WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
voorziening te treffen houdende een eenmalige financiële compensatie
voor bepaalde groepen militairen die ten minste 5 jaar onder de wapenen
zijn geweest en daarvoor in de overheidspensioenwetgeving geen
vergelding ontvangen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. militair: de reservist of dienstplichtige in de zin van de bij
of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen daarover vastgestelde
bepalingen;
b. werkelijke dienst: de door de militair doorgebrachte, in de
periode van 1 januari 1936 tot en met 31 december 1962 liggende
werkelijke dienst in de zin van artikel A 1, eerste lid, onder i
van de Algemene militaire pensioenwet, voor zover die feitelijk is
doorgebracht of geacht moet worden onder de wapenen te zijn
doorgebracht krachtens de Wet verbetering rechtspositie
verzetsmilitairen (Stb. 1976, 19) en voor zover die ingevolge
de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van de Algemene
militaire pensioenwet voor pensioen geldig zou zijn;
c. weduwe: degene die in het tijdvak van de werkelijke dienst met
de militair was gehuwd.
Artikel 2
De gewezen militair, die een werkelijke dienst aan kan wijzen van ten
minste vijf jaren en voor wie geen recht of uitzicht bestaat op
vergelding van die tijd met enig overheidspensioen, heeft aanspraak op
een eenmalige uitkering ten bedrage van € 3403,35.
Artikel 3
Indien de in artikel 2 genoemde aanspraak in verband met het
overlijden van de militair niet kan worden geëffectueerd, heeft de
weduwe recht op een eenmalige uitkering, gelijk aan het bedrag dat wordt
gevonden door het in dat artikel genoemde bedrag van € 3403,35 te
vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller gelijk is aan dat deel
van de werkelijke dienst waarin zij met de militair gehuwd is geweest en
de noemer gelijk is aan de werkelijke dienst.
Artikel 4
De over de uitkering verschuldigde belasting ingevolge de Wet
inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 alsmede de
premie voor de volksverzekeringen ingevolge de Wet financiering sociale
verzekeringen komen ten laste van het Rijk.
Artikel 5
De uitkering blijft buiten beschouwing bij de verlening van bijstand
ingevolge de Wet werk en bijstand en andere, op het inkomen van de
rechthebbende afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen of
verstrekkingen.
Artikel 6
Een uitkering ingevolge deze wet wordt door Onze Minister van
Defensie verleend op aanvraag van de rechthebbende. De aanvraag moet en
uiterlijk binnen twee jaren na de datum van inwerkingtreding van deze
wet zijn ontvangen.
Artikel 7 [Vervallen per 15-02-2002]
Artikel 8
Deze wet kan worden aangehaald als: Uitkeringswet financiële
compensatie langdurige militaire dienst.
Artikel 9
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 24 juni 1992
BEATRIX
De Minister van Defensie,
A.L. ter Beek
Uitgegeven de veertiende juli 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin