Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 16 september 1993, houdende
regels voor de besluitvorming met betrekking tot de aanleg of wijziging
van hoofdwegen, van landelijke railwegen en van hoofdvaarwegen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter verzekering van
doelmatige procedures voor de totstandkoming en van de tijdige
tenuitvoerlegging van besluiten met betrekking tot de aanleg of
wijziging van hoofdwegen, van landelijke railwegen en van hoofdvaarwegen
wenselijk is regels te stellen voor de voorbereiding, vaststelling en
tenuitvoerlegging van zodanige besluiten, deze regels te doen aansluiten
bij het bepaalde bij en krachtens de Wet milieubeheer (Stb. 1992,
551) inzake het milieu-effectrapport zomede de coördinatie bij de
toepassing van die regels met de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening (Stb. 1985, 626) te verzekeren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
hoofdvaarweg: een vaarweg van nationaal belang;
hoofdweg: een auto- of autosnelweg van nationaal belang;
landelijke spoorweg: een spoorweg van nationaal belang;
Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
startbeslissing: de beslissing, bedoeld in artikel 2, eerste
lid.
2. Ontheffingen, dispensaties, afwijkingen en soortgelijke
beschikkingen worden voor de toepassing van deze wet als vergunning
aangemerkt.
3. In deze wet wordt onder aanleg of wijziging van een hoofdweg,
landelijke spoorweg of hoofdvaarweg mede verstaan de aanleg of
wijziging van een deel van die hoofdweg, landelijke spoorweg of
hoofdvaarweg.
Hoofdstuk II. Startbeslissing en verkenning
Artikel 2
1. De beslissing om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk
bestaand of toekomstig probleem op of door het ontbreken van een
hoofdweg, een landelijke spoorweg of een hoofdvaarweg wordt genomen
door Onze Minister.
2. Bij de voorbereiding van de startbeslissing betrekt Onze
Minister de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing,
de beheerder van de landelijke spoorweg.
3. De startbeslissing bevat ten minste:
a. een omschrijving van het gebied waarop de verkenning is
gericht;
b. een beschrijving van de aard van het te verkennen probleem
en die van de ruimtelijk relevante ontwikkelingen in het gebied;
c. de wijze waarop burgers, maatschappelijke organisaties,
betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de
beheerder van de landelijke spoorweg worden betrokken bij de
verkenning;
d. de termijn waarbinnen en de wijze waarop de verkenning zal
worden uitgevoerd.
4. De startbeslissing kan tevens inhouden dat ter voorbereiding van
de besluitvorming op grond van hoofdstuk III een structuurvisie als
bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening
wordt vastgesteld. Een structuurvisie wordt in ieder geval vastgesteld
indien Onze Minister voornemens is ter oplossing van het eerste lid
bedoelde probleem de aanleg van een hoofdweg, landelijke spoorweg of
hoofdvaarweg of de wijziging van een hoofdweg of een landelijke
spoorweg met meer dan twee rijstroken onderscheidenlijk meer dan twee
doorgaande sporen in overweging te nemen.
5. Onze Minister geeft kennis van de startbeslissing door middel
van plaatsing in de Staatscourant. Volstaan kan worden met de
vermelding van de zakelijke inhoud.
6. Onze Minister zendt de startbeslissing tevens aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal, de betrokken bestuursorganen en, voor zover
van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg.
Artikel 3
Bij de verkenning vergaart Onze Minister de nodige kennis en
inzichten omtrent de aard van het probleem, bedoeld inartikel 2, eerste
lid, de relevante ruimtelijke ontwikkelingen en mogelijke oplossingen
voor dat probleem.
Artikel 4
1. De structuurvisie, bedoeld in artikel 2, vierde lid, bevat:
a. de resultaten van de uitgevoerde verkenning;
b. een verantwoording over de wijze waarop burgers,
maatschappelijke organisaties, betrokken bestuursorganen en, voor
zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg zijn
betrokken bij de verkenning en de resultaten daarvan;
c. de voorkeur van Onze Minister voor de oplossing van het in
artikel 2, eerste lid, bedoelde probleem en de motivering van die
voorkeur.
2. In de structuurvisie kan worden aangegeven dat vanwege de
samenhang met andere te verwezenlijken ruimtelijke ontwikkelingen voor
de verdere besluitvorming over de activiteit, bedoeld in artikel 8,
toepassing wordt gegeven aan afdeling 3.1 of 3.5 van de Wet
ruimtelijke ordening en hoofdstuk III dientengevolge buiten toepassing
blijft.
