Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 17 december 1997, houdende
eenmalige uitkering aan gewezen militairen die meer dan twee jaar doch
minder dan vijf jaar hebben gediend (Uitkeringswet tegemoetkoming twee
tot vijfjarige diensttijd veteranen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het
veteranenbeleid wenselijk is regels te stellen inzake een tegemoetkoming
in de vorm van een eenmalige uitkering door het Rijk aan militairen die
meer dan twee doch minder dan vijf jaar als dienst- of reserveplichtige,
als oorlogsvrijwilliger dan wel als schutterplichtige bij de krijgsmacht
van het Koninkrijk hetzij tijdens de Tweede Wereldoorlog, dan wel in het
voormalig Nederlands-Indië, in Korea of in het voormalig Nederlands
Nieuw-Guinea in werkelijke dienst zijn geweest en daarvoor in de
overheidspensioenwetgeving, dan wel krachtens een pensioenvervangende of
in een pensioengerelateerde uitkeringsregeling, geen financiële
compensatie hebben ontvangen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goed gevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. militair:
1°. degene die krachtens de Dienstplichtwet werkelijke dienst
heeft verricht;
2°. degene die krachtens het Oorlogsvrijwilligersbesluit
werkelijke dienst heeft verricht;
3°. degene die krachtens de Surinaamse Schutterijverordening
1941, dan wel krachtens de Antilliaanse
Schutterij-landsverordening 1940 werkelijke dienst heeft verricht;
of
4°. degene die onder de vlag van het Koninkrijk der
Nederlanden als dienst- of reserveplichtige bij het Koninklijk
Nederlands-Indisch Leger/Koninklijk Nederlands-Indonesisch Leger
(KNIL), dan wel krachtens het Dienstplichtbesluit voor
Nederlands-Indië werkelijke dienst heeft verricht, tijdens die
vervulling Nederlander was of in die periode geen Nederlander was
maar thans op grond van de Wet betreffende de positie van
Molukkers bij de toepassing van de Nederlandse wetgeving als
Nederlander wordt behandeld, en die na afloop van zijn werkelijke
dienst naar Nederland is vertrokken of teruggekeerd dan wel door
de zorg van de Nederlandse regering is overgebracht naar
Nederland.
b. werkelijke dienst:
1°. de door de militair bij de Nederlandse krijgsmacht in de
periode van 1 januari 1938 tot en met 31 december 1962 verrichte
militaire dienst krachtens de Dienstplichtwet;
2°. de door de militair bij de Nederlandse krijgsmacht in de
periode van 1 januari 1938 tot en met 31 december 1962 verrichte
militaire dienst krachtens het Oorlogsvrijwilligersbesluit;
3°. de door de militair in de periode van 1 januari 1938 tot
en met 31 december 1962 krachtens de Surinaamse
Schutterijverordening 1941 dan wel krachtens de Antilliaanse
Schutterij-landsverordening 1940 verrichte militaire dienst; of
4°. de door de militair vóór 26 juli 1950 bij het KNIL
verrichte militaire dienst krachtens het Dienstplichtbesluit voor
Nederlandsch-Indië en de daarop berustende uitvoeringsregelingen;
5°. de tijd doorgebracht in hechtenis en tijd van
ongeoorloofde afwezigheid wordt niet meegeteld bij de berekening
van de werkelijke dienst;
c. weduwe: degene die
1°. met de militair was gehuwd en die in Nederland, Suriname
of de Nederlandse Antillen woonde, dan wel naar Nederland is
vertrokken of teruggekeerd dan wel door de zorg van de Nederlandse
regering is overgebracht naar Nederland, dan wel
2°. gehuwd was met een militair die is overleden in het
tijdvak ingaande 1 januari 1996 en eindigend op de dag na
plaatsing van deze wet in het Staatsblad.
Onder weduwe wordt mede verstaan de weduwnaar van de vrouwelijke
militair.
Artikel 2
1. De militair, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 1°,
2° of 3°, die een werkelijke dienst van meer dan twee doch minder
dan vijf jaar, hetzij tijdens de Tweede Wereldoorlog, dan wel in het
voormalig Nederlands-Indië, in Korea of in het voormalig Nederlands
Nieuw-Guinea doorgebracht, kan aanwijzen, alsmede de militair, bedoeld
in artikel 1, onderdeel a, onder 4°, die daarenboven in de periode
voor de inwerkingtreding van deze wet tenminste één jaar
onafgebroken in Nederland gevestigd is geweest, heeft aanspraak op een
eenmalige uitkering ten bedrage van € 453,78.
2. Eveneens aanspraak op een eenmalige uitkering ten bedrage van
€ 453,78 heeft degene die als militair ten minste vijf jaar werkelijke
dienst kan aanwijzen, hetzij tijdens de Tweede Wereldoorlog, dan wel in
het voormalig Nederlands-Indië, in Korea of in het voormalig Nederlands
Nieuw-Guinea doorgebracht en niet of minder dan vijf jaar als militair
in de zin van de Uitkeringswet financiële compensatie langdurige
militaire dienst onderscheidenlijk de Uitkeringswet
KNIL-dienstplichttijd in werkelijke dienst is geweest.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de
militair die zich schuldig heeft gemaakt aan desertie of
dienstweigering.
Artikel 3
Indien de in artikel 2 genoemde aanspraak, in verband met het
overlijden van de militair niet kan worden geëffectueerd, heeft de
weduwe recht op een eenmalige uitkering, gelijk aan het in dat artikel
genoemde bedrag.
Artikel 4
De aanvraag om een uitkering krachtens deze wet wordt schriftelijk
ingediend bij:
a. de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen voorzover
het betreft de militair, genoemd in artikel 1, onderdeel a, onder
4°, die bij het Koninklijk Nederlands Indisch /Indonesisch Leger
werkelijke dienst heeft verricht, onderscheidenlijk diens weduwe;
b. bij Onze Minister van Defensie, voorzover het betreft de
overige militairen genoemd in artikel 1, onderdeel a,
onderscheidenlijk hun weduwen.
Artikel 5
De gemeentebesturen en ambtenaren van de burgerlijke stand zijn
verplicht op een door Onze Minister van Defensie onderscheidenlijk de
Stichting Administratie Indonesische Pensioenen aan te geven wijze
desgevraagd kosteloos inlichtingen te verschaffen en overigens ook alle
medewerking te verlenen, benodigd voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 6
De over de uitkering verschuldigde belasting ingevolge de Wet
inkomstenbelasting 2001, de Wet op de loonbelasting 1964 en premie voor
de volksverzekeringen ingevolge de Wet financiering sociale
verzekeringen komen ten laste van het Rijk.
Artikel 7
De uitkering blijft buiten beschouwing bij de verlening van op het
inkomen afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen of verstrekkingen.
Artikel 8
[Wijzigt de Algemene bijstandswet.]
Artikel 9
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 10
Deze wet wordt aangehaald als: Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot
vijfjarige diensttijd veteranen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 17 december 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van Defensie,
J.C. Gmelich Meijling
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
Uitgegeven de negenentwintigste december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|