd tot het beslechten van een op grond van artikel
12.2 voorgelegd geschil, indien de bij dat geschil betrokken partijen
het college verzoeken het geschil niet langer te behandelen.
Artikel 12.4
1.Op vordering van het college verstrekken de bij een geschil betrokken
partijen binnen twee weken dan wel binnen een andere door het college te
bepalen redelijke termijn, aan het college alle gegevens die relevant
zijn voor de beoordeling van het geschil.
2.De bij het geschil betrokken partijen zijn verplicht onverwijld, maar
in elk geval binnen de door het college gestelde redelijke termijn, alle
medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen ten behoeve
van de beoordeling van het geschil.
Artikel 12.5
1.Het college beslist op een aanvraag als bedoeld in artikel 12.2 binnen
zeventien weken na ontvangst van die aanvraag.
2.Onverminderd het eerste lid, kan het college in spoedeisende gevallen
een voorlopig besluit nemen dat tussen de betrokken aanbieders geldt tot
het definitieve besluit van het college.
3.In uitzonderlijke gevallen kan het college de termijn, bedoeld in het
eerste lid, verlengen. Het college stelt de desbetreffende aanbieders
daarvan in kennis en geeft de termijn aan waarbinnen het college het
geschil zal beslechten, met dien verstande dat die termijn niet langer
is dan acht weken na afloop van de termijn, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 12.6
Een bij een geschil betrokken partij volgt de door het college op grond
van artikel 12.2 genomen besluit op. Het college kan daarbij termijnen
stellen.
Artikel 12.7
Van een besluit als bedoeld in artikel 12.2 wordt mededeling gedaan in
de Staatscourant. Van gegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur wordt geen mededeling
gedaan.
Artikel 12.8
1.Het college overlegt met de desbetreffende nationale regelgevende
instantie aan wie de bevoegdheid tot het beslechten van geschillen is
opgedragen, over de beslechting van een geschil dat
landsgrensoverschrijdende aspecten heeft en dat overeenkomstig deze
paragraaf aan het college is voorgelegd, dan wel aan de desbetreffende
nationale regelgevende instantie is voorgelegd en door die instantie aan
het college is voorgelegd.
2.In afwijking van artikel 12.5, eerste lid, beslist het college op een
aanvraag als bedoeld in het eerste lid, binnen 24 weken na ontvangst van
die aanvraag.
§ 12.2.2. Geschillen tussen consumenten en aanbieders of ondernemingen
Artikel 12.9
1.Indien tussen een consument en een aanbieder of een onderneming die
openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten aanbiedt een geschil is gerezen inzake de schending
door die aanbieder of onderneming van bij of krachtens deze wet gestelde
regels ter uitvoering van richtlijn nr. 2002/22/EG, niet zijnde een
geschil als bedoeld in artikel 12.1, of inzake de schending door die
aanbieder of onderneming van de roamingverordening kan het college op
aanvraag van de desbetreffende consument, het geschil beslechten.
2.Indien een consument door het college in het gelijk wordt gesteld en
hij voor het beslechten van een geschil bij of krachtens artikel 16.1
een vergoeding aan het college verschuldigd is, kan het college bepalen
dat die vergoeding door een aanbieder of onderneming als bedoeld in het
eerste lid wordt vergoed.
3.Een bij een geschil betrokken aanbieder of onderneming volgt de door
het college op grond van het eerste lid gegeven voorschriften op. Het
college kan daarbij termijnen stellen.
4.De artikelen 12.3 tot en met 12.5, 12.7 en 12.8 zijn van
overeenkomstige toepassing.
§ 12.3. Geschilbeslechting door minister
Artikel 12.10
1.Indien houders van een vergunning als bedoeld in artikel 3.9, eerste
lid, geen overeenstemming kunnen bereiken over de voorwaarden waaronder
de aan hen toegewezen frequentieruimte gezamenlijk in gebruik zal worden
genomen, kan Onze Minister op aanvraag van een of meer van hen,
voorschriften geven inzake het tot stand brengen van een overeenkomst
als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid.
2.Op aanvraag van de gezamenlijke vergunninghouders kan Onze Minister
een besluit als bedoeld in het eerste lid intrekken.
3.De artikelen 12.4, 12.5, eerste lid, 12.6 en 12.7 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 13. Bevoegd aftappen en toepassing van andere bevoegdheden op
grond van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten 2002 in verband met telecommunicatie
Artikel 13.1
1.Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten stellen hun telecommunicatienetwerken en
telecommunicatiediensten uitsluitend beschikbaar aan gebruikers indien
deze aftapbaar zijn.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de technische aftapbaarheid van openbare
telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten.
Artikel 13.2
1.Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken zijn verplicht
medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bevel op grond van het
Wetboek van Strafvordering dan wel een toestemming op grond van de Wet
op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het aftappen of
opnemen van telecommunicatie die over hun telecommunicatienetwerken
wordt afgewikkeld.
2.Aanbieders van openbare telecommunicatiediensten zijn verplicht
medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bevel op grond van het
Wetboek van Strafvordering dan wel een toestemming op grond van de Wet
op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het aftappen of
opnemen van door hen verzorgde telecommunicatie.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de te nemen organisatorische en personele
maatregelen en te treffen voorzieningen met betrekking tot aftappen.
Artikel 13.2a
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. gegevens: de verkeers- en locatiegegevens, bedoeld in artikel 11.1,
onderdeel b respectievelijk onderdeel d, alsmede de daarmee verband
houdende gegevens die nodig zijn om de abonnee of gebruiker te
identificeren;
b. oproeppoging zonder resultaat: een communicatie waarbij een
telefoonoproep wel tot een verbinding heeft geleid, maar onbeantwoord is
gebleven of via het netwerkbeheer is beantwoord.
2. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of openbare
telecommunicatiediensten bewaren de in de bij deze wet behorende bijlage
aangewezen gegevens, voorzover deze in het kader van de aangeboden
netwerken of diensten worden gegenereerd of verwerkt, ten behoeve van
het onderzoeken, opsporen en vervolgen van ernstige misdrijven.
3. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden door de aanbieders
bewaard gedurende een periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de
datum van de communicatie.
4. De verplichting, bedoeld in het tweede lid, heeft betrekking op
gegevens van oproeppogingen zonder resultaat, voorzover deze gegevens
door de aanbieders bij het aanbieden van openbare
telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten worden
gegenereerd, verwerkt en opgeslagen of gelogd.
Artikel 13.2b
Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten voldoen aan een vordering op grond van de
artikelen 126hh, 126ii, 126nc tot en met 126ni en 126uc tot en met 126ui
van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 13.3
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het beslechten van geschillen tussen aanbieders en de
bevoegde autoriteiten over de voorzieningen door middel van welke de
door een tap te verkrijgen telecommunicatie door aanbieders wordt
doorgegeven.
Artikel 13.4
1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten voldoen onverwijld aan een vordering op grond
van artikel 126n of artikel 126na, dan wel artikel 126u of artikel
126ua, van het Wetboek van Strafvordering dan wel een verzoek op grond
van artikel 28 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
2002 tot het verstrekken van gegevens over een gebruiker van een
openbaar telecommunicatienetwerk dan wel een openbare
telecommunicatiedienst en het telecommunicatieverkeer met betrekking tot
die gebruiker.
2. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten voldoen aan een vordering op grond van artikel
126na, eerste lid, 126ua, eerste lid, of 126zi van het Wetboek van
Strafvordering dan wel een verzoek op grond van artikel 29 van de Wet op
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het verstrekken van
gegevens terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort
dienst van een gebruiker van een openbaar telecommunicatienetwerk dan
wel een openbare telecommunicatiedienst.
3. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten voldoen aan een vordering op grond van artikel
126na, tweede lid, 126ua, tweede lid, of 126zi van het Wetboek van
Strafvordering dan wel een verzoek op grond van artikel 29 van de Wet op
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het op bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen wijze achterhalen en verstrekken van de
gegevens, bedoeld in het eerste lid.Teneinde aan deze verplichtingen te
kunnen voldoen bewaren de aanbieders de bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen gegevens voor een periode van twaalf maanden,
vanaf het tijdstip waarop deze gegevens voor de eerste maal zijn
verwerkt.
4. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister
van Justitie, Onze Minister, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanbieders aan een
vordering of een verzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid,
voldoen, de registratie van statistische gegevens en de termijnen
waarbinnen die gegevens beschikbaar worden gesteld en de wijze waarop de
gegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, beschikbaar worden
gehouden. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te
stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier
weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
Artikel 13.5
1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten zijn verplicht gegevens met betrekking tot een
bijzondere last dan wel toestemming op grond van de Wet op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 als bedoeld in artikel 13.2
dan wel een vordering of een verzoek als bedoeld in artikel 13.2b of
artikel 13.4, eerste, tweede of derde lid, te beveiligen tegen
kennisneming door onbevoegden alsmede geheimhouding te betrachten met
betrekking tot deze gegevens.
2. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten nemen met betrekking tot de gegevens die
ingevolge artikel 13.2a, tweede lid, worden bewaard passende technische
en organisatorische maatregelen teneinde:
a. de gegevens te beveiligen tegen vernietiging, tegen verlies of
wijziging en niet toegelaten opslag, verwerking, toegang of
openbaarmaking;
b. te waarborgen dat toegang tot de gegevens, bedoeld in onderdeel a,
slechts geschiedt door speciaal daartoe bevoegde personen;
c. de gegevens te kunnen vernietigen na afloop van de periode, bedoeld
in artikel 13.2a, derde lid.
3. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten dragen er zorg voor dat de gegevens, die
ingevolge artikel 13.2a, tweede lid, worden bewaard:
a. dezelfde kwaliteit hebben en worden onderworpen aan dezelfde
beveiligings- en beschermingsmaatregelen als de gegevens in het netwerk;
b. onverwijld worden vernietigd na afloop van de periode, bedoeld in
artikel 13.2a, derde lid.
4. Op voordracht van Onze Minister van Justitie, Onze Minister, Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister
van Defensie kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden
gesteld met betrekking tot de te nemen maatregelen in verband met de
beveiliging en de waarborging bedoeld in het eerste, tweede en derde
lid. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 13.6
1. De investerings-, exploitatie- en onderhoudskosten voor de technische
voorzieningen die door aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken
en openbare telecommunicatiediensten zijn of worden gemaakt teneinde te
kunnen voldoen aan de artikelen 13.1, 13.2a, 13.4 en 13.5 komen te
hunnen laste.
2. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten hebben aanspraak op vergoeding uit 's Rijks kas
van de door hen gemaakte administratiekosten en personeelskosten
rechtstreeks voortvloeiend uit het voldoen aan een bijzondere last dan
wel een toestemming op grond van de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002 als bedoeld in artikel 13.2, eerste en tweede
lid, of artikel 13.2a dan wel een vordering of een verzoek als bedoeld
in artikel 13.2a, artikel 13.2b of artikel 13.4, eerste, tweede of derde
lid.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot
de vaststelling en vergoeding van de kosten, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 13.7 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Onze Minister kan in het belang van de veiligheid van de staat of de
handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde bij beschikking bepalen
dat een of meer artikelen van dit hoofdstuk, met uitzondering van
artikel 13.6, van overeenkomstige toepassing zijn op aanbieders van een
niet-openbaar telecommunicatienetwerk, een niet-openbare
telecommunicatiedienst of aanbieders van huurlijnen indien het netwerk,
de dienst of een huurlijn feitelijk openstaat voor derden.
2. In het geval toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste
lid geldt dat de betreffende aanbieders aanspraak hebben op een
vergoeding uit 's Rijks kas voor de in artikel 13.6, eerste lid,
bedoelde investerings-, exploitatie- en onderhoudskosten voor technische
voorzieningen die zijn of worden gemaakt tengevolge van de toepassing
van het eerste lid. Artikel 13.6, tweede en derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 13.8
Van de verplichtingen die voortvloeien uit dit hoofdstuk kan Onze
Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van
Justitie in bijzondere gevallen ontheffing verlenen. Een ontheffing kan
onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen
voorschriften worden verbonden.
Artikel 13.9
Onze Minister van Justitie zendt in overeenstemming met Onze Minister
van Economische Zaken binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze
wet en vervolgens telkens na drie jaar aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de wijziging van de
artikelen 13.2a, 13.4 en 13.5 in de praktijk, voor zover die wijzigingen
betrekking hebben op de implementatie van Richtlijn nr 2006/24/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie.
Artikel 13.10
Na de ondertekening van deze wet wordt de Bijlage behorende bij artikel
13.2a van de Telecommunicatiewet opgenomen.
Hoofdstuk 14. Buitengewone omstandigheden
Artikel 14.1
In bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving van de
internationale rechtsorde of met de internationale betrekkingen is Onze
Minister bevoegd in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse
Zaken aan aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken, openbare
telecommunicatiediensten en huurlijnen aanwijzingen te geven met
betrekking tot de verzorging van telecommunicatie van en naar het
buitenland.
Artikel 14.2
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, voor het gehele land of een deel
daarvan artikel 14.4, eerste tot en met derde lid, in werking worden
gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in
werking gestelde bepalingen.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld,
onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
worden de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn
gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons
oordeel toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de
daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na
de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 14.3
Ingeval voor Nederland of een gedeelte daarvan, op grond van de
artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden, bepalingen uit de Oorlogswet voor Nederland in
werking zijn gesteld, oefent Onze Minister de in artikel 14.4, eerste
lid, bedoelde bevoegdheden uit in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie.
Artikel 14.4
1.Onze Minister is bevoegd aan aanbieders van openbare
telecommunicatienetwerken, openbare telecommunicatiediensten, huurlijnen
en aan gebruikers van de frequentieruimte aanwijzingen te geven met
betrekking tot:
a. de instandhouding en exploitatie van hun openbare
telecommunicatienetwerken;
b. het verzorgen en het gebruiken van hun openbare
telecommunicatiediensten;
c. de instandhouding en exploitatie dan wel beperking of beëindiging
van het gebruik van hun radiozendapparaten, en
d. het ter beschikking stellen van huurlijnen en het gebruik daarvan,
van, naar of in het gebied waarvoor een besluit als bedoeld in artikel
14.2, eerste lid, van kracht is.
2.Onze Minister kan bij toepassing van het eerste lid afwijken van de
verplichtingen die ingevolge deze wet op aanbieders van openbare
telecommunicatienetwerken, openbare telecommunicatiediensten, huurlijnen
en op gebruikers van de frequentieruimte rusten.
3.De aanwijzingen die ingevolge het eerste lid aan aanbieders van
openbare telecommunicatienetwerken, openbare telecommunicatiediensten,
huurlijnen en aan gebruikers van de frequentieruimte zijn gegeven, zijn
voor deze verbindend.
4.Indien aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken, openbare
telecommunicatiediensten, huurlijnen en gebruikers van de
frequentieruimte als gevolg van aanwijzingen gegeven op grond van het
eerste lid onevenredig financieel nadeel ondervinden, kent Onze Minister
hen een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe.
Artikel 14.5
1.Bij toepassing van artikel 14 van de Wet buitengewone bevoegdheden
burgerlijk gezag zijn aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken,
openbare telecommunicatiediensten, huurlijnen en gebruikers van de
frequentieruimte verplicht de op grond van het eerste lid van genoemd
artikel aangewezen autoriteiten alle medewerking te verlenen, daaronder
begrepen het uitvoeren van door die autoriteiten gegeven opdrachten.
2.Bij toepassing van artikel 31 van de Oorlogswet voor Nederland zijn
aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken, openbare
telecommunicatiediensten, huurlijnen en gebruikers van de
frequentieruimte verplicht het militair gezag alle medewerking te
verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van door dat gezag gegeven
opdrachten.
Artikel 14.6
1.Onze Minister kan na overleg met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties en van Defensie regels stellen ten aanzien van de
te nemen organisatorische en personele maatregelen en de te treffen
bijzondere voorzieningen met betrekking tot de voorbereiding van het
verzorgen van elektronisch transport van gegevens in buitengewone
omstandigheden als bedoeld in artikel 14.2, alsmede omtrent de aan Onze
Minister daaromtrent te verstrekken informatie.
2.De regels, bedoeld in het eerste lid, zijn uitsluitend van toepassing
op door Onze Minister na overleg met Onze Ministers van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie aan te wijzen aanbieders
van openbare telecommunicatienetwerken, openbare
telecommunicatiediensten, huurlijnen en gebruikers van de
frequentieruimte.
3.Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald welke kosten
van de uitvoering redelijkerwijze ten laste van de aangewezen aanbieders
van openbare telecommunicatienetwerken, openbare
telecommunicatiediensten, huurlijnen en van gebruikers van de
frequentieruimte dienen te komen.
4.De in het eerste lid bedoelde bijzondere voorzieningen hebben
betrekking op:
a. de beschikbaarheid van openbare telecommunicatienetwerken dan wel
delen daarvan, openbare telecommunicatiediensten, radiozendapparaten en
huurlijnen;
b. de beveiliging van bepaalde onderdelen van een openbaar
telecommunicatienetwerk of van radiozendapparaten;
c. de afwikkeling van het elektronisch transport van gegevens over een
openbaar telecommunicatienetwerk, en
d. aanvullende infrastructurele voorzieningen voor het elektronisch
transport van gegevens en de beveiliging daarvan.
Hoofdstuk 15. Handhaving
§ 15.1. Algemeen
Artikel 15.1
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren, voor zover het betreft de bepalingen die betrekking hebben
op:
a. het gebruik van frequentieruimte;
b. de verstrekking van gegevens ten behoeve van het antenneregister,
genoemd in artikel 3.14;
c. prioritering van alarmnummers als bedoeld in artikel 7.7, derde of
vierde lid;
d. technische regelingen als bedoeld in artikel 8.4a;
e. openbare elektronische communicatienetwerken als bedoeld in artikel
8.3;
f. het verstrekken van een opdracht tot verzorging van tot de universele
dienst behorende diensten of voorzieningen als bedoeld in artikel 9.2,
eerste en derde tot en met tiende lid;
g. ter zake van uitrusting gestelde voorschriften als geregeld in
hoofdstuk 10 en hoofdstuk 20;
h. het gebruik van verkeersgegevens en locatiegegevens als geregeld in
artikel 11.5, artikel 11.5a onderscheidenlijk artikel 11.13;
i. bevoegd aftappen en het bewaren van gegevens als geregeld in
hoofdstuk 13;
j. buitengewone omstandigheden als geregeld in hoofdstuk 14;
j. verdere onderwerpen als bedoeld in de artikelen 12.4, voor zover het
bevoegdheden betreft van Onze Minister, 18.1, voor zover het
bevoegdheden betreft van Onze Minister, 18.2, voor zover het
bevoegdheden betreft van Onze Minister, 18.4, tweede lid, 18.7, voor
zover het bevoegdheden betreft van Onze Minister, 18.9, 18.12, voor
zover het bevoegdheden betreft van Onze Minister, 18.16, 18.17, 18.17a,
20.2, voor zover het bevoegdheden betreft van Onze Minister, en 20.14.
2. Met het toezicht op de naleving van artikel 6a.20, derde lid, zijn
belast de bij besluit van de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit aangewezen ambtenaren.
3. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
andere bepalingen van deze wet dan bedoeld in het eerste en tweede lid
en met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de
roamingverordening zijn belast de bij besluit van het college aangewezen
ambtenaren. De vorige volzin is niet van toepassing op het bepaalde bij
of krachtens de artikelen 5.1, 5.4, 5.5, 5.6, tweede, derde lid, vierde
en vijfde lid, 5.7, 5.13 en 5.14 van deze wet.
4. Van een besluit als bedoeld in het eerste, tweede, en derde lid wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 15.2
1. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen, gesteld bij of
krachtens de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde bepalingen.
2. Het college is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang
ter handhaving van de verplichtingen, gesteld bij of krachtens de in
artikel 15.1, derde lid, bedoelde bepalingen.
3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is bevoegd tot
oplegging van een last onder dwangsom ter zake van overtreding van
artikel 6a.20, derde lid. Artikel 58 van de Mededingingswet is van
overeenkomstige toepassing.
4. Voor de toepassing van het eerste lid, is van een spoedeisend geval
als bedoeld in artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht in elk geval sprake indien het niet naleven van de in het
eerste lid bedoelde bepalingen een ernstige en directe bedreiging vormt
voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.
5. Voor de toepassing van het tweede lid, is van een spoedeisend geval
als bedoeld in artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht in elk geval sprake indien het niet naleven van de in het
tweede lid bedoelde bepalingen ernstige economische of
bedrijfstechnische problemen tot gevolg zal hebben voor andere
aanbieders van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, een
openbare elektronische communicatiedienst of bijbehorende faciliteiten
of voor gebruikers van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, of
een openbare elektronische communicatiedienst.
Artikel 15.2a
1.Onze Minister is bevoegd een aanbieder van openbare elektronische
communicatienetwerken of -diensten bij ernstig en herhaaldelijk
niet-nakomen van de verplichtingen gesteld bij of krachtens de in
artikel 15.1, eerste lid, bedoelde bepalingen, wanneer de krachtens
artikel 15.2 of 15.4 opgelegde maatregelen tot naleving van de bedoelde
verplichtingen hebben gefaald, voor een door Onze Minister te bepalen
redelijke termijn te verbieden nog langer elektronische
communicatienetwerken of -diensten aan te bieden.
2.Het college is bevoegd een aanbieder van openbare elektronische
communicatienetwerken of -diensten bij ernstig en herhaaldelijk
niet-nakomen van de verplichtingen gesteld bij of krachtens de in
artikel 15.1, derde lid, bedoelde bepalingen, wanneer de krachtens
artikel 15.2 of 15.4 opgelegde maatregelen tot naleving van de bedoelde
verplichtingen hebben gefaald, voor een door het college te bepalen
redelijke termijn te verbieden nog langer elektronische
communicatienetwerken of -diensten aan te bieden.
3.Een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, inhoudende een
verbod tot het aanbieden van elektronische communicatienetwerken of
-diensten voldoet in elk geval aan de volgende eisen:
a. het verbod is niet in strijd met een of meer doelstellingen als
bedoeld in artikel 1.3;
b. het verbod leidt niet tot het niet na kunnen komen door de
onderneming van een bij of krachtens de wet opgelegde leveringsplicht;
c. het verbod heeft slechts betrekking op het netwerk of de dienst ten
aanzien waarvan de in het eerste of tweede lid bedoelde verplichtingen
niet zijn nagekomen;
d. het verbod heeft geen ernstige economische of maatschappelijke
problemen tot gevolg voor andere aanbieders van een openbaar
elektronisch communicatienetwerk, een openbare elektronische
communicatiedienst of bijbehorende faciliteiten, of voor gebruikers van
een openbaar elektronisch communicatienetwerk of een openbare
elektronische communicatiedienst.
