| |
|
|
|
|
vorige
TNO-WET
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- TNO-besluit 1986
WET van 19 december 1985, houdende
regeling van de Nederlandse Organisatie voor
toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat gewijzigde omstandigheden
en inzichten het wenselijk maken de Wet van 30 oktober 1930 tot regeling
van het toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (Stb. 1930,
416)
door een nieuwe wettelijke regeling te vervangen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze minister: Onze minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap, tevens belast met de coördinatie van het
wetenschapsbeleid;
b. Onze ministers wie het mede aangaat: Onze ministers van
defensie, van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en
milieubeheer, van verkeer en waterstaat, van economische zaken, van
landbouw, natuur en voedselkwaliteit, van sociale zaken en
werkgelegenheid, en van volksgezondheid, welzijn en sport;
c. de Organisatie: de Nederlandse Organisatie voor
toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO.
Artikel 2
Onze minister draagt zorg voor de samenhang en doeltreffendheid van
het door de regering met betrekking tot de Organisatie te voeren beleid.
Hij treft daartoe, in overeenstemming met Onze ministers wie het mede
aangaat, de nodige voorzieningen.
Artikel 3
1. Er is een Nederlandse Organisatie voor
toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO.
2. Zij bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Delft.
Hoofdstuk 2. Doelstelling
Artikel 4
De Organisatie heeft ten doel ertoe bij te dragen dat op toepassing
gericht technisch- en natuurwetenschappelijk onderzoek en daarmee te
verbinden sociaal-wetenschappelijk en ander op toepassing gericht
onderzoek op doelmatige wijze dienstbaar wordt gemaakt aan het algemeen
belang en de daarbinnen te onderscheiden deelbelangen.
Artikel 5
De Organisatie tracht haar doel te bereiken door:
a. het verrichten en doen verrichten van het in artikel 4
omschreven onderzoek op werkterreinen te bepalen op eigen
initiatief, dan wel na overleg met, in overeenstemming met, of in
opdracht van de rijksoverheid, de lagere overheden, ondernemingen,
andere maatschappelijke groeperingen en natuurlijke personen;
b. het toegankelijk maken en overdragen van resultaten van het in
artikel 4 omschreven onderzoek door middel van voorlichting en
advisering alsmede het begeleiden en ondersteunen van derden bij de
toepassing van dit onderzoek;
c. samenwerking met andere onderzoekinstellingen ter zake van het
in artikel 4 omschreven onderzoek en
d. het leveren van bijdragen aan de coördinatie van het in
artikel 4 omschreven onderzoek in Nederland en aan internationale
samenwerking op dit gebied;
e. het verrichten van de werkzaamheden die haar voorts worden
opgedragen bij wet of algemene maatregel van bestuur.
Hoofdstuk 3. Organen en inrichting van de organisatie
§ 1. Organen
Artikel 6
De Organisatie heeft een raad van bestuur, een raad van toezicht en
een raad voor het defensie-onderzoek.
§ 2. Raad van bestuur
Artikel 7
1. De raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en ten
hoogste vier andere leden. Het lidmaatschap van de raad van bestuur is
onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht.
2. Wij benoemen en ontslaan de voorzitter en drie van de vier
andere leden van de raad van bestuur op voordracht van Onze minister,
gedaan in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers.
Wij benoemen en ontslaan het vierde andere lid van de raad van bestuur
op voordracht van Onze minister van defensie, gedaan in overeenstemming
met Onze minister en met het gevoelen van de raad van ministers. De raad
van toezicht doet een aanbeveling voor de eerstgenoemde voordrachten,
nadat hij de raad van bestuur daarover heeft gehoord. Voor de voordracht
van Onze minister van defensie doen de raad van toezicht en de raad voor
het defensie-onderzoek een gemeenschappelijke aanbeveling, nadat zij de
raad van bestuur daarover hebben gehoord. De ondernemingsraad van de
Organisatie wordt in de gelegenheid gesteld over deze aanbevelingen
advies uit te brengen.
3. De leden van de raad van bestuur zijn, behoudens door Ons op
eigen verzoek van betrokkene, dan wel om zwaarwichtige redenen verleend
ontslag, voor onbepaalde tijd in dienst van de Organisatie. Ontslag
wordt in elk geval verleend met ingang van de eerste dag van de maand,
waarin zij de leeftijd van vijfenzestig jaren bereiken.
4. Zolang in een vacature in de raad van bestuur niet is
voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van bestuur.
Artikel 8
1. De raad van bestuur is, behoudens hetgeen ten aanzien van de
raad voor het defensie-onderzoek is bepaald, belast met het besturen
van de Organisatie.
2. Alle bevoegdheden welke niet bij of krachtens de wet aan een
ander orgaan van de Organisatie zijn opgedragen, komen toe aan de raad
van bestuur.
Artikel 9
1. De voorzitter en een ander lid van de raad van bestuur
vertegenwoordigen de Organisatie in en buiten rechte.
2. Terzake van aangelegenheden met betrekking tot de hoofdgroep
voor defensie-onderzoek geschiedt deze vertegenwoordiging door het lid
van de raad van bestuur dat is benoemd op voordracht van Onze minister
van defensie en door de voorzitter van de raad van bestuur.
3. De raad van bestuur kan bepalen dat andere personen in de
Organisatie de bevoegdheid tot vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste
lid, in zijn naam uitoefenen.
4. De raad van bestuur verstrekt aan de raad van toezicht en,
voorzover het gaat om aangelegenheden betreffende de hoofdgroep voor
defensie-onderzoek, aan de raad voor het defensie-onderzoek, tijdig de
door hen noodzakelijk geachte inlichtingen.
§ 3. Raad van Toezicht
Artikel 10
1. De raad van toezicht bestaat uit een voorzitter en zes
andere leden.
2. Wij benoemen en ontslaan de voorzitter en drie andere leden
van de raad van toezicht op voordracht van Onze minister, gedaan in
overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers en gehoord de
raad van toezicht. Voor de voordracht van één der andere leden bedoeld
in de vorige volzin wordt de ondernemingsraad van de Organisatie
uitgenodigd een aanbeveling in te dienen van twee personen, die niet in
dienst van de Organisatie zijn.
3. Wij benoemen en ontslaan drie andere leden van de raad van
toezicht op voordracht van Onze minister van economische zaken gedaan na
overleg met Onze minister, in overeenstemming met het gevoelen van de
raad van ministers en gehoord de raad van toezicht.
Artikel 11
1. De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een
tijdvak van vijf jaren, behoudens door Ons tussentijds op eigen
verzoek van betrokkene, dan wel om zwaarwichtige redenen verleend
ontslag, en zijn éénmaal voor een tijdvak van vijf jaren
herbenoembaar. Hun wordt ontslag verleend met ingang van de eerste dag
van de maand, waarin zij de leeftijd van zeventig jaren bereiken.
2. Zolang in een vacature in de raad van toezicht niet is
voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht.
Artikel 12
De leden van de raad van bestuur wonen de vergaderingen van de raad
van toezicht bij, tenzij de raad van toezicht in voorkomende gevallen
anders beslist.
Artikel 13
1. De raad van toezicht heeft tot taak toezicht te houden op
het beleid van de raad van bestuur. Hij staat de raad van bestuur met
raad terzijde. Bij de vervulling van zijn taak richt de raad zich naar
het belang van de Organisatie en neemt daarbij de doelstelling van de
Organisatie, zoals geformuleerd in artikel 4, tot zijn richtlijn.
2. De raad van toezicht stelt een reglement vast betreffende zijn
werkwijze.
Artikel 14
1. De raad van toezicht heeft een eigen secretariaat; de kosten
daarvan komen ten laste van de Organisatie.
2. De raad van toezicht kan zijn leden, ten laste van de
Organisatie, een vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming
in de kosten toekennen.
§ 4. Inrichting Organisatie
Artikel 15
1. Het bestuur van de Organisatie en hetgeen verder de
inrichting van de Organisatie betreft wordt, met inachtneming van het
daaromtrent bij of krachtens deze wet bepaalde, nader bij reglement
geregeld door de raad van bestuur, onder goedkeuring van de raad van
toezicht en, voorzover het betreft de hoofdgroep voor
defensie-onderzoek van de raad voor het defensie-onderzoek. De
goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht
of het algemeen belang.
2. Het reglement, bedoeld in het eerste lid, wordt toegezonden
aan Onze minister.
3. De Organisatie kent instituten die, met uitzondering van de
instituten van de hoofdgroep voor defensie-onderzoek, worden ingesteld
en opgeheven door de raad van bestuur, onder goedkeuring van de raad van
toezicht.
4. Er is per instituut een programma-adviesraad met adviserende
bevoegdheden. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven
over de bevoegdheden van programma-adviesraden.
§ 5. Defensie-onderzoek
Artikel 16
Er is een hoofdgroep voor defensie-onderzoek. Dit is een
organisatorische eenheid die bestaat uit door de raad voor het
defensie-onderzoek aangewezen instituten of andere onderdelen.
Artikel 17
1. De raad voor het defensie-onderzoek bestaat uit een
voorzitter en ten hoogste twaalf andere leden die door Ons, op
voordracht van Onze minister van defensie, worden benoemd en
ontslagen. Als voorzitter treedt op het lid van de raad van bestuur
bedoeld in de tweede volzin van artikel 7, tweede lid. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de
samenstelling van de raad voor het defensie-onderzoek en de
zittingstijd van zijn leden.
2. De voorzitter van de raad van bestuur heeft toegang tot de
vergaderingen van de raad voor het defensie-onderzoek.
3. Zolang in een vacature in de raad voor het defensie-onderzoek
niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad.
Artikel 18
1. De raad voor het defensie-onderzoek stelt, met inachtneming
van hetgeen ten aanzien van de raad van bestuur is bepaald, het met
betrekking tot de hoofdgroep voor defensie-onderzoek te voeren beleid
vast.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven over de taken en bevoegdheden met betrekking tot de hoofdgroep
voor defensie-onderzoek, welke met uitsluiting van de raad van bestuur
en de raad van toezicht aan de raad voor het defensie-onderzoek zijn
opgedragen.
3. De raad voor het defensie-onderzoek verstrekt Onze minister
van defensie de gevraagde inlichtingen.
4. De raad voor het defensie-onderzoek stelt een reglement vast
betreffende zijn werkwijze. De raad voor het defensie-onderzoek heeft
een eigen secretariaat; de kosten daarvan komen ten laste van de
Organisatie.
Hoofdstuk 4. Strategisch plan
Artikel 19
1. De raad van bestuur dient éénmaal per vier jaren bij Onze
minister een strategisch plan voor de Organisatie in, waarmee de raad
van toezicht heeft ingestemd. Het onderdeel van het strategisch plan
dat de hoofdgroep voor defensie-onderzoek betreft, wordt vastgesteld
door de raad voor het defensie-onderzoek en behoeft de instemming van
Onze minister van defensie. De raad van bestuur doet van het
strategisch plan afschrift toekomen aan Onze ministers wie het mede
aangaat.
2. Het strategisch plan formuleert de op middellange en lange
termijn te realiseren doelstellingen en de hoofdlijnen van het daarop te
richten beleid. Het omschrijft de gebieden, de richtingen, de aard en
het kwaliteitsniveau van de door de Organisatie te leveren prestaties,
alsmede de financiële, personele, materiële en organisatorische
voorwaarden die daartoe vervuld moeten worden.
3. Het strategisch plan houdt rekening met het door de overheid
gevoerde beleid en met het wetenschapsbudget, als bedoeld in artikel 16a
van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk
onderzoek.