3. Artikel 2.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is niet
van toepassing.
Artikel 5
1. De voorkeur, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, kan
inhouden:
a. de aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg
of hoofdvaarweg;
b. een oplossing zonder aanleg of wijziging van een hoofdweg,
landelijke spoorweg of hoofdvaarweg;
c. een combinatie van a of b met de realisering van andere
ruimtelijke projecten;
d. dat er geen oplossing wordt uitgewerkt.
2. Indien de voorkeur, bedoeld in eerste lid, geheel of mede
uitgaat naar onderdeel a van dat lid, bevat de structuurvisie tevens:
a. een globale beschrijving van de te treffen maatregelen en
van de noodzakelijke maatregelen en voorzieningen als bedoeld in
artikel 10;
b. een beschrijving van de verwezenlijking van de voorgenomen
activiteit in relatie tot de ruimtelijke ontwikkelingen;
c. een raming van de kosten en een onderbouwing van de
financiële uitvoerbaarheid.
Artikel 6
1. Onze Minister geeft kennis van het ontwerp van de structuurvisie
met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12 van de Algemene wet
bestuursrecht. Hij zendt het ontwerp aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal, de betrokken bestuursorganen en, voor zover van
toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg.
2. De artikelen 3:11, 3:14, 3:15, eerste lid, 3:16 en 3:17 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door
een ieder.
Artikel 7
1. Onze Minister geeft kennis van de structuurvisie door middel van
plaatsing in de Staatscourant. Volstaan kan worden met de vermelding
van de zakelijke inhoud.
2. Onze Minister zendt de structuurvisie toe aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal, aan de betrokken bestuursorganen en, voor zover
van toepassing, aan de beheerder van de landelijke spoorweg.
3. Artikel 2.3, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is niet
van toepassing.
Hoofdstuk III. Tracébesluit
Paragraaf 3.1. Algemene bepalingen
Artikel 8
Dit hoofdstuk is, tenzij toepassing is gegeven aanartikel 4, tweede
lid, van toepassing op:
a. de aanleg van een hoofdweg, landelijke spoorweg of
hoofdvaarweg;
b. een wijziging van een hoofdweg, die bestaat uit:
1°. de ombouw van een weg tot autosnelweg; of
2°. de uitbreiding van een weg met één of meer rijstroken,
indien het uit te breiden weggedeelte twee knooppunten of
aansluitingen met elkaar verbindt;
c. een wijziging van een landelijke spoorweg waarmee Onze
Minister de bruikbaarheid van die spoorweg beoogt te verbeteren, en
die bestaat uit:
1°. een uitbreiding van die spoorweg met één of meer
sporen, indien het uit te breiden spoorweggedeelte twee
aansluitingen met elkaar verbindt;
2°. de aanleg van spoorwegbouwkundige bouwwerken;
3°. de aanleg van een verbindingsboog; of
4°. een geheel van onderling samenhangende maatregelen ten
aanzien van die spoorweg;
d. het opnieuw in gebruik nemen van een reeds aangelegde
landelijke spoorweg voor zover het gaat om een lengte van vijf
kilometer of meer;
e. een wijziging van de hoofdvaarweg, die bestaat uit een
vergroting of verdieping waardoor het ruimteoppervlak van de
hoofdvaarweg met ten minste twintig procent toeneemt dan wel de
hoofdvaarweg blijvend wordt verdiept waarbij meer dan vijf miljoen
kubieke meter grond wordt verzet.
Artikel 9
1. Het tracébesluit wordt uiterlijk twee jaar nadat de
structuurvisie is toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
vastgesteld door Onze Minister. Indien geen toepassing is gegeven aan
artikel 2, vierde lid, wordt het tracébesluit vastgesteld uiterlijk
twee jaar nadat de startbeslissing is toegezonden aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal.
2. Indien krachtens artikel 13, zevende lid, toepassing wordt
gegeven aan artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 of
toepassing wordt gegeven aan artikel 13, achtste lid, wordt het
tracébesluit vastgesteld mede in overeenstemming met Onze Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Indien niet binnen drie
weken na het daartoe strekkende verzoek van Onze Minister
overeenstemming is bereikt tussen Onze Minister en Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit legt Onze Minister dit voor aan
Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken.
3. Indien de voorkeur, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel
c, een keuze voorartikel 5, eerste lid, onderdeel c, inhoudt,
bevordert Onze Minister de vaststelling van de voor de verwezenlijking
van die voorkeur noodzakelijke ruimtelijke plannen.
Artikel 10
1. Het tracébesluit bevat ten minste:
a. een beschrijving van de te treffen maatregelen, de inpassing
van die maatregelen en de te realiseren ligging in het terrein;
b. een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op
het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige
gevolgen van de uitvoering van het werk, voor zover die
voorzieningen rechtstreeks verband houden met de uitvoering van
het werk;
c. een beschrijving van de te treffen voorzieningen die dienen
voor de instandhouding dan wel het veilig en doelmatig gebruik van
een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg;
d. een beschrijving van de tijdelijke maatregelen en de
tijdelijk te treffen voorzieningen die nodig zijn voor de
verwezenlijking van de voorgenomen aanleg of wijziging van een
hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg;
e. de aanduiding op een of meer topografische of geografische
kaarten van het verloop en de geografische omvang van het werk,
waarbij gebruik wordt gemaakt van een of meer detailkaarten met
een schaal van ten minste 1:2500 en van een of meer
overzichtskaarten;
f. de termijn waarbinnen Onze Minister de gevolgen van de
ingebruikneming van de aan te leggen of te wijzigen hoofdweg,
landelijke spoorweg of hoofdvaarweg onderzoekt en een opgave van
de daarbij te onderzoeken milieuaspecten.
2. Het tracébesluit inzake de aanleg of wijziging van een hoofdweg
bevat, voor zover van toepassing, voorts:
a. een beschrijving van het aantal te realiseren rijstroken;
b. de in acht te nemen grenswaarden voor geluidhinder en de
aanduiding van de maatregelen, gericht op het terugbrengen van de
verwachte geluidsbelasting van de gevel van woningen of andere
geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van
geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder;
c. de beslissing tot vaststelling van hogere waarden voor de
ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in de zone ingevolge de
artikelen 87e tot en met 87i van die wet; en
d. de wijze waarop rekening is gehouden met de risicoanalyse,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet aanvullende regels
veiligheid wegtunnels.
3. Het tracébesluit inzake de aanleg of wijziging van een
landelijke spoorweg bevat, voor zover van toepassing, voorts:
a. een beschrijving van het aantal te realiseren sporen;
b. de in acht te nemen grenswaarden voor geluidhinder en de
aanduiding van de maatregelen, gericht op het terugbrengen van de
verwachte geluidsbelasting van de gevel van woningen of andere
geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van
geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder, met
betrekking tot de aanleg of wijziging van de landelijke spoorweg,
alsmede de aansluitende landelijke spoorweg waarop ten gevolge van
de aanleg of wijziging sprake is van een aanpassing in de zin van
artikel 106, eerste lid, onderdeel l, van die wet; en
c. de beslissing tot vaststelling van hogere waarden voor de
ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in de zone ingevolge de
artikelen 106d tot en met 106h van die wet.
4 . Bij het tracébesluit wordt aangegeven op welke wijze burgers
en maatschappelijke organisaties betrokken zijn. Indien geen
structuurvisie is vastgesteld, wordt bij het tracébesluit aangegeven
wat de resultaten van de verkenning, bedoeld in artikel 3, zijn en
verantwoording afgelegd over de wijze waarop burgers, maatschappelijke
organisaties, betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing,
de beheerder van de landelijke spoorweg zijn betrokken bij die
verkenning en de resultaten daarvan.
Artikel 11
1. Op de voorbereiding van het tracébesluit is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat
zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.
2. Bij de voorbereiding van het tracébesluit betrekt Onze Minister
de betrokken bestuursorganen van gemeenten, provincies en
waterschappen.
3. Onze Minister zendt het ontwerp-tracébesluit aan:
a. de betrokken bestuursorganen;
b. de beheerder van de spoorweg, indien het betrekking heeft op
een landelijke spoorweg.
4. Indien het ontwerp-besluit hogere waarden bevat voor de ten
hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen
87e tot en met 87i of 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder,
zendt Onze Minister het ontwerp-besluit tevens toe aan:
a. de gebruikers van de woningen of de woonwagenstandplaatsen,
het bevoegd gezag van scholen en de directies van ziekenhuizen,
verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen waarvoor een
hogere waarde wordt bepaald;
b. de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, indien het
betrekking heeft op scholen.
5. In afwijking van het vierde lid, aanhef en onderdeel a, kan Onze
Minister, indien de omvang van het ontwerp-tracébesluit daartoe
aanleiding geeft, volstaan met een ieder van de in het vierde lid,
onderdeel a, bedoelde personen de strekking van het
ontwerp-tracébesluit mee te delen en de onderdelen van het
ontwerp-tracébesluit die voor de betrokkene redelijkerwijs van belang
zijn, toe te zenden.
Artikel 12
1. Bij de vaststelling van het tracébesluit wordt gebruik gemaakt
van:
a. de verkeersgegevens en de daarop gebaseerde onderzoeken,
b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet
milieubeheer bekendgemaakte gegevens en de daarop gebaseerde
onderzoeken, en
c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora
en fauna en de daarop gebaseerde onderzoeken,
die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-tracébesluit, met
dien verstande dat indien de rapporten waarin die gegevens,
onderzoeken en inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de
vaststelling van het tracébesluit ouder zijn dan twee jaar, het
tracébesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten
bevat.
2. Onze Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van de
methoden en uitgangspunten voor de beoordeling van effecten van een
project tot aanleg of wijziging van een hoofdweg, een landelijke
spoorweg of een hoofdvaarweg.
Artikel 13
1. Voor het gebied dat is begrepen in een tracébesluit geldt het
tracébesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van
de Wet ruimtelijke ordening. Voor de bij het tracébesluit behorende
zone, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder
onderscheidenlijk de zone, bedoeld in artikel 106b van die wet, geldt
dat tracébesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7
van de Wet ruimtelijke ordening, met dien verstande dat dit slechts
geldt met betrekking tot geprojecteerde woningen en andere
geprojecteerde geluidsgevoelige objecten ten aanzien waarvan de
geluidsbelasting vanwege de hoofdinfrastructuur of vanwege binnen de
zone van die hoofdinfrastructuur gelegen wegen of spoorwegen de
waarden die ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i en 106d tot en
met 106h van de Wet geluidhinder als ten hoogst toelaatbare waarden
worden aangemerkt, te boven zal gaan. Voor zover het tracébesluit
geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 3.7, vijfde en zesde lid,
van de Wet ruimtelijke ordening niet van toepassing. Het tracébesluit
geldt niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor het in de eerste
volzin bedoelde gebied en de in de tweede volzin bedoelde zone een
bestemmingsplan in overeenstemming met het tracébesluit van kracht is
geworden.
2. Onder een geprojecteerde woning of een ander geprojecteerd
geluidsgevoelig object als bedoeld in de tweede volzin van het eerste
lid wordt verstaan een nog niet aanwezige woning of ander
geluidsgevoelig object waarvoor het geldende bestemmingsplan verlening
van de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht toelaat, maar deze nog niet is afgegeven.
3. Artikel 3.3, eerste tot en met derde lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing op aanvragen om een
omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onderdeel a, van die wet ter uitvoering van het
tracébesluit.
4. Voor zover het tracébesluit en het bestemmingsplan of de
beheersverordening niet met elkaar in overeenstemming zijn, geldt het
tracébesluit als omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van een
project van nationaal belang met toepassing van artikel 2.12, eerste
lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt
afgeweken. Bij die toepassing van artikel 2.10 van die wet wordt onder
het bestemmingsplan of beheersverordening mede het tracébesluit
begrepen.
5. Voor zover een bestemmingsplan, een beheersverordening of een
ander besluit voor de uitvoering van werken of werkzaamheden een
omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht vereist, geldt zodanige eis niet voor de uitvoering van
werken of werkzaamheden ter uitvoering van het tracébesluit in het
gebied dat is begrepen in een tracébesluit.
6. Indien ter uitvoering van het tracébesluit handelingen worden
verricht waarvoor krachtens artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994
een verkeersbesluit is vereist, is dat artikel niet van toepassing.
