St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

TRAC…WET

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 16 september 1993, houdende regels voor de besluitvorming met betrekking tot de aanleg of wijziging van hoofdwegen, van landelijke railwegen en van hoofdvaarwegen

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter verzekering van doelmatige procedures voor de totstandkoming en van de tijdige tenuitvoerlegging van besluiten met betrekking tot de aanleg of wijziging van hoofdwegen, van landelijke railwegen en van hoofdvaarwegen wenselijk is regels te stellen voor de voorbereiding, vaststelling en tenuitvoerlegging van zodanige besluiten, deze regels te doen aansluiten bij het bepaalde bij en krachtens de Wet milieubeheer (Stb. 1992, 551) inzake het milieu-effectrapport zomede de coŲrdinatie bij de toepassing van die regels met de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1985, 626) te verzekeren;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen

 

Artikel 1

1. In deze wet wordt verstaan onder:

geluidproductieplafond: geluidproductieplafond als bedoeld in artikel 11.1 van de Wet milieubeheer;

hoofdvaarweg: een vaarweg van nationaal belang;

hoofdweg: een auto- of autosnelweg van nationaal belang;

landelijke spoorweg: een spoorweg van nationaal belang;

Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

referentiepunt: referentiepunt als bedoeld in artikel 11.19 van de Wet milieubeheer;

startbeslissing: de beslissing, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

2. Ontheffingen, dispensaties, afwijkingen en soortgelijke beschikkingen worden voor de toepassing van deze wet als vergunning aangemerkt.

3. In deze wet wordt onder aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg mede verstaan de aanleg of wijziging van een deel van die hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg.

 

Hoofdstuk II. Startbeslissing en verkenning

 

Artikel 2

1. De beslissing om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaand of toekomstig probleem op of door het ontbreken van een hoofdweg, een landelijke spoorweg of een hoofdvaarweg wordt genomen door Onze Minister.

2. Bij de voorbereiding van de startbeslissing betrekt Onze Minister de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg.

3. De startbeslissing bevat ten minste:

a. een omschrijving van het gebied waarop de verkenning is gericht;

b. een beschrijving van de aard van het te verkennen probleem en die van de ruimtelijk relevante ontwikkelingen in het gebied;

c. de wijze waarop burgers, maatschappelijke organisaties, betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg worden betrokken bij de verkenning;

d. de termijn waarbinnen en de wijze waarop de verkenning zal worden uitgevoerd.

4. De startbeslissing kan tevens inhouden dat ter voorbereiding van de besluitvorming op grond van hoofdstuk III een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt vastgesteld. Een structuurvisie wordt in ieder geval vastgesteld indien Onze Minister voornemens is ter oplossing van het eerste lid bedoelde probleem de aanleg van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg of de wijziging van een hoofdweg of een landelijke spoorweg met meer dan twee rijstroken onderscheidenlijk meer dan twee doorgaande sporen in overweging te nemen.

5. Onze Minister geeft kennis van de startbeslissing door middel van plaatsing in de Staatscourant. Volstaan kan worden met de vermelding van de zakelijke inhoud.

6. Onze Minister zendt de startbeslissing tevens aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg.

 

Artikel 3

Bij de verkenning vergaart Onze Minister de nodige kennis en inzichten omtrent de aard van het probleem, bedoeld in artikel 2, eerste lid, de relevante ruimtelijke ontwikkelingen en mogelijke oplossingen voor dat probleem.

 

Artikel 4

1. De structuurvisie, bedoeld in artikel 2, vierde lid, bevat:

a. de resultaten van de uitgevoerde verkenning;

b. een verantwoording over de wijze waarop burgers, maatschappelijke organisaties, betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg zijn betrokken bij de verkenning en de resultaten daarvan;

c. de voorkeur van Onze Minister voor de oplossing van het in artikel 2, eerste lid, bedoelde probleem en de motivering van die voorkeur.

2. In de structuurvisie kan worden aangegeven dat vanwege de samenhang met andere te verwezenlijken ruimtelijke ontwikkelingen voor de verdere besluitvorming over de activiteit, bedoeld in artikel 8, toepassing wordt gegeven aan afdeling 3.1 of 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening en hoofdstuk III dientengevolge buiten toepassing blijft.

3. Artikel 2.3, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is niet van toepassing.

 

Artikel 5

1. De voorkeur, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, kan inhouden:

a. de aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg;

b. een oplossing zonder aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg;

c. een combinatie van a of b met de realisering van andere ruimtelijke projecten;

d. dat er geen oplossing wordt uitgewerkt.

2. Indien de voorkeur, bedoeld in eerste lid, geheel of mede uitgaat naar onderdeel a van dat lid, bevat de structuurvisie tevens:

a. een globale beschrijving van de te treffen maatregelen en van de noodzakelijke maatregelen en voorzieningen als bedoeld in artikel 10;

b. een beschrijving van de verwezenlijking van de voorgenomen activiteit in relatie tot de ruimtelijke ontwikkelingen;

c. een raming van de kosten en een onderbouwing van de financiŽle uitvoerbaarheid.

 

Artikel 6

1. Onze Minister geeft kennis van het ontwerp van de structuurvisie met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Hij zendt het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg.

2. De artikelen 3:11, 3:14, 3:15, eerste lid, 3:16 en 3:17 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.

 

Artikel 7

1. Onze Minister geeft kennis van de structuurvisie door middel van plaatsing in de Staatscourant. Volstaan kan worden met de vermelding van de zakelijke inhoud.

2. Onze Minister zendt de structuurvisie toe aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, aan de beheerder van de landelijke spoorweg.

3. Artikel 2.3, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is te verkrijgen op www.123recht.nl



 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x