4. Onze minister brengt zijn standpunt over het strategisch plan,
bepaald in overeenstemming met Onze ministers van defensie, van
economische zaken en van volksgezondheid, welzijn en sport en met het
gevoelen van de raad van ministers, binnen zes maanden na ontvangst van
het plan ter kennis van de raad van bestuur. Onze minister doet daarvan
en van het strategisch plan afschrift toekomen aan de Staten-Generaal.
Hoofdstuk 5. Geldmiddelen
Artikel 20
De Organisatie verwerft haar geldmiddelen door het aanvaarden van van
rijkswege te verstrekken subsidies, door het aanvaarden van subsidies en
bijdragen van derden, door het in rekening brengen van vergoedingen voor
in opdracht uitgevoerd onderzoek en andere werkzaamheden, door het
aanvaarden van schenkingen, van erfstellingen en legaten, en uit anderen
hoofde.
Artikel 21
1. Aan de Organisatie wordt jaarlijks van rijkswege een
subsidie verstrekt. De raad van bestuur dient hiertoe jaarlijks voor 1
april bij Onze minister een met redenen omklede aanvraag en begroting
voor het daaropvolgende jaar in. Het onderdeel van deze aanvraag dat
de hoofdgroep voor defensie-onderzoek betreft wordt vastgesteld door
de raad voor defensie-onderzoek.
2. De begroting behelst een raming van de baten en lasten van de
Organisatie en een raming van de inkomsten en uitgaven. In de begroting
is een allocatie van middelen opgenomen die in overeenstemming is met
het strategisch plan, bedoeld in artikel 19.
3. De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een
toelichting voorzien. Uit de toelichting blijkt steeds welke
begrotingsposten betrekking hebben op de uitoefening van de bij of
krachtens de wet aan de Organisatie opgedragen taken dan wel op andere
activiteiten.
4. Tenzij de activiteiten waarop de begroting betrekking heeft
nog niet eerder werden verricht, behelst de begroting een vergelijking
met de begroting van het lopende jaar en de laatste jaarrekening,
bedoeld in artikel 25. De aanvraag voor subsidie behoeft de instemming
van de raad van toezicht, met uitzondering van het onderdeel dat de
hoofdgroep voor defensie-onderzoek betreft.
5. Onze minister, in overeenstemming met Onze ministers van
defensie, economische zaken en volksgezondheid, welzijn en sport en met
het gevoelen van de raad van ministers, doet de raad van bestuur in de
jaarlijkse beschikking tot subsidieverlening mededeling van de voor het
volgende kalenderjaar ten laste van de rijksbegroting beschikbare
bedragen en de verdeling daarvan over de daarvoor in aanmerking komende
hoofdstukken van de rijksbegroting. Onze minister geeft daarbij aan
welke verplichtingen bestaan aangaande de bestemming van deze bedragen.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de subsidieverstrekking en over de bij de aanvraag over te
leggen bescheiden. De raad van bestuur zendt van de aanvraag en de
daarbij te voegen bescheiden een afschrift aan Onze ministers wie het
mede aangaat.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over de vaststelling van bedragen, bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 21a
Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of
dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten
dan wel inkomsten en uitgaven, doet de raad van bestuur daarvan terstond
mededeling aan Onze minister onder vermelding van de oorzaak van de
verschillen.
Artikel 22
Door de Organisatie kunnen financiële reserves worden gevormd,
volgens door Onze minister in overeenstemming met Onze minister van
financiën en, voorzover het betreft de hoofdgroep voor
defensie-onderzoek, ook in overeenstemming met Onze minister van
defensie te stellen regels.
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk 6. Inlichtingen, verslaglegging en controle
Artikel 24
1. De raad van toezicht
verstrekt Onze minister de door hem noodzakelijk geachte inlichtingen.
2. Het verstrekken van inlichtingen, als bedoeld in het vorige
lid, blijft achterwege voorzover het betreft in opdracht uit te voeren
dan wel uitgevoerd onderzoek, waarover door de Organisatie met een
opdrachtgever geheimhouding is overeengekomen en voorzover het betreft
gegevens die door natuurlijke of rechtspersonen vertrouwelijk aan de
Organisatie zijn meegedeeld.
Artikel 25
1. De raad van bestuur zendt jaarlijks voor 1 juli het
jaarverslag en de jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar aan
Onze minister. Het jaarverslag beschrijft de taakuitoefening en het
gevoerde beleid en geeft aan in hoeverre de doelstellingen uit het
strategisch plan, bedoeld in artikel 19, zijn verwezenlijkt. Deze
stukken behoeven de instemming van de raad van toezicht, en voor wat
betreft het onderdeel dat betrekking heeft op de hoofdgroep voor
defensie-onderzoek van de raad voor het defensie-onderzoek. De raad
van bestuur doet daarvan afschrift toekomen aan Onze ministers wie het
mede aangaat.
2. Onze minister brengt deze stukken ter kennis van de
Staten-Generaal.
Artikel 26
1. De jaarrekening, waarin rekening en verantwoording wordt
afgelegd van het financieel beheer en van de geleverde prestaties over
het verstreken boekjaar, wordt ingericht zoveel mogelijk met
overeenkomstige toepassing van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek.
2. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een door de raad van toezicht aangewezen
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt de raad
van toezicht dat aan Onze minister desgevraagd inzicht wordt geboden in
de controlewerkzaamheden van de accountant.
3. De verklaring, bedoeld in het tweede lid, heeft mede
betrekking op de rechtmatige inning en besteding van de middelen door de
Organisatie.
4. De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede
lid, tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer
en de inrichting van de werkzaamheden van de Organisatie voldoen aan
eisen van doelmatigheid.
5. Indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij
of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de
subsidie, bedoeld in artikel 21, eerste lid, is verleend, niet
behoorlijk zijn uitgevoerd of de subsidie ondoelmatig is aangewend, kan
Onze minister bepalen dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering
worden gebracht op de subsidie. Hij maakt dit binnen een jaar na de
ontvangst van de jaarrekening bekend aan de raad van toezicht.
6. Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde accountant is
artikel 24, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26a
Bij ministeriële regeling kunnen, de raad van bestuur gehoord,
nadere voorschriften worden vastgesteld voor de inrichting van de
begroting, het jaarverslag en de jaarrekening.
Hoofdstuk 7. Goedkeuring, schorsing, vernietiging en
taakverwaarlozingsregeling
Artikel 27
1. De raad van toezicht neemt een besluit omtrent de
goedkeuring als bedoeld in de artikelen 15, eerste lid, 34 en 35, dan
wel een beslissing omtrent de instemming als bedoeld in de artikelen
19, eerste lid, 21, vierde lid, en 25, eerste lid, binnen drie maanden
na de dag waarop de stukken die goedkeuring dan wel instemming
behoeven, hem zijn aangeboden.
2. De raad voor het defensie-onderzoek neemt een besluit omtrent
de goedkeuring als bedoeld in artikel 15, eerste lid, dan wel een
beslissing omtrent de instemming als bedoeld in artikel 25, eerste lid,
binnen drie maanden na de dag waarop de stukken die goedkeuring dan wel
instemming behoeven, hem zijn aangeboden.
3. De raad van toezicht, onderscheidenlijk de raad voor het
defensie-onderzoek, wordt geacht goedkeuring dan wel instemming te
hebben verleend, indien hij binnen de in de vorige leden gestelde
termijn van drie maanden geen besluit aan de raad van bestuur heeft
gezonden.
Artikel 28
1. De besluiten van de raad van toezicht, bedoeld in de
artikelen 13, tweede lid, 14, tweede lid, 15, eerste lid, en 34,
alsmede de besluiten van de raad voor defensie-onderzoek, bedoeld in
de artikelen 15, eerste lid, en 18, vierde lid, kunnen bij koninklijk
besluit worden vernietigd.
2. Het koninklijk besluit tot vernietiging wordt in het Staatsblad
geplaatst.
Artikel 29
1. Indien de raad van bestuur naar het oordeel van Onze
minister zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze minister de
noodzakelijke voorzieningen treffen.
2. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd,
niet eerder getroffen dan nadat de raad van bestuur in de gelegenheid is
gesteld om binnen een door Onze minister te stellen termijn alsnog zijn
taak naar behoren uit te voeren.
3. Onze minister stelt de beide Kamers der Staten-Generaal
onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 30 [Vervallen per 11-05-2001]
Artikel 31 [Vervallen per 11-05-2001]
Hoofdstuk 8. Overige onderwerpen
Artikel 32
De Organisatie wordt beheerd als een administratieve eenheid, zoveel
doenlijk met inachtneming van bedrijfseconomische beginselen.
Artikel 33
1. Onze minister beslist op verzoek van de meest gerede partij
bij geschillen tussen de raad van bestuur en de raad van toezicht
omtrent de bij of krachtens de wet aan deze raden verleende
bevoegdheden.
2. Onze minister, handelend in overeenstemming met Onze minister
van defensie, beslist op verzoek van de meest gerede partij bij
geschillen tussen de raad van bestuur en de raad voor het
defensie-onderzoek omtrent de bij of krachtens de wet aan deze raden
verleende bevoegdheden.
Artikel 34
Besluiten van de raad van bestuur tot het oprichten en ontbinden
alsmede het besturen van en deelnemen in andere rechtspersonen behoeven
de goedkeuring van de raad van toezicht. De goedkeuring kan slechts
worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Artikel 35
De door de raad van bestuur vast te stellen regeling van de
arbeidsvoorwaarden van de werknemers van de Organisatie behoeft de
goedkeuring van de raad van toezicht. De goedkeuring kan slechts worden
onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk 9. Nadere regels
Artikel 37
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gegeven terzake van in deze wet geregelde onderwerpen, voorzover in de
wet niet anders is bepaald.
Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 38
Het strategisch plan, bedoeld in artikel 19, wordt door de raad van
bestuur voor de eerste maal bij Onze minister ingediend voor 1 april
1987.
Artikel 39
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 40
1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gaan alle
rechten en verplichtingen van de Nederlandsche Centrale Organisatie
voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek, bedoeld in de Wet van
30 oktober 1930 (Stb. 416) over op de Organisatie, bedoeld in
deze wet, zonder dat daarvoor een nadere akte wordt gevorderd.
2. Wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij de
Nederlandsche Centrale Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk
onderzoek partij is, worden voortgezet ten name van de Organisatie.
3. Ten aanzien van de in de vorige leden begrepen onroerende
zaken zal verandering in de tenaamstelling in de kadastrale legger
plaatshebben. De raad van bestuur doet de daartoe nodige opgave aan de
desbetreffende hypotheekbewaarder.
4. Terzake van verkrijgingen, bedoeld in dit artikel, is de Wet
op belastingen van rechtsverkeer (Stb. 1970, 611) niet van
toepassing.
Artikel 41
De voorzitter en de andere leden van het dagelijks bestuur, bedoeld
in het TNO-besluit 1980, worden op het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet voorzitter en leden van de raad van bestuur.
Artikel 42
Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet worden al degenen,
die in dienst zijn van de Nederlandsche Centrale Organisatie voor
toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek, bedoeld in de wet van 30
oktober 1930, geacht in dienst te zijn van de Organisatie, bedoeld in
deze wet, tenzij zij binnen twee maanden na dat tijdstip te kennen geven
dit niet te wensen.
Artikel 43
Het verslag, bedoeld in artikel 12 van de Wet van 30 oktober 1930 (Stb.
416), wordt voor het laatst uitgebracht over het kalenderjaar,
voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 44
De Wet van 30 oktober 1930 tot regeling van het toegepast
natuurwetenschappelijk onderzoek (Stb. 416) wordt ingetrokken.
Artikel 45
1. Deze wet kan worden aangehaald als: TNO-wet.
2. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren,
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 19 december 1985
BEATRIX
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
W.J. Deetman
Uitgegeven de zevenentwintigste februari 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|