7. De artikelen 19d en 19kc van de Natuurbeschermingswet 1998 zijn
niet van toepassing op handelingen waarop het tracébesluit betrekking
heeft. Indien die handelingen de kwaliteit van de natuurlijke habitats
en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in
die wet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect
kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelet
op de instandhoudingsdoelstelling voor dat gebied, zijn de artikelen
19j, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, en 19kd van die wet en
het krachtens artikel 19kb, eerste lid, van die wet bepaalde, van
overeenkomstige toepassing op het vaststellen van een tracébesluit.
8. Artikel 16, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is
niet van toepassing op handelingen waarop het tracébesluit betrekking
heeft. Indien die handelingen in een beschermd natuurmonument als
bedoeld in artikel 16, eerste lid, van die wet plaatsvinden, of
daarbuiten in de gevallen, bedoeld in het vierde lid van dat artikel,
en de handelingen schadelijk kunnen zijn voor de waarden, bedoeld in
het eerste lid van dat artikel, betrekt Onze Minister bij de
besluitvorming over het tracébesluit het belang van bescherming van
de waarden van het beschermde natuurmonument.
9. Artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 is niet van
toepassing op de vaststelling van het tracébesluit indien de
handelingen waarop het tracébesluit betrekking heeft, zijn opgenomen
in een beheerplan als bedoeld in artikel 19a of 19b van die wet, of in
het programma op grond van artikel 19kh, vijfde lid, en die
handelingen overeenkomstig dat plan worden uitgevoerd.
10. De gemeenteraad stelt binnen een jaar nadat het tracébesluit
onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een
beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening
overeenkomstig het tracébesluit vast. Voor zover een ontwerp van een
bestemmingsplan zijn grondslag vindt in het tracébesluit kunnen
zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan.
11. Indien het bestemmingsplan nog niet in overeenstemming is met
het tracébesluit, verleent het college van burgemeester en wethouders
aan degenen die inzage verlangen in dat plan tevens inzage in het
tracébesluit.
Artikel 14
1. Onze Minister kan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
buiten toepassing laten bij de voorbereiding van een besluit tot
wijziging van een tracébesluit waartegen beroep aanhangig is, indien
het een wijziging van ondergeschikte aard betreft.
2. Het wijzigingsbesluit als bedoeld in het eerste lid wordt
vastgesteld uiterlijk tien dagen voor de zitting, die plaatsvindt ten
behoeve van de beoordeling van het bestreden besluit.
Paragraaf 3.2. Bijzondere bepalingen
Artikel 15
1. Het tweede lid is van toepassing op projecten opgenomen in de
bij deze wet behorende bijlage en voor zover het ontwerp-tracébesluit
na 1 januari 2009 ter inzage is gelegd.
2. Indien op grond van artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een
milieueffectrapport wordt opgesteld ten behoeve van een tracébesluit
zijn de artikelen 7.27, eerste tot en met vijfde en zevende lid, 7.32,
vijfde lid, en 7.39 tot en met 7.42 van die wet niet van toepassing.
Artikel 16
[VERVALLEN]
Artikel 17
1. Het luchtkwaliteitsonderzoek ten behoeve van een tracébesluit
voor de aanleg of wijziging van een hoofdweg wordt beperkt tot het
gebied dat zich uitstrekt van de voorafgaande tot en met de
eerstvolgende aansluiting op of aan de aan te leggen of te wijzigen
weg en ter weerszijden van dit wegvak tot één kilometer vanuit de
meest buiten gelegen rijstroken, een en ander voor zover gelegen op
Nederlands grondgebied. Onder aansluiting wordt tevens knooppunt
verstaan.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het
luchtkwaliteitsonderzoek ten behoeve van een tracébesluit voor de
aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg.
Paragraaf 3.3. Overige bepalingen
Artikel 18
1. Onze Minister zendt het tracébesluit aan de betrokken
bestuursorganen en, indien het tracébesluit betrekking heeft op een
landelijke spoorweg, aan de beheerder van de spoorweg.
2. De terinzagelegging geschiedt tevens ten kantore van de
betrokken bestuursorganen.
Hoofdstuk IV. Projectuitvoering
Artikel 19
Het tracébesluit vervalt van rechtswege indien het niet binnen tien
jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in uitvoering
is genomen.
Artikel 20
1. [Vervallen.] .
2. Onze Minister bevordert een gecoördineerde voorbereiding van de
besluiten op de aanvragen om de vergunningen en van de overige
ambtshalve te nemen besluiten met het oog op de uitvoering van een
tracébesluit.
3. Onze Minister kan van de andere betrokken bestuursorganen de
medewerking vorderen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig
is. Die bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde medewerking.
4. Op de voorbereiding van de in het tweede lid bedoelde besluiten
is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met
dien verstande dat:
a. de ontwerpen van de besluiten binnen een door Onze Minister
te bepalen termijn worden toegezonden aan Onze Minister, die zorg
draagt voor de in artikel 3:13, eerste lid, van die wet bedoelde
toezending;
b. Onze Minister ten aanzien van de ontwerpen van de besluiten
gezamenlijk toepassing kan geven aan de artikelen 3:11, eerste
lid, en 3:12 van die wet;
c. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een
ieder;
d. in afwijking van artikel 3:18 van die wet de besluiten
worden genomen binnen een door Onze Minister te bepalen termijn;
e. de besluiten onverwijld worden toegezonden aan Onze
Minister.
5. Artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
niet van toepassing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een
bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van
die wet ter uitvoering van het tracébesluit.
6. Indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te
beslissen op een aanvraag om een vergunning niet of niet tijdig
overeenkomstig de aanvraag beslist, kunnen Onze Minister en Onze
Minister wie het mede aangaat gezamenlijk een beslissing op de
aanvraag nemen. In het laatste geval treedt hun besluit in de plaats
van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan.
Indien Onze in de eerste volzin bedoelde Ministers voornemens zijn
zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, plegen zij overleg met
het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te
beslissen.
7. Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op de in het
tweede lid bedoelde ambtshalve te nemen besluiten.
8. Indien bij de toepassing van het zesde lid de beslissing op een
aanvraag wordt genomen door Onze in dat lid bedoelde Ministers, stort
het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was te beslissen op de
aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's Rijks kas.
9. Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde aanvragen is Onze
Minister mede bevoegd deze in te dienen bij de bevoegde
bestuursorganen.
10. De in het tweede lid bedoelde besluiten worden, voor zover ten
aanzien daarvan het vierde lid is toegepast, gelijktijdig door Onze
Minister bekendgemaakt.
11. Voor zover een ontwerp van een besluit als bedoeld in het
tweede lid, zijn grondslag vindt in een tracébesluit, kunnen
bedenkingen daarop geen betrekking hebben.
Artikel 21
1. De in artikel 2 bedoelde werken worden voor de toepassing van de
Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als openbare werken van
algemeen nut.
2. Indien voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld
in artikel 20, tweede lid, toepassing van de Belemmeringenwet
Privaatrecht noodzakelijk is:
a. kan Onze Minister in afwijking van artikel 2, vierde lid,
van de Belemmeringenwet Privaatrecht:
1°. een andere plaats of gemeente aanwijzen waar de
zitting plaatsvindt;
2°. bepalen dat de zitting wordt geleid door een door Onze
Minister aan te wijzen persoon;
b. worden in afwijking van de artikelen 2, vijfde lid, en 3,
tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht gedeputeerde
staten niet gehoord;
c. geldt in plaats van artikel 4 van de Belemmeringenwet
Privaatrecht dat:
1°. tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde
lid, of artikel 3, tweede lid, van die wet een belanghebbende
beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State;
2°. artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing is;
3°. de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2,
vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet
Privaatrecht opgeschort wordt totdat de termijn voor het
indienen van een beroepschrift is verstreken.
Artikel 22
1. Indien een belanghebbende ten gevolge van een tracébesluit
schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
zijnen laste behoort te blijven en ten aanzien waarvan de vergoeding
niet of niet voldoende anderszins is verzekerd, kent Onze Minister hem
op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2. Afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening blijft buiten
toepassing voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade
een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het
eerste lid.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
omtrent de indiening en afhandeling van een verzoek om
schadevergoeding.
Artikel 23
1. Onze Minister onderzoekt voor afloop van de termijn, genoemd in
artikel 10, eerste lid, onderdeel f, de gevolgen van de
ingebruikneming van een aangelegde of gewijzigde hoofdweg, landelijke
spoorweg of hoofdvaarweg ten aanzien van de in dat artikel bedoelde
milieuaspecten.
2. Indien het onderzoek betrekking heeft op het aspect
luchtkwaliteit, wordt, voor zover voorhanden, gebruik gemaakt van de
gegevens als bedoeld in artikel 5.14 van de Wet milieubeheer,
aangegeven welke aanvullende maatregelen naar aanleiding van dat
onderzoek nodig zijn en binnen welke termijn die maatregelen worden
getroffen.
3. Indien het onderzoek betrekking heeft op het aspect
geluidhinder, wordt inzicht gegeven in de geluidbelasting na
realisering van de in het tracébesluit opgenomen geluidmaatregelen,
aangegeven welke aanvullende maatregelen naar aanleiding van dat
onderzoek nodig zijn en binnen welke termijn die maatregelen worden
getroffen.
4. Onze Minister zendt de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de
betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder
van de landelijke spoorweg de resultaten van het onderzoek toe alsmede
een beschrijving van de maatregelen die nodig zijn om alsnog te
voldoen aan de milieueisen die ten grondslag liggen aan de in het
tracébesluit opgenomen maatregelen.
5. De in het vierde lid bedoelde toezending geschiedt gelijktijdig
met die van het eerstvolgende verslag, bedoeld in artikel 24.
Artikel 24
Onze Minister zendt de Staten-Generaal ieder half jaar een verslag
over de voortgang van de projecten.
Hoofdstuk V. Beroep
Artikel 25
1. Tegen een tracébesluit of een ander in artikel 20, tweede lid,
bedoeld besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2. In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht
vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de in
artikel 20, tweede lid, bedoelde besluiten aan met ingang van de dag
na die waarop de in artikel 20, tiende lid, bedoelde bekendmaking is
geschied.
3. Voor zover beroep kan worden ingesteld tegen een of meer
onderdelen van een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel
39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, vangt, in afwijking van
artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht, de termijn voor het
indienen van een beroepschrift ter zake van die onderdelen aan met
ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen het op de
planologische kernbeslissing berustende tracébesluit. Indien niet
binnen een jaar na het van kracht worden van de planologische
kernbeslissing een daarop berustend tracébesluit is vastgesteld,
vangt de beroepstermijn aan met ingang van de dag waarop dat jaar is
verstreken.
4. Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing met betrekking tot een tracébesluit.
Artikel 26
1. Met betrekking tot beroepen tegen een tracébesluit beslist de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen twaalf
maanden na ontvangst van een verweerschrift.
2. In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling de in het eerste
lid genoemde termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.
3. Met betrekking tot beroepen tegen de in artikel 20, tweede lid,
bedoelde besluiten beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State binnen zes maanden na ontvangst van de desbetreffende
verweerschriften.
Artikel 27
Indien tegen een in artikel 20, tweede lid, bedoeld besluit beroep
kan worden ingesteld, kan dat beroep geen grond vinden in bedenkingen
tegen een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de
Wet op de Ruimtelijke Ordening of tegen een tracébesluit.
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 28 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 29
Onze Ministers zenden binnen drie jaar na het in werking treden van
deze wet, en vervolgens telkens om de vijf jaar, aan de Staten-Generaal
een verslag over de wijze waarop zij is toegepast.
Artikel 30
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 31 [Vervallen per 19-01-1994]
Artikel 32
[Wijzigt deze wet]
Artikel 33
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 34
Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad brengt Onze Minister
de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen en afdelingen van
de Algemene wet bestuursrecht in overeenstemming met de door Onze
Minister van Justitie opnieuw vastgestelde nummering daarvan.
Artikel 35
Deze wet kan worden aangehaald als: Tracéwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 16 september 1993
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
De Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.G.M. Alders
Uitgegeven de achttiende november 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage bij de Tracéwet
Bijlage behorend bij artikel 15 van de Tracéwet
Projecten als bedoeld in artikel 15
van de Tracéwet.
Omschrijving project:
|
A2 |
Oudenrijn–Everdingen |
|
A2 |
Den Bosch–Eindhoven |
|
A2 |
Leenderheide–Valkenswaard |
|
A4 |
Burgerveen–Leiden |
|
A12 |
Gouda–Woerden |
|
A12 |
Woerden–Oudenrijn |
|
A12 |
Maarsbergen–Veenendaal |
|
A12 |
Waterberg–Velperbroek |
|
A27 |
Lunetten–Rijnsweerd |
|
A28 |
Hattemerbroek–Lankhorst |
|
A58 |
Eindhoven–Oirschot |
|
N50 |
Ramspol–Ens |
|