WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in
verband met de totstandbrenging en exploitatie van een vaste
oeververbinding onder de Westerschelde door een privaatrechtelijke
rechtspersoon, bijzondere wettelijke voorzieningen te treffen, waaronder
de machtiging, bedoeld in artikel 29 van de Comptabiliteitswet, voor de
oprichting van de rechtspersoon;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. de NV: de naamloze vennootschap, bedoeld in artikel 2, eerste
lid;
c. de exploitant: de NV, of de rechtspersoon met wie de NV is
overeengekomen dat die rechtspersoon de tunnel met aansluitende wegen
en bijbehorende werken, of een deel ervan, zal exploiteren.
2. Op de in deze wet gebruikte woorden motorrijtuig, personenauto
en motorrijwiel zijn de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1994 van toepassing.
§ 2. Oprichting vennootschap
Artikel 2
1. Onze Minister wordt gemachtigd namens de Staat der
Nederlanden een naamloze vennootschap op te richten en deel te nemen
in het bij de oprichting door hem vast te stellen kapitaal, alsmede
deel te nemen in verdere plaatsing van het kapitaal.
2. De NV heeft als doel een tunnel onder de Westerschelde met
aansluitende wegen en bijbehorende werken tot stand te brengen, in stand
te houden en als rechthebbende te exploiteren of doen exploiteren.
§ 3. Wegenrechtelijke bepalingen
Artikel 3
1. Bij regeling van Onze Minister wordt aan de wegen door de
tunnel en aan de aansluitende wegen de bestemming van openbare weg
gegeven, alsmede de datum bepaald met ingang waarvan die wegen
openbaar zijn.
2. Met ingang van de datum, bedoeld in het eerste lid, is de NV
onderhoudsplichtige van die wegen.
3. Met ingang van de datum, bedoeld in het eerste lid, berust bij
het Rijk het toezicht op het in goede staat verkeren van die wegen.
4. Waar in de Wegenverkeerswet 1994 en de daarop berustende
bepalingen voor wegen onder beheer van het Rijk de minister van Verkeer
en Waterstaat als bevoegd gezag wordt aangewezen, is in afwijking
daarvan voor de wegen, bedoeld in het eerste lid, het college van
gedeputeerde staten bevoegd, met dien verstande dat bij algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat dit lid vervalt.
5. De bevoegdheid krachtens artikel 38 van de Waterstaatswet 1900
tot het geven van bevelen tot de uitvoering van noodzakelijke
waterstaatswerken en voorzieningen komt wat de Westerscheldetunnel, de
wegen door de tunnel en de aansluitende wegen betreft toe aan Onze
Minister.
Artikel 4
1. Met ingang van de datum, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
doet de exploitant aan een ieder die met een motorrijtuig,
onderscheidenlijk een voertuig dat door een motorrijtuig wordt
voortbewogen, gebruik wil maken van een weg door de tunnel, een aanbod
tot het sluiten van een overeenkomst, houdende het gebruik van de weg
door de tunnel.
2. In afwijking van artikel 14 van de Wegenwet is de exploitant
bevoegd:
a. het gebruik van de wegen door de tunnel te ontzeggen aan degene
die met hem geen overeenkomst sluit over het gebruik;
b. voorzieningen op de aansluitende wegen aan te brengen die tot
doel hebben voor degene die de overeenkomst niet sluit, of niet
nakomt, de verdere doorgang onmogelijk te maken.
§ 4. Tarieven
Artikel 5
1. De exploitant stelt voor de vergoeding voor het gebruik van
een weg door de tunnel tarieven vast, en maakt deze bekend.
2. De tarieven kennen een referentietarief zijnde de hoogte van
de vergoeding voor het gebruik van een weg door de tunnel met een
personenauto in de periode dat geen bijzondere verhogingen van
toepassing zijn.
3. De tarieven kennen geen tarief waarvan de hoogte wordt bepaald
naar gelang het aantal inzittenden.
Artikel 6
1. De hoogste vergoeding voor een rit met een personenauto
bedraagt ten hoogste twee keer het referentietarief.
2. De hoogste vergoeding voor een rit met een motorrijwiel
bedraagt ten hoogste het referentietarief.
3. De hoogste vergoeding voor een rit met een ander motorrijtuig
dan een personenauto of een motorrijwiel bedraagt ten hoogste vijf keer
het referentietarief.
4. De hoogste vergoeding voor een rit met een voertuig dat door
een motorrijtuig wordt voortbewogen, bedraagt ten hoogste de hoogte van
de vergoeding die verschuldigd is voor de rit met het motorrijtuig dat
het voertuig voortbeweegt.
Artikel 7
Het referentietarief mag over een periode van twaalf maanden ten
hoogste worden verhoogd met 10% gedurende de eerste twee jaar met ingang
van de datum, bedoeld in artikel 3, eerste lid, 8% gedurende het derde
en het vierde jaar na bedoelde datum, 6% gedurende het vijfde en het
zesde jaar na bedoelde datum en 4% gedurende het zevende jaar en de
volgende jaren na bedoelde datum, telkens vermeerderd met de percentuele
stijging van de prijzen bij het onderhoud van wegen met een gesloten
verharding buiten de bebouwde kom over de jongste vergelijkbare periode.
Artikel 8
Geen vergoeding is verschuldigd voor het gebruik met motorrijtuigen:
a. die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het
vervoer van zieken en gewonden en die als zodanig uiterlijk
herkenbaar zijn;
b. die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het
vervoer van een stoffelijk overschot;
c. die uitsluitend worden gebruikt voor defensie, of
d. die uitsluitend worden gebruikt door politie en brandweer en
als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn.
§ 5. Slotbepalingen
Artikel 9
1. Het referentietarief bedraagt op de datum, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, ten hoogste het bedrag dat bij regeling van
Onze Minister is vastgesteld.
2. De regeling, bedoeld in het eerste lid, treedt niet eerder in
werking dan acht weken na de datum van bekendmaking in de Staatscourant.
Van de bekendmaking wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide
kamers der Staten-Generaal.
Artikel 10
1. Deze wet vervalt met ingang van het eenendertigste jaar na
de datum, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
2. Indien de resultaten van de NV daartoe aanleiding geven, kan
bij algemene maatregel van bestuur de werkingsduur van deze wet worden
verlengd tot een totale periode van ten hoogste vijftig jaar.
Artikel 11
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 12
Deze wet wordt aangehaald als: Tunnelwet Westerschelde.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 1 oktober 1998
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos
Uitgegeven de tweeëntwintigste oktober 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals