WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 13 december 1955 te
Parijs ondertekende Europese Vestigingsverdrag;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Ten aanzien van de veroordelingen in de kosten van een
geding, als bedoeld in artikel 9, lid 3, van het Europese
Vestigingsverdrag, zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 18
en 19 van het op 17 juli 1905 te 's-Gravenhage tot stand gekomen
Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, goedgekeurd bij de
wet van 15 juli 1907 (Stb. 197), en de artikelen 23 tot en met
32 van de wet van 12 juni 1909 (Stb. 141) tot uitvoering van
evengenoemd verdrag.
2. De in lid 1 van overeenkomstige toepassing verklaarde
artikelen worden, op het tijdstip van inwerkingtreding voor Nederland
van het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag
betreffende de burgerlijke rechtsvordering, vervangen door de
overeenkomstige artikelen van laatstgenoemd verdrag en van de wet tot
uitvoering van dat verdrag.
Artikel 2
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen datum.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 28 oktober 1959
JULIANA
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. Luns
Uitgegeven de twintigste november 1959
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman