WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van het
Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa en het daarvan een
integrerend deel uitmakend Protocol inzake inspectie, mede gelet op
artikel 12 van de Grondwet, noodzakelijk is regels te stellen omtrent
medewerking van een ieder aan verrassingsinspecties alsmede het
binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner in verband
met verificatie van het bij het Verdrag overeengekomene;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. het Verdrag: het Verdrag van 19 november 1990 inzake
conventionele strijdkrachten in Europa en het daarvan een
integrerend deel uitmakend Protocol inzake inspectie (Trb.
1991, 31);
b. inspecteurs: inspecteurs als bedoeld in paragraaf 1, letter E,
van Titel I van het Protocol inzake inspectie;
c. begeleidingsteam: het begeleidingsteam als bedoeld in
paragraaf 1, letter H, van Titel I van het Protocol inzake
inspectie;
d. verrassingsinspectie: de verrassingsinspectie bedoeld in Titel
VIII van het Protocol inzake inspectie.
Artikel 2
1. Het hoofd van het begeleidingsteam is bij een
verrassingsinspectie bevoegd van een ieder alle medewerking te
vorderen die nodig is voor de uitvoering van de taken die bij het
Verdrag zijn opgedragen aan de inspecteurs en het begeleidingsteam.
2. Hij die opzettelijk niet voldoet aan een vordering als bedoeld
in het eerste lid, alsmede hij die bij gelegenheid van een
verrassingsinspectie opzettelijk enige handeling door een inspecteur dan
wel een lid van het begeleidingsteam ondernomen ter uitvoering van hun
taak als in het Verdrag omschreven, belet, belemmert of verijdelt, wordt
gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of
geldboete van de tweede categorie.
3. Het feit strafbaar gesteld in het tweede lid wordt beschouwd
als misdrijf.
Artikel 3
1. De inspecteurs, vergezeld van het begeleidingsteam, hebben
bij het verrichten van een verrassingsinspectie toegang tot elke
plaats voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
nodig is.
2. Het hoofd van het begeleidingsteam verschaft zich zo nodig de
toegang met behulp van de sterke arm.
Artikel 4
1. In afwijking van artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet
op het binnentreden (Stb. 1994, 572) rust de verplichting zich
voorafgaand aan het binnentreden in een woning te legitimeren en
mededeling te doen van het doel van het binnentreden op de leden van
het begeleidingsteam.
2. De inspecteurs en de leden van het begeleidingsteam zijn
bevoegd in afwijking van artikel 2 van de Algemene wet op het
binnentreden zonder machtiging een woning zonder toestemming van de
bewoner binnen te treden.
3. Het hoofd van het begeleidingsteam maakt het schriftelijk
verslag als bedoeld in artikel 10 van de Algemene wet op het
binnentreden. In dit verslag vermeldt hij tevens de namen en de
hoedanigheid van de leden van het begeleidingsteam en de inspecteurs.
Artikel 5
Indien ingevolge de uitoefening van de taken van het Verdrag aan de
inspecteurs opgedragen, de verplichting bestaat tot betaling van
schadevergoeding is de Staat der Nederlanden daarvoor bij uitsluiting
aansprakelijk.
Artikel 6
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 7
Deze wet kan worden aangehaald als: Uitvoeringswet CSE-verdrag.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 6 november 1991
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. van den Broek
De Minister van Defensie,
A.L. ter Beek
Uitgegeven de zevende november 1991
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin