WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
voorziening te treffen houdende een eenmalige financiële compensatie
voor militairen die ten minste vijf jaren als dienst- of
reserveplichtige bij het voormalige KNIL in werkelijke dienst zijn
geweest en daarvoor in de overheidspensioenwetgeving geen vergelding
ontvangen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. militair: degene die onder de vlag van het Koninkrijk der
Nederlanden de dienst- of reserveplicht bij het Koninklijk
Nederlands-Indisch Leger/Koninklijk Nederlands-Indonesisch Leger
(KNIL), dan wel krachtens het Dienstplichtbesluit voor
Nederlands-Indië heeft vervuld, tijdens die vervulling Nederlander
was of in die periode geen Nederlander was maar thans op grond van
de Wet betreffende de positie van Molukkers bij de toepassing van de
Nederlandse wetgeving als Nederlander wordt behandeld, en die na
afloop van zijn diensttijd naar Nederland is vertrokken of
teruggekeerd dan wel door de zorg van de Nederlandse regering is
overgebracht naar Nederland;
b. werkelijke dienst: de door de militair vóór 26 juli 1950 bij
het KNIL doorgebrachte diensttijd dan wel krachtens het
Dienstplichtbesluit voor Nederlands-Indië doorgebrachte diensttijd;
c. weduwe: degene die in het tijdvak van de werkelijke dienst met
de militair was gehuwd en die naar Nederland is vertrokken of
teruggekeerd dan wel door de zorg van de Nederlandse regering is
overgebracht naar Nederland.
Artikel 2
a. De gewezen militair die een werkelijke dienst aan kan wijzen
van ten minste vijf jaren en voor wie geen recht of uitzicht bestaat
op vergelding van die tijd met enig overheidspensioen en die in de
periode voor de inwerkingtreding van deze wet tenminste één jaar
onafgebroken in Nederland gevestigd is geweest, heeft aanspraak op een
eenmalige uitkering ten bedrage van f 7500,-.
b. De in het vorige lid bedoelde aanspraak op een eenmalige
uitkering vervalt indien op grond van een gecombineerde Nederlandse en
KNIL-dienstplichttijd reeds een uitkering is verstrekt krachtens de
Uitkeringswet financiële compensatie langdurige militaire dienst.
Artikel 3
Indien de in artikel 2 genoemde aanspraak in verband met het
overlijden van de militair niet kan worden geëffectueerd, heeft de
weduwe recht op een eenmalige uitkering, gelijk aan het bedrag dat wordt
gevonden door het bedrag van f 7500,- te vermenigvuldigen met een breuk,
waarvan de teller gelijk is aan dat deel van de werkelijke dienst waarin
zij met de militair gehuwd is geweest en de noemer gelijk is aan de
werkelijke dienst.
Artikel 4
Een uitkering ingevolge deze wet wordt door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken op aanvraag verleend. De aanvraag moet schriftelijk
worden ingediend en uiterlijk binnen twee jaren na de datum van
inwerkingtreding van deze wet bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken
zijn ontvangen.
Artikel 5
De over de uitkering verschuldigde belasting ingevolge de Wet
inkomstenbelasting 2001, de Wet op de loonbelasting 1964 en premie voor
de volksverzekeringen ingevolge de Wet financiering sociale
verzekeringen komen ten laste van het Rijk.
Artikel 6
De uitkering blijft buiten beschouwing bij de verlening van bijstand
ingevolge de Wet werk en bijstand en andere, op het inkomen afgestemde
publiekrechtelijke uitkeringen of verstrekkingen.
Artikel 7
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 8
Deze wet wordt aangehaald als: Uitkeringswet KNIL-dienstplichttijd.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 22 december 1993
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
Uitgegeven de achtentwintigste januari 1994
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin