WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is, in verband
met het op 8 april 1960 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland gesloten Verdrag nopens het
verloop van de gemeenschappelijke landgrens, de grenswateren, het
grondbezit in de nabijheid van de grens, het grensoverschrijdende
verkeer over land en via de binnenwateren en andere met de grens verband
houdende vraagstukken, met Bijlagen en Slotprotocol (Grensverdrag),
enige wettelijke voorzieningen te treffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepaling
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
a. "Algemeen Verdrag", het op 8 april 1960 te
's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de
Bondsrepubliek Duitsland gesloten Algemeen Verdrag tot regeling van
met de grens verband houdende vraagstukken en andere tussen beide
landen bestaande problemen (Trb. 1960, 67);
b. "Grensverdrag", het krachtens artikel 2 van het
Algemeen Verdrag daarvan deel uitmakende Verdrag nopens het verloop
van de gemeenschappelijke landgrens, de grenswateren, het grondbezit
in de nabijheid van de grens, het grensoverschrijdende verkeer over
land en via de binnenwateren en andere met de grens verband houdende
vraagstukken, met Bijlagen en Slotprotocol (Trb. 1960, 68);
c. "grenswateren", oppervlaktewateren, met inbegrip van
de oevers, die de Nederlands-Duitse grens overschrijden of ten dele
deze vormen, met uitzondering van de Rijn, de Eems en de Dollard;
d. "openbare lichamen", de op het gebied van het
Koninkrijk der Nederlanden en van de Bondsrepubliek Duitsland voor
de grenswateren plaatselijk bevoegde provinciën, gemeenten en
publiekrechtelijke lichamen.
Hoofdstuk II. Vraagstukken, verband houdende met de overgang van
grensgebieden
Artikel 2
De gebieden, welke op 31 december 1937 behoorden tot het grondgebied
van het Duitse Rijk en krachtens artikel 1 van het Grensverdrag behoren
tot het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, maken met ingang
van de inwerkingtreding van het Grensverdrag deel uit van de gemeente: Vaals,
voor zoveel betreft het gebied, gelegen langs de in § 5 van Bijlage A
van het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Kerkrade, voor
zoveel betreft het gebied, gelegen langs de in § 6 van Bijlage A van
het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Kerkrade, voor zoveel
betreft de gebieden, gelegen langs de in § 7 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Kerkrade, voor zoveel
betreft de aan het territoir dier gemeente aansluitende gebieden,
gelegen langs de in § 8 van Bijlage A van het Grensverdrag beschreven
nieuwe grens; Eijgelshoven, voor zoveel betreft de aan het
territoir dier gemeente aansluitende gebieden, gelegen langs de in § 8
van Bijlage A van het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Ubach
over Worms, voor zoveel betreft de aan het territoir dier gemeente
aansluitende gebieden, gelegen langs de in § 8 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Ubach over Worms, voor
zoveel betreft het gebied, gelegen langs de in § 9 van Bijlage A van
het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Schinveld, voor zoveel
betreft het gebied, gelegen langs de in § 11 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Sittard, voor zoveel
betreft de gebieden, gelegen langs de in § 12 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Nieuwstadt, voor zoveel
betreft de gebieden, gelegen langs de in § 13 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Susteren, voor zoveel
betreft het gebied, gelegen langs de in § 14 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Vlodrop, voor zoveel
betreft de gebieden, gelegen langs de in § 16 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Arcen en Velden, voor
zoveel betreft de gebieden, gelegen langs de in § 17 van Bijlage A van
het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Arcen en Velden, voor
zoveel betreft de gebieden, gelegen langs de in § 18 van Bijlage A van
het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Bergen, voor zoveel
betreft het gebied, gelegen langs de in § 19 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Bergen, voor zoveel betreft
het gebied, gelegen langs de in § 20 van Bijlage A van het Grensverdrag
beschreven nieuwe grens; Bergen, voor zoveel betreft het gebied,
gelegen langs de in § 21, sub a, van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Ottersum, voor zoveel
betreft het gebied, gelegen langs de in § 21, sub b, van Bijlage
A van het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Ottersum, voor
zoveel betreft het aan het territoir dier gemeente aansluitende gebied,
gelegen langs de in § 22 van Bijlage A van het Grensverdrag beschreven
nieuwe grens; Groesbeek, voor zoveel betreft het aan het
territoir dier gemeente aansluitende gebied, gelegen langs de in § 22
van Bijlage A van het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Groesbeek,
voor zoveel betreft het gebied, gelegen langs de in § 23 van Bijlage A
van het Grensverdrag beschreven nieuwe grens tussen de grensstenen 626
IX en 628; Groesbeek, voor zoveel betreft het aan het territoir
dier gemeente grenzende gedeelte van het gebied, gelegen langs de
overigens in § 23 van Bijlage A van het Grensverdrag beschreven nieuwe
grens tot een lijn, welke loopt als volgt: van grenspaal 629 bis
V in een rechte lijn naar een punt, gelegen op de verbindingslijn tussen
de palen 629 bis VII en 629 bis XIII, en wel op een
afstand van 25 meter van paal 629 bis VII; van dit punt in een
rechte lijn naar paal 629 bis XIII, van deze paal de voormalige
rijksgrens volgend naar paal 630 X, van deze paal in een rechte lijn
naar paal 630 XII, van deze paal de voormalige rijksgrens volgend naar
paal 630 XIV, van deze paal in een rechte lijn naar paal 630 XVI, van
deze paal de voormalige rijksgrens volgend naar paal 631, van deze paal
in een rechte lijn naar paal 631 IV, van deze paal de voormalige
rijksgrens volgend naar paal 631 VI, van deze paal naar een punt,
gelegen op de verbindingslijn tussen de palen 631 VI en 631 XI, en wel
op een afstand van 15 meter van paal 631 XI; van dit punt in een rechte
lijn naar paal 632; Ubbergen, voor zoveel betreft het overige
gebied, gelegen langs de in § 23 van Bijlage A van het Grensverdrag
beschreven nieuwe grens; Millingen aan den Rijn, voor zoveel
betreft het gebied, gelegen langs de in § 24 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Zevenaar, voor zoveel
betreft het gebied, gelegen langs de in § 26 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Bergh, voor zoveel betreft
het gebied, gelegen langs de in § 27 van Bijlage A van het Grensverdrag
beschreven nieuwe grens; Bergh, voor zoveel betreft het gebied,
gelegen langs de in § 28 van Bijlage A van het Grensverdrag beschreven
nieuwe grens; Bergh, voor zoveel betreft het gebied, gelegen
langs de in § 29 van Bijlage A van het Grensverdrag beschreven nieuwe
grens; Gendringen, voor zoveel betreft de gebieden, gelegen langs
de in § 31 van Bijlage A van het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Gendringen,
voor zoveel betreft de aan het territoir dier gemeente aansluitende
gebieden, gelegen langs de in § 32 van Bijlage A van het Grensverdrag
beschreven nieuwe grens, tot een lijn, vanuit het snijpunt van de grens
tussen de gemeenten Gendringen en Dinxperlo met de oude rijksgrens
loodrecht op de nieuwe rijksgrens getrokken; Dinxperlo, voor
zoveel betreft het vanaf de laatstelijk hiervoor bedoelde lijn aan het
territoir der gemeente Dinxperlo aansluitende gebied, gelegen langs de
in § 32 van Bijlage A van het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Dinxperlo,
voor zoveel betreft de gebieden, gelegen langs de in § 33 van Bijlage A
van het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Eibergen, voor
zoveel betreft de gebieden, gelegen langs de in § 34 van Bijlage A van
het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Eibergen, voor zoveel
betreft het gebied, gelegen langs de in § 35 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Losser, voor zoveel betreft
de gebieden, gelegen langs de in § 36 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Losser, voor zoveel betreft
het gebied, gelegen langs de in § 37 van Bijlage A van het Grensverdrag
beschreven nieuwe grens; Losser, voor zoveel betreft het gebied,
gelegen langs de in § 38 van Bijlage A van het Grensverdrag beschreven
nieuwe grens; Losser, voor zoveel betreft het aan het territoir
dier gemeente aansluitende gebied, gelegen langs de in § 39 van Bijlage
A van het Grensverdrag beschreven nieuwe grens, tot een lijn, vanuit het
snijpunt van de grens tussen de gemeenten Losser en Denekamp met de oude
rijksgrens loodrecht op de nieuwe rijksgrens getrokken; Denekamp,
voor zoveel betreft het vanaf de laatstelijk hiervoor bedoelde lijn aan
het territoir der gemeente Denekamp aansluitende gebied, gelegen langs
de in § 39 van Bijlage A van het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Denekamp,
voor zoveel betreft de gebieden, gelegen langs de in § 40 van Bijlage A
van het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Hardenberg, voor
zoveel betreft de gebieden, gelegen langs de in § 41 van Bijlage A van
het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Coevorden, voor zoveel
betreft de gebieden, gelegen langs de in § 42 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Coevorden, voor zoveel
betreft de aan het territoir dier gemeente aansluitende gebieden,
gelegen langs de in § 43 van Bijlage A van het Grensverdrag beschreven
nieuwe grens; Schoonebeek, voor zoveel betreft de aan het
territoir dier gemeente aansluitende gebieden, gelegen langs de in § 43
van Bijlage A van het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Bellingwolde,
voor zoveel betreft het gebied, gelegen langs de in § 45 van Bijlage A
van het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Nieuweschans, voor
zoveel betreft het gebied, gelegen langs de in § 46 van Bijlage A van
het Grensverdrag beschreven nieuwe grens; Beerta, voor zoveel
betreft de gebieden, gelegen langs de in § 47 van Bijlage A van het
Grensverdrag beschreven nieuwe grens.
Artikel 3
De gebieden, welke op 31 december 1937 behoorden tot het grondgebied
van het Duitse Rijk en krachtens artikel 2 van het Grensverdrag met
ingang van de in dat artikel bedoelde tijdstippen zullen behoren tot het
grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, zullen met ingang van
bedoelde tijdstippen deel uitmaken van de gemeente: Kerkrade,
voor zoveel betreft de gebieden, gelegen langs de in § 2 van Bijlage B
van het Grensverdrag beschreven toekomstige grens; Vlodrop, voor
zoveel betreft de gebieden, gelegen langs de in § 3 van Bijlage B van
het Grensverdrag beschreven toekomstige grens; Vlodrop, voor
zoveel betreft de gebieden, gelegen langs de in § 4 van Bijlage B van
het Grensverdrag beschreven toekomstige grens; Denekamp, voor
zoveel betreft de gebieden, gelegen langs de in § 5 van Bijlage B van
het Grensverdrag beschreven toekomstige grens.
Artikel 4
Aan de in artikel 3 van de Grenscorrectiewet genoemde gemeenten wordt
ten laste van Hoofdstuk VII A der rijksbegroting een vergoeding
toegekend wegens de nog niet afgeschreven kapitaalsuitgaven, welke zij
ten behoeve van en in verband met de krachtens deze wet aan het Rijk
toegevoegde gebieden hebben gedaan, alsmede een vergoeding van de kosten
der werken, welke zij ter uitvoering van het Grensverdrag nog moeten
verrichten. De toekenning van deze vergoedingen geschiedt door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken.
Artikel 5
De Grenscorrectiewet wordt met ingang van het tijdstip van
inwerkingtreding van het Grensverdrag ingetrokken.
Artikel 6
De drostambten Elten en Tudderen worden met ingang van het tijdstip
van inwerkingtreding van het Grensverdrag opgeheven.
Artikel 7
Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van
het vorige artikel. Hij kan terzake nadere regelen stellen.
