WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
voorzieningen te treffen tot uitvoering van de op 7 juni 1968 te Londen
tot stand gekomen Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van
inlichtingen over buitenlands recht (Trb. 1968, 142);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Onze Minister van Justitie wijst bij in de Nederlandse
Staatscourant openbaar te maken besluit de onder zijn Ministerie
ressorterende dienst aan, welke wordt belast met de taak van ontvangend
orgaan en verzendend orgaan als bedoeld in artikel 2 van de op 7 juni
1968 tot stand gekomen Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van
inlichtingen over buitenlands recht (Trb. 1968, 142).
Artikel 2
Als rechterlijke autoriteiten in de zin van artikel 3 van de in het
voorgaande artikel genoemde overeenkomst gelden de rechterlijke macht en
het openbaar ministerie alsmede alle overige personen of colleges welke
in Nederland bij de wet met rechtspraak zijn belast, daaronder begrepen
de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State.
Artikel 3
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen dag.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 30 juni 1976
JULIANA
De Minister van Justitie,
Van Agt
Uitgegeven de twintigste juli 1976
De Minister van Justitie a.i.,
De Gaay Fortman