Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 23 juli 1957, houdende egalisatie
en aanpassing van Indonesische pensioenen en daarmede in aard
overeenkomende uitkeringen
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is door het
toekennen van toeslagen de Indonesische pensioenen en daarmede in aard
overeenkomende uitkeringen ten laste van Nederland te egaliseren en,
mede door het treffen van een nadere regeling met betrekking tot het
verlenen van kindertoelage, aan te passen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet worden buiten
werking gesteld:
a. de wet van 21 december 1951 (Stb. 590), houdende
toekenning ten laste van het Rijk van een tijdelijke bijslag op
bepaalde Indonesische pensioenen, zoals deze is gewijzigd bij de wet
van 15 augustus 1955 (Stb. 400);
b. de wet van 23 april 1952 (Stb. 218), houdende
toekenning ten laste van het Rijk van een tijdelijke bijslag op
bepaalde Indonesische weduwenpensioenen en wezenonderstanden, zoals
deze is gewijzigd bij de wet van 15 augustus 1955 (Stb. 400);
c. de Toeslagwet-1954 Indonesische uitkeringen (Stb. 1955,
401), ten aanzien van uitkeringen, welke voor een aanpassingstoeslag
krachtens deze wet in aanmerking komen.
Artikel 2
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. "Garantiewetten":
de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië en de
Garantiewet Militairen K.N.I.L.;
b. "overheidsdienaren":
1. vóór de soevereiniteitsoverdracht in dienst getreden:
burgerlijke of militaire landsdienaren van Nederlandsch-Indië
(Indonesië), ambtenaren van de zelfstandige gemeenschappen,
ingesteld op de voet van de artikelen 119, 121 of 123 der Indische
Staatsregeling, van de waterschappen, bedoeld in artikel 186 van die
staatsregeling, en van de zelfbesturende landschappen in Indonesië,
pensioengerechtigde leerkrachten bij het gesubsidieerd onderwijs in
Indonesië, ambtenaren van het Beheerskantoor in Indonesië van de
voormalige Indische Pensioenfondsen en personeel bij de Lands
Landbouwbedrijven in Indonesië, allen met uitzondering van hen, die
de Indonesische nationaliteit bezitten;
2. dienst- en reserveplichtigen van het voormalige Koninklijk
Nederlands Indisch Leger, aan wie of aan wier nagelaten betrekkingen
op grond van de vóór 8 december 1941 gegolden hebbende
voorschriften een pensioen is toegekend tengevolge van in en door de
dienst bekomen letsel, met uitzondering van hen, die de Indonesische
nationaliteit bezitten;
3. personen, aan wie krachtens de Garantiewetten garanties zijn
of zullen zijn verleend;
c. "pensioenen", "weduwenpensioenen"
onderscheidenlijk "wezenonderstanden":
door gewezen overheidsdienaren, hun weduwen onderscheidenlijk hun
wezen genoten pensioenen, onderstanden en daarmede in aard
overeenkomende, onder welke benaming ook verleende periodieke
uitkeringen - met uitzondering van die, toegekend krachtens of op de
voet van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (Ind. Stb. 1946,
48), zoals deze sedert is gewijzigd, dan wel van de Pensioenwet 1922,
de Algemene burgerlijke pensioenwet of een overeenkomst als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP die van toepassing
is op overheidswerknemers die werkzaam zijn in de sector Rijk -, welke
geheel of gedeeltelijk ten laste van de Republiek Indonesië dan wel
ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de
verplichting tot betaling ten laste van Nederland of van een door
Nederland ingesteld orgaan komen, daaronder begrepen de duurtetoeslag
bedoeld in de bij het besluit van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van
Nederlandsch-Indië van 2 oktober 1946, no. 12 goedgekeurde, bij de
beschikking van de Gecommitteerde voor Indonesische Zaken bij het
Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen van 15 juli 1946, Afd. A., no.
47, vastgestelde Duurtetoeslag- en Kindertoelageregeling, zoals deze
is gewijzigd, laatstelijk bij beschikking van de Fungerend
Gedelegeerde van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië van
20 januari 1950, Afd. HAPZ, no. 77, met dien verstande, dat, indien
bij de vaststelling van de in laatstgenoemde beschikking geregelde
duurtetoeslag de mede in die beschikking genoemde kindertoelage in
aanmerking is gebracht, deze op die duurtetoeslag in mindering dient
te worden gebracht;
d. "overige uitkeringen":
1. de pensioenuitkeringen, toegekend aan de gewezen
Gouverneurs-Generaal en Hoge Vertegenwoordigers van de Kroon in
Indonesië;
2. de toelagen, verleend aan Vlagofficieren der Koninklijke
Marine, die de functie van Hoofd van het Departement der Marine in
Indonesië hebben bekleed;
3. de pensioenuitkeringen, toekomende op grond van artikel 33,
onder 2, van de Regeling voor het Reservepersoneel van het Leger in
Nederlandsch-Indië (Ind. Stb. 1923, 518), zoals deze sedert
is gewijzigd;
e. "Nederlandse pensioenen":
pensioenuitkeringen, welke voor de berekening van het totaal der
pensioenen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, dan wel artikel 98,
eerste lid, van de Pensioenwet 1922 (Stb. 240), in beschouwing
worden genomen dan wel, met betrekking tot na het tijdstip van
inwerkingtreding van de Algemene burgerlijke pensioenwet gelegen
perioden, pensioenuitkeringen als bedoeld in artikel A 2 en artikel J
14, lid 5 , van die wet, alsmede pensioenuitkeringen op grond van een
overeenkomst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet
privatisering ABP die van toepassing is op overheidswerknemers die
werkzaam zijn in de sector Rijk,
2. Naar de in artikel 32 gemaakte onderscheiding is Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderscheidenlijk Onze
Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd andere periodieke uitkeringen
dan die, omschreven in het eerste lid, onder c of d, voor
de toepassing van deze wet gelijk te stellen met pensioenen,
weduwenpensioenen of wezenonderstanden dan wel met overige uitkeringen.
3. Tenzij anders blijkt, worden voor de toepassing van deze wet
pensioenen, weduwenpensioenen, wezenonderstanden en overige uitkeringen
geacht in euro's te luiden.
Artikel 2a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2002]
Hoofdstuk I-A. Vervallen
Artikel 3a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 3b [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 3c [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 3d [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 3e [Vervallen per 01-01-2002]
Hoofdstuk II. Vervallen
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2002]
Hoofdstuk III. Vervallen
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2002]
Hoofdstuk IV. Vervallen
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2002]
Hoofdstuk V. Vervallen
Artikel 30 [Vervallen per 01-01-2002]
Hoofdstuk V-A. Vervallen
Artikel 30a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 30b [Vervallen per 24-08-2001]
Artikel 30c [Vervallen per 24-08-2001]
Artikel 30d [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 30e [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 30f [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 30g [Vervallen per 01-01-2002]
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 31
1. Indien een persoon, die recht heeft op
pensioen, weduwenpensioen, wezenonderstand of overige uitkering
ingevolge het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6 en 13 van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de
kosten van zorg, is het orgaan, dat belast is met de uitbetaling van het
pensioen, het weduwenpensioen, de wezenonderstand of de overige
uitkering en toeslagen krachtens deze wet, bevoegd het pensioen, het
weduwenpensioen, de wezenonderstand, de overige uitkering en de
toeslagen tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in plaats van aan
die persoon zonder diens machtiging uit te betalen aan het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet.
2. Het in het voorgaande lid bepaalde is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van uitbetaling van pensioenen als bedoeld in de
Bijzondere Ongevallenregeling Dienst- en Reserveplichtigen (Ind. Stb.
1947, 154) en daarop verleende toeslagen.
Artikel 32
1. In de gevallen, waarin deze wet niet of niet naar
billijkheid voorziet en welke betrekking hebben op weduwenpensioenen
en wezenonderstanden, is Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties bevoegd in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën voorzieningen te treffen.
2. In alle overige gevallen, waarin deze wet niet of niet naar
billijkheid voorziet, is Onze Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën voorzieningen te
treffen.
Artikel 33
1. De kosten van deze wet komen ten laste van Hoofdstuk VII der
Rijksbegroting.
2. Onze Ministers van Buitenlandse Zaken en van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties wijzen de organen aan, welke de toeslagen
en toelagen verlenen en/of uitbetalen.
Artikel 34
Deze wet kan worden aangehaald als: Toeslagwet Indonesische
pensioenen 1956.
Artikel 35
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 23 juli 1957.
JULIANA
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. Luns
De Minister van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en
Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie,
Struycken
De Minister van Financiën,
Hofstra
Uitgegeven de negende augustus 1957
De Minister van Justitie a.i.,
Struycken
|