Artikel 8
1. De voorlopige uitkeringen uit het Gemeentefonds aan de
drostambten Elten en Tudderen worden voor het jaar, waarin het
Grensverdrag in werking treedt, gedaan tot het bedrag, dat wordt
verkregen door vermenigvuldiging van het op jaarbasis berekende bedrag
dezer uitkeringen met een breuk, waarvan de noemer 365 bedraagt en de
teller gelijk is aan het aantal der dagen, dat verloopt van 1 januari
van dat jaar af tot de datum van inwerkingtreding van het
Grensverdrag.
2. Voorlopige uitkeringen uit het Gemeentefonds worden, voorzover
zij bij het in werking treden van het Grensverdrag nog niet door een
definitieve verrekening zijn gevolgd, als definitieve uitkeringen
aangemerkt.
Artikel 9
1. De voorlopige uitkeringen, bedoeld in artikel 2 van de
Regeling Uitkering grondbelasting en personele belasting aan de
gemeenten, worden aan de drostambten Elten en Tudderen voor de laatste
maal gedaan in de maand, voorafgaande aan die, waarin het Grensverdrag
in werking treedt.
2. De verschillen, bedoeld in artikel 3 van de in het eerste lid
genoemde Regeling, komen met ingang van de datum van inwerkingtreding
van het Grensverdrag ten laste of ten bate van 's Rijks kas.
Artikel 10
1. De Nederlandse ambtenaren in vaste en in tijdelijke dienst
van de drostambten Elten en Tudderen en de met hen naar het oordeel
van Onze Minister van Binnenlandse Zaken gelijk te stellen personen,
die op de dag, voorafgaande aan die van inwerkingtreding van het
Grensverdrag in de drostambten Elten en Tudderen werkzaam waren,
worden geacht met ingang van die inwerkingtreding eervol uit hun ambt
te zijn ontslagen.
2. Aan de landdrosten van Elten en van Tudderen en aan de in het
eerste lid bedoelde personen wordt, ten laste van Hoofdstuk VII A der
rijksbegroting, wachtgeld toegekend overeenkomstig de bepalingen van het
Rijkswachtgeldbesluit 1959. De toekenning van dit wachtgeld en het nemen
van beslissingen daaromtrent geschieden door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken.
3. Voor zover toepassing van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 leidt
tot een ongunstiger wachtgeld dan bij toepassing van de
wachtgeldregelingen der drostambten, kan door betrokkenen een keuze
gemaakt worden voor laatstbedoelde.
Artikel 11
1. De tijd, op het in het vorige artikel bedoelde wachtgeld
doorgebracht, wordt - tenzij aan de ontslagene een vervroegd
ouderdomspensioen, als bedoeld in het eerste lid van artikel 48, onder
b, der Pensioenwet 1922, Stb. 240, wordt toegekend uit
hoofde van de betrekking, waaraan hij het wachtgeld ontleent - als
diensttijd in de zin van laatstgenoemde wet aangemerkt, indien de
ontslagene in de betrekking, welke hij met wachtgeld heeft verlaten,
laatstelijk vóór zijn ontslag ambtenaar in de zin dier wet was en
voor zover die tijd niet parallel loopt met diensttijd als ambtenaar
in de zin der Pensioenwet 1922, Stb. 240, of als
spoorwegambtenaar in de zin van de Pensioenwet voor de
spoorwegambtenaren 1925, Stb. 294, in een betrekking of in
betrekkingen, waarin die hoedanigheid na dat ontslag werd verkregen,
dan wel in een militaire betrekking, waarin hij na zijn ontslag is
geplaatst.
2. Als wedde, onderscheidenlijk pensioensgrondslag, dan wel als
som der wedden, onderscheidenlijk som der pensioensgrondslagen, geldt,
uitsluitend voor de berekening van het ambtenaarspensioen volgens de
Pensioenwet 1922, Stb. 240:
a. gedurende de volgens het vorige lid voor pensioen geldige tijd
het bedrag, dat als wedde of als pensioensgrondslag, onderscheidenlijk
als som der wedden of als som der pensioensgrondslagen zou hebben
gegolden, indien de ontslagene de op overeenkomstige wijze, als
bedoeld in het Rijkswachtgeldbesluit 1959, berekende wedde gedurende
die tijd als ambtenaar in de zin dier wet zou hebben genoten;
b. gedurende de volgens het vorige lid in verband met parallel
lopende diensttijd niet voor pensioen geldige tijd, voor zover de
wedde of som van wedden in de betrekking of in de betrekkingen, waarin
de hoedanigheid van ambtenaar in de zin der Pensioenwet 1922, Stb.
240, of spoorwegambtenaar in de zin der Pensioenwet voor de
spoorwegambtenaren 1925, Stb. 294, na het ontslag werd
verkregen dan wel in de militaire betrekking, lager is dan de onder a
laatstelijk bedoelde wedde, het bedrag, dat als wedde of als
pensioensgrondslag, onderscheidenlijk als som van wedden of als som
van pensioensgrondslagen zou hebben gegolden, wanneer de ontslagene
laatstbedoelde betrekking of betrekkingen niet zou hebben bekleed.
Wanneer hij, die op wachtgeld gesteld is, na zijn ontslag meer dan
één betrekking gelijktijdig bekleedt, wordt het in de vorige zin
bedoelde bedrag geacht over deze betrekkingen evenredig te zijn
verdeeld in de verhouding van de werkelijke aan die betrekkingen
verbonden wedden.
3. Het rijk is voor de op wachtgeld gestelde jaarlijks vóór 31
december een bijdrage voor eigen pensioen aan het Algemeen Burgerlijk
Pensioenfonds verschuldigd van 13 percent van het bedrag, dat volgens
het vorige lid op 1 januari als pensioensgrondslag of als som van
pensioensgrondslagen voor hem geldt, eventueel verminderd met dat van
zijn pensioensgrondslag of de som zijner pensioensgrondslagen op
diezelfde datum in na het ontslag aangehouden betrekkingen of in
betrekkingen, waarin de hoedanigheid van ambtenaar in de zin der
Pensioenwet 1922, Stb. 240, na het ontslag werd verkregen.
4. De volgens het vorige lid verschuldigde bijdrage wordt door
inhouding op het wachtgeld op de betrokkene verhaald tot twee percent
van het, eventueel volgens het vorige lid verminderde, bedrag, dat als
pensioensgrondslag of als som van pensioensgrondslagen geldt.
5. Voor de toepassing van de eerste drie leden van dit artikel
vinden de artikelen 125, 127, 127a en 129a der Pensioenwet
1922, Stb. 240, overeenkomstige toepassing.
Artikel 12
Aan de Nederlanders, die op de dag, voorafgaande aan die van
inwerkingtreding van het Grensverdrag, in dienst van de drostambten
Elten en Tudderen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam
waren en die in verband met de opheffing van de drostambten hun
betrekking beëindigen, wordt, ten laste van Hoofdstuk VII A der
rijksbegroting, een uitkering toegekend overeenkomstig de bepalingen van
de Uitkeringsregeling 1952. De toekenning van deze uitkering en het
nemen van beslissingen daaromtrent geschieden door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken.
Artikel 13
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter
uitvoering van artikel 11 van het Grensverdrag.
Artikel 14
In de gebieden, bedoeld in artikel 6 van het Grensverdrag, waarop de
Grenscorrectiewet niet van toepassing is geweest, geldt voor de overgang
van het Duitse naar het Nederlandse recht het bepaalde in de artikelen
15 tot en met 17.
Artikel 15
1. Pachtovereenkomsten, die tot de inwerkingtreding van deze
wet hebben gegolden voor onbepaalde tijd, gelden voor de duur van zes
jaren, met dien verstande, dat de jaren, gedurende welke de
pachtovereenkomst vóór genoemd tijdstip heeft bestaan, voor de
berekening van die duur medetellen tot een maximum van vier jaren.
2. Pachtovereenkomsten, die tot de inwerkingtreding van deze wet
hebben gegolden voor bepaalde tijd, gelden voor de duur, waarvoor zij
zijn aangegaan.
3. In afwijking van de vorige leden eindigt een
pachtovereenkomst, die vóór de inwerkingtreding van deze wet op
rechtsgeldige wijze is opgezegd, op de dag, waartegen de opzegging is
geschied, tenzij deze op gemeld tijdstip reeds ingevolge § 8 van het
"Landpachtgesetz" door de rechter was nietig verklaard. Indien
de opzegging echter op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet
nog door de rechter kon worden nietig verklaard, kan de wederpartij tot
zes maanden na dit tijdstip bij de in pachtzaken bevoegde rechter alsnog
de nietigverklaring van de opzegging vorderen. De rechter beslist naar
billijkheid. Wijst hij de vordering toe, dan geldt de pachtovereenkomst
voor de in de vorige leden genoemde duur.
Artikel 16
1. Pachtovereenkomsten, die vóór de inwerkingtreding van deze
wet schriftelijk zijn aangegaan en ter kennis gebracht van het in § 3
van het "Landpachtgesetz" bedoelde gezag, worden geacht door
de grondkamer te zijn goedgekeurd, tenzij dit gezag ingevolge § 5 van
het "Landpachtgesetz" bezwaren heeft gemaakt, waaraan
partijen niet door tijdige wijziging van de pachtovereenkomst tegemoet
zijn gekomen en die niet door de rechter ongegrond zijn verklaard.
2. Pachtovereenkomsten, die vóór de inwerkingtreding van deze
wet niet ter kennis van het gezag, bedoeld in het vorige lid, behoefden
te worden gebracht, worden geacht door de grondkamer te zijn
goedgekeurd.
3. Pachtovereenkomsten, die vóór de inwerkingtreding van deze
wet zijn aangegaan, doch niet krachtens de vorige leden geacht worden
door de grondkamer te zijn goedgekeurd, moeten binnen een jaar na dit
tijdstip aan de grondkamer ter goedkeuring worden ingezonden. Deze
verplichting geldt evenwel niet ten aanzien van pachtovereenkomsten, als
bedoeld in artikel 58 van de Pachtwet. Ieder der partijen is tot
inzending verplicht; zodra een hunner aan zijn verplichting heeft
voldaan, is die van de ander vervallen. Niet-nakoming wordt geacht een
overtreding te zijn van artikel 8, eerste lid, van de Pachtwet. De
verpachter kan in dat geval, zolang de pachtovereenkomst niet is
goedgekeurd, niet een rechtsvordering tot betaling van de pachtprijs
tegen de pachter instellen. De artikelen 9 en 10 van de Pachtwet blijven
buiten toepassing.
4. Indien de grondkamer een pachtovereenkomst wijzigt of nietig
verklaart, werkt de hiertoe strekkende beschikking niet terug.
5. Onder pachtovereenkomsten worden in dit artikel mede verstaan
overeenkomsten tot wijziging van een pachtovereenkomst.
Artikel 17
1. Indien een pachtovereenkomst, die geldt voor de duur van ten
minste twaalf jaren voor een hoeve en van ten minste zes jaren voor
los land, binnen twee jaren na de inwerkingtreding van deze wet
eindigt, kan de kennisgeving, bedoeld in artikel 36, tweede lid, van
de Pachtwet, tot een jaar na dit tijdstip worden gedaan.
2. Op pachtovereenkomsten, die gelden voor een kortere duur dan
genoemd in het vorige lid, is artikel 37 van de Pachtwet van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat de pachter tot een
jaar vóór het einde van die duur of, wanneer de pachtovereenkomst
binnen twee jaren na de inwerkingtreding van deze wet eindigt, nog tot
een jaar na dit tijdstip aan de pachtkamer kan verzoeken, de
pachtovereenkomst te verlengen.