4.Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt door
Onze Minister, onderscheidenlijk het college, mededeling gedaan in de
Staatscourant. Het treedt niet eerder in werking dan twee weken na die
mededeling.
Artikel 15.3
Indien niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze wet gestelde
regels ten aanzien van de aanleg of het gebruik van radiozendapparaten,
is Onze Minister bevoegd om aan de houder van een desbetreffend
radiozendapparaat een geheel of gedeeltelijk zendverbod op te leggen.
§ 15.2. Bestuurlijke boete en last onder dwangsom
Artikel 15.4
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste €
450 000 ter zake van overtreding van de bij of krachtens de in artikel
15.1, eerste lid, bedoelde regels, alsmede van artikel 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht.
2. Het college kan aan een onderneming een bestuurlijke boete opleggen
van ten hoogste € 450 000, of, indien dat meer is, 10% van de
relevante omzet van de onderneming in Nederland, ter zake van:
a. overtreding van de bij of krachtens hoofdstuk 6a gestelde
voorschriften, met uitzondering van artikel 6a.20, of van de bij de
roamingverordening gestelde voorschriften;
b. overtreding van een op grond van artikel 12.2 genomen besluit, voor
zover de overtreding geschiedt door een onderneming die beschikt over
een aanmerkelijke marktmacht en betrekking heeft op een bij of krachtens
hoofdstuk 6a gesteld voorschrift, met uitzondering van artikel 6a.20.
3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan aan een
onderneming een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000,
of, indien dat meer is, 10% van de relevante omzet van de onderneming in
Nederland, ter zake van overtreding van artikel 6a.20.
4. Het college kan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste €
450 000 ter zake van overtreding van de bij of krachtens de in artikel
15.1, derde lid, bedoelde regels, niet zijnde regels bedoeld in het
tweede lid, alsmede van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
5. Indien op grond van artikel 5:1, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht toepassing is gegeven aan artikel 51, tweede lid, onder
2°, van het Wetboek van Strafrecht, bedraagt voor de daar bedoelde
overtreder de bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede en derde lid,
ten hoogste € 450 000.
6. Als relevante omzet als bedoeld in het tweede en derde lid wordt
aangemerkt de omzet van de onderneming:
a. in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking, bedoeld in artikel
15.10;
b. berekend op de voet van artikel 337, zesde lid, van boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek voor de netto-omzet en
c. voor zover betrekking hebbend op de omzet die de desbetreffende
onderneming had bij het aanbieden van openbare elektronische
communicatienetwerken, openbare elektronische communicatiediensten en
bijbehorende faciliteiten.
Artikel 15.5
1.Met het onderzoek zijn belast de ambtenaren, bedoeld in artikel 15.1,
eerste, tweede, onderscheidenlijk derde lid.
2.Ten dienste van het onderzoek beschikken zij over de bevoegdheden die
hun in deze paragraaf worden toegekend, alsmede, met inachtneming van de
daaraan in deze paragraaf gestelde beperkingen, over de bevoegdheden die
hun zijn toegekend ter uitoefening van het toezicht, bedoeld in artikel
15.1, eerste lid, onderscheidenlijk derde lid.
Artikel 15.6 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 15.7
1.De ambtenaren, bedoeld in artikel 15.1, eerste, tweede,
onderscheidenlijk derde lid, zijn bevoegd om bedrijfsruimten en
voorwerpen te verzegelen, voorzover dat voor de uitoefening van de in
artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde bevoegdheden
redelijkerwijs noodzakelijk is.
2.De ambtenaren, bedoeld in artikel 15.1, eerste, tweede,
onderscheidenlijk derde lid, oefenen de hun in artikel 5:17 van de
Algemene wet bestuursrecht toegekende bevoegdheid zo nodig uit met
behulp van de sterke arm.
Artikel 15.8 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 15.9 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 15.10 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 15.11 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 15.12
De werking van een beschikking waarmee een bestuurlijke boete is
opgelegd, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of,
indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
Artikel 15.13 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 15.14
Verzet schorst de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat strekt tot
invordering van de bestuurlijke boete.
Artikel 15.15
De te betalen geldsom van de opgelegde bestuurlijke boete, de verbeurde
dwangsommen en de wettelijke rente komen toe aan de Staat.
Artikel 15.16 [Vervallen per 01-07-2009]
§ 15.3. Uit de handel nemen van uitrusting
Artikel 15.17
In afwijking van de artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet
bestuursrecht worden voorafgaand aan de beslissing tot toepassing van
bestuursdwang waarbij uitrusting uit de handel wordt genomen die niet
voldoet aan de bij of krachtens artikel 10.3 onderdeel a, b, c en e
gestelde eisen, belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun
zienswijzen naar voren te brengen.
Hoofdstuk 16. Vergoedingen
Artikel 16.1
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
over de vergoeding van de kosten die is verschuldigd door degene ten
behoeve van wie werkzaamheden of diensten zijn verricht ingevolge het
bepaalde bij of krachtens deze wet of bij de roamingverordening
voorzover de vergoeding verband houdt met deze werkzaamheden of
diensten.
2. Bij het vaststellen van de vergoeding kunnen mede worden betrokken
kosten, verband houdend met het toezicht op de naleving van het bepaalde
bij of krachtens deze wet of bij de roamingverordening ten aanzien van
de desbetreffende werkzaamheden of diensten.
3. Voorzover de regels, bedoeld in het eerste lid, betrekking hebben op
de vaststelling van de hoogte van de vergoeding van de kosten van door
het college te verrichten werkzaamheden of diensten, betrekt Onze
Minister het college bij die vaststelling. De betreffende vergoeding
wordt opgelegd door het college en voldaan aan het college.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
betreffende de jaarlijkse bijdrage die is verschuldigd door gebruikers
van radiozendapparaten ter dekking van de kosten die voor de overheid
voortvloeien uit de toepassing van het bij of krachtens deze wet terzake
van de elektromagnetische compatibiliteit bepaalde.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
betreffende de jaarlijkse bijdrage die is verschuldigd door een
aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk ter dekking van de
kosten die voor de overheid voortvloeien uit de toepassing van het bij
of krachtens deze wet terzake van randapparatuur bepaalde.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot bijdragen ter financiering van het register
bedoeld in artikel 11.7, zesde lid, die zijn verschuldigd door degene
die communicatie als bedoeld in artikel 11.7, vijfde lid, overbrengt.
Hoofdstuk 17. Beroep
Artikel 17.1
1.Tegen besluiten die door het college zijn genomen op grond van
hoofdstuk 6, 6A, 6B, 12 of 15, met uitzondering van besluiten als
bedoeld in de artikelen 15.2a en 15.4, kan een belanghebbende beroep
instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
2.In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor
beroep tegen besluiten, niet zijnde besluiten als bedoeld in het eerste
lid, de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
3.Ten aanzien van besluiten die door het college zijn genomen op grond
van hoofdstuk 5, 6, 6A, 6B, of 12, blijft artikel 7:1 van de Algemene
wet bestuursrecht buiten toepassing.
Hoofdstuk 18. Verdere bepalingen
Artikel 18.1
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld om te kunnen onderzoeken of bepaalde ontwikkelingen in
belangrijke mate kunnen bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen
van deze wet. Deze regels kunnen afwijken van het bij of krachtens deze
wet bepaalde.
2.Bij de voorbereiding van de regels worden de bij de in de regels te
behandelen onderwerpen meest betrokken personen of instanties betrokken.
3.Het ontwerp van een regeling krachtens het eerste lid wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant. Aan eenieder wordt de gelegenheid
geboden binnen een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van ten
minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis
te brengen van Onze Minister.
4.De regels vervallen uiterlijk binnen twee jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van die regels. Een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het eerste lid kan bij koninklijk besluit worden ingetrokken
op een bij dat besluit te bepalen tijdstip, dat ligt binnen de in de
eerste volzin bedoelde termijn.
5.Indien Onze Minister tot het oordeel komt dat een definitieve
voorziening terzake wenselijk is, zorgt deze voor vervanging van de
regels. Indien voor de vervanging een wet nodig is, wordt binnen twee
jaar na inwerkingtreding van de regels een voorstel van wet ingediend
bij de Staten-Generaal. Indien voor de vervanging een algemene maatregel
van bestuur nodig is, wordt binnen twee jaar na inwerkingtreding van de
regels aan Ons een voordracht daartoe gedaan.
6.Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken worden
opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 18.2
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld die
noodzakelijk zijn voor uitvoering van:
a. richtlijn nr. 2002/21/EG of daarmee verband houdende richtlijnen van
de Raad van de Europese Unie of van het Europees Parlement en de Raad
gezamenlijk;
b. richtlijnen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen die hun
grondslag vinden in artikel 86, derde lid, van het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap en die betrekking hebben op de
elektronische communicatiesector.
Artikel 18.2a
Het college is de nationale regelgevende instantie, bedoeld in de
roamingverordening.
Artikel 18.3
1.Onze Minister stelt het college, in de gelegenheid hem advies uit te
brengen over het voornemen om op grond van artikel 3.3, tiende lid, een
of meer aanbieders van het verkrijgen van een vergunning uit te sluiten,
of over het ontwerp van een besluit tot weigering of intrekking van een
vergunning voorzover dit verband houdt met het in aanzienlijke mate
beperken van de daadwerkelijke mededinging op de relevante markt,
bedoeld in de artikelen 3.6, tweede lid, onder d, en 3.7, tweede lid,
onder f.
2.Het college en de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit maken
in het belang van een effectieve en efficiënte besluitvorming
gezamenlijk afspraken over de wijze van behandeling van aangelegenheden
van wederzijds belang. Daartoe stellen zij een samenwerkingsprotocol op.
Het samenwerkingsprotocol wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
3.Het samenwerkingsprotocol bevat afspraken over de uitleg van begrippen
die worden gehanteerd bij de toepassing van de artikelen 24 en 88 van de
Mededingingswet, indien het college die begrippen hanteert bij de
uitoefening van zijn bevoegdheden.
4.Het college en het Commissariaat voor de Media, bedoeld in artikel 7.1
van de Mediawet 2008, maken in het belang van een effectieve en
efficiënte besluitvorming afspraken over de wijze van behandeling van
aangelegenheden van wederzijds belang.
Artikel 18.4
1.De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk over
wiens netwerk internationaal openbaar elektronisch communicatieverkeer
wordt verzorgd leeft de verplichtingen na die voortvloeien uit het
Internationaal Telecommunicatieverdrag en uit andere Nederland bindende
verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties terzake van de
verzorging van dit verkeer.
2.Degene aan wie door Onze Minister een vergunning is verleend voor het
gebruik van frequentieruimte of degene die overeenkomstig artikel 3.4,
eerste lid, onderdeel c, vergunningvrij gebruik maakt van
frequentieruimte, leeft de verplichtingen na die voortvloeien uit het
Internationaal Telecommunicatieverdrag en uit andere Nederland bindende
verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties terzake van
dit gebruik.
Artikel 18.5
Onverminderd het overigens bij of krachtens het Internationaal
Telecommunicatieverdrag bepaalde zijn erkende ondernemingen in de zin
van genoemd verdrag:
a. de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk over
wiens netwerk internationaal openbaar elektronisch communicatieverkeer
wordt verzorgd, en
b. de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk die in
het kader van zijn aanbod radiozendapparaten gebruikt of de aanbieder
van een openbaar elektronisch communicatienetwerk dat bestaat uit
radiozendapparaten die geschikt zijn voor het verspreiden van
programma's, wiens uitzendingen schadelijke storingen kunnen veroorzaken
in de radiodiensten van andere landen.
Artikel 18.6
1.Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of
openbare elektronische communicatiediensten die in Nederland of in een
andere lid-staat van de Europese Unie bijzondere of uitsluitende rechten
hebben voor het verrichten van diensten in andere sectoren dan
elektronische communicatie voeren voor onderscheiden activiteiten
afzonderlijke boekhoudingen, op gelijke wijze als vereist zou zijn
wanneer de activiteiten door juridisch onafhankelijke ondernemingen
zouden worden verricht.
2.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid niet
van toepassing is op bij die regeling aangewezen aanbieders waarvan de
jaaromzet in elektronische communicatie-activiteiten binnen de Europese
Unie een bij die regeling te noemen bedrag niet te boven gaat.
Artikel 18.7
1. Onze Minister, onderscheidenlijk het college, is bevoegd voor een
juiste uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet of bij de
roamingverordening van een ieder te allen tijde inlichtingen te vorderen
voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
2. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, strekt zich met betrekking
tot verkeers- en locatiegegevens als bedoeld in artikel 13.2a, eerste
lid, niet verder uit dan de gegevens die de aanbieder van openbare
elektronische communicatienetwerken of de aanbieder van openbare
elektronische communicatiediensten op grond van de artikelen 11.5 en
11.5a is toegestaan te verwerken.
3. Degene van wie krachtens het eerste lid inlichtingen zijn gevorderd,
is verplicht deze onverwijld te geven, maar in elk geval binnen de
daartoe door Onze Minister, onderscheidenlijk het college, te stellen
termijn.
4. In een vordering op grond van het eerste lid kan wat betreft de te
geven inlichtingen worden volstaan met:
a. het omschrijven van het onderwerp waarover inlichtingen moeten worden
gegeven en
b. de bij het verstrekken van de inlichtingen aan te houden mate van
detail.
5. Degene van wie de verstrekking van inlichtingen is gevorderd, is
verplicht binnen de door Onze Minister, onderscheidenlijk het college,
te bepalen redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze
redelijkerwijs kan vorderen bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden.
Artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing.
6. Met het oog op het bevorderen van een open en concurrerende markt in
de elektronische communicatiesector maakt het college informatie met
betrekking tot aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten of openbare
elektronische communicatiediensten op een door het college te bepalen
wijze bekend voor zover die informatie verband houdt met bij of
krachtens de hoofdstukken 4 tot en met 9 en 11 van deze wet opgelegde
verplichtingen. Van gegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur wordt geen mededeling
gedaan.
Artikel 18.8
Onze Minister kan met betrekking tot de veiligheid en de beveiliging van
openbare elektronische communicatienetwerken en openbare elektronische
communicatiediensten regels stellen. Deze regels bevatten technische en
organisatorische eisen die aan aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten
kunnen worden gesteld.
Artikel 18.9
1.Onze Minister is bevoegd, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of
openbare elektronische communicatiediensten aanwijzingen te geven met
betrekking tot:
a. de instandhouding en de exploitatie van hun openbare elektronische
communicatienetwerken, of
b. het verzorgen en gebruiken van hun openbare elektronische
communicatiediensten, wanneer dit noodzakelijk is ter beëindiging van
strafbaar gedrag jegens een persoon.
2.Onze Minister is bevoegd, in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aanbieders van openbare
elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten aanwijzingen te geven met betrekking tot:
a. de instandhouding en de exploitatie van hun openbare elektronische
communicatienetwerken, of
b. het verzorgen en gebruiken van hun openbare elektronische
communicatiediensten, wanneer dit noodzakelijk is in het belang van de
veiligheid van de staat.
3.Onze Minister kan bij de toepassing van het eerste en tweede lid
afwijken van de verplichtingen die ingevolge deze wet op aanbieders van
openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten rusten.
4.Een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare
telecommunicatiedienst is verplicht een aanwijzing als bedoeld in het
eerste of tweede lid op te volgen.
5.Indien aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of
openbare elektronische communicatiediensten als gevolg van aanwijzingen
gegeven op grond van het eerste en tweede lid onevenredig financieel
nadeel ondervinden, kent Onze Minister aan hen een naar billijkheid te
bepalen vergoeding toe.
Artikel 18.10
Degene die een telefoongids uitgeeft, neemt op verzoek van een
natuurlijke persoon of rechtspersoon die in die gids met een
telefoonnummer is vermeld, het elektronisch postadres van verzoeker in
die gids op tegen redelijke en niet discriminerende voorwaarden.
Artikel 18.11
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot het aan derden ter beschikking stellen van
adressen voor elektronische post met bijbehorende gegevens ten behoeve
van de samenstelling van boeken met elektronische postadressen.
2.De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking
hebben op de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke
levenssfeer.
Artikel 18.12
1.Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van deze wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
2.Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken worden
opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.
Artikel 18.13
1.Onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde worden
de bij of krachtens deze wet te nemen maatregelen en regels genomen met
inachtneming van het belang van de bescherming van persoonsgegevens en
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer alsmede de bescherming
van het brief-, telefoon- en telegraafgeheim en het geheim van daarmee
vergelijkbare communicatietechnieken.
2.Onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde is het
eerste lid van overeenkomstige toepassing op de bedrijfsvoering door
aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of openbare
elektronische communicatiediensten.
Artikel 18.14
1.Een krachtens artikel 9.1, tweede, derde, of vierde lid, vastgestelde
algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat
nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk
besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een
der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal
leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het
onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe
strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het
voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers der
Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de
algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
2.Een krachtens de artikelen 3.1, eerste lid, vastgestelde algemene
maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de
plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 18.15
1.Een certificatiedienstverlener die certificaten als gekwalificeerde
certificaten aanbiedt of afgeeft aan het publiek en in Nederland een
vestiging heeft, voldoet aan de eisen, gesteld bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur.
2.Certificaten die als gekwalificeerd certificaat aan het publiek worden
aangeboden of afgegeven, voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur.
3.Een certificatiedienstverlener stelt, alvorens een gekwalificeerd
certificaat af te geven, de identiteit van de persoon die als
ondertekenaar in dat gekwalificeerde certificaat wordt aangeduid, vast
aan de hand van de bij artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht
aangewezen geldige documenten.
Artikel 18.16
1.Onze Minister kan een of meer organisaties aanwijzen die bevoegd zijn
certificatiedienstverleners te toetsen op overeenstemming met de bij en
krachtens deze wet gestelde eisen en daartoe een bewijs van toetsing af
te geven.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
inzake:
a. de indiening van een aanvraag voor een aanwijzing;
b. de eisen waaraan organisaties en de reglementen van organisaties
moeten voldoen om voor een aanwijzing in aanmerking te komen;
c. voorschriften welke aan een aanwijzing kunnen worden verbonden,
waaronder de duur waarvoor de aanwijzing geldt.
3.Onze Minister kan een aanwijzing intrekken indien:
a. de aangewezen organisatie niet meer voldoet aan de haar gestelde
eisen om in aanmerking te komen voor een aanwijzing;
b. de aangewezen organisatie de bij of krachtens deze wet gestelde
regels, dan wel de aan de aanwijzing verbonden voorschriften niet
nakomt.
Artikel 18.16a
1.Een certificatiedienstverlener die in het bezit is van een geldig
bewijs van toetsing van een op grond van artikel 18.16, eerste lid,
aangewezen organisatie, wordt vermoed te voldoen aan artikel 18.15,
eerste lid.
2.De certificaten die als gekwalificeerd aan het publiek worden
aangeboden of afgegeven door een certificatiedienstverlener als bedoeld
in het eerste lid, worden vermoed te voldoen aan artikel 18.15, tweede
lid.
Artikel 18.17
Degene die een veilig middel voor het aanmaken van elektronische
handtekeningen op de markt brengt, zorgt er voor dat het veilig middel
voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen eisen en, ten bewijze daarvan, dat het veilig middel is voorzien
van een verklaring van een door Onze Minister aangewezen instelling als
bedoeld in artikel 18.17a of van een verklaring van een instelling die
is aangewezen door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat van
de Europese Gemeenschap dan wel van een van de overige staten die partij
zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dat
het middel voldoet aan de eisen.
Artikel 18.17a
1.Onze Minister kan een of meer instellingen aanwijzen die zijn belast
met het beoordelen van de overeenstemming van een veilig middel voor het
aanmaken van elektronische handtekeningen met de eisen bedoeld in
artikel 18.17 en het daartoe afgeven van verklaringen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
inzake:
a. de indiening van een aanvraag voor een aanwijzing;
b. de eisen waaraan instellingen moeten voldoen om voor een aanwijzing
in aanmerking te komen;
c. voorschriften welke aan een aanwijzing kunnen worden verbonden,
waaronder de duur waarvoor de aanwijzing geldt.
3.Onze Minister trekt een aanwijzing in indien de aangewezen instelling
niet meer voldoet aan de haar gestelde eisen om voor een aanwijzing in
aanmerking te komen en de instelling niet binnen een door Onze Minister
gestelde termijn heeft aangetoond aan de eisen te voldoen.
4.Indien de aangewezen instelling aantoont redelijkerwijs niet binnen de
gestelde termijn aan de gestelde eisen te kunnen voldoen, kan Onze
Minister op verzoek van de aangewezen instelling de termijn bedoeld in
het derde lid verlengen waarbinnen aan de criteria of voorschriften moet
zijn voldaan.
5.Onze Minister kan een aanwijzing intrekken indien de aangewezen
instelling de bij of krachtens deze wet gestelde regels, dan wel de aan
een aanwijzing verbonden voorschriften niet nakomt.
Artikel 18.18
Het is de certificatiedienstverlener waarvan de registratie op grond van
artikel 2.2, vierde lid, onderdeel b, c, of d, is beëindigd verboden
gekwalificeerde certificaten aan het publiek aan te bieden of af te
geven zolang hij niet opnieuw is geregistreerd.
Artikel 18.19
In afwijking van artikel 24 van de Wet Onafhankelijke post- en
telecommunicatieautoriteit, onderscheidenlijk artikel 91 van de
Mededingingswet, verstrekken het college en de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit elkaar op verzoek de gegevens of inlichtingen die
van betekenis zijn of kunnen zijn voor de uitoefening van de taken en
bevoegdheden die bij of krachtens de Telecommunicatiewet aan het college
zijn opgedragen, respectievelijk zijn verleend, mits:
a. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen in voldoende mate is
gewaarborgd, en
b. voldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen
worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
Artikel 18.20
1.Het college verstrekt na een daartoe strekkend verzoek van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen dan wel van een nationale
regelgevende instantie, de gegevens of inlichtingen die de Commissie
respectievelijk die nationale regelgevende instantie nodig heeft voor de
uitoefening van haar taken uit hoofde van het Gemeenschapsrecht mits:
a. de geheimhouding, voor zover er naar het oordeel van het college
sprake is van bedrijfsvertrouwelijke gegevens of inlichtingen, van de
gegevens of inlichtingen in voldoende mate is gewaarborgd,
b. voldoende gewaarborgd is dat de gegevens of inlichtingen niet zullen
worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze zijn verstrekt, en
c. het verzoek gegevens of inlichtingen betreft die het college uit
hoofde van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet heeft
verkregen.
2.Indien het college van oordeel is dat er sprake is van
bedrijfsvertrouwelijke gegevens of inlichtingen, vermeldt het college
bij het verstrekken van die gegevens of inlichtingen aan de Commissie
van de Europese Gemeenschappen onderscheidenlijk de nationale
regelgevende instantie, uitdrukkelijk en met redenen omkleed dat die
informatie niet aan derden ter beschikking mag worden gesteld.
3.Indien het college aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen
gegevens of inlichtingen verstrekt die het college heeft verkregen van
een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, een
openbare elektronische communicatiedienst of bijbehorende faciliteiten,
stelt het college de betreffende aanbieder daarvan op de hoogte.
Artikel 18.21
1.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de
toepassing van overeenkomstig artikel 17, vierde lid, van richtlijn nr.
2002/21/EG verplicht gestelde normen of specificaties, die gepubliceerd
zijn in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
2.Een wijziging van de normen of specificaties, bedoeld in het eerste
lid, gaat gelden met ingang van de dag waarop die wijziging in het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen is gepubliceerd.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de toepassing van in het Publicatieblad van de Europese
Gemeenschappen gepubliceerde normen of specificaties als bedoeld in
artikel 17, eerste lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG met betrekking tot:
a. bij die regeling aan te wijzen categorieën van elektronische
communicatienetwerken, elektronische communicatiediensten, bijbehorende
faciliteiten, of diensten indien het toepassen van die normen of
specificaties nodig is voor het waarborgen van eind- tot
eindverbindingen of het verbeteren van de keuzevrijheid van gebruikers,
of
b. het gebruik van applicatieprogramma-interfaces indien het toepassen
van die normen of specificaties nodig is voor het bevorderen van de
toepassing van open applicatieprogramma-interfaces bij het leveren of
aanbieden van digitale interactieve televisiediensten.
Artikel 18.22
Een wijziging van richtlijn nr. 2002/19/EG, richtlijn nr. 2002/20/EG,
richtlijn nr. 2002/21/EG, of richtlijn nr. 2002/22/EG gaat voor de
toepassing van de Telecommunicatiewet gelden met ingang van de dag
waarop aan de betrokken wijziging van de desbetreffende richtlijn
uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit dat in de
Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Hoofdstuk 19. Overgangsrecht in verband met de implementatie van het
Europese geharmoniseerde regelgevende kader voor de elektronische
communicatiesector 2002
Artikel 19.1 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 19.2
1.De mededeling, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, behoeft niet te
worden gedaan door:
a. degene die voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees
regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 door het
college is geregistreerd;
b. de houder van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte
waarvoor geen registratie was vereist op grond van artikel 2.1, tweede
lid, onder a, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Wet
implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische
communicatiesector 2002.
2.Een registratie die is gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid,
zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie
Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector
2002, wordt aangemerkt als een mededeling als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid.
3.Een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte die bestemd is
voor het aanbieden van een openbaar elektronisch communicatienetwerk of
een openbare elektronische communicatiedienst, wordt aangemerkt als een
mededeling als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid. Onze Minister
verstrekt het college de daarvoor benodigde gegevens.
4.Een op grond van het tweede of derde lid geregistreerde rechtspersoon
kan tot uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van de Wet
implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische
communicatiesector 2002 het college verzoeken om een verklaring als
bedoeld in artikel 2.4, eerste lid.
Artikel 19.3
De in artikel 6a.1, tweede lid, bedoelde relevante markten die nodig
zijn voor de in de artikelen 27 van richtlijn nr. 2002/21/EG, 7, derde
lid, van richtlijn nr. 2002/19/EG of 16, derde lid, van richtlijn nr.
2002/22/EG, bedoelde marktanalyses, worden door het college zo spoedig
mogelijk na inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees
regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 bepaald.
Artikel 19.4 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 19.5 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 19.6 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 19.7
Een aanvraag als bedoeld in de artikelen 3.11, vierde lid, of 6.3,
eerste of tweede lid, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de
Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische
communicatiesector 2002, wordt vanaf dat tijdstip aangemerkt als een
aanvraag als bedoeld in artikel 12.2.
Artikel 19.8
Op een aanvraag om een oordeel als bedoeld in artikel 7.7, zoals dat
luidde voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees
regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002, blijven
de Telecommunicatiewet en de daarop berustende bepalingen van toepassing
zoals die luidden voor dat tijdstip.
Artikel 19.9
Na inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees regelgevingskader
voor de elektronische communicatiesector 2002, geldt:
a. ten aanzien van de verwerking van verkeersgegevens, bedoeld in
artikel 11.5, tweede lid, dat de aanbieder binnen zes maanden de abonnee
de gegevens verstrekt, bedoeld in artikel 11.5, vierde lid;
b. dat de toestemming, bedoeld in artikel 11.5, derde lid, niet is
vereist voor de verkeersgegevens die reeds in gebruik zijn voor het doel
dat is genoemd in artikel 11.5, derde lid, onderdeel a;
c. ten aanzien van de verkeersgegevens, bedoeld in onderdeel b, dat de
aanbieder binnen zes maanden aan de abonnee mededeling doet van de
informatie, bedoeld in artikel 11.5, vierde lid. De abonnee wordt geacht
met betrekking tot dit gebruik toestemming te hebben verleend, tenzij
hij binnen een termijn van twee maanden na verzending van de mededeling
schriftelijk aan de desbetreffende aanbieder te kennen heeft gegeven dat
voor het desbetreffende gebruik geen toestemming wordt gegeven.
Artikel 19.10
Na inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees regelgevingskader
voor de elektronische communicatiesector 2002 geldt:
a. dat artikel 11.6 niet van toepassing is op edities van gedrukte
algemeen beschikbare abonneelijsten en algemeen beschikbare
abonneelijsten die in elektronische vorm, anders dan met gebruikmaking
van een elektronisch communicatienetwerk of een elektronische
communicatiedienst, worden uitgegeven, indien deze edities zijn
uitgegeven dan wel gereed gemaakt zijn voor uitgifte, voor de datum van
inwerkingtreding van dat artikel;
b. dat een ieder die een algemeen beschikbare abonneelijst uitgeeft of
een algemeen beschikbare abonnee-informatiedienst verzorgt, binnen zes
maanden na inwerkingtreding van artikel 11.6 de abonnee van een openbare
telefoondienst wiens persoonsgegevens op het moment van inwerkingtreding
van dat artikel zijn opgenomen in de abonneelijst dan wel in het voor de
abonnee-informatiedienst gebruikte abonneebestand, op de hoogte stelt
van de informatie, bedoeld in artikel 11.6, eerste lid. Daarbij wordt
aan de abonnee de mogelijkheid geboden om verzet aan te tekenen tegen
het feit dat hem betreffende persoonsgegevens in de abonneelijst of in
het voor de abonnee-informatiedienst gebruikte abonneebestand zijn
opgenomen. Indien de abonnee verzet aantekent, is artikel 41, tweede
lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 19.11
Op besluiten die door het college zijn genomen op grond van hoofdstuk 6,
waartegen bezwaar of beroep kon worden ingesteld voor de
inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees regelgevingskader
voor de elektronische communicatiesector 2002, is, in afwijking van
artikel 17.1, eerste lid, de rechtbank te Rotterdam bevoegd, en blijft
artikel 17.1, derde lid, buiten toepassing.
