Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 13 december 2000, houdende tijdelijke instelling van de Raad
voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (Tijdelijke
instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing en het College van Advies voor
de justitiële kinderbescherming samen te voegen tot een Raad voor
strafrechtstoepassing en jeugdbescherming en aan de Raad tevens een
toezichthoudende taak toe te kennen op het terrein van de
tenuitvoerlegging van aan jeugdigen opgelegde straffen en maatregelen,
en deswege het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten te wijzigen
en de Beginselenwet gevangeniswezen in te trekken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
Artikel 1
In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. vrijheidsstraf: gevangenisstraf, (vervangende) hechtenis,
militaire detentie en (vervangende) jeugddetentie;
c. vrijheidsbeperkende straf: voorwaardelijke vrijheidsstraf en
taakstraf;
d. vrijheidsbenemende maatregel: voorlopige hechtenis,
vreemdelingenbewaring, gijzeling, terbeschikkingstelling met bevel
tot verpleging, plaatsing in een inrichting voor jeugdigen,
plaatsing in een justitiële jeugdinrichting in verband met de
tenuitvoerlegging van een machtiging als bedoeld in artikel 29b en
29c van de Wet op de jeugdzorg, plaatsing in een inrichting voor
stelselmatige daders en vrijheidsbeneming die op andere gronden dan
de in onderdeel b genoemde gronden plaatsvindt;
e. vrijheidsbeperkende maatregel: voorwaardelijke
vrijheidsbenemende maatregel;
f. de Raad: de Raad voor strafrechtstoepassing en
jeugdbescherming, bedoeld in artikel 2, eerste lid.
Artikel 2
1.Er is een Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming.
2.De Raad is gevestigd te 's-Gravenhage.
Artikel 3
1.De Raad adviseert Onze Minister desgevraagd of uit eigen beweging
over de toepassing en uitvoering van beleid en regelgeving op het
terrein van de strafrechtstoepassing en omtrent jeugdigen, mede in het
licht van de overige werkzaamheden hem bij of krachtens de wet
opgedragen.
2.De Raad is belast met rechtspraak die hem bij de wet is
opgedragen.
3.De Raad verricht voor het overige de werkzaamheden die hem bij of
krachtens de wet worden opgedragen.
Artikel 4
1.De Raad heeft een voorzitter en ten hoogste zestig overige leden.
De Raad kan uit de overige leden ondervoorzitters aanwijzen.
2.De voorzitter en de overige leden worden, de Raad gehoord, op
voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit benoemd.
3.De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste zes
jaren. Herbenoeming kan eenmaal en voor ten hoogste zes jaren
plaatsvinden.
4.Onze Minister draagt zorg voor openbaarmaking van een vacature in
de Raad.
Artikel 5
1. De leden van de Raad worden benoemd op grond van de
deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in artikel
3 genoemde taken alsmede op grond van maatschappelijke kennis en
ervaring.
2. Van de Raad maken in ieder geval deel uit:
a. met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht,
b. deskundigen uit de kring van het maatschappelijk werk,
c. deskundigen op het gebied van de gedragswetenschappen,
d. advocaten, en
e. artsen.
3. Voor benoeming als lid of plaatsvervangend lid komen niet in
aanmerking:
a. ambtenaren of andere personen, werkzaam onder de
verantwoordelijkheid van Onze Minister op het terrein van de
tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende
straffen of maatregelen;
b. personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze
Minister, indien hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid hetzij
door hun positie, hetzij door de aard van hun werkzaamheden in het
geding zou kunnen komen;
c. bestuursleden, leden van een raad van toezicht, medewerkers
of personeelsleden van een door Onze Minister gesubsidieerde
instelling die werkzaam is op het terrein van de tenuitvoerlegging
van vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende straffen of
maatregelen;
d. bestuursleden, leden van een raad van toezicht, medewerkers
of personeelsleden van een stichting als bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg, bij de uitvoering van de
taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen c en d, van
de Wet op de jeugdzorg;
e. personen die werkzaam zijn bij of deel uitmaken van een
instantie die toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van
vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende straffen of maatregelen
of op de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen c en
d, van de Wet op de jeugdzorg;
f. personen tegen wie bezwaren bestaan voor wat betreft de
vervulling van de functie, die blijken uit de justitiële
gegevens, bedoeld in het Besluit justitiële gegevens, of uit
politiegegevens, bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet
politiegegevens; de bezwaren hebben betrekking op het
vertrouwelijk karakter van de functie alsmede de aan de functie
verbonden bevoegdheden.
4. Bij de samenstelling van de Raad wordt gestreefd naar evenredige
deelneming van vrouwen en personen behorende tot etnische of culturele
minderheidsgroepen.
