Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 23 december 1964, houdende uitvoering van het op 23 juli 1964
te Wenen ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en
de Republiek Oostenrijk tot vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals
dit is geregeld bij het Haagse Verdrag van 1 maart 1954
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 23 juli 1964 te Wenen
ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de
Republiek Oostenrijk tot vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals
dit is geregeld bij het Haagse Verdrag van 1 maart 1954;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt onder "het
verdrag" verstaan het op 23 juli 1964 te Wenen ondertekende
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek
Oostenrijk tot vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals dit is
geregeld bij het Haagse verdrag van 1 maart 1954 (Trb. 1954, 40).
Artikel 2
De aanvragen om overmaking van
stukken en de verzending van rogatoire commissies op de voet van de
artikelen 1 en 3 van het verdrag geschieden aan Nederlandse zijde
door de officieren van justitie bij de arrondissementsparketten.
Artikel 3
De bij de overmaking van stukken
gemaakte kosten, waarvan ingevolge artikel 5, tweede lid, van het
verdrag door de Republiek Oostenrijk opgave wordt gedaan, worden in
rekening gebracht aan degene te wiens verzoeke de Officier van
Justitie de overmaking heeft aangevraagd. Artikel 30 van de Wet
griffierechten burgerlijke zaken is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
Met betrekking tot kosten die zijn
gemaakt bij de uitvoering van een rogatoire commissie en waarvan
ingevolge artikel 5, tweede lid, van het verdrag door de Republiek
Oostenrijk opgave wordt gedaan, is artikel 16 van de wet van 24
december 1958 (Stb. 677) houdende uitvoering van het op 1 maart 1954
te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag betreffende de burgerlijke
rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
Deze wet treedt in werking met ingang
van de dag waarop het verdrag voor Nederland in werking treedt.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize
Soestdijk, 23 december 1964
JULIANA
De Minister van Justitie a.i.,
E.H. Toxopeus
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. Luns
Uitgegeven de zevende januari 1965
De Minister van Justitie,
Y. Scholten
|