Hoofdstuk 20. Algemene overgangs- en slotbepalingen
Artikel 20.1
1.Behoudens de artikelen 9.3 en 9.4 geldt, in afwijking van de in
artikel 9.2 vervatte procedure, voor de toepassing van het bij of
krachtens deze wet bepaalde voor elk van de in artikel 9.1, eerste lid,
bedoelde openbare elektronische communicatiediensten of voorzieningen
KPN Telecom B.V. als een krachtens artikel 9.2 aangewezen aanbieder.
2.Aan de uit het vorige lid voortvloeiende verplichting voor KPN Telecom
B.V. om de in artikel 9.1, eerste lid, bedoelde openbare elektronische
communicatiediensten en voorzieningen te verzorgen komt een einde een
jaar na het tijdstip waarop:
a. KPN Telecom B.V. Onze Minister schriftelijk heeft medegedeeld een
verplichting tot verzorging van een bepaalde dienst of voorziening niet
langer te willen nakomen, of
b. Onze Minister schriftelijk aan KPN Telecom B.V. heeft medegedeeld dat
een verplichting tot verzorging van een bepaalde dienst of voorziening
niet langer bestaat.
Artikel 20.2
1.Een vergunning die is verleend krachtens artikel 13a, eerste lid, van
de Wet op de telecommunicatievoorzieningen wordt gelijkgesteld met een
vergunning, verleend krachtens artikel 3.3, eerste lid.
2.Voor de houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid blijft
het bepaalde bij of krachtens de artikelen 13c, 13g, met dien verstande
dat in het eerste lid, onderdeel a, vervalt «waaronder technische
aftapbaarheid», 13j, 13k, met uitzondering van het zevende lid, en met
dien verstande dat de tweede volzin van het zesde lid komt te luiden: De
in de eerste volzin bedoelde besluiten van Onze Minister zijn gelijk ten
aanzien van alle vergunningen die voor hetzelfde technische systeem op
hetzelfde tijdstip zijn verleend., 13l, 13n, 13t, voorzover het betreft
de verwijzing naar artikel 11, eerste tot en met derde lid, en vijfde
tot en met zevende lid, 13v, 13x en 13y van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen van toepassing.
Artikel 20.3
1.Een machtiging die is verleend krachtens artikel 17, eerste lid, van
de Wet op de telecommunicatievoorzieningen wordt gelijkgesteld met een
vergunning, verleend krachtens artikel 3.3, eerste lid.
2.De toekenning van radio-frequenties krachtens artikel 3, tweede lid,
van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen aan de houder van de
concessie wordt gelijkgesteld met een vergunning voor het gebruik van
frequentieruimte als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid.
3.Voorzover bij een machtiging die is verleend krachtens artikel 21 van
de Wet op de telecommunicatievoorzieningen radiofrequenties zijn
toegekend, wordt deze toekenning van radiofrequenties gelijkgesteld met
een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte als bedoeld in
artikel 3.3, eerste lid.
4.Een vergunning als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, geldt
voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn,
waarbij een onderscheid kan worden gemaakt al naar gelang de toepassing
waarvoor de vergunning is verleend.
5.Het bepaalde in artikel 3.3, zevende lid, alsmede het bepaalde in
artikel 3.3a, achtste lid, is slechts van toepassing op de uitgifte van
vergunningen volgende op de verlening van vergunningen die heeft
plaatsgevonden na 27 juli 2001.
Artikel 20.4
Apparaten die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in
gebruik zijn bij de houder van de concessie, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, ten dienste
van de uitoefening van de aan de houder van de concessie opgedragen
taken, worden, voorzover deze niet voldoen aan het bepaalde bij of
krachtens hoofdstuk 10 van deze wet, geacht te voldoen aan het bepaalde
bij of krachtens hoofdstuk 10.
Artikel 20.4a
1.Uitrusting die voldoet aan de bij of krachtens de Telecommunicatiewet
vastgestelde regels met betrekking tot de elektromagnetische
compatibiliteit die van kracht waren op 19 juli 2007, mag in afwijking
van artikel 10.1 van de Telecommunicatiewet, tot 20 juli 2009 in de
handel worden gebracht of worden verhandeld.
2.Het bepaalde in het eerste lid is slechts van toepassing voorzover de
daar bedoelde uitrusting voldoet aan bij of krachtens de
Telecommunicatiewet gestelde regels die niet zien op elektromagnetische
compatibiliteit.
Artikel 20.5
1.Met betrekking tot de instandhouding, de verplaatsing en de opruiming
van kabels en kabelwerken, voorzover de kabels en kabelwerken zijn
aangelegd met toepassing van hoofdstuk VI van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen is hoofdstuk 5 van deze wet van toepassing
met dien verstande, dat kabels en kabelwerken, aangelegd in en op
openbare gronden als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, onder 3°, van
de Wet op de telecommunicatievoorzieningen worden gelijkgesteld met
kabels, aangelegd in en op openbare gronden als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel aa, van deze wet.
2.In afwijking van de artikelen 5.2, achtste lid, en 5.15 geldt voor
kabels, ondergrondse ondersteuningswerken of beschermingswerken in of op
openbare gronden, waarin of waarop geen fysieke geleidingsdraden bestemd
voor de rechtstreekse overdracht van signalen tussen punten zijn
aangebracht, die zijn aangelegd met het oogmerk deel uit te maken van
doch op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet houdende wijziging
van de Telecommunicatiewet in verband met een herziening van het
nationale beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste van
openbare elektronische communicatienetwerken (Stb. 2007, 16) niet in
gebruik zijn ten dienste van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk, een gedoogplicht tot 1 januari 2018, tenzij de
instandhouding van deze voorzieningen de instandhouding van andere reeds
in de grond aanwezige werken in gevaar brengt of ernstig hindert. De
aanbieder meldt aan degene op wie de gedoogplicht rust schriftelijk op
welke netwerkvoorziening de gedoogplicht betrekking heeft. Daarvan doet
hij tevens mededeling aan burgemeester en wethouders van de gemeente
binnen wier grondgebied de netwerkvoorziening is gelegen.
Artikel 20.6
1.Een nummerplan vastgesteld krachtens artikel 40d van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen wordt gelijkgesteld met een nummerplan als
bedoeld in deze wet.
2.De toekenning of reservering van nummers, bedoeld in artikel 17, elfde
lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, de toekenning of
reservering van nummers alsmede de wijziging daarvan, bedoeld in artikel
40d van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, de toekenning van
nummers als bedoeld in artikel 40e van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen, alsmede de toekenning van nummers,
bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur, worden gelijkgesteld met een
reservering, toekenning of wijziging als bedoeld in hoofdstuk 4 van deze
wet.
Artikel 20.7 [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 20.8 [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 20.9 [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 20.10 [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 20.11
1.De rechthebbende op of de beheerder van gronden is verplicht te
gedogen dat ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken
kabels, die voor de inwerkingtreding van de wet, houdende wijziging van
de Telecommunicatiewet in verband met een herziening van het nationale
beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste van openbare
elektronische communicatienetwerken (Stb. 2007, 16), boven deze gronden
zijn aangelegd, worden instandgehouden of opgeruimd. De eerste volzin is
tevens van toepassing op de bij de kabels behorende bovengrondse
ondersteuningswerken.
2.De artikelen 5.3 tot en met 5.8, 5.10, 5.13 en 5.14 van deze wet zijn
van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde kabels
en ondersteuningswerken.
3.Artikel 5.8 van de Telecommunicatiewet, zoals dat luidde voor het
tijdstip van inwerkingtreding van de wet, houdende wijziging van de
Telecommunicatiewet in verband met een herziening van het nationale
beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste van openbare
elektronische communicatienetwerken, is van toepassing op de
instandhouding van de in het eerste lid bedoelde kabels |