Artikel 6
1.De leden van de Raad worden op eigen aanvraag door Onze Minister
ontslagen.
2.De leden kunnen voorts bij koninklijk besluit worden geschorst en
ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere
zwaarwegende gronden.
Artikel 7
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de vergoeding
van reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen aan leden van de
Raad vastgesteld.
Artikel 8
1.In de Raad kunnen plaatsvervangende leden worden benoemd.
2.De artikelen 4, tweede en derde lid, en 5 tot en met 7 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.De plaatsvervangende leden kunnen met bepaalde taken worden
belast.
Artikel 9
1.De Raad heeft een secretaris.
2.De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de Raad uitsluitend
verantwoording schuldig aan de Raad.
3.Aan de secretaris kunnen andere medewerkers worden toegevoegd.
4.De secretaris en de andere medewerkers zijn geen lid van de Raad.
5.Onze Minister benoemt, bevordert, schorst en ontslaat, na overleg
met de voorzitter van de Raad, de secretaris, en, na overleg met de
secretaris, de andere medewerkers.
6.Onze Minister draagt, na overleg met de Raad, zorg voor de nodige
voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden van de Raad.
Artikel 10
De Raad wordt vertegenwoordigd door de voorzitter en de secretaris.
Artikel 11
De Raad kan zich verdelen in secties en kan de uitoefening van
bepaalde taken opdragen aan commissies uit zijn midden.
Artikel 12
1.De Raad stelt een bestuursreglement vast. Dit bevat in ieder
geval regels over werkwijzen en procedures met het oog op een goede en
zorgvuldige uitoefening van de verschillende taken. Daarbij wordt
voorzien in waarborgen tegen vermenging van de adviserende en
rechtsprekende taak van de Raad.
2.Het reglement alsmede elke wijziging daarvan wordt zo spoedig
mogelijk gezonden aan Onze Minister en behoeft diens goedkeuring.
Artikel 13
De Raad kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot
daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren.
Artikel 14
1.De Raad kan zich doen bijstaan door andere dan de in artikel 13
bedoelde personen, voor zover dat voor de vervulling van zijn taken
nodig is.
2.Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15
1.De leden van de Raad hebben te allen tijde toegang tot alle
plaatsen in de inrichtingen en instellingen die onder
verantwoordelijkheid van Onze Minister een taak uitoefenen in het
kader van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen,
vrijheidsbeperkende straffen, vrijheidsbenemende maatregelen en
vrijheidsbeperkende maatregelen.
2.De leden van de Raad ontvangen van de directeur van de inrichting
of de instelling die is belast met de tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf, een vrijheidsbeperkende straf of een
vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende maatregel, of van de
personen, werkzaam bij die inrichting of instelling, alle door hen
gewenste inlichtingen.
3.De leden van de Raad die bij de uitvoering van hun taak de
beschikking krijgen over gegevens waarvan zij het vertrouwelijke
karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, zijn verplicht tot
geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk
voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of uit hun taak de noodzaak
tot bekendmaking voortvloeit.
Artikel 16
De Raad zendt jaarlijks voor 1 april aan Onze Minister een ontwerp
voor de begroting voor het daaropvolgende kalenderjaar van de aan zijn
taakvervulling verbonden uitgaven.
Artikel 17
1.De Raad zendt Onze Minister jaarlijks voor 1 september een
werkprogramma voor het komende kalenderjaar toe.
2.Onze Minister verstrekt de Raad tijdig een overzicht van de
voornemens om advies te vragen.
Artikel 18
De Raad houdt bij het vervullen van zijn taken zo veel mogelijk
rekening met het werkprogramma. Onverminderd de Comptabiliteitswet
vervult hij zijn taak met de middelen die ingevolge de desbetreffende
begrotingswet ter beschikking zijn gesteld.
Artikel 19
De Raad stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van de
werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid
en de doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het
bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze
Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
Artikel 20
De Raad verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de
uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat
voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Hoofdstuk II. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 21
1.De Raad treedt in de plaats van de Centrale Raad voor
Strafrechtstoepassing en het College van advies voor de justitiële
kinderbescherming.
2.De leden van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing en de
leden van het College van advies voor de justitiële kinderbescherming
zijn van rechtswege benoemd in de Raad.
3.De leden van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing die voor
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet voor de eerste maal
zijn herbenoemd, kunnen op of na dat tijdstip worden herbenoemd voor
ten hoogste zes jaren.
4.De leden van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing die voor
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet voor de tweede maal
zijn herbenoemd, treden af na het verstrijken van hun derde
ambtstermijn.
Artikel 22
Deze wet wordt aangehaald als: Instellingswet Raad voor
strafrechtstoepassing en jeugdbescherming.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 13 december 2000
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de elfde januari 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|