3. Pachtovereenkomsten, die op het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet niet meer ingevolge § 8 van het
Landpachtgesetz konden worden verlengd, zijn niet voor verlenging
vatbaar.
Artikel 18
1. De "Grundschulden", welke op grond van het Duitse
"Gesetz zur Sicherung von Forderungen für den Lastenausgleich"
van 2 september 1948 zijn ontstaan in de gebieden, bedoeld in artikel
6 van het Grensverdrag, worden, voorzover zij niet reeds eerder zijn
tenietgegaan, opgeheven.
2. De bedragen, welke uit hoofde van "Grundschulden",
ontstaan krachtens de in het vorige lid bedoelde wet, in 's Rijks kas
zijn gestort, worden teruggegeven aan degenen, die deze betaling hebben
verricht of aan hun rechtverkrijgenden.
Artikel 19
1. In geval een verzoek tot invordering overeenkomstig de
artikelen 18 en 20 van het Grensverdrag is aanvaard, wijst Onze
Minister van Financiën bij schriftelijke opdracht een ontvanger der
directe belastingen aan, die met de invordering is belast. Onze
genoemde Minister kan zodanige opdracht tot invordering te allen tijde
intrekken of de uitvoering daarvan doen opschorten.
2. Behoudens het bepaalde in het volgende lid zijn terzake van
een overeenkomstig het eerste lid in te vorderen bedrag de wetten van 22
mei 1845 (Stb. 22) en van 1 juni 1850 (Stb. 26) van
toepassing, met dien verstande dat:
a. de opdracht wordt gelijkgesteld met een kohier;
b. het in te vorderen bedrag, in zijn geheel, wordt gelijkgesteld
met een aanslag in de inkomstenbelasting van een niet binnen het Rijk
in Europa wonende belastingschuldige;
c. voor het aanslagbiljet in de plaats treedt een schriftelijk
verzoek van de ontvanger tot betaling;
d. verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel mede nimmer
gericht kan zijn tegen de wettigheid van de opdracht van Onze Minister
van Financiën;
e. de ontvanger, aan wie de opdracht tot invordering is verstrekt,
voor de toepassing van artikel 20 van de wet van 22 mei 1845 geacht
wordt op te treden namens het bestuur der belastingen.
3. De artikelen 2, 3, 8, 12 en 17, eerste lid, van de wet van 22
mei 1845 zijn niet van toepassing. De maatregel van lijfsdwang is
uitgesloten.
Artikel 20
1. Personen en lichamen, die op het tijdstip van de
inwerkingtreding van het Grensverdrag woonachtig of gevestigd zijn in
de in artikel 4 van het Grensverdrag bedoelde gebieden, worden voor de
toepassing van de Nederlandse belastingwetgeving geacht het Rijk in
Europa op dat tijdstip metterwoon te hebben verlaten onderscheidenlijk
zich buiten het Rijk in Europa te hebben gevestigd.
2. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde personen of
lichamen blijven buiten toepassing:
a. artikel 7, tweede lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting
1941 (Verord.bl. 105);
b. artikel 2, derde lid, laatste volzin, van het Besluit op de
Vennootschapsbelasting 1942 (Verord.bl. 51);
c. artikel 3, eerste en tweede lid, van de Successiewet 1956 (Stb.
362).
3. Met betrekking tot gebouwde en ongebouwde eigendommen, welke
gelegen zijn in de in artikel 4 van het Grensverdrag bedoelde gebieden,
is voor het belastingjaar, waarin de dag der inwerkingtreding van het
Grensverdrag valt, grondbelasting slechts verschuldigd over zoveel
twaalfde gedeelten van het belastingjaar als er gehele maanden
verstreken zijn vóór de inwerkingtreding van het genoemde Verdrag.
4. Het bepaalde in het vorige lid is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de personele belasting, voor zoveel betreft
het gebruik van percelen, welke gelegen zijn in de in artikel 4 van het
Grensverdrag bedoelde gebieden.
Hoofdstuk III. Grenswateren
Artikel 21
1. Indien het plan bestaat, maatregelen, welke de
waterstaatkundige toestand op Duits grondgebied wezenlijk kunnen
beïnvloeden, uit te voeren of de uitvoering hiervan toe te laten, is
de beheerder van het grenswater of, voor het geval dit water daarbij
niet rechtstreeks is betrokken, de uitvoerder van die maatregelen
verplicht de door Nederland aangewezen voorzitter van de Permanente
Grenswaterencommissie, bedoeld in artikel 64 van het Grensverdrag,
hiervan tijdig vooraf in kennis te stellen, onder toezending van een
afschrift van deze kennisgeving - voorzoveel die verplichting rust op
een ander dan het Rijk - aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Nadere regelen hieromtrent kunnen worden gesteld bij algemene
maatregel van bestuur.
2. Tot het uitvoeren van in het eerste lid genoemde maatregelen
door anderen dan het Rijk mag niet worden overgegaan, dan nadat Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat heeft verklaard, dat met het oog op
de naleving van het bepaalde in het Grensverdrag tegen de uitvoering
daarvan geen bezwaar bestaat.
Artikel 22
1. Overeenkomsten, welke ingevolge het bepaalde in artikel 59,
lid 2, van het Grensverdrag door openbare lichamen worden gesloten,
behoeven Onze goedkeuring, alvorens zij in werking treden.
2. De voordracht tot goedkeuring van de in het eerste lid
bedoelde overeenkomsten wordt Ons gedaan door Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse
Zaken.
Artikel 23
1. Maatregelen ten aanzien van grenswateren, ter uitvoering van
het Grensverdrag genomen, worden voor de toepassing van de
Belemmeringenwet Verordeningen en de Belemmeringenwet Privaatrecht
voorzoveel nodig beschouwd als openbare werken, die krachtens een door
Ons verleende concessie worden uitgevoerd en waarvan het openbaar
belang door Ons is erkend.
2. Bij onteigening ten behoeve van die maatregelen vindt het
bepaalde in Titel 2a der Onteigeningswet overeenkomstige
toepassing.
3. De openbare lichamen, welke beheerders zijn van grenswateren,
dienen, voorzover zulks voor een bevredigende uitvoering van het
Grensverdrag noodzakelijk of wenselijk is, ernaar te streven, de
eigendom van die wateren te verwerven vrij van de daarop eventueel
rustende zakelijke of andere rechten. Het bepaalde in het eerste lid van
artikel 24 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
1. In de ten laste van openbare lichamen komende kosten voor
het tot stand brengen van maatregelen, welke ter uitvoering van het
Grensverdrag worden genomen, zal uit 's Rijks kas een redelijke
tegemoetkoming worden verleend, voorzover in die kosten niet op andere
wijze wordt voorzien.
2. Deze tegemoetkoming heeft alleen betrekking op hetgeen die
kosten meer bedragen, dan hetgeen vóór het in werking treden van het
Grensverdrag voor de uitoefening der desbetreffende waterstaatstaak werd
vereist, en alsdan - uit welke hoofde ook - ten laste van die openbare
lichamen zou zijn gekomen. Een beslissing omtrent deze tegemoetkoming
wordt genomen door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat na ingewonnen
advies van Gedeputeerde Staten.
3. Indien de uitvoering van werken, door Ons op advies der
Permanente Grenswaterencommissie nodig geacht, niet binnen bekwame
termijn geschiedt door hem, die met de zorg voor het betrokken
grenswater belast is, geschiedt deze uitvoering door het Rijk. De
aanlegkosten komen, voor zover zij niet mochten worden gedekt door een
tegemoetkoming, als bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel, ten
laste van de beheerder. Het onderhoud dezer werken komt alsdan ten laste
van de beheerders dier werken dan wel van de openbare lichamen, welke
alsnog als beheerders daarvan zullen worden aangewezen.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen