Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 21 juni 1973, houdende tijdelijke
regeling betreffende huurkoop van onroerend goed
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
tijdelijke regeling te treffen omtrent de huurkoop van onroerend goed
bestemd of gebruikt tot bewoning;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1.Huurkoop in de zin van deze wet is de koop en verkoop van een
onroerende zaak of een recht waaraan deze is onderworpen, waarbij
partijen overeenkomen dat de koopprijs wordt betaald in termijnen, en
dat de overdracht eerst zal plaatsvinden na voldoening van twee of
meer termijnen die verschijnen nadat de koper in het genot van het
goed is gesteld.
2.Alle overeenkomsten, welke dezelfde strekking hebben, onder welke
benaming ook aangegaan, zijn aan de voorschriften van deze wet
onderworpen.
Artikel 2
1.Huurkoop wordt aangegaan bij notariële akte.
2.De notaris is verplicht in de akte te vermelden dat op de
gesloten overeenkomst onder meer van toepassing is de Tijdelijke wet
huurkoop onroerende zaken. De notaris is voorts verplicht in de akte
te vermelden dat op voet van die wet:
a. de huurkoopovereenkomst kan worden ingeschreven in de
openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek;
b. de huurkoper een beroep op de rechter kan doen tot wijziging
van de overeenkomst, indien een wanverhouding bestaat tussen de
verplichtingen en de rechten, welke voor de huurkoper uit de
overeenkomst voortvloeien.
3.De notaris is bovendien verplicht in de akte ten minste te
vermelden:
a. welk deel van de te betalen termijnen tot aflossing van de
huurkoopsom strekt en welk deel strekt tot betaling van de
verschuldigde rente;
b. de data, waarop de huurkoper de verschuldigde bedragen dient
te betalen.
4.Indien terzake van de huurkoop niet een akte als bedoeld in het
eerste lid is opgemaakt, kan de huurkoper schriftelijke vastlegging
van de overeenkomst door de rechter vorderen. Bij deze vastlegging
worden nietige bedingen in overeenstemming gebracht met de wet. Op de
schriftelijk vastgelegde overeenkomst past de rechter artikel 9
ambtshalve toe. Indien bij de overeenkomst niet is bepaald welk deel
van de te betalen termijnen strekt tot aflossing van de huurkoopsom en
welk deel strekt tot betaling van de verschuldigde rente, stelt de
rechter deze verhouding naar billijkheid vast. Het bepaalde in de
tweede zin, aanhef en onder b, van het tweede lid is niet van
toepassing.
5.Van de akte, bedoeld in het eerste lid, maakt een taxatierapport
betreffende het goed opgemaakt door een door partijen in onderlinge
overeenstemming aangewezen taxateur, deel uit. Indien partijen geen
overeenstemming bereiken, dan wijst de kantonrechter op verzoek van de
meest gerede partij een taxateur aan. Het taxatierapport bevat in elk
geval een beschrijving en beoordeling van de onderhoudstoestand van de
onroerende zaak. De kosten van de taxatie komen ten laste van de
verkoper.
6.De notaris gaat tot het verlijden van de akte als bedoeld in het
eerste lid niet over dan nadat partijen ten minste een week de tijd
hebben gehad om van het in het vorige lid bedoelde rapport kennis te
nemen.
7.Op de schriftelijke vastlegging als bedoeld in het vierde lid is
het bepaalde in het vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat de rechter de taxateur aanwijst. In de op deze
vastlegging gerichte procedure geeft de rechter partijen de
gelegenheid zich in een conclusie over het rapport uit te laten.
Daartoe wordt het rapport gedurende veertien dagen op de griffie ter
inzage gelegd.
8.De notaris dient zich, alvorens de akte te verlijden, er van te
vergewissen dat de huurkoper geacht kan worden met de strekking van de
overeenkomst voldoende op de hoogte te zijn.
Artikel 3
1.Indien terzake van de huurkoop niet een akte als bedoeld in het
eerste lid van artikel 2 is opgemaakt, noch ook een overeenkomstig
artikel 2 gewezen toewijzend vonnis of arrest in kracht van gewijsde
is gegaan, is de huurkoper bevoegd vernietiging van de overeenkomst te
vorderen. De huurverkoper is alsdan gehouden tot volledige
terugbetaling van de door de huurkoper reeds voldane
afbetalingstermijnen, zonder enige vergoeding voor het gebruik van de
onroerende zaak sedert het aangaan van de overeenkomst te kunnen
vorderen. De rechter kan evenwel voor het gebruik een vergoeding aan
de huurverkoper toekennen, indien de billijkheid zulks vergt. De
huurkoper is voor de door hem gedane betalingen bevoorrecht op het in
huurkoop gekochte goed.
2.Indien niet een akte als bedoeld in het eerste lid van artikel 2
van de huurkoopovereenkomst is opgemaakt en de huurkoper evenmin een
vordering tot vastlegging dan wel vernietiging van de overeenkomst
heeft ingesteld, is de huurverkoper bevoegd ontbinding van de
huurkoopovereenkomst te vorderen, zonder dat hem vergoeding toekomt
voor de daaruit voortvloeiende schade, onverminderd het bepaalde in de
tweede, derde en vierde zin van het voorgaande lid. De huurkoper
blijft evenwel bevoegd alsnog vastlegging van de huurkoopovereenkomst
overeenkomstig artikel 2 te vorderen zolang het door de huurverkoper
aanhangig gemaakte geding strekkend tot ontbondenverklaring van de
huurkoopovereenkomst nog niet in staat van wijzen is.
3.Indien de huurkoper in de in het voorgaande lid genoemde
omstandigheden alsnog een vordering tot vastlegging van de
huurkoopovereenkomst heeft ingesteld, wordt op incidentele vordering
van de huurkoper het door de huurverkoper aanhangig gemaakte geding
tot ontbondenverklaring van de huurkoopovereenkomst geschorst totdat
bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest op de vordering tot
vastlegging zal zijn beslist dan wel daarin ontslag of verval van
instantie is verleend. Is de vordering tot vastlegging bij in kracht
van gewijsde gegane beslissing toegewezen, dan wordt op de door de
rechter te bepalen terechtzitting, op vordering van de meest gerede
partij, in het geding tot ontbondenverklaring het vervallen van de
instantie uitgesproken. Is de huurkoper in zijn vordering tot
vastlegging bij in kracht van gewijsde gegane beslissing
niet-ontvankelijk verklaard dan wel heeft in dat geding ontslag of
verval van instantie plaats gehad, dan wordt het geding tot
ontbondenverklaring op vordering van de huurverkoper op de door de
rechter te bepalen terechtzitting voortgezet. De kosten van het geding
tot ontbondenverklaring worden gecompenseerd.
4.Zodra de vordering tot vastlegging van de huurkoopovereenkomst
bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is toegewezen, dan
wel de huurkoopovereenkomst alsnog bij notariële akte is opgemaakt,
is ook de huurverkoper gerechtigd nakoming van de overeenkomst te
vorderen.
Artikel 4
1.In de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen worden ingeschreven:
a. de akte van huurkoop, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
b. een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 2, vierde
lid, houdende schriftelijke vastlegging van de
huurkoopovereenkomst, mits zij in kracht van gewijsde is gegaan;
c. een rechterlijke uitspraak waarbij de huurkoopovereenkomst
die overeenkomstig het onder a of b bepaalde in de openbare
registers is ingeschreven, vernietigd, geheel of gedeeltelijk
ontbonden of gewijzigd is, mits de uitspraak in kracht van
gewijsde is gegaan of uitvoerbaar bij voorraad is;
d. de instelling van een rechtsvordering overeenkomstig artikel
2, vierde lid, of artikel 3, derde lid, tot schriftelijke
vastlegging van de huurkoopovereenkomst.
2.Indien de instelling van een rechtsvordering als bedoeld in het
eerste lid onder d in de openbare registers is ingeschreven, wordt de
inschrijving van een uitspraak als bedoeld in het eerste lid onder b
geacht te zijn geschied op het tijdstip waarop de voormelde
rechtsvordering is ingeschreven, mits de inschrijving van de uitspraak
geschiedt binnen zes maanden nadat zij in kracht van gewijsde is
gegaan.
Artikel 5
1.Overdracht van het in huurkoop verkochte goed, voor zover deze
niet voortvloeit uit een reeds eerder ingeschreven akte van huurkoop,
of bezwaring daarvan na een inschrijving als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, onder a, b of d, werkt niet ten nadele van de huurkoper,
tenzij de overdracht plaatsvindt ten gevolge van een executoriale
verkoop door een hypotheekhouder of beslaglegger die hun recht daartoe
ontlenen aan een hypotheekakte of proces-verbaal van inbeslagneming,
ingeschreven in de openbare registers vóór de in artikel 4, eerste
lid, onder a, b of d, genoemde inschrijving. Indien de in artikel 4,
eerste lid, onder a, b of d, genoemde inschrijving plaatsvindt na de
in het tweede gedeelte van de vorige zin genoemde inschrijving, is de
huurkoper verplicht de betreffende schuldeisers en eventuele andere
beslagleggers bij aangetekend schrijven onverwijld daarvan kennis te
geven. Is door die schuldeisers reeds een aanvang gemaakt met de
executoriale verkoop en is daartegen verzet gedaan, dan moet eveneens
kennisgeving worden gedaan aan de opposant. Artikel 505, derde lid,
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige
toepassing.
2.Ingeval van een executoriale verkoop als bedoeld in het vorige
lid, is de huurkoper voor de door hem in mindering op de huurkoopsom
betaalde bedragen bevoorrecht op hetgeen het verbonden of in beslag
genomen goed bij uitwinning meer opbrengt dan verschuldigd is aan
voornoemde schuldeisers of, indien niet het gehele goed in huurkoop is
verkocht, op een zodanig percentage van deze meeropbrengst als waarin
de waarde van het in huurkoop verkochte onderdeel zich verhoudt tot
die van het geheel. Dit voorrecht komt dezelfde rang toe als een
hypotheek en wordt geacht te zijn ontstaan op de dag van de in artikel
4, eerste lid, onder a, b of d, genoemde inschrijving. Indien uit de
huurkoopakte niet duidelijk blijkt welk gedeelte van de periodiek door
de huurkoper verschuldigde bedragen voor aflossing van de huurkoopsom
is bestemd en artikel 2, vierde lid geen toepassing heeft gevonden,
wordt het bedrag waarvoor de huurkoper voormeld voorrecht kan doen
gelden door de rechter vastgesteld door het totaal bedrag van de door
de huurkoper verrichte betalingen te verminderen met een naar
billijkheid vast te stellen vergoeding voor het gedurende de
contractsperiode door de huurkoper gemaakte gebruik van het pand.
3.Faillissement van de huurverkoper of toepassing ten aanzien van
hem van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, uitgesproken
onderscheidenlijk van toepassing verklaard na de in artikel 4, eerste
lid, onder a, b of d, genoemde inschrijving, werkt niet ten nadele van
de huurkoper, onverminderd de toepasselijkheid van de artikelen 42 en
43 van de Faillissementswet op de huurovereenkomst.
Artikel 6
Indien de in artikel 5, eerste lid, genoemde hypotheekhouders of
beslagleggers jegens wie de huurkoop niet kan worden ingeroepen, tot
executoriale verkoop wensen over te gaan en gebruik maken van hun
bevoegdheid ontruiming van de zaak door de huurkoper te vorderen, zal,
indien de in artikel 4, eerste lid, onder a, b of d, genoemde
inschrijving en tevens de kennisgeving genoemd in artikel 5, eerste lid,
heeft plaats gevonden voordat een aanvang is gemaakt met de executoriale
verkoop, het ontruimingsvonnis niet eerder dan na verloop van negen
maanden door de hypotheekhouder, de beslaglegger, degene die in geval
van vorenbedoelde verkoop door koop en inschrijving van het
proces-verbaal van toewijzing rechthebbende is geworden of diens
rechtverkrijgenden kunnen worden tenuitvoergelegd. Bij dit vonnis wordt,
met overeenkomstige toepassing van artikel 230a lid 5 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, vastgesteld welke vergoeding maandelijks
verschuldigd is wegens het gebruik van het pand gedurende genoemde
periode.
Artikel 7
1.Indien de inschrijving bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a,
b of d, heeft plaats gehad nadat reeds een hypotheekakte betreffende
het in huurkoop verkochte goed in de openbare registers was
ingeschreven, heeft de huurkoper het recht de nog te betalen
huurkooptermijnen aan te wenden tot rechtstreekse betaling van
opeisbare rente en aflossingen aan de hypotheekhouder.
2.Voor zover het door de huurkoper aan de huurverkoper
verschuldigde per termijn minder bedraagt dan het bedrag dat periodiek
aan rente en aflossingen aan de hypotheekhouder is verschuldigd, is de
huurkoper in afwijking van artikel 29 van Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek tot de in het eerste lid bedoelde betaling bevoegd,
onverminderd de verplichting van de hypothecaire schuldenaar tot
betaling van het restant verschuldigde.
3.Indien de huurkoper van dit recht gebruik wenst te maken, is de
hypotheekhouder verplicht de huurkoper in te lichten omtrent de
grootte van de nog resterende hypothecaire schuld.
4.De betalingen overeenkomstig dit artikel aan de hypotheekhouder
gedaan, strekken in mindering op hetgeen de huurkoper aan de
huurverkoper verschuldigd is. De huurkoper stelt de huurverkoper
onverwijld in kennis van deze betalingen.
5.Bij executoriale verkoop door een hypotheekhouder of een
beslaglegger genoemd in artikel 5, eerste lid, heeft de huurkoper het
recht, bedoeld in artikel 269 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Maakt de huurkoper van dit recht gebruik, dan is het derde lid van
toepassing.
6.Indien reeds vóór de inschrijving bedoeld in artikel 4 een
hypotheekakte betreffende het in huurkoop verkochte goed was
ingeschreven, kan de overdracht van het recht op verschenen of nog
niet verschenen huurkooptermijnen aan een derde, niet zijnde de
hypotheekhouder bedoeld in het eerste lid van dit artikel, niet worden
ingeroepen tegen de huurkoper, tenzij deze uitdrukkelijk toestemming
heeft gegeven tot deze overdracht. De eerste zin is niet van
toepassing indien ten tijde van het in werking treden van deze wet de
overdracht reeds heeft plaats gehad.
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 9
Indien een wanverhouding bestaat tussen de verplichtingen en de
rechten, welke voor de huurkoper uit de huurkoopovereenkomst
voortvloeien, kan de rechter op vordering van de huurkoper deze
overeenkomst zodanig wijzigen dat de op de huurkoper rustende
verplichtingen in redelijke verhouding staan tot de hem verleende
rechten. Bij deze wijziging worden de redelijke belangen van de
huurverkoper mede in acht genomen. De wijziging kan mede betrekking
hebben op de aan de vordering voorafgegane contractsperiode.
Artikel 10
Elk beding in een huurkoopovereenkomst, volgens hetwelk gedurende de
contractsperiode een hogere koopprijs kan worden vastgesteld, is nietig.
Artikel 11
1.Ontbinding van de overeenkomst van huurkoop op grond dat de
huurkoper tekortschiet in de voldoening van zijn verplichtingen, kan
slechts door de rechter geschieden.
2.Ontbinding van de huurkoop kan wegens niet tijdige nakoming door
de huurkoper van zijn verplichtingen niet worden gevorderd, tenzij de
huurkoper, na in gebreke te zijn gesteld, in de nakoming van zijn
verplichtingen blijft tekortschieten.
3.Wordt de huurkoop ontbonden, dan heeft de huurkoper recht op
terugbetaling van de door hem in mindering op de koopsom betaalde
aflossingen, onverminderd zijn gehoudenheid tot vergoeding van de door
de huurverkoper geleden schade.
Artikel 12
1.Onverminderd het vierde lid van artikel 7, is de huurkoper steeds
bevoegd tot vervroegde betaling van één of meer eerstvolgende
termijnen van de koopprijs. Eveneens is de huurkoper gerechtigd het
resterende gedeelte van de koopsom ineens af te betalen.
2.In geval van vervroegde betaling ineens van het gehele nog
verschuldigde bedrag heeft de huurkoper recht op een aftrek berekend
naar de wettelijke rente of, indien deze lager is dan de bedongen
rentevoet, berekend naar laatstgenoemde rentevoet over elke daarbij
vervroegd betaalde termijn.
3.Zodra de gehele koopsom met de daarover verschuldigde rente aan
de huurverkoper is betaald of op de wijze bij afdeling 8 van titel 1
van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bepaald in bewaring is gesteld,
of wanneer de verplichting tot betaling door verrekening of afstand is
te niet gegaan, is de huurverkoper, indien nog geen zodanige akte werd
opgemaakt, gehouden zijn medewerking te verlenen aan het tot stand
komen van een notariële akte van levering aan de huurkoper.
Artikel 13
1. Bij onteigening van een goed dat in huurkoop is verkocht, worden
zowel de rechthebbende als de huurkoper wiens recht vóór de
terinzagelegging ingevolge artikel 78, tweede lid, van de
onteigeningswet in de openbare registers is ingeschreven, gedagvaard
en wordt de aan elk hunner verschuldigde schadeloosstelling
afzonderlijk begroot.
2. Uit het bedrag van de werkelijke waarde van het goed wordt aan
de huurverkoper een schadeloosstelling toegekend wegens de aanspraken
uit de huurkoopovereenkomst, welke hij verliest; hetgeen vervolgens
overblijft, komt aan de huurkoper toe.
3. Indien er ten nadele van de huurkoper een wanverhouding blijkt
te bestaan tussen de bij de huurkoopovereenkomst bedongen wederzijdse
rechten en verplichtingen, past de rechter ambtshalve artikel 9 toe,
alvorens hij overeenkomstig het eerste en tweede lid van dit artikel
de aan de rechthebbende en de huurkoper toekomende schadeloosstelling
vaststelt.
Artikel 14
Artikel 93 onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is
niet van toepassing op vorderingen voortvloeiend uit deze wet.
Artikel 15
Elk beding waarbij wordt afgeweken van de bepalingen van deze wet, is
nietig.
Artikel 16
1.Voorzover in dit artikel niet anders is bepaald, is deze wet mede
van toepassing op overeenkomsten van huurkoop, welke vóór het in
werking treden van deze wet zijn gesloten, indien deze voldoen aan de
voorwaarden genoemd in artikel 1 en tevens bij akte zijn aangegaan, of
wel na de inwerkingtreding van deze wet alsnog bij akte dan wel
overeenkomstig het vierde lid van dit artikel zijn vastgelegd.
2.Voorzover deze overeenkomst niet in dubbel is opgemaakt of indien
wel een dubbel is opgemaakt, maar de huurverkoper de huurkoper niet
een ondertekend afschrift dan wel dubbel heeft verstrekt, is hij
verplicht de huurkoper dit afschrift of dubbel onverwijld te
verstrekken.
3.Verder afschrift kan de huurkoper te allen tijde tegen betaling
van de kosten vorderen.
4.Voorzover deze overeenkomst noch bij notariële noch bij
onderhandse akte is aangegaan, kan de meest gerede partij
schriftelijke vastlegging van de overeenkomst door de rechter
vorderen. Het bepaalde in de tweede, derde en vierde zin van het
vierde lid en in het zevende lid van artikel 2 is van overeenkomstige
toepassing.
5.Artikel 3 is niet van toepassing.
6.Voor de toepassing van dit artikel geldt in plaats van de in
artikel 6 genoemde termijn een termijn van twaalf maanden.
Artikel 17
In de plaats van een notariële of authentieke akte volgens deze wet
kan worden gebezigd een onderhandse akte, als bedoeld in artikel 91,
eerste lid, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, in welke
gevallen het woord "notaris" in artikel 2, tweede, derde,
zesde en achtste lid, telkens wordt vervangen door: persoon, als bedoeld
in artikel 91, derde lid, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
en het woord "verlijden" in artikel 2, zesde en achtste lid,
telkens wordt vervangen door: ondertekenen.
Artikel 18
Deze wet kan worden aangehaald als: Tijdelijke wet huurkoop
onroerende zaken.
Artikel 19
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 21 juni 1973
JULIANA
De Minister van Justitie,
Van Agt
Uitgegeven de vijfde juli 1973
De Minister van Justitie,
Van Agt
|