WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er aanleiding is om
voorziening te treffen tot uitvoering van het op 16 september 1988 te
Lugano tot stand gekomen Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid
en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken,
met Protocollen en Verklaringen (Trb. 1989, 58);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Het bepaalde in de artikelen 2-10 van de Wet van 4 mei 1972, Stb.
240, houdende uitvoering van het op 27 september 1968 te Brussel tussen
de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap tot stand gekomen
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging
van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met Protocol (Trb.
1969, 101), strekt mede tot uitvoering van het op 16 september 1988 te
Lugano tot stand gekomen Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid
en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken,
met Protocollen en Verklaringen (Trb. 1989, 58).
Artikel 2
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 26 maart 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Justitie,
A. Kosto
Uitgegeven de zevende april 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin