Nadere regelgeving:
- Besluit
huurprijzen woonruimte
- Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte
WET van 21 november 2002, houdende
integratie van de Huurprijzenwet woonruimte en de Wet op de
huurcommissies in een uitvoeringswet huurprijzen woonruimte onder
gelijktijdige overheveling van een deel van de tekst van de
Huurprijzenwet woonruimte naar de nieuwe titel 7.4 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek (Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is tegelijk
met het voorstel van wet tot herziening van Boek 7a van het Burgerlijk
Wetboek, waarbij een aantal bepalingen van de Huurprijzenwet woonruimte
naar de nieuwe titel 7.4 van Boek 7 van dat wetboek wordt overgeheveld,
de overige bepalingen van de Huurprijzenwet woonruimte en die van de Wet
op de huurcommissies te integreren in een nieuw wetsvoorstel en deze
bepalingen waar mogelijk te vereenvoudigen, alsmede op een aantal
plaatsen inhoudelijke wijzigingen aan te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
§ 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. gebrek: gebrek als bedoeld in artikel 7:241 van het
Burgerlijk Wetboek;
b. huurcommissie: huurcommissie als bedoeld in artikel 3a;
c. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie;
d. zittingscommissie: zittingscommissie als bedoeld in artikel
21, eerste lid.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder
woonruimte, zelfstandige woning, woonwagen, standplaats, prijs,
huurprijs en servicekosten verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan
in afdeling 5 van titel 7.4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. Reikwijdte
Artikel 2
Deze wet is niet van toepassing op overeenkomsten van huur en verhuur
van woonruimte die een gebruik betreffen, dat naar zijn aard slechts van
korte duur is.
Artikel 3
1.Op huurovereenkomsten waarop ingevolge artikel 7:247 van het
Burgerlijk Wetboek onderafdeling 2 van afdeling 5 van titel 7.4 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ten dele van toepassing is, is deze
wet slechts van toepassing voorzover dat uit die onderafdeling
voortvloeit.
2.Bij algemene maatregel van bestuur wordt het in artikel 7:247 van
het Burgerlijk Wetboek bedoelde bedrag van de huurprijs bij aanvang
van de bewoning vastgesteld, waarboven ingevolge dat artikel
voornoemde onderafdeling ten dele van toepassing is.
Hoofdstuk II. Instelling, inrichting, samenstelling en taken van de
huurcommissie
§ 1. Instelling, inrichting en samenstelling van de huurcommissie
Artikel 3a
1. Er is een huurcommissie.
2. De huurcommissie bestaat uit een bestuur en minimaal vier en
maximaal tien zittingsvoorzitters. Daarnaast bestaat de huurcommissie
uit zittingsleden uit de kring van huurders onderscheidenlijk de kring
van verhuurders. Voor de behandeling van geschillen als bedoeld in
artikel 4a kunnen ook personen van buiten de kring van huurders
onderscheidenlijk de kring van verhuurders zittingslid zijn. Het
bestuur bestaat uit een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.
3. Het bestuur en de zittingsvoorzitters hebben tot taak binnen de
huurcommissie de eenheid en de kwaliteit van de uitspraken, adviezen
en verklaringen te bevorderen. Zij kunnen met het oog hierop regels
stellen. Bij de uitvoering van deze taak treden zij niet in de
procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van
alsmede de beslissing in een concrete zaak.
4. Indien ten aanzien van het stellen van de regels, bedoeld in het
derde lid, tussen het bestuur enerzijds en de zittingsvoorzitters
gezamenlijk anderzijds een verschil van mening bestaat, beslist het
bestuur. Indien binnen het bestuur een verschil van mening bestaat,
beslist de voorzitter. Indien binnen de kring van zittingsvoorzitters
een verschil van mening bestaat, wordt onderling bij meerderheid van
stemmen beslist, waarbij bij een staking van de stemmen binnen die
kring het bestuur beslist.
5. In afwijking van artikel 20 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen, heeft het bestuur, in plaats van het zelfstandig
bestuursorgaan, de bevoegdheden en taken die zijn genoemd in dat
artikel.
Artikel 3b
1. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de
zittingsvoorzitters worden door Onze Minister benoemd, geschorst en
ontslagen. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden
benoemd voor een tijdvak van zes jaar en kunnen voor maximaal een
aansluitend tijdvak van zes jaar als voorzitter onderscheidenlijk
plaatsvervangend voorzitter worden herbenoemd. De zittingsvoorzitters
worden over de benoeming en herbenoeming van de voorzitter en de
plaatsvervangend voorzitter gehoord. De zittingsvoorzitters worden
benoemd voor een tijdvak van vier jaar en kunnen voor maximaal twee
aansluitende tijdvakken van vier jaar als zittingsvoorzitter worden
herbenoemd. Het bestuur wordt over de benoeming en herbenoeming van de
zittingsvoorzitters gehoord.
2. Aan de voorzitter en de zittingsvoorzitters moet op grond van
het afleggen van een examen van een opleiding in het wetenschappelijk
onderwijs door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking
heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de
graad Master op het gebied van het recht zijn verleend, dan wel moeten
die voorzitter en die zittingsvoorzitters op grond van het afleggen
van een examen van een opleiding aan een universiteit dan wel de Open
Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren
hebben verkregen, of blijk hebben gegeven op andere wijze de voor de
functie van voorzitter onderscheidenlijk zittingsvoorzitter benodigde
kennis te hebben verworven.
3. Onverminderd artikel 13, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, mogen de voorzitter, de plaatsvervangend
voorzitter en de zittingsvoorzitters niet metterdaad betrokken zijn
bij de uitoefening van een bedrijf dat werkzaam is of mede werkzaam is
op het gebied van woonruimte, noch is het hen toegestaan beroepsmatig
betrokken te zijn bij het beheer van en de beschikking over woonruimte
dan wel deel uit te maken van het bestuur van een vereniging,
vennootschap of stichting die daarbij is betrokken, of aangesloten te
zijn bij een bewonerscommissie als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel g, van de Wet op het overleg huurders verhuurder.
4. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de
zittingsvoorzitters genieten een bezoldiging, een vergoeding voor
reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen volgens bij
ministeriële regeling te geven regels. Hun rechtspositie wordt nader
geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 3c
Het bestuur geeft leiding aan de werkzaamheden van de huurcommissie
en de administratieve ondersteuning.
Artikel 3d
1. De zittingsleden worden door Onze Minister benoemd, geschorst en
ontslagen. Zij worden benoemd voor een tijdvak van vier jaar en kunnen
voor maximaal twee aansluitende tijdvakken van vier jaar als
zittingslid worden herbenoemd. Het bestuur wordt over de benoeming en
de herbenoeming gehoord.
2. Tot zittingslid worden slechts benoemd personen die over
voldoende deskundigheid beschikken om bij te dragen aan een
behoorlijke uitoefening van de ingevolge de wet aan de huurcommissie
opgedragen taken.
3. De benoeming van de zittingsleden geschiedt zodanig dat de
belangen van de huurders, onderscheidenlijk de belangen van de
verhuurders gelijkelijk in de huurcommissie zijn vertegenwoordigd.
4. Onze Minister stelt met inachtneming van het derde lid bij
iedere benoeming de door hem daartoe aangewezen organisaties, die
geacht kunnen worden de belangen van de huurders, onderscheidenlijk de
belangen van de verhuurders, te behartigen, gedurende negen weken in
de gelegenheid een aanbeveling te doen. Indien meer dan één
organisatie is aangewezen om een aanbeveling te doen, stelt Onze
Minister de betrokken organisaties slechts in de gelegenheid
gezamenlijk een aanbeveling te doen. Bij het doen van een aanbeveling
wordt rekening gehouden met het tweede lid.
5. Onze Minister neemt binnen zes weken na het verstrijken van de
in het vierde lid bedoelde termijn een beslissing over de benoeming.
6. De zittingsleden genieten een vergoeding voor reis- en
verblijfkosten en verdere vergoedingen volgens bij ministeriële
regeling te geven regels.
Artikel 3e
Onverminderd artikel 12, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen, worden de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en
de zittingsvoorzitters ook ontslagen indien zij de leeftijd van zeventig
jaren hebben bereikt.
Artikel 3f
1. Het bestuur stelt een bestuursreglement vast, gehoord de
zittingsvoorzitters. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze
Minister. Artikel 11, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen is van overeenkomstige toepassing.
2. In het bestuursreglement worden de hoofdlijnen van de inrichting
en de werkwijze van de organisatie van de huurcommissie, alsmede de
zittingslocaties vastgesteld.
Artikel 3g
1. Er is een Raad van Advies. De Raad bestaat uit negen leden, die
afkomstig zijn uit de door Onze Minister aangewezen organisaties van
huurders en verhuurders en onafhankelijke organisaties of personen,
waarbij die organisaties van huurders en verhuurders in de Raad
gelijkelijk zijn vertegenwoordigd. De leden hebben een deskundigheid
die relevant is in het kader van de huurgeschillenbeslechting en de
beslechting van de geschillen, bedoeld in artikel 4a, en mogen niet
tegelijkertijd deel uitmaken van de huurcommissie of van een
zittingscommissie.
2. De leden worden door Onze Minister benoemd, geschorst en
ontslagen. Zij worden benoemd voor een tijdvak van vier jaar en kunnen
voor een aansluitend tijdvak van vier jaar als lid van de Raad worden
herbenoemd.
3. Onze Minister stelt met inachtneming van het eerste lid bij
iedere benoeming de door hem daartoe aangewezen organisaties, die
geacht kunnen worden de belangen van de huurders, onderscheidenlijk de
belangen van de verhuurders, te behartigen dan wel onafhankelijk zijn,
gedurende negen weken in de gelegenheid een aanbeveling te doen.
Indien binnen een categorie van organisaties, die geacht kunnen worden
de belangen van de huurders, onderscheidenlijk de belangen van de
verhuurders, te behartigen, meer dan één organisatie is aangewezen
om een aanbeveling te doen, stelt Onze Minister de betrokken
organisaties slechts in de gelegenheid gezamenlijk een aanbeveling te
doen.
4. Onze Minister neemt binnen zes weken na het verstrijken van de
in het derde lid bedoelde termijn een beslissing over de benoeming.
5. De Raad adviseert het bestuur over algemene aspecten van de
huurgeschillenbeslechting en de beslechting van de geschillen, bedoeld
in artikel 4a, en kan het op verzoek dan wel uit eigen beweging in
kennis stellen van de binnen de Raad levende standpunten. De Raad
wordt voorts over de benoeming, de herbenoeming en het ontslag,
behoudens het ontslag vanwege het bereiken van de voor hen geldende
pensioengerechtigde leeftijd, van de voorzitter en de plaatsvervangend
voorzitter gehoord. In het bestuursreglement, bedoeld in artikel 3f,
worden nadere regels gesteld omtrent de uitoefening van de taken en de
bevoegdheden van de Raad en de wijze waarop het bestuur met de Raad
overleg voert.
6. Artikel 3d, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3h
Onze Minister voorziet in de administratieve ondersteuning van de
huurcommissie.
Artikel 3i
1. Het bestuur houdt een openbaar register aan, waarin met
weglating van de namen van de betrokken huurders, verhuurders,
bewonerscommissies als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g,
van de Wet op het overleg huurders verhuurder en huurdersorganisaties
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van die wet de
slotwoorden van de uitspraken van de huurcommissie en van de
voorzittersuitspraken zijn opgenomen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven omtrent
de inrichting van het register.
Artikel 3j
1. In afwijking van artikel 22, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, strekt de bevoegdheid van Onze Minister
tot het vernietigen van besluiten zich niet uit tot de uitspraken, de
adviezen en de verklaringen van de huurcommissie onderscheidenlijk de
voorzitter.
2. Onze Minister treedt bij de uitvoering van de bevoegdheden,
toegedeeld bij of krachtens de wet en de in het eerste lid genoemde
wet niet in de procedurele behandeling van, de inhoudelijke
beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak of in
categorieën van zaken.
§ 2. Taken van de huurcommissie
Artikel 4
1. De huurcommissie heeft de in het tweede tot en met vierde lid en
in de artikelen 4a en5 aangegeven taken.
2. De huurcommissie doet uitspraak:
a. ingevolge artikel 7:249 van het Burgerlijk Wetboek over de
redelijkheid van de overeengekomen aanvangshuurprijs;
b. ingevolge artikel 7:253 van het Burgerlijk Wetboek over de
redelijkheid van het voorstel tot verhoging van de huurprijs;
c. ingevolge artikel 7:254 van het Burgerlijk Wetboek over de
redelijkheid van het voorstel tot verlaging van de huurprijs;
d. ingevolge artikel 7:255 van het Burgerlijk Wetboek over het
bedrag van de verhoging van de huurprijs na de totstandkoming van
voorzieningen, veranderingen of toevoegingen;
e. ingevolge artikel 7:257 van het Burgerlijk Wetboek over de
in rekening te brengen huurprijs bij vermindering van het
woongenot als gevolg van een gebrek;
f. ingevolge artikel 7:258 van het Burgerlijk Wetboek over de
huurprijs en het voorschotbedrag aan servicekosten indien tussen
partijen slechts een prijs en niet een huurprijs is
overeengekomen;
g. ingevolge artikel 7:260 van het Burgerlijk Wetboek over de
betalingsverplichting met betrekking tot de servicekosten;
h. ingevolge artikel 7:261 van het Burgerlijk Wetboek over het
voorschotbedrag van de servicekosten.
3. De huurcommissie doet uitspraak in gevallen waarin als gevolg
van een uitspraak als bedoeld in de artikelen 7:249 en 7:257 van het
Burgerlijk Wetboek de in rekening te brengen huurprijs in verband met
gebreken is verlaagd, omtrent het verholpen zijn van die gebreken.
4. De huurcommissie doet uitspraak indien ingevolge artikel 20,
zesde lid, verzet is gedaan tegen een uitspraak van de voorzitter.
Artikel 4a
De huurcommissie doet uitspraak in geschillen over:
a. het voeren van overleg en het verschaffen van informatie als
bedoeld in de Wet op het overleg huurders verhuurder;
b. het bevorderen van de werkzaamheden van een bewonerscommissie
als bedoeld in die wet;
c. het vergoeden van kosten van een huurdersorganisatie als
bedoeld in die wet;
d. overige verplichtingen die voortvloeien uit die wet.
Artikel 5
1. De huurcommissie doet desverzocht uitspraak over de redelijkheid
van een gebruiksvergoeding of een aanvullende vergoeding, als bedoeld
in artikel 51, eerste, onderscheidenlijk derde lid, van de
Huisvestingswet en over de wijziging daarvan, bedoeld in artikel 52,
eerste lid, van die wet.
2. De huurcommissie verstrekt desverzocht aan de rechter nadere
inlichtingen over een door haar gedane uitspraak, alsmede, ingeval zij
geen uitspraak heeft gedaan, indien de rechter geacht kan worden
daarbij belang te hebben, over de aan een woonruimte toe te kennen
kwaliteit en een voor die woonruimte redelijk te achten huurprijs.
3. De huurcommissie verstrekt desverzocht verklaringen aan Onze
Minister en aan publiekrechtelijke lichamen die geacht kunnen worden
daarbij belang te hebben, over de aan een woonruimte toe te kennen
kwaliteit, de gebreken ten aanzien van die woonruimte en een voor die
woonruimte redelijk te achten huurprijs. De hierbedoelde verklaring
wordt niet gegeven, indien het belang van de verklaring is gelegen in
de beoordeling door de verzoeker van een huurovereenkomst als bedoeld
in artikel 3, tenzij het belang daarvan gelegen is in de toepassing
van artikel 1, vierde lid, van de Huisvestingswet. Bij ministeriële
regeling kunnen voor de uitvoering van de in de eerste volzin bedoelde
taak nadere regels worden gegeven.
4. De huurcommissie geeft ten aanzien van een huurovereenkomst als
bedoeld in artikel 3 desverzocht advies over aangelegenheden
waaromtrent de huurcommissie bevoegd zou zijn uitspraak te doen indien
artikel 3 daaraan niet in de weg zou staan. De huurcommissie geeft een
dergelijk advies slechts voorzover in de huurovereenkomst of
anderszins tussen partijen is afgesproken dat de desbetreffende
aangelegenheden bij geschil aan de huurcommissie worden voorgelegd.
Artikel 6
1. De voorzitter heeft tot taak:
a. in afwijking van artikel 4, eerste lid, in de in het tweede
en derde lid van dat artikel aangegeven gevallen en over
geschillen als bedoeld in artikel 4a uitspraak te doen indien ten
aanzien van een aan de huurcommissie gedaan verzoek een van de in
artikel 20, eerste lid, bedoelde gevallen zich voordoet;
b. in de gevallen van een verzoek van de
Belastingdienst/Toeslagen als bedoeld in artikel 5, tweede lid,
van de Wet op de huurtoeslag binnen zes weken een verklaring te
verstrekken omtrent de redelijkheid van de huurprijs en de
juistheid van andere gegevens betreffende de woonruimte waarvoor
een aanvraag om een huurtoeslag is ingediend, een en ander
voorzover van belang voor de toepassing van genoemde wet.
2. De voorzitter kan zich bij de uitoefening van de taken, bedoeld
in het eerste lid, laten vervangen door een zittingsvoorzitter.
§ 3. Aan de Staat verschuldigde vergoeding
Artikel 7
1. Voor het door de huurcommissie doen van een uitspraak als
bedoeld in artikel 4, tweede of derde lid, is door de verzoeker een
voorschot op de voor hem geldende vergoeding aan de Staat, bedoeld in
het tweede lid, verschuldigd of door de partij die niet de verzoeker
is, de voor hem geldende vergoeding, bedoeld in dat lid. Het bedrag
van dat voorschot en die vergoeding wordt bij algemene maatregel van
bestuur vastgesteld, mede aan de hand van het gegeven of de verzoeker
of de partij die niet de verzoeker is een natuurlijke persoon of een
rechtspersoon is.
2. Bij het doen van een uitspraak geeft de huurcommissie
gemotiveerd aan welke partij en tot welk bedrag een vergoeding aan de
Staat verschuldigd is. Deze vergoeding is verschuldigd door de partij
die naar het oordeel van de huurcommissie geheel of voor het grootste
deel, gelet op de strekking van het verzoekschrift, de in het ongelijk
gestelde partij is. Indien de huurcommissie van oordeel is dat beide
partijen in ongeveer gelijke mate in het ongelijk worden gesteld, kan
zij gemotiveerd uitspreken dat elke partij de helft van de voor hem
geldende vergoeding aan de Staat verschuldigd is. In gevallen waarin
de voorzitter bevoegd is tot het doen van een uitspraak, komen de in
de eerste tot en met derde volzin bedoelde bevoegdheden toe aan de
voorzitter.
3. Indien naar het oordeel van de huurcommissie, gelet op de
strekking van het verzoekschrift,
a. de verzoeker de geheel of voor het grootste deel in het
gelijk gestelde partij is, wordt:
1°. de bij wijze van voorschot betaalde voor hem geldende
vergoeding terugbetaald, en
2°. bij de partij die niet de verzoeker is, de voor hem
geldende vergoeding ingevorderd, dan wel
b. beide partijen in ongeveer gelijke mate in het ongelijk
worden gesteld, wordt:
1°. de helft van de bij wijze van voorschot door de
verzoeker betaalde voor hem geldende vergoeding terugbetaald,
en
2°. bij de partij die niet de verzoeker is, de helft van
de voor hem geldende vergoeding ingevorderd.
4. Het bestuur roept de verzoeker bij schriftelijk bericht op,
onder kennisgeving van de ontvangst van het verzoek, tot betaling van
het in het eerste lid bedoelde voorschot op de vergoeding, voor zover
dit op dat tijdstip nog niet is voldaan, binnen vier weken na de datum
van verzending van dat bericht.
5. Ingeval de verzoeker het voorschot op de vergoeding niet binnen
de in het vierde lid genoemde termijn heeft voldaan, wordt het verzoek
niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden
geoordeeld dat de verzoeker in verzuim is geweest.
6. Indien het verzoek voor de uitspraak wordt ingetrokken, ontvangt
de verzoeker het betaalde voorschot op de vergoeding niet terug.
7. Het bestuur roept de partij die niet de verzoeker is bij
schriftelijk bericht op tot betaling van de in het derde lid,
onderdeel a, onder 2°, of onderdeel b, onder 2°, bedoelde vergoeding
binnen vier weken na de datum van verzending van dat bericht. Onze
Minister kan die vergoeding invorderen bij dwangbevel.
8. De voorzitter is bevoegd op verzoek van de verzoeker of de
partij die niet de verzoeker is, indien deze een natuurlijk persoon
is, vrijstelling te verlenen van de aan de Staat verschuldigde
vergoeding, bedoeld in het eerste lid en tweede lid. Zolang niet is
beslist op een aanvraag om vrijstelling, wordt de in het vierde en
zevende lid genoemde termijn opgeschort. Bij ministeriële regeling
wordt bepaald in welke gevallen de voorzitter van de bevoegdheid,
bedoeld in de eerste volzin, gebruik kan maken. Artikel 6, tweede lid,
is van overeenkomstige toepassing.
9. De huurcommissie kan bij gelijkluidende of nagenoeg
gelijkluidende verzoeken ten aanzien van de partij die niet de
verzoeker is en een rechtspersoon is, indien deze, naar het oordeel
van de huurcommissie, gelet op de strekking van het verzoekschrift, de
geheel of voor het grootste deel in het ongelijk gestelde partij is,
dan wel in ongeveer gelijke mate als de partij die de verzoeker is in
het ongelijk wordt gesteld, afwijken van het eerste lid, eerste
volzin, voor zover toepassing gelet op het belang dat die volzin
beoogt te beschermen naar haar oordeel zal leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard.
10. Indien de partij die, gelet op de strekking van het
verzoekschrift, in het ongelijk wordt gesteld, uitsluitend in het
ongelijk wordt gesteld op grond van een eigen oordeel van de
huurcommissie ten aanzien van de waardering van de energieprestatie
van de woonruimte, dat afwijkt van een voor die woonruimte,
overeenkomstig de op grond van artikel 120 van de Woningwet gegeven
regels omtrent de energieprestatie van gebouwen, afgegeven
energieprestatiecertificaat, is die partij, in afwijking van het
eerste lid, eerste volzin, geen vergoeding als bedoeld in dat lid
verschuldigd.
Artikel 7a
1. Voor het door de huurcommissie doen van een uitspraak als
bedoeld in artikel 4a, is door de verzoeker een vergoeding aan de
Staat verschuldigd.
2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt
bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
3. Op verzoek van een verzoeker die een natuurlijk persoon is, is
de voorzitter bevoegd vrijstelling te verlenen van de aan de Staat
verschuldigde vergoeding, bedoeld in het eerste lid. Bij ministeriële
regeling wordt bepaald in welke gevallen de voorzitter van de
bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, gebruik kan maken. Artikel
6, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Hetvierde, vijfde en zesde lid van artikel 7 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 8
Voor het door de huurcommissie uitbrengen van een advies als bedoeld
in artikel 5, vierde lid, is door de verzoeker een vergoeding aan de
Staat verschuldigd, waarvan het bedrag bij algemene maatregel van
bestuur wordt vastgesteld, mede aan de hand van het gegeven of de
verzoeker een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is.
Hoofdstuk III. Toetsingscriteria en uitspraken huurcommissie
§ 1. Algemeen
Artikel 9
1. Een verzoek aan de huurcommissie wordt schriftelijk ingediend.
2. De huurcommissie toetst bij aan haar gedane verzoeken of voldaan
is aan de voor die verzoeken bij of krachtens titel 4 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek, bij de Wet op het overleg huurders verhuurder
en bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften.
Artikel 9a
1. Indien binnen een wooncomplex als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op het overleg huurders verhuurder sprake is van gelijkluidende of
nagenoeg gelijkluidende verzoeken kunnen deze door ten minste de helft
van de partijen die een woonruimte huren binnen dat wooncomplex of
deel van dat wooncomplex collectief worden ingediend. Die partijen
zijn daarbij elk het voorschot op de vergoeding aan de Staat, bedoeld
in artikel 7, tweede lid, verschuldigd.
2. Indien het verzoek naar het oordeel van de voorzitter niet
voldoet aan de in het eerste lid genoemde vereisten, wordt het verzoek
opgevat als per afzonderlijke woonruimte of groep van woonruimten
ingediend. Artikel 6, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De huurcommissie kan ten aanzien van de partijen, bedoeld in het
eerste lid, indien die, naar het oordeel van de huurcommissie, gelet
op de strekking van het verzoekschrift , de geheel of voor het
grootste deel in het ongelijk gestelde partijen zijn, dan wel in
ongeveer gelijke mate als de partij die niet de verzoeker is in het
ongelijk worden gesteld, afwijken van artikel 7, eerste lid, eerste
volzin, voor zover toepassing gelet op het belang dat die volzin
beoogt te beschermen naar haar oordeel zal leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 10
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gegeven voor de waardering van de kwaliteit van een woonruimte, van de
redelijkheid van de huurprijs en van wijziging daarvan, waarbij
onderscheid kan worden gemaakt tussen woonruimte waarvan de eigenaar
beschikt over een voor die woonruimte, overeenkomstig de op grond van
artikel 120 van de Woningwet gegeven regels omtrent de
energieprestatie van gebouwen, afgegeven energieprestatiecertificaat
en overige woonruimte.
2. Bij ministeriële regeling wordt het maximale
huurverhogingspercentage vastgesteld.
§ 2. Aanvangshuurprijs
Artikel 11
1. In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 7:249 van het
Burgerlijk Wetboek doet de huurcommissie uitspraak omtrent de
redelijkheid van de overeengekomen huurprijs. Als een dergelijk
verzoek wordt mede aangemerkt een verzoek ingevolge artikel 6, eerste
lid, aanhef en onderdeel b, indien een aanvraag om een huurtoeslag
voor de desbetreffende woonruimte is ingediend binnen de in artikel 7:
249 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde termijn en indien en zodra de
voorzitter op dat verzoek een verklaring heeft afgegeven waaruit
blijkt dat de overeengekomen huurprijs hoger is dan de bij de
desbetreffende woonruimte behorende maximale huurprijsgrens.
2. De huurcommissie toetst in dat geval de redelijkheid van de
overeengekomen huurprijs aan de krachtens artikel 10, eerste lid,
gegeven regels.
3. Indien de huurcommissie de overeengekomen huurprijs niet
redelijk acht, vermeldt zij in haar uitspraak de huurprijs die zij
redelijk acht.
4. In geval sprake is van een huurovereenkomst als bedoeld in
artikel 3 spreekt de huurcommissie, indien de beoordeling, bedoeld in
het tweede lid, zou leiden tot een huurprijs boven de in artikel 7:247
van het Burgerlijk Wetboek genoemde grens, uit dat de door partijen
overeengekomen huurprijs redelijk is. Indien de huurprijs na de
uitspraak van de huurcommissie en in voorkomend geval na de
vaststelling ervan door de rechter onherroepelijk is komen vast te
staan en niet boven die grens uitkomt, is artikel 7:247 op die
huurovereenkomst niet langer van toepassing.
5. De huurcommissie beoordeelt de kwaliteit van de woonruimte en de
redelijkheid van de huurprijs naar de toestand op de datum van ingang
van de huurovereenkomst.
Artikel 12
1.In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 7:249 van het
Burgerlijk Wetboek spreekt de huurcommissie tevens uit of zij van
oordeel is dat de overeengekomen huurprijs of de op grond van artikel
11, derde lid, redelijk geachte huurprijs, gelet op de gebreken ten
aanzien van de woonruimte, in rekening dient te worden gebracht.
Indien de huurcommissie van oordeel is dat die huurprijs, gelet op de
gebreken, niet in rekening dient te worden gebracht, geeft zij deze
gebreken in de uitspraak aan en vermeldt zij een in verhouding tot die
gebreken lagere huurprijs als de in rekening te brengen huurprijs.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gegeven die de huurcommissie bij de beoordeling van de redelijkheid
van de in rekening te brengen huurprijs in acht neemt.
3.De huurcommissie vermeldt in de uitspraak de datum van ingang van
de in rekening te brengen lagere huurprijs, zijnde de ingangsdatum van
de huurovereenkomst.
4.De huurcommissie bepaalt in de uitspraak dat, nadat de in die
uitspraak genoemde gebreken zijn verholpen, de in rekening te brengen
lagere huurprijs niet meer van toepassing is met ingang van de eerste
dag van de maand, volgend op die waarin de opheffing van die gebreken
heeft plaatsgevonden.
5.Indien tussen huurder en verhuurder geen overeenstemming bestaat
over het al dan niet verholpen zijn van de gebreken, doet de
huurcommissie daarover op verzoek van de verhuurder uitspraak. In
voorkomend geval geeft zij daarbij aan in welke maand de opheffing
heeft plaatsgevonden.
§ 3. Verhoging van de huurprijs
Artikel 13
1. In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 7:253 van het
Burgerlijk Wetboek doet de huurcommissie uitspraak omtrent de
redelijkheid van de huurprijsverhoging die staat vermeld in het
daaraan ten grondslag liggende voorstel. De huurcommissie spreekt uit
welke huurprijsverhoging zij redelijk acht, in welk geval zij tevens
aangeeft tot welke huurprijs die huurprijsverhoging leidt, dan wel dat
zij een huurprijsverhoging niet redelijk acht.
2. De huurcommissie vermeldt in de uitspraak de datum van ingang
van de huurprijsverhoging, zijnde de in het in het eerste lid bedoelde
voorstel vermelde datum van ingang, dan wel een latere datum indien de
wet zulks voorschrijft.
3. De huurcommissie toetst het voorstel tot huurprijsverhoging aan
het krachtens artikel 10, tweede lid, geldende maximale
huurverhogingspercentage.
4. Bij de beoordeling van de kwaliteit van de woonruimte worden
voorzieningen die de huurder onverplicht voor eigen rekening heeft
aangebracht en waardoor het woongerief geacht kan worden te zijn
gestegen, buiten beschouwing gelaten.
5. De huurcommissie toetst het voorstel tot huurprijsverhoging,
indien de huurder bezwaar heeft gemaakt tegen de woningwaardering in
het voorstel, dan wel indien de huurprijs, vermeerderd met de
voorgestelde huurprijsverhoging, de maximale huurprijsgrens zou kunnen
overschrijden, tevens aan de krachtens artikel 10, eerste lid, gegeven
regels met betrekking tot de waardering van de kwaliteit van een
woonruimte. Daarbij vormt de huurcommissie slechts een eigen oordeel
over de kwaliteit van de woonruimte, voorzover die kwaliteit al dan
niet op onderdelen voorwerp van geschil is tussen partijen. De
huurcommissie vormt zich daarbij geen eigen oordeel over de
energieprestatie van de woonruimte, indien de eigenaar beschikt over
een voor die woonruimte, overeenkomstig de op grond van artikel 120
van de Woningwet gegeven regels omtrent de energieprestatie van
gebouwen, afgegeven energieprestatiecertificaat.
6. De huurcommissie beoordeelt de kwaliteit van de woonruimte en de
redelijkheid van de wijziging van de huurprijs naar de toestand op het
tijdstip van de in het voorstel tot verhoging van de huurprijs
genoemde ingangsdatum.
§ 4. Verlaging van de huurprijs
Artikel 14
1. In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 7:254 van het
Burgerlijk Wetboek doet de huurcommissie uitspraak omtrent de
redelijkheid van de huurprijsverlaging die staat vermeld in het
daaraan ten grondslag liggende voorstel. De huurcommissie spreekt uit
welke huurprijsverlaging zij redelijk acht, in welk geval zij tevens
aangeeft tot welke huurprijs die huurprijsverlaging leidt, dan wel dat
zij een huurprijsverlaging niet redelijk acht.
2. Artikel 13, tweede, vierde, vijfde, eerste en tweede volzin, en
zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Verhoging van de huurprijs na de totstandkoming van
voorzieningen, veranderingen of toevoegingen
Artikel 15
1.In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 7:255 van het
Burgerlijk Wetboek doet de huurcommissie uitspraak omtrent de
huurprijswijziging die zij redelijk acht. De huurcommissie vermeldt in
de uitspraak dat de overeengekomen huurprijs redelijk is dan wel welke
de huurprijs is die zij redelijk acht, alsmede de datum van ingang van
de huurprijswijziging, zijnde de eerste dag van de maand, volgend op
die waarin de voorzieningen, veranderingen of verbeteringen zijn
gereedgekomen.
2.De huurcommissie toetst of het bedrag van de verhoging van de
huurprijs in redelijke verhouding staat tot de door de verhuurder
gemaakte kosten met betrekking tot de voorzieningen, veranderingen of
toevoegingen. De artikelen 10, eerste lid, en 13, vierde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
§ 6. De in rekening te brengen huurprijs bij vermindering van het
woongenot als gevolg van een gebrek
Artikel 16
1.In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 7:257, tweede
lid, van het Burgerlijk Wetboek doet de huurcommissie uitspraak of zij
van oordeel is dat de overeengekomen huurprijs, in verband met de
gebreken ten aanzien van de woonruimte, in rekening dient te worden
gebracht. Indien de commissie van oordeel is dat die huurprijs, in
verband met de gebreken, niet in rekening dient te worden gebracht,
geeft zij deze gebreken in de uitspraak aan en vermeldt zij een in
verhouding tot die gebreken lagere huurprijs als de in rekening te
brengen huurprijs.
2.De huurcommissie neemt bij haar oordeel de krachtens artikel 12,
tweede lid, vastgestelde regels in acht, met dien verstande dat de
huurcommissie zich slechts een eigen oordeel over de gebreken vormt,
voorzover deze aan de verhuurder door middel van de in artikel 7:207
van het Burgerlijk Wetboek bedoelde kennisgeving door de huurder zijn
gemeld, alsmede over de gebreken die van zodanige aard of samenhang
zijn dat ze ook zonder aanzegging aan de verhuurder bekend moesten
zijn, zulks naar de toestand op het tijdstip waarop de bedoelde
kennisgeving door de huurder is verzonden.
3.De huurcommissie vermeldt in de uitspraak de datum van ingang van
de in rekening te brengen lagere huurprijs, zijnde de eerste dag van
de maand, volgend op die waarin de in het tweede lid bedoelde
aanzegging door de huurder aan de verhuurder is verzonden.
4.Indien ondanks door de huurcommissie geconstateerde gebreken ten
aanzien van de woonruimte de huurprijs door de huurcommissie redelijk
wordt geacht, omdat de overeengekomen huurprijs gelijk is aan of lager
is dan de in verhouding tot die gebreken ingevolge dit artikel ten
laagste in een uitspraak te vermelden in rekening te brengen
huurprijs, geeft de huurcommissie die gebreken in haar uitspraak aan,
vermeldt de geldende huurprijs als de in rekening te brengen huurprijs
en behandelt het verzoek voor het overige met overeenkomstige
toepassing van het eerste lid, tweede volzin, en het tweede lid.
5.Artikel 12, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
§ 7. De huurprijs en het voorschotbedrag aan servicekosten indien
tussen partijen slechts een prijs en niet een huurprijs is
overeengekomen
Artikel 17
1.In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 7:258 van het
Burgerlijk Wetboek doet de huurcommissie uitspraak omtrent de vraag of
partijen al dan niet een huurprijs zijn overeengekomen. Indien de
huurcommissie van oordeel is dat partijen slechts de hoogte van de
prijs en niet die van de huurprijs zijn overeengekomen, spreekt zij
als huurprijs uit 55% van de geldende maximale huurprijsgrens,
behorende bij de kwaliteit van de woonruimte, en spreekt zij,
voorzover nodig, als voorschotbedrag voor de servicekosten uit een
bedrag van 25% van die huurprijs. Indien het betreft een verzoek van
de verhuurder, als bedoeld in artikel 7:258, tweede volzin, van het
Burgerlijk Wetboek, spreekt de huurcommissie, in afwijking van de
tweede volzin, als huurprijs en voorzover nodig als voorschotbedrag
voor de servicekosten uit een bedrag van 80%, onderscheidenlijk 20%,
van de overeengekomen prijs.
2.De artikelen 11, tweede lid, en 13, vierde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Indien de huurcommissie van oordeel is dat niet een huurprijs is
overeengekomen, vermeldt zij in haar uitspraak dat de door haar
uitgesproken huurprijs en het voorschotbedrag voor de servicekosten in
de plaats treden van de overeengekomen prijs met ingang van de eerste
dag van de maand, volgend op die waarin het verzoek is ontvangen.
§ 8. De betalingsverplichting met betrekking tot de servicekosten
Artikel 18
1.In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 7:260 van het
Burgerlijk Wetboek doet de huurcommissie uitspraak omtrent de
betalingsverplichting van de huurder met betrekking tot de
servicekosten.
2.De huurcommissie toetst de servicekosten aan de voor de
berekening daarvan geldende wettelijke voorschriften en aan de
redelijkheid.
§ 9. Het voorschotbedrag van de servicekosten
Artikel 19
1.In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 7:261 van het
Burgerlijk Wetboek doet de huurcommissie uitspraak omtrent de
redelijkheid van het voorschotbedrag voor de servicekosten.
2.De huurcommissie beoordeelt of het voorschotbedrag voor de
servicekosten, indien nodig herleid tot een bedrag per jaar, in
aanzienlijke mate afwijkt van hetgeen in redelijke verhouding staat
tot de in het desbetreffende jaar te verwachten servicekosten. Indien
de huurcommissie van oordeel is dat daarvan sprake is, spreekt zij uit
welk voorschotbedrag van de servicekosten in redelijke verhouding
staat tot de te verwachten servicekosten.
3.De in het tweede lid bedoelde te verwachten servicekosten worden
gesteld op het bedrag van de servicekosten, opgenomen in het
laatstelijk in de drie voorafgaande kalenderjaren door de verhuurder
verstrekte verrekenoverzicht inzake de desbetreffende of soortgelijke
serviceposten, verhoogd met het percentage waarmee de
consumentenprijsindex voor werknemersgezinnen sedertdien is verhoogd.
Indien geen verrekenoverzicht in de in de eerste volzin bedoelde
periode is verstrekt, worden bedoelde kosten gesteld op de daarvoor
als gebruikelijk aan te merken kosten.
4.De huurcommissie vermeldt in haar uitspraak dat het door haar
uitgesproken voorschotbedrag in de plaats treedt van het
overeengekomen voorschotbedrag met ingang van de eerste dag van de
maand, volgend op die waarin het verzoek is ontvangen.
§ 10. Geschillen die voortvloeien uit de Wet op het overleg huurders
verhuurder
Artikel 19a
1. Indien de huurcommissie constateert dat sprake is van een
schending door de verhuurder van een verplichting die voortvloeit uit
de Wet op het overleg huurders verhuurder waardoor de verzoeker is
benadeeld, kan zij bepalen dat, voor zover het geschil betrekking
heeft op voorgenomen beleid van een verhuurder als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op het overleg huurders
verhuurder, de uitvoering van dat beleid wordt opgeschort totdat het
verzuim is hersteld.
2. Indien de huurcommissie wordt verzocht te bepalen dat een
genomen besluit van een verhuurder als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel d, van de Wet op het overleg huurders verhuurder, tot
wijziging van zijn beleid niet mag worden uitgevoerd, kan de
huurcommissie bepalen dat een zodanig besluit niet mag worden
uitgevoerd, indien:
a. dat besluit afwijkt van een advies als bedoeld in artikel 5,
eerste lid, van die wet, en
b. die verhuurder de beslissing tot afwijking van dat advies
niet heeft onderbouwd, of hij naar het oordeel van de
huurcommissie onder afweging van de betrokken belangen niet in
redelijkheid tot afwijking van dat advies had kunnen komen.
3. De huurcommissie doet in geval van een geschil over de hoogte
van de vergoeding, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet op het
overleg huurders verhuurder, uitspraak over de redelijkheid van die
vergoeding. De huurcommissie spreekt uit welke vergoeding zij redelijk
acht.
Hoofdstuk IV. Voorzittersuitspraken
Artikel 20
1. De voorzitter doet onverwijld, in ieder geval binnen vier weken
na het verstrijken van de in artikel 7, vierde lid, genoemde termijn,
dan wel, indien de in dat artikellid bedoelde oproep niet behoeft te
worden gedaan, na het tijdstip waarop de aldaar bedoelde vergoeding
van de verzoeker is ontvangen, of binnen vier weken na het
voorbereidend onderzoek, bedoeld in artikel 28, schriftelijk en met
redenen omkleed uitspraak, indien:
a. het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is,
b. het verzoek kennelijk redelijk of niet redelijk is,
c. het voorstel dat ten grondslag ligt aan het verzoek,
kennelijk redelijk of niet redelijk is,
d. de aan het verzoek ten grondslag liggende bezwaren kennelijk
gegrond of ongegrond zijn of
e. de bezwaren tegen het aan het verzoek ten grondslag liggende
voorstel kennelijk ongegrond zijn.
2. Van een kennelijk redelijk verzoek is in ieder geval sprake in
het geval, bedoeld in artikel 7:253, vijfde lid, van het Burgerlijk
Wetboek, tenzij:
a. de huurcommissie in een eerdere uitspraak heeft uitgesproken
dat op grond van artikel 7:257 van het Burgerlijk Wetboek een
lagere huurprijs redelijk is en de in die uitspraak genoemde
gebreken nog niet zijn verholpen;
b. het percentage van de in het voorstel opgenomen
huurverhoging het in artikel 10, tweede lid, bedoelde maximale
huurverhogingspercentage te boven gaat, in welk geval het verzoek
slechts kennelijk redelijk is, voorzover het dat percentage niet
overschrijdt.
3. De voorzitter vermeldt in voorkomende gevallen in de uitspraak
tot welke huurprijs zijn uitspraak leidt, alsmede de datum van ingang.
4. Artikel 7dan wel, voor geschillen als bedoeld in artikel 4a,
artikel 7a is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
voor het door de huurcommissie doen van een uitspraak op het verzet,
bedoeld in het zesde en zevende lid, niet opnieuw de in artikel 7
onderscheidenlijk artikel 7a bedoelde vergoeding aan de Staat
verschuldigd is.
5. Het bestuur zendt onverwijld een afschrift van de
voorzittersuitspraak aan partijen.
6. Tegen de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, kan de huurder,
verhuurder, huurdersorganisatie of bewonerscommissie binnen drie weken
na verzending van het afschrift van die uitspraak schriftelijk en
gemotiveerd in verzet gaan bij de huurcommissie. De voorzitter wijst
in zijn uitspraak partijen op deze mogelijkheid, alsook op de vorm en
de termijn die daarbij in acht genomen moeten worden.
7. Is de huurcommissie van oordeel dat het verzet, bedoeld in het
zesde lid, gegrond is, dan vervalt de uitspraak, bedoeld in het eerste
lid, en wordt het aan de in het eerste lid bedoelde uitspraak ten
grondslag liggende verzoek overeenkomstig hoofdstuk III door de
huurcommissie in behandeling genomen.
8. Indien geen van de in het zesde lid genoemde partijen binnen de
in dat lid genoemde termijn in verzet is gegaan, is hetgeen in artikel
7:262 van het Burgerlijk Wetboek dan wel artikel 8a van de Wet op het
overleg huurders verhuurder is bepaald met betrekking tot een
uitspraak van de huurcommissie, van overeenkomstige toepassing op de
uitspraak van de voorzitter.
Hoofdstuk V. Werkwijze van de huurcommissie
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 21
1. Het bestuur vormt voor de behandeling van zaken ter zitting bij
bestuursreglement als bedoeld in artikel 3fzittingscommissies.
2. De zittingscommissie houdt zitting in het arrondissement
waarbinnen de woonruimte waarop het geschil betrekking heeft, is
gelegen. Indien daartoe aanleiding bestaat kan het bestuur bepalen dat
de zittingscommissie zitting houdt in een ander arrondissement dat
binnen een redelijke afstand van die woonruimte ligt, waarbij een
goede balans tussen enerzijds de laagdrempeligheid van de
huurcommissie en anderzijds een efficiënte werkwijze wordt bevorderd.
3. Het bestuur wijst bij bestuursreglement als bedoeld in artikel
3f ten minste drie zittingslocaties als bedoeld in artikel 3f, tweede
lid, aan waar een zittingscommissie geschillen als bedoeld in artikel
4a kan behandelen.
Artikel 22
1. De zittingscommissie houdt zitting en beraadslaagt met een
zittingsvoorzitter en twee zittingsleden, waarvan een zittingslid
afkomstig is uit de kring van huurders en een zittingslid afkomstig is
uit de kring van verhuurders.
2. De voorzitter kan optreden als zittingsvoorzitter.
3. In afwijking van het eerste lid kunnen personen die niet uit de
kring van huurders onderscheidenlijk de kring van verhuurders
voortkomen, zittingslid zijn van een zittingscommissie die geschillen
behandelt als bedoeld in artikel 4a. Artikel 3d, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 23 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 24 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 25 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 26 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 27 [Vervallen per 01-04-2010]
§ 2. De voorbereiding van de zitting
Artikel 28
1. Alvorens een voorbereidend onderzoek in te stellen of een
uitspraak te doen als bedoeld in artikel 4, tweede of derde lid, of
artikel 4a, wordt de partij die niet de verzoeker is, door het bestuur
in kennis gesteld van de inhoud van het verzoek. Alvorens een
uitspraak te doen als bedoeld in artikel 4, tweede of derde lid,
artikel 4a of artikel 5, eerste lid, wordt een voorbereidend onderzoek
ingesteld. Een zodanig onderzoek blijft achterwege indien de
beschikbare stukken naar het oordeel van de voorzitter voldoende zijn
ter voorbereiding van de besluitvorming.
2. Het voorbereidend onderzoek wordt ingesteld door het bestuur. In
bijzondere gevallen kan de zittingsvoorzitter het onderzoek instellen.
3. Van het voorbereidend onderzoek wordt een schriftelijk rapport
opgemaakt.
4. In de gevallen waarin de voorzitter geen uitspraak als bedoeld
in artikel 20, eerste lid, doet, bepaalt het bestuur de dag en het
uur, waarop het verzoek ter zitting van een zittingscommissie zal
worden behandeld, zodra het voorbereidend onderzoek naar het oordeel
van de voorzitter voltooid is, of, indien dit onderzoek ingevolge het
eerste lid niet wordt ingesteld, reeds aanstonds.
5. Het bestuur legt de op de zaak betrekking hebbende stukken tot
de dag van de zitting ter inzage voor partijen of hun schriftelijk
gemachtigden.
6. Het bestuur geeft partijen van de gegevens omtrent de zitting
onverwijld, doch ten minste twee weken voor de dag van de behandeling
van het verzoek ter zitting, kennis. De kennisgeving gaat vergezeld
van een afschrift van het in het derde lid bedoelde rapport of bevat
de mededeling dat ter zake geen voorbereidend onderzoek nodig is
geacht, zulks onder vermelding van de redenen die tot dat oordeel
hebben geleid. De kennisgeving bevat voorts de mededeling dat de
stukken overeenkomstig het vijfde lid ter inzage liggen.
Artikel 29
De voorzitter is bevoegd verzoeken welke gelijkluidend dan wel
nagenoeg gelijkluidend zijn gevoegd door de huurcommissie te laten
behandelen.
Artikel 30
1. Indien door een partij omtrent dezelfde woonruimte gelijktijdig
meerdere verzoeken zijn ingediend, worden deze gevoegd behandeld.
2. Indien omtrent dezelfde woonruimte een verzoek als bedoeld in
artikel 7:257 van het Burgerlijk Wetboek en een verzoek als bedoeld in
artikel 7:253 van dat wetboek bij de huurcommissie zijn ingediend,
beslist de huurcommissie op het eerstgenoemde verzoek alvorens op het
andere verzoek te beslissen, tenzij de indiening van het eerstgenoemde
verzoek heeft plaatsgevonden na het tijdstip waarop volgens het andere
verzoek de wijziging van de huurprijs dient in te gaan.
Artikel 31
1. Voor de aanvang van de behandeling van het verzoek ter zitting
kunnen de zittingsvoorzitter en elk van de aan de zitting deelnemende
zittingsleden door een van de partijen worden gewraakt op grond van
feiten of omstandigheden, die het vormen van een onpartijdig oordeel
zouden kunnen bemoeilijken.
2. Op grond van zodanige feiten of omstandigheden kan de
zittingsvoorzitter, alsmede elk van de aan de zitting deelnemende
zittingsleden, zich verschonen.
3. De zittingsvoorzitter en de aan de zitting deelnemende
zittingsleden, uitgezonderd de persoon ten aanzien van wie ingevolge
het eerste of tweede lid wraking, onderscheidenlijk verschoning, wordt
gevraagd, beslissen zo spoedig mogelijk of de wraking,
onderscheidenlijk de verschoning, wordt toegestaan. In geval van
staking van stemmen is het verzoek tot wraking of verschoning
toegestaan. De behandeling van de zaak kan in dat geval tot een door
de zittingsvoorzitter te bepalen dag en uur worden aangehouden.
§ 3. De zitting
Artikel 32
1. De zittingen van een zittingscommissie zijn openbaar.
2. In het belang van de openbare orde of op verzoek van een van de
partijen, indien haar belangen dit eisen, kan de zittingscommissie
besluiten dat de zitting met gesloten deuren zal worden gehouden.
3. De beraadslaging en de beslissing over een verzoek als bedoeld
in het tweede lid en artikel 31, derde lid, geschiedt buiten
aanwezigheid van partijen of derden.
Artikel 33 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 34
1. De zittingsvoorzitter heeft de leiding van de zitting.
2. De zittingsvoorzitter en de aan de zitting deelnemende
zittingsleden van de zittingscommissie maken zich voor de aanvang van
de behandeling van het verzoek bekend en ondervragen vervolgens
partijen of hun gemachtigden alsmede door partijen voor de aanvang van
de zitting aan de zittingsvoorzitter opgegeven getuigen en
deskundigen.
3. Partijen worden daarbij in de gelegenheid gesteld door
tussenkomst van de zittingsvoorzitter ter zake dienende vragen tot
elkaar te richten.
4. Voordat de behandeling ter zitting wordt gesloten, heeft ieder
van de partijen het recht het woord te voeren.
5. Zodra de behandeling ter zitting gesloten is, deelt de
zittingsvoorzitter mede wanneer uitspraak zal worden gedaan.
6. Indien een nader onderzoek noodzakelijk blijkt of indien een
onderzoek alsnog wenselijk wordt geacht, kan de zittingsvoorzitter tot
het instellen daarvan besluiten. In dat geval zijn de verdere
bepalingen over het voorbereidend onderzoek van overeenkomstige
toepassing.
7. Een zittingscommissie beraadslaagt buiten aanwezigheid van
partijen of derden, beslist daarbij bij meerderheid van stemmen en
baseert haar uitspraken uitsluitend op hetgeen ter zitting is
besproken en op de stukken die overeenkomstig artikel 28, vijfde lid,
ter inzage zijn gelegd.
Artikel 35
Indien een machtiging als bedoeld in artikel 2:1, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht ontbreekt, kan een zittingscommissie de zaak
aanhouden totdat de betrokken partij in de gelegenheid is geweest op de
juiste wijze in zijn vertegenwoordiging te voorzien.
Artikel 36
Bij de zittingen is een ambtenaar van de administratieve
ondersteuning van de huurcommissie aanwezig. Hij houdt aantekening van
al hetgeen daar wordt behandeld met vermelding van de zakelijke inhoud
van de verklaringen van de door de zittingscommissie gehoorde personen.
§ 4. De uitspraak en verdere bepalingen
Artikel 37
1. De huurcommissie doet binnen vier maanden na het verstrijken van
de in artikel 7, vierde lid, genoemde termijn, dan wel, indien de in
dat artikellid bedoelde oproep niet behoeft te worden gedaan, na het
tijdstip waarop de aldaar bedoelde vergoeding van de verzoeker is
ontvangen, schriftelijk en met redenen omkleed uitspraak. In geval van
een geschil als bedoeld in artikel 4a doet de huurcommissie uitspraak
binnen acht weken na het verstrijken van de in artikel 7, vierde lid,
genoemde termijn. In afwijking van de eerste en tweede volzin doet de
huurcommissie in het geval dat de in de eerste, dan wel, tweede volzin
genoemde termijn niet kan worden gehaald, uitspraak binnen een door de
huurcommissie aan te geven langere termijn, mits zij aan beide
partijen daarvan voor het verstrijken van de in de eerste, dan wel,
tweede volzin genoemde termijn schriftelijk en met redenen omkleed
heeft kennisgegeven.
2. De uitspraken van de huurcommissie vermelden de namen van
degenen die aan de behandeling van de zaak ter zitting hebben
deelgenomen. Zij worden door de desbetreffende zittingsvoorzitter
ondertekend.
3. Het bestuur zendt onverwijld een afschrift van de uitspraak van
de huurcommissie aan partijen.
4. De huurcommissie wijst in haar uitspraak partijen op de in
artikel 7:262 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde mogelijkheid zich
tot de rechter te wenden, alsook op de vorm en de termijn die daarbij
in acht moeten worden genomen.
5. Indien in de uitspraak wordt vastgesteld dat een woonruimte een
of meer gebreken vertoont die het woongenot ernstig schaden zendt het
bestuur bovendien afschrift aan de inspecteur, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Woningwet, en aan burgemeester en wethouders van de
gemeente waarin de woonruimte is gelegen.
Artikel 38
De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, de
zittingsvoorzitters, de zittingsleden en de ambtenaren van de
administratieve ondersteuning mogen zich, indien dit de onpartijdigheid
in gevaar brengt, direct noch indirect in enig bijzonder onderhoud of
gesprek inlaten met partijen of hun raadslieden, noch enige bijzondere
onderrichting, memorie of geschriften aannemen over enige
aangelegenheid, welke aanhangig is of waarvan zij weten of vermoeden,
dat deze aanhangig zal worden bij de huurcommissie.
Artikel 39
1. Het bestuur kan, voor zover dat redelijkerwijs voor de
uitoefening van de taken van de huurcommissie, bedoeld in de artikelen
4, tweede tot en met vierde lid, 4a en 5, en de taken van de
voorzitter, bedoeld in artikel 6, eerste lid, nodig is, van de
verhuurder inzage en het nemen van afschrift vorderen van boeken en
andere zakelijke bescheiden.
2. De verhuurder is verplicht van hem krachtens het eerste lid
gevorderde inzage en nemen van afschrift van boeken en andere
zakelijke bescheiden te verlenen, een en ander op de wijze en binnen
de termijn, door het bestuur te bepalen.
3. Het niet voldoen aan de in het tweede lid omschreven
verplichting wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.
Het strafbare feit is een overtreding.
Artikel 40
1. De zittingsvoorzitter en de zittingsleden hebben toegang tot
alle woon- en bedrijfsruimten, alsmede tot ruimte die als zodanig kan
worden gebruikt, voorzover dat redelijkerwijs voor de uitoefening van
hun taak nodig is. Zij kunnen zich bij het betreden door bepaalde,
door hen aan te wijzen personen doen vergezellen. Zo nodig verschaffen
zij zich de toegang met behulp van de sterke arm.
2. Dit artikel is niet van toepassing op geschillen als bedoeld in
artikel 4a.
Artikel 41 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 42 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 43 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 44 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 45 [Vervallen per 01-04-2010]
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 46
Een voordracht voor een krachtens artikel 3, tweede lid, 7, eerste
lid, 7a, eerste lid, 8, 10, eerste lid, of 12, tweede lid, vast te
stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier
weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
Artikel 47
Bij ministeriële regeling kunnen:
a. ter uitvoering van artikel 7:253 van het Burgerlijk Wetboek
regels worden gegeven met betrekking tot de voorwaarden waaraan het
in het tweede lid van dat artikel bedoelde schrijven van de
verhuurder aan de huurder dient te voldoen, en
b. ter uitvoering van artikel 7:257 van het Burgerlijk Wetboek
regels worden gegeven met betrekking tot de voorwaarden waaraan een
kennisgeving van de huurder aan de verhuurder van een gebrek dient
te voldoen.
Artikel 48 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 49
De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij een
huurcommissie aanhangige verzoeken worden met toepassing van het vóór
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende recht behandeld
door de huurcommissie.
Artikel 50
De toepasselijkheid van de bepalingen van deze wet kan niet bij
overeenkomst worden uitgesloten of beperkt.
Artikel 51
In elke na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 7:260,
tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingestelde rechtsvordering ter
zake van de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid van dat artikel,
wordt een uitspraak van de huurcommissie dan wel beschikking van de
rechter omtrent de betalingsverplichting van de huurder met betrekking
tot deze vergoedingen overgelegd.
Artikel 52
In elke rechtsvordering ter zake van hetgeen onverschuldigd mocht
zijn betaald in verband met een overeenkomst als bedoeld in artikel
7:258 van het Burgerlijk Wetboek waarbij partijen slechts de hoogte van
de prijs en niet die van de huurprijs zijn overeengekomen, wordt een
uitspraak van de huurcommissie, als bedoeld in artikel 17, dan wel een
beschikking van de rechter, als bedoeld in artikel 7:262 van het
Burgerlijk Wetboek overgelegd.
Artikel 53
Onze Minister zendt binnen drie jaar na inwerkingtreding van artikel
4a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte aan de Staten-Generaal
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de beslechting
van de geschillen, bedoeld in artikel 4a, door de huurcommissie.
Artikel 53a [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 53b [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 53c [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 53d [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 54
1. De Huurprijzenwet woonruimte wordt ingetrokken.
2. De Wet op de huurcommissies wordt ingetrokken.
Artikel 55
Indien het bij koninklijke boodschap van 2 juli 1998 ingediende
voorstel van wet tot vaststelling van titel 7.4 (Huur) van het
Burgerlijk Wetboek (kamerstukken II 1997/98, 26 089, nrs. 1–2), na tot
wet te zijn verheven, in werking treedt, treedt deze wet op hetzelfde
tijdstip in werking.
Artikel 56
Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 21 november 2002
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
H.G.J. Kamp
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de negentiende december 2002
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|